Het Oude Verbond - het Oude Testament 


In het begin schiep God de hemel en de aarde en alles wat daarin en daarop was. Hij  deed dat in zes dagen. Op de zesde dag schiep Hij de mens uit het stof van de aarde: Adam. Uit de zijde van Adam nam God en maakte daaruit zijn vrouw Eva. Daarop plaatste God hen beiden in de hoftuin van Eden. Op de zevende dag rustte God van al zijn scheppingswerk (Zie Genesis 1 en 2).

De Bijbel zegt: “GOD bekeek alles wat Hij gemaakt had en zie, het was heel goed. Het werd avond en het werd ochtend, de zesde dag. Zo werden de hemel en de aarde voltooid met heel hun ordening van macht. Op de zevende dag voltooide GOD zijn werk dat Hij gemaakt had en op de zevende dag rustte Hij van al zijn werk dat Hij verricht had. GOD zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al zijn werk dat GOD geschapen had om (het zo) te maken (Genesis 1:31-2:3).  

Adam was werkelijk de eerste zoon van God die Hij schiep (zie ook Lk. 3:38). God heeft geen vrouw zoals de aardse, zondige mens een vrouw heeft en met haar omgaat. Dat is onmogelijk! GOD is HEILIG en kan geen enkel zondig mens bij zich verdragen.  God schiep Adam uit het stof van de aarde en vervolgens maakte God de vrouw uit de zijde van Adam. 

Wie is dan de Vader van Adam? Alleen God is de Vader van Adam. Kunnen wij dan zeggen, dat God geen zoon heeft zoals zoveel mensen beweren? Dat nooit! God heeft een zoon die Hij gemaakt heeft uit het stof van de aarde en door de levensadem in zijn neus te blazen (Gen. 2:7) en zo werd hij een levend wezen.

Hierna gebeurde het dat Adam en Eva tegen God zondigden. Zij namen van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, toen de duivel, de satan, Eva verleidde en aan haar verscheen als een slang … Daarna gaf Eva van de vrucht van de boom aan Adam. Hij weigerde niet om ervan te eten, zoals hij had moet doen, en zondigde tegen God omdat God hem verboden had om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad en van de boom van het Leven, die allebei in het midden van de hoftuin van Eden stonden. 

Adam had deel aan het eeuwig Leven bij God, hij had vrede en toegang tot al het goede van de hoftuin van Eden! Maar door één zonde verspeelde hij dat allemaal, doordat hij zijn vrouw haar gang liet gaan toen zij verleid werd en vervolgens ook zelf zondigde. God stuurde hen weg uit de hoftuin van Eden. Hij wilde de mens doden om de zonde die Adam had begaan die indruiste tegen zijn heilige en rechtvaardige goddelijke karakter, maar vanwege zijn barmhartigheid wilde Hij  de mens redden …

Nadat God Adam en Eva weggestuurd had uit de hoftuin van Eden, schaamden zij zich voor elkaar en waren zij sterfelijke wezens geworden, die niet meer deel hadden aan het eeuwige Leven met God zoals daarvoor. 

God echter blijft dezelfde, Hij is onvergankelijk Leven, eeuwig Leven, dat er altijd was en er altijd zal zijn tot in alle eeuwigheid. 

Door de zonde was er een grote kloof ontstaan tussen God en mens, een kloof die geen mens kon overbruggen. Veel mensen zeggen: God is barmhartig, misschien zal hij de zonde die ik gedaan heb vergeven. Misschien kan ik de kloof overbruggen, al was het door vuur heen, want zo stellen veel mensen zich dat voor of zo wordt het aan hen geleerd. 

Maar zo ligt de zaak niet. God is niet alleen barmhartig, Hij is ook heilig en rechtvaardig. Kan God zijn heiligheid en rechtvaardigheid verspelen door een onrein mens met al zijn zonde die hij gedaan heeft te accepteren? Dat nooit! Of kan God alle mensen ombrengen omdat Hij heilig en rechtvaardig is en zij zondaren? Kan God zo zijn grote barmhartigheid teniet doen? Ook dat doet hij nooit!  

Wat dan …? 

God gaf een belofte aan Adam en Eva. Toen God de satan, die aan Eva verscheen in de gedaante van een slang, vervloekte en zei Hij tegen de satan: “Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de vrouw en tussen jouw zaad en haar zaad. Het zal jou de kop verbrijzelen, en jij zult het de hiel verbrijzelen.” (zie Genesis 3:15). Door deze belofte opende God als het ware een deur voor Adam en Eva die uitzicht gaf op de redding van het zaad van de vrouw, dat wil zeggen uitzicht op redding voor haar nakomeling(en), haar zoon. 

Zij baarde kinderen: Kaïn en Abel en daarna nog anderen. Maar Kaïn, het eerste kind, doodde zijn broer Abel (haar tweede kind). Zo werd duidelijk dat Kaïn niet het zaad was dat Eva op grond van haar geloof in het Woord van God verwachtte, omdat hij niet de kop van de slang vermorzelde, maar zijn broer doodde. God stuurde Kaïn ver weg. “Daarop zei Kaïn tegen de HEERE: ‘Mijn straf is groter dan ik kan dragen. Zie, op deze dag verjaagt U mij van deze grond en ik zal voor uw aangezicht verborgen zijn en ik zal rondzwerven en ronddwalen op aarde en het zal erop uitlopen dat ieder die mij vindt, mij zal doden.’ De HEERE zei tegen hem: “Daarom zal ieder die Kaïn doodslaat, zevenvoudig worden gewroken!” En de HEERE gaf Kaïn een teken, opdat ieder die hem vond, hem niet zou doodslaan.” (Genesis 4:13-15). Zo zien wij dat God wel barmhartig is ten opzichte van Kaïn, maar tegelijk aan zijn rechtvaardigheid en betrouwbaarheid vasthoudt, door Kaïn ver weg te sturen, zoals Adam en Eva ook uit de hoftuin van Eden weggestuurd werden. Tegelijkertijd blijft God trouw aan de belofte die Hij gegeven heeft in het bijzijn van Adam en Eva.

Zo bleek dat ook de kinderen van Adam en Eva zondaren waren zoals Adam zelf, nadat hij in zonde gevallen was en een zondig mens geworden was. Wij zijn allen kinderen en nakomelingen van Adam, dat wil zeggen dat wij ook zondaren zijn. 

Maar wie uit de nakomelingen van Adam en Eva is de Redder die God aan Adam en Eva beloofde? God had het offer van Abel aanvaard, maar nu was Abel dood, de eerste martelaar om zijn geloof, want zijn rechtvaardige bloed riep tot God. Maar ook Abel was niet bij machte om de kloof die door de zonde was ontstaan te overbruggen! Door de zonde van één was de zonde naar allen doorgegaan. De vervulling van de belofte die God gedaan had, bleef uit. 

De goddeloosheid en de slechtheid van de mensen op aarde nam alleen maar toe. Ze hadden geen berouw en geen spijt van alles wat er met Adam en Eva gebeurd was, en ze gingen hun eigen gang. God wilde hen eigenlijk allemaal om het leven brengen door een grote zondvloed waarin iedereen zou verdrinken. Maar één man beschouwde God als rechtvaardig op aarde en dat was Noach. God koos Noach uit om hem en zijn vrouw en zijn drie zonen met hun vrouwen te redden. God gaf Noach opdracht om een grote boot, genaamd de ark (dat betekent ‘kist’), te bouwen en Noach deed wat God zei. Toen de ark klaar was, zei God tegen Noach: “Kom in de ark, jij en heel je huisgezin, want onder de mensen van jouw tijd beschouw Ik jou als rechtvaardig in mijn ogen.” (Genesis 7:1) God beschouwde Noach als rechtvaardig vanwege zijn geloof, want Noach vertrouwde op God (zie Genesis 9:21). God liet alle mensen omkomen door de grote watervloed die Hij over heel de aarde bracht en over alle toppen van de hoogste bergen. Alleen Noach en zijn vrouw en zijn 3 zonen met hun vrouwen in de ark werden gered, acht mensen met alle dieren die God hem opdroeg om mee te nemen in de ark. 

Waarom werden zij gered? Omdat God Noach uitkoos en zijn geloof (dat is zijn vertrouwen op God) als rechtvaardigheid beschouwde zoals we in de bijbel lezen in de brief aan de Hebreeën 11:7: “Door het geloof werd Noach, toen met hem gesproken werd over dingen die nog niet te zien waren, met diepe vrees vervuld, en om de kinderen in zijn gezin in leven te houden maakte hij de ark. Daardoor heeft hij de wereld veroordeeld en werd hij een erfgenaam van de rechtvaardigheid door het geloof. ”


image.jpg


Met Noach werden ook zij drie zonen gered: Sem, Cham en Jafeth. Zij verwekten kinderen. De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram. Arfachsad verwekte Sela en Sela verwekte Heber. Over hem lezen wij: “Aan Heber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen spleet de aarde en de naam van zijn broer was Joktan.” (Genesis 10:25). Dat er staat dat de aarde spleet, kan heel goed betekenen dat de aarde voor die tijd uit één onverdeeld stuk land bestond. In de geschiedenis van de schepping in Genesis lezen wij: “En GOD zei: “Laten de wateren onder de hemel naar één plaats samenstromen en laat het droge zichtbaar worden!” En zo gebeurde het.” (Genesis 1:9) 

Er was dus één plaats voor het water, en daar tegenover was één aaneengesloten droog gebied dat land genoemd werd, niet zoals nu waarin werelddelen en oceanen schots en scheef door elkaar liggen. Als er inderdaad één aaneengesloten droog gebied was, het land, is het mogelijk, dat dit aaneengesloten land in de dagen van Peleg spleet en dat er barsten in de aarde kwamen en de wateren er tussendoor gingen lopen, zoals wij dat nu ook zien. 

Dit alles gebeurde niet zo lang na de zondvloed. 

Maar er was ook nog iets anders waardoor de aarde a.h.w. spleet of verdeeld werd. Na de zondvloed werden de mensen verspreid over de landen omdat God hun talen verdeelde toen zij bezig waren met de bouw van de toren van Babel in het land Sinear (het huidige Irak). Ze wilden als het ware opklimmen naar de hemel, want ze waren trots geworden in hun hart (zie Genesis 11). Toen ze opeens in verschillende talen begonnen te spreken konden zij niet meer bij elkaar wonen en met elkaar samenwerken en waren zij bang van elkaar. Ieder volk ging zijn eigen weg naar een land dat God hen aanwees. Zo ontstonden de volken van de wereld en ook was de wereld niet meer één land zoals daarvoor en de taal van de mens was ook niet meer één en dezelfde zoals daarvoor en de mensen vormden ook niet meer één volk zoals daarvoor. Er waren nu verschillende landen en verschillenden volken met hun eigen talen.

Toen koos de HEERE GOD Abraham uit en zei tegen hem: “De HEERE zei tegen Abram: ‘Ga weg uit je land, je geboortegrond en het huis van je vader en ga naar het land dat Ik je wijzen zal. Ik zal je tot een groot volk maken, je zegenen en je naam groot maken en wees ook jij tot een zegen! Ik zal zegenen wie jou zegenen en wie jou veracht, zal Ik vervloeken. In jou zullen alle families op aarde gezegend worden.’ ” (Genesis 12:1, 2)

God koos Abraham uit en beloofde hem dat Hij hem tot een groot volk zou maken en dat hij tot een zegen zou zijn voor alle volken. Ook beloofde Hij hem een land, maar dat zou hij niet zo krijgen als de andere volken die over de aarde verspreid waren naar hun talen en naar hun landen. Nee, dat zou gebeuren in overeenstemming met de belofte die God aan Abraham gegeven had.

Abraham en Sara bleven wachten en zij hoopten dat de belofte die God aan Abraham had gedaan zou uitkomen. Ze bleven hopen tot zij geen kinderen meer konden krijgen en heel oud geworden waren. In die dagen verscheen God aan Abraham en Sara, en Hij beloofde hen een zoon. Toen de tijd voorbij was waarover God tot Sara gesproken had, baarde zij een zoon. De zoon kwam door de belofte van God. Was hij het zaad dat God aan Eva beloofd had? Zou hij de kop van de slang vermorzelen? 

image-2.jpg


God vroeg Abraham om Hem zijn zoon Izak als offer te geven. Abraham hief zijn mes omhoog om zijn zoon te slachten, maar op datzelfde moment riep de Engel van de HEERE uit de hemel en zei: “Abraham, Abraham!” Hij zei: “Zie, hier ben ik!” Toen zei hij: “Strek je hand niet tegen de jongen uit en doe hem niets aan, want nu weet Ik, dat je GOD vreest en je zoon, je enige, Mij niet hebt onthouden.” (Genesis 22:10, 11). 


Waarom verhinderde God het offer van de  zoon van Abraham en gaf Hij Abraham daarna een ram om te offeren. Is een ram van de schapen beter dan de zoon van Abraham? Beslist niet! Waarom verhinderde God dan het offeren van Izak? Het was niet omdat God Abraham alleen maar op de proef wilde stellen en verder niets. Er was iets dat nog veel belangrijker was dan het op de proef stellen van Abraham. Wat was dat dan? God zocht een VOLMAAKT OFFER en de zoon van Abraham was niet volmaakt, want alle mensen zijn zondaren. Ook de zoon van Abraham was niet volmaakt door de zonde die in hem woonde. 

Was het lam, het schaap, God dan wel waardig? Het offeren van een schaap was natuurlijk ook niet een waardig middel om verlossen van zonde, maar God koos het als een beeld van een Offer dat nog komen zou!


Uit Abraham werd het volk Israël geboren, want hij verwekte Izak en Izak verwekte Jakob en Jakob kreeg 12 kinderen en God gaf hem de nam Israël. Vervolgens werden de 12 zonen  de 12 stammen van Israël. Jozef was één van de twaalf, maar omdat zijn broers een hekel aan hem hadden, verkochten zij hem naar Egypte. Maar Jozef vertrouwde op God en God maakte hem koning van Egypte onder Farao, de koning van Egypte. Maar een grote hongersnood zou het land Egypte treffen gedurende een periode van zeven jaar na zeven jaren van overvloed. God sprak van tevoren over die hongersnood in dromen tot Farao en Jozef legde de betekenis van die dromen uit. Jozef handelde met wijsheid en in de zeven jaren van overvloed bewaarde hij veel koren voor de zeven jaren van hongersnood die over Egypte en over heel de wereld zou komen. Zo redde Jozef alle volken want zij kwamen naar Egypte om koren van hem te krijgen. Ook zijn broers die hem naar Egypte verkocht hadden, kwamen naar Egypte. Zij ontdekten dat hun broer Jozef nog leefde en koning van Egypte geworden was en zij waren bang van hem. Maar hij ontfermde zich over hen en vergaf hen hun zonde die zij tegen hem hadden begaan, en hij gaf hun en aan zijn vader Jakob een plaats in het land Egypte om daar te wonen. 

Jozef was in die dagen de redder van de wereld, maar hij kon de mens niet verlossen van hun zonde en hij kon het hart van het volk Israël niet veranderen zodat zij niet meer zouden tegen God zouden zondigen. Maar Jozef was een vorbeeld van een andere Koning en een andere Koning die nog niet gekomen was.  

image-3.jpg


Vele jaren later zou het Israel uit het land Egypte wegtrekken, want een andere Farao die Jozef niet gekend had, maakte hen het leven in Egypte heel moeilijk. Hij maakte hen tot slaven en wilde al hun mannelijke kinderen doodden. Maar God redde Mozes uit hun handen. Hij zorgde ervoor dat de vrouw van Farao Mozes als zoon aannam toen zij hem uit het water van de rivier de Nijl liet halen, waarin zijn moeder hem in een waterdicht mandje had laten ronddrijven uit vrees voor Farao die alle jongetjes wilde doden. Zo kwam Mozes als klein kindje aan het hof van Farao en werd hij tot een gereedschap in Gods hand om het volk Israël te verlossen. 


image-4.jpg


God stelde Mozes en zijn broer Aäron aan als leiders van het volk. Door de hand van Mozes bracht God 10 zware plagen over het land Egypte omdat Farao Israël geen toestemming gaf om weg te gaan om hun God te aanbidden. Pas bij de tiende plaag liet Farao Israël uit Egypte vertrekken nadat God het volk Israël eerst bevolen had om alle mannen te besnijden en om voor elk gezin een schaap te slachten. Het bloed van dat schaap moesten zij buiten op de deurposten van hun huizen smeren en in de nacht na het slachten van het schaap vlak voor hun vertrek moesten zij het in hun huizen eten. 

Dit slachtoffer werd ‘het voorbijgaansoffer’ (‘pascha’) genoemd omdat God, in de nacht nadat zij dit geslacht hadden aan de huizen van alle Egyptenaren voorbij trok en als Hij het bloed niet op de deurposten zag, ging Hij dat huis binnen en doodde de eerstgeboren zoon in dat huis. Zo doodde God alle eerstgeborenen in het land Egypte, vanaf de eerstgeborenen van Farao tot aan de eerstgeborene van de slavin en de eerstgeborenen van het vee. 

Maar in diezelfde nacht gingen de Israëlieten weg uit Egypte. Maar Farao kwam met zijn leger achter hen aan om hen tegen te houden. Door de hand van Mozes opende God een weg door de zee voor het volk Israël en zo trokken zij te voet door de zee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden. Maar toen zij aan de overkant gekomen waren, liet God de zee weer stromen terwijl de Egyptenaren nog in de zee waren. Alle soldaten van Egypte van verdronken, er bleef er niet één over. 

image-5.jpg


De Israëlieten volgden de weg die God hen aanwees door de woestijn tot ze bij de berg Sinaï aankwamen waar Hij hen de Wet gaf door middel van Mozes. Zij sloten een verbond met God om te doen wat in de Wet geschreven stond. Zij probeerden het Verbond dat God met hen gesloten had na te leven.

In het Verbond dat God met het volk Israël gesloten had, was sprake van de Tien Geboden, van de offers, de priesters, de Heilige Tent waarin de Kandelaar stond met de 7 olielampen, de Tafel met de toonbroden, het wierookaltaar, de Kist (of: de Ark) waarin de twee stenen tafelen van de Wet lagen die God aan Mozes gegeven had samen met de staf van Mozes en het brood dat het volk Israël in de woestijn at, het zgn. ‘manna’, en de cherubs (de engelen van God) die op de Kist stonden terwijl zij naar het bloed keken dat de hogepriester had gesprenkeld op het verzoendeksel dat op de Kist lag en nog van vele andere dingen. Zie hiervoor het tweede bijbelboek met de naam Exodus (Exodus, Exodi, Exode).

De Heerlijkheid van God, dat is zijn Heilige Macht en Gezag, woonde in het Allerheiligste in het achterste gedeelte van de Tent (of de Woning). Niemand kon daar binnenkomen, alleen de Hogepriester mocht er één keer per jaar binnengaan (op de 10e dag van de 7e maand) door het sprenkelen van het bloed van de offers op het Verzoendeksel dat op de Kist lag en ook op de grond voor de Kist (Leviticus 16:1-34 en Leviticus 23:23-32). God is volkomen Heilig, de mens kan niet zomaar tot Hem naderen!

De Joden moesten heel veel offers brengen die God hen gaf, want Hij heeft immers zelf alle dieren geschapen, zowel de stieren als de schaapsrammen. De Israëlieten brachten ze naar het altaar om die als offer te brengen. De Bijbel zegt: 

"Want de ziel van het lichaam is in het bloed en dat bloed heb Ik jullie op het altaar gegeven om over jullie zielen verzoening te doen, want het is het bloed dat over de ziel verzoening brengt." (Leviticus 17:11)

Uit het Woord van God blijkt dat God het bloed als de verzoening voor de zonde beschouwt, want het bloed staat voor de ziel van de mens. Maar het bloed van stomme dieren kan de zonde van de mens niet werkelijk verzoenen en ook het bloed van een zondig mens zoals de zoon van Abraham is niets waard voor de bevrijding van de mens uit de toestand waarin hij gevallen is sinds Adam zondigde. 

image-6.png


Na de uittocht uit Egypte leidde God het volk Israël naar het land Kanaän dat God vroeger aan Abraham en zijn zaad, zijn nakoemlingen, als erfdeel beloofd had. De zonen van Israël beschouwden zichzelf als nakomelingen van Abraham en zij wilden dit erfdeel onder leiding van Mozes innemen. Maar toen zij het land zagen en de volken die er woonden, schrokken ze terug voor de strijd om het land in te nemen. Zij vertrouwden God niet dat Hij hun het land in handen zou geven. Zij weigerden er binnen te gaan. Daarom liet God hen veertig jaar in de woestijn rondtrekken met Mozes en Aäron, met de Tent en alle voorwerpen die erbij hoorden. Zij trokken van plaats tot plaats terwijl God overdag in een wolk voor hen uitging en ‘s nachts achter het volk aan liep, waarbij de wolk veranderde in een vurige kolom. Zo leidde God hen overdag en beschermde Hij hen ’s nachts, zodat de vijanden niet bij hen konden komen door de vuurkolm waarin God met hen meeging.

Na 40 jaar gingen zij het land onder leiding van Jozua binnen. Ze overwonnen de inwoners van eht land Kanaän, en woonden daar ongeveer 400 jaar tot aan de dagen van koning David, die de tweede koning van Israël was na Saul, die de eerste koning was. Maar koning Saul was niet goed in Gods ogen, en daarom koos God David uit om na hem koning te worden.

Van jongsaf aan was David herder geweest. Hij hoedde de schapen, vocht met de wilde dieren, doodde een leeuw. Hij was niet bang, hij vertrouwde op God. Toen David nog maar een jongeman was, voerde Saul oorlog met de Filistijnen. De Israëlieten waren erg bang toen een reusachtige Filistijn met de naam Goliath de spot met hen dreef en hen uitdaagde om een man een tweegevecht met hem te laten voeren. Goliath was ongeveer 3 meter lang en hij had afschrikwekkende wapens en hij droeg een ijzeren pantser. Maar David rende op hem af in zijn gewone herderskleding en slinger en overwon hem in de naam van God van Israël door hem met een steen te treffen

“David stak zijn hand in de tas, nam er een steen uit, slingerde en trof de Filistijn in zijn voorhoofd, zodat de steen diep in zijn voorhoofd doordrong en op zijn gezicht ter aarde viel. Zo overmeesterde David de Filistijn met een slinger en met een steen. Hij versloeg de Filistijn en doodde hem. (Daarbij) had David geen zwaard in de hand.” (1 Samuël 17:49, 50). 

image-7.jpg

David overwon al zijn tegenstanders in en buiten het grondgebied van Israël, het land dat zij als erfdeel op de Filistijnen veroverd hadden. David hield veel van de God van Israël zodat hij zelfs een Huis voor Hem in Jeruzalem wilde bouwen, een Heilige Tempel voor God. Maar God liet hem dat Huis niet bouwen omdat hij bij de vele oorlogen die hij gevoerd had zoveel bloed had vergoten. God stond hem alleen toe om de bouw voor te bereiden en zei tegen dat Davids zoon Salomo het Huis zou bouwen.

David was een grote koning die in de naam van de God van Israël streed en veel moeilijkheden en lijden in zijn leven heeft gekend. Hij speelde op de harp, schreef liederen voor God die bekendstaan als ‘De Psalmen’, hij was heel erg nederig tegenover God, hij profeteerde van de komende Messias, de Christus, zoals veel van de profeten die na hem kwamen: Jesaja, Jeremia, Daniël, Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakkuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia en Maleachi.

Wie was de Christus waarvan David profeteerde? De naam ‘Christus’ komt uit het Grieks en betekent ‘Gezalfde’, een mens die op zijn hoofd met olie gezalfd was. De naam ‘Messias’ komt uit het Aramees en heeft dezelfde betekenis: ‘Gezalfde’. We moeten weten dat alle priesters en koningen in Israël gezalfd werden (zie Leviticus 4:3, 1 Samuël 10:1, 1 Samuël 16:13 en 1 Koningen 1:50-53). Mozes zalfde ook de Tent (‘de Tabernakel’) en alle voorwerpen die erbij hoorden voordat men begon om die te gebruiken voor de dienst aan God. Mozes zalfde ook de priester Aäron, en vele jaren later werden ook koning Saul door de priester-profeet Samuël gezalfd, en daarna ook koning David. We zien dus dat de koningen en priesters van Israël ‘gezalfden’ van Israël waren, en ook David zelf was een gezalfde, een messias, een christus.  

Daarom deed aan God aan David deze belofte:

“Toen de koning in zijn huis zat en de HEERE hem van alle vijanden om (hem) heen rust gegeven had, zei de koning tegen de profeet Nathan: “Zie toch, ik woon in een huis van cederhout en de Kist van GOD woont onder het (tent)doek.” Nathan zei tegen de koning: “Ga (je gang), doe alles wat in je hart is, want de HEERE is met je.” 

In die nacht kwam het woord van de HEERE tot Nathan en het luidde: “Ga heen en zeg tegen mijn dienaar tegen David: “Zo zegt de HEERE ‘Wil je voor Mij een huis bouwen om in te wonen? Ik heb nooit in een huis gewoond van de dag af dat Ik de zonen van Israël uit Egypte deed optrekken tot op deze dag toe, (maar) Ik heb in een Tent en in een Woning (rond)getrokken. Overal waar Ik met al de zonen van Israël heb (rond)getrokken, heb Ik (toen ooit) een woord gesproken met één van de stammen van Israël, die Ik had opgedragen om mijn volk Israël te weiden, en gezegd ‘Waarom bouwen jullie geen huis van cederhout voor Mij?’ 

Nu (dan), zo moet je tegen mijn dienaar, tegen David, zeggen: ‘Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb je uit de weide, van achter de schapen, weggehaald, om leider over mijn volk, over Israël, te worden. Overal waar je heen bent gegaan, ben Ik met je geweest en Ik heb al je vijanden voor je ogen uitgeroeid. Ik heb je een grote naam gemaakt, gelijk aan de naam van de groten die op aarde (leven). Ik heb voor mijn volk, voor Israël, een plaats (vast)gesteld en ik heb het (daar) geplant opdat het op zijn (eigen) plaats zou wonen en niet meer opgeschrikt zou worden en de misdadigers het niet meer zouden verdrukken zoals eerst, en sinds de dag dat Ik richters over mijn volk Israël heb aangesteld. Ik heb je rust gegeven van al je vijanden en de HEERE maakt jou bekend dat de HEERE een huis voor je zal maken. Wanneer je dagen vervuld zijn en je bij je vaderen (in het graf) bent bijgezet, zal Ik je nakomeling, (die) na jou (komt), die uit je binnenste zal voortkomen, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Hij zal een huis voor mijn naam bouwen en Ik zal de troon van zijn koningschap tot in eeuwigheid bevestigen. Ik zal hem tot Vader zijn en hij zal Mij tot zoon zijn. Als hij zich misdraagt, zal Ik hem met een stok van mensen en met slagen van mensenkinderen tuchtigen. Mijn liefdevolle trouw zal niet van hem wijken, zoals Ik (die) van Saul, die Ik voor je aangezicht heb weggenomen, deed wijken. Je huis en je koningschap zullen tot in eeuwigheid voor je aangezicht worden bevestigd, je troon zal vaststaan tot in eeuwigheid.’ ” Overeenkomstig al deze woorden en overeenkomstig heel dit visioen sprak Nathan tot David.” (2 Sam. 7:10-17)

Wij zien dat God een zoon aan David belooft die voor altijd op de troon van zijn koninkrijk zou zitten. Dat wil zeggen dat de zoon van David enerzijds mens zou zijn, maar anderzijds als God die eeuwig Leven heeft, want we lezen dat het huis, de troon en het koninkrijk van de zoon van David voor eeuwig zullen vaststaan. Deze belofte van de zoon van David werd heel bekend onder het Joodse volk en de profeten profeteerden van de komst van de grote Koning van Israël en over het eeuwige Koninkrijk dat zou komen.

Maar zoals we hiervoor al gezegd hebben, David kon zichzelf niet bevrijden van de zonde die in zijn hart leefde, ook al was hij nog zo machtig. Ook de koningen na hem (zijn nakomelingen) konden het niet. Zij zondigden nog meer en dienden de afgoden. Zij weken af van de dienst aan de God van Israël, zij ontheiligden de Tempel in Jeruzalem, brachten er vreemde afgoden binnen en krenkten God heel erg, zodat Hij hen wegzond uit het land dat Hij na de uittocht uit Egypte gegeven had, en hij leidde hen weg in ballingschap naar Babel (tegenwoordig Irak). Nebukadnezar, de koning van Babel verwoestte de Tempel in Jeruzalem, en nam de heilige voorwerpen die erin stonden mee en zette die in de tempel van zijn afgoden in Babel en de stad Jeruzalem werd verwoest en de inwoners van het land, het volk van Israël, voerde hij weg in ballingschap naar Babel waar zij 70 jaar lang bleven wonen. 

Wij hebben door dit alles gezien dat het Oude Verbond (het Oude Testament) geen nut had voor het volk Israël want zij konden alle voorschriften en geboden, die God hen door Mozes gegeven had, niet naleven. Zij faalden door de zonde die in het hart van de mens leefde vanaf het moment dat de eerste mens, Adam, zondigde. Adam zondigde en Eva werd verleid. Daardoor werden alle mensen zondaren vanaf de dagen van Adam tot aan de dagen van Noach, en vanaf de dagen van Noach tot aan de dagen van Abraham. en vanaf de dagen van Abraham tot aan de dagen van Jakob, en vanaf de dagen van Jakob en zijn 12 zonen tot aan de dagen van Mozes, en vanaf de dagen van Mozes tot aan de dagen van koning David van Israël, en vanaf de dagen van David tot aan de dagen van Jezus Christus die door de Heilige Geest geboren werd uit de maagd Maria (de  Joodse vrouw uit de stam van koning David). 

Zo zien wij dat Adam het Eeuwige Leven met God verloor en dat ookhet volk Israël zijn zondige levenswandel niet kon veranderen door alle geboden van de Wet van Mozes na te leven en door het offeren van duizenden offerdieren op het altaar dat voor de Tent en voor de Tempel in Jeruzalem stond voor de eredienst aan de HEERE God overeenkomstig alle voorschriften en geboden van de Wet. 

Nadat zij 70  jaar in Babel in ballingschap geleefd hadden, gaf God het Kores op zijn hart om de vrijheid om terug te keren af te kondigen voor het Joodse volk. Kores was de heerser over het Perzische Rijk, dat eerder het koninkrijk Babel had veroverd. Wie naar het land Israël wilde terugkeren, mocht terugkeren. Maar slechts een klein deel van het Joodse volk greep die kans aan om terug te keren naar Juda en naar de stad Jeruzalem en naar  de Tempel die tot op het fundament toe verwoest was. Ze begonnen met het herstellen van de Tempel, en vervolgens herbouwden ze ook de muren. De volken die hen omringden, probeerden hen schrik aan te jagen, maar God hielp hen. Maar het koninkrijk van Israël werd niet hersteld want zij bleven onder de heerschappij van het Perzische Rijk, en daarna onder de macht van de Grieken en hun leider Alexander de Grote, en daarna onder de overheersing van de Romeinen in de tijd dat Jezus Christus geboren werd.

Hoe zou dan de redding van God die Hij aan Adam en Eva beloofd had tot stand komen? God zocht een onberispelijke, zondeloze mensenzoon als plaatsvervanger van Adam, maar omdat Hij die niet kon vinden onder de mensen, ook niet onder het volk Israël, zond Hij zijn eigen Zoon die door de Heilige Geest uit de Joodse maagd Maria geboren werd, Hij was het beloofde Zaad van de Vrouw: Jezus Christus. En omdat Jozef, die men als de vader beschouwde, tot de nakomelingen van koning David behoorde (ook al was er geen koninkrijk in die dagen), was Jezus Christus tegelijk ook de zoon van David, en dus ook de beloofde zoon van Abraham, die de vader was van het Joodse volk.

Het boek van de geboortegeschiedenis van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham zegt (Mattheüs 1):

Abraham verwekte Izak, Izak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers.  Juda verwekte Perez en Zerach bij Tamar, en Perez verwekte Hezron en Hezron verwekte Aram, Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nahesson, Nahesson verwekte Salmon, Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning, en David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria. 

Salomo verwekte Rehabeam, Rehabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa, Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia, Josia verwekte Jechonja en zijn broers gedurende de ballingschap in Babel. 

Na de ballingschap in Babel verwekte Jechonja Sealthiël en Sealthiël verwekte Zerubbabel, Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor, Azor verwekte Zadok, Zadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob,  Jakob verwekte Jozef, de man van Maria uit wie Jezus geboren is, die de Christus genoemd wordt. 

Alle generaties dus, van Abraham tot David zijn veertien generaties, en van David tot de ballingschap in Babel zijn veertien generaties, en van de ballingschap in Babel tot de Christus zijn veertien generaties. 

–De geboorte van Jezus Christus was als volgt. Toen Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, bleek zij, voordat zij samengekomen waren, zwanger te zijn uit de Heilige Geest. Maar omdat Jozef, haar man, rechtvaardig was en haar niet te schande wilde maken, overwoog hij om in stilte van haar scheiden. Terwijl hij over deze dingen nadacht, zie, de Engel van de HEERE verscheen aan hem in de droom en zei: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd om Maria tot vrouw te nemen, want Hij die in haar geboren is, is uit de Heilige Geest. Zij zal een Zoon baren en zij zal Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.” 

Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat de HEERE door de profeet gesproken heeft, toen Hij zei: “Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en zij zullen Hem de naam ‘Immanoe-El’ geven, *dat wil zeggen: ‘GOD met ons’.” 

Toen Jozef wakker werd, deed hij zoals de Engel van de HEERE hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich en hij had geen gemeenschap met haar totdat zij haar eerstgeboren Zoon gebaard had en zij gaf Hem de naam ‘Jezus’. 

Was deze Jezus werkelijk de Zoon van David? … Jazeker, Hij was uit de nakomelingen van koning David zoals de mensen dat zagen en volgens de wettelijke voorschriften. Zij beschouwden Hem als de zoon van Jozef en Maria, en zij wisten dat hij broers en zussen had. (zie het Evangelie van Mattheüs 12:46, 13:55-56, het Evangelie van Markus 3:31-32, 6:3, het Evangelie van Lukas 8:19-20 en het Evangelie van Johannes). Dat wat betreft zijn wettelijke afstamming. 

Maar wat betreft zijn Geest, was Hij geboren uit de Heilige Geest, d.w.z. uit God, want de Heilige Geest is de Geest van God. Onze geest is bevuild door de zonde die in ons woont, maar de Geest van God is helemaal rein, vlekkeloos. Daarom is de Geest van God  de Heilige Geest.  Jezus werd geboren uit de Heilige Geest. Dat was nog nooit gebeurd sinds God de hemelen en de aarde en alles wat daarin en daarop was, gemaakt had.

Adam was de zoon van God uit het stof zoals wij hiervoor al hebben uitgelegd (het Evangelie van Lukas 3:38). Kunnen wij nu zeggen dat Jezus Christus ook de Zoon van God was door de Heilige Geest die onvergankelijk is? Ja, Hij is uit de Heilige Geest wat betreft zijn Geest, en wat betreft zijn menselijke lichaam dat God Hem gegeven heeft, is Hij uit het stof toen Hij vorm kreeg in de schoot van Maria. Zowel zijn Geest, als zijn lichaam waren zonder zonde, want alles was uit God, zonder dat iemand daarbij hulp bood. 


Het Nieuwe Verbond in Jezus Christus

  het Evangelie - het Goede Nieuws


Hiervoor hebben wij gezien dat God in zijn grote barmhartigheid en volmaakte rechtvaardigheid zocht naar:

- een Mensenzoon zonder zonde in plaats van Adam,

- een Priester die het waardig is om altijd tot Hem te naderen, niet één keer per jaar met het bloed van vergankelijke dieren, maar door het reine bloed van een zondeloos mens.

- een Offer waarvan het bloed rein is en zonder zonde, opdat dat bloed  d ssizřen zzates i weɣfar d řefdiyyet n ddnub

- een Rechtvaardige Koning die naar waarheid en in gerechtigheid regeert en enni iḥekkmen s tidett d tsegda, d  wenni Mmis n Dawud i řebda

God zocht hiernaar om zo al zijn beloften die Hij aan Adam en Eva en aan Abraham en aan Mozes en aan koning David had gedaan te vervullen om de mensheid uit de zonde te redden.

Het Oude Verbond dat Mozes met het volk Israël sloot, laat zien dat God heilig is en dat het volk zondig is, zoals wij hiervoor gezien hebben, Zijn de Joden dan zondiger dan de andere volken? Beslist niet, maar God heeft hen uitgekozen om door hen aan te tonen dat God heilig is en de Joden zondaren zijn. Het Oude Verbond of het Oude Testament toont ons dat de mens die van Adam afstamt, niet tot God kan naderen vanwege de zonde die in het menselijk hart leeft. Van welk volk een mens ook afkomstig is, God kan hem niet aanvaarden vanwege de zonde. 

Jezus Christus zegt: 

“Niets dat van buitenaf de mens binnengaat, kan hem onrein maken, maar wat van hem uitgaat, dat is het wat de mens onrein maakt … Hij zei tegen zijn discipelen: “Zijn jullie ook zo traag (van begrip)? Begrijpen jullie niet, dat alles wat van buiten af de mens binnengaat, hem niet onrein kan maken,want het gaat niet naar zijn hart, maar naar zijn buik en bij de ontlasting wordt het uitgescheiden waardoor al het voedsel rein wordt.” (Toen) zei Hij: “Wat uit de mens naar buiten komt, dat maakt de mens onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen komen kwade plannen voort: overspel, hoererij, diefstal, moord, hebzucht, gemeenheid, bedrog, losbandigheid, een boos oog, (gods)lastering, hoogmoed, dwaasheid. Al deze slechte dingen komen van binnen uit en maken de mens onrein.” (L’Injil Markus 7:15-23)

Het Evangelie laat ons zien dat Jezus Christus die door de Heilige Geest van God gekomen was, gekruisigd werd zoals wij dat kunnen lezen in het boek van de grote profeet Jesaja, die ongeveer 700 jaar voor de geboorte van Jezus Christus deze woorden sprak (Jes. 53:5-7):

“Om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijn striemen ontvingen wij genezing.Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen) weg, maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, en Hij liet zich vernederen. Hij deed zijn mond niet open. Als een schaapsbokje werd Hij ter slachting geleid en als een vrouwtjesschaap dat stom is voor haar scheerders, zo deed Hij zijn mond niet open.” 

Het Evangelie van Johannes zegt: 

"Want zo lief heeft GOD de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. " (Yuḥanna 3:16)

In de Hebreeënbrief lezen wij:

"(Nadat) GOD vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij (nu) in deze laatste dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alles, door wie Hij ook de wereld gemaakt heeft. Hij is de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen die alle dingen draagt door de kracht van zijn woord. Hij heeft in zichzelf de reiniging van onze zonden volbracht en is gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge."  (Ɛibraniyyen 1:1-3)

En opnieuw:

“Want Christus is niet binnengegaan in het Heiligdom dat met handen gemaakt was, dat het beeld is van het echte, maar in de hemel zelf om in onze plaats voor het aangezicht van GOD te verschijnen. Niet om Zichzelf vele keren te offeren, zoals de hogepriester ieder jaar het Heiligdom binnenging met bloed dat niet van hemzelf was, - anders had Hij dikwijls moeten lijden vanaf de grondlegging van de wereld - , maar bij de de voleinding van de eeuwen heeft Hij Zichzelf één keer geofferd om door zijn offer de zonde teniet te doen,   zoals het voor de mensen beschikt is om één keer te sterven en dat na hun dood het oordeel (volgt).  Zo werd ook Christus één keer geofferd en bracht Hij in zijn Wezen het slachtoffer van de zonden van velen, maar bij zijn tweede komst zal Hij zonder onze zonden verschijnen voor het Leven van hen die Hem verwachten.” (Hebreeën 9:24-28)

De Bijbel leert ons dat veel Joden Jezus Christus als de zoon van David zagen: 

“Toen de overpriesters en schriftgeleerden de wonderen die Hij deed, zagen en de kinderen die in de Tempel riepen en zeiden: ‘Hosanna voor de Zoon van David!’, namen zij Hem dat zeer kwalijk … (L’Injil s ufus n Matta 21:15)

“Jezus zei: ‘Wat denken jullie over de Christus? Wiens Zoon is Hij?’ Zij zeiden tegen Hem: ‘De Zoon van David!’ ”  (L’Injil s ufus n Matta 22:42)

“Toen hij hoorde dat het Jezus uit Nazaret was, begon hij te roepen en te zeggen: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Velen bestraften hem opdat hij zwijgen zou, maar des temeer riep hij: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ ”  (L’Injil s ufus n Markus 10:47, 48) 

Deze Zoon van David werd gekruisigd overeenkomstig de profetieën die over Hem waren uitgesproken door de profeten van Israël en overeenkomstig de woorden van Jezus Christus zelf die Hij van tevoren sprak over het komende lijden in Jeruzalem: dat men Hem zou overleveren aan de oversten van het volk en van de priesters en dat men Hem zou veroordelen tot de dood aan het kruis en dat Hij op de derde dag zou opstaan. Dat alles gebeurde zoals de profeten en Jezus Christus zelf dat voorzegd hadden en dat staat allemaal in het Evangelie geschreven.

Toen Hij aan het kruis hing, droeg Hij  de straf die op Hem moest neerkomen om verzoening over ons te brengen door zijn bloed: op Hem de straf, voor ons de redding in zijn Naam, zo volmaakte God zijn gerechtigheid in Hem, opdat wij gered zouden worden zoals Johannes de Doper zei:   

“Zie het Lam van GOD, dat de zonde van de wereld wegneemt!” ((L’Injil s ufus n Yuḥanna 1:29)

Beginnen de stukjes van dit grote geheim bij elkaar te komen? Deze Jezus Christus is de ware en rechtvaardige Mensenzoon, zonder zonde in tegenstelling tot Adam. Hij is de Grote Hogepriester die Zichzelf gegeven heeft als het Offer waarvan het reine bloed voor de troon van God is uitgestort tot vergeving van zonde, Hij is de Hogepriester die altijd mag binnengaan in de grote Tempel in de hemel door zijn opstanding uit de doden en zijn hemelvaart (zie Handelingen 1:1-11) en Hij is ook de Zoon van David, de Koning tot in eeuwigheid door zijn onvergankelijke Leven, door zijn opstanding uit de doden nadat Hij aan het kruis gestorven was en de reiniging van de zonde  tot stand gebracht had door zijn bloed.

En nu, wat ga je doen? Misschien gaan de fundamenten van je leven wankelen als je dit alles voor de eerste keer leest, misschien heb je veel vragen of misschien is er iets wat je niet aanstaat of misschien heb je het verlangen om meer te weten. Wij moedigen iedereen die deze woorden leest aan om heel goed na te denken, om te gaan onderzoeken in de Bijbel, want God kan je verstand en je hart openen zodat je weet of dit de waarheid is of niet! Maar je moet het goed onderzoeken. De Bijbel zegt:  

“Maar zonder geloof is het onmogelijk GOD te behagen, want wie tot GOD nadert, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem zoeken. ” (Hebreeën 11:6)

Wil je toetreden tot dit Nieuw Verbond met God tot vergeving van zonde en tot verzoening voor de vijandigheid die in je hart is omdat je niet in de Zoon geloofde die God ons gegeven heeft door veel lijden en pijniging heen. Onderzoek de Bijbel die je nu ontvangen hebt! 

Hierdoor kan God tot je hart en je verstand spreken. Er zijn nog veel dingen die wij nu niet kunnen uitleggen, maar God kan dat allemaal aan je uitleggen als je de Bijbel openslaat en er zelf in gaat lezen met een open hart en een onderzoekend verstand om te weten wat God wil zeggen en om te weten wie Jezus Christus is. Jezus zegt:  

“Bid en jullie zal gegeven worden, zoek en jullie zullen vinden, klop en er zal voor jullie opengedaan worden. Want ieder die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, zal opengedaan worden. ” (het Mattheüsevangelie 7:7-8) 

Merk je dat God je de Weg wijst, denk dan goed na, bereken de prijs die het kost om Jezus Christus te volgen, want de mensen haatten Hem en zij zullen ook zijn volgelingen haten. Lees hierover maar in Lukas 9:57-62. Lees ook Lukas 18:28-30 en Lukas 14:25-35 over het grote loon voor hen die Jezus Christus volgen.

Het Evangelie van Jezus Christus, het Goede Nieuws, is doorgedrongen tot aan het einde van de aarde in meer dan 2000 talen. Velen doen er geen onderzoek naar, velen begrijpen het niet, velen zeggen dat de Bijbel veranderd is door mensen, vele leiders en groten van deze wereld hebben er een afkeer van en verhinderen degenen die onder hun gezag staan om erin te lezen, veel mensen zeggen dat hun zonden sowieso wel vergeven zullen worden, zomaar alsof het niks is (zij vergeten   dat Jezus Christus veel meer geleden heeft, dan wij allen ooit zullen lijden en kunnen lijden), velen begrijpen niet dat het geloof in Jezus Christus geen goedkope zaak is maar een integendeel een zaak waarvoor een mens zijn leven dient te verliezen om het Leven te ontvangen. 

Jezus Christus zegt:

““Wie tot Mij komt en zijn vader en zijn moeder, zijn broers en zijn zussen, zijn vrouw en zijn kinderen, en zelfs zichzelf niet haat, die kan mijn discipel niet zijn. Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.” (Evangelie van Lukas 14:26-27)

Zo zien wij dat de eerste en grote zonde het ongeloof in Jezus Christus is, de Zoon van God. We lezen daarover in het Johannesevangelie: 

“Want zo lief heeft GOD de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want GOD heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van GOD. Dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, maar de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het Licht, want hun daden waren slecht. Want ieder die kwaad doet, haat het Licht en komt niet tot het Licht, opdat zijn werken niet bestraft worden. Maar wie de waarheid doet, komt tot het Licht, opdat van zijn daden bekend wordt, dat zij in GOD zijn gedaan.”  (Johannesevangelie 3:16-21)

Als iemand tot geloof in Jezus Christus komt, worden alle zonden van hem weggenomen door het offer van het Lam van God dat voor hem de zondeschuld op zich nam en zo worden ons alle zonden vergeven in zijn Naam. Wij worden een nieuwe mens zoals geschreven staat: 

“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping, het oude is daarmee voorbijgegaan.” (2 Korinthiërs  5:17).

Dan zullen we in nieuwheid van Leven verdergaan en blijven wij onberispelijke kinderen van God door de besprenkeling met zijn bloed. Wij zullen gereinigd zijn, niet door  onze eigen werken of daden, maar door het geloof in Hem gaan wij over uit de macht van de duisternis naar het Koninkrijk van de Zoon van God dat spoedig komen zal. 

Jezus Christus zegt:

“Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn en Ik zal jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en jullie zullen rust vinden voor jullie zielen. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.” (Mattheüs 11:28-30).