Aramees of Grieks? 

De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament  


Inleiding


In het algemeen wordt aangenomen dat het Grieks de grondtaal is van het Nieuwe Testament, terwijl het Hebreeuws en Aramees (m.n. grote delen van de boeken Ezra en Daniël) als de grondtalen van het Oude Testament worden beschouwd. 

Dat Aramees mogelijk de grondtaal zou kunnen zijn van het Nieuwe Testament, is niet alleen niet zo bekend, maar de gedachte roept ook veel weerstand op. In zekere zin is de kwestie ook niet zo belangrijk, omdat het Griekse en Aramese Nieuwe Testament in zeer hoge mate overeenstemmen, net zoals Bijbels in verschillende talen dat ook doen, want zij zijn allemaal vertaald vanuit dezelfde Hebreeuwse en Aramese grondtekst van het Oude Testament en vanuit de tekst van het Griekse Nieuwe Testament.  Maar als er verschillen opduiken dan kan het toch de vraag worden: Wat is de juiste tekst, wat is de grondtekst van het Nieuwe Testament? Het gaat daarbij om betrekkelijk kleine verschillen, die de boodschap van het Evangelie op geen enkele manier aantasten. Maar een Bijbelonderzoeker wil zo mogelijk alles weten en in dat geval komt het er wel op aan en kan het ook bijzonder interessant zijn, maar ook moeilijk om de verschillende inzichten eerlijk te onderzoeken.

Is de Griekse grondtekst - die door een veelheid van manuscripten door de eeuwen heen met zeer grote precisie bewaard is gebleven en van generatie op generatie ons is overgeleverd - het origineel, ook al zijn er veel detailverschillen in diverse manuscripten en ook al komt een heel enkele keer een hele passage (b.v. die over de overspelige vrouw in Johannes 8) in het ene Griekse manuscript wel en in het andere niet voor?

Of is de tekst van de zgn. Aramese Peshitta de grondtekst? Immers de Peshitta (dat is ‘de eenvoudige’, de naam voor de Aramese Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament - de ‘mappaqtâ pšîṭtâ’: ܡܦܩܬܐ ܦܫܝܛܬܐ, letterlijk ‘eenvoudige versie’. Het Oude Testament van de Peshitta laten wij hier buiten beschouwing 1), heeft al sinds het begin van de 5e eeuw een aantoonbaar stabiele tekst van het Nieuwe Testament, met vrijwel geen verschillen tussen de manuscripten behalve in 11 verzen (nl. in Mt. 6:32; 21:4; Mk. 14:31; Jh. 16:27; Hd. 20:28; Rm. 8:39; 2 Th. 3:6; 2 Th. 3:18; 2 Tm. 4:22; Heb. 2:9; Heb. 2:16), waarin er kleine verschillen zijn tussen de westerse en de oosterse Peshitta. De Aramese Peshitta had aanvankelijk echter 22 boeken en niet 27 boeken zoals het Griekse Nieuwe Testament. Wezenlijk is dit onderscheid terug te voeren op het concilie van Efeze in 431 n. Chr., waarop de oosterse flank van de Syrische kerk zich afscheidde door vast te houden aan de leer van de Nestorianen). In de Peshitta ontbrak echter het boek Openbaring, en ook 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas. Bovendien ontbrak de passage van de overspelige vrouw: Johannes 7:53-8:11. Het ontbreken van de vijf boeken is hoogstwaarschijnlijk gekomen doordat er begin 5e eeuw formeel, d.w.z. in de kerkelijke organisatie die zich had ontwikkeld, nog twijfel was over de vraag of Openbaring en enkele van vier genoemde brieven wel tot de canon behoorden, een kwestie die zich voortsleepte tot op het voornoemde concilie van Efeze, toen er een scheiding ontstond tussen de westerse en de oosterse Kerk, en de oosterse kerk daardoor ‘eindigde’ met 22 boeken in haar canon, want over de andere 5 was op het moment van de scheiding nog niet besloten of ze wel bij de canon van het NT hoorden. De westerse kerk verklaarde de 5 boeken later canoniek. Daarom hebben vrijwel alle Bijbels een NT met 27 boeken, omdat het Bijbelvertaalwerk gewoonlijk op de Griekse tekst is gebaseerd. Alleen de Armeense, Georgische, Arabische en Perzische Bijbelvertalingen zouden in meedere of mindere mate beïnvloed zijn door de tekst van de  Aramese Peshitta. 

De Encyclopaedia Britannica weet te melden dat de naam ‘Peshitta’ voor het eerst in de 9e eeuw door Moses bar Kefa gebruikt werd om duidelijk te maken (net als dat gold voor de naam van de Latijnse ‘Vulgata’) dat deze tekst algemeen gebruikt werd. De naam zou ook in omloop zijn gekomen om deze Aramese uitgave van het Nieuwe Testament te onderscheiden van de meer complexe Syro-Hexaplar versie in het Aramees.

De Peshitta is door de eeuwen heen de standaard Bijbel geweest voor de oosterse kerk en ze wordt tot op de  dag van vandaag gebruikt in de Syrische kerken: (1) de Maronitische kerk, (2) de Chaldees-Katholieke Kerk, (3) de Syrisch-Katholieke Kerk, (4) de Syrisch-Orthodoxe kerk, (5) de Syrisch-Katholieke Malankara Kerk (Kerala, India), (6) de Assyrische kerk van het Oosten en (7) de Jakobitische Syrisch-Katholieke Malabar Kerk (India). De westerse Peshitta werd meer gebruikt in de westwaarts gelegen Syrisch-Aramese gebieden en de oosterse Peshitta meer in de oostwaarts gelegen gebieden van Syrië en Irak.  

Het Oude Testament van de Peshitta wordt niet geacht de grondtekst van het Oude Testament te zijn, maar het Nieuwe Testament van de Peshitta wordt daarentegen door de oosterse kerk wel als de door God gegeven grondtekst van het Nieuwe Testament beschouwd. 

Zoals hiervoor gezegd, scheidden de Nestorianen zich af op het concilie van Efeze in 431 n. Chr. Daarmee stond de ‘canon’, de lijst van boeken die men beschouwde als behorend bij de Heilige Schrift, voor de kerk van het Oosten vast en dat betekende dat de Oosterse Peshitta 22 boeken bleef bevatten. Het is opvallend dat juist deze 22 boeken door Johannes Chrystosomus (347-407) worden genoemd en door Theodoretus (393-466) van de school van Antiochië, waaruit wij kunnen opmaken dat die 22 boeken voorafgaand aan het concilie van Efeze als canoniek werden beschouwd. 

De Peshitta (OT en NT) bleef echter ook bij de niet-Nestorianen in sommige gebieden van Syrië in gebruik en omdat de Aramese kerk in die gebieden trouw bleef aan de beslissingen van het concilie van Efeze en het daaropvolgende concilie van Chalcedon aan de Bosporus, kreeg de geschiedenis van deze westerse Peshitta een enigszins eigen verloop wat betreft de ontbrekende vijf  boeken van het Nieuwe Testament.   

Het zeer ingewikkelde, maar boeiende onderwerp, namelijk de vraag of het Nieuwe Testament allereerst in het Grieks of in het Aramees is overgeleverd, wordt in de EBV-S(tudie) versie uitvoerig belicht in het artikel met dezelfde naam ‘Aramees of Grieks?’. 

Toch willen wij de gebruiker van de EBV enigszins een idee geven van het bijzondere karakter van het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta. Daarom gaan wij daar in het volgende kort op in. 

 

Kenmerken van de Aramese Peshitta


Als in het oogspringende kenmerken van het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta wijzen wij op de volgende zaken: 


1.

de Aramese Peshitta van 22 boeken kent sinds de 5e eeuw een eeuwenlange stabiele tekst. Tussen de oosterse en westerse Peshitta zijn er niet meer dan 11 betrekkelijk kleine tekstverschillen, waarvan de opvallendste in Heb. 2:9 en 18 te vinden zijn. Anders dan bij de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, zijn er niet honderden kleinere of grotere tekstvarianten, ook al zijn die voor het Grieks buitengewoon zorgvuldig gedocumenteerd. Oorspronkelijk ontbraken er 5 boeken in de Peshitta nl. het boek Openbaring en 4 kleine brieven: 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas, waarschijnlijk ten gevolge van het feit dat de oosterse kerk zich van Rome afscheidde op een tijdstip dat verschillende van deze 5 boeken nog niet echt in de canon opgenomen waren, ook al waren ze wel bekend en gerespecteerd. In de westerse Peshitta werden die veel later toegevoegd, zodat in 1905 de westerse Peshitta compleet was en 27 boeken bevatte. Tegenwoordig zouden deze 5 boeken ook te vinden zijn in sommige edities van de oosterse Peshitta,

2.

in 205 verzen komt de naam Mar-Jah voor (soms meerdere keren in één vers nl. in Mk. 12:29, Lk. 2:23, Hd. 11:21, Hd. 15:17, 1 Kor. 11:27, 1 Kor. 15:58, 2 Kor. 3:17, 18, 2 Tm. 2:19, Jak. 5:11, 1 Pt. 3:12, zodat het totaal op 215 keer uitkomt), de Aramese variant van ‘JªHWᵉH’, die in de EBV wordt weergegeven als ‘de HEERE’ of ‘HEERE’. Daarnaast kent het Aramees ook de Naam ‘mijn Heer’ of ‘mijn Here’ of ‘mijn heer’ (ܡܳܪܝ - mari) en ‘onze Heer’ (ܡܳܪܰܢ - maran).  In het Grieks is alleen sprake van ‘Kurios’, dat gelijk is aan het Hebreeuwse ‘Adonai’ en vertaald wordt met ‘(mijn) heer’ of ‘(mijn) Heer’ of ‘(mijn) Here’. Het voorkomen van de Naam ‘Mar-Jah’ is o.i. onmogelijk te verklaren vanuit een vertaalslag vanuit het Grieks. Het voorkomen van deze Naam in de Peshitta verplicht ons, in het licht van Ex. 3:15, om de Peshitta met ontzag te onderzoeken. Het is opmerkelijk dat de overspelige vrouw de enige persoon in de Evangeliën is die tot Jezus Christus spreekt met de Naam ‘HEERE’. Omdat deze passage aanvankelijk geen onderdeel was van de Peshitta, is het wel de vraag hoe deze passage zijn weg naar de Peshitta tekst vond. Het antwoord daarop vinden wij in Gwynns memoires pg. 269 e.v. 

3. 

in de Peshitta zijn de vader van Timoteüs (Hd. 16:1, 3) en Titus (Gal. 2:3) niet Griek maar Arameeër. Ook worden in de Peshitta niet de Jood en de Griek tegenover elkaar gesteld, maar de Jood en de Arameeër (Hd. 19:10, 17; 20:21; Rom. 1:16; 2:9, 10; 3:9; 10:12; 1 Kor. 1:22, 23, 24; 10:32; 12:13; Gal. 2:14; 3:28; Kol. 3:11). Bovendien brengt Paulus in Hd. 21:28 geen Grieken in de Tempel, maar Arameeërs.  

4. 

de Aramese Peshitta vertoont geregeld eenvoudiger lezingen dan het Grieks, zonder aan diepte te verliezen. Waar men in het Grieks herhaaldelijk moet lezen om de inhoud van een vers te vatten, lukt dat in de lezing van de Peshitta soms ineens. 

5.

de Aramese Peshitta is in bepaalde aspecten van de tekst consistenter dan het Griekse Testament. Een eenvoudig voorbeeld is de naam ‘Simeon Petrus’, die in het Griekse NT soms als ‘Petrus’ voorkomt, soms als ‘Simeon’, en soms als ‘Simeon Petrus’, terwijl in de Aramese Peshitta de naam vrijwel zonder uitzondering consistent als ‘Simeon Kefas’ voorkomt, waarbij ‘Kefas’ de Aramese variant is van de naam Petrus (=rots). 

Een ander voorbeeld is de uitdrukking ‘een andere tong’ (letterlijk: ‘een tong in een tong’) in Hd. 2:4, Hd. 10:46 en Hd. 19:6 van de Aramese Peshitta. Deze uitdrukking staat precies bij de 3 groepen die de Heilige Geest ontvangen, uitgaande van Jeruzalem, nl. (1) de Joden, (2) de volken, (3) twaalf Joden, een beeld van de stammen in de verstrooiing. In het Grieks staat er niet steeds hetzelfde, en is de uitdrukking ook niet zo typerend voor het verschijnsel. ‘Een tong in een tong’, treffender kan het niet gezegd worden: ‘een taal in een taal’. 

6.

Opvallend is het veelvuldig voorkomen van de uitdrukking ‘onze Heer’ en ‘mijn Heer’ in de Aramese Peshitta. In het Grieks is dat beduidend minder.

7.

In het Griekse Nieuwe Testament staan diverse keren leenwoorden uit het Aramees of uitdrukkingen in het Aramees, maar in het Aramees nauwelijks uit het Grieks b.v. ‘Mammon’ in Mt. 6:24, een Aramees woord dat ‘geld’ betekent. 

8.

Het Aramees van de Peshitta wordt in het algemeen veel dichterlijker van aard geacht dan het Grieks en zou in dat opzicht meer overeenkomst hebben met het Hebreeuws van het  Oude Testament.

9. 

In de Aramese Peshitta lezen wij in Mt. 25:1 dat de tien maagden de bruidegom en de bruid tegemoet gaan. In de Griekse bronnen lezen wij dat zij alleen de bruidegom tegemoet gaan. 

10. 

In de Aramese Peshitta lezen wij in Op. 20:12 dat de Boekrol van het Oordeel opengaat en niet de Boekrol van het Leven, zoals in het Griekse Nieuwe Testament.

11.

Opvallend is dat in de Aramese Peshitta de Naam ‘Jezus Christus’ vrijwel uitsluitend in deze volgorde van de twee namen wordt aangetroffen (4 keer lezen wij Christus Jezus nl. in 1 Kor. 16:24; 2 Kor. 4:5 en in 1 Tm. 1:1, 2), terwijl wij in het Griekse NieuweTestament de omgekeerde volgorde nl. Christus Jezus wel in 70-90 verzen aantreffen, naar gelang de Griekse bronnen die de betreffende Bijbelvertaling volgt (de NA28, de MHT of de TR). Dit omkeringsverschijnsel is heel goed te verklaren uit het feit dat men bij het vertalen tussen een taal, die van rechts naar links geschreven wordt en een taal die van links naar rechts geschreven wordt, bij het voorkomen van zulke combi-woorden of combi-namen heel makkelijk een verschrijving maakt, omdat men voor zich b.v. een R(echts)-naar-L(inks) origineel ziet maar het moet opschrijven als L-naar-R.  


Het gelijknamige artikel in de EBV-S gaat dieper op dit onderwerp in.


Welke andere overwegingen zijn er nog die invloed kunnen hebben op onze gedachtevorming aangaande de oorspronkelijke taal en de grondtekst van het Nieuwe Testament?

 

a.

Jezus Christus sprak Aramees volgens de tekst van het Nieuwe Testament, waarbij wij allereerst denken aan de woorden aan het kruis die zelfs in het Griekse NT met de Aramees klanken zijn opgeschreven (Mt. 27:46; Mk. 15:34), en ook aan de woorden die Jezus spreekt tot het meisje in Mk. 5:41 die ook in het Griekse NT eerst in het Aramees worden vermeld. Flavius Josephus noemt Aramees ‘de taal van het land’ en hij is de grootste Joodse geschiedschrijver uit de tijd dat Jezus op aarde was. Frederic Kenyon, voormalig directeur en hoofd van de bibliotheek van het Brits Museum schrijft in zijn boek: ‘The Text of the Greek Bible’: ‘Palestinian Aramaic was no doubt the language habitually spoken by our Lord and this gives a special interest to the Syriac (=Aramaic) gospels, as coming nearest to the form in which His teaching was originally delivered’. Tegelijkertijd leren wij uit Lk. 4:16-21 dat Jezus Christus ook vloeiend Hebreeuws las, waardoor Hij als Joodse rabbi in staat was uit de boekrol in Kapernaüm voor te lezen. 

b. 

Het merendeel van de Joden was na 70 jaar ballingschap niet naar het land Israël teruggekeerd. Degenen die terugkeerden vormden slechts een kleine groep waarover wij lezen in de boeken Ezra en Nehemia. De grote meerderheid was verspreid over Mesopotamië en van daaruit ongetwijfeld ook in westwaartse richting: naar Griekenland door het huidige Turkije heen richting Europa, en ook oostwaarts, richting Perzië, Jemen, India en China. Dat leidde ertoe dat Paulus, die uiteindelijk in westelijke richting het Evangelie predikte, met Joodse gemeenschappen in aanraking kwam die vanuit Mesopotamië westwaarts getrokken waren, vaak via Antiochië dat zo mooi op het kruispunt lag tussen oost en west en dat niet ver aflag van Edessa, het centrum van de Aramese taal en cultuur. Bij deze verspreiding namen de Joden het Aramees als hun voertaal mee. Paulus kwam uit Tarsus en het is heel goed mogelijk dat hij vloeiend Aramees sprak, naast Hebreeuws en Grieks. En wat zou hij in Arabië gesproken hebben (Gal. 1:17), toen hij daar het Evangelie begon bekend te maken? Geen Arabisch want dat was toen nog niet zo wijd verspreid, maar zeer waarschijnlijk was het Aramees.

c. 

De islamitische veroveringen en heerschappijen hebben het Aramees geen goed gedaan. Vanaf de 7e eeuw was de islam gevestigd in heel het gebied van Irak, Syrië, Palestina, Egypte en Turkije. Overal waar de islam kwam, werd het Arabisch tot staatstaal verheven en kwamen de oorspronkelijke talen in verval. Dit was heel anders dan onder de heerschappij van Alexander de Grote, want toen mocht men in dit gebied Aramees blijven spreken, want het Grieks werd niet opgelegd. Tegenwoordig is door de invloed van de islam het Aramees sprekende volksdeel bijna geheel verdreven uit het Midden-Oosten, ook al zijn er nog steeds enkele (ernstig bedreigde) Aramees sprekende gemeenschappen zijn. 


Het gelijknamige artikel in de EBV-S gaat dieper in op dit onderwerp!


De discussie over de vraag of Aramees of Grieks de grondtaal van het Nieuwe Testament is, wordt o.a. erg gecompliceerd door het feit dat men vlug vooringenomen is. Dat geldt m.n. voor degenen die het Grieks als het originele Nieuw Testament zien, want met de eeuwenlange traditie in de studie van het Griekse Nieuw Testament, lijkt alle gelijk aan die kant te liggen. Toch valt ons op dat de ‘antwoorden’ van die kant (bijna) nooit ingaan op belangrijke en verwonderlijke eigenschappen van de Aramese Peshitta, zoals wij enkele daarvan hierboven hebben genoemd. John Gwynn, een zeer groot geleerde op het terrein van de Aramese Peshitta , die eind 19e eeuw, begin 20e eeuw met zijn verstand nog vasthield aan de opvatting dat het Grieks de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament was, schrijft niettemin, - als hij uit zijn hart spreekt naar aanleiding van zijn bestudering van het door hem ontdekte Crawford manuscript van het boek Openbaring - , als volgt: ‘As regards its general tone and manner, we may justly claim for it (d.w.z. betreffende het Crawford manuscript van het boek Openbaring) that it approaches the excellence of the Peshitto; and in point of force, directness, and dignity, that it gives worthy expression to the sublime imagery of the Apocalyptist. It has strength and freedom such as few translations attain; such, in fact, that it would not be difficult to make out a plausible case for accepting it as the Aramaic original, or a close reproduction of an Aramaic original, of the Book. In it ... the Aramaic idiom asserts its power to supply for the burden of the divine visions an utterance more adequate than could be found for them in the Greek which is their actual vehicle.’ Het is duidelijk uit deze passage dat John Gwynn in zijn  hart anders lijkt te oordelen dan met zijn ‘traditioneel ingestelde verstand’. Maar het ‘traditioneel ingestelde verstand’ en de geleerde intuïtie moeten aan elkaar getoetst worden. 

Wij willen en kunnen niet zeggen dat alle antwoorden over de totstandkoming van het Nieuwe Testament worden opgelost als wij maar werkelijk willen overwegen of de Peshitta de grondtekst is, om dan vanuit die houding de feiten opnieuw te onderzoeken. Maar een minder krampachtig vasthouden aan het vooroordeel dat het Grieks de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament is, zou vruchtbaarder zijn voor verder onderzoek, in geval daar nog tijd voor zou zijn. De redenen om zo’n onderzoek te doen zijn eenvoudigweg deze: 

Ten eerste stellen de beide teksten samen ons beter in staat om een grondiger en duidelijker zicht te krijgen op de tekst van het Evangelie van Jezus Christus en om daardoor tot een zekere aanscherping van het christelijk geloof te komen. 

Ten tweede is de exacte ontstaansgeschiedenis van het Nieuwe Testament te zeer verborgen om met zekerheid te kunnen zeggen hoe het precies is toegegaan en welk aandeel het Grieks en het Aramees daarin gehad hebben. Dit onderwerp is te gecompliceerd en te verborgen dat enige wetenschapper daarover definitief uitsluitsel zou kunnen geven. Nederigheid en een onderzoekende geest kunnen wellicht verder helpen, zoals ook eventuele vondsten van nog verborgen manuscripten. 

Tot zover onze kennismaking met de Aramese Peshitta. Voor wie dit onderwerp verder wil bestuderen verwijzen wij naar de sectie ‘Onderwerpen’ van de EBV-S, waar dit onderwerp verder zal worden uitgediept. 

________________

1. Het Oude Testament van de Peshitta is nooit gezien als de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament, want de tekst ervan is waarschijnlijk in de 2e eeuw n. Chr. tot stand gekomen door een vertaling vanuit het Hebreeuws (‹net zoals elke Nederlandse Bijbelvertaling is vanuit het Hebreeuws-Aramese Oude Testament›), een vertaling die mogelijk het werk was van Joodse christenen die deel uitmaakten van een Joodse gemeenschap in Edessa in de 2e eeuw n. Chr., aldus F. Crawford Burkitt in zijn boek ‘Early Eastern Christianity, 71 ff. 1904’. Heel opvallend in de volgorde van de boeken van het OT in de Peshitta is dat het boek Job direct volgt op de 5 boeken van Mozes, wat in zekere zin overeenstemt met de opvatting dat Job leefde in een tijd die niet al te ver aflag van de tijd waarin Jozef leefde (zie de Inleiding bij het boek Job). 

De veronderstelling dat het OT van de Peshitta zoals hiervoor beschreven rond de 2e v. Chr. in Edessa tot stand gekomen is, lijkt de meest betrouwbare veronderstelling op dit gebied te zijn. De veronderstelling dat de vertaling van het Hebreeuws naar het Aramees ten behoeve van koning Hiram van Tyrus in de dagen van Salomo gemaakt zou zijn, is ongeloofwaardig en gaat voorbij aan het feit dat veel van het OT toen nog niet tot stand gekomen was. Ook is het idee ongeloofwaardig dat de vertaling gemaakt zou zijn door een priester genaamd Assa, of Ezra, die de koning van Assyrië naar Samaria zond om de nieuwe bewoners die zich daar hadden gevestigd te onderwijzen over de dienst aan de HEERE, de God van Israël (zie 1 Kn. 17). De opvatting dat de vertaling tot stand zou zijn gekomen in verband met het bezoek van Taddeüs aan Abgar in Edessa is ok een onbetrouwbaar. 

Zo is er ook een traditie ten aanzien van het Nieuwe Testament die stelt dat Markus, de neef van Barnabas, zijn eigen Evangelie, dat volgens die traditie oorspronkelijk in het Latijns geschreven zou zijn, in het Aramees heeft vertaald alsmede de andere boeken van het Nieuwe Testament. Deze traditie berust ook op verzinsels.



Bewerking

Redactie EBV - 1 januari 2026