OPENBARING
|
De inleidingen bij de Bijbelboeken zijn bedoeld als ondersteuning voor de bestudering van de Bijbel, maar het verdient alle aanbeveling om eerst ieder Bijbelboek zelf een aantal keren aandachtig te lezen, opdat al lezend een beeld van het boek, van de achtergrond ervan, van zijn inhoud, opbouw en van zijn onderwerpen ontstaat. De aandacht voor de tekst van het Woord van God zelf dient altijd voorop te blijven staan vanwege het hoogste gezag dat dit Woord in alle opzichten vertegenwoordigt. |
Inleiding
Het boek Openbaring is als een slotsymfonie. Het staat vol met beelden, profetieën en gebeurtenissen uit het Oude Testament, waarvan opeens de vervulling in Jezus Christus onthuld wordt. Het boek Openbaring is het hoogtepunt en het sluitstuk van de Bijbel, een boek dat door God volmaakt is ‘gecomponeerd’. Zeker, héél de Bijbel is het boek van Jezus Christus (‹Lk. 24:27›), maar het boek Openbaring is daar op een bijzonder indrukwekkende wijze het slot van. De boeken van de Bijbel blijken als een kunstig vlechtwerk in elkaar te passen. Hier blijkt in het bijzonder dat alle boeken in samenhang met elkaar gelezen, geleerd en onderwezen behoren te worden, zoals wij daarover lezen in 2 Petrus 1:20 ...
“Jullie moeten vooral weten dat geen enkele profetie los staat van het geschrift ervan. Want van eeuwigheid af is profetie nooit voortgekomen uit de wil van een mens, maar ze is gekomen door heilige mannen van GOD, die door de heilige Geest gedreven spraken.”
Het boek Openbaring staat dus niet op zichzelf en laat zich dus des te beter lezen door iemand die heel de Bijbel kent en ontzag heeft voor heel het Woord van God. Het boek Openbaring heeft een uniek karakter, omdat Jezus Christus in zekere zin in zijn volheid aan ons wordt onthuld als God, de Schepper, Hogepriester, Lam van God, Leeuw van Juda, Zoon van GOD, als HEERE van de legermachten, als de hemelse Veldheer, als Koning, Rechter, Losser en Bruidegom. Niet voor niets heet het boek dan ook de Openbaring van Jezus Christus.
Openbaring is niet een boek over de strijd tussen ‘het goede’ en ‘het kwade’, alsof er er ten diepste een onpersoonlijk ‘goed’ dan wel ‘kwaad’ zou bestaan. Ook staan de beelden en visioenen in Openbaring niet los van de werkelijkheid van het leven van deze wereld, maar zijn zij juist een onthulling van die werkelijkheid en van de komende gebeurtenissen op aarde in een zeer indringende beschrijving. De openbaring van Jezus Christus maakt duidelijk dat Hij de werkelijkheid is. Alles buiten Hem is vergankelijk, bedriegelijk, verderfelijk, gruwelijk, misleidend, schone schijn en duivels, en het einde ervan is de volkomen verlorenheid in de hel.
Van alle visies en gedachten over dit boek zal in deze dagen duidelijk worden welke wel en welke niet de toets kunnen doorstaan. Wij verkeren in de eindtijd, en als de uitleg van het boek niet klopt, komt dat spoedig aan het licht. Als voorbeeld geven wij Openbaring 20, waarin wordt gesproken over een 1000-jarig Rijk op aarde onder leiding van Jezus Christus. Velen menen dat wij dat niet al te letterlijk moeten nemen of daarin de periode moeten zien vanaf het kruis en de opstanding van Jezus Christus tot nu toe, tot op de laatste dag. Men meent wel dat het 1000-jarige rijk staat voor een hele lange periode. Als Jezus Christus echter binnenkort terugkomt en 1000-jaar zal regeren, wat o.i. het boek Openbaring heel duidelijk leert, dan zullen al die geluiden verstommen en zal de waarheid van Gods Woord bevestigd worden. Als Hij echter terugkomt, maar niet 1000 jaar op aarde regeert.
Het boek Openbaring is geweldig kostbaar voor ons geloof. Hoe velen putten niet geloofsmoed uit dit boek waarin de komst van de HEERE Jezus Christus en zijn vereniging met de Gemeente als zijn Bruid en met het gelovige Israël als zijn volk zo uitgebreid wordt afgeschilderd? Hoevelen zien niet uit naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde? Hoevelen leren niet het kwaad te vrezen als zij lezen hoe de boze de aarde een korte tijd in zijn wurggreep zal nemen en zijn duivelsknechten voor eeuwig zal meeslepen naar de hel door hen het merkteken te geven en door hen het beeld van het beest te laten aanbidden? Hoevelen zijn niet dankbaar dat dit boek laat zien dat Jezus Christus de Overwinnaar is en zal heersen, ook hier op aarde? Openbaring is het boek van het Lam dat is geslacht, maar ook van het Lam dat zit op de troon. Hallelu-Jah, amen!
Schrijver, adressering, tijd en plaats
De schrijver van het boek Openbaring is de apostel Johannes (zie Op. 1:1, 4:9; 22:8)
De geadresseerden zijn de zeven gemeenten in de provincie Asia in het westen van het huidige Turkije: Efeze, Smyrna, Pergamus, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea (Op. 1:4, 11).

De apostel Johannes werd om zijn christelijke getuigenis naar het onherbergzame eiland Patmos verbannen (Op. 1:9). Het eiland Patmos ligt in de Aegeïsche Zee, ten westen van het huidige Turkije. Daar kwam de Openbaring van Jezus Christus tot de apostel Johannes door bemiddeling van een engel. Aan Johannes werd opgedragen om alles op te schrijven wat hij zag en hoorde en dat in een brief aan de zeven gemeenten te sturen, met inbegrip van de brief voor elke specifieke gemeente, die rechtstreeks uit de mond van de HEERE Jezus Christus in Op. 2 en 3 zijn terechtgekomen.
Wat betreft de tijd van ontstaan van het boek Openbaring zijn er in hoofdzaak twee verschillende opvattingen:
a. op het moment van de vervolging van christenen onder keizer Domitianus (AD 81-96). Irenaeüs (130-202 n. Chr.) schrijft in zijn boek ‘Tegen de ketters’ (‹Adversus haereses 5, 30, 3›) dat het boek Openbaring tot stand kwam tegen het einde van het bewind van Domitianus, d.w.z. rond 94 n. Chr. Dit is de naar het Engels vertaalde passage uit het boek van Irenaeus:
“We will not, however, incur the risk of pronouncing positively as to the name of Antichrist; for if it were necessary that his name should be distinctly revealed in this present time, it would have been announced by him who beheld the apocalyptic vision. For [it or he] was seen not very long time since, but almost in our day, towards the end of Domitian’s reign.”
De hamvraag betreffende deze passage concentreert zich op de de woorden ‘it or he was seen’. Die kunnen betrekking hebben op:
1. het zien van de Openbaring, d.w.z. het visioen
2. het feit dat het boek Openbaring recent geschreven was, nl. in einddagen van Domitianus’ regering
3. op Johannes, de apostel. Met andere woorden, Irenaeus zegt dat Johannes’ heel oud is geworden en dat leert ook de traditie.
Al met al is de tekst van Irenaeus dubbelzinnig en te onduidelijk om er enig substantieel bewijs in te zien dat Openbaring zo laat is geschreven.
b. onder Nero (54 - 68 n. Chr.). Argumenten voor deze visie zijn:
(‹1›) dat er geen aanwijzing in het boek Openbaring zelf is, dat Johannes verbaasd is dat Jeruzalem en de Tempel die in Openbaring 11 beschreven worden nog niet verwoest zijn, want beide waren nog op hun plaats vóór 70 v. Chr. Johannes’ brieven worden door sommigen wel na de val van Jeruzalem gedateerd, maar de Openbaring zou voor de val van Jeruzalem ontvangen kunnen zijn op Patmos onder dezelfde vervolgingen van Nero, waaronder de apostel Paulus is omgebracht.
Maar het kan zijn dat de apostel bij het zien en horen van de Openbaring ervan overtuigd was dat de gebeurtenissen die geopenbaard worden na het openen van de boekrol in Op. 6 en die zich afspelen vanaf Op. 8 tot Op. 22, in de verre toekomst lagen, net als Daniël van God te horen krijgt in Dan. 12:8, 9 dat het gezicht betrekking heeft op de eindtijd. Ten slotte krijgt de apostel Johannes in Op. 1:19 heel duidelijk te horen dat de Openbaring 3 delen heeft: “Schrijf daarom op wat je gezien hebt (‹Op. 1›) en zo ook de dingen die er nu zijn (‹Op. 2, 3›) en die er daarna zullen gebeuren.” De dingen die daarna zullen gebeuren spelen pas werkelijk vanaf Op. 8. Als de apostel deze driedeling goed begreep en inzag, is het mogelijk dat hij niet verbaasd was om in Op. 11 twee getuigen in de Tempel te zien optreden, zelfs als hij de Openbaring zou hebben ontvangen na de verwoesting van de Tempel in 70 n. Chr. in de einddagen van keizer Domitianus.
(‹2›) de apostel Paulus werd waarschijnlijk in 58 n. Chr. in de Tempel in Jeruzalem gearresteerd en zo zou hij dan in het begin van de 60-er jaren in Rome gevangen gezeten hebben. Mogelijk is hij, na nog enige tijd vrij geweest te zijn, rond 66 n. Chr. de marteldood gestorven onder Nero. Nooit lezen wij in zijn brieven dat de Tempel al verwoest was, maar als de Hebreeënbrief van zijn hand zou zijn, dan heeft hij in zekere zin wel de val van de Tempel voorzegd of aan zien komen volgens Heb. 13:14.
(‹3›) De apostel Paulus laat er in zijn brieven niets van merken dat hij het boek Openbaring kent, dus is het boek Openbaring waarschijnlijk korte tijd na Paulus’ dood door de engel aan de apostel Johannes gegeven, ten minste als wij ervan uitgaan dat de Openbaring voor het jaar 70 n. Chr. tot hem kwam. Op dit tijdstip is Johannes op leeftijd, maar nog niet ‘stokoud’. Om de Openbaring scherp te kunnen volgen en te verwerken en vervolgens op te schrijven is wel enige ‘conditie’ nodig. Zou Johannes de Openbaring 30 jaar later hebben ontvangen en rond de 90 jaar zijn geweest, dan is de vraag of hij het lichamelijk had aangekund, want er zijn tradities dat hij op hoge ouderdom door de broeders naar de gemeente in Efeze gedragen werd. We zien de uitputting na het zien van goddelijke visioenen heel duidelijk bij Daniël 8:18, 27; 10:8, 9, en Ezechiël 3:15
(‹4›) in de Aramese Peshitta (oudste manuscript gedateerd in 5e eeuw n. Chr.) staat het volgende opmerkelijke opschrift boven het boek Openbaring:
‘De Openbaring die geopenbaard werd aan Johannes, de evangelist van God op het eiland Patmos waarheen hij door keizer Nero verbannen was.’
Dit opschrift vinden wij niet in de Griekse manuscripten van het boek Openbaring. Op grond van dit opschrift zou het boek Openbaring dus voor het eind van de regering van keizer Nero tot stand zijn gekomen, vóór de val van Jeruzalem. Men tekent daar wel bij aan, dat het getal van het beest in Op. 13:18 de getalswaarde is van de Hebreeuwse woorden ‘QeSaR, NeRWN’ (‹Q=100, S=60, R=200 en N=50, R=200, W=6 en N=50, dat is samen: 666›).
Isaac Newton (1643-1727), een groot geleerde, schreef veel over profetie in de Bijbel, in het bijzonder over de boeken Daniël en Openbaring. Dit is een vertaling van passages uit zijn boek ‘Daniel and Revelation’, uit Part II., Chapter 1. ‘Introduction, concerning the time when the Apocalypse was written’:
“Irenaeüs introduceerde de gedachte dat de Openbaring in de tijd van keizer Domitianus geschreven was. Maar hij zag zich daardoor genoodzaakt ook de data van het ontstaan van andere heilige geschriften aan te passen en het boek Openbaring daarachter te plaatsen: Irenaeüs had mogelijk van zijn meester Polycarpus gehoord, dat hij dat boek van Johannes gekregen had rond de tijd van de dood van Domitianus. Of anders had Johannes in die dagen misschien zelf een nieuwe uitgave verzorgd van het boek Openbaring, waardoor Irenaeüs meende dat het recent geschreven was.
De latere kerkvader Eusebius (ong. 263-339 n. Chr.) volgt in zijn ‘Pantodape historia’ (Kerkgeschiedenis) de mening van Irenaeüs (‹we hebben hiervoor al gezien dat het helemaal niet zo duidelijk is wat Irenaeus’ opvatting over de datering van het boek was›), maar later in zijn boek ‘Demonstratio Evangelica’ (‹Bewijs van de Waarheid van het Evangelie›), laat hij de verbanning van Johannes samenvallen met de dood van Petrus en Paulus. Ook Tertullianus en Pseudo-Prochorus doen dat ... (‹Peter was crucified head downwards at Rome, Paul beheaded, and John exiled to an island. Yet though they suffered thus, not one of the others gave up his intention, but they made their prayer to God that they themselves might suffer a like fate for their religion, and continued to bear witness to Jesus and His marvellous works with yet more boldness - ‘Demonstratio Evangelica’- Book III›).
Epiphanius stelt dat het Evangelie van Johannes in de tijd van Domitianus geschreven is en het boek Openbaring zelfs voor de tijd van Nero.
Arethas schrijft aan het begin van zijn commentaar wel over de mening van Irenaeüs en van Eusebius, maar volgt die niet, want hij zegt, dat het boek Openbaring geschreven werd voor de verwoesting van Jeruzalem en ook schrijft hij dat oudere commentatoren het zesde zegel in Op. 6 opvatten als betrekking hebbend op de val van Jeruzalem, (die men toen in de naaste toekomst verwachtte en dat betekent dan ook dat de Tempel er ten tijde van het schrijven van het boek Openbaring nog steeds stond!›).
... de traditie van de vroege kerk was dat Johannes naar Patmos was verbannen in de tijd van keizer Nero ...
... er is ook een geschiedenis die Eusebius aan Clemens van Alexandrië ontleent, over een jongeman die door de apostel Johannes, niet lang na zijn terugkeer van Patmos, aan de pastorale zorg van een opziener van de gemeente van een bepaalde stad had toevertrouwd. Deze man onderwees hem in het geloof en doopte hem tenslotte. Maar de jongeman onttrok zich aan zijn zorg en kwam in slecht gezelschap van bandieten en rovers, die hem tot hun leider maakten. Lange tijd bleef hij hun leider. Veel later keerde de apostel Johannes naar die stad terug en hoorde wat er gebeurd was en reed naar de dief toe. Uit ontzag voor zijn vroegere meester sloeg deze op de vlucht, maar de apostel Johannes ging achter hem aan, vermaande hem en was in staat hem terug te brengen in de gemeente. Deze geschiedenis beslaat een periode van heel wat jaren en ze veronderstelt feitelijk dat Johannes van Patmos terugkwam in de tijd vlak na de dood van Nero en niet in de tijd van keizer Domitianus, want tussen de dood van Domitianus en de dood van de apostel Johannes zat niet meer dan tweeënhalf jaar. De apostel was toen zo verzwakt dat hij naar de kerk gedragen moest worden en hij stierf toen hij meer dan 90 jaar oud was. Dat hij op die leeftijd nog te paard achter de dief aangereden zou zijn, lijkt uitgesloten.
... de idee dat het boek Openbaring rond de laatste levensjaren van keizer Nero opgeschreven moet zijn, vindt verdere ondersteuning in het boek Openbaring zelf, waarin verwijzingen naar de Tempel, het altaar en de heilige stad te vinden zijn, naar het vertreden van de heilige stad door de volken en naar de buitenste voorhof. (Als de Tempel in de dagen dat de Openbaring aan Johannes werd gezonden, al verwoest was geweest zoals dat het geval zou zijn geweest als Johannes deze ontvangen zou hebben in de dagen van Domitianus, dan had het verschijnen van de Tempel in Op. 11, waarschijnlijk veel reacties gegeven, maar van zulke reacties is niets bekend. Als echter het boek Openbaring al in de laatste jaren van Nero geschreven zou zijn, dan zou de tekst van Openbaring 11 geen reacties hebben opgeroepen in de dagen van Nero omdat de Tempel er nog stond en Op. 11 dus niets nieuws zou zijn geweest, en in dagen van Domitianus ook niet, omdat bekend was dat Jeruzalem en de Tempel pas na de dood van keizer Nero werden verwoest.)
... verder wordt de stijl van het boek Openbaring gekenmerkt door veel Hebreeuwse (Aramese) uitdrukkingen, meer dan het geval is in het Evangelie van Johannes. Dat doet denken dat Johannes bij het schrijven van Openbaring nog maar net uit Judea naar Klein-Azië gekomen was en hij nog vloeiend Aramees sprak. Het Evangelie schreef hij echter later, nadat hij veel met Griekssprekenden had opgetrokken en daardoor vertoont dat minder zgn. Hebraïsmen (of: Arameïsmen) dan het boek Openbaring (redactie EBV: de vraag is overigens of het Evangelie van Johannes werkelijk na het boek Openbaring geschreven is. Zie de Inleiding en het Commentaar bij het Evangelie van Johannes).
De vervalsingen van het boek Openbaring, zoals de Openbaring van Petrus, van Paulus, van Thomas, van Stefanus, van Elias en van Cerinthus, getuigen ook van het bestaan van een echt en oorspronkelijk origineel boek Openbaring. Sommigen namen van schrijvers van zulke vervalste Openbaringen, zoals Petrus, Paulus, Thomas en Stefanus, zijn namen van apostelen en gelovigen die overleden zijn, voordat Johannes stierf. Wij bedoelen daarmee overigens niet dat zijzelf deze vervalste Openbaringen geschreven zouden hebben, maar dat derden hun namen misbruikten door ze te verbinden met door die derden zelf geschreven zgn. ‘Openbaringen’.
Caius, een tijdgenoot van Tertullianus, schrijft dat Cerinthus zijn boek Openbaring schreef als een ‘groot apostel’ en dat hij beweerde dat de visioenen door engelen aan hem getoond waren en dat deze visioenen getuigden van een 1000-jarig rijk vol vleselijke en wereldse genoegens in Jeruzalem na de opstanding. (redactie EBV: hieruit wordt duidelijk dat Cerinthus zijn boek Openbaring enerzijds schreef in navolging van het origineel en anderzijds als verdraaiing ervan). Van Cerinthus is bekend dat hij tegen de apostelen in Jeruzalem in opstand kwam vóór het eerste jaar van keizer Claudius, d.w.z. 26 jaar vóór de dood van Nero en ook is bekend dat hij stierf voor Johannes overleed.” - Sir Isaac Newton
Als wij aannemen dat Johannes inderdaad in de dagen van Nero het boek Openbaring in opdracht van Jezus Christus moest opschrijven, dan is dat niet in strijd met sommige tradities, die zeggen dat Johannes nog rond zijn negentigste deel uitmaakte van de gemeente in Efeze. Hij kan na de gevangenschap op Patmos immers nog jaren geleefd hebben, maar dat is niet zeker.
In visie (a.) komt het boek Openbaring naar tijd gerekend apart te staan in de reeks van NT-ische geschriften.
In visie (b.) zou heel het NT met inbegrip van het boek Openbaring vóór de val van Jeruzalem (vrijwel) geheel compleet geweest zijn en ‘kon’ Jeruzalem, als centrum van waar het Evangelie uitging, als het ware vallen, zoals wij lezen in Hebr. 8:3
“Als Hij zegt: ‘Nieuw!’, dan heeft Hij het eerste Verbond laten verouderen
en wat verouderd en oud is, is niet ver van verdwijning.”
Driedeling van het boek Openbaring
Zoals de woorden in het boek Openbaring profetisch zijn en ernaar geluisterd dient te worden, zo dienen ook de beelden en de visioenen in het boek aandachtig gelezen te woorden en ons beeldend voor ogen te komen. Het boek zit vol met ‘woordstudies’ en ‘beeldstudies’. Johannes moet allereerst opschrijven wat hij ZIET (Op. 1:11) en de beelden gaan de gedachten en voorstellingen vormen. De uitdrukking ‘ik zag’ of ‘ik keek’ komt heel vaak voor. We moeten de beelden daarom goed tot ons door laten dringen en er een met de tekst kloppende voorstelling van proberen te maken. Bovendien moet Johannes ook opschrijven wat hij HOORT.
Zo lezen wij b.v. in Op. 6:2 ‘En ik hoorde en keek, en zie ...’ Als wij het boek Openbaring lezen, dienen wij de draad van Johannes’ ZIEN en HOREN nauwlettend te volgen.
De volgende driedeling van het boek Openbaring wordt ontleend aan het boek zelf, want in Op. 1:19 lezen wij ...
“Schrijf daarom op wat je gezien hebt (‹I›)
en de dingen die er nu zijn (‹II›)
en de dingen die hierna zullen gebeuren (‹III›) .”
(‹I›) Johannes heeft zojuist Jezus gezien, wandelend tussen de kandelaren (‹vs. 9-18›). ‘Wat’ hij gezien heeft is dus Jezus Christus!
(‹II›) Openbaring 2 en 3 zijn brieven aan de 7 gemeenten in Klein-Azië (in het huidige Turkije), die Johannes kent, gemeenten die in zijn tijd tot stand gekomen waren door de prediking van het Evangelie en die er dus ‘nu’ zijn, d.w.z. toen Johannes dit grote visioen op Patmos ontving. De 7 gemeenten vormen ook een beeld van de tijd van de geboorte van de Gemeente op het moment dat de Heilige Geest werd uitgestort (‹Hd. 2›) tot op het tijdstip dat het Evangelie aan alle volken gepredikt zal zijn, tot aan het uiteinde van de aarde. Die dagen zijn nu zeer nabij!
(‹III›) de toekomstige dingen, die dingen die zullen plaatsvinden als de periode van de Evangelieverkondiging voltooid is ... wanneer er geen zielen meer tot geloof komen door de Evangelieprediking. In Openbaring 4 en 5 is dat moment genaderd, wanneer de boekrol wordt geopend, aan de inhoud waarvan het grootste deel van het boek is gewijd.
In deel III is de opeenvolging van de gebeurtenissen duidelijk uit rangtelwoorden en door het woordje ‘daarna’, d.w.z. ‘achter de hiervoor beschreven gebeurtenis of dingen’. Het woordje ‘daarna’ mag bij het lezen niet genegeerd worden en er mag niet naar willekeur mee worden omgegaan. We dienen ons te houden aan de ordening van de Bijbel, van de Schrift met hoofdletter. We lezen ...
- het eerste zegel, het tweede zegel ...
- de eerste (‹engel›) blies, de tweede (engel) blies ...
- de eerste (‹engel›) ging heen en goot zijn schaal uit, de tweede engel goot zijn schaal uit ....
- het eerste wee, het tweede wee, het derde wee ...
De opeenvolging van de gebeurtenissen wordt ook duidelijk uit de profetieën van het Oude Testament. Heel belangrijk is het om de profetie van Daniël 9:20-27 over de zogenoemde laatste jaarweek, die belicht wordt in Openbaring 11-13. Maar ook Jes. 66:6 in vergelijking met Openbaring 16:1, 17. Ook vele andere woorden uit het Oude Testament en vele Oudtestamentische gebeurtenissen komen in dit bijzondere slotboek van de Bijbel terug. Wij willen in het bijzonder aanraden om Zacharia 12-14, Ez. 9, 10 en Ez. 34-48 aandachtig door te lezen en de woorden van de profetie van al die boeken voortdurend in het hart te overwegen en te doordeneken.
Ook Jezus’ woorden over de eindtijd in Mattai 24-26 dienen nauwkeurig in samenhang met dit boek gelezen worden. Het boek Openbaring is van een geweldige kracht en diepte, het is een ‘legpuzzel’ die met groot ontzag in elkaar gezet dient te worden voor en door wie dit boek ‘eet’ tot opbouw van zijn geloof in Jezus Christus, zoals dat trouwens met alle boeken van de Bijbel dient te gebeuren. Het Boek Openbaring is een strak ‘georganiseerd’ boek. Men kan en mag het niet willekeurig ‘door elkaar husselen’. Dan snijdt men zich lelijk in de vingers. Het is beter om te wachten op God, opdat Hij in het hart en in de gedachten het benodigde licht werpt ten aanzien van zijn Woord.
Wij wijzen er bovendien op dat het bij het lezen van en nadenken over de woorden van dit boek heel belangrijk is om zich de vraag te stellen: Wat speelt zich af op aarde, wat speelt zich in de hemel en hoe verhouden die beide zich?
I. De verschijning van de Mensenzoon in het hemelse heiligdom temidden van de zeven kandelaren (Op. 1)
“wat je gezien hebt”
1. Aard, overdracht en beoogde uitwerking van de Openbaring (Op. 1:1-3)
2. Groet en zegen (Op. 1: 4-6)
3. Eerste proclamatie: De terugkeer van Jezus Christus in macht en glorie (Op. 1:7)
4. Tweede proclamatie: God is de Almachtige Heer van de geschiedenis (Op. 1:8)
5. De verschijning van de Heer aan Johannes op Patmos (Op. 1:9-11)
6. Jezus Christus toont Zich als Hogepriester in het hemelse heiligdom, in het bijzonder in het Heilige, het voorste deel van het Heiligdom, waar de zevenarmige kandelaar staat opgesteld (Op. 1:12-20). In de Woning, de Tabernakel, in de wildernis, was dat één kandelaar met zeven armen, maar in de latere Tempel van Salomo in Jeruzalem waren dat tien kandelaren, elk met zeven armen, die opgesteld werden in het Heilige (‹zie 2 Kr. 4:7›). We zullen ook in het boek Openbaring tien kandelaren tegen komen en de eerste zeven worden ons hier getoond in het begin van de Openbaring en Jezus Christus inspecteert de kandelaren, d.w.z. de gemeenten, in zijn rol als hemelse Hogepriester en Hij geeft zijn bevindingen en stuurt die in briefvorm naar de engel van de betreffende gemeente, zeven brieven in totaal.
Het is heel belangrijk om te zien dat wij bij het begin van het boek Openbaring ons onmiddelijk in de hemel bevinden waar Jezus Christus is en dat de gelovigen zich volledig op Hem daarboven dienen te richten, want zoals Hij is opgewekt, is ook iedere gelovige met Hem opgewekt. Daarom is ons leven met Christus verborgen in God, zoals wij lezen in Kolossenzen 3:1-3. Jezus en alle gelovigen bevinden zich geestelijk gezien in het Heilige, in het voorste deel van het Heiligdom, terwijl hun lichamen nog op aarde zijn, levend of in het graf.
Hoewel Jezus Christus zijn Bloed na de kruisdood en opstanding één keer in het Allerheiligste (Heb. 9:12) heeft gebracht, voor de troon van God, tot verzoening van de zonden, wil dat kennelijk nog niet zeggen dat allen die in zijn Naam geloven ook in dat Allerheiligste verkeren. Zij zijn verzoend door Jezus’ Bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel (Heb. 12:24), maar dat Bloed werd op aarde gestort en het getuigt dus op aarde (1 Jh. 5:8 in de Griekse Textus Receptus tekst zegt: ‘En drie zijn er, die getuigen op de aarde: de Geest en het water en het bloed, en de drie zijn tot één.’ De toevoeging ‘op aarde’ vormt een tegenstelling met de woorden in 1 Jh. 5:7 ‘Want drie zijn er, die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord (Jezus Christus - zie Jh. 1:1) en de Heilige Geest; en deze drie zijn één.’ - deze woorden staan weliswaar niet in het NT van de Aramese Peshitta, maar zouden toch de uitleg kunnen zijn van wat de tekst in 1 Jh. 5:6-8 ons wil zeggen). De Geest die is uitgestort in het hart is in zijn wezen en werkzaamheid de verbinding tussen de gelovige op aarde en onze hemelse Vader op zijn troon en de Geest brengt de gebeden van de gelovigen voor Gods troon, maar zij zelf zijn nog niet voor die troon gekomen.)
II. De zeven rondzendbrieven voor de gemeenten (Op. 2, 3)
“de dingen die ... zijn”
De zeven brieven van Jezus Christus in Openbaring 2 en 3 hadden, toen zij aan de zeven engelen verzonden werden, allereerst een actuele boodschap voor elk van de zeven genoemde gemeenten. Bovendien, zo nemen wij aan, werd niet alleen de brief voor de betreffende gemeente verzonden en voorgelezen, maar met die brief ook heel het algemene gedeelte vanaf Openbaring 4 tot aan het einde van het boek Openbaring, dat voor alle gemeenten gelijk was. Daar kwam nog bij dat de brief aan de ene gemeente ook in de andere gemeente voorgelezen diende te worden, opdat allen er lering uit zouden trekken (‹zie Kol. 4:16›)
Door de brieven kunnen wij ons een beeld vormen van de geestelijke situatie in de zeven gemeenten, terwijl zij tegelijkertijd ook zijn geschreven voor alle gelovigen in alle tijden en als voorbeeld dienen voor ons net zoals de gebeurtenissen in het OT die het volk Israël overkwamen als een voorbeeld dienen voor wie in Jezus Christus geloven, zoals 1 Kor. 10:11 ons zegt.
Dat de brieven niet alleen pastorale boodschappen zijn voor de zeven gemeenten in die tijd, maar ook voor latere gelovigen in Jezus Christus door alle eeuwen in, spreekt o.i. uit de inhoud van die brieven zelf die immers vol zitten met spanning over de toekomst en over de wederkomst van Jezus Christus en alles wat daarmee samenhangt. Bovendien schrijdt het boek Openbaring vanaf de indrukwekkende verschijning van Jezus Christus op het eiland Patmos aan de apostel Johannes door middel van de zeven profetische brieven met rasse schreden voort naar het einde, dat wordt ingeluid door de hemelse verschijning van Jezus Christus als het geslachte Lam van God op de troon dat alleen waardig is om de boekrol in de hand van de HEERE aan te nemen en te openen, om vervolgens alle grote eindtijdgebeurtenissen te onthullen, waarvan het eerste de opname van de gemeente uit alle volken en talen in Op. 7 wordt beschreven, nadat 144.000 Joodse mannen uit alle 12 stammen van Israël aan hun voorhoofd zijn verzegeld.
De gelovigen van de zeven gemeenten in die tijd, hebben het boek Openbaring aanvankelijk misschien opgevat als een boodschap over hoe het zou aflopen met de christenen in het Romeinse rijk, maar wij nemen aan dat men al heel vlug begon te ontdekken dat het boek Openbaring over een verderweg gelegen toekomst sprak. De Tempel waarvan Openbaring 11 spreekt werd in 70 n. Chr. verwoest, waarschijnlijk enkele jaren na het verschijnen van het boek Openbaring en er was beslist geen uitzicht op een spoedig herstel van Jeruzalem. De latere islamitische veroveringen zouden het perspectief dat dat ooit nog zou gebeuren, nog meer naar de verre toekomst verschuiven. In 691-692 n. Chr. verrees de Rotskoepel op de Tempelberg die het beeld van Jeruzalem door de eeuwen zou gaan kenmerken. Toen het dak ervan tussen 1959-‘61 met gouden tegels werd belegd, werd de vijandschap en haat van de antichrist tegenover het aardse Huis van God des te schrijnender zichtbaar.
Wat hadden de zeven brieven voor boodschap voor de gelovigen in die tijd en wat voor boodschap voor hebben zij voor de christenen van alle eeuwen? Hoe diende men de brieven te lezen, dat is de waar wij nu op in zullen gaan.
De inhoud van de brieven en hun achtergrond
Het is belangrijk om vanuit de Bijbeltekst en in het bijzonder vanuit de tekst van de zeven brieven zelf naar de betekenis van die brieven te kijken. De zeven brieven spreken van de specifieke relatie die Jezus Christus met elk van de gemeenten heeft en tegelijkertijd van de relatie die Hij met hen gezamenlijk heeft. Wij moeten niet vergeten dat het aantal van zeven gemeenten staat voor de volheid van de Gemeente van Jezus Christus.
Bij het lezen van de zeven brieven is men al vlug geneigd om te denken aan een tijdsvolgorde, ook al omdat het boek Openbaring door een in hoge mate chronologische structuur wordt gekenmerkt.
Uit de beloftes en slotwoorden van elk van de zeven brieven aan de gemeenten in Asia, bij voorbeeld uit de slotwoorden uit de brief aan Sardis: ‘Wie overwint, zal zo met witte kleren bekleed worden en Ik zal zijn naam niet uitwissen uit de Boekrol van het Leven, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen!’, blijkt dat de Heer Jezus Christus een eervolle einduitkomst van het geloof in Hem van elke gemeente voor ogen staat en dat Hij wil dat alle gelovigen aan het geloof in Hem vasthouden tot aan het einde toe, niet alleen de gelovigen in Sardis.
Ook lijken de brieven een verband te belichten tussen het verloop van de verlossingsgeschiedenis van Gods volk onder het Oude Verbond van de Wet met het verloop van de geschiedenis van Gods volk, de Gemeente van Jezus Christus onder het Nieuwe Verbond, de 20 eeuwen na Christus’ vleeswording, lijden, kruisdood en hemelvaart tot nu toe.
Wij willen één en ander belichten door de structuur van de zeven brieven van Jezus Christus aan de 7 gemeenten in kaart te brengen. Deze structuur is voor een deel in alle brieven hetzelfde is, maar voor een deel ook verschillend. Tegelijk proberen wij in onderstaand overzicht ook enige diepte aan te brengen en aanvullende historische informatie te geven over de 7 plaatsen die genoemd worden als de locatie van de 7 gemeenten.
I. de aanhef:
- Schrijf aan de engel van de gemeente van Efeze, Smyrna, Pergamus, Sardis, Filadelfia, Laodicea
- Schrijf aan de engel in de gemeente in Tyatira
De engelen zijn de zeven sterren die Jezus Christus in Openbaring 1 in zijn rechterhand vasthoudt. Zij zijn de instrumenten in het bestuur van de zeven gemeenten, die in de gedaante van zeven gouden kandelaren in Openbaring 1 gezien worden en waar Jezus Christus tussen loopt. Zoals een Levitische priester dienst deed in het aardse heiligdom in het Heilige bij het licht van de 7 lichten van de gouden kandelaar, zo toont Openbaring ons de Heere Jezus Christus terwijl Hij wandelt tussen 7 kandelaren, mogelijk 7 kandelaren elk met 7 lichten, waarbij wij dienen te bedenken dat er in de Tent (de ‘tabernakel’) weliswaar slechts 1 kandelaar met 7 lichten stond, in de Tempel van Salomo stonden er 10 kandelaren met elk 7 lichten in het Heilige van de Tempel (2 Kr. 4:7)
II. de kenmerken van Jezus Christus uit Openbaring 1
1. Efeze: Dit zegt Hij, die de zeven sterren in zijn hand houdt, die tussen de gouden kandelaren wandelt ... (Op.1:12, 13, 20)
2. Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en (weer) leeft ... (Op.1:18)
3. Pergamus: Dit zegt Hij, die het tweesnijdende, scherpe zwaard heeft ... (Op.1:16)
4. Tyatira: Dit zegt de Zoon van GOD, die ogen heeft als vuurvlammen en voeten als koper uit Libanon ... (Op.1:14, 15)
5. Sardis: Dit zegt Hij die de zeven Geesten van GOD heeft en de zeven sterren ... (Op.1:4, 20)
6. Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en er is niemand die sluit, en die sluit en er is niemand die opent ... (deze woorden wijzen niet terug naar Op. 1, maar breiden het beeld van Jezus uit)
7. Laodicea: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin van de schepping van GOD ... (ook deze woorden wijzen niet terug naar Op. 1, maar breiden het beeld van Jezus uit)
II. de beoordeling, oproep, aanmoediging en belofte
1. Efeze: Dit zegt Hij, die de zeven sterren in zijn hand houdt, die tussen de gouden kandelaren wandelt ... (‹Op. 2:1-7›)
Voor: Ik weet je werken en je inspanning en je geduld en dat je de kwaden niet kunt verdragen en dat je hen op de proef gesteld hebt, die beweren dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn en dat je vastgesteld hebt, dat zij leugenaars zijn. Je hebt geduld en je hebt verdragen voor mijn Naam en je bent niet moe geworden ...
Tegen: Maar Ik heb tegen je, dat jij je eerste liefde verlaten hebt.
Oproep: Denk eraan vanwaar je gekomen bent en bekeer je en doe weer de eerste werken.
Waarschuwing: Zo niet, dan zal Ik Mij tegen je keren en je kandelaar wegnemen, tenzij jij je bekeert.
Voor: Maar dit heb je, dat je de werken van de Nikolaïeten haat, die Ik ook haat.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Belofte: Wie overwint zal Ik te eten geven van de Boom van het Leven, die in het paradijs van GOD staat.”
Oude Testament: De Boom van het Leven in het paradijs! De woorden ‘Denk eraan van waar je gekomen bent!’ herinneren aan de zondeval en aan de eigen zonden.
Samenvatting: Efeze is een strijdende en hard werkende gemeente die het ernstig neemt met het weren van het kwaad en van de leugenaars nl. de valse apostelen. Ze laten de valse apostelen beslist niet hun gang gaan. Maar de zware strijd heeft zoveel gevraagd, dat de innerlijke geestelijke gesteldheid is aangetast. De geestelijke wandel begint zich ‘te verzelfstandigen’ en raakt los van de Persoon om wie het draait: Jezus Christus Zelf. Deze verwijdering kan alleen worden hersteld door bekering, anders dooft het licht uit, ook al hebben zij een grondige afkeer van afgoderij en hoererij, d.w.z. van de werken van de Nikolaïeten (in Op. 2:14, 15 bij de derde brief, nl. die aan Pergamus, lezen wij ook nog over ‘de leer van de Nikolaïeten’, wat er op wijst dat hun invloed vastere vorm had aangenomen en tot een leer was uitgegroeid. Zie verder de Gemeente in Pergamus.)
De gemeente in Efeze had van Paulus een brief vanuit de gevangenis in Rome ontvangen tegen het eind van zijn leven en bediening, maar nog voordat de apostel Johannes de Openbaring van Jezus Christus ontving. De brief is een loflied op het Hoofd van de Gemeente, Jezus Christus, en een dringende, liefdevolle oproep aan de gemeente van Efeze om zich in alle opzichten onder hun Hoofd te schikken en zich radicaal aan de wereldse wandel en gezindheid te onttrekken en te beseffen dat het geen strijd is tegen vlees en bloed, maar tegen de boze geestelijke machten van de duisternis. Daarom diende die strijd ook met geestelijke wapens gestreden te worden: omgord met de waarheid, met het borstschild van de gerechtigheid, met de bereidvaardigheid van het Evangelie van de vrede, met het schild van het geloof, met het zwaard van de Heilige Geest, dat is het Woord van God, en met voortdurende gebed geleid door de Heilige Geest.
Deze gemeente wordt in het vooruitzicht gesteld dat wie overwint, zal mogen eten van de Boom van het Leven in de hof van Eden, de Boom waartoe God na de zondeval de weg afsloot door cherubs ten oosten van de hof te plaatsen die met een flikkerend zwaard die weg versperden.

Het theater van Efeze in het tegenwoordige Turkije (‹8 maart 2004 - Jordan Klein - CC BY 2.0›)
Informatie: Efeze was een Griekse nederzetting aan de monding van de Cayster, tegenwoordig de ‘Küçük Menderes’ geheten d.w.z. ‘Kleine Meander’ of ‘Kleine Kronkel’. Griekse koloniën rond de Middellandse Zee en de Zwarte Zee waren hoofdzakelijk handelsposten. De Griekse gemeenschappen die zich er vestigden, waren er niet op uit om de achterlanden te overheersen. Het hoofddoel was om er een soort bruggehoofd voor de handel te vestigen en om genoeg kuststrook en omliggend land te verwerven zodat de er gevestigde Griekse gemeenschap genoeg had voor haar levensonderhoud. Grote handelsplaatsen als Marseille en Alexandrië ontstonden ook op deze manier. Deze plaatsen werden ook centra voor de verbreiding van het zgn. Hellenisme, de Griekse cultuur en gedachtenwereld.
Efeze verving Milete als handelsstad, maar toen de haven van Efeze verzandde, net als eerder die van Milete, nam de haven van Smyrna het van die beide over als de toegangspoort tot de zgn. Meandervallei handelsroute. In de dagen van de grote bloei van Klein-Azië waren er wel zo’n 230 afzonderlijke gemeenschappen, die alle trots waren op hun zelfstandigheid en rijkdom en die elk hun eigen munt en bestuur hadden. Weliswaar was het gebied tijdens de Perzische heerschappij onder de voet gelopen en in verval geraakt, ook door grootschalige ontbossing en door de verwoestingen ten gevolge van de oorlog, zodat de welvaart van Efeze, dat gelegen was aan een natuurlijke verbinding en handelsroute tussen de twee continenten, er flink onder te lijden had, maar in de vroeg-Romeinse tijd en in de tijd van de Griekse onafhankelijkheid werd het een rijke en levendige havenstad, een rivaal van Alexandrië en het Syrische Antiochië.
De stad Efeze werd gebouwd bij de tempel van Anatolische godin van de vruchtbaarheid en zo werd Efeze het centrum van de verering van deze godin. De Grieken hadden deze godin van de oorspronkelijke bevolking overgenomen onder de naam Artemis, dat is de godin Diana van de Romeinen. De beelden van de godin tonen haar met een torenhoge hoofdbedekking en met vele uitpuilende borsten en de tempel die voor haar was opgericht, werd net als de tempel van de godin Afrodite in Korinte gediend door een stoet van priesteressen, die als prostitueés dienst deden. Met heel het gebeuren was ook de nodige handel verbonden en Efeze werd een pelgrimsoord waarbij de zilveren souvenirs het goed deden: zilveren tempeltjes, zilveren afbeeldingen van de meteoriet die doorging voor een uit de hemel gevallen beeld van de godin Diana. Deze verdiensten werden belangrijker dan haar zeehandel en de haven raakte in verval en verzandde. Twintig mijl moeras liggen er nu tussen Efeze en de vroegere haven. Deze moerasvorming begon al in de tijd van Paulus. Tacitus, een Romeinse geschiedkundige, schrijft dat men in 65 n. Chr. hier iets aan probeerde te doen, maar dat het niet lukte omdat het moeilijker was dan men had gedacht. In de eerste eeuw was Efeze dan ook een stad in verval. Handelingen 19 geeft een bijzonder helder beeld van de dwaze leefwijze van de Efeziërs. Men teerde op de opbrengsten van de leugen en de valse godsdienstigheid (‹lees Ef. 4:19›). De kandelaar de gemeente van Jezus Christus in deze wereldse en afgodische stad Efeze werd weggehaald, omdat zij de woorden van Jezus Christus aan de engel van de gemeente niet ter harte nam.
Zoals Adam en Eva in het begin in zonde vielen (OT-isch), zo valt nu ook de bloeiende, krachtige en meest markante onder de zeven gemeentes (NT-isch). Het licht wordt uitgedoofd.
2. Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en weer leeft ... (‹Op. 2:8-11›)
Voor: Ik ken je verdrukking en je armoede, ook al ben je rijk, en de lastering van hen die van zichzelf zeggen dat zij de echte Joden zijn, terwijl zij het niet zijn, maar een synagoge van de satan ...
Tegen: ... Jezus maakt deze gemeente geen enkel verwijt!
Oproep: Wees in geen enkel opzicht bevreesd voor wat je moet lijden. Zie, de duivel zal sommigen van jullie in de gevangenis werpen opdat jullie verzocht worden. Jullie zullen een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood en Ik zal jullie de krans van het Leven geven.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Belofte: Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden.”
Oude Testament: de tien dagen van verdrukking wijzen waarschijnlijk terug naar de periode dat Jozef in de gevangenis was. Maar een andere reden om aan Jozef te denken is dat de eerste brief aan Efeze beelden oproept uit het begin, de schepping en de zondeval, en de derde brief aan Pergamus beelden oproept uit de tijd vlak voor het binnengaan van het beloofde land en herinnert aan het optreden van de valse profeet Bileam. Het verblijf van Jozef in Egypte zit daar chronologisch gezien tussenin en het idee van een OT-ische chronologische lijn dwars door de brieven heen wordt ook nog bevestigd doordat Izebel in de vierde brief wordt genoemd.
Samenvatting: de brief aan Smyrna, het tegenwoordige Izmir in het zuidwesten van Turkije, ontvangt geen enkel verwijt van Jezus Christus net als de gemeente in Filadelfia. Het zijn de enige twee gemeenten die de toets geheel kunnen doorstaan. Jezus Christus maakt Zich aan het begin van deze brief bekend als de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en weer leeft. Dat lijkt passend te zijn bij de situatie van de gemeente in Smyrna, want hen wordt een verdrukking van 10 dagen, in het vooruitzicht gesteld die met de dood lijkt te eindigen. De 10 dagen herinneren de lezer OT-isch aan de gevangenschapsperiode van Jozef in Egypte (Genesis 40), die uiteindelijk bekroond werd met de krans van zijn onderkoningschap van Egypte en de redding van het volkje van Israël, terwijl de 10 dagen anderzijds NT-isch naar de naaste toekomst wijzen, naar de vervolging die in Smyrna zou komen en naar de hevige christenvervolgingen die in het Romeinse Rijk zouden plaats vinden en waaruit de christenen als overwinnaars te voorschijn zouden komen om vervolgens in zekere zin de macht over dat rijk over te nemen door de grote invloed die de Gemeente van Jezus Christus zou gaan uitoefenen in dat vervallen, net zoals Jozef in Egypte de macht zou overnemen toen hij uit de gevangenis kwam.
Jozef was 17 jaar oud toen hij in Kanaän met zijn broers de schapen van zijn vader hoedde (‹Gen. 37:2›) en naar Egypte werd verkocht aan de nakomelingen van Ismaël, de zoon van de Egyptische Hagar, de bijvrouw van Abraham. Jozef was 30 jaar oud toen hij aan de farao werd voorgesteld (‹Gen. 41:46›), 1 jaar na het overlijden van zijn grootvader Izak (Gen. 35:29). Volgens de Talmoed, Rosh Hashanah 11b kwam Jozef vrij op de 1e van de 7e maand, dat is Rosh ha-Shanah, d.w.z. op de dag van het Joodse Nieuwe Jaar. Er is dus een periode van ongeveer 13 jaar vanaf het tijdstip dat Jozef bij Potifar in dienst trad tot aan zijn 30e jaar toen hij onderkoning over Egypte werd. De door God aangewezen redder van zijn volk, ‘het wormpje Jakob’, was door zijn broers overgeleverd aan de heerser van de wereld, dat was Egypte. In ieder geval had Jozef twee inwerkperiodes in die 13 jaar: de eerste inwerkperiode was bij Potifar en die leidde ertoe dat hij aangesteld werd over heel het huis van Potifar, en de tweede inwerkperiode was in de gevangenis en die leidde ertoe dat de overste van de gevangenis hem de volledige verantwoordelijkheid toevertrouwde over alle gevangenen. Jozef was minstens twee jaar in de gevangenis nadat de schenker in vrijheid was gesteld (‹Gen. 41:1›) en voordat het zover was waren de bakker en schenker mogelijk al een jaar in hechtenis. In de Joodse Talmoed vinden wij verschillende opvattingen over de vraag hoeveel jaar Jozef bij Potifar was en hoeveel jaar hij in de gevangenis was: 10 jaar of 12 jaar. De Seder Olam Rabbah (2e eeuw n. Chr.) en Shemos Rabbah (11e eeuw n. Chr.) houden het op 12 jaar, terwijl Pirqei deRebi Eliezer (3e eeuw n. Chr.) meldt dat de duur 10 jaar was. In het laatste geval zou hij Potifar 3 jaar hebben gediend voordat het incident met de vrouw van Potifar plaatsvond. Drie jaar lijkt ons aannemelijker voor een man als Jozef om zo’n hoge positie in het huis van Potifar toegewezen te krijgen, dan een periode van 1 jaar zoals de 2 andere bronnen uit de Talmoed veronderstellen.
Wel wijzen wij erop dat wij in Ps. 105:18 lezen dat Jozef wel echt een gevangene was, want er staat ‘Zij klemden zijn voeten in boeien, zijn ziel kwam in ijzer vast te zitten. Tot de tijd dat zijn woord uitkwam, heeft het spreken van de HEERE hem gelouterd.’ Het was geen makkelijke tijd. Het was geen makkelijke tijd. Jozef noemt zijn tweede zoon Efraïm, want, zei hij: “GOD heeft mij vrucht gegeven in het land van mijn verdrukking.” (‹Gen. 41:52›).
Oriëntaals Instituut Istanboel - Beeld van Smyrna rond 1830 (...)
Informatie: Smyrna is het tegenwoordige Izmir, in het zuidwesten van Turkije. Smyrna was een havenstad aan de westkust van Asia of Klein-Azië bij een baai aan de Middellandse Zee, waarin de rivier de Hermus uitmondde. Het was een goed beschermde haven die door de Hermusvallei een goede toegang tot de binnenlanden bood. Smyrna had al vroeg het nodige te verduren. In 627 v. Chr. werd de stad verwoest door de Lydiërs en drie eeuwen lang was het niet veel meer dan een dorp. In het midden van de 4e eeuw v. Chr. werd het opnieuw opgericht, nadat Alexander de Grote Sardis had veroverd. Het werd de belangrijkste stad van Asia. Smyrna was zich ervan bewust dat Rome de opkomende macht was en samen met Rome verenigden zij zich rond het eind van de 3e eeuw v. Chr. tegen Antiochus III de Grote van Syrië (‹241 - 187 v. Chr. - Seleucus IV Philopator en Antiochus IV Epiphanes waren zonen van hem. De laatste zou de Tempel in Jeruzalem vreselijk onteren›). Smyrna was een goed bruggehoofd voor de opmars van de Romeinen in oostelijke richting en het lag ook op een geschikte plaats om de macht van Rhodes in de Aegeïsche Zee te weerstaan.
Smyrna bouwde de tweede tempel in Asia voor de keizer. De stad had Rome vanaf 195 v. Chr. vereerd als een geestelijk macht en Smyrna was trots op haar keizercultus. Smyrna was beroemd om zijn wetenschap, medicijnen en om de indrukwekkende ring van gebouwen met zuilengangen die als een kroon, een erekrans, op de top van de berg Pagos prijkte. De brief van Jezus Christus aan Smyrna spreekt in vs. 10 van de krans van het leven als een tegenbeeld hiervan. Polycarpus, een leerling van Johannes, was na Johannes de geestelijk leider van de gemeente in Smyrna. In 155 n. Chr. stierf hij de marteldood.
In Izmir is altijd een duidelijke Joodse bevolkingsgroep geweest en er waren diverse synagoges. Rond 1868 waren er nog wel zo’n 40.000 Joden. Momenteel zijn er nog ongeveer 2500 Joden op een stadsbevolking van ongeveer 2,5 miljoen mensen. Er zijn nu rond 2020 nog verschillende synagoge gebouwen in Izmir: de grote Bet-Israël synagoge en de Sha’ar ha-Shamayin synagoge in de wijk Alsancak., Etz Hayim (‘boom van het leven’ synagoge, e.a. Een enkele is nog in gebruik, andere zijn museum geworden. Er werd rond 2020 ook een winkel van het Turkse Bijbelgenootschap in Smyrna gevestigd.
3. Pergamus: Dit zegt Hij, die het tweesnijdende, scherpe zwaard heeft ... (‹Op. 2:12-17›)
Voor: Ik weet waar je woont, daar waar de troon van de satan is, en jij houdt vast aan mijn Naam en hebt het geloof in Mij niet verloochend. En in de dagen, waarin jij streed, en ook mijn getrouwe getuige, voor al mijn trouwe getuigen, werd hij bij jullie gedood ...
Tegen: Maar Ik heb enkele dingen tegen je, want er zijn sommigen bij jou die vasthouden aan de leer van Bileam, die aan Balak leerde om een struikelblok voor de voeten van de zonen van Israël te werpen, zodat zij van de afgodenoffers zouden eten en hoereren. Zo zijn er daar bij jou ook sommigen die vasthouden aan de leer van de Nikolaïeten.
Oproep: Bekeer je!
Waarschuwing: Zo niet, dan zal Ik meteen naar je toe komen en tegen hen strijden met het zwaard van mijn mond.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Belofte: Wie overwint, zal Ik geven van het verborgen ‘manna’ en Ik zal hem een witte kiezelsteen geven en op de kiezelsteen zal een nieuwe naam geschreven zijn die niemand kent dan wie hem ontvangt.”
Notitie: In de Romeinse wereld waarin de apostel Johannes leefde, was de witte steen een bekend begrip, want die was o.a. een teken van vrijspraak voor de rechter, maar ook een toegangsbewijs, een ‘tessera’, voor armen bij belangrijke sociale evenementen. Op deze witte kiezelsteen zal een nieuwe naam geschreven staan voor de overwinnaar, zoals Jezus Christus, de grote Overwinnaar, ook een nieuwe Naam ontvangt als wij Op. 3:12 goed begrijpen. De ‘witte kiezelsteen’ vormt overigens een schril contrast met de zwarte steen van de Ka’aba in Mekka waarop de ogen van heel de mannelijke islamitische wereld op zijn gericht. Dit is geen toeval, zoals het ook geen toeval is dat de islamitische wereld haar tegenwoordige macht in materieel opzicht te danken heeft aan de zwarte olie, het zwarte goud, uit de aarde. De Gemeente van Jezus Christus echter drinkt van het Levende Water uit de hemelse Levensbron. De twee tegengestelde ‘werelden’ hebben geen gemeenschap met elkaar, zoals Licht geen gemeenschap heeft met het duister (‹2 Kor. 6:14›).
Oude Testament: zoals er toen waren die vasthielden aan de leer van Bileam die Balak leerde om ... , zo zijn er ook nu (in de NT-ische tijd) die vasthouden aan de leer van de Nikolaïeten. Bij Efeze, de eerste gemeente lazen wij al over de werken van de Nikolaïeten, maar nu lezen wij in Op. 2:14, 15 over ‘de leer van de Nikolaïeten’, wat er op wijst dat hun invloed vastere vormen had aangenomen en tot een leer was uitgegroeid.
Men verbindt deze werken en deze leer wel met Nikolaüs, een Jodengenoot uit Antiochië, die tot de 7 dienaren van de nieuwe Gemeente in Hd. 6:5 behoorde. Hij zou later op een verkeerd spoor terecht zijn gekomen en een verkeerde invloed zijn gaan uitoefenen. Irenaeüs van Lyon (‹140-202 n. Chr.›) was deze mening toegedaan, maar hij had geen ander argument dan de overeenkomst in naam. Hippolytus van Rome (‹170-235 n. Chr.›) volgde hem hierin. Heel duidelijk bewijs voor de gedachte dat de leer van de Nikolaïeten verbonden was met Nikolaüs, de dienaar van de eerste gemeente, ontbreekt dus en taalkundig lijkt de verbinding tussen ‘Nikolaüs’ en ‘Nikolaïeten’ zowel in het Aramees als in het Grieks niet helemaal te kloppen.
Vanuit het Griekse NT brengt men naar voren dat de naam ‘Nikolaïeten’ een samengestelde naam is: het eerste deel van de naam is νικᾁ, (‹‘nika’ - overwinnaar of veroveraar of overwinning b.v. in 1 Kor. 15:54›) en λαον (‹‘laos’ - volk›). Het Griekse woord zou dus betekenen ‘overwinnaar over het volk’ . Zo heeft men in de leer van de Nikolaïeten wel de dwaalleer van de scheiding tussen priesters en leken gelezen. Het is zeker dat deze dwaalleer geleid heeft tot een erg formele en hiërarchische structuur in de Gemeente van Jezus Christus die haar en haar leden steeds meer overleverde aan bestuurlijke en politieke krachten in plaats van bij te dragen aan de opvoeding van haar en haar leden in een persoonlijke en gemeenschappelijke relatie met de Here Jezus Christus, als zijnde zijn Lichaam. Door de naam ‘Nikolaïeten’ zo uit te leggen komt er zeker een groot kwaad in beeld dat de Gemeente van Jezus Christus enorm zou uithollen. Toch is dit niet het gevaar waar Jezus Christus op doelt in zijn brief aan Pergamus, want in de leer van Bileam gaat het niet over dit gevaar, maar over een heel ander gevaar, dat beschreven wordt in het Oude Testament.
Uit Op. 2:14, 15 weten wij dat de leer van de Nikolaïeten een leer was van afgoderij en hoererij, die zich kennelijk vermengde met de christelijke leer, zoals het volk Israël zich met de Moabieten vermengde, met hun goden en met hun vrouwen (‹Numeri 25:1-19›). Wij worden in Op. 2:14 in dit verband herinnerd aan Bileam (‹zie Num. 22-25›), van wie de naam ‘verslinder van het volk’ betekent of ‘niet van het volk’. Wij menen dat Op. 2:15 de lijn doortrekt van de tijd van Bileam naar de tijd van de zeven gemeenten tot wie Jezus Zich richt in Op. 2 en 3. We lezen: ’Zo heb jij er ook die vasthouden aan de leer van de Nikolaïeten!’ Het woordje ‘zo’ in Openbaring 2:14 verwijst naar de woorden over Bileam. Het woord ܢܺܐܩܽܘܠܺܝܛܶܐ, ‘niqūlitē’ in de Peshitta zou in twee delen gesplitst kunnen worden nl. (‹1›) in ‘niqū’, een woordje dat qua basisletters lijkt te wijzen in de richting van het Aramese woord voor ‘plengoffer’ en verband zou kunnen houden met ‘uitgieten’, en (‹2›) ‘litē’ dat grammaticaal verband houdt met de betekenis ‘vloek’ of ‘vervloekt’. Hoewel wij in taalkundig opzicht een slag om de arm moeten houden of deze twee betekenissen werkelijk bedoeld zijn, is het wel zo dat dit twee zinnige betekenissen oplevert i.v.m. de gebeurtenissen met Bileam, die immers door Balak uitgenodigd werd om het volk Israël te vervloeken, m.a.w. om een vloek over het volk uit te gieten. De waarschuwing zou er dus overgaan dat er mensen in de gemeente actief zijn die een vloek over de gemeente brengen door hen tot zonde te verleiden.
Het verborgen ‘manna’ bepaalt onze gedachten bij de 40-jarige tocht van het volk Israël door de woestijn na de uittocht uit de slavernij in Egypte. Gedurende die tocht werd het volk door God gevoed met het ‘manna’ dat uit de hemel viel en geschikt was als voedsel voor die dag of voor die dag en de daar op volgende sabbatdag. Dat ‘manna’ moesten zij elke dag opnieuw oprapen. Het ‘manna’ hield op uit de hemel te komen, toen het volk het beloofde land Kanäan binnentrok en van de opbrengst van het land had gegeten. Jezus zegt van Zichzelf dat Hij het levende Brood is, dat uit de hemel neerdaalt, en dat wie daarvan eet, geen honger meer zal hebben (‹zie Ex. 16, Joz. 5:12 en Jh. 6:22-59›).
Volgens 2 Makkabeeën 2:4-7 was er ten tijde van de verwoesting van de Tempel van Salomo een kruik ‘manna’ in de berg Nebo verborgen om daar te blijven liggen tot de komst van de Messias. Dan zou ook Jeremia weer verschijnen en om de Kist (‹de Ark›) plus haar inhoud terug te brengen naar de nieuwe Messiaanse Tempel in Jeruzalem. Deze leer lijkt overigens in strijd met de woorden van Jer. 3:16 dat er in de toekomst niet meer aan de Kist (‹de Ark waarin het manna lag›) gedacht zal worden. Maar in ieder geval waren de Joodse christenen bekend met de uitdrukking ‘verborgen manna’ en verbonden zij die met de Messiaanse tijd en de komst van de Messias. Een andere Joodse traditie spreekt van een in de hemel verborgen manna op grond van de woorden uit Ps. 78:25 waar wij lezen over ‘brood van de engelen’, dat tijdens het messiaanse koninkrijk zou neerdalen om de gelukkigen te voeden.
Samenvatting: de brief aan Pergamus toont Jezus Christus met het tweesnijdende scherpe zwaard, d.w.z. als Strijder! En dat stemt overeen met het feit dat er in Pergamus ook een strijd was en er was al een getuige gedood. Maar er was ook een andere strijd, namelijk in de harten van de gelovigen die niet standvastig zijn en zich laten verleiden tot (lichamelijke en geestelijke) hoererij en tot afgoderij. Want Pergamus wordt gewaarschuwd voor dat wat er gebeurde in de dagen van Bileam. De OT-ische waarschuwing wordt doorgetrokken naar de NT-ische periode die is aangebroken. De waarschuwing geldt niet alleen voor de kleine gemeente in Pergamus, maar ook voor de christenheid, want in het instituut ‘kerk’ zowel in oost als in west, zou men het al vlug licht nemen in zedelijk en geestelijk opzicht en zou de reine maagd die Christus in de Gemeente op het oog heeft al vlug langdurig en grondig bezoedeld worden. Het begint bij enkelingen, maar het kwaad breidt zich vlug uit over alle gelovigen, daarom moeten zij het afglijden niet toestaan. De beproeving is begrijpelijk, want de gemeente in Pergamus verkeert in de plaats waar de troon van de satan staat. Juist daarom dienden zij zich des te meer rein van de wereld te bewaren. Als zij zich niet zouden bekeren, zou het zwaard onvermijdelijk komen!

De acropolis van Pergamus gezien vanaf de Via Tecta bij de ingang van de Asklepion (‹foto 13 maart 2007 - CC BY-SA 2.0›)
Informatie: Pergamus was een stad in Mysië in de vallei van de Caicus rivier, die tegenwoordig Bakırçay heet. De stad ligt ongeveer 25 km. landinwaarts. De ligging was strategisch en Pergamus was dan ook de hoofdstad van het gebied, totdat de laatste koning van Attaliden de oude hoofdstad, die een centrum van hellenistische (Griekse) cultuur was, rond 133 v. Chr. achterliet voor de Romeinen. De overdracht vond vreedzaam plaats. De stad was in 1000 v. Chr. gesticht en was net als Alexandrië onder meer bekend om zijn enorme bibliotheek met 200.000 perkamentrollen, de op één na grootste bibliotheek van de wereld van die tijd, totdat Marcus Antonius alle boeken rond 41 v. Chr. meenam naar Egypte als een geschenk voor koningin Cleopatra. De naam Pérgamus leeft voort in het woord ‘perkament’ dat hier gefabriceerd werd, als reactie op het Egyptische exportverbod voor papyrus. De bewoners waren er namelijk in geslaagd om van dierenhuiden beschrijfbare perkamentvellen te maken. Daarnaast was het in de tijd van de apostel Johannes een bekend modecentrum en een zetel van cultuur en geleerdheid. Er waren ziekenhuizen en er was ook een medische universiteit.
Pergamus werd de belangrijkste stad van de provincie Asia. De eerste tempel van de keizercultus werd hier in 29 v. Chr. opgericht, als eerbewijs aan Rome en keizer Augustus. Een tweede heiligdom werd later opgericht voor keizer Trajanus, iets wat typerend was voor het prestige dat Pergamus in Asia had. De verering van Asklepius was met deze plaats verbonden. Asklepius werd afgebeeld met een staf in de ene hand en terwijl de andere hand rustte op de kop van de slang. Hij was de afgod van de geneeskunde en van de genezing. De ‘esculaap’, de afbeelding van een om een staf gekronkelde slang, is een symbool voor artsen en het is ook onderdeel van de vlag van de Wereld Gezondheids Organisatie van de VN, de WHO. De munten van Pergamus tonen hoe belangrijk deze cultus in de stad was. De zieken, die in de tempel van Asklepius sliepen en daar in de nacht door een ongevaarlijke slang werden aangeraakt, beschouwden dit als een goddelijke aanraking. Er gebeurden wonderbare genezingen in de tempel van Asklepios en zo ook wanneer Asklepios in processie door de stad werd gedragen. Men vertelde zelfs dat er doden opgewekt werden. Wanneer de priesters met Asklepios in een processie door de stad trokken, raakten zij in extase, spraken in orakels, profeteerden en spraken zelfs in tongen. Hier gebeurden wonderen in de naam van Asklepius. Ook satan kan wonderen doen en genezing schenken. De processies die hier gehouden werden, komen wij later in de kerk opnieuw tegen. Het ‘esculaapteken’ wordt nu nog steeds gebruikt in de medische wereld. Weliswaar roept het esculaapteken de herinnering op aan de woorden die God tot Mozes spreekt in Num 21:8 “En de HEERE zei tegen Mozes: “Maak een vurige slang en zet die op een paal. Het zal gebeuren dat ieder die gebeten is en daarnaar kijkt, zal leven.” , maar wie dat teken verzelfstandigd en het losmaakt van het Evangelie van Jezus Christus die in zijn lichaam de satan aan het kruis oordeelde en overwon, om vervolgens eeuwig Leven aan het Licht te brengen door zijn opstanding uit de doden, zal hoogstens tijdelijke vreugde vinden, maar voor eeuwig verloren gaan.
Pergamus was ook een centrum van de verering van de afgod Zeus wat tot uitdrukking kwam in een troonvormig altaar voor Zeus dat op een steil rotsmassief bij de stad stond en dat nu in het Berlijns Museum staat. In Openbaring 2:13 zegt Jezus dat de troon van de satan in Pergamus staat. Men sprak van Zeus, de Redder. Het is dan ook geen wonder dat het eerdergenoemde Nikolaïtisme bloeide in Pergamus. De wereldse en demonische druk in het dagelijks leven moet zeer benauwend geweest zijn voor de gemeente in Pergamus.
4. Tyatira: Dit zegt de Zoon van GOD, die ogen heeft als vuurvlammen en voeten als koper uit Libanon ... (‹Op. 2:18-29›)
Voor: Ik ken je werken, je liefde, je geloof, je dienstbetoon en je volharding en Ik weet dat je latere werken meer zijn dan de eerste.
Tegen: Maar Ik heb veel tegen je: dat jij je vrouw Izebel haar gang laat gaan, die van zichzelf zegt dat zij een profetes is en mijn dienaren leert en verleidt om te hoereren en afgodenoffers te eten. Ik heb haar tijd gegeven voor berouw, maar zij wil zich niet bekeren van haar hoererij. Zie, Ik zal haar op een ziekbed werpen en degenen die overspel met haar plegen, zal Ik in grote verdrukking brengen, tenzij zij berouw hebben van hun daden. Haar kinderen zal Ik ter dood brengen en alle gemeenten zullen weten, dat IK het ben die nieren en harten doorzoek en Ik zal ieder van jullie geven naar jullie werken.
Aanmoediging: Maar tegen jullie en ook tegen de overigen die in Tyatira zijn - dat wil zeggen tegen allen die deze leer niet hebben en die niet ‘de diepten van de satan’, zoals zij dat zeggen, gekend hebben - zeg Ik: Ik leg jullie geen andere last op! Maar wat jullie hebben, houd dat vast, totdat Ik kom.
Belofte: Wie overwint en mijn werken blijft behartigen, zal Ik macht geven over de volken om hen te hoeden met een ijzeren staf, en jullie zullen hen verbrijzelen als kruiken van een pottenbakker. Zo heb Ik het ook van mijn Vader ontvangen en Ik zal hem de morgenster geven.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Oude Testament: met de naam van de vrouw Izebel worden wij bepaald bij de tijd van het verval van het koninkrijk van Israël, want door Izebel nam de afgoderij erg toe. Zij was de dochter van Et-Baäl, de koning van de Sidoniërs (‹1 Kn. 16:31-33›), die Foeniciërs waren, en van wie het woongebied westelijk van de hoge Libanon aan de Middellandse Zee lag. Het moet wel iets te zeggen hebben dat in vers 1 de Zoon van God beschreven wordt met voeten als koper uit Libanon en met ogen als vuurvlammen: de gemeente in Tyatira moest onderworpen worden aan een intense loutering. Koper is een vuurbestendig metaal, daarom was het altaar in de Tempel ook van koper. De voeten van de Zoon van God zijn als gelouterd koper, witheet, gloeiend, verhit in een oven, lezen wij in Op. 1:15. Daar moest de gemeente in Tyatira maar eens goed naar kijken. Was er in haar ook iets te vinden van dat gelouterde koper in de levens van de gelovigen?
Wij lezen veel over Izebel en haar man Achab in 1 Kn. 16-22 en 2 Kn. 9, 10. Kenmerken van deze vrouw Izebel zijn: (1) haar heerszucht over haar man, de mensen en de Baälpriesters. Zij manipuleert hen en heerst over hen en zij gaat over lijken, zoals blijkt uit de geschiedenis van de wijngaard van Nabot; (2) haar rebellie en strijd tegen God, die vooral tot uiting komt in haar meedogenloze optreden tegen Gods profeet Elia. Zij is jaloers en naijverig en vol haat tegen de profeet van God; (3) haar geestelijke hoererij wordt gevormd door de Bäalafgoderij, die in schril contrast staat tot de woorden in Mt. 5:8 die de reinen van hart gelukkig prijzen; (4) zij was als dochter van Et-Baäl vergaand betrokken bij allerlei occulte invloeden en toverij; (5) zij was een valse profetes en voor de invloed van een dergelijk persoon worden wij o.a. in 1 Jh. 4:1 gewaarschuwd; (6), zij bekeerde zich niet, zelfs niet na de gebeurtenissen op de berg Karmel waarin Gods verhevenheid boven alle goden zo overtuigend werd getoond.
Kennelijk was er in de gemeente van Tyatira een getrouwde vrouw (‹want de HEERE spreekt van ‘je vrouw’, d.w.z. ‘jouw vrouw’, wat erop wijst dat zij gehuwd was met een man en waarschijnlijk met een leider in de gemeente›), die aangeduid wordt als Izebel, die voorgaf dat zij een profetes was, maar de gelovigen tot zonde aanzette en ze afvoerde naar wat genoemd wordt ‘de diepten van de satan’. ‘Haar kinderen’ zullen door God gedood worden, wat meestal wordt opgevat als ‘haar volgelingen’, maar zeker is dat niet, zoals ook de zeventig zonen van Achab die gedood werden, eigen kinderen waren, waaronder mogelijk ook kleinkinderen (2 Kn. 10:6, 7).
Samenvatting: de gemeente van Tyatira kent een kleine groep gelovigen die door Jezus Christus op het hart wordt gedrukt om vast te houden wat zij hebben. Eigenlijk is er veel goeds in deze gemeente, want er is geestelijke groei, want hun latere werken van liefde, geloof, dienstbetoon en volharding zijn meer dan de eerste. Maar ze laten een vrouw haar gang gaan, die de leer en werken van Bileam onderwijst, nl. hoererij en afgoderij, zoals wij daar al over lazen in de brieven aan de gemeente in Efeze. We dienen te bedenken dat de plaatsen van de zeven gemeenten in geografisch opzicht allemaal dichtbij elkaar liggen en wederzijdse beïnvloeding ligt dus voor de hand. De kleine gevaarlijke groep in Tyatira wordt heel streng door Jezus Christus gewaarschuwd. Als zij zich niet bekeren zal er een zeer ernstige tuchtiging van de Here Jezus Christus Zelf komen, tenzij de gemeente ingrijpt en de betrokkenen zich bekeren. De gelovigen dienen de zondaren onder hen te waarschuwen, anders treft hun ook blaam (‹zie Ez. 33›). Als dat hen lukt en de prijzenswaardige werken blijven, dan is er een grote belofte nl. dat zij dan macht zullen ontvangen over de volken, over de ‘Moabieten’ en de ‘Midianieten’ om het in de termen van de Oudtestamentische geschiedenis te zeggen: zij zullen macht ontvangen over de volken die hen willen wegleiden van de ware God, Jezus Christus, omdat zij Hem trouw zijn en dienen.
De geschiedenis van de NT-ische christenheid kent ook een ‘Izebel’, want in de geschiedenis van de kerk zijn er ook vrouwen geweest, die onder het oog van mannen de kudde meevoerden in onzedelijkheid en afgoderij en dat is nog steeds een voorkomend kwaad. Zo wordt de periode van 870 tot 1050 beschouwd als de donkerste in de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk: omkoperij, onzedelijkheid en bloedvergieten. De periode vanaf omstreeks 904 - 963 n. Chr. was ‘de periode van hoeren’, waarin pausen het met vrouwen hielden en deze vrouwen op hun beurt het pausdom met hun intriges en door de immoraliteit van de kinderen uit deze hoererijen verder naar de rand van de afgrond voerden. Als de Gemeente van Jezus Christus zich onttrekt aan deze verleidingen die uit de volkerenwereld op haar afkomen, niet alleen in die periode van de kerkgeschiedenis waar we net over schreven, maar in alle tijden en dus ook nu, dan zal Jezus Christus haar macht geven over de volken om hen te hoeden met een ijzeren staf.

De stad Tyatira in Klein-Azië - fotgrafische reproductie van een schets van Robert Walsh & Thomas Allom 1836 (‹Publiek Domein›)
Informatie: Tyatira was een stad in de provincie Asia, grenzend aan Lydië en Mysië. Deze Oud-Griekse stad heette oorspronkelijk ‘Pelopia’ (‹Oudgrieks: Πελοπία - Pelopía›) en werd tijdens het Hellenistische tijdperk in 290 v. Chr. door koning Seleucus I Nicator hernoemd tot Tyatira (‹Θυάτειρα - Thyáteira›). Seleucus I Nicator was in een oorlog verwikkeld met Lysimachus toen hij hoorde dat zijn vrouw van een dochter was bevallen. Volgens Stefanus Byzantius hernoemde hij daarop deze stad tot ‘Thyateira’ naar het Griekse woord θυγατήρ, θυγατέρα (thygatēr - thygatéra), dat ‘dochter’ betekent, maar het is waarschijnlijker dat het een oudere, Lydische naam was.
Er is niet zoveel bekend over de stad, maar muntenvondsten wijzen erop dat de stad eeuwenlang een garnizoensstad was. De stad lag aan een belangrijke route die twee rivierdalen met elkaar verbond. De Anatolische afgod van de stad was een soort krijger gewapend met een bijl, gezeten op een strijdpaard. Een enkele munt toont een godin die een kroon draagt met kantelen. De stad was een handelscentrum en uit historische documenten blijkt dat er meer vakgilden waren dan overal elders in Asia: wolbewerkers, linnenbewerkers, makers van gewaden, textielververs (‹purper›), leerbewerkers, leerlooiers, pottenbakkers, bakkers, slavenhandelaren en bronssmeden. Tijdens de Romeinse periode (1e eeuw n.Chr.) stond de stad bekend om haar textielverfindustrie en was de stad een handelscentrum voor paarse, purperkleurige textiel. Tussen de oude ruïnes van de stad zijn inscripties gevonden met betrekking tot het gilde van de textielververijen in de stad. Lydia, de vrouw die Paulus leerde kennen in de stad Filippi in Macedonië (‹Hd. 16:14›), was een purperverkoopster uit deze stad. Het purper waseen product van de ‘meekrap’ (‹rubia tinctorum›).
In deze handelsstad was men wel bijna genoodzaakt om lid te zijn van een gilde. Het kan zijn dat dit christenen voor moeilijke keuzes plaatste, wilden zij hun geloof niet compromitteren en bezoedelen.
In het Osmaanse rijk werd de plaats ‘Ak-Hissar’ genoemd, d.w.z. ‘witte burcht’. Rond 1870 was daar een christengemeente van enige honderden zielen. De stad ligt ongeveer 80 kilometer verwijderd van de Egeïsche Zee.
5. Sardis: Dit zegt Hij die de zeven Geesten van GOD heeft en de zeven sterren ... (‹Op. 2:18-29›)
Voor: ... Jezus Christus heeft geen goed woord over voor deze gemeente, maar Hij ziet wel sommigen onder hen die hun kleren niet bezoedeld hebben - vs. 4
Tegen: Ik ken je werken en dat je de naam hebt, dat je leeft, maar je bent stervend.
Oproep: Wees waakzaam en bewaar wat er nog over is, dat wat jij op het punt stond te laten sterven, want Ik heb je werken niet vol bevonden voor GOD.
Waarschuwing: Denk eraan, hoe je het gehoord en ontvangen hebt, schenk er aandacht aan en bekeer je. Als je niet wakker wordt, zal Ik je overvallen als een dief en je zult niet weten op welk uur Ik je overvallen zal.
Aanmoediging: Maar Ik heb enkele namen in Sardis, namelijk zij die hun kleren niet bezoedeld hebben, en zij wandelen vóór Mij in het wit, omdat zij het waardig zijn.
Belofte: Wie overwint, zal zo met witte kleren bekleed worden en Ik zal zijn naam niet uitwissen uit de Boekrol van het Leven, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Oude Testament: in de brief aan Sardis komt net als in de brief aan Smyrna geen enkele Oudtestamentische naam voor, zoals Bileam of Izebel. Ook is geen herkenbaar Oudtestamentisch beeld in te vinden, zoals de Boom van het Leven. Als wij ervan uitgaan dat er toch een soort OT-ische chronologische lijn door de zeven brieven in het boek Openbaring heen getrokken wordt, dan zou het na de naam Izebel niet vreemd zijn als onze gedachten bepaald zouden worden bij het volk Israël in ballingschap met onder hen Daniël en zijn drie vrienden Sadrach, Mesach en Abed-Nego, die in brandende oven rondlopen zonder dat ook maar één haar van hun hoofd verschroeit en zonder dat ook maar één enkel draad van hun kleren aangetast wordt (‹zie Dan. 3:1-30, in het bijzonder vs. 27›). Het volk van God is stervende en er is geen berouw of bekering. Daarom wordt het nog erger en zullen na de herbouw, de herbouwde Tempel en stad Jeruzalem in 70 n. Chr. verwoest en verbrand worden en twintig eeuwen zal het volk verstrooid worden onder de volken. Maar enkelingen zullen onder hen rondlopen in een reine geestelijke gewaden.
Samenvatting: de gemeente van Sardes denkt hoog van zichzelf, maar zij staat voor de diepe afgrond van de dood. Een oproep om te denken aan het horen en ontvangen van de Wet en de Profeten en om zich te bekeren is noodzakelijk en de oproep wordt dan ook door de HEERE Jezus Christus gedaan. De oproep gaat gepaard met een ernstige waarschuwing. Er is nog toekomst, men kan nog ingeschreven worden in de Boekrol van het Leven, in plaats van geestelijk te sterven. Er is nog tijd om werken te doen die aan bekering beantwoorden, maar dan dient men zich wel te bekeren.
Als wij Sardis in de geschiedenis van de NT-ische Gemeente van Jezus Christus plaatsen rond de tijd van de Reformatie, dan zien wij wel enkelingen opstaan en de prijs betalen voor hun geloof op de brandstapel en onder de handen van de inquisitie. Enkelingen zijn het, maar toch geen onbeduidende groep. De tijd van de gemeente Filadelfia, de wereldwijde verbreiding van het Evangelie van Jezus Christus is nog niet aangebroken. Het lijkt erop dat christenen in de tijd van de Reformatie nog te hoog van zichzelf dachten en geen vrucht voortbrachten die aan bekering beantwoordde.

Byzantijnse kapel van eind 4e eeuw n. Chr. tussen de resten van een Artemis tempel in Sardis (CC BY-SA 2.0)
Informatie: Sardis, ook wel Sardes genoemd (de naam houdt misschien verband met de Hebreeuwse plaatsnaam ‘Sefarad’ - zie EBV - Obadja 1:20 - vandaar de naam ‘Sefardische Joden’, d.w.z. Joden uit Spanje), lag enkele tientallen kilometers landinwaarts vanaf de Middellandse Zee in wat nu West-Turkije is, ongeveer 10 km ten westen van Salihli bij het tegenwoordige dorpje Sart. Het was de hoofdstad van het oude koninkrijk Lydië en het lag middenin de Hermusvallei, zo genoemd naar de rivier de Hermus, die er doorheen stroomt en die tegenwoordig Gediz Nehri, dat is Gediz Rivier wordt genoemd, afgeleid van de Lydische naam ‘Cadys’. De rivier stroomt van oost naar west zo’n 10 km ten noorden van Sardis en mondt uit in de Aegeïsche Zee. Anderen zoals K&D geven er de voorkeur aan om de naam Sefarad te verbinden met de naam van het Griekse Sparta, genoemd in 1 Makkabeeën 14:16, 20, 23; 12:2, 5, 6.
Ongeveer 50 km. ten zuidwesten van Sardis ligt de tegenwoordige Tmolusberg, waarop de rivier de Pactolus ontspringt, die in noordoostelijke richting bergafwaarts naar Sardis stroomt, door de oude ruïnes van Sardis heengaat en uitmondt in de Gediz rivier die over een afstand van zo’n 10 km noordelijk langs de stad stroomt. De tegenwoordige Turkse naam voor de Pactolus is Sart Çayı. In het water van de Pactolus zat vroeger ‘electrum’, een mengvorm van goud en zilver, dat de spil was van de economie van het oude Lydië, want de eerste munten van Lydië onder Alyattes van Lydië waren een mengsel van goud en zilver. De geschiedkundige Herodotus beweerde, dat het goud in het bezinksel van de rivier de Pactolus de hoofdbron was van de weelde van koning Croesus, de zoon van Alyattes. De legende zegt dat de beroemde koning Midas van Frygië zijn befaamde ‘gouden vingers’, waarmee hij alles wat hij aanraakte in goud veranderde, verloor toen hij zich een keer in de Pactolus rivier baadde en al het zand van de rivier in goud veranderde en deze rivier een goudbron werd. De spreekwoordelijke rijkdom van de stad (‹de uitdrukking is ‘zo rijk als Croesos’ - zie hierna›) was echter ook gelegen in zijn strategische positie tussen Ionië en Anatolië. Alle karavanen en handelaars passeerden dit strategische knooppunt en zo werd Sardis dan ook al gauw een stad, waar Griekse en Oosterse rijkdommen overvloedig aanwezig waren. Ook de wol- en tapijtverfindustrie in de stad vormde een bron van grote rijkdom. De Hermusvlakte was een natuurlijke corridor tussen de Ionische steden in Klein-Azië en Anatolië.
De stad is volgens Herodotos gesticht door de dynastie van de Herakliden, de oorspronkelijke koningen van Lydië. De laatste koning van deze dynastie was Kandaules die vermoord werd door Gyges. Gyges werd de stichter van de dynastie van de Mermnaden. Onder zijn leiding werd Lydië een sterke mogendheid die ook vele Ionische (Griekse) steden domineerde. Zijn citadel werd onneembaar geacht. De laatste koning van de Mermnaden was Croesos. Volgens de geschiedkundige Herodotos was hij fabelachtig rijk en ook was hij de ‘uitvinder’ van de geslagen munt. Opgravingen van half gouden, half zilveren munten wijzen erop dat Sardis hierin inderdaad voorop liep (‹later zou Sardis bekend worden om de uitvinding van het proces om zilver en goud van elkaar te scheiden, zodat sindsdien gesproken kon worden van zuivere gouden en zuivere zilveren munten›). Koning Croesos werd na een overmoedige aanval op het Perzië van Cyrus de Grote verslagen. Dit betekende het einde van de dynastie van de Mermnaden rond 547 v. Chr.
Sardis werd vervolgens de hoofdstad van de Perzische satrapie Lydië. Sardis was via de Perzische koningsweg verbonden met onder andere Susa en Persepolis in Iran. In de Hellenistische en Romeinse tijd was Sardis, hoewel vaak in oorlog betrokken, nog steeds een belangrijk administratief en handelsknooppunt. Na de dood van Alexander de Grote in 323 v. Chr. kwam Sardis onder de invloedssfeer van de Seleuciden, die bij de Griekse generaal Seleucus hoorden. Van hen kreeg Sardis het statuut van een Griekse stadstaat met veel autonomie. Sardis was nog steeds één van de rijkste steden in Klein-Azië. Tijdens de heerschappij van de diadochen, de vier generaals die het rijk van Alexander de Grote overnamen, vergriekste Sardis. Ook werd de Joodse gemeenschap, die hier al sinds de 5e eeuw v. Chr. woonde, veel groter toen er Joodse veteranen geplaatst werden. Sardis werd in 213 v. Chr. vernietigd door de Seleucidische Antiochus III de Grote tijdens een intern Seleucidenconflict, maar de stad werd herbouwd naar hellenistisch patroon. Het nabijgelegen koninkrijk Pergamus met Rome als bondgenoot, versloeg Antiochus III, waarna Sardis opging in het koninkrijk Pergamus. Maar de Pergamese dynastie stierf uit en de laatste koning schonk het grondgebied in 133 v. Chr. aan de Romeinse Senaat.
Flavius Josephus schrijft over een verordening van rond 49-50 n. Chr. afkomstig van Lucius Antonius, een Romeinse functionaris, waarin hij de rechten van de Joden bevestigt om op ‘hun eigen plaats’ (‹bedoeld wordt een synagoge›) samen te komen, (‹Antiquities of the Jews, XIV:10, 17). Flavius Josephus merkt ook op dat Caius Norbanus Flaccus, een Romeinse proconsul aan het eind van de 1e eeuw v. Chr. de rechten van de Joden in Sardis erkende om hun eigen godsdienst te onderhouden, met inbegrip van het doen van schenkingen voor de Tempel in Jeruzalem (‹Ant., XVI:6, 6›). De synagoge in Sardis was indrukwekkend voor die tijd, zo blijkt uit de opgravingen van de 20e eeuw, met als grote vondsten: de Lydische marktplaats, de Lydische grafheuvels in Bin Tepe (Turks voor 1000 heuvels), het grote gymnasium met de Joodse synagoge, de tempel van Artemis, met een Byzantijnse kapel die er later tussenin kwam te staan (zie de afbeelding hiervoor).
Onder de Romeinen verloor Sardis zijn plaats als administratief centrum aan Efeze, maar het bleef wel een belangrijk regionaal centrum, onder andere als juridische hoofdplaats. De Joodse gemeenschap was er zeer machtig en hieruit ontstond later ook een belangrijke christelijke gemeenschap, zoals de brief in Openbaring duidelijk toont. Maar leunde deze gemeente misschien teveel op haar vleselijke Joodse identiteit in de schaduw van de aanzienlijke Joodse gemeenschap, wilden zij liever roemen in het vlees dan vervolgd worden om de Naam van Christus. Het is niet bekend wat er precies aan de hand was, maar de brief toont dat de gemeente geestelijk gezien stervende was.
In 17 n. Chr. werd Sardis getroffen door een zware aardbeving, die grote delen van de stad in puin legde. Keizer Tiberius schonk 10.000.000 sestertiën voor de wederopbouw van de stad. Sardis bleef een belangrijk knooppunt voor handel tot in de 6e eeuw n. Chr., maar vanaf die tijd ging het echter, zowel in politiek opzicht als in bevolkingsaantal langzaam bergafwaarts. Het verval van de stad zette zich voort en uiteindelijke werd de stad in 1402 helemaal vernietigd door Timoer, de Mongoolse veroveraar, die het Mongoolse keizerrijk van Dzenghis Khan weer nieuw leven wilde inblazen.
6. Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en er is niemand die sluit, en die sluit en er is niemand die opent ... (‹Op. 3:7-13›)
Voor: Ik weet je werken. Zie, Ik heb een geopende deur voor je aangezicht gegeven, die niemand sluiten kan, want ook al heb je kleine kracht, (toch) heb je mijn Woord bewaard en mijn Naam niet verloochend.
Tegen: ... Jezus maakt deze gemeente geen enkel verwijt!
Belofte: Zie, Ik geef enkelen uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn, (terwijl) zij het niet zijn, maar liegen. Zie, Ik zal maken dat zij komen en zich voor je voeten zullen neerbuigen en erkennen dat Ik jou liefheb. .
Belofte: Omdat je het woord van mijn volharding bewaard hebt, zal Ik ook jou bewaren voor de verzoeking die over heel de bewoonde wereld komen zal om hen die op de aarde wonen te verzoeken.
Aanmoediging: Ik kom spoedig. Houd vast wat je hebt, zodat niemand je krans wegneemt.
Belofte: Wie overwint, zal Ik maken tot een zuil in de Tempel van GOD en hij zal daar niet meer uit weggaan. Ik zal de Naam van mijn GOD op hem schrijven en de naam van de nieuwe stad Jeruzalem, die neerdaalt van mijn GOD, en mijn nieuwe Naam.
Oude Testament: ‘de sleutel van David’ is een term die maar één keer in het Oude Testament voorkomt. De uitdrukking ‘sleutel van David’ houdt verband met het recht op de toegang tot het koninklijk paleis en tot de troon van David. In Jesaja 22:22 lezen wij: ‘Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen. Doet hij open, dan zal niemand sluiten, sluit hij, dan zal niemand opendoen.’ In de dagen van David werden de sleutels van het huis van David op de schouder van Eljakim, de zoon van Hilkia, gelegd. Hij kreeg het beheer over heel het koninklijk huis.
Omdat door God aan David een nakomeling was beloofd die voor eeuwig op zijn troon zou zitten (2 Sm. 7) , geldt dat wie de sleutel van het huis van David heeft, het toegangsrecht heeft tot dit Messiaanse koningschap dat verbonden is met de troon van David. De term ‘het huis van David’ heeft niet alleen betrekking op zijn paleis, het fysieke huis, maar vooral op het koningschap.
In het NT in Op. 3:7 blijkt deze sleutel van David op de schouder van Jezus Christus te rusten, de Zoon van David die voor eeuwig op Davids troon zal zitten, zoals wij in Jesaja 9:5 lezen ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt zijn Naam: Wonderbaar, Raadsman, Machtige God, Eeuwige Vader, Vredevorst.’
De naam van David komt precies drie keer voor in het boek Openbaring nl. in Openbaring 3:7 in de brief aan de gemeente in Filadelfia, in Openbaring 5:5 ‘Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om de Boek(rol) en zijn zegels te openen!’ en in Openbaring 22:16 ‘IK-BEN de Wortel en de Afstammeling van David!’ Het gebruik van de naam is steeds verbonden met Jezus Christus.
Zo hebben wij ook hier een OT-isch beeld, de sleutel van David, waarvan de betekenis wordt overgedragen op de eeuwige Zoon van David, Jezus Christus, de NT-ische eeuwige Koning.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Samenvatting: de gemeente van Filadelfia, net als die van Smyrna, krijgt van de Here Jezus Christus geen enkele berisping te horen. Jezus Christus stelt Zich aan de gemeente voor als de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft. Het grote geheim van deze gemeente is het vasthouden aan Gods Woord en het niet verloochenen van de Naam van Jezus Christus. In positieve zin wil dat laatste zeggen dat men de Naam van Jezus Christus beleed voor God en de mensen. Daarom wordt Gods Naam ook op hen geschreven en ook de Naam van de stad van God, het hemelse Jeruzalem en mijn nieuwe Naam, zo zegt Jezus Christus tot deze gemeente (‹Op. 3:12›). Deze gemeente is door haar vasthouden aan Gods Woord een overwinnende gemeente.
Als wij weten dat er in Filadelfia een tempel aan de keizer gewijd was met de naam: ‘De zoon van de heilige’, dan kunnen wij ons voorstellen dat de woorden van Jezus Christus, dat Hij de Heilige is, de harten van de gelovigen bijzonder raakte, want deze keizercultus was een doorn in het oog van de christenen.
De gemeente in Filadelfia horen wij niet zichzelf aanprijzen, zoals Laodicea dat b.v wel doet (‹Op. 3:17›) en ook Tyatira (‹Op. 2:24›). Ook horen wij niet dat anderen haar gunstig beoordelen zoals bij Sardes het geval is (‹Op. 3:1›).
In Jes. 38:9-22 lezen wij over de zieke koning Hizkia van Juda dat hij op zijn ziekbed zegt: ‘Al op de helft van mijn levensdagen moet ik door de poorten van het dodenrijk gaan. De overige jaren worden mij ontnomen.’ Koning Hizkia bidt en herstelt en zijn leven wordt verlengd met 15 jaar (‹Jes. 38:5›). Dit is de enige plaats in het Oude Testament waar wij lezen over ‘de poorten van het dodenrijk’. In het Nieuwe Testament lezen wij over ‘de poorten van het dodenrijk’ alleen in Mt. 16:18 waar Jezus tegen Petrus zegt: ‘Ik zeg je dat jij Kefas bent, (dat is ‘steen’), en op deze steen zal Ik mijn Gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.’ Alleen in deze beide Bijbelteksten lezen wij in het NT over de poorten van het dodenrijk. Wat betreft het woordje ‘haar’ in de Aramese Peshitta geldt dat het zowel kan terugverwijzen naar ‘de rots’ als naar ‘de Gemeente’, want grammaticaal gezien zijn die beide woorden vrouwelijk. Datzelfde geldt trouwens ook voor het Grieks. Het is in het tekstverband o.i. het meest aannemelijk dat het woordje ‘haar’ terugverwijst naar de Gemeente.
Vervolgens lezen wij in Op. 1:18 dat de apostel Johannes op het eiland Patmos over Jezus Christus schrijft: ‘Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten en Hij legde zijn rechterhand op mij en zei: “Wees niet bang, want Ik ben de Eerste en de Laatste, de Levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik leef tot in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutel van de dood en van het dodenrijk.” Nergens anders lezen wij over deze sleutel. Jezus Christus is de Enige die de poorten van de dood en het dodenrijk kan openen.
Jezus Christus heeft, zoals wij al gezien hebben, ook de sleutel van David op zijn schouder, die de toegang tot eeuwige heerschappij geeft, tot het eeuwige koninkrijk van David. Jezus Christus was ook de verwachte Zoon van David, want zo juichten de mensen in Jeruzalem Hem toe: ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ (‹Mt. 21:9, 15›). De sleutel van David is niet de hiervoor besproken sleutel van de poorten van het dodenrijk, maar de sleutel die toegang geeft tot de koninklijke paleizen en tot het koningschap, de troon en het koninkrijk. Omdat deze Zoon van David een eeuwig Koninkrijk ontvangt, is Jezus Christus ook degene die er toegang toe verleent, maat Hij kan de deur ook kan sluiten. De keuze voor of tegen Jezus Christus heeft eeuwige gevolgen: eeuwig leven of eeuwig verderf. In zijn woorden benadrukt Jezus dat Hij aan de gemeente in Filadelfia een open deur voor hun aangezicht heeft gegeven.
In Mattai 16:19 lezen wij dat Petrus niet alleen toegezegd wordt dat de poorten van het dodenrijk haar, d.w.z. de Gemeente, niet zullen overweldigen, maar ook dat Jezus Christus hem de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen zal geven om te binden en te ontbinden op de aarde, en daarmee .
“Ik zal je de sleutels geven van het Koninkrijk van de hemelen. Alles wat je op de aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen en alles wat je op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.”
Allereerst valt op dat het woord ‘sleutels’ hier in het meervoud staat, terwijl in de uitdrukkingen ‘sleutel van de dood en van het dodenrijk’ en ‘sleutel van (het huis) van David’ het woord ‘sleutel’ in het enkelvoud staat. De gave van deze sleutels aan de gelovige in Jezus Christus als Heer, waarvan Petrus de eerste is, is mogelijk dat hem op aarde hemels gezag gegeven wordt om te binden en te ontbinden (‹zie ook Mt. 18:18›). De woorden ‘binden en ontbinden’ - in het Aramees: ‘asar ve-sera’ (אסר ושרי) - waren in de tijd van het Nieuwe Testament een soort vaste uitdrukking die in de praktijk van alle dag betekende: ‘toestaan of verbieden’. Door de zgn. ‘smicha’ (סמיכה), een handoplegging, was het iemand wettelijk toegestaan om uitspraken te doen die bindend waren. De term ‘smicha’ werd rond het begin van de jaartelling toegepast door het geestelijke gezag, dat bij de Farizeeën, Sadduceeën en priesters berustte, om leiders uit deze groepen te bevestigen als lid van de zogenaamde ‘Hoge Raad’, die ook wel het ‘Sanhedrin’ of kortweg ‘de Raad’ werd genoemd (‹Mattai 5:22, Handelingen 6:12›). Deze Raad bestond uit 71 vooraanstaande mannen die door handoplegging waren ingewijd. Deze handoplegging was bedoeld als autorisatie en wordt tot op de dag van vandaag ‘Smicha’ (סמיכה) genoemd. Het lijkt erop dat de sleutels staan voor de rol van de handoplegging en wijzen op de wettelijkheid van het ontvangen gezag.
De gemeente in Filadelfia ontvangt verder ook een bijzondere belofte nl. dat er sommigen uit de ‘synagoge van de satan’ (‹voor de uitdrukking, zie Jh. 8:41-47›) nederig naar haar toe zullen komen. Het gaat hier ongetwijfeld om ‘etnische’ Joden, want er waren grote Joodse gemeenschapopen in het nabijgelegen Sardes en het iets verder gelegen Smyrna. In de brief van Jezus Christus aan Smyrna, lazen wij eerder ook al over de synagoge van de satan, die de Gemeente van Jezus Christus lasterde. Van deze Joden was de hartsgesteldheid verkeerd en daarom behoorden zij niet tot het ware volk van God, omdat zij de vervulling van alle beloften in de Messias terzijde schoven en niet geloofden dat Jezus Christus de Messias was. De belofte in dit vers is nu dat er uit die Joodse gemeenschap, die de synagoge van de satan wordt genoemd, sommigen zullen komen die de christenen in Filadelfia niet zullen lasteren, zoals dat gewoonlijk vanuit de synagoge gebeurde, maar juist zullen erkennen dat God deze christengemeente uit de volken liefheeft om het geloof in de Messias, terwijl zijzelf, als etnische Joden, die gemeente verachtten (‹vgl. 1 Kor. 14:25›), maar zich daarmee dus ook buiten Gods liefde stelden. Die enkelingen die uit de synagoge van de satan tot bekering komen, zullen door hun bekering nu ook Gods liefde in hun hart ontvangen. Er zijn Bijbelcommentatoren die menen dat de Joden die hier naar de gemeente van Jezus Christus toekomen niet oprecht zijn, maar veinzen, maar daar is o.i. geen sprake van. Wij nemen daarom aan dat er inderdaad Joden tot bekering zijn gekomen en naar de gemeente in Filadelfia zijn toegekomen.
Als wij de gemeente in Filadelfia in de historisch-chronologische volgorde die wij hiervoor onder II.a. ad. 6 bespraken in de 17e, 18e, 19e eeuw plaatsen met uitlopers in de 20e eeuw - dan is de uitdrukking ‘een geopende deur voor je aangezicht’ niets teveel gezegd. Wij schreven hiervoor al dat de keuze voor of tegen Jezus Christus eeuwige gevolgen heeft: eeuwig leven of eeuwig verderf. Deze eeuwen waren tijden met sterke, wereldwijde zendings- en opwekkingsbewegingen, ook onder de Joden. De Woorden van Jezus Christus over ‘een geopende deur’ kregen een diepe betekenis, want het Woord van God, het Evangelie, ging in die tijden met grote kracht uit naar alle volken, ook al had de Gemeente van Jezus Christus in die dagen slechts kleine kracht, toch gingen er vele deuren open. Zendingsmannen en -vrouwen als David Livingstone, Charles Studd, graaf von Zinzendorf, Charles Kumm, maar ook predikers en evangelisten als Charles Finney, George Whitefield, Jonathan Edwards, Gilbert Tennent, Jonathan Dickinson, John Wesley, Hermann Jantzen, Johan de Heer, bijbelvertalers als William Carey en de Vlaamse Jacob van Liesvelt, en christenmannen en -vrouwen die grote werken van liefdadigheid in gang zetten zoals George Müller, William Booth en anderen.
Joden begonnen heel duidelijk hun plaats in de Gemeente van Jezus Christus weer in te nemen, een plaats die ze al vanaf het begin hadden gehad. We denken aan Isaäc da Costa in Nederland. Ook Franz Delitzsch in Duitsland die het Nieuwe Testament in het Hebreeuws vertaalde, was waarschijnliojk van Joodse afkomst.
De bekeringen van Joden vormden in zekere zin de inleiding tot de terugkeer naar het land Israël, hoewel niet als een geestelijk herstelde natie, maar wel als een opmaat tot een toekomstig geestelijk herstel als natie in de nog voor ons liggende jaren van deze eindtijd. Tegelijkertijd moet het duidelijk zijn dat een Jood die in Jezus Christus, de Messias, gelooft, niets blijvends in een aards vaderland te zoeken heeft, zelfs niet in Israël, want hij heeft een hemels vaderland in Jezus Christus. Toch woont ieder christen, Jood of niet-Jood, in een land op aarde en in die zin leeft hij in de vreemde, zo ook een Jood in Israël.
Met de belofte aan hen die overwinnen sluit Jezus Christus de brief af: ‘Wie overwint, zal Ik maken tot een zuil in de Tempel van GOD en hij zal daar niet meer uit weggaan. Ik zal de Naam van mijn GOD op hem schrijven en de naam van de nieuwe stad Jeruzalem, die neerdaalt van mijn GOD, en mijn nieuwe Naam.’ In het onderschrift bij de illustratie hieronder lichten wij de uitdrukking ‘zuil in de Tempel van mijn GOD’ toe. De drie namen verbinden de overwinnende gelovige resp. met GOD, met de Bruid van Jezus Christus, want zij is de nieuwe stad Jeruzalem die neerdaalt uit de hemel (‹zie Op. 21:2›) en met Jezus Christus Zelf, die als wij alles goed begrijpen, ook een nieuw Naam zal dragen waarmee de overwinnaars verbonden zullen worden. Een drievoudige Naam!

indrukwekkende, massieve ‘pilaren’ in Filadelfia dat door aardbevingen werd geplaagd, maar een zuil in de Tempel van de Heilige en Waarachtige God houdt eeuwig stand (‹ illustratie van walklikejesus.net ›)
Informatie: Eumenes II van Pergamus (197–160 v. Chr.), de Lydische koning die de stad had gesticht in 189 v. Chr., was erg gesteld op zijn broer Attalus II (159–138 v. Chr.), en hij noemde de stad daarom ‘Filadelfia’, d.w.z. ‘broederliefde’. Attalus II volgde hem later ook op. Tegenwoordig heet deze plaats in Turkije: ‘Alaşehir’, wat betekent: ‘stad van God’. Deze plaats lag in Lydië, net als Sardis, een gebied dat erg vruchtbaar was door vulkanische afzettingen, maar het betekende ook dat er regelmatig aardbevingen waren. Hierdoor woonden de mensen soms in hutten buiten de stad. In de stad waren ook afgodstempels en men gaf de keizer de naam: ‘de zoon van de heilige god’. Het is dan ook veelzeggend dat deze brief begint met de aanhef ‘Dit zegt de Heilige’. Het stadje was gesticht met de bedoeling om in Lydië en Frygië de Griekse taal en cultuur te propageren. Dat werkte zo goed, dat rond 19 n. Chr. de mensen hun Lydische taal waren vergeten. Overigens werd de stad in 17 n. Chr. samen met Sardes ernstig getroffen door een zware aardbeving. Keizer Tiberius (14-37 n. Chr. n. Chr.) schoot te hulp en als eerbetoon aan hem kreeg de stad een nieuwe naam nl. ‘Neocaesarea’ zoals archeologische muntenvondsten aantonen. De stad lag ongeveer 100 km. af van Smyrna, het tegenwoordige Izmir, en Sardes lag tussen Izmir en Filadelfia in.
7. Laodicea: Dit zegt de Amen, de betrouwbare en waarachtige Getuige, het Begin van de schepping van GOD ...
Tegen: Ik weet je werken, dat je niet koud bent en niet heet. Was je maar koud of heet! Daarom, omdat je lauw bent en niet koud of heet, ga Ik je uit mijn mond uitspuwen.
Oproep: Omdat je gezegd heb dat je rijk bent en ook ‘Ik heb me verrijkt en ik heb aan niets gebrek!’, terwijl je niet beseft dat je ziek bent, ellendig, arm en naakt, raad Ik je aan van Mij te kopen: goud dat in het vuur gelouterd is, opdat je rijk zult worden, en witte kleren om je mee te kleden, zodat de schande van je naaktheid niet zichtbaar wordt, en smeer zalf op je ogen opdat je kunt zien.
Waarschuwing: Wie Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik. Wees daarom ijverig en bekeer je.
Oproep: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.
Belofte: Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals Ik overwonnen heb en met mijn Vader op zijn troon zit.
Aanmoediging: Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
Oude Testament: Jezus Christus noemt Zichzelf het Begin van de schepping van GOD. Met deze uitdrukking wordt beslist niet bedoeld dat Hij het eerste schepsel was, maar dat Hij aan het begin van heel het scheppingsgebeuren stond als de Schepper. In Johannes 1:1-3 en in Kol. 1:15-18 lezen wij hier meer over.
Samenvatting: Jezus Christus introduceert Zich aan de gemeente van Laodicea als de Amen, de trouwe en waarachtige getuige en als het Begin van de schepping van GOD. De term ‘Amen’ komt 10 keer in het boek Openbaring voor en alleen in dit vers is het de Naam van Jezus Christus, terwijl het in alle andere negen gevallen een eervolle bevestigende uitroep is ‘Amen!’, dat wil zeggen: ‘Zo is het!’ Hij maakt Zich ook bekend als de betrouwbare en waarachtige Getuige, wiens woorden ook betrouwbaar en waarachtig zijn (‹Op. 21:5›), van Wie wij ook lezen in Op. 1:5. Hij is Degene die de Afzender is van de zeven brieven aan de zeven gemeenten en Hij is ook het begin van de schepping van GOD, een uitdrukking die wij nergens anders in de Bijbel tegenkomen. Al met al spreken deze woorden van Jezus’ grote betrouwbaarheid en van zijn fundamentele betekenis voor alles en iedereen die deel uitmaakt van zijn schepping. Dit moet Laodicea kennelijk van de Heer weten. Zij kunnen geen loopje met Hem nemen.
De gemeente in Laodicea wordt door de Heer niet verweten, dat zij dwaalleraren in haar midden zou hebben of dat zij haar eerste liefde miste, maar haar wordt verweten dat zij lauw is, niet warm en niet koud. De christenen in Laodicea zijn gericht op het verzamelen van aardse rijkdommen. Hoewel zij Jezus Christus hebben leren kennen, gaan zijn eigenlijk nog gewoon door met het wereldse leven en hebben zij tegen hun nieuwe natuur in meer van het karakter van de hoerenvrouw Babylon, die in Op. 18:7 zegt: ‘‘Ik troon als koningin en ben geen weduwe, geen rouw zal ik zien!”, dan van het karakter van Jezus Christus, tegenover wie zij wel onverschillig lijken te staan: niet koud of heet! Laodicea lag aan een belangrijke handelsroute en zij hadden het ver geschopt in de financiële wereld met hun bankcentra, schrijft Halley. Met hun rijkdommen konden zij de herbouw van de stad na de aardbeving, die mogelijk rond 60 n. Chr. plaatsvond, zelf bekostigen. De gemeente in Laodicea was heel erg wereldgelijkvormig geworden en zij besefte niet, dat het niet goed met haar ging: ze was toch helemaal niet ziek, ellendig of arm of naakt, tenminste zo dacht zij over zichzelf. Ze was aardsgezind, geestelijk onverschillig en zelfgenoegzaam en er wordt niemand in hun midden genoemd die zich rein heeft bewaard of zich aan deze wereldgelijkvormigheid wist te onttrekken. Jezus Christus staat op het punt om deze gemeente uit te spuwen, zo erg is het!
Toch heeft Jezus Christus de gemeente lief, maar zijn liefde leidt in dit geval tot bestraffing en tuchtiging, opdat zij zich zullen bekeren van die aardsgezinde, geestelijk onverschillige en zelfgenoegzame houding. Jezus Christus raadt de gemeente aan rechtsomkeert te maken en Hem, en niet de wereld, om goud, witte kleren en oogzalf te vragen om een keer te brengen in hun geestelijk armoe, naaktheid en blindheid. Ze moeten er niet mee wachten, maar vol ijver op zoek gaan en rechtsomkeert maken naar de Here Jezus Christus! Hij staat al bij de deur van deze gemeente te kloppen en de vraag is of zij hem nu zullen opendoen en uitnodigen om binnen te komen, zodat zij gezamenlijk zullen zitten aan de tafel, waarvan Hij als Offerlam en Brood van het Leven de ware spijs en de ware drank vormt. Wie hier op ingaat, is zij de zijne als lid van zijn Lichaam, de Gemeente. Als Hij straks komt om haar als Bruid te halen, zal Hij niet binnengaan, maar zal zij naar buitengaan uit deze wereld en met Hem meegaan, zo is de Bijbelse ordening op de weg naar het volle huwelijk.
Jezus Christus stelt de overwinnaar in het vooruitzicht dat deze met Hem zal regeren op zijn troon, wat wij opvatten als een aankondiging van het feit dat zijn Koninkrijk nu werkelijk dichtbij is en Hij spoedig zal terugkomen. DIt is de eindtijdgemeente, de gemeente aan begin 21e eeuw. Jezus staat buiten: Gods naam wordt nog wel genoemd in de gemeente, maar de Naam van Jezus Christus niet of marginaal en zijn liefde voor zondaren die leidde tot zijn kruisdood, is niet meer de boodschap van de predikers van de gemeenten. Gods liefde is groot bij deze predikers, maar over het kruis van Jezus Christus wordt alleen nog maar gefluisterd, want dat bederft ‘de grote vreugde’ van het christenleven in de eindtijd waarin geestelijke armoede, blindheid en naaktheid steeds meer om zich heen grijpen, zonder dat men het beseft. Men bekleed zich liever met de zwarte wollen mantel van de wereld (‹zwarte wol die zo bekend was in Laodicea›), dan met de reine witte klederen van Jezus Christus en men drinkt liever van de zwarte drank uit de olieleidingen van de islamitische landen dan te drinken van de reine bron van Levend Water en men verlustigt zich liever in de in het zwart geklede vrouw voor wie alle mannen vallen in het islamitische heiligdom, dan dat men er zijn vreugde in stelt om deel te zijn van de in blinkend wit geklede reine Bruid, die binnenkort het hemelse heiligdom mag binnengaan.

Pamukkale in Turkije, het voormalige Hiërapolis - foto Antoine Taveneaux - 7 juli 2011 (‹CC BY-SA 3.0›)
Informatie: de gemeente van Laodicea wordt genoemd in Kol. 2:1; 4:13, 15, 16 en uit de woorden van Paulus blijkt dat de plaats niet al te ver van Kolosse af lag. Het was de belangrijkste stad in de vallei van de Lycus rivier. De volledige naam ervan was ‘Laodicea ad Lyceum’ (‹Laodicea aan de Lycus›). Oorspronkelijk stond de stad bekend als Diospolis (‹d.w.z. de stad van God, d.w.z. van Zeus›), de Griekse godheid die door Homerus ‘de vader van de goden en mensen’ en ‘de heerser en beschermheer van allen’ genoemd werd. De stad werd gesticht tussen 261 en 253 v. Chr. door Antiochus II Theos, de toenmalige koning van Syrië, en de stad werd ‘Laodicea’ genoemd naar de naam van zijn vrouw. De eerste bewoners van de plaats waren waarschijnlijk mensen uit de omgeving, ‘gehelleniseerde Grieken’, en legerveteranen uit het leger van Antiochus II (‹Fatih Cimok, A Guide to the Seven Churches, p. 88›). De stad werd onderdeel van het koninkrijk Pergameum en ging later over in handen van de Romeinen in 133 v. Chr. Cicero, de beroemde Romeinse politicus, was gouverneur van de provincie en woonde overwegend in Laodicea.
Laodicea was een groot centrum voor het bank- en geldverkeer (‹Op. 3:14-21›). Het was één van de welvarendste steden in die tijd. Toen Laodicea in 60 v. Chr. (‹de meningen over het jaar lopen uiteen›) door een aardbeving werd verwoest, weigerden zij hulp van de Romeinen en herbouwden de stad uit eigen middelen (‹Tacitus, Annals, 14:27›).
De stad lag op het kruispunt van de noord-zuid verbinding tussen Sardis en Perga en de oost-west verbinding vanaf de Eufraat naar Efeze. De stad floreerde bij de handel. Er was een bloeiende en welvarende Joodse gemeenschap al in de tijd voor Christus. De stad stond ook bekend om zijn zwarte wol (‹Blake and Edmonds, Biblical Sites in Turkey, p. 139-140›). De schapen weidden in de omgeving van Laodicea en van de wol werden zwarte mantels en tapijten gemaakt.
Ook in Laodicea was er een Joodse gemeenschap. In de werken van Flavius Josephus is er een brief van de autoriteiten van Laodicea aan een Romeinse ambtenaar (Ant. 14:241–3), waarin deze autoriteiten de Romeinse ambtenaar meedelen dat zij een brief van hem hebben ontvangen via een afgezant van de hogepriester Hyrcanus (waarschijnlijk was dit Hyrcanus II doe in 30 v. Chr. overleed) over de toestemming die aan Joden was verleend om in overeenstemming met de wetten van hun voorvaderen te mogen leven. Zij voegen eraan toe dat zij aan deze regelgeving hun medewerking hebben verleend om niet het ongenoegen van het Romeinse gezag op te wekken. Hieruit wordt het ons duidelijk dat er in Laodicea een Joodse gemeenschap was die tegen discriminatie beschermd werd door het Romeinse gezag. Sommige geleerden menen dat het document stamt uit de tijd van Hyrcanus I die in 104 v. Chr. stierf, maar dat lijkt twijfelachtig te zijn. Er is echter ander bewijs dat er Joden in Laodicea of in de omgeving van Laodicea warn in de 2e eeuw v. Chr. naar aanleidng van een andere tekst uit de werken van Flavius Josephus uit de 2e eeuw v. Chr. (Ant. 12:147–53), waarin hij een order van Antiochus III noemt met betrekking tot de vestiging van 2000 families van Joodse soldaten uit Mesopotamië in Frygië en Lydië. Dit geeft meer inzicht in de datering van Joodse nederzettingen in Laodicea en omgeving en ook op die Klein-Azië in het algmeen. We voegen aan dit alles nog een opmerking toe die bij Cicero gevonden werd, waarin hij verklaart dat L. Valerius Flaccus in Laodicea rond 61–60 v. Chr. beslag had gelegd op 20 talenten Joods goud, die voor de Tempel in Jeruzalem bestemd waren.
Laodicea was beroemd om zijn medische kennis en om zijn medicijnen. Daaronder was ook een medicijn voor de ogen dat gemaakt werd van Frygische steen. Aristoteles noemde dit medicijn: Frygisch poeder. Het was geen zalf, maar een poeder dat op de ogen gestrooid werd, en waarschijnlijk door toevoeging van een vloeistof tot een zalfachtig mengsel werd gemaakt (zie Op. 3:18).
Hiërapolis dat aan de andere kant van de Lycus Vallei lag, ongeveer 6 mijl in zuidelijke richting, had hete waterbronnen. Laodicea was hier erg van afhankelijk, maar als het water door pijpen en goten in Laodicea aankwam, was het lauw geworden. Vanuit Kolosse ontving het fris, koud water via een aquaduct. In beide gevallen had het water niet meer die verfrissende, danwel die opwarmende kracht zoals dat het wel had in de plaatsen van oorsprong.
We sommen nog eens op wat Jezus Christus de overwinnaar van elk van de zeven gemeenten in het vooruitzicht stelt:
1. Efeze: Wie overwint, zal Ik te eten geven van de Boom van het Leven, die in het paradijs van GOD staat!
2. Smyrna: Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden.
3. Pergamus: Wie overwint, zal Ik geven van het verborgen ‘manna’ en Ik zal hem een witte kiezelsteen geven en op de kiezelsteen zal een nieuwe naam geschreven zijn, die niemand kent dan wie hem ontvangt.
4. Tyatira: Wie overwint en mijn werken blijft behartigen, zal Ik macht geven over de volken om hen te hoeden met een ijzeren staf. Als de kruiken van een pottenbakker, zo zullen jullie hen verbrijzelen, want zo heb Ik het ook van mijn Vader ontvangen en Ik zal hem de morgenster geven.
5. Sardis: Wie overwint, zal zo met witte kleren bekleed worden en Ik zal zijn naam niet uitwissen uit de Boekrol van het Leven, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.
6. Filadelfia: Wie overwint, zal Ik maken tot een zuil in de Tempel van GOD en hij zal daar niet meer uit weggaan. Ik zal de Naam van mijn GOD op hem schrijven en de naam van de nieuwe stad Jeruzalem, die neerdaalt van mijn GOD, en mijn nieuwe Naam.
7. Laodicea: Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals Ik overwonnen heb en met mijn Vader op zijn troon zit.
En in Openbaring 21:7 lezen wij ten slotte:
‘Wie overwint, zal deze dingen beërven. Ik zal zijn GOD zijn en hij zal mijn zoon zijn.’
Zover onze historische-chronologische kijk op de zeven gemeenten, waarmee het tweede deel van het boek Openbaring achter ons laten. We komen nu bij het grote en laatste derde deel van het boek over de Boekrol en de opening ervan, voorafgegaan door een visioen van de hemelse rechtszitting onder het toezicht van 24 oudsten.
III. De ontknoping in de eindtijd, uitmondend in de zgn. jaarweek (Op. 6 - 22:5): “de dingen die hierna zullen gebeuren”
Dit derde deel van het boek Openbaring loopt van Op. 4 tot aan het slot van het boek in Op. 22. Het beschrijft eigenlijk het openen van de Boekrol van het boek Openbaring, de openingsceremonie (Op. 4 en 5) en vervolgens het openen van de boekrol zelf (Op. 6-Op. 22). Bij het bespreken van de gebeurtenissen die het boek beschrijft gebruiken wij de term ‘intermezzo’ waar het gaat om een beschrijving van een visioen, een visoen dat zich eigenlijk onttrekt aan het voortschrijden van de tijd. De inhoud ervan speelt zich af in de voorgaande en/of daaropvolgende gedeelten van het boek Openbaring. Bij het lezen van het intermezzo of van de intermezzo’s (soms zijn er wel drie achter elkaar) werpen wij a.h.w. een blik vooruit en/of achteruit om inzicht te ontvangen in de gebeurtenissen in de eindtijd, waarvan het boek spreekt. Na het visioen of de visioenen gaat de tekst weer verder en zitten wij weer volop in de gebeurtenissen. Toch blijft de volgorde van het boek Openbaring o.i. in hoge mate chronologisch. Voor die chronologie zijn in het boek zelf verschillende handvaten gegeven, zoals de 7 zegels, de 7 bazuinen, de 3 weeën, woordjes als ‘daarna’ en ‘daarna’, 7 schalen enz. De lezer doet er goed aan die aanwijzingen goed in de gaten te houden en te respecteren. De voetnoten bij de bijbeltekst geven veel uitleg over de voortgang van de gebeurtenissen.
DEEL III. 1 Intermezzo 1 De lossersrol, de 24 oudsten-getuigen en de zegels (Op. 4-5)
Johannes klimt op naar de hemel waar een geopende deur is ...
Velen zien in het opklimmen van Johannes een beeld van de opname van de Gemeente. Maar als dat zo zou zijn, dan zou dat consistent doorgevoerd moeten worden in het boek Openbaring en dat kan onmogelijk, want in Op. 22:8 zien we dat Johannes, overweldigd door de openbaringen en visioenen, bijna overgaat tot aanbidding van de engel die bij hem is. Als Johannes hier zou staan als een beeld van de Gemeente, dan zou de Gemeente dus na de opname geneigd zijn om een engel te aanbidden. Dat is onmogelijk, immers de oudsten en de engelen vallen in aanbidding neer voor het Lam, hoe zou de Gemeente in de gedaante van Johannes geneigd kunnen zijn neer te vallen voor een engel?!! Dat het de apostel Johannes overkomt, dat kan nog enigszins begrepen worden, omdat het zo overweldigd is door alles wat langs hem heenkomt in deze Openbaring van Jezus Christus.
We komen bij het lezen met hulp van Johannes, die trouw verslag doet van alles wat hij gezien en gehoord heeft, binnen in de hemelse gerechtszaal met de troon van God . De 24 oudsten zijn priesterlijke getuigen (naar de ordening van Melchizedek - zie de noot bij Op. 4:4). De 4 cherubs aanbidden de Schepper op de troon (4:1-11). De 24 oudsten en alle engelen in de hemel aanbidden het Lam van God, Jezus Christus, die de verzegelde boekrol ter hand gesteld krijgt (5:1-14). Hij alleen is waardig om die Boekrol te ontvangen en de zeven zegels ervan te openen. Openbaring 4 en 5 zijn twee cruciale hoofdstukken want zij tonen, (‹1›) Wie alles in handen heeft, (‹2›) Wie waardig is om de aarde en de vrijgekochten te verlossen en (‹3›) Wie alle lof, eer ... toekomt! Dit alles wordt vastgesteld in een majesteitelijk rechtszitting in het hemelse gerechtshof bij de ingang van de hemelse stad Jeruzalem. We zullen deze woorden hierna toelichten.
De Boekrol
Uiterst belangrijk is het om in te zien dat DE BOEKROL, die alleen door het Lam geopend kan worden, een juridisch document is dat bepaald wie de rechten heeft op het land. Het is een lossersrol, of koopbrief (zie Ruth 2:20; 3:9, 12-13; 4; Jer. 32: 6-15).
Boaz zei: “Op de dag, dat jij de akker koopt uit de hand van Naomi, koop je die ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene op zijn erfdeel in stand te houden.” (‹Ruth 4:5›).
Uit Jeremia blijkt dat de rol door getuigen wordt bekrachtigd met een handtekening en dat er een verzegelde en een open rol is, die we in Openbaring 5:1 als één rol zien verschijnen, want de rol is van binnen (het gesloten of verzegelde deel) en van buiten (het open deel) beschreven.
Uit het boek Ruth blijkt bovendien dat het familielid dat recht heeft om het land van de familie vrij te kopen, ook de vrouw van de gestorvene, in dit geval Ruth, de vrouw van de in Moab gestorven Machlon (Ruth 4:10), dient te trouwen om zo de naam van de gestorvene op de geërfde grond in stand te houden, want er staat geschreven dat ...
... Boaz zei: “Op de dag, dat jij de akker koopt uit de hand van Naomi, koop je het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene op zijn erfdeel in stand te houden.” (Ruth 4:5)
In het boek Openbaring wordt niet expliciet vermeld wat er aan de buitenkant op de boekrol geschreven staat, en ook niet wat er aan de binnenkant geschreven staat. Het is goed voorstelbaar dat (‹1›) op de buitenkant van de rol geschreven staat wie aanwezig dienen te zijn bij het openen van de rol, de getuigen, en aan welke voorwaarden voldaan moet worden voordat de rol geopend mag worden, wie de losser is of wie de lossers zijn in volgorde van verwantschap (Ruth 3:12; 4:6) en dat (‹2›) aan de binnenkant de gedetailleerde procedure voor de lossing van het land Israël beschreven staat, met inbegrip van de aanduiding en omschrijving van de bruid die men erbij dient te lossen en aan welke voorwaarden zij dient te voldoen om daarvoor in aanmerking te komen.
Uiteraard moet eerst duidelijk zijn wie als getuigen mogen optreden. In Ruth zien we dat niet zomaar iedereen daartoe opgeroepen kan worden, maar dat het om (priester)oudsten van de stad gaat. Boaz nodigt er 10 uit, een zgn. ‘minyan’. Een minjan (Hebreeuws: מניין) is een groep van ten minste tien volwassen joodse mannen die nodig zijn voor een Joodse eredienst.
In Op. 4 en 5 zien we dat er 24 oudsten samen met de 4 cherubs en de engelen getuigen zijn in de hemelse troon- en gerechtszaal bij het openen van de boekrol. Zij zien toe op alles wat er gebeurt, dat alles volgens de regels gaat bij het openen van de rol, zodat zij er hun goedkeuring, hun ‘amen’ aan kunnen geven zoals b.v. in Op. 5:8-12 te lezen valt. De 24 priesteroudsten beantwoorden aan de voltallige leiding van alle priesterafdelingen van het volk van God. Wij zijn hier in een hemels priesterlijk gerechtshof.
Voordat de boekrol open kan gaan, moet allereerst vastgesteld worden wie de rechtmatige losser is. Dat staat dus aan de buitenkant, aan de openbare kant van de rol. De vraag naar wie bevoegd is om de rol te openen is uiterst belangrijk en moet als eerste beantwoord worden In Op. 5 gebeurt dat door één van de oudsten-getuigen (Op. 5:2-4). Dit is een aangrijpende scène! Johannes begint hevig te wenen! De leeuw uit de stam Juda, de wortel van David (zie ook Jes. 11:1, 2 - David was de zoon van Isaï; Jes. 53:2; Op. 22:16) heeft overwonnen om de boekrol te openen ... het Lam dat is geslacht is waardig om de boekrol te openen! Dit is Jezus Christus, de gekruisigde! Hij is de Losser, de Joodse Koning (immers de leeuw is ook het beeld van de heerser - zie Gen. 4:8-12) uit de stam Juda (Op. 22:16). Daarmee wordt ook duidelijk dat het gaat om het vrijkopen van het land van Juda en in het verlengde daarvan van heel Israël, want Jeruzalem in het land van Juda is de plaats van de troon van Israël en de plaats van de Tempel.
Jezus Christus is de overleden Erflater van het land, maar tegelijk ook de levende Losser ervan. Zo is Hij ook zowel de Leeuw uit de stam Juda, als de Wortel van David, d.w.z. zijn nageslacht, maar ook zijn voorgeslacht van eeuwigheid af. Hij is Wonderbaar!
Het volk Israël is de ondertrouwde vrouw van God, want God had Israël als zijn ondertrouwde vrouw meegenomen uit Egypte en de Wet was de akte van ondertrouw. God zou Zich later wel van haar distantiëren, scheiden (Jes. 50:1; Jer. 5:8), omdat zij, d.w.z. zijn ondertrouwde vrouw, was gaan hoereren met de goden van de volken, maar Hij blijft haar trouw om haar als een reine bruid voor Zich te stellen, door haar vrij te kopen door het bloed van zijn Zoon.
Velen zeggen dat in Op. 4:1, als de boekrol nog gesloten is, de opname plaatsvindt van de Gemeente als de Bruid, in de gedaante van de apostel Johannes die door een geopende deur naar de hemel binnengaat. Maar ten eerste kan er geen Bruid naar de hemel gaan en geen opname zijn, als de boekrol nog niet geopend is. Alles verloopt op rechtmatige wijze en in het openbaar voor de ogen van de 24 oudsten-getuigen. Ten tweede is het volk Israël van oudsher de Bruid met een landgoed op aarde, nl. het land Israël. De Gemeente is het Lichaam van Christus en de Gemeente heeft een hemelse stad als reisdoel, want op aarde zijn de gelovigen vreemdelingen (Heb. 11:15, 16; 1 Pt. 2:11). Toch staat er ook dat de vrouw is als het lichaam van de man (Ef. 5:28) en wij zullen ook bij de verdere bespreking van het boek Openbaring zien, dat de Gemeente zich bij haar Hoofd in de hemel zal voegen, zoals een vrouw zich voegt bij haar man. Op wonderlijke wijze zal de Gemeente vervolgens als het Lichaam van Jezus Christus met de Bruid Israël op aarde een geheel vormen in het nieuwe Jeruzalem dat vanuit de hemel, van bij God, neerdaalt als een bruid die voor haar man versierd is (Op. 21:2). Al deze dingen kunnen wij niet echt bevatten, maar ze worden aan ons geopenbaard om daardoor des te meer te beseffen dat niet alleen onze verlosssing volkomen van Christus afhankelijk is, maar dat ook onze bestemming volkomen met Jezus Christus in God verborgen is (Kol. 3:3).
DEEL III. 2 Het Lam verbreekt 6 van de 7 zegels (Op. 6:1-17)
.jpg)
Het openen van de zeven zegels van de boekrol betekent dat de finale van Gods verlossingsplan in werking treedt. Typisch is dat de gebeurtenissen onder de eerste 4 zegels met elkaar verbonden zijn en dat de 3 zegels die dan volgen een geheel eigen karakter hebben. Die ordening vinden we ook bij de ramshorens en bij de schalen van toorn (Op. 16): 4 + 3.
Zes zegels worden eerst geopend:
- De zegels 1-4 geven 4 paarden met ruiters te zien, resp. een wit, rood, zwart en vaal paard (vgl. Zach. 1.)
- Bij het openen van het 5e zegel worden de gedode martelaren onder het koperen altaar aan de voorzijde v.d. tempel zichtbaar
- Bij het 6e zegel worden de maan en de zon verduisterd, vinden er wereldwijde aardverschuivingen plaats en de hemelen gaan open.
De gebeurtenissen bij het openen van de zegels van de boekrol wijzen op gebeurtenissen met een heel grote reikwijdte, gebeurtenissen die ogenschijnlijk aannemelijk en vredig lijken te beginnen, want een wit paard dat uittrekt lijkt wel een vredesgezant, maar de woorden ‘overwon, overwinnende en om te overwinnen’ wijzen erop dat - heel anders dan men zou vermoeden - een begin wordt gemaakt met de vestiging van een volkomen totalitaire heerschappij. Dit zal hevige reacties op aarde uitlokken, veel geweld, en een vreselijke neerwaartse spiraal van dood, honger, ziekte en verderf. Dwars door dat alles heen zal zich ook een hevige christenvervolging voltrekken zoals duidelijk wordt bij het openen van het 5e zegel. Dat er vervolgens bij het openen van het zesde zo’n grote duisternis optreedt, is misschien is wel omdat God niet langer wil dat enig mens nog het lijden van de martelaren kan zien, net zoals Hij ook Egypte in donkerheid hulde toen Hij zijn lijdende Zoon uit Egypte riep (Ex. 10:21-23), en net zoals Hij duisternis bracht over het lijden van zijn Zijn Zoon, Jezus Christus, aan het kruis (Mt. 27:45)?
De grote vraag is wanneer die boekrol open zal gaan! Of is deze misschien al opengegaan? Het uittrekken van de 4 paarden en dat wat zij veroorzaken, moet aan de aardse kant in de wereld van vandaag toch merkbaar zijn! Het is niet zo dat de boekrol al open is vanaf de tijd dat de apostel Johannes de tekst van het boek Openbaring opschreef. Nee, de woorden van Op. 4 wijzen naar een bepaald moment dat in de toekomst verborgen is. Maar wanneer zal dat zijn, of is het witte paard al uitgetrokken? Laten wij nog eens goed kijken naar de ruiter op het witte paard!
Het hier in beeld komende witte paard oogt aantrekkelijk, om niet te zeggen vredig, hoopvol. Is wit niet de kleur van de vrede? Er is nog iets met de kleur ‘
‘wit’ ... het is de dominante kleur van de medische wereld ... Wie er op dit witte paard zit wordt niet bekendgemaakt, maar wel lezen wij over een drietal kenmerken van de ruiter op het witte paard:
1. Hij houdt een boog vast. De boog vormt een bedreiging. Pijlen worden niet genoemd, hoewel in de Bijbel op andere plaatsen wel sprake is van pijl een boog. In Ps. 11:2 lezen wij: "Want zie, de boosdoeners spannen de boog, zij leggen hun pijlen op de pees, om in het donker op oprechten van hart te schieten." Daarom lezen wij in Ps. 60:6 "Hen die U vrezen hebt U een banier gegeven, om naartoe te vluchten voor de boog." Er is echter een andere boog in de Bijbel, die beter in het beeld past, omdat het niet een boog met pijlen is (want die worden niet genoemd), maar met kleuren. Noach, de man die door het geloof in God de mensheid door de vloed heen redde, kreeg een verbondsteken nl. de regenboog, het teken van Gods trouw aan zijn belofte dat Hij alle vlees niet meer door de wateren van een vloed zou ombrengen en dat de aarde nooit meer door een grote vloed verwoest zou worden (Genesis 9:12-17). Deze regenboog of boog in de wolken is een teken aan de hemel van Gods trouw.

In deze dagen is er van deze hemelse regenboog een andere aardse boog afgeleid die niet aan de hemel staat, maar die de mens van deze tijd tot het symbool van 'menselijke verlangens en verlichtheid' heeft gesteld. De mens heeft de boog menselijk ingekleurd, nl. met 6 kleuren i.p.v. 7 kleuren. In de Bijbel is het getal 6 het getal van de mens, terwijl 7 het getal is van de Goddelijke volmaaktheid. Het verschil valt niet zo op en dat is juist het bedriegelijke en verraderlijke. Deze imitatie-boog spreekt van het 'karakter', van de 'verworvenheden', d.w.z. 'de waarden en normen' van deze moderne mens. Deze moderne, altijd tekortschietende, 6-kleurige boog spreekt van een valse hoop. Het hemelse teken van de Schepper wordt omgebogen naar een aards teken. De zondaar gaat in tegen de Eeuwige Schepper.
Wij denken dat de ruiter op het 'witte' paard, zich bedient van deze imitatieboog boog. De boog wordt over heel de wereld gezien, bij overheidsgebouwen, kerkgebouwen, sportevenementen en ga zo maar door, het is een teken van deze tijd, zoals het wit van het paard ook wel een soort teken lijkt van het medische wit van deze dagen en van de valse vrede, maar deze imitatie-boog staat niet aan de hemel, maar doet zijn ronde op aarde. Aards gerichte mensen geven de voorkeur aan deze valse boog, hemelsgerichte mensen verheugen zich bij het zien van de hemelse regenboog!
2. De ruiter wordt een krans gegeven. De Latijnse Bijbel vertaalt het woord als 'corona' en ons Latijns woordenboek zegt dat 'corona' staat voor 'krans' of 'erekrans'. Het woord heeft vooral een religieuze betekenis, als een hoofdtooi bij een offermaaltijd. Maar omdat slaven als zij verkocht werden een krans op het hoofd hadden, is er ook een uitdrukking 'sub corona vendere', d.w.z. 'onder een krans verkopen', d.w.z. 'als slaaf verkopen'.
Op 11 maart 2020 verklaarde de Wereldgezondheidsorganisatie dat het coronavirus een wereldwijde plaag was geworden. Plotseling begon de wereld te veranderen. In tegenstelling tot pandemieën uit het verleden, leek dit virus een kracht te hebben die alle landen van de wereld ertoe bracht om op dezelfde manier te reageren. Veel mensen voelen aan dat dit nog maar het begin is.
De krans, die de ruiter op het paard krijgt, is geen erekrans, want die krijgt men als men een overwinning heeft behaald. Uit wat volgt blijkt dat de ruiter op het witte paard geen overwinnaar is, ook al trekt hij uit om te overwinnen, nergens staat dat hij uiteindelijke daadwerkelijk de eindoverwinning behaalt (zie 3). Met andere woorden, hij draagt de krans ten onrechte.

Illustratie Wikipedia - Public Domain
In dit verband is het opvallend dat de UN-vlag gekenmerkt wordt door een twee tegenover elkaar liggende olijftakken met elk 6 bladeren, die samen een krans vormen. De vlag van de Verenigde Naties werd op 7 december 1946 in gebruik genomen en bestaat, volgens de officiële beschrijving ervan, uit een 'equidistante azimutale projectie' (zo staat het geschreven) van een kaart van de aarde, met de noordpool als middelpunt (tot 60°ZB). De wereld wordt omsloten door een krans van twee olijftakken, die de vrede symboliseren. De afgebeelde continenten staan voor alle mensen op aarde en die staan afgebeeld op een web van 5 concentrische cirkels die worden doorsneden door 3 diametrale assen. Dit witte embleem op de zogeheten hemelsblauwe achtergrond (PMS 2925) vormt de helft van de vlag en is precies in het midden gepositioneerd. Wat niet in de officiël beschrijving vermeld staat, maar geen geheim is, is dat de Zuidpool (Antarctica) op deze vlagkaart ontbreekt.
3. Het derde kenmerk van de ruiter op dit paard is dit: "hij trok uit, overwon, overwinnende en om te overwinnen ..."
Aanvankelijk heeft hij succes, maar als wij goed lezen, komen wij tot de conclusie dat hij de eindoverwinning niet behaalt. Hij begint goed, want hij trekt uit, overwon, overwinnende ...' maar dan lezen wij 'en om te overwinnen ...' Hij wil wel overwinnen, maar er staat niet dat het lukt en daarmee weten wij genoeg!
Deze ruiter heeft een bedriegelijke overwinningskrans gekregen, bovendien een bedriegelijke boog en een bedrieglijke kleur wit. Een drieledig embleem 'bedriegelijk' kenmerkt dit paard en zijn ruiter. De boog is een vast onderdeel van zijn verschijning, want er staat dat hij de boog had. De krans wordt hem echter gegeven, het is iets nieuws en tenslotte neemt hijzelf het initiatief: hij trekt uit, d.w.z. hij gaat macht uitoefenen en wil de macht in handen krijgen door overwinningen te behalen, maar na aanvankelijk succes, faalt hij. Alle deze dingen wijzen niet op de komst van Christus, maar op de komst van een valse christus, de bedrieger, ook wel genoemd de anti-christus. Daarom is hij niet de Christus, want alleen Christus is werkelijk Overwinnaar (‹Op. 19:11-16›).
Het is niet moeilijk om ons voor te stellen dat de enorme omwentelingen die we momenteel meemaken, zullen leiden tot nog grotere omwentelingen in de toekomst. Het zal volgens Openbaring 6 leiden tot vreselijk veel geweld, schaarste, hongersnood, teistering door wilde dieren en de pest. De wereld heeft nog nooit zo'n wereldwijd uniform, diep in alle levens ingrijpend 'regime' gezien. Communistische, kapitalistische, islamitische, democratische regeringen doen er allemaal eensgezind aan mee. Dat is werkelijk verbazingwekkend en tegelijk huiveringwekkend! De vraag rijst bij velen of het om de volksgezondheid gaat of om de controle op de mensheid. In het licht van het boek Openbaring zijn er goede redenen om aan te nemen dat er achter de schermen veranderingen gaande zijn die de individuele, maatschappelijke, politieke, economische en godsdienstige vrijheden op een diepgaande manier zullen beïnvloeden.
Eén ding is echter zeker, het Lam is gezeten op de troon van God en is waardig bevonden om de boekrol te openen (Openbaring 5:1-5). Heb jij je hart al geopend om dat Lam te laten plaats nemen op de troon van je hart? Zo nee, wat houd je nog tegen? Is niet ieder mens op één of andere manier verknocht aan zijn leven door genot, hoogmoed, rijkdom, verslaving, slechte gewoonten, eer van mensen, status ... al die dingen houden je van God af. Daarom blijft de oproep tot bekering, om je te bekeren tot de Levende GOD! Jezus Christus zegt (Openbaring 3:20) :
"Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Als iemand mijn stem hoort en de deur opent,
zal Ik binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij."
Simeon Petrus, de apostel van Jezus Christus zegt:
“Bekeer je en laat ieder van jullie zich dopen in de Naam van de HEERE Jezus,
tot vergeving van zonden,
en jullie zullen de gave van de Heilige Geest ontvangen."
Handelingen 2:38
... het rode paard
Wij gaan er dus vanuit dat de verzegelde Boekrol in Openbaring 5:1 door de Enige die waardig is om deze te openen, nu geopend is en dat het witte paard is uitgetrokken. Uit de verschijning van de volgende paarden zal blijken of dit inderdaad zo is.
Onze overtuiging is gegroeid uit biddend en aandachtig lezen en bestuderen van het boek Openbaring, niet uitgaand van het stramien van bepaalde leringen.
We willen je aanmoedigen om ook zelf de Openbaring van Jezus Christus zo met aandacht, gebed en in afhankelijkheid van de Heilige Geest te lezen en bestuderen. Hierdoor leer je geleidelijk om meer door de profetische bril die het boek zelf aanreikt te kijken.
Dan gaat God tussen de bedrijven van je dagelijkse leven door het boek voor je openen en geeft het licht op wat er in de wereld gebeurt en bovenal hoop en vertrouwen op Hem die spoedig komt.
"Gezegend is hij die (voor)leest en gezegend zijn zij die luisteren naar de woorden van deze profetie
en vasthouden aan wat daarin geschreven staat, want de tijd is nabij."
Openbaring 1:3
Maar niet iedereen heeft misschien de mogelijkheid om Gods Woord op die manier te onderzoeken, toch zal God in Jezus Christus allen, die op Hem hun vertrouwen gesteld hebben, redden en tot het Leven brengen naar zijn belofte, want Hij zegt:
"Voorwaar, voorwaar Ik zeg jullie:
Wie mijn woord hoort
en in Hem gelooft die Mij gezonden heeft,
heeft eeuwig Leven en komt niet in het oordeel,
want hij is overgegaan van de dood naar het Leven."
Johannes 5:24
Nu wordt het tijd om verder te lezen in Openbaring 6 ...
"Toen Hij het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede levende wezen zeggen: “Kom!”
En een rood paard trok uit, en aan hem die erop zat,
werd gegeven om de vrede van de aarde weg te nemen en dat zij elkaar zouden doden,
en hem werd een groot zwaard gegeven."
Openbaring 6:3, 4
()
Het is mogelijk dat het uittrekken van het witte paard begon toen de staat Israël op 14 mei 2018 zeventig jaar bestond sinds de oprichting ervan op 14 mei 1948. Anderhalf jaar later, eind 2019, was het coronavirus zijn opmars begonnen. Het leek wel of de regeringen er allemaal klaar voor waren, zo snel waren ze het wereldwijd eens over vrijheidsberovende maatregelen. Er was opeens ongekend veel 'geld' beschikbaar voor van alles en nog wat. Dat is natuurlijk in werkelijkheid niet zo, zodat men het er ook al lang over eens is dat we van het geld afmoeten en alternatieve oplossingen moeten bedenken, die natuurlijk ook al lang zijn bedacht. Maar daar kan natuurlijk niet iedereen gebruik van maken, want dan zou het te mooi worden om 'waar' te zijn, want de wereld bevindt zich op een zinkend schip, en hoelang zal het nog rond dobberen? Niet lang meer, 'het zal zeer zwaar weer worden' ...
Er zullen tekenen zijn in de zon, in de maan en in de sterren,
en op de aarde zal er verdrukking van de volken zijn
en men zal de handen op elkaar slaan van verbijstering over het bulderen van de zee,
en een aardbeving die de ziel van de mensen ineen zal doen krimpen
uit vrees voor wat er over de aarde komen zal,
en de machten van de hemelen zullen wankelen.
Lukas 21:25, 26
De passagiers aan boord van de Titanic werden volkomen overvallen toen het schip bij zijn eerste vaart op 15 april 1912 tegen een ijsberg opliep en begon te zinken. Men zei wel van het schip dat zelfs God niet in staat was het schip te laten zinken, maar van de ruim 2200 passagiers, verdronken er meer dan 1500. Het was opeens gedaan met de Titanic en zo zal het ook gaan met het verlangen van deze wereld, het zal niet krijgen wat het zo graag zou willen, want het berust ten diepste op de Leugen: 'Er is geen Waarachtige God!' Hoe vaak zeggen mensen niet: 'Wat is waarheid?' of: 'Wat is de waarheid?' Ja, velen zijn vervreemd van de waarheid.
Wij zijn inmiddels in het jaar 2022 aangeland en de eerste duidelijke tekenen van het rode paard zijn zichtbaar geworden met name omdat we voor onze ogen zien dat de vrede van de aarde nu wordt weggenomen: Oost en West staan weer tegenover elkaar en de frontlinies liggen bij Oekraïne en mogelijk binnenkort bij Taiwan. Maar het Midden-Oosten zou wel eens het grootste slachtveld kunnen worden.
Veel christenen lijken er de voorkeur aan te geven om de woorden van Gods profetie naar de zijlijn te verwijzen. Zelfs nu de woorden voor hun ogen uitkomen, menen zij nog dat we moeten afwachten of het wel zo is. Voor God gaat het niet om de strijd tussen oost en west en tussen noord en zuid, maar om de strijd tussen Licht en duisternis en het is duidelijk dat het Licht, dat is GOD, overwinnaar is in Jezus Christus, die het Licht van de wereld is. HIJ is de meerdere van hem die in de wereld is (1 Johannes 4:4) en die in de wereld is, is een mensenmoordenaar vanaf het begin (Johannes 8:44) en dat zal opnieuw in alle schrikwekkendheid in de komende jaren blijken.
Jezus Christus is de Waarheid en Hij komt spoedig terug en Hij zal een eind maken aan al die 'wilde plannen'. De wereldleiders zouden het bewust of onbewust wel willen voorkomen dat Hij een streep door de rekening zal zetten. Ja, en daarom, bewust of onbewust, richten zij de ogen op Israël, want op de Olijfberg naast Jeruzalem zal Jezus terugkomen. Maar de profeet Zacharia spreekt dit woord van God uit over Jeruzalem:
“Zie, er komt een dag voor de HEERE,
waarop je buit in je midden zal worden verdeeld!
Ik zal alle volken tegen Jeruzalem bijeenbrengen voor de strijd
en de stad zal ingenomen worden en de huizen zullen geplunderd worden
en de vrouwen zullen verkracht worden
en de helft van de stad zal in ballingschap uittrekken,
maar de rest van het volk zal niet uit de stad worden uitgeroeid.
De HEERE zal uittrekken en strijden tegen die volken,
als op de dag van de strijd, op de dag van de aanval.
Op die dag zullen zijn voeten staan op de Olijfberg
die tegenover Jeruzalem ligt, ten oosten ervan.
De Olijfberg zal in tweeën splijten naar het oosten en naar het westen,
zodat er een zeer grote vallei zal ontstaan.
De ene helft van de berg zal naar het noorden wijken
en de andere helft ervan naar het zuiden."
Zacharia 14:1-4
Ook daarom is het juist de islam die 'Al-Quds', d.w.z 'het Heiligdom' voor zich opeist, want anders zou Jezus wel eens terug kunnen komen zoals 'zij' dat niet verwachten en niet willen ... Jeruzalem, is een brandhaard! De stad en het land zijn sinds de terugkeer van de Joden voortdurend bedreigd, maar nu gaat het erop aankomen. Hoe zal het aflopen ...?
Wie bekend is met het boek Zacharia uit de Bijbel weet dat God in de laatste tijd zal optreden ten gunste van Jeruzalem en het zal verlossen, maar door grote en hevige oordelen heen. Het boek begint met een gezicht van paarden en ruiters, die Zacharia waarschijnlijk staande op de Tempelberg in een visoen ziet in het dal, waarschijnlijk in het Kidrondal. En dan zegt God door een engel tegen hem:
“Roep uit en zeg: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
‘Ik ijver met grote ijver voor Jeruzalem en voor Sion.
Met een grote uitbarsting van toorn ben Ik toornig
op die zelfgenoegzame volken,
die, toen ik nog naar in lichte mate in toorn was uitgebarsten,
het nog erger hebben gemaakt.”
“Daarom zo zegt de HEERE:
Ik ben vol ontferming naar Jeruzalem teruggekeerd.
Mijn Huis zal daarin gebouwd worden,
zo spreekt de HEERE van de legermachten,
en het meetsnoer zal over Jeruzalem uitgespannen worden.”
Zacharia 1:14-16
Maar waarom, als God dan met zo'n macht terugkeert, laat Hij het volk Israël dan nog zo in benauwdheid komen en laat Hij de volken nog zo'n vreselijke tijd doormaken in de komende dagen. Is God dan een God die niets doet aan al die ellende? Petrus, de apostel en de volgeling van Jezus zegt het zo:
De HEERE stelt zijn beloften niet uit,
ook al zien sommigen het als uitstel,
maar Hij is uiterst geduldig met jullie
omdat Hij niet wil dat iemand verloren gaat,
maar dat iedereen tot bekering komt.
2 Petrus 3:9
Dit woord is er al 2000 jaar, we vertellen niets nieuws. Het is niet zomaar een woord, want het staat in de Bijbel, en die is beschikbaar en leesbaar voor mogelijk wel meer dan 99% van de wereldbevolking. Voor wie niet lezen kan, zijn er bovendien nog vele audio-bijbels en bovendien kan met de bijbel door nee naaste laten voorlezen. Welk Boek in de wereld spreekt van een GOD, die zijn Leven gegeven heeft voor het leven van de Mensen? Alleen het Evangelie van Jezus Christus.
Geloof jij, gelooft u in Jezus Christus?
Weet dan dat al deze dingen ook betekenen dat het lijden en de vervolging dichtbij zijn, want als u doorleest in Openbaring 6 worden de martelaren in beeld gebracht onder het altaar, waarvan de laatste rest, de nog levenden, opgenomen worden als Jezus komt om hen te halen, waarvan we lezen in 1 Tessalonicensen 4:16-18 en Openbaring 7:9-17.
Heeft God een oogje op Israël? Zeker, Israël is zijn oogappel, maar het is nu net zo zondig als Sodom en als Egypte, net zoals heel de tegenwoordige wereld. Zolang enig mens, Jood of Arameeër, Griek of barbaar, wijze of dwaze zijn Zoon niet aanvaard, zal die mens het Koninkrijk van de hemelen niet beërven en verloren gaan. Ieder mens dient zich te bekeren tot de Levende GOD, tot Jezus Christus, opdat hij niet onder het oordeel valt.
Jezus Christus zegt:
“Zie, Ik kom spoedig!
Gezegend is hij, die de woorden van de profetie van dit boek bewaart.”
Hij houdt een boog vast. De boog vormt een bedreiging, de pijlen ervan (die overigens niet genoemd worden) vliegen door de lucht en als je getroffen wordt, kan het zijn dat je niet weet, wie de pijl afgeschoten heeft. In de Bijbel lezen wij dat de tegenstander van God ook een boog heeft, die hij richt op de rechtvaardige. Daarom lezen wij in Ps. 60:6 “Hen die U vrezen hebt U een banier gegeven, om naartoe te vluchten voor de boog.” En in Klaagliederen 3:12 lezen wij dat godvrezende Jeremia zegt: “Hij heeft zijn boog gespannen en mij tot doelwit voor zijn pijl gemaakt.” En in Ps. 11:2 lezen wij: “Want zie, de boosdoeners spannen de boog, zij leggen hun pijlen op de pees, om in het donker op oprechten van hart te schieten.” Wie bij God schuilen, zullen het moeilijk krijgen onder deze ruiter.
Van de ruiter op het witte paard wordt gezegd dat hem een kroon gegeven wordt. Ons Latijns woordenboek zegt dat ‘corona’ staat voor ‘krans’ of ‘erekrans’. Het woord heeft vooral een religieuze betekenis, als een hoofdtooi bij een offermaaltijd. Maar omdat slaven als zij verkocht werden een krans op het hoofd hadden, is er ook een uitdrukking ‘sub corona vendere’, d.w.z. ‘onder een krans verkopen’, d.w.z. ‘als slaaf verkopen’ (‹‘sub corona vendere’›). Het woord ‘corona’ is in zekere zin synoniem met het Latijnse ‘diadema’, dat is diadeem. Op 11 maart 2020 verklaarde de Wereldgezondheidsorganisatie dat het coronavirus, d.w.z. het krans-virus een wereldwijde plaag was geworden. Plotseling begon de wereld te veranderen. In tegenstelling tot pandemieën uit het verleden, leek dit virus een kracht achter zich te hebben die alle landen van de wereld ertoe bracht om op dezelfde manier te reageren. Dit ‘krans-virus’ begon mensen over de hele wereld te treffen. Bedrijven ontsloegen meer mensen dan ooit tevoren. Minder belangrijke bedrijven hebben orders gekregen om te sluiten en in bijna elk land ter wereld zijn massale quarantaine voorzieningen opgezet. Markten crashten, met vrij wereldwijd reizen was het vlug afgelopen en tal van vrijheden en voorrechten werden en worden opeens beknot en het wereldbestel maakt zich klaar voor de grote ‘reset’.
The emblem's design is described as:
A map of the world representing an azimuthal equidistant projection centred on the North Pole, inscribed in a wreath consisting of crossed conventionalized branches of the olive tree, . . . The projection of the map extends to 60 degrees south latitude, and includes five concentric circles.
— Official Seal and Emblem of the United Nations, Report of the Secretary-General, 15 October 1946[1]
The olive branches are a symbol for peace, and the world map represents all the people and the countries of the world.
White and blue are the official colours of the United Nations. The size of the emblem on the UN's flag is one half the width of the flag itself.
In dit verband is het opvallend dat de UN-vlag gekenmerkt wordt door een twee tegenover elkaar liggende olijftakken met elk 6 bladeren, die samen een krans vormen. De vlag van de Verenigde Naties werd op 7 december 1946 in gebruik genomen en bestaat, volgens de officiële beschrijving ervan, uit een 'equidistante azimutale projectie' (zo staat het geschreven) van een kaart van de aarde, met de noordpool als middelpunt (tot 60°ZB). De wereld wordt omsloten door een krans van twee olijftakken, die de vrede symboliseren. De afgebeelde continenten staan voor alle mensen op aarde en die staan afgebeeld op een web van 5 concentrische cirkels die worden doorsneden door 3 diametrale assen. Dit witte embleem op de zogeheten hemelsblauwe achtergrond (PMS 2925) vormt de helft van de vlag en is precies in het midden gepositioneerd. Wat niet in de officiël beschrijving vermeld staat, maar geen geheim is, is dat de Zuidpool (Antarctica) op deze vlagkaart ontbreekt.
|
WHO |
Identical to the UN flag, with a Rod of Asclepius, a traditional symbol of medicine, added. |
Zou het kunnen dat het eerste zegel is opengegaan en het witte paard is uitgetrokken? Het lijdt weinig twijfel meer, want kunnen wij al niet zeggen dat dit witte paard ‘overwon’ (de massa’s volgen gedwee) en dat het ‘overwinnende is’ (de overheden lijken op een heel heel enkele uitzondering na zich volledig over te leveren en te onderwerpen aan dit beleid dat geleid wordt door de VN) en dat het is uitgetrokken ‘om te overwinnen’ (er lijkt hier een doel gesteld te zijn dat ten slotte niet wordt bereikt, immers er is maar één Overwinnaar, Jezus Christus - Op. 19:11-16).
Dat Op. 6 ook profeteert van geweld, schaarste, pestziektes en zelfs van wilde dieren en van wereldwijde christenvervolgingen zal voor velen nog ongeloofwaardig overkomen, maar wie gelooft in de betrouwbaarheid van Gods Woord bereid zich op die dingen voor.
Het zal dan ook niet heel lang meer duren tot ook het volgende zegel opengaat en zo ook het zesde zegel waarbij wij lezen dat de mensen zich verbergen in de holen en grotten voor de toorn van het Lam. De woorden spreken ook van grote geografische en geologische veranderingen die op aarde zullen plaatsvinden. Het zal een adembenemend gebeuren zijn en de mensen zullen radeloos zijn en in grote angst en wanhoop op de vlucht slaan en zich verbergen, want zij weten dat zij schuldig zijn, zeer schuldig aan het bloed van de martelaren en schuldig tegenover het Lam aan wie al die slachtschapen (de gedode christenen), maar ook schuldig aan het bloed van vele anderen. Daarom zeggen zij: Verberg ons voor het aangezicht van het Lam (‹vs. 16›). Daarom is er goede reden om aan te nemen dat het Lam van God zichtbaar zal worden. Immers in Op. 4 en 5 lezen wij over de troon van God in de hemel en over het Lam dat is als geslacht, dat zit op de troon. Als wij nu aansluitend in Op. 6:14 lezen dat de hemelen wijken en opgerold worden, dan wil dat o.i. niets anders zeggen dan dat de hemel opengaat en dat het Lam door heel de mensheid gezien wordt. Wel zal het Lam eerst nog de zijnen, de volheid van de martelaren tot Zich nemen, maar dan valt er een stilte van een half uur in de hemel, voordat de ramshoorns zullen schallen ... en dan ziet heel de zondige wereld een half uur lang op Lam op de troon - dit is o.i. het teken van de Mensenzoon - een half uur lang van volkomen stilte in de hemel! (zie Op. 7:9-17 en 8:1.)
Ook anderen verwachten dat zichtbaar worden van het Lam van God als de hemelen wijken onder het zesde zegel. Men wist ook op de overeenkomsten met de tekst van Mt. 24:
1. de zon wordt verduisterd en de maan geeft geen schijnsel meer (‹vgl. Mt. 24:29 met Op. 6:12›)
2. de sterren vallen uit de hemel (‹vgl. Mt. 24:29 met Op. 6:13›)
3. de machten van de hemel worden geschud (‹vgl. Mt. 24:29 met Op. 6:14›)
4. het teken van de Mensenzoon zal aan de hemel verschijnen (‹vgl. Mt. 24:30 met Op. 6:15-16›)
... hier is o.i. een lacune, in de woorden van Jezus Christus die Hij aanvult door het zenden van de Openbaring door de hand van een engel aan de apostel Johannes op Patmos, een lacune die nu wordt opgevuld door de tekst van Op. 8- 19.
... aansluitend lezen wij in Mt. 24:31 over het bijeenbrengen van de uitverkorenen, de Gemeente van Jezus Christus, uit de vier windstreken van het ene uiterste van de hemel tot aan het andere uiterste, wat overeenstemt met de tijdsvolgorde in het boek Openbaring waar wij in Op. 7 van de opname van de grote schare (Op. 7:9-17)
5. alle stammen van de aarde zullen weeklagen (‹vgl. Mt. 24:30 met Op. 6:16-17›)
******
Wij willen voordat wij overgaan van de bespreking van Op. 6 naar de bespreking van Op. 7 nog de aandacht vestigen op de situatie van Israël in deze laatste dagen. Als namelijk, bij het één voor één opengaan van de zegels, Israël zou besluiten de Tempel te herbouwen (de meningen hierover zijn onder de Joden verdeeld. Chassidische Joden menen vaak dat de Messias de Tempel zal herbouwen. Zij beroepen zich voor deze opvatting op Zach. 6:12, 13. Vgl. Jer. 23:5-6), mogelijk met gedoogsteun van de nieuwe Arabische bondgenoten, dan zou dit een reactie van de achter de coulissen werkzame ‘hij’-figuur uitlokken. De plannen en bouwstenen voor de herbouw van de Tempel liggen echter al klaar, de rode vaars is gevonden. Het Tempel Instituut (opgericht in 1986 - rabbi Yisrael Ariel) coördineert de hele voorbereiding. In een half jaar, zo niet in drie maanden, kan de Tempel herbouwd worden. Grote Joodse mannen maken zich al jaren sterk voor die herbouw, zoals de bekende activist Yehuda Glick, die uitvoerend directeur van het Tempel Instituut geweest is en nu voorzitter is van de Temple Mount Heritage Foundation. Een andere belangrijke organisatie ‘De Getrouwen van de Tempelberg’, staat o.l.v. Gershon Salomon. Hij komt uit een familie die al sinds 1811 in het land woont. Als militair was hij betrokken bij de militaire eenheid die in de zesdaagse oorlog in 1967 de Tempelberg veroverde, nadat zij door de Oostelijke poort de stad waren binnengedrongen. De organisaties hebben als doel om de Tempeldienst weer te herstellen op de Tempelberg en zij zijn daar onvermoeibaar mee bezig.
Als dit streven op één of andere manier zou gaan uitwerken in de komende dagen, dan zal dat ongetwijfeld scherpe reacties uitlokken vanuit de VN en aanleiding zijn voor gewelddadige reacties vanuit de islamitische wereld. De reacties kunnen uit ogenschijnlijk zeer verschillende hoeken komen, maar zij zullen dit gemeenschappelijk hebben dat zij tegen Israël, tegen de herbouw van de Tempel en ook tegen christenen gericht zullen zijn, Vaak ziet men christenen als bondgenoten van Israël en in zekere zin zijn zij dat ook, maar niet op grond van het vlees, maar door het geloof in Jezus Christus. Als dit zo zou gaan gebeuren, dan moeten wij ons niet verbazen als er pogingen in het werk gesteld zullen worden om die herbouwde Tempel te ontheiligen. Dit zou wel eens de rode draad kunnen vormen van de strijd die in de eindtijd gaat ontbranden en waarover wij vanaf Op. 6 tot aan Op. 19 lezen.
Maar als de 144.000 Joodse christenen (zie Op. 7), zodra zij verzegeld worden en daarmee onoverwinnelijk zijn geworden (zie Op. 7:1-8), zich opstellen in het Tempelgebied, dan staan de vijanden van Israël en van de God van Israël plotseling en volkomen onverwacht tegenover een onoverwinnelijke tegenstander. Vervolgens treden in Op. 8 en 9 Gods oordelen over deze wereld in werking zodat alle mensen en leiders in die dagen niets vermogen tegen de herbouwde Tempel, door de pijniging (Op. 9:5) en door een demonische oorlog (Op. 9:13-21). Vervolgens treden de twee getuigen op, die het 3,5 jaar volhouden. Pas na 3,5 jaar worden zij door het beest en zijn legers toch overwonnen en gedood (Op. 11:7-10). Daaraan kunnen wij zien dat het beest al in de eerste helft van de jaarweek in opmars is. Waarschijnlijk zal al in de eerste helft van de 1e jaarweek of zelfs daarvoor duidelijk worden dat het beest de machtigste is vanuit werelds perspectief: door zijn geweldige macht, zijn leugens, zijn misleidende tekenen en door het genezen van de dodelijke wond van het beest, de wond van het zwaard (Op. 13:12, 14). Dat alles en de grote tekenen en wonderen die ‘hij’ zal doen, zullen maken dat de wereld hem zal volgen. ‘Hij’ zal het verbond voor velen zwaar maken of ‘hij’ zal aan velen een verbond opleggen. Zou ‘hij’ de wereld met een verbond misschien willen verplichten om geen ander te aanbidden dan hem alleen? Of zal hij het verbond schenden zoals wij zouden kunnen vermoeden op grond van Ps. 55:21 “Hij slaat zijn handen aan hen met wie hij vrede gesloten had, hij schendt zijn verbond.”?
In ieder geval zullen die offers eerst in de Tempel gebracht worden, vóórdat halverwege de jaarweek de offers na het optreden van de twee getuigen door het ingrijpen van het beest zullen stoppen. Waarschijnlijk zal de offerdienst bij de ingebruikname van de Tempel direct ingested worden. Zolang de twee getuigen profeteren zal ‘hij’ die offers niet aan God kunnen ontnemen. In die jaren zal de ‘antichrist’ zich vast beraden op de vraag hoe ‘hij’ de twee getuigen die macht over dat Tempelgebied zou kunnen ontnemen. ‘Hij’ zal bijvoorbeeld aan de VN voorstellen dat een internationale ‘vredesmacht’ een einde moet maken aan ‘die ontheiliging van dat islamitische heiligdom’. Zo zal ‘hij’ met zijn leugens de wereld wellicht verleiden om hem in zijn regelrechte opstand tegen de WARE GOD, de God van Abraham, Izak en Jakob, te volgen. Het zal allemaal spoedig duidelijk worden.
******
DEEL III. 3 Intermezzo 2 De tijd staat a.h.w. stil en legerscharen van gelovigen worden bevrijd (Op. 7)
In Op. 7 worden twee belangrijke gebeurtenissen beschreven:
A. 144.000 gelovigen uit Israël worden aan het voorhoofd verzegeld met het zegel van God, 12.000 uit elke stam. Dit zijn gelovigen en zij zullen een zeer bijzondere rol gaan spelen (Op. 7:1-8, Op. 9:4 en Op. 14:1-5 - vergelijk ook Ez. 9). Hen wordt van nu af geen schade toegebracht, ze zijn onkwetsbaar geworden voor alle demonische macht die zal gaan losbarsten. Zij gaan hun plaats innemen in de Tempel, wat heel duidelijk blijkt uit Op. 14:1, wij hebben daar al over gesproeken bij de bespreking van Op. 6. Maar er zijn nog meer Bijbelse redenen om te veronderstellen dat zij in de Tempel zullen zijn.
In de Bijbel lezen wij dat God vanaf het begin speciale tekenen (H226 - אֹתוֹת - otot›) aan de mens(en) geeft, dat zijn eigenlijk uiterlijke tekenen die de mens iets onderwijzen:
- Gen. 1:14 - God schiep de zon, maan en sterren, als tekenen van vaste tijden, dagen en jaren
- Gen. 4:15 - God gaf een teken aan Kaïn, opdat ieder die hem vond, hem niet zou doodslaan
- Gen. 9:12, 17 - God gaf de regenboog als een teken van zijn verbond met Noach
- Gen. 17:11 - God gaf de besnijdenis als teken van het verbond tussen Hem en Abraham
- Ex. 3:12; 4:8, 9, 17 - God gaf tekenen aan Mozes die hij met zijn staf zou doen
- Ex. 12:13 - God gaf het bloed als teken op de deuren van de woningen van de Israëlieten ter bescherming tegen de dood
- Ex. 31:13,17 - God gaf de sabbat ten teken dat “Ik de HEERE ben, die jullie heiligt!” en dat Hij op de zevende dag rustte.
- Num. 27:25 - God gaf de bloeiend staf van Aäron als een teken
- zie ook 1 Kn. 13:3; 2 Kn. 19:29; 2 Kn. 20:9; Jes. 7:4 enz.
De reeks is indrukwekkend, maar het zegel dat op de voorhoofden van de 144.000 wordt aangebracht gaat dieper en is niet zozeer een uiterlijk verbondsteken, maar de uitdrukking van een innerlijke wezensverbondenheid van God met de verzegelde persoon. Er is in de Bijbel maar één passage waarin nog een verzegeling, zoals die beschreven wordt in Op. 7:1-8, voorkomt en dat is Ez. 9. in het OT. Dat hoofdstuk heeft betrekking op de reiniging van Jeruzalem van goddeloze mannen, vrouwen en kinderen, te beginnen vanaf de Tempel (Ez. 9:6). Het optreden van 6 mannen met hun vernietigingswapen in hun hand, voorafgegaan door 1 man in hun midden gekleed in linnen met een schrijfkoker aan zijn middel, roept herinneringen op aan het optreden van de Levitische priester Pinehas, de zoon van Eleazar, in Num. 25, die dwars door de legerplaats ging met zijn speer in de hand, om daarmee de Israëlitische man te doden die een Midianitische tot vrouw had genomen. Deze zonde was er de oorzaak van dat 24.000 Israëlieten omkwamen door de plaag die God over het volk bracht in verband met deze zonde. Zie ook Ps. 106:28-31.
Daarvóór is er in Ez. 5 sprake van de afkondiging van het oordeel over een door de Babylonische vorst Nebukadnezar belegerde Jeruzalem stad (vergelijk Ez. 5:1-4, 12 met Zach. 13:8). Allereerst kondigt de profeet Ezechiël voedsel- en watertekorten aan over de stad, waardoor 1/3 van de bewoners van de stad zal omkomen door de honger en de pest (Ez. 4:16, 17 en Ez. 5:10, 12). Vervolgens zal 1/3 van de inwoners van de stad door het zwaard gedood worden (Ez. 5:1, 12) en 1/3 zal worden verspreid naar alle windstreken, maar een restje daaruit zal in de brandende stad gelouterd worden en tot een vuur worden tegen heel het huis van Israël (Ez. 5:4). Deze laatste woorden worden door vrijwel alle commentatoren opgevat als een strafrechterlijk oordeel over degenen die uit Babylon zouden terugkeren, een oordeel dat de commenatoren dan gerealiseerd zien in de val van Jeruzalem en de verbranding van de stad in 70 n. Chr. door de Romeinen. Toch zitten er wel een paar haken en ogen aan die visie, want die totale vernietiging van de stad lijkt volkomen tegengesteld aan de bedoeling van de tekst in Ez. 5, die er juist op wijst dat een deel zal worden bewaard, en dat vervolgens daaruit weer een heel klein deel in het vuur zal worden gelouterd om vervolgens een bestraffende en reinigende werking over de stad te uit te oefenen. K&D wezen in de 2e helft van de 19e eeuw al op deze strekking maar verbonden dat met de komst van Jezus Christus en de verkondiging van het Evangelie. Maar die uitleg, hoewel qua karakter in orde, ziet over het hoofd dat het boek Ezechiël in alle opzichten in de verre toekomst ziet en in het bijzonder het oog gericht houdt op de toekomst van Israël en Jeruzalem, maar vooral op de toekomst van de Tempel. Wij menen daarom dat Ezechiël ons meeneemt naar gebeurtenissen die in de verre toekomst liggen en verband houden met de eindtijd. De mannen die in Ez. 9 een teken op hun voorhoofd krijgen, zijn de rechtvaardigen, die zuchten en kermen om de gruwelen die in de stad plaats vinden. Zij moeten wel dat gelouterde restje zijn uit de zoom van het kleed van de profeet (Ez. 5:3, 4). Het woordje ‘daarvandaan’ in Ez. 5:3 wil zeggen ‘uit Babel’. Dat betekent dat dat een tijd later zal gebeuren, dan de gebeurtenissen met betrekking tot de drie derde delen van de inwoners van Jeruzalem. En als wij vervolgens in Ez. 5:4 lezen ‘uit hen’ wil dat niet alleen zeggen dat ze genomen zullen worden uit het overblijfsel van Israël dat uit de Babylonische ballingschap terugkeerde naar Jeruzalem, en o..i. zal dat pas veel later in de in eindtijd gebeuren, want in zekere zin is het huidige Israël dat zich in de 20e eeuw weer in het land gevestigd ook te beschouwen als een rest die via een hele lange omweg uit de Babylonische ballingschap terugkeerd is, ook al is dat vele eeuwen later.
Men heeft Ez. 5:4 wel zo uitgelegd als dat door de komst van Christus, het vuur van het Evangelie werd ontstoken voor de wereld en ook voor Israël (Lk. 12:49). Maar hoewel die gedachte mooi is — want door wie anders dan alleen door Jezus Christus kan de vergeving van zonden en de loutering van het hart plaatsvinden dan door zijn Bloed en door Zijn Geest en Woord — toch lijkt dat niet te kloppen met de tekst omdat er toch nog sprake is van meerdere ‘haren’, d.w.z. van meerdere Israëlieten die die reiniging en loutering zullen ondergaan (Ez. 5:4) en dat daarvan een louterende werking zal uitgaan over Israël. De Makkabeeën zijn niet dit plukje haar dat gelouterd werd door het vuur, want zij zijn niet genomen uit degene die uit de ballingschap terugkeerden, maar zij horen bij die teruggekeerden en waren deel van hen. Wij veronderstellen dat dit plukje haar de 144.000 aan het voorhoofd verzegelde volgelingen van het Lam in de eindtijd zijn in Op. 7:1-8 en in Op. 14:1-5, want zij komen geestelijk gezien pal tegenover het huidige Israël te staan, tegenover Israël dat zijn Messias niet wil erkennen. De 144.000 zullen het volk Israël bestraffen en louteren, nadat zij zelf in Christus volmaakt gelouterd zijn voor hun taak in de eindtijd.
We komen de gerichten uit Ez. 4 en 5 ook tegen in Ez. 14:12-23 waar er vier worden genoemd. Onder de vier gerichten is er ook één met de wilde beesten (Ez. 14:15, 16). Deze vreselijke gerichten komen wij ook in Op. 6 tegen bij het uittrekken van de eerste vier paarden. Die overeenkomst wil o.i. zeggen dat de profeet Ezechiël in de genoemde gedeelten (Ez. 4, 5, 9 en 14) ons inzicht wil geven in de gebeurtenissen die in de komende dagen in en om Jeruzalem zullen plaats vinden, nu de boekrol is opengegaan en het witte paard met zijn kroon(-virus) is uitgetrokken om heel de wereld onder zijn controle te krijgen. Als zal blijken dat dat allemaal niet gaat lukken, dan komt ‘hij’ met een nog ingrijpender plan, namelijk het merkteken en de ermee verbonden aanbidding van het beest en zijn beeld, waardoor mensen voor altijd in de hel zullen komen (Op. 13:16, 17; 14:9-11).
B. de opname van een grote, ontelbare schare uit de grote verdrukking (Op. 7:9-17). Zij danken de Heer voor hun redding (Op. 7:10) en aanbidden God (Op. 7:12). Zij komen uit alle volken, stammen, talen en natiën, d.w.z. dat daar ook de gelovigen in de gekruisigde Jezus Christus uit Israël bij zijn, net zoals uit alle andere natiën, volken, talen en stammen. Dit is de Gemeente, de opname waarvan 1 Th. 4:15-17 spreekt, ook al is er hier in Op. 7 geen sprake van het roepen van de aartsengel (= het hoofd van de engelen), en ook niet van het klinken van een ramshoorn, zoals 1 Th. 4:16 daarvan spreekt. We komen hier nog op terug.
Dit is de opname van de Gemeente waarvan 1 Th. 4:15-17 ons spreekt, maar ook Jh. 14:1-3, Rom. 8:19, 1 Kor. 1:7,-8, 1 Kor. 15:22-23, Fil. 3:20-21, Kol. 3:4, 1 Th. 1:10, 1 Th. 2:19, 1 Th. 4:13-18, 1 Th. 5:23, 2 Th. 2:1, 1 Tm. 6:14-15, Tit. 2:13, Heb. 9:28, Jak. 5:7-9, 1 Pt. 1:7, 1 Pt. 1:13, 1 Jh. 2:28-3:2, Jds. 1:21, Op. 2:25, Op. 3:10, Op. 6:9-17, Op. 7:9-17. Ook de gelovigen die al eerder zijn gestorven, dienen wij hiertoe te rekenen. Dit is ook de ‘eerste bruid’ van Jakob, nl. Lea, en aan het eind van de jaarweek, waarvoor de HEERE Jezus Christus gedurende de laatste jaarweek nog 7 jaar moet werken, zal hij ook de ‘tweede bruid’ tot Zich nemen, dat is Rachel, die staat voor zijn allerliefste Israël (‹Gen.29:16-28›). Zoals Jakob in en door zijn liefde voor Rachel zich ook Lea als bruid verwerft, zo verwerft de HEERE Jezus Christus in zijn liefde voor Israël, zich ook de Gemeente uit alle volken!
Het voorgaande betekent dat God in Op. 7 twee ‘groepen’ veilig stelt uit de vervolging die in volle hevigheid losgebarsten is onder het 5e zegel, een vervolging die vast ook daarvóór al aan de gang zal zijn (zie Op. 6, het 5e zegel).
De eerste ‘groep’ (A.) van 144.000 zijn gelovigen, Joodse christenen (zie Hd. 11:26) die deel uitmaken van de Gemeente, maar om hun bijzondere bereidheid om het Lam te volgen en om Gods wil, zijn zij uitgekozen als lijfwachten van de Heer bij zijn komst naar de aarde. Wij denken dat zij als eerstelingen naar zijn Tempel gebracht worden, als eerstelingen van de oogst, allereerst naar zijn aardse Tempel op de berg Sion (‹Op. 11:1, 2 en Op 14:1›). Zij volgen Hem waar Hij ook maar gaat (‹Op. 14:3, 4›), zij vormen zijn priesterlijke lijfwacht. Twaalfduizend strijders in Israël betekende 1000 strijders uit elke stam en dat was een geliefd aantal. Salomo had b.v. 12.000 ruiters. Hier in Op. 7 is sprake van 12 keer 12.000 man per stam, een geweldig sterke lijfwacht. God heeft de 144.000 uitgekozen om bij het Lam te zijn. (zie de noot bij Op. 7:4).
Deze 144.000 gaan niet het Evangelie verkondigen, zoals velen menen. Dat staat nergens in de bijbel, bovendien is dat de eeuwen door al gebeurd: als eerste door het Joodse volk, en wel in het bijzonder door de apostelen en discipelen die uitgaande van Jeruzalem onder alle volken het Evangelie van Jezus Christus bekend hebben gemaakt. In Gods reddingsgeschiedenis is er geen ‘herhalingsoefening’ voor het tijdperk van Israël, en geen ‘herhalingsoefening’ voor het tijdperk van de Gemeente. Elk tijdperk is uniek in Gods handelen. Zo ontvouwt Hij zijn machtige plan van de eeuwen.
De tweede ‘groep’ (B.) is de Gemeente die op aarde achterblijft tot aan zijn komst. Zijn komst is zeer spoedig! Zijn komst is niet alleen het zetten van zijn voeten op de Olijfberg (Zacharia 14), dat is het allerlaatste moment van zijn komst. Maar wij menen dat het Lam van God, nadat het in Op. 4 op de troon gezien is door Johannes, aan de hemel zichtbaar zal worden op het moment dat de hemelen terugwijken in Op. 6:12-17 onder het zesde zegel, want de mensen zeggen niet zonder reden: “Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van het Lam, want de grote dag van zijn toorn is gekomen, en wie kan standhouden!” Hoe komen zij bij die woorden? Welnu, omdat zij het Lam ZIEN, en beseffen wat zij gedaan hebben met de martelaren die bij het openen van het 5e zegel zichtbaar worden! onmiddellijk daarop daalt het Lam door de geopende hemel verder af en verzamelt de nog op aarde overgebleven gelovigen bij zich voor zijn troon, de grote schare (Op. 7:9-17), en vervolgens voegt Hij er in Op. 11:12 nog de TWEE getuigen bij!
Deze komst van de Heer is niet geheim en ook is de opname van de gelovigen geen verborgen gebeurtenis! Maar de wereld zal zich verbergen voor zijn toorn! Hij zal zijn voeten nog niet op aarde zetten, maar op de wolken komen en Hij zal de grote schare, de op aarde nog in leven zijnde gelovigen, bij Zich nemen vóórdat ook zij vermoord zouden worden zoals de martelaren onder het altaar!
Maken de al overleden en gedode martelaren deel uit de grote schare? Ja en nee. Zij zijn al voor de grote schare uit in Christus gestorven en gaan als eersten naar Hem toe, zoals in 1 Th. 4:15-17 te lezen staat. Zij zijn voor de grote schare uit, vanuit hun graven, naar de Heer toegegaan. De grote schare van nog achtergebleven op aarde levende gelovigen volgen hen na en gaan naar God met Jezus Christus mee op de wolken.
Heel belangrijk is om te zien dat de grote schare uit alle volken, talen, natiën, stammen en talen komt, en daaronder zijn dus ook vele gelovige Joden die Jezus Christus als hun Redder en Heer hebben leren kennen en in Hem zijn gaan geloven, net als alle andere mensen uit alle delen van de wereld.
Ook is er nog de eerder genoemde vraag over het klinken van de laatste ramshoorn bij het geroep van een aartsengel (het hoofd van de engelen). De laatste ramshoorn waarvan 1 Th. 4:16 spreekt, moet o.i. wel de 7e ramshoorn zijn in Op. 11:15-19. Bij het klinken van die ramshoorn is de grote schare met de 2 getuigen in de hemel aangekomen. De Heer is neergedaald van de hemelen, Hij heeft de gelovigen opgenomen en met Zich meegenomen op de wolken naar de hemel. Dat klopt met 1 Th. 4:15-17 want daar is sprake van het neerdalen van de Heer bij het roepen van een aartsengel en bij het klinken van een ramshoorn van God (zie Op. 11;7, 15). Er zijn ook luide stemmen in Op. 11:15 waaronder mogelijk die van de aartsengel, het hoofd van de engelen, waarvan 1 Th. 4:17 spreekt. Als onze weergave zo juist is, dan lijkt voldaan te zijn aan alle kenmerken die ons in 1 Th. 4:15-17 daarover worden meegedeeld en weten wij dat de opname zich hier heeft voltrokken!
De tekst van 1 Th. 4:15-17 doet ons vaak denken dat dat neerdalen en de stem van de aartsengel en de klank van de ramshoorn voorafgaan aan of samenvallen met de Opname van de Gemeente, maar wie goed leest, zal constateren dat dat niet het geval is. Het gedeelte beschrijft wel dat de opname nauw zal samenvallen met het neerdalen van Jezus Christus, de roep van de engel en de ramshoorn, maar de tekst gaat vooral in op de volgorde waarin de gelovigen met de Heer verenigd zullen worden, nl. dat de gestorven gelovigen de nog levende gelovigen zullen voorgaan. Onze gedachte is dan ook dat wat wij in Op. 7:9-17 lezen over de grote schare, de opname betreft van de nog op aarde levende gelovigen, de aanstaande hemelse bruid. De gestorven gelovigen zijn in Op. 7 al bij de Heer (zie Fil. 1:23) en wachten bij Hem en zijn dus de nog levenden gelovigen voorgegaan.
Het kan zijn dat zij eerst met hun opstandingslichaam verenigd zullen worden en dat pas daarna ook de achtergebleven gelovigen hen zullen volgen naar de hemel. Het opstandingslichaam is niet noodzakelijkerwijs ook het verheerlijkte lichaam, want ook Jezus ontving eerst een opstandingslichaam en pas daarna een verheerlijkt lichaam toen Hij naar de hemel ging (zie ook 1 Th. 4:14).
Het neerdalen van de Heer om de Gemeente op te halen met inbegrip van de twee getuigen, is dus zijn komst voor de Gemeente, maar het is niet het moment dat Hij zijn voeten op de Olijfberg zet (Zach. 14:4).
Voor wie de gedachte van de opname van de Gemeente nieuw en ongewoon is, zal een nauwkeurige bestudering van de 1e en 2e Thessalonicenzenbrief voldoende zijn om een eerste besef te krijgen van de bijbelse achtergrond van deze gedachte, die al in de opname van Henoch in Gen. 5:24 als een schaduwbeeld wordt geprofeteerd. Anders dan vaak wordt gedacht en beweerd, was de opname niet pas sinds het onderwijs van J.N. Darby (1800-1881) in de christenheid bekend als onderdeel van de wederkomst van Jezus Christus, want ook de vroege kerkvaders onderwezen de opname, als onderdeel van de christelijke toekomstverwachting. We citeren enkele van deze kerkvaders:
“De hemelen weken uiteen en werden als boekrollen opgerold, en elke berg en alle eilanden werden van hun plaats gerukt.” (Op. 6:14) ... dat de hemel opzij geweken is, betekent dat de Gemeente zal worden opgenomen. Dat alle bergen en eilanden worden weggerukt uit hun plaatsen, geeft aan dat in de laatste vervolgingen alle mensen vertrekken van hun plaatsen, dat wil zeggen dat de goeden zullen worden verwijderd teneinde (verdere) vervolging te voorkomen ...” (Victorinus van Pettau - 270-303 v. Chr.)
“En daarom, als in de eindtijd de Kerk plotseling hieruit zal worden opgenomen, staat er geschreven: ‘Dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld tot nu toe, en er ook nooit meer zijn zal.’ (Mt. 24:21). Want dat is de laatste beproeving van de heiligen, waarin zij, als zij overwinnen, gekroond zullen worden met onvergankelijkheid.” (Irenaeüs - Tegen de Dwaalleringen, Boek V, Hfdst. XXIX, sectie 2. Ireneaus leefde ong. van 140-202 n. Chr.)
“Alle heiligen en door God uitverkorenen zullen vóór de verdrukking die komen zal (wij nemen aan dat wordt gedoeld op ‘de grootste verdrukking ooit’ - Mt. 24:21) bijeengebracht worden en naar de Heer toe gaan, opdat zij niet de verwarring zullen meemaken die de wereld zal overweldigen vanwege onze zonden ...” Ephraïm, de Syriër (= Efraïm, de Arameeër), 306-373 n. Chr.
In de 4e eeuw schreef Eusebius zijn beroemde werk “Kerkgeschiedenis.” Over Papias, de opziener van de gemeente in Hiërapolis (60-130 n. Chr.) - van wie wij eigenlijk geen oorspronkelijke werken hebben, maar over wie wij toch veel weten via derden - zegt Eusebius het volgende in verband met Papias’ visie op de eindtijdgebeurtenissen:
“Het lijkt dat hij een zeer beperkt inzicht had, zoals we dat kunnen afleiden uit zijn redevoeringen. Maar het is aan hem te danken dat zoveel kerkvaders na hem hetzelfde gezichtspunt hadden, waarbij zij, om hun eigen mening te ondersteunen, zich beroepen op de tijd waarin de man (Papias) leefde, zoals bij voorbeeld Irenaeüs en menig ander die soortgelijke gezichtspunten verkondigden.” (zie ‘Kerkgeschiedenis’, Eusebius, boek III, hfdst. XXXIX, sectie 13).
Daaruit mogen we concluderen dat Irenaeüs soortgelijke inzichten had als Papias wat betreft de eindtijd en de opname, en over de aard van Irenaeüs’ gedachten lazen wij hiervoor al.
Dat de Bijbelse leer van de opname van de Gemeente vóór de grootste verdrukking aller tijden zo onbekend is bij veel christenen, komt omdat de leer van het 1000-jarig vrederijk (zie Op. 20:1-6) sinds Augustinus zodanig wordt onderwezen als zou het 1000-jarig rijk een a-historische periode zijn (daarom heet zijn leer ‘a-millenialisme’). De eerste opstanding (van de doden) is volgens deze visie geestelijk, dat wil zeggen dat hiermee de wedergeboorte wordt bedoeld en dat deze periode dus begon vanaf de eerste komst van Christus. Deze opvatting van Augustinus, namelijk de opvatting dat het Duizendjarig Rijk niet letterlijk opgevat moest worden, maar symbolisch staat voor een lange periode, heeft nog steeds veel aanhangers (zie verder bij DEEL IX. Het 1000-jarige Rijk.
Het is de vraag waar wij de 10 maagden moeten plaatsen die de Bruidegom en Bruid tegemoet gaan vanuit het Vaderhuis. Zijn de 5 wijze de gelovigen Joden die tot geloof gekomen zijn in Jezus Christus en zijn de dwaze maagden misschien de ongelovige Joden die wel zouden willen binnengaan, maar Jezus Christus niet in hun hart aanvaard hebben?
DEEL III. 4 Intermezzo 3 Het Lam opent het 7e zegel
GROTE STILTE IN DE HEMEL ... een half uur lang!
Zal tijdens deze stilte door de open hemel heen misschien HET LAM gezien worden dat daar staat als geslacht?

De priester-engel boven het gouden altaar in de hemel met het gouden wierookvat!
Wij vermoeden dat er een verband is tussen de engel die hier in Op. 8:3 boven het altaar gaat staan en de engel die in Ez. 9:2 naast het altaar gaat staan en in Ez. 10:2, 6, 7 optreedt. In Ez. 9 is sprake van zes mannen plus één en hier in Op. 8:2, 3 is sprake van zeven engelen plus één. De 7 mannen in Ez. 9 treden op om de stad Jeruzalem te reinigen, de 7 engelen die hier in Op. 8 aantreden, blazen op de ramshoorn om Gods oordelen over heel de wereld aan te kondigen. Wij vermoeden dat de reiniging van de Jeruzalem, waarvan Ezechiël profetisch spreekt, plaatsvindt bij de verzegeling van de 144.000, dus direct in aansluiting op de gebeurtenissen in Op. 6. Gedurende de gebeurtenissen in Op. 6 wordt zeer waarschijnlijk de Tempel in Jeruzalem herbouwd. Zie de noot bij Op. 7:4.
De eerste 6 ramshorens - de oordelen over een wereld vol zonde en ongeloof (Op. 8-9)
Het wierookvat bevat de gebeden van alle heiligen (vgl. Op. 8:3). In Op. 5:8 hebben de 24 oudsten ook elk een gouden schaal met reukwerk. Er staat niet bij dat het om de gebeden van alle heiligen gaat en dat is ook begrijpelijk, want er zal nog heel wat gebed volgen van de vervolgde gelovigen waarover wij in Op. 6 lezen, maar als de engel in Op. 8:3 bij het altaar gaat staan dan zijn de gebeden van alle heiligen die onderdeel uitmaken van het Lichaam van Jezus Christus ingezameld. Wij lezen vervolgens in Op. 8:3-5 dat de engel vuur van het altaar neemt en dat op de aarde werpt. Het vuur lijkt de keerzijde te zijn van de geur die van het reukwerk van de gebeden van de heiligen opstijgt voor Gods troon.
Omdat de gebeurtenissen in Ez. 9 en Op. 7 veel met elkaar te maken hebben, en omdat er veel overeenkomsten zijn tussen deze passage in Op. 8:3-5 enerzijds en die Ez. 9:2, 7 anderzijds, denken wij dat het om dezelfde gebeurtenis gaat. In Op. 7, 8 wordt het vuur over de wereld uitgestort, en in Ez. 9 over de stad Jeruzalem, maar misschien is het op één of andere manier toch hetzelfde gebeuren, of het zijn twee kanten van het oordeel: (a) een reactie op de marteldood van de vele gelovigen wereldwijd bij het openen van de boekrol, want zij hadden God bevraagd over het tijdstip van zijn wraak voor het bloed van de martelaren - zie Op. 6:9-11; en (b) een reactie op de goddeloosheid van de inwoners van Jeruzalem. De engel in Op. 8 staat dichtbij het altaar in de hemel, en de engel in Ez. 9:2 staat naast het altaar van de Tempel in Jeruzalem.
—Het eigenaardige is dat christenen deze grote schare vaak niet weten te plaatsen. Men denkt aan een oogst door de evangelieverkondiging van de Joden in de laatste dagen, maar voor die gedachte is geen grond. De Joden zijn hier nog niet als één man tot geloof gekomen. Dat gebeurt pas vlak voor Jezus Christus zijn voeten op de Olijfberg zet en dan breekt het 1000-jarige Vrederijk aan.
–De apostelen en profeten zijn uit Israël en vormen het fundament van de Gemeente (‹Ef. 2:19, 20›). Ook is de Gemeente als een wilde olijf op de edele olijf Israël geënt. En wij weten dat ‘beginnende vanuit Jeruzalem het Evangelie van Jezus Christus in heel de wereld verkondigd’ is. Waarom zou vanuit Israël nog eens het Evangelie uitgaan? Heeft Jezus niet gezegd dat wanneer het Evangelie vanuit Jeruzalem uitgegaan is naar alle volken (‹tot aan het einde van de aarde›) dat dan het einde gekomen zal zijn? (‹Mt. 24:14›).
––Als het 1000-jarige Rijk gekomen is, zal het Woord van God wel van Jeruzalem uitgaan en dus ook het Evangelie van Jezus Christus, maar dat zal dan gebeuren met vol gezag en kracht, want Christus zal heersen op aarde. Wie niet geloven zullen hem onderworpen zijn in schijnheiligheid, in huichelachtigheid, en wie met het hart in Hem geloven, zullen Hem van harte gehoorzaam zijn en bij Hem horen en gered worden.
De Gemeente is in Op. 7 weliswaar opgenomen, maar toch blijft gedurende de gebeurtenissen in Op. 8 en Op. 9 de deur van de hemel voor de Gemeente vooralsnog nog op ‘een kier’ openstaan ... (er kunnen er nog wel bij zo die er zouden zijn, maar zij zijn er niet zo blijkt uit Op. 9:20, 21. De mensen volharden in hun afgoderij. Daarop volgt in Op. 11 bij het optreden van de twee getuigen, waarbij nog niemand zich direct tijdens hun prediking bekeerd. God heeft op het juiste moment de Gemeente opgenomen, want ALLE gelovigen, geen enkele uitgezonderd, zijn opgenomen, en dan neemt God ten slotte ook nog DE LAATSTE TWEE GETUIGEN op, die inmiddels gedood zijn (Op. 11:12). Nu is er geen uitstel meer, want de zevende bazuin wordt geblazen. Zie Op. 10:6, 7; 11:15-19)
Na de eerste vier ramshorens (vgl. ook de ordening van de zegels in Op. 6) komt er in Op. 8:13 een aankondiging van DRIE WEEËN ... waaruit blijkt dat we met een pijnlijk proces geconfronteerd zullen worden ... als wij Op. 12:1-6 lezen en Jes. 66:7-11, dan begrijpen wij dat dit de weeën van een barende vrouw zijn, die een mannelijk kind, een zoon aan het baren is. Uiteindelijk zal er vreugde zijn als haar Kind geboren zal zijn.
Maar eerst blazen nu de eerste vier engelen op de eerste vier ramshorens (Op. 8) wat leidt tot het volgende:
(1) een derde deel van de aarde met de bomen en het groene gras wordt door hagel en vuur vermengd met water verbrand.
(2) een derde deel van de zee wordt bloed, een derde van de schepselen in de zee (de vissen e.a.) sterven en een derde van de schepen op zee gaan ten onder. De bloederige wateren doen denken aan de Nijl die in bloed veranderde en de berg die in zee geworpen wordt, is o.i niet Babel waarvan Jer. 51:25 in een gelijkend beeld spreekt, maar mogelijke een ander demonisch machtscentrum. Natuurlijk kunnen wij ook denken aan de ontploffing van een waterstofbom in zee en aan de inslag van een meteoriet, of aan een vulkanische uitbarsting. In ieder geval is de uitwerking enorm desastreus, want een derde van de zee en van de schepselen in de zee wordt aangetast. Dit is geen plaatselijke ramp.
(3) een derde van de rivieren en de bronnen wordt vergiftigd en de mensen sterven door het giftige water.
(de vallende ster die brandt als een fakkel is waarschijnlijk een gevallen engel - vgl. Jes. 14:12; Op. 6:13)
(4) een derde van de zon, maan en sterren wordt getroffen en verduisterd, voor één derde van de dag en nacht is er geen licht meer! Dit herinnert deels aan Op. 6:12, 13 en het doet sterk denken aan de benauwende duisternis over Egypte bij de negende plaag. (Ex. 10:21-23).
[toelichting] - bij het blazen op de zeven ramshorens vinden allerlei rampen en gebeurtenissen plaats, die ons enerzijds herinneren aan de plagen bij de uittocht uit Egypte en anderzijds aan de plagen die onderdeel zijn van het uitstorten van de zeven schalen van Gods toorn, zoals beschreven in Op. 16. Er zijn ook verschillen in de volgorde, maar ook zijn er inhoudelijke verschillen. De omvang van de plagen van Egypte bleven beperkt tot Egypte, terwijl de plagen bij het blazen op de ramshorens vaak beperkt blijft tot een derde van de aarde, of een derde van de bomen of een derde van de wateren, tot een derde van het geheel, terwijl de plagen bij de zeven schalen van Gods toorn zich enerzijds lijken toe te spitsen op het machtsventrum van het wereldrijk van het beest en de burgers en legers van dat rijk, maar anderzijds ook op heel de wereld en op al haar bewoners betrekking hebben.
Na het voor Openbaring typerende openingsviertal van een reeks van zeven, volgt de periode van de vijfde ramshoorn (Op. 9:1-12), een periode van een 5 maanden durende pijniging van de mensen, zonder dat de mensen kunnen sterven, met als doel dat zij zich zullen bekeren. Deze periode van het optreden van demonische machten, die bij de 5e ramshoorn opkomen uit de afgrond en de engel van de afgrond als overste hebben, wordt afgesloten met de woorden:
“HET EERSTE WEE is voorbijgegaan, zie nog twee weeën volgen.” (Op. 9:12)
Dit eerste wee is verbonden met de 5e ramshoorn. Ook aan de opeenvolging van de drie weeën kunnen wij zien hoe chronologisch het boek Openbaring de gebeurtenissen aan ons laat voorbijgaan. Wie zou durven zeggen dat het derde wee als eerste komt en het eerste wee als laatste? Dat is onmogelijk! We moeten de chronologische volgorde van het boek respecteren en aanhouden, terwijl wij de intermezzo’s moeten lezen als een uitleg en toelichting op de gebeurtenissen die ons in chronologisch volgorde worden getoond.
Nu volgt de zesde ramshoorn (Op. 9:13-21 ) die een vreselijk gebeuren aankondigt. De vier engelen die bij de Eufraat vastgebonden zijn, worden losgemaakt om een derde deel van de mensheid te doden. Een leger van ruiters en paarden met staarten met daarop koppen met bekken waaruit vuur, rook en zwavel komt, waardoor de mensen gedood worden. Als een gesel trekken ze voort, dood en verderf zaaiend. De tekst spreekt o.i. van een demonisch leger vanwege het afschrikwekkende uiterlijk bestaande uit ‘twee maal tienduizend tienduizenden. Volgens de commentatoren moet dat worden opgevat als 2 x 10.000 x 10.000 d.w.z. 200.000.000, d.w.z. 200 miljoen strijders. Een onvoorstelbaar groot leger, een leger dat mogelijk twee miljard of meer mensen zal doden (‹een derde van de wereldbevolking van dat moment volgens de woorden van vs. 18, waarbij we er rekening mee moeten houden dat:
–(‹a›) volgens Op. 6 heel veel christenen al zijn vermoord;
–(‹b›) de nog resterende christenen volgens Op. 7:9-17 zijn opgenomen in de hemel;
–(‹c›) vele mensen over 1/4 van de aarde zijn gedood door het zwaard, de honger en de dood - Op. 6:8;
–(‹d›) de oordelen in Op. 8 ook zullen leidden tot talloze doden.
–(‹e›) bij de grootste aardbeving ooit als alle steden instorten zullen er nog velen omkomen en ook bij de slag van Armageddon, zodat het nog maar zeer de vraag is of er nog wel miljard mensen op aarde over zullen zijn ...!
Het is overigens maar zeer de vraag of de demonische machten zoals die door de apostel Johannes beschreven worden, ook werkelijk zo door de mensen op aarde gezien zullen worden of dat ze alleen maar de pijn 5 maanden zullen voelen en de miljoenen doden links en rechts om zich heen zullen zien vallen. Gewoonlijk zien wij mensen de geestenwereld namelijk niet.
We hebben door de vreselijke gebeurtenissen in Op. 8 en 9 de hemelse keerzijde van deze vreselijke gebeurtenissen voor een moment uit het oog verloren. Ze worden ook niet beschreven in het boek Openbaring, maar wij moeten dat verder invullen voortdenkend op wat we al geleerd hebben uit het boek Openbaring en uit de boeken van het OT.
Wij weten uit Op. 7 dat de Bruid, de Gemeente, is in de hemel opgenomen (‹Op. 7:9-17 en Op. 11:12›), maar zij is nog niet gereinigd van haar wereldse smetten, om als een reine Bruid voor Christus gesteld te worden. Dat is een gerechtelijke, juridische procedure want zij moet rein en onbesmet van de wereld zijn (‹2 Kor. 5:10›). En er is ook een geestelijk schoonheidsvoorschrift voor de Bruid: zij moet schitteren voor de Bruidegom.
Als wij aannemen dat de hemelse voltrekking van het huwelijk zal plaatsvinden gedurende de zich op aarde afspelende laatste jaarweek van Daniël (zie Dan. 9:24-27 - wij leren daar dat 1 jaar voor 1 dag staat en andersom zodat de 2 delen van 3,5 jaar van de jaarweek volgens Op. 11:2 en Op. 12:14 en Op. 13:5 samen 1 jaarweek van 7 jaar vormen, wat ook uitgedrukt kan worden als 7 dagen, het is immers een week), dan is dat wat betreft de duur in overeenstemming met de Joodse traditie dat bruidegom en bruid bij aankomst in het vaderhuis van de bruidegom zich eerst zeven dagen (=7 jaren) met elkaar afzonderen om het huwelijk en de huwelijksgemeenschap te voltrekken. Pas na het voorstellen en de huwelijksweek, komt het feest met de genodigden, dat is in het boek Openbaring de bruiloft van het Lam (lees Op. 19:6-10).
Als dat alles zo is, dan dient de Bruid zich voor die tijd klaar te maken. Dat gebeurt in één van de vertrekken van het huis van de vader van de bruidegom en uiteraard gebeurt dat in de dagen vlak voor dat zij voor de bruidegom gesteld zal worden en zij hun zeven dagen van eenwording als man en vrouw zullen intreden, verborgen voor het oog van de wereld. Wat betreft de Gemeente als de hemelse Bruid, betekent dit dat haar reiniging, die aan de voltrekking van het huwelijk voorafgaat, ook daarvoor plaatsvindt. Enerzijds gebeurt dat door haar reine wandel in de periode van ondertrouw, waardoor zij bewaard wordt voor de smetten van deze wereld en zij zich apart gezet weet voor haar Bruidegom. Anderzijds gebeurt dat in de dagen vlak voor de bruiloft.
In het verband van de gebeurtenissen in het boek Openbaring wil dat zeggen dat deze voorbereiding van de Bruid in de hemelvertrekken zal plaatsvinden (‹de Bruid is daar in het tweede deel van Op. 7 aangekomen in het Huis van de Vader van de Bruidegom›). Terwijl op aarde de hoofdstukken Op. 8 en 9 zich afspelen, die uitmonden in de vaststelling dat de aarde en haar bewoners door en door goddeloos en onrein zijn door hun afgoderij (‹ook dat is in zekere zin een gerechterlijke procedure›), vindt tezelfder tijd in de hemel een andere procedure plaats die daarmee in schril contrast staat, want daar wordt de Bruid klaargemaakt en zal zij na de voorbereiding volkomen rein en schitterend blijken te zijn.
Het enige wat wij over de aard en de duur van een dergelijke voorbereidingsperiode van de Bruid uit de Bijbel weten, is uit het boek Esther, waar ten aanzien van Esther gesproken wordt over een periode van 12 maanden, nl.:
[a.] zes maanden reiniging met mirreolie. Het Hebreeuwse woord ‘mor’ voor ‘mirre’ (‹H4753›), heeft in het Hebreeuws een nauwe relatie met het Hebreeuwse werkwoord ‘mārar’ dat staat voor ‘bitter zijn’ (‹H4843›). Deze periode was mogelijk gericht op het reinigen van het lichaam van de bruid, wat overdrachtelijk dan wijst op de reiniging van het hart. Mirre wordt onder andere gebruikt in de cosmetische industrie voor tandpasta en mondwater. Mirre kan zowel gebrand, opgesmeerd als ingenomen worden. In het Midden-Oosten wordt veel bittere mirre gekauwd vanwege de antiseptische werking. In de Afrikaanse volksgeneeskunde wordt het veelvuldig gebruikt om te desinfecteren.
[b.] zes maanden met specerijen en zalfoliën voor vrouwen (‹Esther 2:12›). Hier gaat het meer om de schoonheid en de geur.
Het boek Openbaring zit vol hemelse vergezichten die een aardse tegenpool hebben. Want in de tijd dat de Bruid in de hemel wordt klaargemaakt voor de Bruidegom, voltrekken zich op aarde de gebeurtenissen in Op. 8 (b.v. in 1 maand), die in Op. 9:1-12 (5 maanden, samen: 1 + 5 = 6 maanden), en vervolgens zouden de gebeurtenissen in Op. 9:13-21 nog eens 6 maanden in beslag kunnen nemen, 6 maanden vol duistere en moordzuchtige demonische werkzaamheid op aarde die zal leiden tot de dood van mogelijk twee miljard mensen, waarna de mensen zich nog niet bekeren. Wat een contrast?! Jazeker! In de Bijbel lezen wij immers:
“Want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met ongerechtigheid
en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?” (2 Kor. 6:14).
******
De LAATSTE jaarweek van Daniël breekt aan!
(Dan. 9:24-27)
Waarom zal deze jaarweek spoedig aanbreken ...?
- omdat Israël weer terug is in zijn land
- omdat er zeer concrete plannen zijn voor de herbouw van de Tempel
- omdat Babylon kans maakt herbouwd te worden
- omdat de Boekrol waarschijnlijk al is opgegaan en het witte paard is uitgetrokken (Op. 5; 6:2)
DEEL III. 5 Intermezzo 4 De engel die zweert bij de hemel en de aarde (Op. 10)
Een andere sterke engel daalt neer en zweert bij de hemel en bij de aarde. Hij lijkt heel erg op Jezus Christus (Op. 10:1), heel erg veel ... zijn stem klinkt 7-voudig (vgl. Ps. 29). Wie anders kan zulke zwaarwegende beslissingen nemen en afkondigen en zweren bij ‘Wie de hemel en de aarde en de zee geschapen heeft’. Hij heeft een geopend boekje in zijn hand (‹Op. 10:1-11 - Ez. 2:9-3:4›) en kondigt aan:
“Geen uitstel meer!” (Op. 10:6)
De 1e helft van de laatste jaarweek van Daniël (Op. 11)
GOD laat Zichzelf niet zonder getuigen op aarde. De Gemeente is weliswaar opgenomen maar nu komen de twee getuigen en daarna zijn er die het merketken van het beest weigeren, maart ook Jezus Zelf met de 144.000 op de berg Sion.
[‘de hof die binnen de Tempel [(ligt)]’] - Johannes moet de Tempel, d.w.z. het eigenlijke Tempelgebouw, met het altaar dat er vlak voor, bij de ingang, stond meten, en waarschijnlijk ook heel de voorhof van Israël met de voorhof van de vrouwen, die ook wel de voorhof van het gebed werd genoemd. In deze voorhof van het gebed stonden de priesters waarschijnlijk in gebed te wachten op het naar buiten komen van Zacharias (‹Lk. 1:10›). Qua fysieke structuur vormt het een mooi afgerond geheel met de Tempel en de voorhof van de priesters waar het altaar stond. Bovendien zijn ook hier in Openbaring mensen aan het bidden en waar zou dat anders moeten zijn dan in de voorhof van het gebed. Wij neigen er daarom toe om te veronderstellen dat ook deze ruimte gemeten moest worden (‹voor informatie over de bouwkundige structuur van de Tempel van Herodes, zie de uitgave ‘De Tempel’ van Alec Garrard. die in modelvorm een nauwkeurige nabootsing heeft gebouwd van deze Tempel in Jeruzalem ten tijde van Herodes›).
–De tekst van de Aramese Peshitta wordt ook wel vertaald als: ‘de binnenhof van de Tempel’, maar de Aramese term is niet precies gelijk aan de term ‘binnenste hof’ in 1 Kn. 6:36 van de Aramese Peshitta. Bovendien luidt de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR ‘de voorhof die buiten de Tempel ligt’. Het Aramees en het Grieks lijken wel elkaars tegengestelde, maar dat zou niet zo moeten zijn. Wij vatten het Aramees daarom op als: ‘de hof die binnen het Tempelgebied ligt’, en dat is natuurlijk allereerst de voorhof van de volken, zoals hier ook wordt toegevoegd: ‘want die is aan de volken gegeven’.
–Voor de vervulling van deze woorden, is het natuurlijk noodzakelijk dat de Tempel, waarvan we hier lezen, in de eindtijd, voor Jezus’ wederkomst in Jeruzalem, herbouwd zal worden en de gedaante zal hebben van de Tempel in de tijd van Jezus’ en wel [(‹1›)] omdat Johannes bij alles wat hij ziet er geen enkele melding van maakt dat de Tempel er in zijn visioen anders uitzag dan hij gewend was, en [(‹2›)] omdat het aannemelijk is dat m.n. die Tempel zal worden herbouwd, mogelijk als een belangrijk historisch monument dat nu al valt onder het beheer van de UNESCO. Zo concreet te denken is nu niet alleen mogelijk op grond van Gods Woord, maar ook op basis van de eigentijdse geschiedenis, (‹1›) die in 1948 een herleving van de staat Israël te zien gaf en (‹2›) die vanaf 1967 ook de stad Jeruzalem, met uitzondering van de Tempelberg, onder het bestuur van Israël zag komen. Eigenaardig genoeg werd destijds het beheer over de Tempelberg door de toenmalige minister van Defensie Moshe Dayan toevertrouwd aan de Jordaanse organisatie al-Waqf. In het licht van de hiervoor genoemde gebeurtenissen is het natuurlijk de vraag of mogelijk op een dag ook niet de Tempel opnieuw onder Joods beheer zou kunnen komen en dan hersteld zou worden, een mogelijkheid waarmee door tal van organisaties ernstig rekening wordt gehouden en waarvoor ook de nodige voorbereidingen worden gemaakt. [‘tweeënveertig maanden’] - dat is drieënhalf jaar. Zie verder de noot bij vs. 3. over de 1260 dag en. [toelichting] - blijkens Jh. 2:19, 20 namen destijds de verbouwingen en uitbreidingen van de tweede Tempel 46 jaar in beslag. Barry Smith van de Crandall University meldt op de site van de universiteit het volgende over de situatie en de afmetingen van de Tempel: "Josephus beschrijft de stad en zegt dat de stad als een theater om de Tempel heenlag, waarmee hij wil zeggen dat de stad gesitueerd was aan de west en zuidzijde van de Tempelberg in een soort halve cirkel (‹Ant. 15.410›). Archeologisch onderzoek heeft aan het licht gebracht dat de buitenmuur van de Tempel van Herodes een zuidelijke muur van 280 mtr., een westelijke muur van 485 mtr. en een noordelijke muur van 315 mtr., en oostelijke muur van 460 mtr. had, een onregelmatig vierkant. De totale omtrek van de 'temenos' d.w.z. de heilige plaatsen, was 1540 mtr. met een oppervlak van ca. 144.000 vierkante meter. (‹M. ben-Dov, In the Shadow of the Temple, pg. 77›). Deze afmetingen voor een Tempel waren in de toenmalige wereld buitengewoon indrukwekkend. Tempels waren gewoonlijk kleiner. Herodes zou de oude fundamenten van de Tempel verwijderd hebben (‹Ant. 15.391›). Archeologisch onderzoek suggereert echter dat de oostelijke muur intact is gebleven omdat er een scheur of spleet zichtbaar is in de buurt van de zuidelijke hoek van de oostelijke muur, die scheiding maakt tussen de stenen van het Herodiaanse deel van de muur en de - naar men aanneemt - pre-Herodiaanse oostelijke muur. Vanaf de spleet is er zuidwaarts nog eens 32 mtr. (‹van de totale lengte van de oostelijke muur van 460 mtr.›) Men trekt hieruit de conclusie dat de oostelijke muur met 32 mtr. werd verlengd i.v.m. de bouwwerkzaamheden van Herodes (‹M. ben-Dov, In the Shadow of the Temple, pg. 101-103›). Er is ook archaeologisch bewijs van een uitgebreid drainage systeem, dat onmisbaar was voor de werkzaamheden aan de Tempel.
–In de Mishnah wordt gezegd dat de Tempelberg aan de buitenzijde van de muur 500 cubit (‹el›) was in het vierkant (‹m. Mid. 2.1›). Een cubit of el staat voor 22 inch of 56.1 centimeter. Josephus echter zegt dat de oostelijke galerij 400 cubit (‹el›) lang was, maar Josephus spreekt over de Tempel van Herodes (‹Ant. 20.9.7; 221-22›).
–Er is duidelijk een verschil tussen de archaeologische bevindingen en de schriftelijke bronnen zoals die van Josephus betreffende de grootte van de Tempel. De Mishnah baseert haar afmetingen mogelijk op Ez. 42:16-20, waar staat dat de toekomstige Tempel 500 el in het vierkant moet zijn. Op een andere plaats zegt Josephus dat de omtrek van de buitenmuren van de Tempel vier stadia was, waarbij 1 stadium staat voor ca. 607 ft. ofwel 184 mtr., waarbij dus elke zijde 1 stadium was, zodat de buitenhoven vierkant waren (‹Ant. 15.401›). Dit is in tegenspraak met het archaeologische bewijs.
–Tot zover de weergave van de Crandall Universiteit waarbij het getal van 144.000 m² erg opvallend is in het licht van Op. 14:1-5. Op elke vierkante meter van het gebied zou 1 van de 144.000 maagdelijke volgelingen van Jezus Christus kunnen staan, de volgelingen die Hem zullen volgen waar Hij ook maar heengaat.
–[‘tweeënveertig maanden’] - het getal 42 is in de Bijbel altijd verbonden met de werking van de boze. Daarom wordt hier en in Op. 13:4-7 in verband met het beest en met het vertrappen van de heilige stad gesproken van 42 maanden, terwijl in Op. 12:6 in verband met de twee getuigen (‹Op. 11:3›) en in verband met de vrouw (‹=gelovig Israël in Judea›) gesproken wordt over 1260 dagen of over een tijd en tijden en een halve tijd (‹Op. 12:14›). Dit is een duidelijk onderscheiden gebruik van getallen, hoewel 1260 dagen even lang is als 42 maanden. Andere voorbeelden van de donkere kant van het getal 42 (‹6 x 7›) vinden wij in de 42 pleisterplaatsen die het volk Israël ten gevolge van zijn ongeloof moest aandoen in de woestijn (‹Num. 33›), in de 42 jongemannen die door de vloek van Elisa in de Naam van de HEERE omkwamen (‹2 Kn. 2:24›), in de 42 duizend afvallige Efraïmieten die door Jefta gedood werden (‹Ri. 12:6›) en in de 42 broers van Ahazia, de koning van Juda, die door Jehu gedood werden (‹2 Kn. 10:13, 14›). Ahazia, een ontrouwe koning, trad aan op 42-jarige leeftijd (‹2 Kr. 22:24›). Moeilijker te verklaren zijn de 42 Levietensteden in Lev. 35:6 en de 42 zonen van Azmaveth (‹Ezra 2:24, Neh. 7:28›).
De woorden ‘Geen uitstel meer!’ betekenen dat de jaarweek begonnen is en alles in de tijd nu vastligt en zo gaat verlopen. Na een immense massale demonische vernietiging die geen bekering oplevert (Op. 9:13-21), richt het oog van de apostel zich op Jeruzalem, want daar gaan de twee getuigen optreden nl. in de binnenhof van de Tempel. Heel het gebeuren van de twee getuigen wordt als een intermezzo gepresenteerd, maar er wordt ook bij gezegd dat het een periode van 1260 dagen, 42 maanden, ofwel van drieëneenhalf jaar betreft (Op. 11:2, 3). Het is dus een aankondiging van die periode.
De Tempel met de twee getuigen: Henoch en Elia
De twee getuigen zijn Henoch en Elia, omdat zij nooit gestorven zijn en hun profetische bediening dus nog niet af is. Zij krijgen nu de gelegenheid om hun taak af te maken. Beide profeten zijn bekend om hun zeer ernstig profeteren in een tijd van grote goddeloosheid, en in het verlengde van die bediening worden zij nu ook geroepen om aan het volk in Jeruzalem te prediken. Dit wordt iets zeer bijzonders! Twee vurige Joodse mannen profeteren op het Tempelplein staande tussen veel andere Joodse mannen in (of staan die op afstand?), mannen die er zo hun hart op hebben gezet om de Tempel van God op zijn plaats te doen weerkeren, maar de Messias, hun Koning, niet kennen. Misschien zijn er in de voorhof van de volken ook nog jodengenoten uit vele landen. Wij weten niet hoe het er precies gaat uitzien. De offerdienst is hervat en de Tempeldienst functioneert en dan staan daar dus 3,5 jaar die twee mannen om aan hun volksgenoten de Schriften te openen. Wat een schouwspel!
Overigens is Mozes niet één van de twee getuigen zoals vaak wordt gezegd! Hoe mooi Mozes en Elia ook bij elkaar lijken te passen (zie Mt. 17:1-13) als vertegenwoordigers van de Wet en de Profeten, het is in tegenspraak met Heb. 9:17 waar staat dat een mens maar 1 keer sterft. Mozes is al gestorven en door God begraven en Mozes’ graf is onbekend (Dt. 34:5-8)! Zou hij onder de twee getuigen optreden, dan zou hij voor een tweede keer sterven (Op. 11:7-12). In dat geval zou het Woord van God niet kloppen! Maar het Woord van God klopt wel en daarom is Mozes niet bij de twee getuigen. De twee getuigen zijn Henoch en Elia. Henoch is net als Elia niet gestorven (Gen. 5:24; 2 Kn. 2:1-18). Verder wordt Henoch ook in vs. 14 van de Judasbrief genoemd in verband met zijn profeteren in de eindtijd. Hoewel we op grond daarvan niet kunnen zeggen dat hij bij de twee getuigen hoort, maar die profetische woorden uit zijn mond lijken wel passend bij de rol van de twee getuigen. Hoe dan ook: Henoch en Elia zijn de enige kandidaten die op grond van Heb. 9:27 in aanmerking komen voor deze getuige-rol in de eindtijd in Op. 11.
[‘twee getuigen’] - in de christelijke traditie wordt veelal aangenomen dat de twee getuigen Henoch en Elia zijn omdat van hen geschreven staat dat zij in de hemel opgenomen zijn zonder te sterven (‹Gen. 5:24 en 2 Kn. 2:11›).
–Van Elia staat in Mal. 4:5 geschreven dat hij door God gezonden zal worden voordat de grote en geduchte dag van de HEERE komt. De naam van Henoch vinden we nog in Jds. 14 als een profeet van het oordeel over de goddelozen. Zoals in Zach. 4. de twee olijfbomen verwijzen naar resp. Zerubbabel, de gewezen koning uit het huis van David, en naar Jozua, de gewezen hogepriester van het volk, en zij zo gezamenlijk verwijzen naar de komst van de Messias, de Koning-Priester, zo verwijzen ook deze twee getuigen en olijfbomen en kandelaren naar de komst van Jezus Christus als Koning-Priester.
–De twee getuigen worden ook wel in verband gebracht met [de cherubs die na de zondeval het Paradijs bewaakten], hoewel er in Genesis niet staat dat het twee cherubs waren (‹Gen. 3:24›). Maar omdat wij van de Kist (‹de Ark›) weten dat er [twee cherubs op het verzoendeksel] waren, meent men wel de lijn van ‘twee’ te mogen doortrekken naar de cherubs die de weg naar het paradijs afschermden. De twee getuigen hier in Openbaring sluiten ook de weg af tot het Allerheiligste van de Tempel. Anderen denken aan [de twee verkenners of de twee spionnen] die het beloofde land moesten verkennen vlak voordat het volk het beloofde land zou gaan innemen onder leiding van Jozua (‹Joz. 2:1›). Ook is [het tweetal Mozes en Aäron] als een ander beeld van ‘twee getuigen’, in het bijzonder omdat zij net als deze twee getuigen, plagen over het land brachten: Mozes en Aäron over Egypte, maar deze twee getuigen over de wereld of misschien wel over Sodom en Egypte, d.w.z. over Jeruzalem (‹Op. 11:8›). Ook waren er [twee stenen tafelen van de Wet] die tegen het volk getuigden. Ten slotte noemen wij ook twee profeterende Israëlieten in de legerplaats: [Eldad en Medad] in Num. 11:26, 27. Onzes inziens verschijnen binnenkort Henoch en Elia op het plein van de stad, waarvan Op. 11 spreekr, maar alle andere zojuist genoemde andere tweetallen, dienen wij te betrekken in ons overdenken van de komende gebeurtenissen. In het OT zijn de schaduwbeelden die heenwijzen naar de werkelijkheid van de openbaring en verschijning van Jezus Christus.
Moeten wij de 2 pilaren die Simson omtrekt ook in verband trekken met het doden en verdwijnen van de 2 getuigen en het instorten van het afgodische heiligdom van deze wereld?
[‘twee getuigen’] - in de christelijke traditie wordt veelal aangenomen dat de twee getuigen Henoch en Elia zijn omdat van hen geschreven staat dat zij in de hemel opgenomen zijn zonder te sterven (‹Gen. 5:24 en 2 Kn. 2:11›). De gedachte dat Mozes ook één van de twee getuigen zou zijn, menen wij te moeten uitsluiten omdat in Dt. 34:5 staat dat hij gestorven is en hij kan niet twee keer sterven, en de twee getuigen sterven juist wel in vs. 7, dus kan Mozes daar niet bijhoren. Geen mens in de Bijbel sterft twee keer (‹zie Heb. 9:27›), met voorbijzien van de drie personen die door Jezus Christus uit de doden werden opgewekt en de drie personen in het OT die uit de dood opstonden, maar inmiddels allen uiteindelijke wel gestorven zijn.
–Toch is er voor het noemen van de naam Mozes in verband met de twee getuigen, mogelijk wel enige reden, omdat er van Mozes vermeld staat, dat God hem begroef, zijn graf onbekend is en er na zijn dood een strijd om zijn lichaam was tussen Michaël en de duivel, die als aanklager kennelijk aanklachten tegen Mozes had, waaraan Michaël hem onttrok, zodat wij kunnen zeggen dat God de rechtszaak van Mozes voerde, zoals ook Job daar naar uitzag. Uit een en ander trekken wij de conclusie dat Michaël door God belast was met de begrafenis en die is zo goed gelukt dat zijn graf niet meer gevonden kon worden (‹Dt. 34:5-9 en Jds. 1:9›).
–Wij weten verder dat Mozes en Elia samen met de Here Jezus Christus op de berg in heerlijkheid verschenen. Mozes vormde ook een tweetal samen met Aäron. Aäron werd door Mozes en Eleazar, de zoon van Aäron, begraven en er wordt geen melding gemaakt van de precieze plaats van een graf. Hij wordt begraven op de top van de berg (‹Num. 20:22-29 en Dt. 10:6›). Daarom lijkt het dat zowel Mozes als Aäron als hoofdvertegenwoordigers van de Wetsbediening en de ermee verbonden priesterdienst een ongewoon lot ten deel viel bij hun dood, want hun graf is niet bekend. Beiden werden door God in zekere zin afgeschermd bij hun dood. Van de twee getuigen in Openbaring blijft ook geen graf achter op aarde. Zij mogen niet eens begraven worden (‹Op. 11:8, 9›), maar zij worden door God opgenomen.
–Van Elia staat in Mal. 4:5 geschreven dat hij door God gezonden zal worden voordat de grote en geduchte dag van de HEERE komt. De naam van Henoch vinden we nog in Jds. 14 als een profeet van het oordeel over de goddelozen. Zoals in Zach. 4. de twee olijfbomen verwijzen naar resp. Zerubbabel, de gewezen koning uit het huis van David, en naar Jozua, de gewezen hogepriester van het volk, en zij zo gezamenlijk verwijzen naar de komst van de Messias, de Koning-Priester, zo verwijzen ook deze twee getuigen en olijfbomen en kandelaren naar de komst van Jezus Christus als Koning-Priester.
–In de twee getuigen ziet men ook wel [de twee verkenners of de twee spionnen] die het beloofde land moesten verkennen vlak voordat het volk het beloofde land zou gaan innemen onder leiding van Jozua (‹Joz. 2:1›). Ze worden ook wel in verband gebracht met [de cherubs die na de zondeval het Paradijs bewaakten], hoewel er in Genesis niet staat dat het twee cherubs waren (‹Gen. 3:24›). Maar omdat wij van de Kist (‹de Ark›) weten dat er [twee cherubs op het verzoendeksel] waren, meent men wel de lijn van ‘twee’ te mogen doortrekken naar de cherubs die de weg naar het paradijs afschermden. De twee getuigen hier in Openbaring sluiten ook de weg af tot het Allerheiligste van de Tempel. Wij lezen in Op. 14 dat het Lam met de 144.000 lijfwachten hun plaatsen zullen overnemen. Het Lam is zelf de 10e Kandelaar in het boek Openbaring en in de hemelse Tempel, na de 7 kandelaren van de gemeenten in Op. 2 en 3 en de twee kandelaren die gepersonificeerd zijn in de twee getuigen..
DEELS DUBBEL
–[Het tweetal Mozes en Aäron] is een ander beeld van ‘twee getuigen’, in het bijzonder omdat zij net als deze twee getuigen, plagen over het land brachten: Mozes en Aäron over Egypte, maar deze twee getuigen over de wereld of misschien wel over Sodom en Egypte, d.w.z. over Jeruzalem (‹Op. 11:8›). Ook waren er [twee stenen tafelen van de Wet] die tegen het volk getuigden.
–Tenslotte: uit Mal. 3:23-34 (‹in andere vertalingen soms Mal. 4:5-6›) blijkt duidelijk dat Elia verwacht mag worden voorafgaand aan de komst van Jezus Christus. Hoewel Jezus Christus het feit dat de mensen in Johannes de Doper Elia zagen, niet afwees, zegt Johannes de Doper zelf in Jh. 1:11 heel duidelijk dat hij niet Elia is. Ook is de aanhaling van Johannes de Doper van Jes. 40:3 geen verwijzing naar Elia. De woorden van Jezus in Mt. 11:13-15 ‘Als jullie het willen aanvaarden, hij is Elia!’ hebben eerder betrekking op de aanvaarding van Jezus Christus en het Koninkrijk der hemelen in Hem en de bekering tot Hem, dan op de identiteit van Johannes de Doper. Wie zich bekeerde en zich liet dopen, zou tot de bruid van de Bruidegom gaan behoren, de Bruidegom van wie Johannes de Doper de vriend was (‹Jh. 3:28-29›).
–Maar ook al was Johannes de Doper niet Elia, hij zou wel uitgaan in de geest en de kracht van Elia, zoals de engel Gabriël aan Zacharia zegt in Lk. 1:17 ‘Hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van de profeet Elia om het hart van de vaderen te keren tot de kinderen, en wie niet geloven tot de kennis van de Rechtvaardige, om zo een volmaakt volk voor de HEERE te bereiden.’ Ook droegen Elia en Johannes de Doper dezelfde kleding (‹vgl. 2 Kn. 1:8 met Mk. 1:6›). Daarom zegt Jezus dat Elia al gekomen is in Mt.17:10-13›).
–De Joodse verwachting van Elia komt tot uitdrukking bij de viering van het Feest van het Voorbijgaansoffer. Er staat daarbij altijd een stoel en een beker wijn voor hem klaar tijdens de Sederavond, de avond voorafgaand aan het Feest. Het spannendste moment is als de deur van de kamer wordt opgedaan en Elia wordt uitgenodigd binnen te komen en vervolgens alle aanwezigen opstaan, een beker wijn in de hand nemen, en de leider van de avond deze woorden bidt: ‘O, God van Abraham, Izak en Jakob, lang hebben wij gewacht op uw belofte. Wij smeken U nu, uw Gezalfde, uw Messias, te zenden die U beloofd hebt, de Zoon van David. Heb erbarmen met uw volk Israël. Breng ons bijeen, zoals U in uw Woord gezegd hebt, en wij zullen uw volk zijn, en U zult onze vreugde zijn, zoals vanouds. Zie, alle dingen zijn gereed en wij wachten.’ Terwijl allen naar de deuropening kijken, roept de leider vervolgens met luide stem: ‘Gezegend zij uw ingang, Elia!’
–Er zijn diverse passages die Johannes de Doper aankondigen als de boodschapper of bode van de komst van Jezus Christus (‹zie Mt. 11:9, 10; Mk. 1:1-3; Lk. 1:76, 77›). Johannes de Doper is ook gekomen en van hem lezen wij in Jh. 1:31 ‘Ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik komen dopen in water.’ Daartoe predikte Johannes een doop tot bekering en vergeving van zonden. De leiders van het volk wilden wel gedoopt worden, maar niet op grond van bekering (‹Mt. 3:7-9; Lk. 3:7-9›). Daarom moet Elia nog steeds komen overeenkomstig de woorden van Maleachi en dat zal ook gebeuren overeenkomstig de woorden over de twee getuigen in Op. 11.
–Sommigen zien in de twee getuigen Josua en Zerubbabel uit Zach. 4, maar in Zach. 4:1 is sprake van 2 olijfbomen en 1 kandelaar, terwijl hier sprake is van 2 olijfbomen en 2 kandelaren. Bovendien geldt voor hen, wat ook voor Mozes geldt, namelijk dat een mens maar één keer kan sterven.
De wereld en het beest moeten overigens met lede ogen toezien bij het getuigen van de twee mannen, maar het lijkt erop dat zij voortdurend pogingen zullen doen om de twee om te brengen (zie Op. 11:7-10). Ondanks de geweldige bovennatuurlijke vermogens die de twee getuigen van God ontvangen, zal het beest er na 3,5 jaar toch in slagen om hen te overwinnen en te doden. De wereld viert feest, wat toont hoe zeer het optreden van de twee getuigen hen een doorn in het oog was, maar na drieënhalve dag gaan de twee getuigen voor de ogen van allen die hen aanschouwen naar de hemel. Hun missie is volbracht.
Het vertrek van de profeten Henoch en Elia is in overeenstemming met de gedachte dat de komst van Elia voorafgaat aan die van Jezus Christus (‹zie Mt. 17:10, 11; Mk. 9:11, 12›), die nl. onmiddellijk na hun opname op de berg Sion verschijnt (Op. 14:1) en ook met de woorden van Mal. 3:23, 24 waar wij lezen: “Zie, Ik zend jullie de profeet Elia, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de HEERE komen zal. Hij zal het hart van de vaderen tot de zonen doen terugkeren en het hart van de zonen tot hun vaderen, opdat Ik niet kom en de aarde sla met de vloek.” De grote en ontzagwekkende dag van de HEERE breekt nu aan en zal in de 2e helft van de jaarweek een feit worden.
De prediking van Henoch en Elia heeft echter een geestelijke opwekking onder het onbekeerde, halsstarrige en blinde Joodse volk ten gevolge, maar ook in heel de wereld. Velen zullen zich bekeren tot Jezus Christus, de gekruisigde Messias. We komen daar nog op terug.
De twee getuigen in de Joodse huwelijksceremonie
In verband met de twee getuigen in het boek Openbaring is het belangrijk om te weten dat er bij een Joodse huwelijksceremonie altijd twee mannelijke getuigen (עֵדִים - edīm) optreden, die ‘zonen van de wet’ (bar-mitzvah) zijn, de sabbat houden en kosher leven (Dt. 19:15; Dt. 24:1). Zij zijn geen familie van het bruidspaar en onafhankelijk van hen in sociaal en economisch opzicht. Zij geven de ceremonie een legaal en juridisch karakter. De getuigen moeten in staat zijn om als getuigen op te treden in een Joods gerechtshof (‘beit din’) met betrekking tot de huwelijksstatus van het echtpaar en in feite stellen zij het huwelijk in werking. Dit is dus een grote verantwoordelijkheid. Het optreden van de twee getuigen in Op. 11 is een duidelijke heenwijzing naar het feit dat er zich een huwelijksceremonie aan het afspelen is. Bij de traditionele Joodse huwelijkssluiting zoals Joden die in ere houden sinds de Babylonische ballingschap, zijn er drie belangrijke onderdelen, namelijk nl. de ‘shiddukhin’ (שִׁדּוּכִין), d.w.z de wederzijdse overeenkomst, die soms wel een jaar voor de huwelijksdag wordt vastgelegd in de zgn. ‘shtar tena’im’ ( שטר תְּנָאִים ) dat is ‘de akte met bepalingen’, die men ook kan beschouwen als de akte van ondertrouw. De wederzijdse overeenkomst bereidt heel de huwelijksplechtigheid voor en vormt de basis van de huwelijkse verplichtingen die het echtpaar zal aangaan: hij zal voor kleding, voeding zorgen en zijn (lichamelijke) omgang met haar niet verzaken (Ex. 21:10). Zij zal zich rein bewaren voor hem en hem omringen met haar zorg. Bruidsprijs, geschenken e.a. worden ook allemaal vastgelegd in de ondertrouwakte. Vroeger werd deze overeenkomst ruim te voren, b.v. een jaar voorafgaand aan het huwelijk, vastgelegd en getekend. Tegenwoordig wordt bij aankomst op de plaats van de bruiloft door beide families en door de twee getuigen de akte van ondertrouw (‘shtar tena’im’) met alle condities waaraan beide partijen met hun families zijn overeengekomen om te voldoen. In verband met wederzijdse financiële verplichtingen, dienen zowel de familie van de bruidegom als die van de bruid een persoon aan te wijzen die garant staat voor het nakomen van de financiële verplichtingen. deze personen dienen de akte ook mede te ondertekenen.
De bruid wordt op een gegeven tijdstip door de bruidegom blazend op de ramshoorn (de sjofar) opgehaald en naar het vaderlijk huis gebracht, naar de daar voor haar bereide nieuwe woning waar zij met de bruidegom zal wonen. Vroeger was dat soms wel een jaar na het sluiten van de huwelijksovereenkomst, zodat de bruidegom tijd had om een huis te bouwen en de bruid om haar uitzet in orde te maken.
Tegenwoordig speelt alles zich verkort en deels symbolisch op één dag af in, in de twee fasen die wij hier bespreken, waarbij bruidegom en bruid met de twee getuigen onder de ‘choeppah’ staan, dat is een open huwelijksbaldakijn.
De twee getuigen zullen in het bijzonder toezien op het juridisch juiste verloop van de twee fasen van de huwelijkssluiting, die dus traditioneel verdeeld over twee gedeelten van drieëneenhalve dag plaatsvond. In het eerste deel, de ‘kiddushin’ (קידושין), d.w.z. het aan elkaar ‘heiligen’, en voor elkaar ‘apart zetten’ van bruidegom en bruid, geven zij elkaar het ja-woord doordat elk uitspreekt dat hij/zij de huwelijksovereenkomst, ‘de ketubah’, aanvaard. Vervolgens wordt de ‘ketubah’ door de beide getuigen getekend. Daarop volgt het tweede gedeelte van de huwelijkssluiting, nl. de nissu’in (נישואין). Dit Aramese woord houdt verband met ‘optillen’, de bruidegom draagt als het ware de bruid zijn woning binnen. Eerst wordt echter het huwelijksvertrek door de twee getuigen geïnspecteerd, om zeker te weten dat er niemand anders is, pas dan gaan bruidegom en bruid naar binnen, waarna de getuigen de deuren van het huwelijksvertrek sluiten en buiten de wacht houden. In deze afzondering en dagen hebben de bruidegom en bruid hun eerste lichamelijke gemeenschap. De maagdelijke reinheid zal blijken als het met bloed doordrenkte laken aan de getuigen, familie en gasten wordt getoond, tenminste zo was dat in Bijbelse tijden de gewoonte (zie Dt. 22:13-19). Als de bruidegom uit de kamer komt, zal het eigenlijke bruiloftsfeest beginnen met alle familie, gasten en de getuigen. Gedurende dit bruilofsfeest worden bruidegom en bruid als koning en koning geëerd, geprezen en tegemoet getreden worden door de gasten. In Syrië was het in oude tijden wel de gewoonte dat bruidegom en bruid als koning en koningin gezeten op een dorsslede het middelpunt vormden van de feestelijke activiteiten.
Het is leerzaam om het aparte onderwerp ‘DE JOODSE HUWELIJKSLUITING en BRUILOFT’ te lezen, omdat dit heel veel licht werpt op de achtergronden van het boek Openbaring en ook op de huwelijkssluiting, bruiloft en het huwelijksleven zoals die op veel plaatsen in de Bijbel aan de orde komen.
Voor de bespreking van de gebeurtenissen in het boek Openbaring is een zeker begrip van de Joodse huwelijkssluiting van belang om de rol van de getuigen en het verloop van de hemelse huwelijksprocedure te kunnen volgen. Ook is het nu begrijpelijk waarom de twee getuigen halverwege naar de hemel gaan, want zij moeten met bruidegom en bruid mee naar hun huwelijksvertrek om dat te inspecteren en daarvoor de wacht te houden.
Overigens vermoeden wij dat er ook een verband is tussen de twee zuilen Boaz en Jachin aan de ingang van de Tempel van Salomo (1 Kn. 7:21; 2 Kr. 3:17) en de Twee Getuigen in Op. 11.
******
Als de twee getuigen naar de hemel zijn gegaan, volgt er een grote aardbeving waardoor 7000 (voor)namen in Jeruzalem worden gedood, zodat de mensen uit vrees God eren, maar zich niet bekeren.
Vervolgens wordt duidelijk gemaakt dat we ook hier met een wee te maken hebben. Zoals het eerste wee verbonden was met de vijfde ramshoorn, zo is dit tweede wee verbonden met de zesde ramshoorn. Als die heeft geklonken zien wij een demonisch leger optrekken en daarna begint de eerste helft van de jaarweek, een periode van 1260 dagen, met daarin het optreden van de twee getuigen. Dat gedeelte sluit af met de vaststelling en aankondiging:
“HET TWEEDE WEE is voorbijgegaan, zie het derde wee komt spoedig” (Op. 11:14)
Na de eerste helft van de jaarweek is het geheimenis van God, dat is de Gemeente, voltallig (Op. 10:7; Op. 11:15). Als laatsten zijn de twee getuigen met de grote menigte van de Gemeente in Op. 7:9-17 mee opgenomen.
Zoals het eerste wee bij de vijfde ramshoorn plaatsvond en het tweede wee bij de zesde ramshoorn, zo zal ongetwijfeld het derde wee plaatsvinden bij het nu de volgende zevende ramshoorn.
Maar eerst komt er een heerlijke aankondiging uit de hemel die samenvalt met ...
het blazen van de ZEVENDE RAMSHOORN
en met LUIDE STEMMEN in de HEMEL die zeggen ...
“Het Koningschap over de wereld is gekomen
aan de HEERE en zijn Gezalfde !”
(Openbaring 11:15)
Deze proclamatie wordt gevolgd door de aanbidding van de 24 oudsten en vervolgens door het opengaan van de Tempel in de hemel (Op. 11:19). Na het opengaan van de Tempel in de HEMEL (Op. 11:15-19) wordt de Kist (de Ark) van het Verbond zichtbaar en dat is het teken voor Gods volk dat God met zijn volk mee uittrekt en Hij voor hen de overwinning zal behalen!
Als Jezus Koning wordt gaan er zeer belangrijke dingen gebeuren. geworden. Vele grote profetieën zullen in vervulling gaan bij de komst van de Joodse Koning die over heel de aarde regeren zal:
–[1.] de satan zal gebonden worden (‹Openbaring 20:2-3›),
–[2.] Christus zal gaan regeren vanuit Jeruzalem (‹Jesaja 2:1-5›),
–[3.] iedereen zal de Heer kennen (‹Habakkuk 2:14›),
–[4.] er zal geen oorlog meer zijn (‹Micha 4:3-4›),
–[5.] er zal geen afgoderij meer zijn (‹Jesaja 2:17-18›),
–[6.] de Tempeldienst in Jeruzalem zal hersteld worden (‹Ezechiël 40-48›),
–[7.] er zal geen ziekte, maar wel doodstraf zijn (‹Jesaja 65:20›),
–[8.] er zal een overvloed aan politieke oplossingen komen (‹Jesaja 19:23-25›),
–[9.] Israël zal het voorbeeld voor de volken zijn (‹Zacharia 14:16-17›),
–[10]. er zal een enorme verademing en opleving zijn (‹Habakkuk 2:14›): [a.] in de plantenwereld (‹Jesaja 55:12-13›), [b.] in de dierenwereld (‹Jesaja 11:6-8›), [c.] in de Dode Zee (‹Ezechiël 47:8-10›).
Wat ook heel belangrijk is dat deze zevende ramshoorn, de laatste is. In Op. 10:7 lezen wij dat de Engel aankondigt dat bij de 7e ramshoorn het geheimenis van God, zoals Hij dat aan zijn profeten verkondigd heeft, tot voltooiing zal komen. Het kan niet anders dan dat dat moment hier gekomen is, nl. dat de Gemeente van Jezus Christus, dat is het geheimenis, haar voltooiing heeft bereikt en opgenomen is en aansluitend wordt het koningschap van Jezus Christus over de wereld aangekondigd. Dit is een uitermate belangrijk en ingrijpend moment. Tegelijk is dit de ramshoorn die samenhangt met het aanbreken van de dag van de HEERE waarvan in Joël 2:1-2 en in Zef. 1:14-16 sprake is en het moet ook wel de laatste ramshoorn zijn waarvan sprake is in 1 Kor. 15:52 en 1 Th. 4:16, 17.
Ook is de 7e ramshoorn de slotramshoorn van de belegering van Jericho, de eerste stad die de Israëlieten na de 40-jarige reis door de woestijn belegerden en zonder slag of stoot innamen, nadat zij 7 keer met de Kist rondom de stad getrokken waren en bij de 7e keer op de 7 ramshoorns bliezen waarop de muren van de stad instortten, maar alleen het huis van Rachab op de muur bleef staan (‹Joz. 5:13-6:27›). De val van Jericho is hiermee mogelijk een beeld van de val van Babylon (‹Op. 18›) na de zevende bazuin in het boek Openbaring.
Het is belangrijk om in te zien dat het Koningschap, dat in Op. 11:15 is uitgeroepen en in Op. 11:17-18 aanvaard wordt verklaard meteen in Op. 12:10 effectief wordt. Het treedt namelijk in werking op het meent dat de satan met zijn engelen de hemel uit gewerkt worden en op aarde geworpen worden.
Met het voortschrijden van de gebeurtenissen in de boekrol, krijgen wij steeds meer te zien van de hemelse Tempel.
- in Op. 1:12 zien wij Jezus’ Christus in het Heilige van de hemelse Tempel tussen de 7 kandelaren. Johannes ziet Hem in de Geest
- in Op. 3:12 lezen wij dat overwinnende gelovigen zuilen zullen zijn in Gods Tempel
- in Op. 6:7 zagen wij het Altaar in de hemel met de martelaren daaronder ... dit is het Altaar dat voor de Tempel staat
- in Op. 7:15 lezen wij dat de grote menigte voor de troon God dag en nacht dienen in zijn Tempel
- in Op. 8:3-5 gaat het over het Gouden Reukofferaltaar dat in de Tempel staat voor de Troon
|||| in Op. 11:1,2 komt ook de Tempel op aarde in beeld met de twee getuigen
- in Op. 11:19 gaat de Tempel in de hemel open en zien wij de KIST (=de Ark) in het Allerheiligste! Het tevoorschijn komen van de KIST is heel belangrijk, want is een teken dat GOD met de Koning en het volk mee ten strijde trekt en de overwinning geven zal (zie 1 Sm. 4:5, 6). Verder lezen wij in Joz. 6:8 het volegnde: “Zeven priesters droegen de zeven ramshorens voor het jubelgeschal en liepen aan het aangezicht van de HEERE voorbij en bliezen op de ramshorens en de Kist van het Verbond van de HEERE volgde hen.” Ook hier in Op. 11:19 hebben net 7 ramshorens geklonken, en daarop zien wij de Kist a.h.w. ook volgen. Een geweldige blijdschap zal zich van de hemelse legerscharen meester maken en misschien is dat het wel waarover wij lezen in Op. 14 als de 144.000 een nieuw lied zingen, datniemand anders kan zingen dan zij alleen.
|||| de berg Sion, dat is de Tempelberg op aarde komt ook in beeld met daarop het Lam en de 144.000 vrijgekochten van de aarde
- in Op. 14:15 en 17 komen er twee engelen uit de Tempel, van de tweede staat er duidelijk dat hij uit de Tempel in de hemel komt, maar wij nemen aan dat de eerste daar ook uit voortkomt.
- in Op. 15:5-8 gaat het Allerheiligste, de Tempel van de Woning van de Getuigenis open en 7 engelen komen naar buiten met de 7 schalen van Gods toorn. Niemand kan de Tempel binnengaan vanwege de rook van de heerlijkheid van God totdat de 7 plagen van de 7 engelen voorbij waren.
- in Op. 16:17 klink er een luide stem uit de Tempel: ‘Het is gebeurd!’, waarop de grootste aardbeving die er ooit was en zal zijn volgt.
- in het hemelse Jeruzalem is er geen Tempel meer, want de Almachtige God is haar Tempel (‹Op. 21:22›)
De Tempel op de AARDE is overigens de plaats waar de boze zijn afgodsbeeld opricht, halverwege de jaarweek, als hij het verbond verbreekt, zodat hij zich in de Tempel van God voor zal doen alsof hij God is (2 Th, 2:4; Dan. 9:27), terwijl hij natuurlijk weet dat hij dat niet is.
DEEL III. 6 Intermezzo 5 De vrouw en de draak - de grote eindstrijd (Op. 12)
De 2e helft van de laatste jaarweek van Daniël (Op. 13-Op. 19)
(= de tijd van Jakobs benauwdheid - Jer. 30:7)
Het beest uit de zee en het beest uit de aarde (Op. 13)
De apostel Johannes krijgt verschillende beelden te zien, die inzicht geven in wat er in deze 2e periode van drieënhalf jaar allemaal staat te gebeuren. Voordat we ze kort opsommen, willen wij eraan herinneren dat dit de periode van grootste verdrukking ooit is, omdat Jezus die verbindt met de vlucht naar de bergen waartoe allen in Judea worden opgeroepen (Mt. 24:21). De grootste verdrukking ooit heeft waarschijnlijk niet te maken met het grootste aantal doden ooit, want dan zou wellicht de zondvloed de grootste verdrukking ooit geweest zijn of misschien de gebeurtenissen in Op. 9:13-21, maar het heeft alles te maken met de verstikkende macht van de boze op aarde. Dat geldt overigens ook voor de grote verdrukking in Op. 6:9-11, waaruit talloze martelaren voortkomen (Op. 6:9-11; 7:14), maar die verdrukking in Op. 6, hoewel een grote verdrukking, is niet de grootste verdrukking ooit, waarvan Jezus in Mt. 24:21 spreekt. Deze grootste verdrukking ooit die nu in de 2e helft van de laatste jaarweek volgt, zal de mensen voor de keuze stellen wie zij kiezen om te aanbidden. Die keuze is onomkeerbaar. Daarbij zal hij gebruik maken van een merkteken, dat op de rechterhand of op het voorhoofd aangebracht wordt bij ieder die zich aan hem onderwerpt en hem aanbidt (Op. 13:16).
- Wie kiest voor het merkteken en de aanbidding van het beest zal voor eeuwig verloren gaan! Zie Op. 14:19-11.
- Wie kiest om GOD te aanbidden, zal worden onthoofd, uit de dood opstaan, met Christus regeren en voor eeuwig leven! Zie Op. 13:15; Op. 14:7; Op. 15:2; Op. 20:4.
Pas tegen de dageraad van deze donkerste nacht, zal het licht van Jezus Christus vanuit een volkomen gelouterd overblijfsel van het volk Israël over de aarde opgaan.
[‘naam’] - we lezen in Op. 13:1 dat er 7 koppen aan het beest zijn en dat er een godslasterlijke naam op de koppen staat (‹de lezing ‘namen’, waarbij elke kop mogelijk een andere naam zou dragen, is minder aannemelijk gezien de bronnen›). We weten dat de koppen ook rijken voorstellen die elkaar in de tijd opvolgen nl. Egypte, Assyrië, Babel, Medo-Perzië, Griekenland, Rome en tenslotte het zevende rijk, een hernieuwd, maar zwak Romeins rijk in de eindtijd en daarna een achtste rijk (‹dat voorkomt uit de zeven - zie Op. 17:11›) waarvan de leider het beest uit de zee is, waarvan de kop ten dode toe gewond raakt en dan weer geneest, waarop vervolgens heel de wereld hem achterna loopt. Op. 17:8-18 geeft een duidelijke en aanvullende uitleg wat we hier in Op. 13 lezen.
–In Dan. 7:7-12 lezen we ook over dit beest dat in nachtelijke dromen aan Daniël in het eerste jaar van koning Belsazar getoond werd. Bij dit beest lezen wij nog niet over 7 koppen zoals in Openbaring, maar wel over de 10 horens. In vs. 8 lezen we dat Daniël op de 10 horens lette en zag dat één ervan zich verhief en dat drie van de vorige horens daarvoor werden uitgerukt, en dat de oprijzende hoorn vol mensenogen zat en een mond vol grootspraak had. Dit laatste kenmerk, de mond vol grootspraak, vinden we ook in Op.13:5, zodat we op grond daarvan het beest uit de zee in Op. 13:1 kunnen identificeren als de macht van de oprijzende hoorn in Daniël 7:8.
–Naast de mond vol grootspraak zegt Daniël dat hij ogen als mensenogen zag in de oprijzende hoorn. Moeten we dit misschien opvatten als demonische ogen? Immers in Op. 4:8 lezen we over de cherubs dat zij rondom en van binnen vol ogen zijn, zodat, als hier sprake is van een demon, de demon herkenbaar is als een gevallen cherub aan de ogen net als mensenogen, maar de volheid van ogen vinden we niet aan hem, zoals we ook in Op. 13:11 over een ander beest uit de aarde lezen, dat het twee horens heeft als het Lam, maar dat het dus niet de volle zeven horens heeft zoals het Lam die heeft (‹Op. 5:6›)! Het zijn dus valse verschijningen, zonder de heiligheid van het Lam en zonder de heiligheid van een cherub van God. Dat wat het beest uit de zee en het beest uit de aarde betreft sprake zou zijn van demonen wordt ook bevestigd doordat wij in Op. 19:20 lezen dat zij beiden zonder vorm van proces in de poel van vuur geworpen worden. Mensen komen altijd eerst voor de troon van God als Rechter, dus zijn het geen mensen, en daarom menen wij dat er sprake is van demonen. Ook komen zij op uit de zee, uit de afgrond, uit de woningen van de demonen.
–Het lijkt op grond van Gods Woord aannemelijk om in de toekomst een demonische heerser over deze wereld te verwachten, die uit één van de zeven koppen voorkomt, nadat die dodelijk verwond is, om zo zelf de achtste kop te vormen, de achtste koning die uit de zeven koningen is, die zeven elkaar opvolgende rijken vertegenwoordigen (‹Op. 17:11›). Deze heerser is het beest uit de zee.
–Maar het beest uit de zee, is ook een heerser die voortkomt uit de 10 horens van het beest, doordat hij drie horens uitrukt, waarna er een kleine hoorn bijkomt in plaats van de 3 uitgerukt, zodat de kleine hoorn de achtste is nl. 10 - 3 = 7 + 1 = 8. Bij deze horens lijkt het niet te gaan om elkaar opvolgende koningen, maar om koningen die tegelijkertijd heersen.
–Het kan zijn dat het uitrukken van de drie horens (‹Dan. 7:8›) gebeurt, voordat de kop van het beest dodelijk verwond wordt (‹Op. 13:3›), want nadat dat gebeurd is en hij door demonische kracht hersteld is, zien we geen tegenstand meer onder de koningen tegen dat beest dat onder leiding staat van een demon, de 8e kop, die uit de 7e voortkomt. Waarschijnlijk mogen de 3 uitgerukte horens weer hun plaats innemen, nadat zij de macht van de oprijzende hoorn erkend hebben en hem volgen, want wij lezen in Op. 17:12 dat de 10 horens ook 10 koningen zijn die nog geen macht hebben ontvangen, maar dat zij één uur macht ontvangen samen met het beest om oorlog te voeren tegen het Lam (‹Op. 17:14›).
–Denkend vanuit wat we in de wereld zien, is het logisch dat dit beest, dat in Openbaring gelijk ook de pooier is, met zijn 10 handlangers, de hoer zullen exploiteren en misbruiken, want zij hebben haar niet lief (‹zoals de Bruidegom de Bruid liefheeft›), maar zij haten haar zo erg dat ze haar berooid en naakt zullen maken en haar vlees zullen eten en haar zullen verbranden (‹Op. 17:16›). Berooid maken wil waarschijnlijk zeggen dat zij de aan haar uit haar hoererij geboren kinderen zullen afnemen (‹misschien de valse religies met de resp. volgelingen, want de boze duldt geen andere goden naast zich›). Dat zij haar naakt zullen maken, wil mogelijk zeggen dat zij haar haar rijkdom en weelde waarin zij zich gehuld heeft, zullen afrukken, dat zij haar vlees zullen eten, wil mogelijk zeggen dat zij op één of andere manier haar bestaan zelf zullen aantasten, en tenslotte zullen zij dit offer, dit hoerenlichaam, verbranden. We schrijven het maar eens zo op, zodat het misschien tot een dieper begrijpen van al deze dingen komt, om zo de boze en zijn plannen te ontmaskeren, want daartoe is zeker ook het boek Openbaring aan de Gemeente van Jezus Christus gegeven, maar het allermeest is het boek ons gegeven om ons zicht te geven op de komende Koning-Bruidegom met zijn hemelse Bruid, de Overwinnaar over zonde en dood.
Het is opvallend dat in Riyadh in Saudi Arabië sinds dec. 2019 een jaarlijks terugkerend internationaal festival met wereldse beroemdheden is gestart met de naam MDL B EAST. Dat is sinds de start van het ‘corona’ gebeuren in Wuhan in China. Het gebeuren is ook bekend onder de naam SOUND STORM https://mdlbeast.com
Maar nu eerst de hoofdrolspelers in Op. 12-Op. 19 en een beschrijving van hun rol:
1. de vrouw met de kroon van sterren met de maan onder haar voeten, die een mannelijke Zoon baart, terwijl er nog maar twee weeën voorbij zijn (Op. 12:1-17, Jes. 66:7-9). Deze vrouw is in zekere zin Israël, of is het Jeruzalem, Sion, (Jes. 66:7-11), maar ook zijn het de inwoners van Judea die vanuit Judea richting het bergland vluchten.
Dit is de vervulling van de belofte aan Eva in Gen. 3:15 ... want het zaad van de vrouw zal de kop van de slang vermorzelen. De vrouw baart namelijke een mannelijk kind, met Jezus Christus als het Hoofd en de Gemeente als zijn Lichaam!
De vrouw zelf vlucht naar de woestijn om daar onderhouden te worden voor 1260 dagen, dat is heel de 2e helft van de jaarweek. We denken dat de oproep in Op. 18:4 de inleiding is tot deze vlucht. God zal haar vlucht afschermen want de draak wil haar nog ombrengen door een woeste waterstroom achter haar aan uit zijn bek te doen komen, vandaar dat de inwoners van Judea opdracht krijgen om niet terug te keren, maar regelrecht op de vlucht te gaan en te bidden voor de zwangeren en de zogenden dat de vlucht niet in de winter valt of op een sabbat (Op. 12:6, 15, 17; Mt. 24:15-22).
Wat betreft het woord ‘woestijn’ waar ze heen vlucht, denken wij aan de woestijn van Judea, die achter de bergen ligt, aan de westzijde van de Dode Zee. Hier zocht ook David veiligheid tegenover Saul in Zif, Maon en En-Gedi. Johannes de Doper predikte hier en waarschijnlijk was dit ook de woestijn waar Jezus door de satan werd verzocht.
Anderen menen dat de vrouw naar Petra in Edom zal vluchten, anderen denken naar Pella waarheen de christenen vlak voor de verwoesting van Jeruzalem heen vluchten.
Vanuit Jeruzalem en omgeving is het wellicht voor de hand liggender om richting Jericho te vluchten. Het dal van Achor is er vlakbij, 10 km. in noordelijke richting in het bergland van Judea. Zou de vrouw (Israël of beter degenen die in Judea zijn - Mt. 24:16) ook een onderkomen vinden in het dal van Achor, waar destijds Achan door God geoordeeld werd, en zal God hier mogelijk tot haar (hun) hart gaan spreken, zoals Hij bij de verovering van het land Kanaän in dit dal tot het hart van het volk sprak over hun ontrouw? (Hos. 2:13-19). Geografisch stemt dit niet overeen met de woestijn van Judea, maar in Hosea 2:16, 17 lezen wij:
“Daarom, zie, Ik zal haar lokken en haar de woestijn in leiden, en daar zal Ik tot haar hart spreken. Daarvandaan zal Ik haar haar wijngaarden geven en het dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij optrok uit het land Egypte.”
Dus lijkt er toch een verband te bestaan tussen beide, want in dit ene vers is sprake van de woestijn en van het dal van Achor! Er staat hier dat God haar zal lokken en zal leiden. In Op. 18:4 lezen wij: “En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: “Ga uit van haar, mijn volk, opdat je geen deel hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen!” Deze oproep van God zal aanleiding zijn voor het volk om te vluchten naar de bergen van Judea. Dat gebeurt om te voorkomen dat ze geen deel zal hebben aan de zonde die zwaar op de stad zal drukken door het optreden van de antichrist, die er juist in geslaagd is om de twee getuigen om te brengen. Maar er zal na 3,5 dag toch opeens een enorme consternatie zijn omdat de twee getuigen opstaan en naar de hemel gaan, en omdat een grote aardbeving 7000 namen doodt. Dit is waarschijnlijk het moment dat de vrouw bliksemsnel moet benutten om te vluchten naar de bergen van Judea en wij denken dat zij naar het dal van Achor geleid zal worden. Wij moeten hier ook denken aan Mt. 25:1-3 aan de oproep in het midden van de nacht: ‘Zie, de bruidegom komt, trek uit hem tegemoet!’ Een deel van Israël zal klaar zijn en de Heilige Geest door de prediking van de twee getuigen tot hun harten hebben laten spreken, een ander deel niet. Het zal ook een haastig vertrek zijn, net zoals destijds het volk overhaast in de nacht uit Egypte vertrok, uit de slavernij (Ex. 12:11, 39).
In het dal van Achor kwam destjds de misdaad van Achan aan het licht. De misdaad was ook verbonden met het land Sinear, waar de toren van Babel vroeger gebouwd was, (Joz. 7:21), want bij de gestolen spullen was ook een mantel uit het land Sinear (Joz. 7:21), uit het land van Nimrod (Gen. 10:8-10). Kennelijk werden die mantels vanuit Babel door handelslieden naar Kanaän gebracht, vanuit Babel dat het bij uitstek tegen de God in de hemel wilde opnemen, maar dat verstrooid werd doordat God de taal verdeelde. Bij de inname van het land Kanaän had de Israëliet Achan zich toch laten verleiden door (materialen uit) Babylon. Daar moest het volk zich van ontdoen, anders zou het onmachtig zijn om het land te veroveren. Ook in de eindtijd moet Israël vrij blijven van de smetten van Babylon, het land van Nimrod, die een opstandeling tegen God was (Op. 18:4), daarom dat God de vrouw oproept om te vertrekken uit de vrouw Babylon die ook in deze eindtijd kennelijk haar tentakels zal uitstrekken tot in de heilige stad.
Achan werd veroordeeld in het dal van Achor (=het dal van ellende). Daar werd het volk gereinigd van de misdaad die het door de handen van Achan had begaan, daar sprak God tot het hart van zijn volk. Het volk kon niet meer tegen de vijand op, het werd onder de voet gelopen, maar door wat er in het dal van Achor gebeurde, werd het volk van God weer een overwinnend volk. We hebben al aangegeven dat wie in Judea zijn halverwege de jaarweek mogelijk zullen vluchten naar het dal van Achor, waar God dan tot hun hart zal spreken. Destijds kwam het dal van Achor na de val van Jericho, nu komt Achor mogelijk vóór de val van Babel.
Hoe is het mogelijk dat een deel van het Joodse volk in de 1e helft van de jaarweek tot geloof komt, om vervolgens halverwege de jaarweek te vluchten ? Wel, het antwoord is eenvoudig: dat komt door de prediking van de twee getuigen in Jeruzalem die alle Joodse Tempelbezoekers in die dagen zullen horen. Zij zullen het ook weer doorgeven in het land en vandaar zal het ook in de wereld bekend worden. Of dat gebeurt door de media zoals velen denken, is maar de vraag, want na alle plagen is het twijfelachtig dat daar nog iets van over is, net zoals het maar de vraag is of de volken die naar Jeruzalem zullen oprukken om het tegen de twee getuigen op te nemen nog over allerlei superelectronisch wapentuig zullen beschikken of dat ze het zonder zullen moeten stellen.
De vrouw moet snel vluchten, niet omkijken (denk aan de vrouw van Lot), de legers hebben de twee getuigen nog maar kort geleden geveld. De legers van het beest zijn ongetwijfeld nog in de buurt, in en om Jeruzalem. En de draak spuwt water achter de vrouw aan, om haar daardoor mee te sleuren, zodat zij omkomt.
******
In eerste instantie lijkt het bovenstaande allemaal goed te passen bij Mt. 24:15 en Dan. 9:27, want het gaat in die gedeelten over de gruwel van verwoesting die halverwege de jaarweek zal worden opgericht, maar wij willen dit goed onderzoeken. Laten wij nog eens kijken naar de woorden uit Daniël en naar de woorden van Jezus uit Mattheüs:
“Hij zal aan velen één week lang een verbond opleggen en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het (spijs)offer doen ophouden en op een vleugel van gruweldaden zal een verwoester komen en wel totdat het vastbesloten eind(oordeel) over een verwoeste zal worden uitgestort.” (Dan. 9:27)
“Wanneer jullie dan de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats zien staan - laat hij die het leest opletten - , laten dan wie in Judea zijn vluchten naar de bergen.” (Mt. 24:15, 16)
Het feit dat wij lezen dat deze ‘hij’ één week lang aan velen een verbond zal opleggen (Dan. 9:27), betekent in ieder geval dat ‘hij’ zijn invloed kan doen gelden gedurende de hele jaarweek, zowel in de eerste als in de tweede helft. En omdat ‘hij’ deze belangrijke macht om een verbond op te leggen al aan het begin van de jaarweek heeft, én omdat ‘hij’ dat samen met velen doet, mogen wij aannemen dat ‘hij’ al voor die tijd zeer actief is op het wereldtoneel, en waarschijnlijk is ‘hij’ al actief als het witte paard uittrekt, want de ruiter op dat paard trekt uit overwinnende en om te overwinnen, d.w.z. om zijn invloed enorm uit te breiden. ‘Hij’ zal de hoofdrolspeler zijn op het wereldtoneel. Een belangrijk onderdeel van zijn ‘geheime’ strategie is om gehuld in ‘het onschuldige wit’ van ‘de beste bedoelingen’ veel geweld, honger en ziekte te veroorzaken en alle christenen om te brengen (Op. 6:9). ‘Hij’ zal dat nooit openlijk zo zeggen, maar zich beter mooier, witter voordoen dan ‘hij’ is!
[Overigens is de Hebreeuwse tekst van Dan. 9:25 aanleiding tot verschillende vertalingen, waarbij het vooral om het voorzetsel gaat: ‘met velen’ of ‘voor velen’. Veel vertalingen kiezen voor de vertaling ‘met velen’, maar in navolging van K&D, omdat hun taalkundige argumentering op ons de meest verantwoorde indruk maakt, hebben wij gekozen voor de vertaling: ‘aan velen’.]
De ‘hij’ zal onder het witte aard inzetten op de wereldmacht en dat zal reacties uitroepen, o.a. veel geweld, maar ook zullen de pest de de honger op het wereldtoneel hun intrede doen. En door dat alles heen zullen er op één of andere manier ook geweldige christenvervolgingen komen, want aan het eind van Op. 6 zal de Gemeente worden opgenomen, en verschijnt zij als een grote menigte voor de troon in Op. 7. De Gemeente, de weerhouder (zie 2 Th. 2:6-7), die een grote rem zet op de activiteit van de boze, is dan weggenomen.
God stort echter onder de ramshorens (bazuinen) onmiddellijk zijn oordelen uit waardoor de ‘hij’-figuur tegn zijn verwachting in, in zijn optreden nog steeds tegengehouden wordt en blijft voelen dat ‘hij’ een geduchte tegenstander heeft, ja, zelfs een Onoverwinnelijke, die de Ware Overwinnaar is (Op. 5:5). Als de 7e ramshoorn geblazen wordt en de 2e helft van de jaarweek aanbreekt en ‘hij’ zichzelf tot het uiterste opblaast tegen de hemel, dan wordt deze ‘hij’ geconfronteerd met het uitgieten van de schalen van Gods toorn (Op. 16) en is het afgelopen met hem! Maar zover is het hier nog niet.
Al lezend en nadenkend zien wij dat deze ‘hij’-figuur al actief is in Op. 6. Maar waar is ‘hij’ op uit?
Uit Dan. 9:25-27 kunnen wij afleiden dat de allergrootste problemen zich afspelen rond Jeruzalem en de Tempel. Jezus bevestigt dat ook met zijn woorden uit Mt. 24:15, 16. Dit is verhelderend om te weten, want nu begrijpen wij beter uit welke hoek de zgn. ‘witte wind’ waait. Wij weten immers dat de wereld, die voortdurend in de vergaderzalen van de VN samenkomt, zich al vele jaren uitput om resolutie na resolutie tegen Israël uit te vaardigen (in 2020 alleen al werden er door de Algemene Vergadering van de VN 17 resoluties tegen Israël aanvaard en slechts 6 resoluties tegen andere landen). Dit beleid doet het wereldwijd goed, want zo zijn alle landen ‘witte schapen’ en Israël ‘het zwarte schaap’.
Daaruit blijkt dat deze ‘hij’ erop uit is om Israël uit te schakelen en daarmee ook alle dienst aan de God van Israël, want daar gaat het hem om. Hij wil aan zichzelf laten zien dat ‘hij’ God is en ‘hij’ wil dat alle aanbidding op hem gericht is, dat is het waar ‘hij’ op uit is (2 Th. 2:4)! Hij wil dat de wereld volkomen afhankelijk van hem wordt en om de wereld zover te krijgen, zal ‘hij’ alle middelen meedogenloos inzetten, zodat zelfs niemand, die het beest of zijn beeld niet aanbidt, kan kopen of verkopen. En als ze hem dan aanbidden, wil ‘hij’ ze met een merkteken (Op.13:15-17; 14:9-11) voor eeuwig aan zich verbinden.
We stellen vast dat ‘hij’ de kleine hoorn is waarvan Daniël spreekt in Dn. 7:19-20 die zal opkomen van tussen 10 horens (wereldleiders), waarvan hij er drie zal uitrukken, zodat hij de achtste zal worden van de resterende zeven (zie ook Op. 17:11). deze kleine hoorn is de machtigste leider in de jaarweek, hij is in zekere zin het beest uit de zee van volken.
In Dan. 7:25 lezen wij ook het volgende over deze kleine hoorn:
“Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste en hij zal de heiligen van de Allerhoogste te gronde richten en hij zal proberen de vastgestelde tijden en de Wet te veranderen en zij zullen in zijn hand gegeven worden voor een tijd, tijden en een halve tijd.” (Dan. 7:25)
Wij houden het voor mogelijk dat het een demon is, een regelrechte handlanger van de satan, evenals het beest uit de aarde, maar wij hebben daarover geen zekerheid. Zowel het beest uit de zee als het beest uit de aarde worden, naar het lijkt zonder vorm van proces in de hel, de poel van vuur, geworpen worden (zie Op. 19:20), waarin na het 1000-jarig rijk ook de satan op dezelfde manier geworpen zal worden (Op. 20:10), maar in Daniël 7:26 lezen wij: “Dan zal het gerechtshof zitting houden en zijn heerschappij (d.w.z. de heerschappij van de kleine hoorn) zullen zij hem ontnemen tot op zijn vernietiging en zijn verwoesting tot aan het einde toe.” Uit deze woroden moeten wij wel concluderen dat ook hier GOD als Rechter zal optreden en pas na de rechtszitting het vonnis zal laten uitvoeren. Deze rechtszitting lijkt plaats te vinden buiten de rechtszitting om die voor de grote witte troon zal plaatsvinden, want deze laatste rechtszitting lijkt pas plaats te vinden als de beide beesten en de boze al in de hel geworpen zijn. Ook om deze reden denken wij dat de beide beesten demonen zijn, net als de boze zelf, de satan.
We kennen nu de diepste bedoelingen van de ‘hij’-figuur, de kleine horen met een mond vol grootspraak, wij weten waarop hij uit is, welke middelen ‘hij’ zal gebruiken en we hebben ook zicht gekregen in zijn perverse regeringsagenda, waarmee ‘hij’ de wereld confronteert en die ‘hij’ dwingend oplegt.
Dat ‘hij’ de heiligen ten gronde zal richten, is al gebleken in Op. 6 en zal ook blijken in het vervolg. Dat ‘hij’ de tijden en de Wet wil veranderen, betekent dat ‘hij’ de vastgestelde tijden en de Wet zal ombuigen, perverteren, naar zijn zin. ‘Hij’ zal proberen wat krom is recht te maken en wat recht is krom te maken op elk levensterrein. ‘Hij’ zal de wereld de volkomen perversie in leiden en ‘hij’ zal waarschijnlijk de Joodse feestdagen en misschien ook wel de weekordening omdraaien.
Als wij dit alles weten, dan blijft alleen de vraag nog, wat dat verbond dan zal inhouden dat ‘hij’ aan velen gaat opleggen?
Zonder dat wij hier een precies antwoord op kunnen geven, lijkt het het meest aannemelijk dat ‘hij’ de wereldbevolking volkomen loyaliteit en onderworpenheid aan hem zal proberen op te leggen, uitmondend in de aanvaarding van het merkteken van het beest en de aanbidding van zijn beeld (Op.13:15-17).
We stellen daarom dat de vlucht van de vrouw in Op. 12:13-16 op het goede moment komt en aansluit bij de hachelijke sitatie die midden in de jaarweek ontstaat voor allen die, ondanks hun eerdere keuze om de afgoden te blijven dienen (zie Op. 9:20,21) ten gevolge van het optreden en de prediking van de twee getuigen, zich toch nog bedenken en tot geloof komen in de God in de hemel. De keuze is absoluut: HEMEL of HEL ! Er is geen uitstel meer!
De vrouw die vlucht is de eerste groep die zich onttrekt aan de duivelse dictatuur. Zij zijn ongetwijfeld Joden uit Judea, die gehoor geven aan Jezus’ oproep uit Mt. 24:16 en zij vluchten naar de bergen en moeten voortmaken want de draak spuwt waterstromen achter hen aan om hen mee te sleuren (Op. 12:13-16). Haar rol is nu verder voor ons verborgen
******
Nadat de vrouw gevlucht is (Op. 12), en we een vooruitblik ontvangen hebben op de komende heerschappij van het beest uit de zee met het beest uit de aarde, de valse profeet, als zijn knecht (Op. 13), zien wij in Op. 14 dat de Heer naar de aarde is afgedaald om de plaats van de twee getuigen in te nemen. De 144.000 hebben in de Tempel gebeden in de verwachting van zijn komst (Op. 11:1). Dan komt Hij opeens naar de berg Sion (nog steeds niet naar de Olijfberg - zie Zach. 14:1-7), bij de 144.000 zoals wij in Op. 14:1 lezen. In de tijd gerekend sluit dat vrijwel direct aan op Op. 11:15-19 want Op. 12 en 13 zijn gezichten, intermezzo’s met een visionnair karakter. De tijd staat dan a.h.w. even stil. Maar de HEERE Jezus Christus staat niet stil. Hij beweegt als een veldheer over heel het slagveld, over de akker die Hem als Losser toekomt, om alles wat Hem toebehoort veilig te stellen, en om alles wat er niet thuishoort te overwinnen en uit te delgen. Hij stelt Zich op temidden van de 144.000, die zich vermoedelijk al vanaf Op. 7 in het Tempelgebied hebben opgesteld, want de Tempel moet wel herbouwd zijn of worden in de periode van het openen van de zes zegels (de herbouw van de Tempel zal misschien veel geweld uitlokken bij de tegenstanders van die herbouw en dat geweld zal wellicht onderdeel zijn van het uittrekken van het rode paard - Op. 6:3), want hoe kunnen anders in Op. 11 de twee getuigen opeens in de Tempel staan en dan nog wel in de binnenhof van de Tempel?
Overigens zal met de herbouw van de Tempel ook de offerdienst weer hervat worden, want hoe zouden wij anders de woorden uit Dan. 9:27 moeten begrijpen, die luiden:
“Hij zal aan velen één week lang een verbond opleggen en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden en op een vleugel van gruweldaden zal een verwoester komen en wel totdat het vastbesloten eindoordeel over een verwoeste zal worden uitgestort.”
Als na het optreden van de twee getuigen in de eerste helft van de jaarweek, de offerdienst in de Tempel zal worden gestopt, dan weten wij nu al dat die offerdienst al vóór die tijd ingesteld zal worden, waarschijnlijk in aansluiting op de herbouw van de Tempel die zich vermoedelijk gedurende het openen van de eerste zes zegels van de boekrol in Op. 6 zal voltrekken en naar verwachting geweldig vijandige reacties zal uitlokken, zeker vanuit de islamitische wereld, mogelijk gesteund door de Verenigde Naties (VN). In ieder geval zal er een offerdienst zijn en de 144.000 hebben mogelijk als taak om die offerdienst aan de God van Israël te beschermen en te bewaken. Dus hoewel van de 144.000 niet gezegd wordt waar zij na hun verzegeling verblijven, is het heel aannemelijk dat zij bij die herbouwde Tempel zullen zijn en blijven, ook om daar te bidden voor de komst van het LAM (Op. 11:1), totdat in Op. 14:1 dat LAM ook daadwerkelijk naar hen toe komt op de berg Sion, de Tempelberg, hetzelfde LAM dat - zoals wij ons voorstellen - eerst aan de hemel te zien was gedurende een adembenemende stilte in de hemel, hetzelfde LAM dat de grote menigte uit alle volken, stammen, talen en natiën bij Zich genomen heeft (Op. 6:17; Op. 8:1 ). Overigens is met het verschijnen van de HEERE als LAM op de berg Sion nog niet het moment gekomen dat Hij zijn voeten op de Olijfberg zal zetten. Alles gebeurt op zijn tijd en naar zijn plan! HIJ is werkelijk een GEWELDIG VELDHEER die precies daar verschijnt waar dat het meest strategisch is en zijn strategie is volmaakt.
De onderstaande woorden van de profeet Maleachi lijken goed bij deze verschijning van de HEERE als LAM op de berg Sion te passen:
“Plotseling zal Hij zijn Tempel binnengaan, de Heer, die jullie zoeken,
de Engel van het Verbond, over Wie jullie je verheugen.
Zie, Hij komt, zegt de HEERE van de legermachten.
Hij zal zitten als wie zilver smelt en loutert.
Hij zal de zonen van Levi reinigen,
en Hij zal hen louteren als goud en als zilver,
en zij zullen de HEERE een spijsoffer brengen in gerechtigheid.
Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem aangenaam zijn voor de HEERE
zoals in de dagen vanouds,
zoals in vroegere jaren. (Maleachi 3:5).
Het LAM is nu halverwege de jaarweek op de berg Sion met de 144.000 verzegelden.
Maar ook de ‘hij’-figuur uit Daniël is actief op de berg Sion. Halverwege de jaarweek doet ‘hij’ het slachtoffer en het spijsoffer ophouden (Dan. 9:27), waaruit blijkt hoe zwaar ‘hij’ zijn druk zal opvoeren. Tot die tijd konden die in de herbouwde Tempel op de berg Sion kennelijk nog wel worden gebracht. In Op. 13:15 lezen wij van een afgodsbeeld dat een enorme macht krijgt over de mensen en aanbeden moet worden. Een valse profeet zal optreden, het beest uit de aarde:
“Het zal hen die op aarde wonen verleiden door de tekenen die hem gegeven zijn om te doen voor de ogen van het eerste beest, om hen die op aarde wonen te zeggen dat zij een beeld moeten maken voor het beest dat de wond van het zwaard had en weer levend werd. Het werd gegeven om het beeld van het beest een geest te geven en te maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden werden. Het maakt dat aan allen, aan kleinen en groten, aan rijken en armen, aan vrijen en slaven, een merkteken op hun rechterhand of op hun voorhoofd gegeven wordt, en dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken van de naam van het beest of het getal van zijn naam op zich heeft.” (Op. 13:14-16)
Er zal zich een regelrechte confrontatie voordoen tussen het LAM en het beest!
Maar voordat dit alles plaatsvindt, vlucht de vrouw en zij wordt aan het begin van de 2e helft van de jaarweek in veiligheid gebracht, in de woestijn. Zij heeft geluisterd naar de prediking van de twee getuigen en aan de woorden van Jezus gedacht (Mt. 24:15-22).
2. De satan, de oude slang (Gem. 3:14, 15), wordt nu, in het midden van de jaarweek, uit de hemel geworpen door Michaël en de heilige engelen. Hij probeert de vluchtende vrouw nog schade toe te brengen, maar dat lukt niet. In een uiterste poging besluit hij oorlog te voeren tegen de overigen van haar zaad (degenen die in Jezus Christus geloven) die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben (Op. 12).
3. het beest uit de zee, de mens van de zonde, de zoon van het verderf, de valse christus of antichristus, (2 Th. 2:3; 1 Jh. 2:22; 2 Jh. 1:7; Op. 13:1-10), is het eerste gedrocht dat door de uit de hemel geworpen satan uit de volkerenzee omhoog gebracht wordt om zijn plaats in te nemen in de sluwe plannen van de satan.
We lezen in Op. 13:2 dat het beest gelijk was aan een luipaard, dat het poten had als een beer en een muil als een leeuw. Anders gezegd het beest uit de zee is in zekere zin een samensmelting van de drie voorgaande beesten in Dan. 7:4, 5, 6, d.w.z. Babylon, de Meden en Perzen dat is het tegenwoordige Iran en het Griekse Rijk dat vanuit Griekenland zich over het tegenwoordige Turkije naar het oosten en zuiden bliksemsnel uitbreidde.
Zelfs een dodelijke wond door het zwaard ontstaan (Op. 13:14) kan dit beest niet tegenhouden en heel de aarde volgt het beest na, uit vrees voor zijn macht, en dat voor een periode van 42 maanden, dat is 3,5 jaar. Dat de wond door een zwaard ontstaat, kan in deze tijd rond 2020 bijna niet anders betekenen dan dat de veroorzaker van de wond een moslim zal zijn.
a. Is hier sprake van een leider die zich net als een Shi’a moslim met een zwaard aan zijn hoofd verwondt gedurende het zgn. Ashoera-festival (het festival van de 10e dag van de islamitische maand Muharram, de islam-imitatie van de Grote Verzoendag - Yom Kippoer op de 10e dag van de eerste maand van het Joodse wereldlijk jaar), waarbij zich vreselijk bloederige rituelen afspelen in Afghanistan, Pakistan, Bahrain, Irak, Iran en Libanon, maar ook in Engeland. Men verwondt zichzelf in het openbaar met zwaarden en messen, waarbij velen menen dat dit ritueel de deelnemer reinigt van zonde. Dit bloederige ritueel heet in het Arabisch ‘tatbir’ (تَطْبِير = ). Het Ashoera-festival is een belangrijk feest op de kalender van de Shi’a moslims waarbij men de dood herdenkt van de kleinzoon van Mohammed, genaamd Husayn ibn Ali, en ook van zijn familieleden die met hem gedood werden in de slag bij Karbala in 680 n. Chr. waar zij strijd voerden tegen een 120.000 man tellend leger van de Omajjadische kalief Yazid I. Shi’ieten geloven dat Husayn ibn Ali zich vrijwillig liet doden als een daad van zelfopoffering. De strijd ging over de vraag wie de rechtmatige opvolger van Mohammed was. Yazid I wilde de macht over de ‘oemma’, de islamitische moslimgemeenschap houden. Omdat Husayn en zijn metgezellen afgesloten werden van de watervoorraad, vasten de Alevieten in navolging hiervan twaalf dagen. Ze worden ook geacht te rouwen en afstand te doen van het aardse genot. De twaalf dagen symboliseren de twaalf imams die volgens de overlevering na Mohammed zouden komen om de leiding over de oemma te nemen. Het Ashoera festival gaat gepaard met veel rouw en afzien van werelds genot. Als je aan het rouwen bent mag je tijdens de maand Muhharam geen muziek beluisteren Voor de soennieten is het vasten niet verplicht, maar wel aanbevelenswaardig.

In de eindtijd zal er een enorme duisterheid heersen, waarin occulte machten hun werk kunnen doen en de mensen zullen verbijsteren (zie ook hierna ‘Het beeld van het beest - de Joodse legende van de Golem’).
b. Of is hier sprake van een soennitische moslim die de leider met een zwaard verwond of zelfs onthoofd?
In de afgelopen jaren liet het soennitische geweld in het Midden-Oosten vele onthoofdingen zien, uitgevoerd door soennitische moslims. Of de gijzelaar deed ter plekke de islamitische geloofsbelijdenis of je werd onthoofd. Meer keuzes waren er niet. Christenen (maar ook anderen) uit verschillende landen werden om die wijze om het leven gebracht.
Het beest lijkt echter in Op. 13 niet benaderd te worden door een dergelijke soennitische beul met een zwaard, want anders zouden wij lezen van een onthoofding. Er is echter sprake van een dodelijke wond die geneest. Wij denken daarom dat de kans groter is dat het beest wordt verwond of dat hij zichzelf verwond zoals we onder a. beschreven.
De islamitische onthoofdingsprocedure zou echter wel het ritueel kunnen zijn waaraan mensen die de aanbidding van het beest weigeren worden onderworpen, omdat van de weigeraars wel duidelijk vermeld staat dat zij onthoofd worden (Op. 13:15; Op. 20:4)
In verband met deze dodelijke wond is het belangrijk om te weten dat er in het sjamanisme (‹sjamanisme is het manipuleren van bovennatuurlijke machten door een sjamaan die contact kan maken met geesten en de geestenwereld, veelal om op die manier door geesten veroorzaakte ziektes te genezen. Het komt en kwam voor in diverse culturen en traditionele geloven verspreid over heel de wereld, met elk hun rituelen en praktijken.›) ook een geloof is met betrekking tot de dood van een sjamaan, dat zegt dat als de sjaman afdaalt tot in de diepten van de hel en daaruit levend terugkeert, dat die sjaman god is! Wij vermoeden daarom dat het beest vrijwillig zichzelf dodelijk zal verwonden - waarschijnlijk in de eerste helft van de jaarweek als de twee getuigen optreden – en dat hij door de occulte machten in staat zal zijn om te herstellen en te genezen, en vervolgens in het midden van de jaarweek zal oprijzen uit de afgrond, uit de zee (Op. 9:1; 11:7 - de afgrond, de zee), om de twee getuigen de oorlog aan te doen en te doden. Door deze daad zal de bevolking van de wereld hem achterna gaan, onder de indruk als zij zijn van deze bovennatuurlijke macht. Het is zijn imitatie van de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Door het optreden van de valse profeet zullen zullen de mensen nog meer onder de indruk komen van al die grote tekenen, ... “want de komst van die (ene) zal gepaard gaan met de werking van de satan, met alle macht, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met alle verleiding van ongerechtigheid in hen die verloren gaan omdat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, waardoor zij leven zouden hebben.” (‹2 Th. 2:9, 10; Op. 13:12, 13›), en zo zullen zij, naar de mening van verschillende bijbelonderzoekers, verlokt worden om het merkteken van het beest volkomen vrijwillig te aanvaarden, in de veronderstelling dat zij zelf zo toegang zullen krijgen tot al die bovennatuurlijke machten en ook als god zullen worden en heel hun leven naar hun eigen hand kunnen zetten door middel van deze ‘supergave’. Nu moeten wij dat woord ‘vrijwillig’ ook niet te mooi voorstellen, want wie het merkteken weigert zal onthoofd worden. Maar wel is het juist dat degenen die ‘uitgenodigd worden’ om het merkteken te aanvaarden en dat ook doen, een zodanige innerlijke gesteldheid zullen hebben dat zij zich ertoe laten verlokken om het merkteken aan te nemen, omdat zij de leugen meer lief hebben dan de waarheid (Ps. 52:5; Rm. 1:25).
Chuck Missler, een Amerikaanse Bijbelleraar, schrijft: “Deze leider zal de zoon van satan zijn, het zaad van de slang (Gen. 3:15; Jes. 27:1; Ez. 28:12; Op. 13). Hij zal een intellectueel genie zijn (Dan. 7:10; 8:23; Ez. 28:3), een overtuigend redenaar (Dan. 7:20; Op.13:2), een politieke manipulator (Dan. 11:21), een commercieel genie (Ps. 52:7; Dan. 8:25; 11:38; Op. 13:17; Ez. 28:4, 5), een militair leider (Jes. 4:16; Dan. 8:24; Op. 6:2; 13:4), een geweldige organisator (Op. 13:1, 2; 17:17) en een godsdienstige ‘goeroe’ die godsdiensten bij elkaar brengt (2 Th. 2:4; Op. 13:3, 14, 15). Hij zal in staat zijn om zowel jood als moslim te overtuigen.
Uit Ps. 55 (m.n. uit vs. 14-15 en 21), Ez. 21:25-27, en Dan. 11:36, 37 en Jh. 5:43 meent men, niet zonder reden, te kunnen afleiden dat deze antichrist wel eens een Jood zou kunnen zijn.
Het beest wordt ook macht gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen (Op. 13:7). Dat wil dus zeggen dat er geen gelovige op aarde meer kan bestaan. Dat bepaalt ons ook bij de woorden van Jezus Christus in Mt. 18:8 “Maar zal de Mensenzoon wanneer Hij komt, geloof vinden op aarde?” Als het aan de satan zou liggen dus niet, maar o.i. zullen twee gebeurtenissen ertoe leiden dat er drie groepen Joodse gelovigen Jezus Christus bij zijn komst op aarde zullen ontvangen nl.
a. de 144.000 verzegelden (zie Op. 14:1-5)
b. de vrouw die vlucht naar de woestijn op de helft van de jaarweek (Op. 12:14)
c. de Joden die voor de komst van Jezus, vlak voor dat Hij zijn voeten op de Olijfberg zet, tot bekering zullen komen en als een vreselijk uitgedund, maar voltallig Joods 12-stammen volk, Jezus zullen bewenen als hun eerstgeboren Zoon. Bij de uittocht van Israël uit Egypte hadden wel alle Egyptenaren gerouwd om hun gestorven eerstgeboren zoon, maar de Israëlieten niet, want hun eerstgeborenen waren niet omgekomen door de plaag. Maar Jezus Christus is hun Eerstgebore Zoon, het Lam van God, en nu zijn eindelijk op het allerlaatste moment tot die erkenning gekomen (Zach. 12:10-14).
4. het beest uit de aarde, ook genoemd ‘de valse profeet’ (Op. 13:11-18; Op. 16:13; 19:20; 20:10), is de handlanger van het beest, en hij wordt door de satan ter ondersteuning van het beest op aarde gebracht. Deze zorgt voor een ‘hartelijk’ onthaal van het beest door de bewoners van de aarde door zijn verleidelijke teken, de tekenen van een leugenaar (zie Jes. 44:25, Op. 13:13,14).
Hij heeft twee horens in een imitatie van het Lam op de troon met de zeven horens, maar het sprekt als de draak.
Met behulp van een beeld en de verplichting om dat beeld van het beest te aanbidden zet hij een meedogenloze vervolging in van ieder die zich niet in aanbidding voor het beeld van het beest neerwerpt, want ieder die dat weigert zal gedood worden, en vervolgens krijgt ieder die het beeld aanbidt een merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam op het voorhoofd (tussen de ogen) of op de rechterhand en is daarmee verloren (Op. 14:9-11).
Vaak wordt gedacht dat deze ‘valse profeet’ een Jood zal zijn. Goede redenen om dat te denken waren ons tot voor kort niet bekend, tot we begin 2021 geconfronteerd werden met het bestaan van de zgn. Joodse legende van de ‘Golem’, een legende die springlevend blijkt te zijn in tal van ‘games’ die op internet. aangeboden worden. Het is een legende die zijn wortels heeft in de Joodse kabbalistische, occulte mystiek. We zullen in het volgende constateren dat er alle reden is om te veronderstellen dat deze valse profeet inderdaad een Jood zal zijn.
5. het beeld van het beest - de Joodse ‘legende’ van de ‘GOLEM’ (Op. 13:15-18)
De ‘golem’ is een figuur uit een Joodse legende. De ‘golem’ (Hebreeuws: גולם) was een mensfiguur gemaakt van klei en tot leven gewekt door een rabbijn. Het woord ‘golem’ is waarschijnlijk afgeleid van het Hebreeuwse woord ‘gelem’ (גלם), dat ‘ruw materiaal’ of ‘grondstof’ betekent. Het woord komt 1 keer voor in de Bijbel en wel in Ps. 139:16 en is daar in de EBV vertaald als ‘onontvouwen begin’, maar men kan ook spreken van ‘mijn opgerolde zijn’. Het gaat daar om een embryo, een opgerold mensje.
De eerste verhalen over ‘de golem’ stammen uit het vroege jodendom. In de Talmoed (traktaat Sanhedrin 38b - daterend uit de tijd van de Babylonische ballingschap) staat dat de eerste mens Adam oorspronkelijk als ‘golem’ is geschapen toen zijn lichaam gekneed werd tot een levenloze afbeelding in klei. Vervolgens blies God deze ‘golem’ de levensadem in. Zo zijn volgens de legende alle ‘golems’ uit een levenloze klomp klei geschapen. Zij werden geschapen door zeer heilige mensen die dicht bij God stonden en die zodoende de wijsheid en macht kregen om leven te scheppen.
Minder bekend is dat men van mening is dat deze kennis om de ‘golem’ leven te schenken uitsluitend in de Bijbel kan vinden, in de Joodse Tenach. Niet in de koran van de islam, niet in de Bhagavad Gita van het hindoeïsmme, niet in het boek van Mormon of in het Rode boekje van Mao of in welk ander boek dan ook maar. Alleen in de Bijbel, in de Thora! Ook de duivel gelooft dat er maar één Woord van God is nl. de Bijbel, zoals de demonen ook geloven dat er één God is en zij sidderen (Jak. 2:19). Ook in het satanisme weet men, dat er kracht is in het Woord van God, scheppingkracht! Er staat immers dat de hemelen en de aarde door het Woord van God geschapen zijn. In Genesis 1 lezen wij immers steeds: ‘En God zei ...!’ Daarom geloven alle kabbalisten in de scheppingskracht die naar zij zeggen schuilt in het Woord van God, maar zij willen zichzelf niet aan God toevertrouwen en zich aan Hem onderwerpen, maar kracht, inzicht en kennis aan het Woord van God ontfutselen op een occulte en mystieke manier. Het zich richten op het verkrijgen van deze mystieke kennis met betrekking tot het tot leven wekken van de ‘golem’, zou leiden tot het ontdekken van de sleutel tot de volkomen juiste uitspraak van de Naam van God ‘JaHWeH’. Als men die kunst beheerst kon men grote wonderen doen en o.a. ook leven aan de ‘golem’ geven.
In het kabbalisme is er een groep van 35 rabbijnen die a.h.w. de kabbalistische orde van de ‘golem’ vormen en zich voortdurend bezig houden met de techniek om de ‘golem’ tot leven te wekken. Deze 35 zouden deze kunst om de Naam juist uit te spreken beheersen. Zij weten dat omdat deze uitspraak van Mozes naar Aäron is overgegaan en binnen het priesterlijk geslacht van generatie op generatie, van priester op priester zou zijn overgeleverd en zo uiteindelijk terecht kwam in de mystieke ordes, in het bijzonder in deze orde van de ‘golem’. Enkelen die niet tot de ingewijde 35 behoren, wonen de zittingen bij en worden zo geleidelijk ingewijd in de kunst van het uitspreken van de Naam. Als één van ‘de 35’ overlijdt, neemt één van de bijzitters zijn plaats over. Deze mensen, net als alle satanisten, omarmen het Woord van God, de Bijbel, geen ander boek, omdat alleen daarin goddelijke kracht schuilt. Door het Woord van God te manipuleren zou men zich toegang verschaffen tot deze goddelijke kracht.
Als het zgn. gelukt is om de ‘golem’, deze levenloze klomp klei - die bij voorkeur roodkleurig (Adam betekent eigenlijk ‘de roodkleurige aarde’) en van de Tempelberg afkomstig behoort te zijn - tot leven te wekken door het juist uitspreken van de Naam (een onderzoeker zegt dat hem maar één verslag bekend is, dat een enigszins betrouwbare indruk maakt dat dit zou zijn gelukt), dan zal de tot leven gewekte ‘golem’ deze naam of het Hebreeuwse woord אֱמֶת , ‘emet’ (=waarheid), op zijn voorhoofd dragen (soms ook op een kleitablet onder zijn tong). De laatste, roodgekleurde letter van dit woord ‘de tav’ op zich, zou de betekenis van het hele woord vertegenwoordigen en dus staan voor ‘waarheid’. In vroeger tijden werd die letter als een kruisje geschreven ‘x’. Waarom de laatste, de rode letter de betekenis van heel het woord vertegenwoordigt, is niet geheel duidelijk, maar in ieder geval is het de eerste letter van het woord ‘thora’ en de ‘thora’ is de waarheid. Verder is het de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet en de letter heeft de hoogste letterwaarde nl. 400.
De procedure zou zijn dat men deze 3-letterige naam op het voorhoofd van de ‘golem’ aanbrengt en vervolgens de Naam JaHWeH uitspreekt zoals het behoort, waarop de ‘golem’ tot leven zou komen. Door de eerste, de groene letter genaamd ‘aleph’ van het voorhoofd weg te halen, wordt het woord ingekort tot ‘מֶת’ wat staat voor dood. Als dat lukt is de ‘golem’ vernietigd.

De eerste dag zal de tot leven gewekte ‘golem’ zijn maker aanspreken als ‘mijn meester’, de tweede dag als ‘mijn vriend’ en de derde dag als ‘mijn knecht’. Als de ‘golem’ drie dagen in leven blijft zal hij de heerser over de wereld zijn en zal er geen enkele manier zijn om hem te stoppen.
Tot zover een kennismaking met het fenomeen van de ‘golem’.
Tegenwoordig is ‘golem’ is ook de naam van een een hele reeks populaire games die allemaal centreren rond deze occult-kabbalistische gedachte dat een levenloze klomp klei tot leven gewekt kan worden en over zijn maker kan gaan heersen. Bovendien is de ‘golem’ momenteel ook de naam voor een gedecentraliseerde, wereldwijde supercomputer waar mensen hun geld kunnen bewaren en ophalen, uit hun digitale portemonnee. Men kan ook ‘golem’-geld kopen. Het is in wezen één groot goksysteem waarin mensen hun geldzucht kunnen botvieren. Maar dit slechts terzijde.
De ‘kabbalisten’ hebben de diepe overtuiging dat Gods Woord, d.w.z. de Thora is, de sleutel is tot het Leven. Maar wij weten dat deze Levensbron alleen ontsloten wordt door wie deze Wet, deze Thora vervult, namelijk Jezus Christus, de Bron van levend Water. Vervolgens komt deze Levensbron ook beschikbaar voor ieder die door het Bloed van Jezus Christus, de Gekruisigde, met God verzoend is en Hem vertrouwt en gehoorzaamt. Maar dat doen de occulte geïnspireerde kabbalisten echter niet, erger nog, zij ontdoen het Woord van God van alle betekenis die de lezer er bij het gewoon, aandachtig lezen in tegenkomt en Hem tot Christus leidt. De kabbalisten echter beschouwen de Bijbel als een mystieke bron, als een bron van meditatie en als een voorwerp van meditatietechnieken waardoor je ‘verlicht’ kan worden. Zij repeteren woorden of teksten, ze spreken van op je laten inwerken van het een woord, wat doet het met je en nog veel meer. Zij zijn op allerlei manieren bezig met het Woord van God, maar geloven het Woord niet en zij vergeten de reiniging van de zonden zonder welke men God niet kan leren kennen (2 Pt. 1:9).
(Veel christenen zijn al in meerdere of mindere mate verstrikt geraakt in dit spoor dat afleidt van de waarheid. Velen zeggen nog wel te geloven in Jezus Christus, dat Hij voor hen gestorven is, maar door al dit soort bezigheden (transcendente meditatie, mindfulness, yoga, lectio divina, deelname aan het leven van mystieke kloosterordes, enz. enz.) vallen zij steeds meer van Hem af, zij dwalen en verdwalen. Zo komen zij in de gevarenzone en worden besmet met onzichtbare demonische invloeden doordat zij zich bewust of onbewust in verbinding stellen met de wereld van de demonen.)
De maker van de ‘golem’ stelt zich eigenlijk gelijk aan God, de Schepper. Dat is overeenkomstig de aard van de boze, de antichrist die aan zichzelf wil laten zien dat hij God is (2 Th. 2:4). In Op. 13 wil het beest uit de aarde zich verheffen boven de God in de hemel, maar Psalm 89:7 zegt: “Wie in de wolkenhemel kan met de HEERE vergeleken worden, *wie onder de zonen van de goden kan met de HEERE worden gelijkgesteld?” Het zal hem bij de vingers afbreken!
Het is niet moeilijk om het verband te zien tussen de Joodse ‘golem’-legende en het levend maken van het beeld van het beest waarvan sprake is in Op. 13:11. Wie niet bekend is met de demonische machten waarmee wij te maken hebben (‹Ef. 6:12›), en de waarschuwingen van de Bijbel naast zich neer legt, zal wellicht de schouders ophalen. Maar als straks de ‘golem’ maakt dat iedereen het beeld moet aanbidden op straffe des doods, en dat niemand meer kan kopen of verkopen dan wie het merkteken van het beest op rechterhand of op zijn voorhoofd heeft, dan hopen wij dat die lichtzinnigheid verdwenen zal zijn en men nog de moed mag ontvangen om dat te weigeren, al kost het een mens dan zijn leven. De Bijbel leert echter dat een mens om gered te worden zich nu tot God dient te bekeren op de Naam van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane Heer. Petrus zegt: “Bekeer je, en laat ieder van jullie zich dopen in de Naam van de HEERE Jezus, tot vergeving van zonden, en jullie zullen de gave van de Heilige Geest ontvangen.” ... Wie kent immers de dag van morgen!
6. het merkteken het beest (Op. 13:15-18)
het Aramese woord is ܪܽܘܫܡܳܐ (‹roshma›). Het woord komt alleen voor in Op. 13:16, 17; 14:11; 16:2; 19:20; 20:4, en het heeft uitsluitend betrekking op het merkteken van het beest. Ook het woord χαραγμα (‹G5480›) dat in het Grieks wordt gebruikt heeft uitsluitend betrekking op dit merkteken, alleen is het voorkomen in de Griekse tekst als volgt: Op. 13:16, 17; 14:11; 16:2; 19:20; 20:4. In het Grieks is er één uitzondering nl. Hd. 17:29 waar het woord betrekking heeft op een afgod. Het Griekse woord hebben wij daar vertaald met ‘graveersel’. Daaruit kunnen wij afleiden, dat het merkteken dus van doen heeft met een soort gravering of misschien een tatoeage, en sommigen denken zelfs aan een slangenbeet naar aanleiding van het gebruik van de term in de tragedie ‘Philoctetes’ van Sophocles. Philoctetes wordt ook genoemd in het 2e boek van de Iliad van Homerus, waar de door een slangenbeet verwonde Philoctetes op het eiland Lemnos wordt beschreven.
In Rome werden slaven op de slavenmarkt verkocht. Zij hadden een ‘charagma’ om hun nek, een soort kleitablet waarop geschreven stond wie hun eigenaar was. In Op. 13. De mensen hier in Op. 13:16 zijn dus verkocht aan de satan en het beest, eens en voor altijd (‹zie Op. 14:9-11›).
We zien hier dat de satan God ook imiteert inzake het zegel aan het voorhoofd, waarmee zijn 144.000 getrouwen aan hun voorhoofd verzegeld worden in Op. 7:1-8, het zegel waarop de Naam van hun God staat, de naam van de stad van hun God (‹het hemelse Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt›) en hun nieuwe naam (‹zie Op. 3:12›).
Wat we ons goed moeten realiseren is dat er een enorme duistere, zondige kracht in de harten van de mensen werkzaam zal zijn, die gefascineerd zijn door de grote tekenen en krachten die het beest en zijn valse profeet - met de twee horens als het Lam, maar die spreekt als het beest - zullen doen. De harten van velen zullen gezogen worden naar al die aantrekkelijke en verlokkelijke dingen en zullen in de hartstochtelijkheid van hun eigen begeerte zich aan die zuigende werking overgeven en op de knieën neervallen voor dat beest en het merkteken aanvaarden. Zij zullen alle dingen begeren die de satan hen liegend voorschotelt. Laten we denken aan de verzoeking van Jezus Christus in de woestijn ... “als U voor mij neervalt, dan zal Ik U al deze koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid geven, als U zich neerwerpt om Mij te aanbidden!” De mens wordt met deze woorden misleidt, want allereerst wordt hij een slaaf van de satan, van de boze, en dat zal hij weten en er is geen weg terug! De mens is daar blind voor door zijn eigen begeerte en ziet alleen nog maar wat hij begeert, en verliest het hele satanische pakket dat hem aangeboden wordt uit het oog en de satan wil dat ook, want hij is een leugenaar en een mensenmoordenaar, hij wil dat de mens zijn leugens gelooft.
Het merkteken dat op de rechterhand of op het voorhoofd zal worden aangebracht, wordt op verschillende wijzen aangeduid:
- het merkteken (Op 13:16; 14:19; 20:4)
- het merkteken van de naam van het beest (Op. 13:17)
- het merkteken van zijn naam (Op. 14:11)
- het merkteken van het beest (Op. 16:2; 19:20)
- het getal van zijn naam (Op. 13:17; 15:2)
- het getal van het beest (Op. 13:18)
Als de tot leven gewekte ‘golem’ zijn maker, het beest, tot God maakt, en vervolgens de ‘golem’ de door deze god gemaakte ‘mens’ is, dan zijn allen die zijn merkteken nemen, d.w.z. zich verbinden met zijn innerlijke duivelse karakter, kinderen van de duivel, d.w.z. het zaad van de satan (Gen. 3:15).
7. het getal van het beest: 666 (Op. 13:15-18)
Het getal 666 komt in de Bijbel maar op 3 andere plaatsen voor. Wij vinden het in Ezra 2:13, waar het gaat over het aantal zonen van Adonikam die met hem mee vanuit Babel terugkeerden naar Jeruzalem. In Neh. 7:18 lezen wij van 667 zonen van Adonikam en deze lezing vinden wij ook 1 Esdras 5:14, zodat 2 bronnen tegen 1 de lezing 667 ondersteunen. Verder vinden wij het getal 666 ook nog in 1 Kn. 10:14 en 2 Kr. 9:13 waar het getal in beide gevallen betrekking heeft op de hoeveelheid goud (‹666 talent goud›) die Salomo jaarlijks verzamelde uit zijn rijk en door zijn handel bijeenbracht. In dat verband doet het ons al vlug denken aan de hoogste graad van menselijke rijkdom die een vorst of een macht bijeen kan brengen. In onze tijd zou dat de totale controle op het geld- en bankwezen betekenen waarmee de woorden uit Op. 13:16, 17 overeenstemmen, d.w.z. dat tijdens de heerschappij van het beest en van zijn beeld niemand kan kopen of verkopen behalve degenen die het merkteken van de naam van het beest of het getal van zijn naam op hun rechterhand of op hun voorhoofd dragen. Deze greep op het geld stemt ook overeen met de woorden in 1 Timotheüs 6:10 waar gezegd wordt dat de wortel van alle kwaad de geldzucht is, maar ook met de beschrijving van de heerser in Dan. 11:38. In samenhang hiermee is het opvallend dat het islamitische bankwezen de laatste decennia een explosieve greep op het internationale bankwezen heeft gekregen en rond de 2 triljoen dollar aan kapitaal vertegenwoordigd. Maar ook China ontpopt zich als een enorme finacnieel-economische mach.
Er zijn er die op grond van het combineren van de lezingen van Hgld. 8:11, 12, Ex. 38:25-26, 1 Kn. 10:27 en van Jes. 7:23 (‹elke wijnstok blijkt 1 zilverling te vertegenwoordigen, want 1000 wijnstokken zijn 1000 zilverlingen›) suggereren, dat de waarde van 666 talent goud de waarde vertegenwoordigde van heel Salomo’s bezit aan wijngaarden, of anders gezegd dat de 666 talenten goud staan voor de waarde van heel het land Israël. We dienen ons daarbij te realiseren dat het begrip ‘wijngaard’ ook staat als een beeld van Israël dat Gods wijngaard is. De 666 talenten goud staan dan voor Salomo’s heerschappij over heel het land. De gedachte is dan dat zoals Salomo de controle had over heel Gods wijngaard (‹=Israël›), dat het beest ook zo de controle over heel de aarde of over heel het land Israël zal hebben.
Eén van de opmerkelijkste zaken is dat het getal 666 door moslims als een een positief getal wordt gezien. Het komt erop neer dat het getal 666 wordt gezien als de verborgen code van de koran (‹er zijn websites die via ingewikkelde berekeningen tot deze conclusie komen›). Het is ondertussen opmerkelijk hoe in de islamitische wereld het lezen van de Bijbel voor moslims door tradities en sociale en politieke controle vrijwel onmogelijk gemaakt wordt. Het licht van Gods Woord mag kennelijk niet door de mensen gezien worden. Het lijkt veel op de rooms-katholieke kerk waar eeuwenlang ook gold dat de Bijbel niet voor de gewone gelovigen was om in te lezen. En nog steeds stelt de kerk zich als instituut met vele vertakkingen in veel opzichten boven het Woord van God.
Er zijn verder nog tal van andere voorstellen gedaan voor het getal 666. Men heeft wel gedacht aan de creditcardorganisaties, aan de letters www, aan de upc-code enz. Toch is het twijfelachtig of dit soort invullingen het merkteken van het beest vertegenwoordigen, ook al bereiden ze de wereldbevolking wel voor op het aanvaarden van het merkteken.
A. Het getal van het beest: een overzicht van de betekenis van het getal 666 vanuit de Bijbel
1. Allereerst wijzen wij erop dat het getal 666 sowieso wordt uitgelegd als het getal van een mens. Omdat het een drievoud is zouden wij kunnen zeggen dat het gaat om de vergoddelijkte mens, want het getal 6 staat voor de mens en 3 staat voor God (denk aan de drieëenheid), de mens die aan God gelijk wil zijn, maar het niet is.
2. Vervolgens willen wij wijzen op Daniël 3 waar een beeld wordt opgericht dat iedereen moet aanbidden. De drie vrienden van Daniël weigeren dit en worden op wonderlijke wijze door God uit de vuuroven gered. De afmetingen van dat beeld zijn 60 el lengte en 6 el breedte, d.w.z. 6 bij 60. Dat is samen 66 (‹Dan. 3:1›). De verhouding 60 x 6 is een wanstaltige verhouding voor een mens want gewoonlijk is die verhouding rond 5:1, terwijl de lengte-breedte verhouding van het beeld in Babylon gelijk was aan 10:1. Het was erg hoog, het leek wel een wanstaltige reus.
3. Wij hebben hiervoor al opgemerkt dat het getal 666 heel de hoogste graad van menselijke rijkdom die een vorst of een macht bijeen kan brengen vertegenwoordigt (‹1 Kn. 10:14 en 2 Kr. 9:13›), en mogelijk ook de waarde van heel het land Israël, Gods wijngaard (‹op grond van het combineren van de lezingen van Hgld. 8:11, 12, Ex. 38:25-26, 1 Kn. 10:27 en van Jes. 7:23›).
Samenvattend: het getal 666 is het getal van een mens die aanbidding eist en die beschikt over alle goud, zilver en alle kostbaars op aarde. Zie ook Dan. 11:38.
Voor wie 666 als een optelsom van 600 en de eerder genoemde waarde 66 onder ad. 2 ziet, is het van belang om het volgende te weten over het getal 600:
- Noach was 600 jaar toen de vloed begon en hij wordt door God rechtvaardig genoemd onder zijn tjdgenoten (‹Gen. 6:9; 7:6›).
- Farao nam 600 strijdwagens mee om het volk Israël te achtervolgen (‹Ex. 14:7›).
- de richter Samgar doodde met een ossenstok 600 Filistijnen en zo verloste hij Israël (‹Ri. 3:31›).
- de schacht van de lans van Goliath was 600 sjekel ijzer (‹1 Sm. 17:7›).
- koning David betaalde aan Arauna 600 sjekel voor de dorsvloer waarop David de Tempel zou gaan bouwen, die waarschijnlijk op het hoogste punt van de berg lag, aan de zuidzijde ervan, vanwaar je afdaalde naar de stad van David. (‹1 Kr. 21:25›). Overigens staat in 2 Sm. 24:24 dat David 50 zilver sjekel betaalde. Een mogelijke uitleg is dat hij voor de dorsvloer en de runderen 50 sjekel gaf, maar dat hij later al het omliggende terrein dat voor de Tempelbouw nodig was, ook kocht en dat het totaal 600 sjekel was.
- David had een legertje van 600 man (‹1 Sm. 23:13; 27:2; 30:9; 2 Sm. 15:18›)
- de grote schilden van Salomo van gedreven goud bevatten per schild 600 sjekel goud (‹1 Kn. 10:16; 2 Kr. 9:15›)›).
- één strijdwagen uit Egypte kostte 600 zilveren sjekel (‹1 Kn. 10:29; 2 Kr. 1:17›)
- de wand van het Allerheiligste werd met 600 talent zuiver goud overtrokken (‹2 Kr. 3:8›)
Zeshonderd lijkt wel een belangrijk getal te zijn ... de waarde van een heilige plaats, een heiligdom. Het is ook het getal van een strijdbaar leger en van wapentuig, en het is ook de leeftijd van een rechtvaardige op de dag van het oordeel.
Zeshonderd is ook de getalswaarde van de Hebreeuwse letter ‘mem’ als eindletter, zoals die b.v. voorkomt aan het eind van veel meervoudige woorden. Maar we kunnen geen duidelijke relatie vinden met het getal 666 in het boek Openbaring.
B. Het getal van het beest: een overzicht van de betekenis van het getal 666 vanuit de Joodse kabbalistiek
Rabbi Yitshak Ginsburg, een kabbalist, schrijft in zijn boek ‘The Hebrew Letters: Channels of Divine Consciousness’ het volgende in verband met de ‘golem’ en het woord ‘emet’ op zijn voorhoofd:
“Jahweh’s zegel (in de Schepping) is waarheid. in het Hebreeuws, ‘emet’, een woord dat we terugvinden in de laatste letters van de 3 laatste woorden in het verslag van de schepping in Gen. 2:3 ‘bara Elohim la’asot’ ... d.w.z. ‘... GOD had geschapen om te maken’. In het Hebreeuws ziet de tekst er zo uit:
בָּרָא אֱלֹהִים לַעֲשׂוֹת
אםת (emet)
De laatste letter van het woord ‘emet’, ofwel het sluitzegel van het woord ‘emet’ (= ‘waarheid’) - het zegel van Jahweh’s zegel - is de letter ‘tav’ (rood - ת), van het eenvoudige geloof (in JaHWeH), het sluitstuk en het hoogtepunt van alle 22 krachten - d.w.z. alle 22 letters - die werkzaam zijn in de Schepping (we weten dat het kabbalistische gedachtengoed onderwijst dat er kracht is het Woord van God want door zijn Woord heeft Hij alles geschapen, zo is de redenering). De drie letters die het woord ‘emet’ vormen zijn de eerste, de middelste en de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. De ‘alef’ correspondeert met iemands aanvankelijk bewustzijn van de goddelijke paradox in de oneindige bron (waar de hoogtepunten en dieptepunten, vreugde en bitterheid, absoluut één zijn). Vanuit dit aanvankelijke bewustzijn komt de ‘mem’ voort, de bron van goddelijke wijsheid, een voortdurend toenemen van de goddelijke wijsheid, een steeds groter wordende kracht van inzicht in de mysteries van de Thora (=de Wet). Het ultieme doel van kennis is ‘niet-weten’. Het hoogtepunt van de stroom van goddelijke wijsheid in de ziel (nadat alles is gezegd en gedaan) is de ‘majesteitelijke’ openbaring van de oneindige schatkamers van het eenvoudige geloof in de absolute alomaanwezigheid van JaHWeH in de ziel van Israël, op een dieper niveau dan het aangeborene. Het hoogtepunt van waarheid, het eenvoudige geloof, is het geheim van de ‘tav’. ... Daarom wordt ons geleerd: ‘De Thora is de afdruk, de ‘tav’ van goddelijkheid, en Israël is de ‘tav’, de afdruk, van de Thora.’ ”
Wij beschrijven dit allemaal niet opdat iemand geïnteresseerd zou raken in de kabbalistiek - want het is een occulte stroming in het Jodendom - maar om te laten zien hoe verlokkelijk en verleidelijk al die ‘schone woorden’ klinken, hoe ze een wijze leer in zich lijken te hebben, door uiterlijke nederigheid en ontzag voor GOD, maar in feite zijn het leugens gevoed door vleselijke begeerten, nl. om wijs te worden en om als God te worden, of anders om de God in jezelf, op het diepste niveau te vinden of te hervinden (‹Kol. 2:23›). Ook willen wij laten zien hoe de kabbalistiek de kracht letterlijk IN DE LETTERS van GODS Woord zoekt. Zo wordt er een geheimzinnige bezigheid in gang gezet, terwijl ondertussen het echte ontzag voor Gods Woord en voor de Schepper ontbreekt en men nog steeds voortleeft in ongeloof ten aanzien van de vleeswording van Jezus Christus, en daardoor het ware Licht mist en ook de kracht van God. Door dit ongeloof leeft men voort in duisternis en in zonde.
Wij willen erop wijzen dat er vanuit de kabbalistische gedachtenwereld een verband gelegd wordt tussen het getal 666 en de ‘golem’ (zie hiervoor), die het woord ‘emet’ op zijn voorhoofd heeft. Om dat te begrijpen moeten wij even een duikje nemen in de zgn. ‘gematria’, dat is de kennis van de numerieke waarde van de Hebreeuwse letters, waarbij wij ons richten op de laatste letter van het woord ‘emet’, namelijk de ‘tav’, waarvan Rabbi Yitshak Ginsburg dus zegt: “De Thora is de afdruk, de ‘tav’, van goddelijkheid, en Israël is de ‘tav’, de afdruk, van de Thora.” Wij dienen te beseffen dat het woord ‘thora’ begint met de letter ‘tav’. Dit is de uitleg die ons inzicht geeft in de verborgen betekenis van het getal 666!
ווו <— dit zijn drie losse Hebreeuwse letters ‘vav’
- de losse letter ‘vav’ heeft getalswaarde 6
- hieronder zijn de 3 losse letters
samengevoegd tot de letter ‘tav’
- de optelsom van 3 keer 6 = 18
- de getalswaarde 18 staat ook voor 8 + 10,
dat zijn de getalswaarden van de 2 letters
van het Hebreeuwse woord ‘leven’ (‘chai’)

We zien dus dat de het getal 666 op een speciale manier verbonden is met de letter ‘tav’ en dat de letter ‘tav’ essentieel is in de leer over de ‘golem’, want daarmee heeft deze het stempel van goddelijkheid en is hij de belichaming van de ‘thora’, de Wet.
In de kabbalistiek verbindt met het getal 6 met de letter ‘vav’ met het mannelijk geslachtsorgaan, het getal 60 met het mannelijk zaad en het getal 600 met de kosmische staat van mannelijke vruchtbaarheid, de Man als de Verwekker van ‘eeuwig leven’. Dat is de kabbalistische uiteg van het getal 666. Niet zo vreemd om dat te lezen nadat wij al met de ‘golem’ hebben kennis gemaakt.
Met het aanbrengen van het woord ‘emet’ op het voorhoofd van de ‘golem’, brengt men dus leven tot de ‘golem’. Het voorhoofd is het verhevenste deel van de mens, het is als de toren van de Libanon (Hooglied 7:4). Hoewel er in dit vers strikt genomen niet ‘voorhoofd’ staat, maar ‘neus’, komt de Midrash Rabbah van Hooglied toch met de volgende verklaring: “Je voorhoofd is als de toren van de Libanon (Hooglied 7:4). Het voorhoofd is het Heiligdom. Zoals het voorhoofd het allerhoogste aan de mens vertegenwoordigt, zo is het Heiligdom ook het hoogste deel van de wereld. Zoals de meeste sieraden rond het voorhoofd worden opgehangen (naar de oosterse gewoonte voor de vrouwen), zo worden het priesterschap, de Levieten en het koningschap aan Jakobs voorhoofd opgehangen.”

het woord ‘emet’ op het voorhoofd, boven de neus ...
Men dient na het aanbrengen van het woord ‘emet’ op het voorhoofd van de ‘golem’, de 72-letterige naam van YaHWeH gebaseerd op Ex. 14:19-21, een bijbelgedeelte dat in elk van de 3 verzen 72 letters telt, in het oor van de ‘golem’ te fluisteren. Deze laatste actie brengt de ‘golem’ tot leven. Ooggetuigen van dergelijke een dergelijke gebeurtenissen zijn zeldzaam. Zij melden dat de klei vuurrood wordt, net als de klei die in een oven wordt verhit. Dit occulte bezig zijn van de kabbalisten is een gruwelijke demonische activiteit. Verder zijn kabbalisme en vrijmetselarij nauw met elkaar verweven en we weten dat vele politieke leiders onder de invloedssfeer van beide geestelijke stromingen staan. Dat is niet goed bewijsbaar, want het is eigen aan deze bewegingen om zich verborgen te houden en buitenstaanders en ingewijden te misleiden. We moeten beseffen dat de wereld in de laatste jaarweek bijna volledig in de macht van de demonen en hun pionnen zal liggen.
Het plaatsen en tot leven wekken van het gruwelijke beeld in de Tempel, het teken van verwoesting, waarover we lezen in Mt. 24:15. en Mk. 13:14 zal in zekere zin een herhaling zijn van wat gebeurde ten tijde van Antiochus Epiphanes IV die een beeld van Zeus in de Tempel in Jeruzalem plaatste en vele dingen deed waardoor de Tempel verontreinigd werd (Dan. 11:31, 12:11, 1 Makkabeeën 1:54). Beide beelden dragen de gelijkenis van hun ontwerpers, maar het beeld dat in de toekomstige (derde) Tempel zal komen zal tot leven worden gebracht en alle natiën misleiden (‹Op. 13:13›). Antiochus Epiphanus IV plaatste dit beeld va Zeus op 15e dag van de maand Kislev in het 145e jaar van de Seleuciden, in 168 v. Chr. (‹zie 1 Makkabeeën 1:54›). Zoals het beeld van Zeus leek op Antiochus Epiphanus IV, zo zal het toekomstige beeld ook lijken op het beest, op de antichristus.
Het vermoeden is dat de aanbidders van het beeld de letter ‘tav’ op hun voorhoofd krijgen, die dus het getal 666 vertegenwoordigd. De letter ‘tav’ zal mogelijk in zijn vroegere vorm als een ‘kruisje’ (x of ♱ of ☓ of †) op het hoofd worden aangebracht.
De Bijbel zegt heel duidelijk dat wie het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn rechterhand of voorhoofd ontvangt, voor eeuwig verloren is (‹Op. 14:9, 10›).
Als wij al het voorgaande nog eens goed door ons heen laten gaan, dan komt de gedacht op dat er in de eindtijd waarin wij nu verkeren hoogstwaarschijnlijk een ingrijpende overgang zal zijn van een ELECTRONISCHE naar een DEMONISCHE DICTATUUR, van de geïmplanteerde chip (of iets dergelijks), naar de demonische slangenbeet. Niet alleen de hiervoor besproken inzichten wijzen in die richting, maar ook alle rampen die de aarde bij het openen van de zegels zullen treffen, de grote veranderingen op aarde die zich zullen voordoen, de opname van de Gemeente volgens Op. 7, de oordelen die volgens Op. 8 en 9 zullen worden uitgestort, de wereldbevolking die al met al wel eens meer dan gehalveerd zou kunnen worden zodat er niet meer dan 3 miljard mensen op aarde overblijven bij het begin van de jaarweek, al deze zaken duiden erop dat alle electronische netwerken wel eens volkomen vernietigd zouden kunnen worden en electronische oorlogsvoering zelfs geheel onmogelijk zal worden. Zelfs heel het arsenaal aan kernwapens zou wel eens op één of ander manier buiten werking gesteld kunnen worden.
******
We keren terug naar de tekst van het boek Openbaring 12-19. De Gemeente is geheel van de aarde weggenomen. De satan stuurt aan op zijn wereldregering en op de aanbidding van het beest. Tweeduizend jaar lang waren er vele opwekkingen en bekeringen, maar nu volgen er 3,5 jaar van duisternis en donkerheid, van satanische overheersing en perversiteit. Dit is een zeer vreselijke tijd!
Er komt een enorme confrontatie tussen het LAM en zijn volgelingen aan de ene kant en de boze aan de andere kant, want uit 2 Th. 2 en uit Dan. 9:27 weten wij dat het in het midden van de jaarweek is dat ‘hij’ het slachtoffer en spijsoffer zal doen ophouden (Dan. 9:17) en de Tempel zal verontreinigen door zich in de Tempel te zetten om aan zich te laten zien dat hij God is (2 Th. 2:4)! Hoe zal dit zich ontwikkelen, wat zal de uitkomst zijn?
De definitieve uitkomst zal nog even op zich laten wachten, maar het verschijnen van het Lam op de berg Sion in Op. 14:1-5 met de 144.000 (Op.14:1-5), voelt al gelijk aan als ‘SCHAAKMAT’ voor zijn tegenstander, het beest.
Een nieuw gezang word gezongen
De aangekondigde Koning (zie Op. 11:15-19), komt nu werkelijk tot zijn Tempel!
Zou de zang in heel Israël te horen zijn?
Onmiddellijk na deze indrukwekkende zang volgen een aantal speciale aankondigingen, het beleid van de pas aangekomen Koning, het LAM, wordt duidelijk!
1. de aankondiging van het eeuwig evangelie, d.w.z. het Evangelie van Jezus Christus, want een ander Evangelie is er niet (Gal. 1:6-9; Op. 14:6-7). Nu komt het erop aan, wie je aanbidt! Aanbidt je in Geest en in waarheid, dan aanbid je Jezus Christus. Buiten Hem is niets dan leugen, zonde en dood!
De mensen uit alle volken, stammen, talen en natiën die het merkteken weigeren, vormen, na (‹1›) de 144.000 in Op. 7 en (‹2›) de gevluchte vrouw in Op. 12, de derde groep die zich alsnog onttrekt aan de duivelse dictatuur van het beest. Het kost hun hun leven op aarde, maar ze ontvangen het koningschap (‹Op. 20:4›).
2. de aankondiging van de val van de hoer Babylon (Op. 14:8).
Deze vrouw heeft volken, koningen en kooplui in haar macht. Zij is de hoer die de volken misleidt. Haar pooier, het beest, en de 10 koningen zullen haar haten en haar zullen verbranden met vuur (Op. 17:16). Het is afgelopen met de betoverende glitter, de adembenemende verlokkelijkheid en de hartstochtelijke uitspattingen van haar hoererij, waarvan de volken te drinken kregen, waarin de koningen zwolgen en waaraan de kooplui zich tegoed deden.
De hoer is overdrachtelijk gezien mogelijk ook de vrouw Athalia, de enige vrouw in het OT, die naast de vrouw in de efa in het visioen dat de profeet Zacharia ziet (Zach. 5:8), specifiek met het naam ‘de boosdoenster’ wordt aangeduid. Athalia, die ook weduwe was had het gemunt op het koningshuis van David om dat uit te roeien.
Deze vrouw in een met een loden deksel afgesloten efa wordt door 2 vrouwen overgebracht naar Babylon, waar een huis voor haar wordt gebouwd in het land Sinear, waar Nimrod (Gen. 10) Babylon liet verrijzen. Dit moet wel een bijzonder onzuivere efa zijn!
Het land Sinear is ook verbonden met de misdaad van Achan (Joz. 7:21), want bij de gestolen spullen was ook een mantel uit het land Sinear, uit het land van Nimrod. Kennelijk werden die door handelslieden naar Kanaän gebracht, uit het land dat het bij uitstek tegen de God in de hemel wilde opnemen, maar verstrooid werd doordat God de taal verdeelde.
Achan werd veroordeeld in het dal van Achor. Het volk werd gereinigd van de misdaad die het door de handen van Achan had begaan in het dal van Achor, waar God tot het hart van zijn volk sprak. Het volk kon niet meer tegen de vijand op, het werd onder de voet gelopen, maar door wat er in het dal van Achor gebeurde, werd het volk van God weer een overwinnend volk. We hebben al aangegeven dat wie in Judea zijn halverwege de jaarweek mogelijk naar het dal van Achor zullen vluchten, waar God dan tot hun hart zal spreken. Destijds kwam Achor na de val van Jericho, nu komt Achor mogelijk voor de val van Babel.
3. de aankondiging van de eeuwige veroordeling tot het vuur van de hel voor wie het beeld aanbidden (Op. 14:9-12)
Wie nu nog het beeld van het beest aanbidt, leeft in de duisternis en is in opstand tegen de ware Koning die alleen alle aanbidding toekomt. Zijn Koningschap is geen geheim meer, het is openlijk aangekondigd. Wie kan dan nog de foute keuze maken! Het is de zonde die de mens daartoe brengt, de leugen die hij liever heeft gehad dan de waarheid. Door het volgen van de leugen wordt die mens dwaas en gebonden, wat ertoe leidt dat hij het beest zal aanbidden, tegen alle beter weten in. Er is geen verontschuldiging meer. Wie dat doet gaat verloren!
4. de aankondiging van de volharding van de heiligen en de werken die hen volgen (Op. 14:13)
Werken is in die donkere nacht niet meer mogelijk (Jh. 9:4), wie de Ware God aanbidt, wordt gedood, en dan heel wonderlijk, zullen zijn werken hem navolgen (Op. 20:4). Zie ook bij 9.
5. de aankondiging van de graanoogst, de Mensenzoon slaat zijn sikkel in het veld (Op. 14:14-16)
Nu neemt de Mensenzoon het over van de duivelsknechten die de gelovigen onthoofden. Het zwaard van de beul lijkt het laatste woord te hebben, maar de sikkel van de Mensenzoon die op de wolken zit, is de beslissende macht en brengt alle onthoofden veilig in zijn paleizen (Op. 14:14-16). Hij haalt de martelaren eervol naar Zich toe. Hij oogst! Zoals Hij eerder in Op. 7:9-17 de laatste martelaren in de hemel opnam, voordat ze gedood zouden worden, zo neemt Hij nu de onthoofden mee en plaatst hen aan de glazen zee waar zij het lied van Mozes zingen (Op. 15:1-4).
De onthoofden zijn uit alle talen, natiën, stammen en volken want de oproep om alleen God te aanbidden was aan allen gericht (Op. 14:6). Hieronder kunnen dus ook Joden zijn, die het merkteken van het beest weigeren. Zijn heiligen zullen niet meer op aarde kunnen blijven, maar eruit ‘weggezuiverd’ worden.
Dat hun werken hun navolgen, wil zeggen dat zij met Christus 1000 jaar zullen regeren (Op. 20:4).
6. de aankondiging van de druivenoogst in Israël, en de wijnpers van de toorn van God (Op. 14:17-20). Wie het beest aanbidt en zijn merkteken op de rechterhand of het voorhoofd heeft zal verloren gaan. Er volgt een geweldig bloedbad.
Meteen daarop zien we in Openbaring 15:1-4 de uitwerking van één en ander. Voorzegging en voltrekking van gebeurtenissen vloeien razendsnel in elkaar over. We zien nl. alle overwinnaars van het beest, zij die de aanbidding, het merkteken en de naam van het beest weigeren, staande aan de zee, en zij zingen het lied van Mozes. Zij bezingen in hun lied de grootheid van God en de komende onderwerping van alle volken, dwars tegen de op aarde aan de gang zijnde grote verdrukking in. Zij zijn geoogst met de sikkel, zij zijn de oogst van de aarde, en de deelnemers aan de exodus uit de door het beest beheerste wereld. Wij zien hier de uittocht uit Egypte zo prachtig tussen de gebeurtenissen door zichtbaar worden ... denk aan de vrouw die als het ware door de zee heen weet te ontkomen in Op. 12:14-16 en nu in Op. 15 staat er een schare aan de overkant op de andere oever aan de glazen zee ... zij zijn verlost. Als dat geen geweldige uittocht is!
Deze overwinnaars zijn ook de (bloederige) nageboorte van de mannelijk Zoon, want na het Hoofd (Jezus Christus die na de dood aan het kruis naar de hemel ging), na het Lichaam (de Gemeente die als een grote menigte in Op. 7 naar de hemel gaat), en na de twee getuigen (de benen die in Op. 11 naar de hemel gaan) is er tenslotte ook nog de nageboorte van de bloederige moederkoek, de onthoofden die niet direct naar de hemel gaan, maar op aarde met Christus zullen regeren in het 1000-jarige Rijk, want hun werken volgen hun na. Zie Op. 20:4.
Hoe bijzonder is het dat God een ‘alledaags’ menselijk gebeuren zoals de geboorte van een kind, zo wonderlijk op gelijke wijze laat verlopen als de door de menselijke geschiedenis heen zich voltrekkende geboortegeschiedenis van zijn mannelijk Kind, Jezus Christus.
Het derde wee leidt nu tot de volgende gebeurtenissen, voordat het Koninkrijk op aarde gevestigd kan worden. De laatste goddelijke oordelen zijn als het ware het laatste “zware geschut” dat de Almachtige God in werking stelt.
7 schalen vol van de TOORN van GOD
worden uitgegoten door zeven engelen die uit de Tempel,
uit de Tent van de Getuigenis in de hemel komen.
We lezen in Openbaring 15:5-8 dat de zeven engelen priesterlijk gekleed zijn. Eén van de cherubs reikt hun de gouden schalen aan. Niemand kan meer de Tempel binnengaan totdat de 7 plagen voltrokken zijn.
We merken op dat de Gemeente onttrokkken is aan deze 7 schalen van TOORN van GOD, want zij is immers al opgenomen in de hemel. Bovendien lezen wij dat ook duidelijk in 1 Th. 5:9 waar over de christenen staat geschreven:
“Want GOD heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van Leven in onze Here Jezus Christus ...”
En in Rom. 5:9 ...
“Hoeveel te meer zullen wij dan nu gerechtvaardigd zijn door zijn Bloed en door Hem ontkomen aan de toorn! ”
En in Op. 3:10 zegt Jezus tegen de Gemeente ...
“Omdat je het woord van mijn volharding bewaard hebt, zal Ik ook jou bewaren voor de verzoeking die over heel de bewoonde wereld komen zal om hen die op de aarde wonen te verzoeken.”
En in 2 Petrus 2:9 lezen wij ...
“Zo weet De HEERE hen die Hem vrezen uit de verdrukking te verlossen, maar Hij bewaart de onrechtvaardigen om gepijnigd te worden op de dag van het oordeel ...’
Een voorbeeld hiervan vinden wij in Gen. 19:22 waar Lot wordt weggenomen uit Sodom en Gomorra voordat het oordeel voltrokken wordt. Zo waarschuwt Jezus ook om voor het oordeel (‹vergelijk Lk. 17:28-37›). De vlucht naar de bergen van Juda is overigens later dan de opname, maar voor beide, voor de opname en voor de vlucht naar de bergen geldt, dat Jezus de zijnen weer te berschermen voor de komende toorn.
Dit alles nog eens voor de duidelijkheid, maar er komt een dag van TOORN en Openbaring 16 geeft ons de 7 plagen te zien. Ze worden vanaf de schalen uitgegoten:
1. op de mensen die het merkteken hebben en het beest aanbidden - ze krijgen een boos en kwaadaardig gezwel.
2. op de zee met als gevolg dat alle levende wezens in de zee sterven.
3. op de rivieren, de waterbronnen, die in bloed veranderen en alle levende wezens in de zee sterven.
Gods rechtvaardig oordeel wordt geprezen omdat hij degenen die het bloed van de heiligen vergoten hebben nu ook zelf bloed te drinken geeft.
4. over de zon die het vervolgens gegeven wordt om de mensen te verzengen en bijgevolg lasteren de mensen God.
5. over de troon van het beest en zijn rijk met als gevolg dat zij op hun tong bijten en God lasteren.
Let op: het beest zal een rijk weten te vestigen en een troon opzetten en het zou niet verbazen als hij dat in de hoerenstad Babylon zal doen, het huidige Irak en Syrië.
6. over de rivier de Eufraat, om de weg klaar te maken voor de 10 koningen die uit het oosten komen en bijeenkomen bij Har-Megiddo, de berg van Megiddo, in het noorden van Israël, in het dal van Jizreël, dat zich uitstrekt van de Karmel aan de kust tot voorbij de zuidzijde van het Meer van Galilea.
7. in de lucht, met als gevolg een enorme aardbeving zoals er nooit geweest is, met als gevolg dat de grote stad Babylon in drieën uiteen valt en alle steden van de volken instorten. Deze steden zijn rond die tijd de bolwerken geworden van de god van de vestingen, die de antichrist vereren zal (‹Dan.11:38›). Al die steden storten ineen door de enorme aardbeving.
Nu volgt in Openbaring 17 en 18 de diepere uitleg van dit alles wat zich in de tweede helft van de laatste jaarweek van Daniël zal afspelen in het licht van de wereldgeschiedenis. Het is ook een soort terugblik. Duidelijk wordt dat het beest zich bedient van de hoer, om haar uiteindelijk te verbranden.
In Openbaring 17 wordt een vrouw, een hoer, getoond zittend op een beest met 7 koppen en 10 horens, dat is het beest dat eerder in Op. 13 uit de volkerenzee oprees. Deze vrouw is dronken van het bloed van de heiligen en op haar voorhoofd staat te lezen: ‘Het geheimenis van het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde’. Het beest waar zij opzit, zijn o.i. de politieke wereldmachten zoals die vertegenwoordigd zijn in de 7 koppen van het beest, dat zijn 7 bergen, d.w.z. wereldmachten. Vijf van de wereldmachten zijn geweest: Egypte, Assyrië, Babylonië, Medo-Perzië, Griekenland. Zie ook Dan. 2; Dan. 7 (de 10 tenen in Dan. 2 staan gelijk met de 10 horens in Dan. 7); Dan. 8; Dan. 11. Eén wereldmacht is er nog op het moment dat Johannes de Openbaring van Jezus Christus ontvangt: het Romeinse rijk. Het beest dat was, en niet is, is zelf ook de achtste wereldmacht (Op. 17:11).
Sommigen, zoals Arnold Fruchtenbaum, menen dat de vijf wereldmachten geteld moeten worden vanaf het Babylonische Rijk, omdat Israël toen onder de volken kwam en de zogenaamde ‘tijden van de volken’ (‹of: ‘tijden van de heidenen’›) zoals we daarvan lezen in Lk. 21:24 voor Isräel aanbraken. Maar zoals de uitdrukking letterlijk aangeeft waren er diverse tijden van de volken, d.w.z. tijden waarin Israël naar het leek ondergedompeld werd in de volkerenzee. Allereerst toen Abrahams nageslacht geleidelijk aan naar Egypte werd gedreven totdat met Jakob heel dat kleine volkje in Egypte aangekomen was. Later zou ook Assyrië het volk Israël wegvoeren uit het beloofde land en eigenlijk is het volk van daaruit over de wereld verspreid met inbegrip van Juda dat later door Babel afgevoerd werd. Alleen een rest van het volk is onder Ezra en Nehemia teruggekeerd, maar het Joodse volk bleef al die tijd ondergeschikt en ondergedompeld in de volkerenzee tot aan de 20e eeuw toen het terugkeerde naar Isräel en het het waagde haar hoofd uit de volkerenzee op te heffen ... ! In ieder geval is uit het voorgaande duidelijk dat wij ook Egypte en Assyrië moeten rekenen tot de vijf wereldmachten waarvan Openbaring 17 spreekt. Dit is belangrijk, want anders zetten wij onze gedachten vanuit deze profetie op een verkeerd spoor.
Het is belangrijk om te zien dat het beest samen zal regeren met 10 koningen en dat het beest volgens Openbaring gezeten is op de troon van een reeks van zeven wereldmachten. Let op: de zeven wereldmachten volgen elkaar op in de tijd, de tien koningen zijn er op dezelfde tijd als het beest.
De vervolging van de heiligen zal uitgaan van de vrouw, net zoals Herodias, de vrouw van Herodus, haar man aanzette om Johannes de Doper te onthoofden (‹Mk. 6:14-29›). Dit soort vrouwen is vreselijk bloeddorstig, net als Athalia die het bloed van de zonen van David wel kon drinken. De vrouw Babylon zal een wereldcentrum zijn van valse godsdienst, handel en economie en de koningen van de aarde zullen met haar hoereren, d.w.z. zij zullen zich aan haar overgeve in hun wellust, en de handelaren zal zij paaien met haar rijkdommen.
Zal Babylon letterlijk op zijn plaats herrijzen? Velen menen dat de stad Babylon niet letterlijk moet worden opgevat, maar symbool staat voor de wereldreligie, economie en handel waardoor de politici innerlijk verdorven zijn. Wij denken dat er - zonder het voorgaande te willen ontkennen - alle reden is om ook een letterlijk herstel van het grote Babylon te verwachten. Met steun van vele regeringen was Saddam Hussein al heel ver gekomen met de herbouw van de stad. Nu lijkt het stil te liggen, maar wij hoeven niet verbaasd te zijn als binnenkort grootse nieuwe plannen op tafel komen en zullen worden uitgevoerd. Maar Babylon zal niet lang ‘bloeien’, beter gezegd ‘zwelgen in de uitspattingen van haar hoererij’, want de bijl ligt al aan de wortel van de boom, zoals het boek Openbaring ons leert. Haar val zal ontzettend zijn!
De 10 horens van het beest vertegenwoordigen ook nog eens 10 koningen die in de eindtijd zullen samenwerken met het beest om de op hen gezeten hoer om te brengen. Deze 10 zullen samen met het beest oorlog voeren tegen het LAM in de eindstrijd bij Har-Megiddo. Ook in Dan. 7:7-8 lezen wij over een beest met 10 horens, waartussen een kleine horen verrees waarvoor er 3 uitgerukt werden. De kleine horen, die dus zo de achtste geworden is van de oorspronkelijke 10 horens, heeft mensenogen en een mond vol grootspraak (vergelijk Op. 13:5, 6).
In Openbaring 18 wordt de val van Babylon in beeld gebracht. In één uur tijd is het gebeurd, terwijl daar dwars doorheen als een nageboorte de laatste gelovigen door de dood heen tot leven gewekt worden. De nageboorte wordt in beeld gebracht door een drievoudig ‘wee geroep in Op. 18 dat steeds tweevoudig van karakter is (“Wee! Wee!”).
Dan wordt ons te kennen gegeven dat zoals de brandende berg in Op. 8:8, 9 in de zee geworpen wordt, zo ook hier de stad Babylon brandende de zee ingeworpen wordt ... misschien zinkt ze wel weg in de volkerenzee, waar ze met hulp van het beest, als een hoer met haar pooier, heeft huisgehouden met al haar hoererij.
Men zegt wel dat in de jaarweek alle aandacht op het Joodse volk komt te liggen, maar dat is niet juist. God brengt nog steeds mensen uit alle volken, stammen, natiën en talen tot geloof in Jezus Christus, zoals wij bij 9 hebben gezien. Maar ook is er een aparte groep, de vrouw de naar de woestijn vlucht, die
OT
gruwel = שִׁקּוּץ (‹H8251›)
verwoesting = שָׁמֵם (‹H8074›)
DEEL III. 7 Intermezzo 6 De voorbereiding van de Bruiloft van het Lam (Op. 19:1-10)
(Er klinkt) een rumoer van vluchtelingen en van ontkomenen uit het land Babel om in Sion de wraak van de HEERE, onze GOD, de wraak voor zijn Tempel te verkondigen.” Jer. 50:28
DEEL III. 8 De wederkomst van Christus in macht en glorie (Op. 19:11-21)
Jezus zal neerdalem met zijn hemelse legermachten en zijn voeten op de Olijfberg zetten. Dan zal Israël, net zoals het destijds tussen twee muren van water door de Wierzee trok en ontkwam, ontkomen dwars door een plotseling ontstaan een dal met aan beide zijden oprijzende bergkammen. God lijkt hier de noord- en zuidflank van de Olijfberg als ‘mijn bergen’ te benoemen, of zou het gaan om de Olijfberg en de Tempelberg waar het Kidrondal tussenin ligt?
De naam Azal die genoemd wordt in Zach. 14:5 komen wij tegen in 1 Kr. 8:38 en 1 Kr. 9:43,44. Het gaat om een Benjaminiet met zes zonen. In Mi. 1:11 vinden we de plaats Beth-Haëzel (‹בֵּית הָאֵצֶל›), waarbij ‘ha’ het Hebreeuwse bep. lidwoord vertegenwoordigt, zodat wij het zouden kunnen weergeven als ‘Huis-van-de-Ëzel’, waarbij ‘Ëzel’ dan een iets andere schrijfwijze van ‘Azal’ zou zijn. Cyrillus van Jeruzalem (‹313 - 386 n. Chr.›) beweerde gehoord te hebben dat van een dorpje ten oosten van de Olijfberg, dat Azal heette.
De vlucht waarvan hier gesproken wordt, doet ook enigszins denken aan de woorden van Ez. 20:35-44, waar er gesproken over een nieuwe woestijnervaring van het volk Israël dat uit de volken is teruggekeerd, dat onder de herdersstaf zal doorgaan om het zo te brengen in de band van het verbond waarbij de weerspannigen zullen worden uitgezift. Niet allen die uit de volken terugkeren, zullen in het land Israël komen, blijkens de woorden van Ezechiël. De vlucht waarvan Ezechiël spreekt is echter heel iets anders dan de vlucht waarvan Zacharia hier spreekt, want deze laatste vlucht zal plaats vinden als Jezus zijn voeten op de Olijfberg zal zetten.
Wij moeten ook enigszins denken aan de woorden uit Hosea 2:13-22 waar er sprake van is dat God Israël zal leiden in de woestijn en daar zal spreken tot haar hart en haar daar haar wijngaarden geven zal en het dal Achor tot een deur van hoop zal maken. De vlucht naar het dal van Achor echter niet dezelfde gebeurtenis als de vlucht hier door het dal van Gods bergen. De vlucht naar het dal van Achor moeten we waarschijnlijk verbinden met de vlucht van de vrouw naarde woestijn in Op. 12:14-16. Anderen menen dat de vrouw naar Pella in Hauran in Syrië of naar Petra in Edom zal vluchten. Sommigen menen dat Edom geschikt is omdat Edom volgens Dan. 11:41 samen met Moab en Ammon aan de macht van de antichrist zal ontkomen.
De aardbeving in de dagen van Uzzia wordt genoem in Amos 1:1. Zij zullen dus vluchten, niet alleen voor de vijand, maar ook voor de aardbeving.
DEEL III. 9 Het 1000-jarige Rijk (Op. 20:1-10)
Het 1000-jarige rijk wordt 6 keer genoemd in deze passage met het getal 1000. Toch zijn er velen die menen dat het 1000-jarige Rijk de lange periode is vanaf Christus’ kruisiging, opstanding en hemelvaart tot op heden toe en dat zijn wederkomst het einde van het 1000-jarige Rijk zal zijn. Dit is volkomen in tegenspraak met de Bijbeltekst waar zo het getal 1000 wordt benadrukt. Een belangrijke oorzaak van dat negeren van de letterlijkheid van de tekst is dat de leer van het ‘1000’-jarig vrederijk (zie Op. 20:1-6) sinds Augustinus zodanig wordt onderwezen als zou het ‘1000’-jarig rijk een a-historische periode zijn (daarom heet zijn leer ‘a-millenialisme’). De eerste opstanding (van de doden) is volgens deze visie geestelijk, dat wil zeggen dat hiermee de wedergeboorte wordt bedoeld en dat deze periode dus begon vanaf de eerste komst van Christus. Deze opvatting van Augustinus, namelijk de opvatting dat het Duizendjarig Rijk niet letterlijk opgevat moest worden, maar symbolisch staat voor een lange periode, heeft nog steeds veel aanhangers. Ook de bekering van keizer Constatijn de Grote en de zgn. ‘kerstening’ van Europa’ droegen bij aan de gedachte dat het ‘1000’-jarige Rijk nu wel aangebroken was. Met de misleidende en onschriftuurlijke leer dat de paus plaatsvervangend leider van Christus op aarde was en dat hem het absolute gezag zou zijn toebedeeld, spiegelde men de mensen voor dat nu wel de mooiste christelijke tijden ooit waren aangebroken.
De Bijbelse leer dat de opname van de Gemeente pas in de eindtijd vlak vóór de grootste verdrukking aller tijden plaatsvindt, is tengevolge van de dwaalleer van Augustinus onbekend bij veel christenen. De theologie van Augustinus van het a-millennialisme zou toonaangevend blijven tijdens de middeleeuwen, maar ook daarna nog veel invloed hebben. Ook veel van de reformatoren vielen terug op zijn ideeën. Calvijn noemde het idee van premillennialisme in zijn werk ‘Instituties’ ‘fictie’ en ‘te kinderachtig en niet nodig of waard om te weerleggen’. Heinrich Bullinger deed het af als een ‘Joodse droom’. Veel groepen buiten de grote christelijke kerken in die tijd, zoals de hugenoten, de anabaptisten en de hussieten, waren echter wel aanhangers van het zgn. premillennialisme (de leer van de wederkomst van Christus voor de komst van het Duizendjarig Rijk). De Lutherse kerk veroordeelde het premilleniallisme officieel in de Geloofsbelijdenis van Augsburg. Men noemt mensen en groepen die denken dat het 1000-jarig Rijk niet letterlijk is ‘a-chiliasten' en zij verwerpen dus het ‘chiliasme’ (= de leer van het letterlijke 1000-jarige Rijk). De kerkvader Origenes had voor Augustinus de leer van het 1000-jarige Rijk al aangevochten door twijfel te zaaien over het auteurschap van de apostel Johannes en de goddelijke inspiratie van dat boek, zoals velen in hun ongeloof, onwetendheid of vijandigheid dat over vrijwel elk bijbelboek doen (2 Pt. 3:16). De misleidende leer van het 1000-jarige Rijk heeft geleid tot de zgn. ‘vergeestelijking’ van grote delen van de Bijbel wat er op neerkomt dat men er iets in is gaan lezen wat er niet staat en wat de Bijbel dus ook niet leert. Dat zijn dan gekunstelde uitleggingen die nodig zijn om de gedachte dat er geen 1000-jarig Rijk zal komen, voor eigen besef te kunnen rechtvaardigen.
Anderen menen dat het 1000-jarige Rijk wel een vaste periode van 1000 jaar is, maar dat Christus pas na die tijd zal terugkomen. In deze visie zal in het 1000-jarige Rijk het Evangelie tot verzadiging toe gepredikt worden en er zal een heerlijke tijd zijn voor de Gemeente en Israël. Dan zal Jezus’ terugkomen op aarde. Vertegenwoordigers hiervan waren o.a. Joachim Floris (12e eeuw) en Daniël Whitby (1638-1726). Ook deze visie, het zgn. post-chiliasme, klopt niet met wat wij lezen in het boek Openbaring en in de Bijbel in algemene zin en is daarom onbetrouwbaar.
Tenslotte is er door de eeuwen heen een groep die vasthoudt aan de betrouwbaarheid van dit bijbelgedeelte (Op. 20:1-10) en het neemt voor wat het zegt nl. dat er een 1000-jarige Rijk op aarde zal komen als Christus op aarde terugkomen is en dat Christus hierover regeren zal.
[toelichting] - Embregts schrijft dat Abba Hillel Silver (‹1893-1963›) zegt dat een groot deel van het Joodse volk dacht dat het 1000-jarig Vrederijk rond het jaar dertig van onze jaartelling zou beginnen. Al veel eerder schreven Tacitus (‹55-117 n. Chr.›) en Suetonius (‹ca. 69-140 n. Chr.›): ‘In heel het oosten had zich een oud en hardnekkig geloof verbreidt dat het voor die tijd was voorbestemd dat mannen uit Judea de wereld zouden regeren.’ Maar omdat de Joden moeilijk konden inzien dat de 70-ste jaarweek niet direct op de 69-ste volgde, en zij de Messias hadden afgewezen, ontstond er verwarring over de Gezalfde en sommigen begonnen Titus, dat is keizer Vespanianus, aan te zien voor de Gezalfde en niet een Joodse man. Ook Flavius Josephus, de beroemde Joodse geschiedschrijver, kwam ertoe - maar dat was tijdens zijn gevangenschap onder Vespanianus - om deze keizer als de Messiad te zien. Augustinus, de bekende kerkvader, zou later ook verklaren dat het 1000-jarig Vrederijk al was aangebroken de Romeins-Katholieke heerschappij over Europa.
–Anderen (‹zie b.v. de Targum Jonathan bij Mi. 4:8›) nemen aan dat de Messias al gekomen is, maar verborgen is. We zien dat dit geloof ook overgenomen is in de islamitische-shiitische verwachting van de ‘verborgen mehdi’, waaruit ook weer duidelijk wordt dat de islam berust op vijandige verdraaiing van het Joods-christelijke gedachtengoed, die uiteraard verbonden is met de vijandige houding die Mohammed, de profeet van de islam, ten opzichte van christenen en Joden aannam.
–Hoe het ook zij, op grond van Gods Woord was er alle aanleiding om een Messiaans Vrederijk te verwachten en vanuit dat geloof kwamen de rechtvaardige Simeon, die de vertroosting van Israël verwachtte, en de 84-jarige weduwe, de profetes Anna, in de Tempel toen Jezus daar door Jozef en Maria voor de Heer gesteld werd (‹Lk. 2:22, 25, 38›).
–De Venetiaanse opperrabbijn Simon Luzzato zei dat als de Joden Daniël 9 uit het OT goed bestudeerden, zij allen christen zouden ‘moeten’ worden, omdat de tijd zo nauwkeurig overeenstemde met de tijd van Jezus Christus. Ook wordt elke Jood die Ps. 22 en Jes. 53 leest, wordt aan het denken gezet over het lijden dat deze Messias zou ondergaan naar Gods voorzegging, een lijden dat ook voor de discipelen onbegrijpelijk bleef tot op de dagen van de opstanding en de verschijningen van Jezus Christus.
Het geloof in dit 1000-jarige Rijk zoals aangekondigd in Op. 20:1-10 was wijd verbreid en algemeen in de begindagen van de Gemeente van Jezus Christus (zie Oswald Allis, Daniël Whitby, G.N.H. Peters) en het werd als een apostolische traditie beschouwd. Het ondervond pas meer weerstand vanaf de 3e eeuw (zoals hierboven vermeld) en werd door de RK-kerk hevig onderdrukt, maar het kon nooit worden uitgeroeid, want Waldezen, Katharen, Albigenzen, aanhangers van John Wycliffe en de Boheemse Broeders bleven dwars door de vervolgingen heen vasthouden aan dit geloof.
Vele gerespecteerde bijbelonderzoekers zoals Bengel, Olshausen, Gill, Alford, Fausset, Meyer, Starke, Lange, Keach, Bonar, Cumming, Ryle, Lillie, Seiss, Tait, Fry, Macintosh, Wells, Demarest, Delitzsch, Ebrard, Tregelles, Ellicott, Cunningham, Lightfoot, Westcott en Darby geloofden in de komst van het 1000-jarig Rijk en velen hebben in latere eeuwen tot op de dag van vandaag hun gelederen versterkt. In Nederland was het m.n. Johannes de Heer die zeer helder en onomwonden de komst van dit 1000-jarige Rijk vanuit Gods Woord heeft onderbouwd en uitgelegd. De zgn. vergaderingen van Gelovigen ofwel de Brethren hebben als vrijwel enige geloofsgemeenschap gedurende de laatste 2-3 eeuwen ononderbroken aan dit geloof vastgehouden. Uit alle andere geloofsgemeenschappen waren het steeds individuën die dit geloof beleden, zoals ook de reeks bijbelonderzoekers hierboven uit allerlei geloofsgemeenschappen kwamen. Een groot deel van het leiderschap van de huidige Chinese gemeente van Jezus Christus geloven in het komende 1000-jarige Rijk en hebben daar ook openlijk verantwoording afgelegd aan de overheden van dat land.
gebeurtenissen in het 1000-jarige rijk
- aan het begin van het 1000-jarig rijk zal de herbouw van de Tempel plaatsvinden, zoals die staat beschreven in Ez. 40-48
- herbouw van Jeruzalem ( Jes. 65:17 e.v., Zach. 8) - soms lijkt het aardse Jeruzalem in de beschrijvingen over te vleien in het hemelse Jeruzalem
- de martelaren die door het beest onthoofd zijn, zullen met Christus 1000 jaar lang regeren
- terugkeer van de Joden die gedurende de periode van het openen van de boekrol uit Israël verdreven of gevlucht zijn
- terugkeer van de Joden uit alle delen van wereld, maar de ongelovige Joden zal God uitschiften. Israël zal weer één volk zijn, want Efraïm en Juda zullen samengevoegd worden (Ez. 20:34-38; Ez. 34; Ez 37:15-28)
- terugkeer van Gods heerlijkheid naar de Tempel (Ez. 43:1-9)
- de offerdienst in de Tempel zal weerkeren, maar anders zijn dan vroeger
- er zal naar oost en west een beek vanuit de Tempel stromen, naar de Dode Zee die levend zal worden en naar de Middellandse Zee (Ez. 47:1-12; Zach. 14:8).
- Jeruzalem is de hoofdstad van de wereld (Mt. 5:35; Jes. 60:14)
- sabbat, sabbatsjaar en jubeljaar zullen onderhouden worden ... een grote economische hervorming
- de aarde en hemel zullen waarschijnlijk terugkeren tot de geografische en klimatologische toestand van voor de zondvloed en de menzen zullen weer heel oud worden (Jes. 65:17-25)
- aan het einde van het 1000-jarige rijk wordt de satan voor korte tijd los gelaten om de volken in de vier hoeken van de aarde te misleiden en om met hen nog een laatste keer op Jeruzalem aan te vallen, maar zij zullen door vuur uit de hemel verslonden worden (Op.20:7-9). Deze menigte wordt - net als voor het 1000-jarig rijk - opnieuw aangeduid met de namen Gog en Magog.
- de duivel wordt in de poel van vuur, de hel, geworpen, waar ook het beest en de valse profeet ingeworpen zijn.
Psalm 72 is een gebed voor de koning en de inhoud ervan leert ons veel over Christus’ heerschappij in het 1000-jarige Rijk.
In Nederland heeft Johannes de Heer de Bijbelse gronden voor de leer van het letterlijke millenium duidelijk uiteengezet in zijn boek ‘Het duizendjarige rijk’. De gelijknamige, maar vereenvoudigde uitgave van Het Zoeklicht kunnen wij van harte aanbevelen. Onzes inziens is er in het Nederlandse taalgebied geen betere begrijpelijke Bijbelse uitleg over dit onderwerp!
DEEL III. 10 Het laatste oordeel voor de grote witte troon (Op. 20:11-15)
Uit Hd. 26:23 leren wij dat Jezus Christus de Eersteling van de opstanding uit het verblijf van de doden is. Op. 20:6 leert ons dat de tweede dood geen macht heeft over hen die deel hebben aan de eerste opstanding. Zij zijn voor eeuwig behouden, zij ontvangen eeuwig leven. Wie niet deel heeft aan de eerste opstanding, zal na het duizendjarig Rijk opstaan. Wie dan opstaat komt voor de witte troon van God te staan en dan is het boek van het Leven open en het boek van het Oordeel gaat open en dan zullen de doden geoordeeld worden naar wat in de boeken geschreven is. Degene van wie de Naam in het Boek van het Leven geschreven staat, zal eeuwig leven ontvangen (‹Op. 20:15›), en wie er niet in staat zal volgens het Boek van het Oordeel geoordeeld worden naar zijn werken en in de poel van vuur geworpen worden, dat is de tweede dood.
DEEL III. 11 De nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Op. 21:1-8)
Als allerlaatst zal de Zoon heel het rijk aan zijn Vader geven (1 Kor. 15:24-28; Heb. 2:8)
“Dan zal het einde komen, wanneer Hij het Koninkrijk aan GOD, de Vader, zal overgeven, wanneer Hij elke heerser en alle alle macht en alle kracht teniet gedaan zal hebben. Want Hij zal als Koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten zal hebben neergelegd. De laatste vijand die vernietigd zal worden is de dood. Want Hij heeft alle dingen aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer er gezegd wordt: ‘Alle dingen worden aan Hem onderworpen!’, dan is het duidelijk dat dat met uitzondering is van Degene aan Wie alle dingen onderworpen worden. En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, zal de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem aan Wie alle dingen onderworpen zijn, opdat GOD alles in allen zal zijn.”
DEEL III. 12 Het nieuwe Jeruzalem (Op. 21:9-22:5)
Een engel toont Johannes, de bruid van het Lam. Zij is de heilige stad, Jeruzalem, heerlijk en glanzend en weerbaar door haar grote en hoge muur, bewaakt door 12 engelen bij haar altijd geopende 12 parel-poorten met de namen van de zonen van Israël. De muur van de stad had 12 fundamenten met edelsteen versierd met daarop de namen van de 12 apostelen van het Lam. Het is de stad die Abraham verwachtte, de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Heb. 11:10). De stad is ongeveer 2200 km. in het vierkant. De straat ervan is van doorzichtig goud. GOD is midden in haar, zoals vroeger zijn Woning middenin het legerkamp was en de Tempel in Jeruzalem, en de Lamp van de stad is het Lam. De volken wandelen in haar licht en de kiningen van de aarde brengen heerlijkheid naar haar toe. De stad wordt uitsluitend bewoond door hen die in het Boek van het Lam (Griekse bronnen het Boek van het Leven van het Lam) geschreven staan. Deze stad is een volkomen reine Bruid!
Raadselachtig in deze beschrijving is de aanwezigheid van de volken en de koningen van de aarde. Immers in Op. 21:1 lezen wij dat de zee niet meer bestaat, de zee die de volkerenzee is die in Babel is ontstaan. En nu lezen wij opeens dat er toch weer volken zijn. Was het niet zo dat iedereen die niet opgeschreven is in het Boek van het Leven, in de poel van vuur geworpen zou worden (Op. 20:5)? Dan hebben alleen zij van wie de namen in het Boek van het Leven geschreven staan, deel aan het eeuwige leven. EN zij zij allen dan niet één volk? Maar volken die in het licht van de Lamp, d.w.z. van het Lam, wandelen (Op. 21:24), zijn toch ‘kinderen van het Licht’?!! Of zal er een afwisseling zijn van het volk dat in de Stad woont met de volken die op aarde wonen in die zin dat dan het ene volk in de stad zal dienen en dan het andere volk, zoals ook de priesterafdelingen opkwamen voor hun dienst en ook weer afzwaaiden? Het enige wat wij hierbij zouden kunnen bedenken is dat degenen die aan het eind van 1000-jarige Rijk niet deel hebben genomen aan de opstand van God en Magog en dus ook niet door vuur verslonden zijn, dat zijn ook degenen die geen deel hebben gehad aan de eerste opstanding, dat zij allen de volken vormen waarvan hier in Op. 21:24 sprake is, d.w.z. degenen van hen van wie de namen toch in het Boek van het Leven staan opgeschreven. Van de volken lezen wij overigens ook nog in Op. 22:2.
In Op. 22:1-5 wordt onze aandacht gevestigd op de rivier van water van het Leven die ontspringt vanuit de Troon van God en van het Lam. Zie ook Ez. 47:1-12 en Zach. 14:8-9.
DEEL III. 13 Slot (Op. 22:6-21)
Aan het slot van het Boek Openbaring wordt de betrouwbaarheid en het belang van het boek nog eens onderstreept, op overeenkomstige wijze als in Op. 1:1-3.
Overweldigd als Johannes is door alle visioenen en woorden die hem zijn bekendgemaakt, valt hij voor een engel op zijn knieën om die te aanbidden. De engel vermaant hem zachtmoedig en draag Johannes op om de woorden van hhet boek NIET te verzegelen. Deze opdracht is precies het tegenovergestelde van de woorden in Dan. 14:4 tot Daniël worden gesproken nl. om de woorden van het boek te verzegelen tot de eindtijd. Wat de 7 donderslagen in Op. 10:4 gesproken hebben, blijft echter verzegeld. Ps. 29 is de psalm van de 7 stemmen van de HEERE.
Er volgt nog een ernstige waarschuwing om niet toe te voegen en niet af te nemen van de woorden van de profetie en de HEERE Jezus Christus kondigt zijn spoedige komst aan, waarnaa de Geest en de Bruid verlangen (Op. 22:16-21)
BIJLAGEN
DE TIJDEN in DANIËL en in OPENBARING
Dan. 8:11-14 (Ja,) (zo) groot maakte hij zich (dat hij zich verhief) tot aan de Vorst van de legermacht (toe). Deze werd het voortdurende offer ontnomen en de plaats van zijn Heiligdom werd verworpen. Door overtreding zal een leger tegen het voortdurende offer worden ingezet en de waarheid zal ter aarde geworpen worden, en hij deed (maar) en hij slaagde. Daarna hoorde ik één heilige spreken en één (andere) heilige zei tegen degene die sprak: “Hoelang (zal) het visioen (van) het voortdurende offer en (van) de gruwelijke overtreding (duren), dat zowel het Heiligdom als de legermacht overgegeven worden om vertrapt te worden?” En hij zei tegen mij: “Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens, (dan) zal (het) Heiligdom recht worden gedaan.”
Het getal 2300 avonden en morgens moet wel worden gezien als een optelsom van de avond- en morgenoffers, want anders zou er staan dat deze offers pas na 2300 dagen zouden ophouden en dat is veel langer dan een halve jaarweek, terwijl wij leren uit Dan. 9:27 dat dit ophouden van die offers pas op de helft van de jaarweek zal plaatsvinden en rond het eind van de jaarweek daalt Jezus neer op de Olijfberg (Zach. 14:4 en Hd. 1:11). Daarom delen wij de 2300 door 2 (immers 1 avond- en 1 morgenoffer per dag, dat is 2 offers per dag) en zo komen wij uit op 1150 dagen, wat weer 110 dagen korter is dan de halve jaarweek van 1260 dagen, maar dan mogen wij daaruit misschien concluderen dat het Heiligdom al voor het einde van de 2e helft van de jaarweek recht zal worden gedaan.
In Dan. 9:24 staan de volgende woorden: “Zeventig weken zijn bepaald over je volk en over je heilige stad, om de overtreding af te sluiten, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om eeuwige gerechtigheid te brengen, om visioen en profeet te verzegelen en om (het) allerheiligste te zalven.”
De vraag is in hoeverre de uitdrukkingen ‘rechtdoen aan het Heiligdom’ en ‘om de overtreding af te sluiten ... te zalven’ elkaar overlappen. In Dan. 9:24 lijkt het pas helemaal aan het eind van de 70 weken —na afloop van heel de 2e helft van de jaarweek — volkomen ‘in orde’ te zijn om het simpel te zeggen. Maar in Dan. 8:14, waar het gaat over ‘recht doen aan het Heiligdom’, lijkt dat al 110 dagen vóór het einde van de 2e helft van de jaarweek te gaan gebeuren. Waar wordt precies op gedoeld? Wij weten dat de Tempel binnenkort herbouwd zal worden, maar wij weten ook dat na de jaarweek het 1000-jarig Rijk aanbreekt (Op. 20) en dat dan de Tempel beschreven in Ez. 40-48 in gebruik genomen zal worden.
Dan. 8:26 Het visioen (nu) van de avond en de morgen waarvan gesproken werd, dat is waar. En jij, berg dit visioen (goed) op, want het (is bedoeld) voor (over) vele dagen.”
Dan. 12:1-12 “In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van je volk bijstaat. Het zal een tijd van benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk bestond tot op die tijd toe. In die tijd zal uw volk verlost worden, ieder van wie vastgesteld wordt dat hij in het boek geschreven (staat). Velen van hen die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, dezen tot het eeuwige Leven en anderen tot schande en tot eeuwig afgrijzen. De verstandigen zullen stralen als het (hemels) firmament en zij die velen tot gerechtigheid gebracht hebben, als sterren, voor eeuwig en altijd. En jij, Daniël, berg de(ze) woorden op en verzegel het boek tot de eindtijd. Velen zullen onderzoeken en de kennis zal toenemen.”
En ik, Daniël, keek (op), en zie, er stonden twee anderen, de één hier, aan de(ze) oever van de rivier, en de ander daar, op de (andere) oever van de rivier. En hij zei tegen de Man die in linnen gekleed was, die boven het water van de rivier (stond): “Tot hoelang zal het duren totdat er een einde komt aan deze wonderlijke dingen?”
Ik hoorde de Man, die in linnen gekleed was, die boven het water van de rivier (stond), en Hij hief zijn rechterhand en zijn linkerhand op naar de hemel en zwoer bij Hem die eeuwig leeft, dat met een tijd, tijden en een halve (tijd) en met de beëindiging van het verbrijzelen van de hand(en) van het heilige volk, er aan al deze dingen een einde zal komen.
Ik luisterde maar ik begreep (het) niet en ik zei: “Mijn Heer, wat zal het einde van (al) deze dingen zijn?”
En Hij zei: “Ga, Daniël, want deze woorden zullen afgeschermd en verzegeld blijven tot de eindtijd. Velen zullen gereinigd, gezuiverd en gelouterd worden, maar de boosdoeners zullen kwaad doen en alle boosdoeners zullen het niet begrijpen, maar de verstandigen zullen het begrijpen. Vanaf de tijd dat het voortdurende offer zal worden verwijderd en de gruwel van verwoesting (zijn plaats) gegeven wordt, (zijn het) duizend tweehonderdnegentig dagen. Gelukkig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt. En jij, ga het einde tegemoet. Je zult rusten en je zult opstaan om wat je (als erfdeel) toevalt in het laatst der dagen (te ontvangen) .”
We zien in de laatste verzen twee periodes opduiken nl. een periode van 1290 dagen en een periode van 1335 dagen. In beide gevallen is het aantal dagen gerekend vanaf het stoppen van het voortdurende offer precies halverwege de jaarweek, als de twee getuigen naar de hemel zijn gegaan. D.w.z. dat het einde van de eerste periode van 1290 dagen precies 30 dagen na de voltooiing van de 1260 dagen van de 2e halve jaarweek zal liggen. Wat betreft de andere periode van 1335 dagen geldt dat die 75 dagen later eindigt dan de 1260 dagen van de jaarweek. Voor deze 75 dagen is er een verklaring die ons te denken geeft. Als de 7 jaarweken beginnen op de Grote Verzoendag d.w.z. op de 10e van de maand Tishri, dan zijn het vanaf die dag 75 dagen tot op de dag van het zgn. Chanoeka-feest, het feest van de Herinwijding van de Tempel
Vanaf 1e Nisan (1e maand en dag Bijbels Nieuwjaar) tot 1e Tishri is precies een half jaar (7e maand en Joods Nieuwjaar)
Vanaf 10e Nisan (het apart zetten van het Voorbijgaansoffer) tot 10e Tishri is precies een half jaar (het wegzenden van de Joods zondebok op de Grote Verzoendag - Yom Kippoer)
Vanaf 15e Nisan (1e dag Chag ha-Matzot - het Feest van de Ongezuurde Broden) tot 15e Tishri is precies een half jaar (de 1e dag van het Loofhuttenfeest - Sukkoth)
De 1 dag = 1 jaar regel ook in Num. 14:34 en Ez. 4:6
Mt. 24:22 ... als die dagen niet ingekort werden ...
BIJZONDERHEDEN
1. Het boek Openbaring is het boek van de ‘zevens’ (‘zeven’ is het getal van de volmaaktheid - b.v. de 7 dagen van de week)
a. verzamelingen van zeven in het boek Openbaring
7 lichten die branden voor de troon (Op. 4:5). (Aramees en Grieks)
7 geesten van God (Op. 1:4; 3:1; 4:5; 5;8) - in de laatste 3 verzen staat er voluit: de zeven Geesten van God. (Aramees en Grieks)
7 gouden kandelaren, mogelijk elk met 7 lampen (Op. 1:12, 13, 20). Het woord ‘kandelaar komt 7 keer voor (Op. 1:12, 13, 20, 20; 2;1, 5; 11:4). (Aramees en Grieks)
7 gemeenten (Op. 1:4, 11, 20). (Aramees en Grieks)
7 sterren (Op. 1:16, 20, 20; 2:1; 3:1). (Aramees en Grieks)
7 ramshorens (Op. 8:2, 6). In het Grieks vinden wij hier 7 bazuinen. (Aramees en Grieks)
7 donderslagen (Op. 10:3, 4) - dat is 2 keer 7 donderslagen. (Aramees en Grieks)
7 zegels (Op. 5:1; 6:1) (Aramees en Grieks)
7 keer het woord ‘boekrol’ alleen in Op. 5
7 laatste plagen (Op. 15:1; 21:9) en 7 plagen (Op. 15:6, 8) (Aramees en Grieks)
7 ogen (Op. 5:6). (Aramees en Grieks). In het OT vinden we de ‘7 ogen’ alleen in Zach. 3:9.
7 engelen komen 7 keer voor (Op. 8:2, 6; 15:1, 6, 7, 8; 16:1). In Op 17:1; 21:9 vinden wij ‘één van de zeven engelen’ (Aramees en Grieks). In het OT vinden wij geen verzameling van ‘zeven engelen’.
b. de volgende woorden komen precies 7 keer voor in het boek Openbaring
7 keer ‘altaar’: Op. 6:9; 8:3, 5; 9:13; 11:1; 14:18; 16:7. (Aramees en Grieks)
7 keer ‘donderslagen’ of ‘donderslag’ - in Op. 4:5 (‹bij Gods troon›) , Op. 6:1 (‹bij de eerste ruiter›), Op. 8:5 (‹bij het op aarde werpen van vuur van het altaar›), Op. 11:19 (‹bij het verschijnen van de Kist, de Ark, in de hemelse Tempel›), Op. 14:2 (‹bij het verschijnen van het Lam op de berg Sion›), Op. 16:18 (‹bij het einde van de oordelen als de 7e schaal is uitgestort›) en in Op. 19:6 (‹bij de aanvaarding van het Koningschap›).
Drie keer ‘zeven donderslagen’ vinden wij bovendien in Op. 10:3, 4, 4 (zie hiervoor). (Aramees en Grieks)
7 keer ‘ramshoorn’ of ‘ramshorens’ - Op. 1:10; Op. 4:1; Op. 8:2, 6, 13; Op. 9:14; Op. 18:22 (Aramees). In de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR komt het woord ‘bazuin’ (‹G4536›) 6 keer voor, en 1 keer het woord ‘bazuinblazer’ (‹G4538›) in Op. 18:22. (Grieks)
7 keer komen wij tegen: ‘Gezegend!’ In het Grieks is dat ‘makarios’: Op. 1:3; 14:13; 16:15; 19:9; 20:6; 22:7, 14. (Aramees en Grieks)
7 keer ‘aardbeving’ - Op. 6:12; 8:5; 11:13, 13; Op. 11:19; 16:18, 18. (Aramees en Grieks)
59 keer vinden wij het woord ‘engel’ of ‘engelen’ zonder dat er sprake is van een optreden van zeven engelen tegelijkertijd. Wij rekenen hiertoe dan ook de uitdrukking: ‘één van de zeven engelen’ in Op. 17:1 en Op. 21:9. In het Grieks ontbreekt het woord ‘engel’ in Op. 1:1, terwijl in Op. 16:3, 4, 8, 10, 12, 17 het woord ‘engel’ ook ontbreekt in de lezing van de Griekse NA28, maar niet in die van de Griekse MHT en TR. Van de 59 keer dat wij het woord ‘engel’ tegenkomen, gaat het in 12 gevallen om ‘een andere engel’. Deze ‘andere engel’ is steeds een engel met groot gezag en in Op. 10:1 is deze engel o.i. de verschijning van de HEERE Jezus Christus als de Engel van de HEERE. Andere commentatoren menen dat menen dat de ‘andere engel’ ook op andere plaatsen de Engel van de HEERE is.
41 keer komen we in de Griekse tekst van het boek Openbaring het woord ‘troon’ in het enkelvoud tegen: Op. 1:4; 2:13 (troon van satan); Op. 3:21 (2 keer); Op. 4:2 (2 keer), Op. 4:3, 4, 5 (2 keer), Op. 4:6 (3 keer), Op. 4:9, 10 (2 keer); Op. 5:1, 6, 7, 11, 13; Op. 7:9, 10, 11 (2 keer), Op. 7:15 (2 keer); Op 7:17; Op. 8:3; Op. 12.5; Op. 13:2 (troon van satan); Op. 14:3; Op. 16:10 (troon van satan), Op. 16:17; Op. 19:4, 5; Op. 20:11, 12; Op. 21:5; Op. 22:1, 3. Grieks ook in Op. 6:16; 11:16
4 keer komen we het woord ‘tronen’ (meervoud) tegen: Op. 4:4, 4; 11:16; 20:4.
35 keer ‘zeven’ (Aramees en Grieks). Alleen in de lezing van de Griekse MHT en TR vinden wij 36 keer ‘zeven’.
11 keer ‘plaag’ of ‘plagen’ of ‘wond’ - Op. 9:18 (3 plagen); 9:20; 11:6; 13:3 (wond); 13:12 (wond); 13:14 (wond); 16:9, 21; 18:4, 8; Op. 22:18. In de lezing van de Griekse NA28 ook 11 keer (Aramees en Grieks), maar in de lezing van de Griekse MHT en TR ontbreekt het woord in Op. 9:18 (G4127).
12 keer vinden wij het woord ‘oudsten’ nl. in Op. 4:4, 10; 5:5, 6, 8, 11, 14; 7:11, 13; 11:16; 14:3; 19:4. (Aramees en Grieks)
12 keer vinden wij de aanduiding ‘een andere engel’: Op. 5:2 (een andere, sterke engel); 7:2; 8:3; 10:1; 14:6, 15, 17, 18; 18:1; 19:17; 20:1. In de Griekse tekst van het NT van de NA28, MHT en TR komt de uitdrukking slechts 10 keer voor, want in Op. 19:17 en Op. 20:1 staat er gewoon ‘engel’.
3 keer een combinatie van ‘bliksemslagen, stemmen en donderslagen’ - Op. 4:5; 8:5; 11:19 (Aramees). In het Griekse NT vinden wij dit drietal ook Op. 16:18, terwijl wij daar in het Aramees wel ‘bliksemstralen en donderslagen’ vinden (Grieks), maar geen ‘stemmen’
3 keer vinden wij het Aramese woord ‘qeshet’ voor ‘boog’ nl. in Op. 4:3; 6:2; 10:1
3 keer ‘het geluid van vele wateren’ nl. in Op. 1:15; 14:2; 19:6, een uitdrukking die duidt op de stem van God en zijn hemelse legermachten, zoals wij daarvan lezen in Ez. 1:24; 43:2, maar ook in Jer. 10:13; 51:16, 55.
13 keer ‘zegels’ of ‘zegel’ - Op. 5:2, 3, 4, 5, 9; 6:3, 5, 7, 9, 12; 7:2; 8:1; 9:4. Twee keer ‘zeven zegels’ vinden wij bovendien in Op. 5:1; 6:1. (Aramees) In de Griekse tekst ontbreekt het woord ‘zegels’ in Op. 5:3, 4.
8 keer ‘ogen’ - Op. 1:7, 14; 2:18; 4:6, 8; 7:17; 19:12; 21:4. Eén keer ‘zeven ogen’ (Op. 5:6), zie hiervoor. (Aramees en Grieks)
8 keer ‘zwaard’ - Op. 2:12, 16; 6:4, 8; 13:10, 14; 19:15, 21 en 1 keer ‘lans’ (Aramees)
15 keer ‘paard’ of ‘paarden’ - Op. 6:2, 4, 5 , 8; 9:7, 9, 17, 19; 14:20; 18:13; 19:11, 14, 18, 19, 21 (Aramees). In het Grieks is 14 keer spraken van het woord ‘paard’ of ‘paarden’ (G2462) en 1 keer van het woord ‘ruiterij’ of ‘ruiters’ (G2461). (Grieks)
28 keer ‘lam’ - Op. 5:6, 8, 12, 13; 6:1, 16; 7:9, 10, 14, 17; 12:11; 13:8, 11; 14:1, 4 (2 keer), Op. 14:10; 15:3; 17:14 (2 keer); 19:7, 9; 21:9, 23 (2 keer); Op. 21:27; 22:1, 3 (Aramees). In het Griekse NT vinden wij in Op. 21:14 ook ‘de apostelen van het Lam’, terwijl de lezing van de Aramese NT van de Peshitta luidt: ‘de apostelen van de Zoon’. De Griekse lezing van Op. 21:22 luidt: ‘want de Heer, God de Almachtige, is haar Tempel, en het Lam.’, terwijl de lezing van het Aramees luidt: ‘want de HEERE GOD, de Almachtige, is haar Tempel.’ In de Griekse lezing van Op. 21:23 komt het woord ‘Lam’ maar 1 keer voor (Aramees 2 keer). In het totaal komt het woord ‘Lam’ in de lezing van Openbaring in het Griekse NT dus ...... keer voor (Grieks)
13 keer ‘tot in alle eeuwigheid’ - Op. 1:6, 18; 4:9, 10; 5:13; 7:12; 10:6; 11:15; 14:11; 15:7; 19:3; 20:10; 22:5 (Aramees en Grieks)
55 keer ‘hemel’ of ‘hemelen’ (Aramees en Grieks) In Op. 21:3 luidt de lezing van de Griekse NA28: ‘troon’in plaats van ‘hemel’.
b. Het boek Openbaring zit vol met beelden en tegenbeelden, personen en tegen-personen:
- God tegenover de satan
- de losser van het land tegenover de verderver
- Christus tegenover de valse christus (of: ‘antichrist’)
- betrouwbare getuigen van Jezus tegenover een valse profeet
- heilige engelen tegenover de engelen van de duivel
- een reine bruid tegenover een vuile hoer
- een hemels Jeruzalem tegenover een aards Jeruzalem dat is als Sodom en Egypte (Op. 11:8)
- eeuwige redding tegenover eeuwig verderf
- Jezus die het hemelse Heiligdom binnengaat, de kandelaars inspecteert,
het wierookvat bij het altaar, de Kist in de Tempel,
God op de Troon, het Lam op zijn schoot enz.
c. In het boek Openbaring komen we alle feesten van Israël tegen
d. met het boek Openbaring mondden we uit in het Jubeljaar van heel de schepping, als God het land en zijn volk vrijkoopt en ieder die onder de zonde verkocht is, mag terugkeren naar het land, naar zijn eigen stukje grond ...
e. het boek Openbaring geeft een opeenstapeling van gewelddadige uitbarstingen te zien:
1. wereldwijd geweld, honger en de pest in het bijzonder over een vierde deel van de aarde
2. een wereldwijde christenvervolging resulterend in miljoenen martelaren (Op. 6:9-11)
3. een viertal plagen (Op. 8:17-12) waardoor de natuur zodanig wordt getroffen dat velen
om het leven komen (natuurbranden, zee wordt bloed, vergiftigde waterbronnen, koude)
4. een demonische oorlogsvoering die wellicht ruim 2-3 miljard van de mensen doodt.
Er is sprak van een derde deel van de mensheid die gedood wordt, na de 1, 2 en 3.
WE SCHATTEN DAT OP DIT PUNT RUIM 3 MILJARD MENSEN ZIJN OMGEKOMEN.
DE WERELD BEVOLKING van bijna ACHT MILJOEN IS (BIJNA) GEHALVEERD
OPNEBARING STATISTISCH DE GEDODEN
OP. 7 een vierde van de aarde
f. het boek Openbaring is een geweldige apotheose van wat allemaal in het OT is gepasseerd en geprofeteerd: de uittocht, de feesten, met inbegrip van het jubeljaar als ieder weer naar zijn bezit, naar zijn eigen akker mag terugkeren (Lev. 25:13), de geboorte van een zoon uit Egypte, de aankondiging van het Vredevorst en een Vrederijk in Jes. 9:5, 6 en Jes.11:4) enz.
g. vaak wordt gesproken over openbaring als een boek met veel ‘symbolische taal'. Men legt dan de nadruk op het Griekse woord ‘semaino’ in Op. 1:1, een woord dat de lading heeft van bekend maken door tekenen. In het Aramees verstaan wij het woord meer als ‘doen weten’ vaak vertaald als ‘tonen'.
Echte weeën
Echte weeën heb je in de uren voor de bevalling tot de geboorte zelf. Na de bevalling krijg je nog naweeën.
• De eerste echte weeën
De eerste weeën zijn normaal gesproken vrij kort en onregelmatig. Ze duren ongeveer een halve minuut en de pijn valt nog mee. Er zit tussen de 5 en 10 minuten tussen de weeën. In de loop van de bevalling worden de weeën steeds frequenter, krachtiger en langer van duur.
• Ontsluitingsweeën
Als de weeën 60 tot 90 seconden duren en ze om de 4 tot 5 minuten komen heb je waarschijnlijk ontsluitingsweeën. Dit is het moment dat je meestal de verloskundige moet bellen. Zij zal beoordelen hoeveel centimeter ontsluiting je hebt en verdere afspraken met je maken. De ontsluitingsweeën zullen steeds heftiger worden tot de ontsluiting voor het grootste gedeelte heeft plaatsgevonden.
• Persweeën
Bij de laatste centimeters ontsluiting krijg je persweeën. Dit zijn weeën waarbij je het idee hebt dat je mee moet persen. Dit zijn de heftigste en meest pijnlijke weeën. De persweeën zorgen uiteindelijk voor de geboorte van je kindje.
• Nageboorteweeën
Na de geboorte komen de weeën weer even terug. Deze zorgen ervoor dat de nageboorte plaatsvindt.
• Naweeën
Na de geboorte van de placenta kan je last krijgen van naweeën. Door naweeën neemt de baarmoeder weer de normale vorm aan. Na de eerste bevalling vallen de naweeën vaak mee. Hoe meer kinderen vrouwen hebben gehad, hoe meer last ze doorgaans hebben van naweeën.
[YHWHs-Seven-Feasts-Future-Fulfillment-in-the-Book-of-Revelation-Summary-768x827.jpg]
YHWH’s 7 Feast in the Book of Revelation Summary
1. Feast of Passover in Revelation
Future application of Lamb’s Blood at:
Rev 1:5-6, 5:9-10, 7:9,14, 12:11.
2. Feast of Unleavened Bread in Revelation
“Bread of Affliction” of Deut 16:3 eaten by:
a) 144,000 – Kingdom of Priests – Bride – New Jerusalem
Rev 6:9-11, Rev 20:4, 11:2, 12:11, 13:7, 10, 13:15-17, 14:12, Rev 15:2, 17:6, 19:2
b) Great Multitude
Rev 7:14, 16, 12:17, 13:15-17, 14:12
c) 7 Churches
Rev 2:2,9-11,13,19, 3:8-10
3. Feast of First Fruits in Revelation
a) Yeshua / Jesus First Fruits – Rev 1:5, 2:8.
b) 144,000 First Fruits – Rev 14:4
144,000 participates in First Resurrection – Rev 20:6
4. Feast of Weeks / Pentecost in Revelation
Future Fulfillment Described at Joel 2:28-29 but “after” (Joel 2:28) the “Day of the Lord” (Joel 2:11) and “after” a restoration of vegetation, “trees,” “rain,” “grain,” and the removal of “shame” (Joel 2:21-27).
5. Feast of Trumpets in Revelation
Future Fulfillment in All 7 Trumpets of Revelation 8:1-11:19
➥ 6. Feast or Day of Atonement
The Book of Revelation describes YHWH “providing Atonement for His land & His people” – Deut 32:43 – Song of Moses Re Sung at Rev 15:3.
Important to understand that YHWH has “given” “Blood” to make “Atonement” Lev 17:11 and “Everything must be with purified blood” Heb 9:22.
1) YHWH Providing Blood Atonement for “HIS LAND” in Revelation:
a) 4th Seal “Kill” “1/4th” Rev 6:8
b) 6th Trumpet “Kill 1/3rd” Rev 9:15
c) “Great Wine Press of the Wrath of God,” “Harvest of the Earth” Rev 14:17-20 – “blood flowed from the winepress, as high as a horse’s bridle, for 200 miles” Rev 14:20.
d) 6th Bowl of Wrath – Armageddon – Earth’s combined militaries are destroyed & fed to the birds! Rev 19:11-21
2) YHWH Providing Blood Atonement for “HIS PEOPLE” in Revelation:
In Revelation, YHWH provides Blood Atonement for “His People” in 2 ways:
1) Blood of the Lamb
a) “Kingdom of Priests” Rev 1:5, 5:9-10, 12:11
b) “Great Multitude” – Rev 7:14
2) Judgment & Vengeance for the Blood of the Saints
5th Seal – Rev 6:10 – “Slain” “souls” ask “how long before you will judge and avenge our blood on those who dwell on the earth?”
a) YHWH’s answer to when “judge our blood?”
2nd & 3rd Bowls of Wrath – Rev 16:3-7
b) YHWH’s answer to when “avenge our blood?”
7th Bowl of Wrath – Judgment of Babylon – Rev 19:2
Atonement or Remove Sin – Future at Zech 3:9 & Isa 6:7.
Fulfilled Day of Atonement Requirements to “Afflict Yourself” in Leviticus 23:27-32 at:
a) 144,000 – Kingdom of Priests – Bride – New Jerusalem
Rev 6:9-11, Rev 20:4, 11:2, 12:11, 13:7, 10, 13:15-17, 14:12, Rev 15:2, 17:6, 19:2
b) Great Multitude
Rev 7:14, 16, 12:17, 13:15-17, 14:12
c) 7 Churches
Rev 2:2,9-11,13,19, 3:8-10
7. Feast of Tabernacles in Revelation
The Biblical Goal of all believers is for YHWH to “tabernacle” or “Dwell” with them!
YHWH Tabernacles the Great Multitude & the New Earth through New Jerusalem at 2 places: Rev 7:13-17, 21:3-4 NASB.
1. YHWH Tabernacles with the “Great Multitude”
The “Great Multitude” Celebrates & Fulfills YHWH’s Feast of Tabernacles in 3 ways:
a) “Palm Branches”
Rev 7:9 – fulfilling Lev 23:40
b) “Rejoicing”
Rev 7:10 fulfilling Lev 23:40
c) “Dwell in Booths”
On ‘coming out of the great tribulation,” Rev 7:14 and surviving the “great earthquake” of Rev 16:18 the Great Multitude will likely construct temporary housing or booths fulfilling Lev 23:42-43.
Pattern at Jer 16:14-15.
2) YHWH Tabernacles with New Earth through New Jerusalem
Revelation 21:3 KJV –for context Rev 21:1-7
JUBELJAAR
- Gen. 6:3 zijn dagen zullen 120 (jubel)jaar zijn ... 120 x 50 = 6000 jaar
- 2300 dagen = 2 x 1150 dagen van het staken van het slacht- en spijsoffer (Dan. 8:14) dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden.
Wanneer zal de Tempeldienst beginnen .... op Rosh-Ha-Shanah?
- 1260 dagen minus 110 dagen - dus er zijn 110 dagen voorafgaand aan het einde van de jaarweek waarin de Tempeldienst weer hervat kan worden ... dat is 3 maanden van 30 dagen plus nog eens 20 dagen, dan zijn de 1260 dagen compleet.
The only other theory is that the 2,300 days mean 3 years, 2 months and 10 days that Antiochus Epiphanes made the temple desolate, 165 B.C., and that this is a type of the future Syrian king making the temple desolate. However, since there are no grounds for inserting him into this plain revelation of events in connection with the little horn or future Antichrist, we must dismiss this theory. Only one man is involved in the language of Dan. 8:9-14,23-25, so it is unscriptural to insert Antiochus Epiphanes or any second man into the picture.
Dake splits the 2300 in two = 1150. Subtract that from the 1260 days of the A/C's rule = 110 days the Jews may have controlled the temple before the A/C returns from the North and East to retake Jerusalem, Armageddon.
- Dan. 12:11 “Vanaf de tijd dat het voortdurende offer zal worden verwijderd en de gruwel van verwoesting (zijn plaats) gegeven wordt, (zijn het) duizend tweehonderdnegentig (1290) dagen. ”
- Dan. 12:12 “Gelukkig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig (1335) dagen bereikt.”
Volgens Dan. 12:11, 12 krijgt de jaarweek dus een uitbreiding van 30 + 45 dagen = 75 dagen, een periode die overeenkomt met de periode tussen :
a. de Grote Verzoendag op de 10e van de 7e maand Tishri, zeer waarschijnlijk dus de dag waarop de jaarweek eindigt, maar ook de dag waarop de jaarweek begint !!!
b. het Chanoeka feest, het Feest van Herinwijding van de Tempel (Jh. ) op de 25e dag van de maand 10e maand Teweth
Tussen 13e Adar (Poeriem) en 14e Nisan (Pesach) liggen precies 30 dagen. Dan zouden er na Peach nog 45 dagen zijn voor herbouw van de Tempel?
Let op YOM Kippoer kent ook rammshorengeschal
[‘schrijf’] - de geb. wijs ‘schrijf’ komt 13 keer voor in het boek Openbaring, nl. allereerst in Op. 1:11, 19. Vervolgens vinden wij in Op. 10:4 ‘schrijf niet’ en verder 3 keer de opdracht om een zegen op te schrijven: ‘Schrijf, gezegend ...’ in Op.14:13; 19:19; 21:5. Verder staat de geb. wijs ‘schrijf’ aan het begin van elke brief aan de zeven gemeenten in Op. 2 en 3. Hieruit blijkt dat Johannes gedurende het zien en horen van alle visioenen voortdurende bezig was om alles nauwkeurig op te schrijven.. In het bijzonder blijkt dat ook uit het verbod in Op.10:4 waar hem gezegd wordt om juist niet te schrijven. De 14e keer dat het ww. schrijven voorkomt is in Op. 3:12 Wie overwint, zal Ik maken tot een zuil in de Tempel van mijn GOD en hij zal daar niet meer uit weggaan. Ik zal de Naam van mijn GOD op hem schrijven en de naam van de nieuwe stad Jeruzalem die neerdaalt van mijn GOD, en mijn nieuwe Naam.
SATANISCHE IMITATIES
- Elia de heraut van Jezus Christus - de valse profeet, de handlanger van de satan
- het zegel van de levende God op het voorhoofd - het merkteken van het beest op de hand of op het voorhoofd
- de opstanding - het beest dat van zijn dodelijke wond geneest en weer opstaat uit de ‘afgrond’.
- het zaad van de vrouw - het zaad van de satan, de ‘golem’
-
DE GEESTELIJKE en MILITAIRE CONFRONTATIES
A. De eerste grote confrontatie waarover wij in de eerste helft van de jaarweek lezen is die tussen de twee getuigen en de oprukkende legers van het beest dat uit de zee opkomt in Op. 11:7-13
“Als zij (de twee getuigen) hun getuigenissen voltooid hebben, zal het beest dat uit de zee opkomt, oorlog met hen voeren en het zal hen overwinnen en hen doden. Hun lijken zullen op het plein van de grote stad zijn, die in geestelijk zin genoemd wordt ‘Sodom en Egypte’, waar hun Heer gekruisigd is. Uit de volken, stammen, talen en natiën zullen zij drieënhalve dag hun lijken zien en zij zullen niet toestaan dat hun lijken in graven worden gelegd. Zij die op de aarde wonen zullen verheugd over hen zijn en feestvieren en elkaar geschenken zenden, omdat de twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden. Maar na drieëneenhalve dag kwam de levensgeest van GOD in hen en zij gingen op hun voeten staan en de Geest van het Leven viel op hen, en grote vrees kwam over (allen) die hen zagen. Zij hoorden een luide stem uit de hemel tegen hen zeggen: “Kom hierheen naar boven!” En zij stegen op naar de hemel in een wolk en hun vijanden keken naar hen. Op datzelfde uur kwam er een grote aardbeving en één tiende van de stad stortte in en zevenduizend mannen van naam werden bij de aardbeving gedood en de overigen werden bevreesd en bewezen hulde aan GOD die in de hemel is.”
Het lijdt geen twijfel dat de confrontatie op het plein van de stad verwijst naar het Tempelgebied. Daar zullen de twee getuigen optreden en sneuvelen en opstaan en vandaar zullen zij ook naar de hemel gaan. Deze confrontatie heeft nog niets van doen met het dal van Josafat en met de slag bij Har-Megiddo (Armageddon) en met Gog en Magog want in die slagen is de HEERE de Overwinnaar, maar hier wint het beest uit de zee een veldslag tegen de twee getuigen, voor drieëneenhalve dag, en daarna barst de strijd weer los, want de overwinning die hij lijkt behaald te hebben, wordt stap voor stap omgezet in een definitieve en verpletterende nederlaag, waarbij de 7000 mannen van naam die omkomen bij de aardbeving in Jeruzalem de eerste slachtoffers zijn.
B. De tweede grote confrontatie vindt onmiddellijk hierna plaats als het beest in de Tempel zijn afgodsbeeld opricht of beter gezegd laat oprichten, halverwege de jaarweek, als hij het verbond verbreekt, zodat hij zich in de Tempel van God voor zal doen alsof hij God is. Wij lezen hierover in diverse Bijbelgedeelten.
In Dan. 9:27 wordt eerst aangekondigd dat het offeren zal stoppen:
“Hij zal aan velen één week lang een verbond opleggen en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het (spijs)offer doen ophouden en op een vleugel van gruweldaden zal een verwoester komen en wel totdat het vastbesloten eind(oordeel) over een verwoeste zal worden uitgestort.”
Dit is verbazend, want ten eerste betekent dit dat de offerdienst in de Tempel dus kennelijk in deze dagen is hervat en in de eerste helft van de jaarweek heeft gefunctioneerd. Wij hebben daar al over gesproken bij de bespreking van Openbaring 6 in DEEL III. 2 over de verwachte ingebruikname van de Tempel. Maar ten tweede is dit ook om een andere reden verbazend, want hoe kunnen die offers nu stopgezet worden, als we uit Op. 11:1, 2 weten dat de Tempel van GOD en het altaar en hen die daarin aanbidden door de meetlat apart zin gezet en dus Goddelijke bescherming genieten ...? We hebben daar geen antwoord op en lijken te moeten aanvaarden dat dit stopzetten inderdaad zal plaatsvinden. Ook moeten wij voor ogen houden dat er aan het begin van de laatste jaarweek een 7-jarig verbond in werking is getreden voor velen. Wie die velen zijn wordt niet uitgelegd, dus rest ons niets anders dan het op velen te houden. Misschien zijn het vele leiders, of vele naties of vele mensen, maar wij dienen wel te beseffen dat de wereldbevolking onder de gebeurtenissen zoals beschreven in Op. 6-9 zeer waarschijnlijk gehalveerd is, en dus van 8 miljard naar 4 miljard of minder is teruggelopen. Daarbij is het ook zeer voorstelbaar dat alle zogenaamde geavanceerde technologie volkomen ontredderd, zo niet volkomen uitgeschakeld is, zodat de woorden van Joël 4:9-13 waar wij o.a. de oproep lezen: “Smeed jullie gereedschappen om tot zwaarden en jullie snoeimessen tot speren!” wel eens letterlijk in vervulling zouden kunnen gaan, want alle electronica is misschien wel volkomen uitgeschakeld. Tegelijkertijd mogen wij ook enorme geologische en geografische herordeningen van de aarde en zeeën verwachten die de aarde weer meer zal doen lijken op de aarde die er voor de zondvloed was.
Maar waar is de tweede confrontatie waar wij het over hebben? Welnu, de tweede confrontatie wordt ons duidelijk als wij zien dat in Op. 11:15-19 onmiddellijk na de hemelvaart van de twee getuigen het Koningschap van Jezus Christus over de wereld uitgeroepen wordt. De Tempel in de hemel gaat open (Op. 11:19). In Op. 12 en Op. 13 volgt dan een overzicht van de strategie van de satan die op aarde geworpen wordt (Op. 12:7-12). Maar in Op. 14:1-5 zien we dat de Hemelse Veldheer met zijn 144.000 zijn positie op de berg Sion heeft ingenomen. Wij dienen te beseffen dat Op. 14:1-5 zich ook precies in het midden van de jaarweek afspeelt: de verschijning van het Lam van God op de berg Sion met de 144.000 die Hem daar waarschijnlijk biddend en verwachtend ontvangen. Velen zien over het hoofd dat Jezus Christus hier al op aarde terugkomt, maar het is nog niet de tijd van zijn terugkomst op de Olijfberg met al zijn heiligen waarvan Zach. 14:1-7 en Hd. 1:11 spreken en Judas 1:14-16.
Dit is dus een zeer belangrijke gebeurtenis en de genoemde schriftgedeelten handelen alle op hun eigen manier over deze ene gebeurtenis. Uit de onderstreepte gedeelten in Dan. 9:27 hierboven en in de teksten van 2 Th. 2:1-12 en Op. 13:15-18 hieronder kunnen wij afleiden, dat halverwege de jaarweek de strijd in alle hevigheid ontbrandt, een strijd waarvan de profeet Zacharia al getuigde toen hij schreef (Zach. 1:14):
“De engel die met mij sprak, zei tegen mij:
Roep uit en zeg: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
‘Ik ijver met grote ijver voor Jeruzalem en voor Sion.’ ”
Toch is het verbazingwekkend dat wij, ondanks de kennelijke komst van de Koning in de gedaante van het LAM op de berg Sion, toch in 2 Th. 2:1-12 lezen over het plaatsnemen van de tegenstander in de Tempel. De strijd gaat om de AANBIDDING!
Wij roepen jullie op, mijn broeders, wat betreft de komst van onze Here Jezus Christus en van onze vereniging met Hem, dat jullie niet vlug in de war of verontrust raken door een woord of door een geest of door een brief die van ons afkomstig zou zijn met de boodschap: “Zie, de dag van onze Heer is gekomen!” Laat niemand jullie op één of andere manier misleiden, want die dag zal niet komen voordat de opstandigheid komt en de mens van de zonde, de zoon van het verderf, openbaar wordt. Hij verzet en verheft zich tegen alles wat ‘GOD’ en ‘verering’ genoemd wordt, zodat hij in de Tempel van GOD als GOD zal gaan zitten en van zichzelf zal laten zien dat hij als GOD is. Herinneren jullie je niet, dat toen ik nog bij jullie was, ik jullie deze dingen gezegd heb? Jullie weten nu wat hem nu nog weerhoudt opdat hij op zijn tijd geopenbaard zal worden. Het geheimenis van de ongerechtigheid is echter al in werking getreden, maar als wat nu nog weerhoudt uit het midden weggenomen wordt, zal de ongerechtigheid zelf geopenbaard worden, die door onze Here Jezus zal worden verteerd door de adem van zijn mond, en Hij zal hem uitschakelen bij de openbaring van zijn komst. Want de komst van die ene zal gepaard gaan met de werking van de satan, met alle macht, tekenen en valse wonderen, en met alle misleidende ongerechtigheid in hen die verloren gaan omdat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, waardoor zij Leven zouden hebben. Daarom zal GOD een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen zullen geloven. Allen die de waarheid niet geloofd hebben, maar de ongerechtigheid liever hadden, zullen geoordeeld worden.
En in Op. 13:15-18 ...
Toen zag ik een ander beest uit de aarde opkomen. Het had twee horens en het leek op het Lam, maar het sprak als de draak. Het zal alle macht van het eerste beest voor zijn ogen uitoefenen en het zal maken dat de aarde en allen die erop wonen het eerste beest, waarvan de dodelijke wond genezen was, zullen aanbidden. Het zal grote tekenen doen, zodat het zelfs vuur uit de hemel op aarde doet neerdalen voor de ogen van de mensen. Het zal hen die op aarde wonen verleiden door de tekenen die hem gegeven zijn om te doen voor de ogen van het (eerste) beest, om hen die op aarde wonen te zeggen dat zij een beeld moeten maken voor het beest dat de wond van het zwaard had en toch nog leefde. Het werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te geven en te maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden. Het maakt dat aan allen, aan kleinen en groten, aan rijken en armen, aan heren en slaven, een merkteken op hun rechterhand of op hun voorhoofd gegeven wordt, en dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken van de naam van het beest of het getal van zijn naam op zich heeft. Hier is de wijsheid: laat wie verstand heeft het getal van het beest berekenen, want het is het getal van een mens: zeshonderdzesenzestig.
In Dan. 11:36-45 (m.n. in vs. 40-45) lezen wij over
ntichrist - “Antiochus Epiphanes” - die zichzelf in de Tempel zal zetten middels de vreemde god, het beeld dat zal maken dat niemand kan kopen of verkopen dan wie ...
In deze grote slag met als inzet de AANBIDDING geeft GOD de volkomen ongelovige wereld nog een laatste kans voordat Hij terugkomt en het 1000-jarig Rijk begint. Immers de Gemeente is opgenomen, de twee getuigen zijn opgenomen, het geheimenis van GOD, de Gemeente, is voleindigd (Op. 10:7), wie kan er nu nog gered worden? In Op. 14:6-13 lezen wij dat alleen degenen die God aanbidden en niet het beest en die niet het merkteken van het beest op hun voorhoofd of op hun hand ontvangen, gered zullen worden en met Christus zullen regeren (Op. 15:1-4; Op. 20:4, 5), ook al zullen zij door het zwaard onthoofd worden wat betreft hun aardse lot (Op. 20:4), maar wat betreft hun hemelse lot zullen zij op datzelfde moment geoogst worden door de Mensenzoon die vanaf de wolk waarop Hij gezeten is zijn scherpe sikkel uitzendt om de aarde te oogsten (Op. 14:14-16).
Aan de wereldse zijde zal het gaan om het buigen voor het beeld van het beest, wat zal leiden tot eeuwige verlorenheid in het vuur van de hel. Nee, het is geen stille plaats, waar een mens zijn zonde kan overdenken, of een plaats van as, waarbij de mens geen persoon meer is en opgaat in het alles en niets. Nee, de mens heeft tegen God gekozen in volle vrijheid en bij vol bewustzijn. Hij heeft te kennen gegeven niets met God te maken willen hebben. Hij heeft Gods liefde in Jezus Christus afgewezen. God zal hem niet ombrengen want God is geen moordenaar, maar Hij zal de mens volledig overgeven aan het vuur van de hel, want dat is de plaats om te verblijven voor wie Gods genade niet wil. Het is niet Gods wil voor de mens, want Hij wil niet dat enig mens verloren gaat, maar dat allen gered worden, maar het is de wil van de mens die gekozen heeft om Gods Offer in Jezus Christus niet te aanvaarden. God is rechtvaardig en eerbiedigt die keuze.
C. De derde grote confrontatie is volgens ons een (ongeveer) gelijktijdig optreden van diverse in de Bijbel genoemde militaire confrontaties, die wij hier stuk voor stuk zullen bespreken en die alle tegen het eind van de tweede helft van de jaarweek zullen plasats vinden nadat de twee getuigen vertrokken zijn naar de hemel en de antichrist met zijn legers het Tempelgebied bereikt heeft.
Wij moeten ons realiersen dat de bewonertal van de aarde enorm zal zijn uitgedund en dat geen sprake meer kan zijn van een electronische of nucleaire oorlogsvoering, want de HEERE GOD heeft hen al al die dingen uit de handen geslagen.
Het zal allemaal gebeuren in de drieënhalf jaar die ligt tussen de komst van de HEERE Jezus Christus op de berg Sion met de 144.000 verzegelden en zijn terugkomst op de Olijfberg waar Zach. 14: spreekt en ook Hd. 1: maar o.i. ook Op. 17: en wel met name aan het eind van die periode van drieënenhalf jaar van de tweede helft van de jaarweek, want eerst zal de HEERE nog een oogst verzamelen van mannen en vrouwen, van ouderen en jongeren uit alle volken van de wereld die weigeren het merkteken van het beest op hun hand of voorhoofd te laten aanbrengen en weigeren om het beeld van het beest te aanbidden.
Pas als die oogst met de sikkel is binnen gehaald (Op. zullen de confrontaties plaats vinden die wij samenvatten onder de term ‘de derde grote confrontatie’.
C.1. de slag bij Megiddo, ofwel bij Har-Megiddon (Op. 16:16 )
De Bijbel spreekt ook van een geweldige strijd met Gog en Magog (Ez. 38, 39). Sommigen menen dat er in Ez. 38 en 39 twee geweldige oorlogen worden beschreven, anderen menen dat het wezenlijk een en dezelfde oorlog is.
Een andere kwestie is of Ez. 38, 39 de strijd van Gog, uit het land Magog, weergeven voor dan wel na het 1000-jarige Rijk, want in Op. 20:7-9 lezen wij dat Gog en Magog, die geïdentificeerd worden met alle volkeren aan vier hoeken van de aarde, nog een keer door de satan misleid zullen worden en verzameld zullen worden om te strijden tegen Jeruzalem. Het wordt een menigte als het zand van de zee, maar zij zullen door vuur uit de hemel verslonden worden. Er zal geen noodzaak zijn voor de Israëlieten om 7 maanden lang lichamen te begraven en 7 jaar lang alle wapentuig te verbranden, zoals we daarover lezen in Ez. 39:9-16. Anders gezegd wij menen dat de oorlog van Gog in Ez. 38, 39 voor het 1000- jarig Rijk plaatsvindt en één oorlog betreft
De rabbijnen wijzen erop dat getalswaarde van de Hebreeuwse namen ‘Gog’ en ‘Magog’ gelijk staat aan zeventig. Daarom menen de rabbijnen dat alle volken van de wereld aan deze strijd zullen deelnemen, omdat er volgens Genesis 10 uit de zonen van Noach 70 volken zijn voortgekomen. Zie de EBV noot bij Gen. 10:1. De getalswaarde 70 wordt als volgt bereikt:
Gimel-Vav-Gimel (GOG) Vav-Mem-Gimmel-Vav-Gimmel (VA-MAGOG) dat is: 3+6+3 en 6+40+3+6+3 = 70
De legers van de volken zullen optrekken tegen de Messias. Dat het een wereldomvattende en alle volken omvattende oorlog zal zijn, is ook onze opvatting en hoewel Megiddo ofwel Har-Megiddo niet in Ez. 38, 39 genoemd wordt, leiden wij toch af uit Op. 16:14-18, waar wij lezen dat alle volken naar Megiddo zullen komen voor de beslissende slag tegen Jezus Christus, dat het om de zelfde strijd. Megiddo is het verzamelpunt en Gog en Magog zijn de tegenstanders van de Messias.
We lezen overigens Ez. 34-39 zo, dat de belofte van Gods herderschap (Ez. 34) en van het herstel van Israël (Ez. 36) en van de opstanding en vereniging van Israël (Ez. 37) in vervulling zal gaan dwars door de strijd van Gog en Magog heen, maar in het bijzonder wanneer de rest van het volk Israël als één man tot bekering gekomen is (Zach. 12:10-14) en Jezus Christus terugkomt (Zach. 14:1-7). Daarna wordt de Tempel voor het 1000-jarige Rijk gebouwd en het land ingedeeld zoals beschreven staat in Ez. 40-48.
Rosh, staat voor Rusland, Mesech staat voor Moskou en de naam Tubal wordt in verband gebracht met de stad Tobolsk ten oosten van Oeral en ten noorden van Kazachstan (Ez. 38:1). Bij dit drietal zullen zich ook Perzen, Kushieten en Puteeërs voegen, Gomer met al zijn troepen (waarin K&D de Kimmeriërs zien) en het huis van Togarma (waarin K&D de Armenië zien; Tograma was de3e zoon van Gomer volgens Gen. 10:3) ver in noorden met al zijn troepen. Uit Ez. 38:6, 15; 39:2 blijkt dat Gog uit het noorden komt en Togarma ook. Hoe Perzen, Kushieten en Puteeërs in dat noordelijke gezelschap terechtkomen is een open vraag, vooral wat betreft de Kushieten en de Puteeërs, want die zouden wij eerder in resp. Ethiopië-Soedan en Libië plaatsen. Rusland heeft echter wel politieke banden met landen als Iran, Syrië, Libië en Ethiopië.
Dat grootmachten als Rusland en ook China geen vrienden van Israël zijn, mag duidelijk zijn. Rusland zou volgens sommigen zeer gricht het antisemitisme in Arabische landen hebben aangewakkerd en ook Yasser Arafat in het zadel geholpen hebben. Overigens was Rusland niet de enige diie de jodenhaat aanwakkerde, want ook nazi-Duitsland deed dat.
Het is voor ons bijzonder moeilijk om in Ez. 38:10-13 de huidige situatie van Israël te zien, zodat van het Joodse volk dat nu sinds m.n. 1948 weer in Israël woont, moeilijk gezegd kan worden dat het daar rustig leeft en veilig woont. Wordt het niet voortdurend belaagd door de omringende volken en inmiddels eigenlijk door alle volken? We zouden eerder denken dat dat de situatie in het 1000-jarig Rijk zal zijn. Maar aannemen dat de hele tekst van Ez. 38, 39 op de aanval van Gog na het 1000-jarige Rijk betrekking heeft, is o.i. al helemaal onmogelijk betrekking want na het optrekken van Gog in Ez. 38, 39 zijn de Israëlieten 7 maanden lang bezig lichamen te begraven en 7 jaar lang om alle wapentuig te verbranden, zoals we daarover lezen in Ez. 39:9-16. Daarom vragen wij ons af wij in Ez. 38:10-13 toch niet de huidige situatie van Israël moeten lezen.
“Zo zegt mijn Heer, de HEERE: ‘Op die dag zullen er overleggingen in je hart opkomen en zul je een gemeen plan maken. Je zult zeggen: Ik zal optrekken naar een open liggend land, ik zal afkomen op wie (daar) rustig leven en (daar) veilig wonen, die allemaal zonder muur en zonder grendel(s) en deuren wonen, om buit te maken en om te roven! (Ja,) om je hand te keren tegen de puinhopen die nu bewoond zijn, tegen een volk dat uit de volken bijeengebracht is, dat vee en bezit verworven heeft en op de navel van de aarde woont. Scheba en Dedan en de kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen zullen tegen je zeggen: Kom je om buit te halen? Heb jij je menigte bijeengebracht om te roven, om zilver en goud weg te halen, om vee en bezit af te pakken, om een grote buit binnen te halen?’ ”
Zie ook nog Ps. 83 en Ri. 7:12 (De) Midian(ieten) en Amalek(ieten) en al de zonen van het oosten waren als een zwerm sprinkhanen in de valleivlakte neergestreken en hun kamelen waren niet te tellen, net als het zand aan de oever van de zee, zo veel.
Jer. 49:27 de burchten van Benhadad (Syrië) zullen verteerd worden - Damaskus
Jes.17:12-14 Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking! Vóórdat het ochtend is, is hij er niet meer. Dit is het deel van hen die ons beroven en het lot van hen die ons plunderen.”
D. De vierde grote confrontatie waarvan de Bijbel spreekt is de slag in het Dal van Josafat, ook wel het Dal van de Dorsslede genoemd. In Joël 4:1-21 lezen wij over de grote eindslag in het Dal van Josafat. Er is geen Bijbelse aanwijzing waar dat dal zich bevindt. Op grond van het reisverslag van de pelgrim uit Bordeaux van 333 n. Chr. (het zgn. ‘Itinerarium Burdigalense’ d.w.z. het Bordeaux Reisverslag, ook bekend als het zgn. ‘Itinerarium Hierosolymitanum’, d.w.z. het Verslag van de Reis naar Jeruzalem) is het Dal van Josafat in feite het Kidrondal dat tussen de Tempelberg en de Olijfberg inligt. Eusebius en Hiëronymus van Stridon ondersteunen deze opvatting (Onomasticon), terwijl Cyrillus van Alexandrië aan een andere plaats lijkt te denken. De vroege Joodse traditie ontkent het bestaan van een dal van Josafat. De traditie die leert dat het Kidrondal en het Dal van Josafat een en hetzelfde dal zouden zijn, heeft ertoe geleid dat zowel christenen, Joden als moslims het Kidrondal beschouwen als de plaats van het laatste oordeel. Het dal is de grootste grafstad van Jeruzalem sinds de tijd van de koningen van Juda. Koning Josia strooide de as van het afgodsbeeld van de godin Astarte over de graftomben van de Israëlieten in het Kidrondal (2 Kn. 23:4). Deze omstandigheid geeft een zekere kleur aan deze opvatting, die o.a. ook door Arnold Fruchtenbaum wordt gedeeld.
We hebben grote twijfel over deze traditie, niet omdat God niet als Rechter zal zitten in de Tempel en zal uitkijken over het Kidrondal, wat dan in zekere zin het Dal van Josafat zal zijn, want dat zal namelijk wel gebeuren. Onze twijfel houdt verband met ontbreken van een duidelijke Bijbelse schakel tussen het Dal van Josafat en het Kidrondal. Deze twijfel komen wij ook bij anderen tegen, die ook van mening zij dat het onduidelijk is, waar het dal van Josafat gesitueerd moet worden: in het Kidrondal bij Jeruzalem, of in het dal van Megiddo (Harmagedon), of in het dal van Beracha, of oostelijk van de Dode Zee in het dal in de woestijn van Jeruël, waar Josafat de legers van Ammon, Moab en Edom ontmoette, toen zij tegen Juda en Jeruzalem optrokken en verslagen werden. De woestijn Jeruël ligt tussen de woestijn Tekoa en de Dode Zee (2 Kr. 20:20). In de woestijn Jeruël liep de bergweg van Engedi naar Jeruzalem.
Het Dal van Josafat is in elk geval een dal, door God bestemd om daarin door een geduchte nederlaag Israëls vijanden te oordelen, zoals Hij dat eertijds heeft gedaan met het verbond van Moabieten, Ammonieten en Edomieten. Voor Israël zal dat een geweldige uitredding betekenen, zoals dat vroeger voor Josafat en het volk van Judea was.
“Want zie, in die dagen en in die tijd, wanneer Ik een keer zal brengen in de gevangenschap van Juda en Jeruzalem, zal Ik alle volken bijeenbrengen en hen afvoeren naar het Dal van Josafat. Daar zal Ik met hen in het gericht treden omdat zij mijn volk en mijn erfdeel Israël onder de volken hebben verstrooid en (omdat) zij mijn land hebben verdeeld. Ze hebben het lot geworpen over mijn volk en een jongen gegeven voor een hoer en een meisje verkocht voor wijn, opdat zij konden drinken. Bovendien, wat hebben jullie met Mij van doen, Tyrus en Sidon, en alle (land)streken van Filishet! Willen jullie Mij mijn optreden vergelden? Als jullie Mij willen vergelden, zal Ik jullie handelwijze snel en spoedig op jullie hoofd doen terugkeren, omdat jullie mijn zilver en mijn goud hebben weggenomen, en (omdat) jullie mijn mooiste kostbaarheden in jullie tempels gebracht hebben. Jullie hebben de zonen van Juda en de zonen van Jeruzalem verkocht aan de zonen van de Grieken, om hen ver van hun (eigen) grondgebied te (kunnen) wegvoeren. Zie, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarheen jullie ze verkocht hebben, en Ik zal jullie handelwijze op jullie hoofd doen terugkeren. En Ik zal jullie zonen en jullie dochters verkopen in de hand van de zonen van Juda, die ze (weer) zullen verkopen aan de (inwoners) van Scheba, aan een volk ver weg, want de HEERE heeft (het) gesproken.”
“Roep dit uit onder de volken, heilig een oorlog, roep de sterke mannen op, laten alle krijgshaftige mannen toetreden en optrekken. Smeed jullie gereedschappen om tot zwaarden en jullie snoeimessen tot speren, laat de zwakke zeggen: ‘Ik ben een (krachtig) man.’ Maak haast en kom, alle volken van rondom, en kom bijeen. Laat, (o) HEERE, uw helden daarheen afdalen! Laten de volken zich opmaken en optrekken naar het Dal van Josafat. Immers daar zal Ik zitten om alle volken van rondom te berechten. Sla de sikkel erin, want de oogst is rijp geworden, kom, daal af, want de wijnpers is vol en de perskuipen stromen over, want groot is hun kwaad.”
“Menigten, menigten in het Dal van de Dorsslede, want de dag van de HEERE is nabij, in het Dal van de Dorsslede. De zon en maan zijn zwart geworden en de sterren hebben hun schijnsel ingetrokken. De HEERE zal brullen uit Sion en zijn stem uit Jeruzalem doen (klinken), (zodat) de hemelen en aarde zullen beven. De HEERE is een toevlucht voor zijn volk en een burcht voor de zonen van Israël.” “Jullie zullen weten, dat Ik de HEERE, jullie GOD ben, die woont op Sion, mijn heilige berg en Jeruzalem zal een Heiligdom zijn. Er zullen geen vreemdelingen meer doorheen trekken.”
“Op die dag zullen de bergen van jonge wijn druipen en er zal melk van de heuvels stromen en in alle waterbeddingen van Juda zal water stromen en uit het Huis van de HEERE zal een bron opwellen en die zal het dal van Sittim bevloeien. Egypte zal een woeste streek worden en Edom een woeste wildernis om het geweld (dat ze pleegden) tegen de zonen van Juda, van wie ze in hun (eigen) land onschuldig bloed hebben vergoten. (Maar) Juda zal blijven tot in eeuwigheid en Jeruzalem van generatie op generatie. Ik zal hun bloed, dat Ik niet voor rein hield, voor rein houden en de HEERE zal in Sion wonen.”
De slag in het Dal van Josafat kent zijn OT-ische schaduwbeeld in 2 Kr. 20:1-30 waar koning Josafat (864-839 v. Chr), die 25 jaar in Jeruzalem regeerde, en het volk zich samen tot God wenden in de Tempel en Hem om hulp smeken tegen de dreiging van Moab, Ammon, de Meünieten, Edom en Aram, de volken langs de oostgrens van Israël, het huidige gebied van Jordanië en Syrië. Uit het verslag in 2 Kronieken 20 maken wij op dat zij om de zuidelijke punt van de Dode Zee optrekken via Engedi dat in het midden van de lange westoever van de Dode Zee ligt om zo op te marcheren richting Jeruzalem.
Opvallend in het boek Joël is dat het gaat over de dag van de HEERE en die dag moeten wij plaatsen in de tweede helft van de laatste jaarweek als Hij zijn toorn uitstort over de wereld, de toorn die Hij tot dan toe zal inhouden. Wat zal er gaan gebeuren in die dag? Dat staat beschreven in Op. 14-19, maar ook de profeten hebben van de dag van de HEERE gesproken. Uit Joël leren wij dit:
- vóór die dag de zon duisternis wordt en de maan bloed (Joël 3:4; Op. 6:12).
- dat bij deze slag de zon, maan en sterren hun licht verliezen en duister worden en de aarde en de hemel zal beven (Joël 2:10)
- dat de opkomende legers tot in Jeruzalem zullen doordringen (Joël 2:9)
- het volk wordt opgeroepen tot bekering (Joël 2:12-17) en het komt ook tot bekering, want anders zou God Zich niet tot zijn volk keren, waarover wij juist wel lezen (Joël 2:18). Dit stemt overeen met Zach. 12:10-14.
- God zal die uit het noorden gekomen zijn, ver wegdrijven: “Ik zal hem verdrijven naar een dor en woest land, zijn voorhoede naar de zee in het oosten en zijn achterhoede naar de zee in het westen. De stank ervan zal opstijgen en de lucht van verrotting ervan zal opstijgen, want Hij heeft grote dingen gedaan.” (Joël 2:20). In Op. lezen wij dat Jezus Christus zelf de wijnpers buiten de stad zal treden (Op. 14:18-19 en Op. 19:15) en dat het bloed zal stijgen tot aan de tomen van de paarden, dus wel een meter hoog, over een afstand van 1600 stadia van elk ongeveer 187 mtr. (de lengte van een stadion), dat is 300 km. Het rode gebied op het kaartje hieronder behoort tot de laagstgelegen gebieden op aarde en is onderdeel van een vulkanische breuklijn tussen het Afrikaans plateau en het Aziatisch plateau. Het is beslaat een afstand van ongeveer 300 kilometer. Dit zou dus wel eens een vreselijk bloedbad kunnen worden, als Jezus Christus de wijnpers streedt en de aarde aan het beven slaat.

- dat er na afloop een bron zal ontspringen uit het huis van de HEERE en zal doorlopen tot het dal van Sittim waardoor de Jordaan de Dode Zee instroomt (Joël
- dat wie de Naam van de HEERE aanroept behouden zal worden en dat het ontkomene op berg Sion en in Jeruzalem zal zijn (Joël )
In de tekst hebben wij onderstreept dat de aarde bij die slag duister zal worden, er zal duisternis zijn net als in Egypte onder de 9e plaag die vooraf ging aan de 10e die de dood van alle eerstgeborenen in Egypte bracht.
Nu zullen alle eerstgeborenen van de boze worden omgebracht, terwijl de Eerstgeboren Zoon van Israël onder geween gezien, erkend en ontvangen zal worden in Jeruzalem.
In Op. lezen wij over drie boze geesten die zullen uitgaan naar de koningen van de aarde ...
[‘aardbeving’] - zie de noot bij Op. 8:5. De aardbeving in Op. 16:18 zal de grootste ooit zijn, zoals de grote verdrukking genoemd in Mt. 24:21 die zich afspeelt ten tijde van het boek Openbaring ook de grootste ooit zal zijn.
–De aardbeving die hier beschreven wordt, is hoogstwaarschijnlijk dezelfde als die in Ez. 38:19-23 genoemd wordt gedurende de oorlog die Gog in de eindtijd met Israël zal aangaan. In datzelfde gedeelte in Ezechiël wordt ook gesproken over het neerhalen van alle bergen, over hagelstenen en in Ez. 39:6 over vuur zenden onder hen die veilig op de eilanden wonen
Megiddo is een stad op een bergheuvel aan de zuidzijde van de Vlakte van Jizreeël in het noorden van Israël. Darrell G. Young schrijft dat er in de afgelopen 4000 jaar 34 bloedige veldslagen op die plaats werden uitgevochten op de bergheuvel Megiddo en de nabijgeleden gebieden in de Vlakte van Jizreeël die zich van de Jordaan ten zuiden van de Zee van Galilea uitstrekt in noordwestelijke richting naar de Middellandse Zee ter hoogte van Haïfa en de berg Karmel. De stad Megiddo is een archeologisch zeer boeiend want er zijn daar 26 steden in lagen over elkaar heen gestapeld. De stad werd zonder onderbreking bewoond vanaf de periode na de zondvloed rond 2600 v. Chr. tot 300 v. Chr. en ligt zeer strategisch aan een pas van noord naar west en aan de zgn. Via Maris, de Weg van de Zee, de beroemde handelsroute tussen Noord en Zuid, langs de Middellandse Zee. De weg was onderdeel van de belangrijkste internationale route door Israël. In latere tijden zou deze weg de ‘Via Maris’ genoemd worden. De weg was onderdeel van de belangrijkste internationale route door Israël. De weg strekte zich globaal uit over 1.770 mijl, vanaf Ur in Mesopotamië, in noordwestelijke richting door Haran, waarna de route in zuidwestelijke richting door Israël heen naar Thebes in Zuid-Egypte voerde. Onderdelen van de route hadden eigen namen. De ‘Via Maris’ of: ‘de Weg van de Zee’ was het onderdeel dat vanaf Gaza noordwaarts naar Hazor liep, vaak heel dicht langs de Middellandse Zee kust (‹de provincie Dor›), maar in het noorden liep weg door de vlakte van Jizreeël en dan langs de kust van het meer van Galilea. Daarbij liep de weg door de gebieden van de stammen Zebulon (‹zuidelijk Galilea›) en Naftali (‹noordelijk Galilea›), waardoor die stammen blootgesteld werden aan allerlei invloeden en dreigingen van buitenaf. Deze invloeden lijken een rol gespeeld te hebben in het afdwalen van Israël. K&D vatten de Weg van de Zee in engere zin op als de westzijde van het Meer van Galilea, het gebied van Naftali en Zebulon, want het gebied langs de Middellandse Zee werd beheerst door de Filistijnen en Foeniciërs.
K&D denken aan het noordelijke deel van het Kidrondal, dat in 2 Sm. 18:18 ‘het Koningsdal’ wordt genoemd (‹waar de afgodische zuil van Absalom stond›) en dat wij ook terugvinden in Gen. 14:17 als Abraham terugkomt van het verslaan van de koningen en een zegen ontvangt van Melchizédek. De naam Josafat of beter ‘Jahoe-Shafat’ betekent ‘God zal rechtspreken’ of ‘God is Rechter’ (‹H3092›). Het dal waar God als Rechter zal optreden is, gezien de naam, dus niet de valleivlakte van Beracha (‹=zegen›) waar koning Josafat destijds samenkwam toen de vijanden (‹Moab, Ammon en Edom›) waren verslagen (‹zie 2 Kr. 20:22-26›). Die vallei bevond zich in de woestijn van Tekoa, in de buurt van Khirbet Berachut, ten westen van Khirbet Tekoa dat ongeveer 18 km ten zuiden van Jeruzalem lag.
Rond 609 v. Chr. vond er al een slag bij Megiddo plaats tussen koning Josia van Juda en Farao Necho II. Maar al in de tijd van Richteren streed Barak in de vlakte van Jizreeël tegen Sisera die in Haroseth-Ha-Gojim woonde. Hij was de generaal van Jabin, de koning die woonde in Hazor (Ri. 4).
In Dan. 11
- Ez. 38, 39 - God en Magog - de koningen van het oosten? Armageddon?
- het dal van Josafat, waar God als Rechter zal zitten, het dal van de Dorsslede Joël 3?
- de Jordaanvallei een breukzone tussen twee continenten
- Dan. 11:40-45
- de relatie tussen Syrië en Nrd.Korea (chemische wapens)
- Zach. 14:1, 2 vgl. Dan. 11:40-45
- Edom - Jes. 34 en Jes. 63
vluchtelingen uit Moab ... (evt. ook uit Ammon en Edom?) - Jes. 16:1-5
- Op. 14:20 de wijnpersbak 1600 stadien .... bijna 200 km
E. De vijfde grote confrontatie is die in het dal van Josafat’] - zie de noot bij Joël 4:2, 12.
[‘het dal van Josafat’] - in het algemeen verstaat men hieronder het Kidrondal ten oosten van Jeruzalem, tussen de Tempelberg en de Olijfberg, waar vele graven zijn gesitueerd. In Joël 4:14 wordt het het Dal van de Dorsslede genoemd. Dit dal krijgt rond 333 n. Chr. voor het eerst van de pelgrim Bordeaux de naam: ‘Dal van Josafat’. Sindsdien is die naam verbonden gebleven aan het Kidrondal. In Joël 4:14 wordt dit dal: ‘het dal van de dorsslede’ (‹andere vertalingen ‘het dal van beslissing’›) genoemd. In 2 Kn. 23:4 lezen wij dat koning Josia daar de as van het afgodsbeeld van de godin Astarte uitstortte op de graven van de Israëlieten die daar lagen. Het Kidrondal is bekend om de vele graven en het is a.h.w. een ‘stad van doden’. Tegenwoordig laat men zich graag begraven langs het Kidrondal aan de voet van de Olijfberg, daar waar de Messias zal terugkomen. Immers in Zach. 14:4 lezen wij dat Jezus bij zijn terugkomst zijn voeten op de Olijfberg zal zetten. Deze berg ligt direct aan de oostzijde van het Kidrondal. Omdat Zacharia zo duidelijk zegt dat Jezus zijn voeten op de Olijfberg zal zetten, is het dus heel voor de hand liggend om het ‘dal van Josafat’, waar God zal rechtspreken, in de nabijheid van Jeruzalem te zoeken. K&D denken aan het noordelijke deel van het Kidrondal, dat in 2 Sm. 18:18 ‘het Koningsdal’ wordt genoemd (‹waar de afgodische zuil van Absalom stond›) en dat wij ook terugvinden in Gen. 14:17 als Abraham terugkomt van het verslaan van de koningen en een zegen ontvangt van Melchizédek. De naam Josafat of beter ‘Jahoe-Shafat’ betekent ‘God zal rechtspreken’ of ‘God is Rechter’ (‹H3092›). Het dal waar God als Rechter zal optreden is, gezien de naam, dus niet de valleivlakte van Beracha (‹=zegen›) waar koning Josafat destijds samenkwam toen de vijanden (‹Moab, Ammon en Edom›) waren verslagen (‹zie 2 Kr. 20:22-26›). Die vallei bevond zich in de woestijn van Tekoa, in de buurt van Khirbet Berachut, ten westen van Khirbet Tekoa dat ongeveer 18 km ten zuiden van Jeruzalem lag.
E. De zesde grote confrontatie is de confrontatie met de omliggende volken
Psalm 83
1Een lied, een psalm van Asaf.
2O GOD, zwijg niet, houd U niet doof,
wees niet stil, o God!
3Want zie, uw vijanden grommen
uw haters steken de kop op.
4Zij beramen een geheime aanslag tegen uw volk,
zij beraadslagen tegen uw beschermelingen.
5Zij zeggen: “Kom, laten wij hen als volk wegvagen,
zodat men niet meer aan de naam van Israël zal denken.”
6Want eensgezind beraden zij zich met elkaar
zij sluiten een verbond tegen U:
7de tenten van Edom en de Ismaëlieten,
Moab en de Hagrieten,
8Gebal en Ammon en Amalek,
Filishet met de inwoners van Tyrus.
9Ook Assyrië heeft zich bij hen aangesloten.
Zij zijn voor de zonen van Lot een sterke arm geweest. Sela.
10Doe met hen als met Midian, als met Sisera,
als met Jabin aan de beek Kison.
11Zij werden vernietigd bij Endor,
zij werden tot mest op het land.
12Maak hen en hun edelen als Oreb en als Zeëb,
al hun machthebbers als Zebah en als Tsalmuna,
13zij die zeggen:
“Laten wij de woningen van GOD voor onszelf als erfdeel in bezit nemen.”
14O mijn GOD, maak dat ze rondtollen,
als kaf voor de wind.
15Zoals vuur een bos verbrandt,
zoals een vlam bergen verschroeit,
16vervolg hen zo met uw storm,
verschrik hen met uw wervelwind.
17Overdek hun aangezicht met schande,
opdat zij uw Naam zoeken, o HEERE.
18Laten zij voor altijd beschaamd en verbijsterd worden,
laten zij wegkruipen van schaamte en omkomen,
19opdat zij weten dat de Naam ‘HEERE’ alleen van U is,
de Allerhoogste over heel de aarde.
De volken die Israël omringen worden in deze psalm met name genoemd: Edom, Moab, Ismaël, de Hagrieten, Gebal op de grens tussen Moab en Ammon, Ammon, Amalek (die voortkwam uit Edom), Filishet (of Filistea), Tyrus, Assyrië, de zonen van Lot.
De zonen van Lot zijn de kinderen die Lot bij zijn beide dochters verwekte, nl. Ammon en Moab. Zie Genesis 19:36-38.
Of the confederate peoples the chronicler (2 Chronicles 20) mentions the Moabites, the Ammonites, the inhabitants of Mount Ser, and the Me(unim, instead of which Josephus, Antiq. ix. 1. 2, says: a great body of Arabians. This crowd of peoples comes from the other side of the Dead Sea, מאדם (as it is to be read in Psalm 83:2 in the chronicler instead of מארם, cf. on Psalm 60:2); the territory of Edom, which is mentioned first by the poet, was therefore the rendezvous. The tents of Edom and of the Ishmaelites are (cf. Arab. ahl, people) the people themselves who live in tents. Moreover, too, the poet ranges the hostile nations according to their geographical position. The seven first named from Edom to Amalek, which still existed at the time of the psalmist (for the final destruction of the Amalekites by the Simeonites, 1 Chronicles 4:42., falls at an indeterminate period prior to the Exile), are those out of the regions east and south-east of the Dead Sea. According to Genesis 25:18, the Ishmaelites had spread from Higz through the peninsula of Sinai beyond the eastern and southern deserts as far up as the countries under the dominion of Assyria. The Hagarenes dwelt in tents from the Persian Gulf as far as the east of Gilead (1 Chronicles 5:10) towards the Euphrates. גּבל, Arab. jbâl, is the name of the people inhabiting the mountains situated in the south of the Dead Sea, that is to say, the northern Seritish mountains. Both Gebl and also, as it appears, the Amalek intended here according to Genesis 36:12 (cf. Josephus, Antiq. ii. 1. 2: Ἀμαληκῖτις, a part of Idumaea), belong to the wide circuit of Edom. Then follow the Philistines and Phoenicians, the two nations of the coast of the Mediterranean, which also appear in Amos 1:1-15 (cf. Joel 3) as making common cause with the Edomites against Israel. Finally Asshur, the nation of the distant north-east, here not as yet appearing as a principal power, but strengthening (vid., concerning זרוע, an arm equals assistance, succour, Gesenius, Thesaurus, p. 433b) the sons of Lot, i.e., the Moabites and Ammonites, with whom the enterprise started, and forming a powerful reserve for them. The music bursts forth angrily at the close of this enumeration, and imprecations discharge themselves in the following strophe.
|
Bronnen: |
|
|
|
J.W. Embregts: Geen uitstel meer! - 1978, Uitgeverij Gramma BV. |
|
|
H.H. Halley: Bible Handbook, 24e editie, 1965 |
|
|
H. Verweij: De terugkeer van Jezus Christus, 1978 Uitgeverij T. Wever B.V. Franeker |
|
|
W. Glashouwer en H. Verweij: De wederkomst van Jezus Christus, Uitgeverij Van de Stoep |
|
|
Arnold Fruchtenbaum: In the footsteps of the Messiah, Ariel Ministries 2018 |
|
|
Johannes de Heer: Het duizendjarig Rijk, Uitgeverij ‘t Zoeklicht |
|
|
R.J. van der Meulen: De Openbaring van Johannes, Bigot & Van Rossum B.V., Blaricum |
|
|
R. Paché: De komende Christus, 1968, Novapres, Laren |
|
|
David Pawson: Wanneer Jezus terugkomt, 2001, Opwekkingslectuur, Putten |
|
|
Dave Hunt: Wanneer komt Jezus? - Uitgave Middernachtsroep |
|
|
Hendrik Schipper: Israël Gods Oogappel - Boaz Multi Media - Veenendaal 2013 |
|
|
|
|
|
|
|
Bewerking: |
redactie EBV |
Openbaring
Inleiding
Openbaring belicht nadat Johannes wordt opgenomen en in de hemel kijkt, de gebeurtenissen in de hemel.
Dat het een belangrijk boek is mag ook wel hieruit blijken dat het zo omstreden was vanaf het begin en nog eeuwen daarna of het wel of niet in de bijbel thuishoorde.
Een ander strijd is om de interpretatie van het boek: meer letterljk, dan wel meer symbolisch in allerlei 'mixen'.
Vroege kerkvaders schrven dat Johannes het heeft geschreven onder Domitianus die stierf in AD 96.
Mt 24, Mk 13 en Lk 21 maar Ez. 7
Voor de aardse kant van de gebeurtenissen zullen we vaak in andere bijbelboeken moeten kijken. B.v. de verzegeling van de 144.000 in Openbaring zien we hoogstwaarschijnlijk in haar aardse keerzijde in Ez. 9.
De Baäls van onze tijd zijn niet zozeer natuurgoden, als wel geestelijke machten, zoals bv. materialisme, spiritisme, seks, hedonisme, mens-verafgoding, occultism en religiositeit. De grote Baäls in het eindgebeuren zijn de antichrist en de valse profeet. Als de duivel op aarde wordt geworpen (Op. 12:9) dan zal hij ook juist ook een aardse aanbidding zoeken en heerser, zichtbaar voor de hele wereld.
Het is goed om ons voor ogen te houden dat we in geestelijke en praktische zin de maken hebben met bevrijding van bezet gebied, nl. eerst ons eigen hart, maar dan ook de heerschappij van deze wereld. Demonisch bezetting, leidend tot de bezettingsmacht van de antichrist.
Het ander beeld dat ons tegemoet komt, is de lossing van het land. De boekrol die wordt geopend is lossingsakte aan beide kanten beschreven. Na zeven keer zeven sabbatsjaren wordt het land (de aarde) losgekocht.
JEZUS CHRISTUS - wie Hij is ... heerlijkheid
kracht ... om de gelovigen in heerlijkehid te brengen
en kracht om een einde te maken aan satan en zijn heerschappij
Waarom wacht God met de dag des HEERE?
Allereerst omdat Hij niet wil dat alle mensen verloren gaan , maar behouden worden (2 Pet. 3:9)
In verband hiermee zegt Jezus ook dat dit Evangelie van het Koninkrijk aan alle volken (ethnesi) gepredikt moet worden, dan zal het einde gekomen zijn.
Maar was het al niet voorzegd in Mt. 25:14-20
Glashouwer/Verwey stellen dat het uitstel ook samenhangt met de bekering van Israël en wijzen o.a. op Rom 11:25,26. Toch zijn die verzen bij nader lezing en overdenking ingewikkelder dan op men op het eertse gezicht zou denke. Ten eerst wat wordt met 'heel' Israël bedoeld? Zullen er niet velen omkomen in ongeloof of van het dodenrijk naar de hel verhuizen. Het is al net als met de 'volheid' van de heidenen. Beide termen slaan op GODS maat van zijn uitverkorenen.
Laten we bedenken dat nu enerzijds heel Israël behouden zal worden als deel zijnde van de gemeente, de tak waarop wij als wilde takken zijn geënt.
Vervolgens zijn er 144.00 die door God worden verzegeld op het moment dat de gemeente uit de wereld wordt weggenomen.
ALGEMEEN
BELANGRIJKE VRAGEN
- vormen de 7 gemeente ook een overzicht van de gebeurtenissen in de gemeente van Jezus Christus
vanaf toen tot de opname van de gemeente, chronologisch of anderzins ?
- wanneer begint in Openbaring de grote verdrukking
b.v. bij het eerste of pas bij het zevende zegel met de bazuinen ?
- hoe lang duurt de grote verdrukking .. 7 jaar of 3,5 jaar of anders?
- is de grote verdrukking hetzelfde als 'en gij zult door alle volken gehaat worden om miijn Naams wil?
– wanneer is de grote verdrukking? wanneer begint die in Openbaring en waneer eindigt in openbaring?
- wanneer is de laatste bazuin in Openbaring waarvan Paulus spreekt in 1 Cor. 15 als het gaat over de verandering van ons lichaam in onvergankelijkheid? Is dat hetzelfde als de opstanding?
- waar in Openabring zet Jezus zijn voeten op de Olijfberg (zie Hand 1) want Hij zou op dezelfde wijze terugkomena ls Hij is heengegaan? Zie ook Zach. 14:2
- wanneer in Openbring valt de laatset jaarweek?
- is de opstanding van de heiligen in Jeruzalem in Mattheus na de opstanding van Jezus Christus een opstanding met een geestelijk lichaam hetzelfde als Paulus bedoelt in 1 Cor. 15?
- is het verheerlijkte lichaam ook het geestelijke lichaam dat in 1 Cor. 15 wordt bedoeld?
- wanneer is de laatste bazuin waarover Paulus spreekt in 1 Cor 15?
- is de jaarweek hetzelfde als de grote verdrukking of in hoeverre overlappen ze elkaar?
- wanneer valt de opname?
- waarom is de grote schare wel of niet de opname van de gemeente?
- houden we rekening met 1 of 2 anti-christelijke hoofdrolspelers in de eindtijd? Nl. de vorst uit Dan. 11:21 die gelijk zou zijn aan het beest uit de zee (Op. 13) en daarnaast het beest uit de zee dat horens heeft als het Lam die dan de in Op. 19:20 de valse profeet wordt genoemd. In Dan. 9:26 wordt gezegd dat de vorst het heilgdom en de stad (beide moeten er dus zijn) zal verderven. In 2 Th. 2:3 is sprake van de zoon des verderfs.
Jordanie is formeel de bewaarder van de heilige plaatsen.
- is er een duizendjarig rijk, letterlijk of is het een symbolische begrip?
- wat is de dag des Heren in het boek OPenabring?
- wie is/zijn de bruid van het Lam?
Tijdlijn: we moeten goed kijken naar verbanden met gelijke gebeurtenissen in andere bijbelboeken b.. Mt. 24, Lk. 21 en Mk. 14 en Daniël 7 en Jes. 13, 14 e.a.
vs 1. dienstknechten, slaven
We moeten ons verdiepen in Openbaring met de houding en gesteldheid van een dienstknecht, dienaar of slaaf van Christus, netals Johannes in dit vs een slaaf van Christus wordt genoemd.
spoedig, weldra, aanstonds - (ook vs. 3 de tijd is nabij)
voor God is 2000 jaar kort - de hele duur van Gods plan 6000 jaar.
Voor Hem is het met tijd anders gesteld. Hij is niet sterfelijk.
vs. 3 lezen en horen - in onze huizen en gezinnen ... en ook vasthouden
wat geschreven is - zie ook vs.11
Het is geen mondelinge overdracht, maar het moet opgeschreven worden. Dat geeft te denken over Gods methode van overdracht van zijn openbaring b.v. over de schepping. Zou Hij Adam ook opdracht gegeven hebben om het scheppingsverslag op een tablet te schrijven, die via Noach dan weer doorgegeven zou zijn om via Abraham en Jacob bij Mozes terecht te komen, als één van de tabletten waaraan de door Mozes samengestelde tekst zou zijn ontleend. Of zou Mozes alles net als Johannes opeens zijn geopenbaard en moest hij het in 10 stukken opschrijven.
vs. 4 zeven gemeenten en zeven geesten
het getal 7 komt 54 keer voor in Openb. heeft iemand geteld.
Zeven gemeenten waar Johannes nadat hij uit Jeruzalem (sinds de verwoesting) verhuisd was naar Asia, een relatie mee had opgebouwd en ongetwijfeld - als laatste van de apostelen (nu rond de 90 jaar) - een belangrijke rol had, reden wsl. waarom hij zelfs gevangen was genomen.
The phrase "seven Spirits" may refer to seven principle angelic messengers (cf. v. 20; 8:2, 6; 15:1; 1 Kings 22:19-21; Heb. 1:14).
Another possible view is that the phrase refers to the Holy Spirit (cf. Isa. 11:2-3; Zech. 4:2-7).
If so, this title fills out a reference to the Trinity in this sentence (cf. 3:1, 4:5; and 5:6).
2 Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; 3 en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. 4 Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? 5 Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. 6 Hij antwoordde mij: Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen. 7 Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte; hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem!
8 En het woord des HEREN kwam tot mij: 9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft. 10 Want wie veracht de dag der kleine dingen? Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. – Deze zeven zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde doorlopen. 11 Ik nam het woord en vroeg hem: Wat betekenen deze twee olijfbomen rechts en links van de kandelaar? 12 Andermaal nam ik het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftakken, die door twee gouden buizen het goud van zich doen uitvloeien? 13 En hij zeide tot mij: Weet gij niet, wat zij betekenen? Ik antwoordde: Neen, mijn heer. 14 Toen zeide hij: Zij zijn de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan.
vs. 5 gewassen/vrijgekocht
voorzetsel 'in' ook van belang voor vs. 10 'en pneumati'
vs. 6 koningen en priesters
Laten we bescheiden en dankbaar zijn : we hebben een zeer, zeer grote KONING en HOGEPRIESTER
Aan Hem moeten we volkomen ondergeschikt zijn!
vs. 7 met de wolken - denk ook dat God in de wolk was in de Exodus 13:21 (wolkkolom) en in de tabernakel Ex. 40:34 en in de tempel 1 Kon. 8:10,11
vs. 7 die Hem doorstoken hebben zullen Hem zien ....
Dat kan niet anders betekenen dan dat of alle doden (het dodenrijk) Hem ook zullen zien (maar dan nog niet zullen opstaan uit de dood ... want dat komt toch pas bij de 2e dood), of dat in dit woord besloten ligt dat allen (of alle ongelovigen) schuldig zijn aan zijn kruisdood en het feit dat Hij werd doorstoken. Ik vind de eerste optie meer waarschijnlijk omdat ik het woord liever letterlijk neem.
In Mk. 14:62 zegt Jezus tegen de hogepriester "ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand van de macht en komende met de wolken des hemels" Vgl. ook Mt. 26:64
Het teken van de Zoon des mensen alleen in Mt, maar niet in Mk en Lk. Misschien omdat Jezus het teken is.
stammen van de aarde - of van 'van het land' (Telos). - dan zou het ook kunnen slaan op de stammen van Israël. Immers zij hebben nog nooit gerouwd om hun eerstgeborene, zoals het volk Egypte heeft gerouwd om hun eerstgeborene. Anderzijds is deze eerstgeborene alles waard om door de hele aarde berouwd te worden en dat is nog nooit gebeurd. Het zou hier heel goed om een wereldwijde en gelijktijdig in Israel plaats vindende rouw kunnen gaan.
weeklagen / zich op de borst slaan
daarvoor radeloze angst, bezwijmen van vrees en angst - (lk. 21 25-28) - bulderen van zee en branding - machten van de hemelen zullen wankelen. Lees ook Lk. 21:34-37. Vs. 36 werpt een apart licht op Op. 23:10,11 over de gemeente van Filadelfia.Maar wat houdt dat weeklagen in .... alle stammen ? gelovigen, ongelovigen ...
vs. 8 Alfa Omega, begin en einde, Almachtige
* ayrm –“Marya” is Aramaic for “Yahweh” and occurs 14 times as such in this ms. of Revelation.The first is 1:8 and the last
is 22:20, where Jesus is addressed as “Marya Yeshua” – “Yahweh Jesus”.It appears 239 times in The Aramaic NT – in all but
6 books (not in Gal., 1 Thess.,Titus,Philemon, 1&2 John).None of The Greek NT books has this or any word like it, as Greek
has no equivalent for “Yahweh”.
Op. 2 en 3
De 7 brieven zijn allereerst gericht aan de 7 gemeenten van toen, maar ook aan de hele gemeente van Jezus Christus van alle tijden om haar te waarschuwen, haar aan te moedigen en haar beloftes van overwinning te geven
Is er ook sprake van een chronologische volgorde?
De hfdst. 2 en 3 vallen onder hetgeen is en niet onder hetgeen hierna komen zal.
Het woordje 'is' pleit tegen het idee van chronologische volgorde.
Anderszijds kent het boek Openbaring veel volgordes van zegels, bazuinen etc.
Echter daarbij wordt steeds die volgorde aangegeven door woordjes als: dan, daarna en toen.
De 7 brieven worden wel 1 voor 1 gedicteerd, maar er is taalkundig geen aanwijzing voor volgorde te vinden.
Geeft de verlossing uit de ure der verzoeking die over de hele aarde zal komen dan niet aan dat er van volgorde sprake is?
M.i. niet voldoende, want waarom dan nog Laodicea ... als de gemeente is opgenomen dan is zij opgenomen .... zij zijn niet opgenomen omdat zij lauw zijn,
Maar hoe dan met de lauwe gelovigen uit alle eeuwen ... zijn die ook niet uit de graven meegekomen ...
Het grootste bezwaar tegen de chronologische gedachte is dat de bijbel er zelf geen bevestiging van geeft. Zo worden de dromen in Daniël en de dromen van Jozef wel toegelicht in de uitleg, waardoor duidelijk is dat de dromen op bepaalde tijden en rijken slaan, maar hier in Openbaring is die uitleg er niet, terwijl elders in Openbaring er wel eens een uitlegger optreedt.
Ook schrijf ik even de parallellen neer die we kunnen vinden in de genoemde Johannes tekst plaatsen en openbaring 2 en 3
Joh 6:35, Ik ben het Brood des levens, wie tot Mij komt... Opb 2:17 Pergamus. Ik zal van het verborgen Manna geven.
Joh 8:12, Ik ben het Licht der wereld, wie Mij volgt... Opb 2:5 Efeze. Als u zich niet bekeerd zal ik de kandelaar (licht) wegnemen.
Joh 10:7-9, Ik ben de Deur der schapen, als iemand door Mij binnengaat... Opb 3:8 Filadelfia. Ik heb voor u een geopende deur gegeven.
Joh 10:14 en 11, Ik ben de goede Herder, ... en wordt door de Mijnen gekend... Opb 2:27 Thyatira. ...hij zal de vijanden hoeden met een ijzeren staf. Gij, houdt vast wat gij hebt.
Joh 11:25, Ik ben de Opstanding en het Leven, wie in Mij gelooft, zal leven... Opb 3:20 Laodicea. Als iemand Mijn stem hoor en de deur opent...binnenkomen en maaltijd houden..
Joh 14:6, Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij... Opb 3:4 Sardis. ...zij zullen met Mij wandelen in witte klederen.
Joh 15:1-5, Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem die draagt veel vrucht... Opb 2:10 Smyrna. Trouw blijven en Ik zal u de kroon van het leven geven.
Efeze
Zien we in de brief aan de Efeziers al dat de Heilige Geest begint te werken aan hun probleem.
De brief aan Efeze is mogelijk een jaar of dertig eerder dan Openbaring geschreven.
Was er toern al iets merkbaar van hun verachteren van de eerste liefde?
'waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde' (1:6)
'hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus .. (3:18,19)
'maar dan groeien wij ons aan de waarheid houdende in liefde in elk opzicht naar Hem toe' (4:15)
'wandelt in de liefde' (Ef. 5:2)
'mannen heb uw vrouw lief' (Ef. 5:25)
Toch is 1 Cor. 13 niet aan Efeze gericht, maar wel vanuit Efeze geschreven (?)
Het verzaken van de eerste liefde: Constable oppert dat mogelijk de tafel des Heren verwaarloosd werd.
1 Joh. 5:2 wijst op een zeer intieme en nauwe relaties tussen liefde en goede werken.
Smyrna
Pergamus
Bileam - een profeet uit de wereld ...
Thyatira
Deze gemeente lijkt erg verdeeld. Waarschijnlijk is het grootste deel zeer toegewijd, maar er is ook een groep die men laat begaan en die een slechte invloed heeft en die de HEER zelf dan maar zal tuchtigen of straffen - het is de vreemde vrouw in de gemeente van Christus - Izebel.
Sardes
Dit is in de chronologische visie de Reformatie
Philadelphia
Dit is in de chronologische visie de beweging van ware gelovigenafgezonderd van de massa van de naam-belijders. Bv. Réveil, zendingsbeweging 19e eeuw?
Ze heeft 'kleine kracht' - dus ook weer niet zo imponerend.
de sleutel van David Op. 3:7 Jes. 22:22
de sleutel van de afgrond Op. 9:1 (5e engel blies de bazuin) Op. 20:1 (opsluiten satan)
de sleutel van het rijk van de dood en de dood (Op. 1:18)
de sleutel van de kennis(Lk. 11:52)
Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen (Mt. 16:19)
sleutel van het bovenvertrek (Richt. 3:25) 'En zij bleven tot schamens toe wachten, maar zie, hij opende de deuren van het bovenvertrek niet. Toen namen zij de sleutel en deden open. En zie, hun heer lag dood op de grond.'
is de ure der verzoeking hetzelfde als de grote verdrukking?
Het Griekse woordje vertaald met 'voor' in de NBG is in feite 'ek' en betekent 'uit'.
SV, Darby, Arab. bijbel ... 'uit' Darby 'out of' en Elberfelder
'bewaren/vasthouden uit het uur der verzoeking'. '..griekse ww...... ek ho hora ho peirasmos'
Dat betekent dat je 'in' de ure der verzoeking bent en eruit bewaard wordt.
In 2 Pet. 2:9 'ek peirasmos rhuomai' - uit de verzoeking - nadat Lots uitvlucht is beschreven.
Dan weet God de 'eusebiusen' de goedvrezende/godvrezenden te redden
Vgl. 'ekklesia' dat is het Griekse woord dat wij vertalen met 'gemeente' maar dat betekent 'geroepen uit'.
Gaat het hier inderdaad over Joden of is het beeldspraak en gaat het om v. naamchristenen
In de tempel van Salomo waren 2 zuilen: Yachin (Hij richt op) en Boaz (Hij is onze kracht)
Laodicea
Dit wordt uitgespuwd.
Wat opvalt is dat de 2 gemeenten zonder negatieve vermelding een confrontatie hebben met de 'synagoge van de satan' die zeggen dat zij joden zijn, maar het niet zijn, (maar liegen). Smyrna wordt erdoor gelasterd en als gevolg daarvan vervolgd tot de martelaarsdood toe, terwijl Filadelfia bekeerlingen op zijn weg vindt uit die synagoge.
De andere gevaarlijke wereldse invloed komt van de Nikolaieten: Efeze weet ze nog te weren, Pergamus heeft sommigen die eraan vasthouden, Thyatira, heeft een gevaarlijke lerares binnen haar muren die die leer 'dat je de diepten van de satan moet leren kennen', Deze gemeente is al verdeeld in 2 groepen. In Sardes is geestelijk dood onder een bedriegelijke schijn van levendheid, het is een gemeente die de schijn hoog weet te houden, maar innerlijk is uitgehold, en in Laodicea is lauwheid en wereldse gezindheid openlijk (Op. 3:17)
Overzicht 'Wie overwint ...'
- hem zal ik te eten geven van de boom des levens, die in het paradijs GODs is (Efeze)
- zal van de tweede dood geen schade lijden (Smyrna)
- zal Ik geven van het verborgen manna en iIk zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand weet, dan die hem ontvangt. (Pergamus)
- wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen; En hij zal hen hoeden met een ijzeren staf – zij zullen als kruiken van een pottenbakker verbrijzeld worden – zoals ook Ik die macht van Mijn Vader heb ontvangen. En Ik zal hem de morgenster geven. (Thyatira)
- Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam beslist niet uitwissen uit het Boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. (Sardes)
- wie overwint, hem zal Ik tot een zuil in de tempel van Mijn God maken, en hij zal daaruit niet meer weggaan. En Ik zal de Naam van Mijn God op hem schrijven en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel, bij Mijn God vandaan, en Mijn nieuwe Naam. (Philadelphia)
- wie overwint, zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb, en Mij met Mijn Vader op Zijn troon gezet heb. (Laodicea)
ZEVEN GEESTEN
Op. 1:4 en van de zeven geesten die voor zijn troon zijn
Op. 3:1 Hij die de zeven geesten Gods en de zeven sterren heeft
Op. 5:6 zeven horens en zeven ogen, dit zijn de zeven geesten van God
INTERMEZZO - de terugkomst wanneer?
1 Thess. 2:7,8
- vertaalprobleem - wacht versus allee.
Jezus zal de goddeloze doden bij zijn komst.
Openb. 3:10
voorzetsel 'ek'
Op. 3:10 : G5083 (bewaren τηρήσω ) G1537 (voor/uit ἐκ) G5610 (uur - τῆς ὥρας) G3986 (verzoeking τοῦ πειρασμοῦ)
Jn. 17:15: G5083 (bewaren τηρήσῃς) G846 (hen αὐτοὺς) G1537 (voor/uit ἐκ) G4190 (boze τοῦ πονηροῦ)
2 Petr. 2:9 G1537 (voor/uit ἐκ) G3986 (verzoeking τοῦ πειρασμοῦ) G4506 (redden τηρήσω )
|
Original Word: ἐκ, ἐξ Part of Speech: Preposition Transliteration: ek or ex Phonetic Spelling: (ek) Short Definition: from out, out from among, from Definition: from out, out from among, from, suggesting from the interior outwards. |
|
1537 ek (a preposition, written eks before a vowel) – properly, "out from and to" (the outcome); out from within. /ek ("out of") is one of the most under-translated (and therefore mis-translated) Greek propositions – often being confined to the meaning "by." (ek) has a two-layered meaning ("out from and to") which makes it out-come oriented (out of the depths of the source and extending to its impact on the object). TheDiscoveryBible.comcopyright © 1987, 2011 by Helps Ministries, Inc. |
|
STRONG out of, from, by means of A primary preposition denoting origin (the point whence action or motion proceeds), from, out (of place, time, or cause; literal or figurative; direct or remote) -- after, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in,...ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out). Often used in composition, with the same general import; often of completion. |
OPENBARING 4
Dave Hunt (WKJ) ziet het als een probleem om een vaste periode van 7 jaar te verenigen met "Zie Ik kom als een dief" (Op. 16:15) Het verrassingselement zou dan weg zijn, dus moet de opname voor de 70e jaarweek zijn. Dat klinkt interessant, maar echt overtuigens is het niet, want ook de 70e jaarweek komt niet uit de lucht vallen, maar er zijn ook daarvan voortekenen.
Dave Hunt wijst op een beweging Manifest Sons die de opname afwijzen en zeggen dat de zonen van God openbaar moeten woorden in goddeloze volmaaktheid en de wereldregering moeten overnemen opdat Christus kan terugkomen om te regeren over het koninkrijk dat de overwinnaars Hem aanbieden. ZO was Noach niet een beeld van de opname, maar van een rechtvaarige wereldregeerder. De opname is dan meer de machtsoverdracht en heeft als opname eigenlijk geen betekenis meer.
Hunt zie de opname niet als iets gehiems maar mogelijk als het teken van de Zoon.
Looking at the Greek words for “come up” and “caught up” will also show that John’s being called up to heaven cannot be an image of the rapture. The word for “come up” in Revelation 4:1 is anaba (from anabainō) which means to climb up or ascend. The word for “caught up” in 1 Thessalonians 4:16–17 is harpagaesometha (from harpazō) which means to be taken by force. Harpagaesometha has a sense of force that is nonexistent in the word anaba.
Notice also who is taking the action in the two events: In Revelation 4:1–2, John is called to ascend to heaven. The one taking the action is John. In 1 Thessalonians 4:16–17 Jesus takes us from the earth by His power.
Revelation 4:1–2 is claimed to represent the rapture. However, not a single proponent of this view claims that when Paul was “caught up” to heaven in 2 Corinthians 12:2 this “caught up” represented the rapture! Paul uses the same word “caught up” (harpagenta) as he uses in his rapture passage of 1 Thessalonians 4:16–17 (harpagaesometha – same word, differentverb tense). The one performing the action is God in both 2 Corinthians 12:2 and 1 Thessalonians 4:16–17.
One final comment that should seal the issue: If John intended to use the word anabainō to speak about the rapture, we would expect that he would use the same word for “caught up” in Revelation 12:
And she gave birth to a son, a male child, who is to rule all the nations with a rod of iron; and her child was caught up to God and to His throne. (Revelation 12:5)
What word does John use here? He uses haerpasthae (the aorist passive indicative of harpazō)! John used the same word that Paul used for the rapture when he wanted to speak about the child being “caught up” to heaven. John’s own Greek word usage in Revelation points us away from forcing the rapture into the Revelation 4:1.
In hfdst. 1 worden afzender God -> Jezus -> engel -> Johannes
en geadresseerde van de openbaring: dienstknechten in de vorm van de 7 gemeenten.
Openbaring 4-5
Johannes aan de zeven gemeenten in Asia: genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt,
en van de zeven geesten, die voor zijn troon zijn,
en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde.
Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed
- en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters (of een koninkrijk van priesters) voor zijn God en Vader gemaakt -
Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen.
We gaan in dit boek iets zien over dit koninklijk priesterschap
en over het bijbehorende koninklijke hogepriester
en het hemelse heiligdom waarin zij dienen.
Openbaring 6-7
Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben;
en alle geslachten der aarde (van het land - γῆ) zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.
We gaan in dit boek ook leren over zijn komst.
Openbaring 12-17
En ik keerde mij om, ten einde de stem te zien, die met mij sprak.
En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden kandelaren,
en te midden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon,
bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel;
En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;
En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard;
en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.
En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten;
en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;
Het tot de voeten reikend gewaad waarvan de kleur niet wordt beschreven en de gouden gordel om de borst doen denken aan de hogepriester, daarbij ziend dat hij tussen de kandelaren loopt d..w.z. in het heilige (nog niet in het heiligen der heilgen). De tulband is niet op zijn hoofd .... d.w.z. de kroning moet nog komen.. De hogepriester
Lev. 16:4 de priesterkleding op de grote verzoendag - eenvoudig - wel tulband maar geen priesterschort (efod) of overkleed.
Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn
en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden;
dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft.
Lev. 8:6-9 de gewone priesterkleding
En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen en wies hen met water;
daarna deed hij hem het onderkleed aan, omgordde hem met de gordel, bekleedde hem met het opperkleed,
deed de efod daarover, omgordde hem met de band van de efod en bond hem die om.
Daarna deed hij hem het borstschild aan en legde in het borstschild de Urim en de Tummim.
Vervolgens zette hij hem de tulband op het hoofd en bevestigde vóór op de tulband de gouden plaat, de heilige diadeem,
zoals de HERE Mozes geboden had.
vs. 11 Vervolgens goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron,
en hij zalfde hem om hem te heiligen.
Christus is de hogepriester in een hemels heiligdom
Heb. 9:11-12
Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping,
en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom,
waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.
Heb. 9:14
hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!
Heb. 9:24
Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware,
maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen;
vs. 27 En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel,
vs. 28 zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen,
ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten.
Heb. 10:19-22
Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees,
en wij een grote priester over het huis Gods hebben,
laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.
vs. 2 in vervoering des geestes = in de Geest
OPENBARING 4
Het lijkt of hij de door de hemelpoort gaat en dan bij de ingang van de hemelstad onmiddelijk in een zitting terechtkomt met iemand op de troon en 24 priesteroudsten (immers in witte kleden en met gouden kronen) 1 Kron. 24 en 25.
- de oudsten worden niet door Johannes herkend, anders dan op de berg toen Jezus met Mozes en Elia sprak.
- er wordt geen melding gemaakt van een kroon op het hoofd van Hem die op de troon zit
- zijn de oudsten de afbeelding van de gemeente ? Was Melcizedek een beeld van Christus?
Maar was Melchizedek Christus.
Johannes ziet geen gemeente, want anders had hij dat opgeschreven, want aan het begin van de openbaring had hij opdracht gekregen om op te schrijven wat hij zag.
Hij had ook kennis genomen van de brieven van Paulus over de gemeente.
2 Kon. 19:15
en Hizkia bad voor het aangezicht van de HEERE en zei: HEERE, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.
GIJ ZIJT WAARDIG - SCHEPPER
OPENBARING 5
In hoofdstuk 5 blijkt dan dat het gaat om een lossingsprocedure met Johannes a.h.w. in de rol van de behoevende, degene die aan lossing behoefte heeft, immers hij huilt. Wie kan zijn grond lossen? Johannes was wsl. uit Levi immers hij had relaties in het hogepriesterlijk geslacht.
Het begin van het lossingstafereel
Lees ook Dan. 7:13,14
Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze;
en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natien en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is.
in samenhang met vs. 6 en 7.
Nu komt de boekrol in zicht.
De boekrol
Menahem Ben-Yashar Ashkelon College May 2004
Het land was altijd van God: Lev. 25:23-28 .
Het land kwam altijd terug in het jubeljaar. Ook moest het land binnen de stam/familie blijven (Num 36:9 Zelophehad). Daarin werd dus ook voorzien door het jbubeljaar
Rijk en arm kwamen ook weer dichter bij elkaar - ook in het sabatsjaar en ook door de kwijtschelding van schulden Dt. 15:1-12.
Lossing van het land om het binnen de familie doen blijven was ook in aanzien al voor het Jubeljaar. Zie Jeremia 32 en Ruth.
Jeremia's lossing was wettelijk een feit, maar betekende in de praktijk niets want men kon uit het belegerde Jeruzalem niet meer bij Anatoth komen.
De lossing in het boek Ruth brengt ook het leviraatshuwelijk naar voren. (zwagerplicht)
In beide gevallen koopt men de akker direct van de eigenaar van dat moment die in een situatie was dat hij het wilde/moest verkopen. Bij Jeremia is dat een familielid, bij Ruth koopt Boaz van Naomi, de weduwe van Elimelech. Het land was nog van haar maar bewerkt door anderen in haar afwezigheid.
Deze lossing wordt in de Thorah niet aan de orde gesteld. Menahem stelt dat deze vanzelf spreekt en voortvloeit uit de moeilijker situatie van indirecte correctieve lossing, als het land buiten de familie terecht is gekomen bv. door armoede. Deze is wel in de thorah aan de orde gesteld in Lev. 25:23-28.
NEW BIBLE COMMENTARY - Guthrie
17 sjekel - Jeremia had kennelijk wel de beschikking over geld in de gevangenis.
In Livy XXVi pg 11 (Latijns) wort ook melding gemaakt van de verkoop van het land waarop Hannibal buiten Rome zijn tenten had opgeslagen (211 BC) 3 mijl van Rome. Het land werd in het Romeinse Forum zonder moeite verkocht.
Guthrie zegt dat bij Jeremia sprake was van een gedetailleerde akte die opgevouwd en verzegeld werd om fraude te voorkomen en een geopende kopie die een samenvatting bevatte om te raadplegen. Papyrus was het materiaal.
In the account of the transaction during Jeremiah’s day, two pieces of paper were brought out, one sealed and the other remaining open (both having to do with the unredeemed title-deed to the property). Both pieces of paper contained the same thing — the redemptive terms for the section of land in question. The redemptive terms could be read on the open piece of paper. Then, once the redemptive terms had been met, the sealed piece of paper (forming a sealed scroll) could be opened.
Jeremiah purchased the field, allowing him to open the sealed scroll. He then either made notations on this scroll or a new piece of paper, along with the unsealed scroll or a new piece of paper. In turn, one of these was rolled up and sealed, with the other left open (both having to do with the redeemed title-deed to the property). Then both scrolls (with notations on both, indicating Jeremiah’s purchase), for preservation purposes, were placed in “an earthen vessel [clay jar], that they may last many days [which could only have been with a view, at that time, to the seventy years of the Babylonian captivity]” (Jeremiah 32:7-14).
In later years, only one piece of paper was used for redemptive scrolls (titles to property) of this nature, with the redemptive terms appearing on both sides. One side, forming the inside of the scroll, would be hidden from view once the scroll had been rolled up and sealed. And the other side, forming the outside of the scroll, would have the redemptive terms written in a place where they could be read without unsealing the scroll.
With all of the preceding in mind, note the seven-sealed scroll in Revelation chapter five.
First, in Jeremiah, there were two scrolls — one sealed, the other remaining open. In the book of Revelation, in keeping with this practice seen in later Jewish history, the redemptive terms of the scroll are seen written on both sides of one scroll (5:1). One side was sealed, and the other side was open where the redemptive terms could be read. And the Father handing the scroll to His Son clearly implies a recognition and an acknowledgement of the Son’s full qualification to act in this capacity — as Redeemer — having previously paid the price to take the scroll, break the seals, and redeem the inheritance (5:5ff).
Second, this scroll in the book of Revelation can only have to do with land and land rights, for, within the realm of redemption, scrolls were not used for individuals (a widowed woman, or a servant or slave). They were used for the only other thing that could be redeemed — land.
Third, in the account in Jeremiah, a field was being redeemed (Jeremiah 32:7-9). In the account in the book of Revelation, it is the same — a field, with the field being “the world” (Matthew 13:38).
And that which is seen in the book of Revelation — redemption in relation to the title-deed to the earth — will form the outworking of that which is foreshadowed in Jeremiah when the Jewish people return from their dispersion among the Gentiles, not at the end of Jeremiah’s seventy-year prophecy but at the end of Daniël’s four-hundred-ninety-year prophecy (cf. Jeremiah 33:7-26).
Het eigenaardige is dat het Lam niet genoemd wordt als waardig gebleken, maar als degene die heeft overwonnen! Kan iemand overwinnen om een lossersrol te openen?
Het Lam alleen kan die openen.
De 24 oudsten hebben elk een citer en gouden reukwerkschalen, dit zijn de gebeden der heiligen, maar het zijn nog niet de gebeden va ALLE heiligen zoals dat wel wordt gezegd in Op. 8:3
In Op. 8:3 na de 144000 en de grote schare bij het openen van het 7e zegel krijgt een engel in zijn gouden wierookvat veel reukwerk (wsl. van de oudsten) om het te geven met de gebeden van ALLE heiligen op het gouden altaar voor de troon. Opvallend dat een engel dat doet en niet een van de 24 oudsten-priesters ... die zijn kennelijk daar niet toe gemachtigd.
Het loflied aan het Lam ... is het een na- of voor- aankondiging?
Hoe kan het dat alle schepsel Hem op de troon en het Lam hier al eer geeft, terwijl verderop in Openb. nog zoveel opstand tegen GOD gedood moet worden?
Wat is hier het woord voor schepsel? KTISMA (vlg. Thayer in NT voor de wedergeboren ziel)
G2938 κτίσμα
1 Tim. 4:4 - Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt:
Jac. 1:18 - Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen.
Op. 5:13 En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden.
Op. 8:9 en het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, stierf, en het derde deel van de schepen verging.
G2939 κτίστης Schepper
1Pet. 4:19 Laten derhalve ook zij, die naar de wil van God lijden, hun zielen aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende.
G2937 (19 x) - schepping, schepsel, instelling κτίσις
Op. 3:14 En schrijf aan de engel der gemeente te Laodicea: Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin der schepping Gods:
G2936 κτίζω scheppen (ook planten en dieren 1 Tim. 4:3)
Jes. 45:23 en Rom. 14:11
Of moeten we er misschien rekening mee houden dat GOD dingen kan laten zien in een ontijds tijdbestek zoals Kent Hovint daarrvan spreekt.
Anderzijds lijkt in dit beeld de rol nog steeds gesloten ... maar nu gaat het komen in het volgende hoofdstuk ...
Openbaring 6
Pfeil (5th Seal) wijst op Dan. 12:1 en suggereert dat de aartsengel Michael mogelijk degene is die nu nog weerhoudt (2 Th) en niet de Heilige Geest. Hoewel Michael mogelijk macht heeft de satan voor 100 jaar op te sluiten dan wel de put van de afgrond te laten openen, is het juist Michael die steeds actiever lijkt in Openbaring en m.i. juist niet weggenomen wordt.
Openbaring 7
De 144.000 verzegelden uit Israël
Verschillende visies.
1. de 144.000 en de grote schare uit de grote verdrukking worden als twee beschrijvingen beschouwd van dezelfde groep.
2. van de grote schare wordt hier gemeld dat zij uit de grote verdrukking komen, maar in werkelijkheid moeten ze er nog doorheen gaan.
Als de gemeente al opgenomen zou zijn aan begin hfdst. 4, waarom zou God dan tot hier wachten om de 144.000 Joden te verzegelen?
3. Dave Hunt (WKJ) ziet in hen 144.000 joodse evangelisten die het evangelie van het Koninkrijk verkondigen. Het goede van Hunt is dat hij vasthoudt aan de eenheid van evangelie en dat ook het eeuwig evangelie (Op. 14:6) niets anders is en mag zijn dan het evangelie dat Paulus verkondigde (zie Gal.1:8,9) en dat hij vasthoudt aan de eenheid van de schriften van OT en NT).
144.000
- vlg. Glashouwer/Verweij is de groep dezelfde als die in Op. 7 en is het meest aannemeljk dat ze op aarde zijn.
Daniël. Ezek, Is en Ps Haggai
144000 vgl Ez.
- zonder Dan (Judas, de verrader uit Dan; vlg. Voorhoeve ook de meeste afgoderij in deze stam; Dan komt wel weer terug in Ez. bij de verdeling van het land
- de volgorde van de namen is niet in geboorte. Het is een onbekende, nieuwe volgorde
Mijn gedachtenlijn:
De 144.000 onkwetsbaar op aarde en de grote schare onkwetsbaar in de hemel
De 144.000 zijn eerstelingen ... in de Jakobus brief zien we dat woord ook terug als hij schrijft aan de stammen in de verstrooiing.
De 144.000 zijn gekocht en betaald, dat geldt aleen voor de gemeente ... let op incl. Israël
Opmerking 1
- let op Israël is nooit vervangen, maar is de stam waarop de gemeente is geënt en maakt onlosmakelijk deel uit van die gemeente en hoewel de gemeente in aantal gelovig Israël ver zal overtreffen, is dat "hiërarchisch" niet zo. De takken zijn geënt en dat blijven ze en hoe mooi en talrijk ook, ze zijn entsels, die niet kunnen leven zonder de stam en zo hun levenssappen ontvangen.
- in de bijbel kan ik niets terugvinden dat Israël nog eens moet gaan evangeliseren, als de gemeente is opgenomen. Dat was allereerst de taak van de Joodse discipelen om de wereld het evangelie te verkondigen en Gods plan door hun heeft niet gefaald en er is ook geen herhalingsoefening voor nodig.
De grote schare die niemand tellen kan
Dave Hunt (WKJ) wijst erop dat in Zach. 12 en Judas staat de Heer zal komen met al zijn heiligen. Dus moet er wel een opname zijn. Hij denkt dat die na hfdst. 3 is.
De grote schare worden geen martelaren genoemd, maar hun kleren zijn wel wit gemaakt in het bloed van het Lam, dus moeten het wel christenen zijn.
Sommigen menen dat het wel martelaren zijn, dus gedode gelovigen als gevolg van de grote verdrukking in hfdst. 6 en de gemeente zou al begin hfdst. 4 zijn opgenomen.
De oudste zegt ook niet dat ze martelaren zijn, maar dat ze uit ('ek") de grote verdruking komen. Dat betekent dat de grote verdrukking al gaande is en dus niet samen valt met de 70e jaarweek.
Verschillende visies.
grote schare uit de verdrukking
- vlg Voorhoeve is de groep op aarde.
Openbaring 8
In vs. 3 en 4 lezen we over de gebeden van ALLE heiligen, terwijl we inOp. 5 alleen 'dit zijn de gebeden van de heiligen' lezen. Er is hier kennelijk een duidelijk punt dat ALLE gebeden van de heiligen zijn opgestegen als reukwerk voor Gods troon. Er komen er dus niet meer .... anders stond er niet ALLE.
De grote schare was vermoedelijk de laatste groep die nog gebeden opzond of kon opzenden die als zodanig - als reukwerk beschouwd konden worden ....
As presented in The Fifth Seal in Sharp Focus, a study of Isaiah 13, Joel 2–3, Matthew 24, Mark 13, Luke 21, Acts 2 and Revelation 6–8 produces the following sequence of events. In this chart there are 39 events that must happen before the day of the Lord begins!
1
2
The peace treaty
The Beginning of Daniël’s seventieth week
3 The first seal is broken // The Antichrist begins to conquer
4
5
The second seal is broken // The Antichrist wages war everywhere except Israel
The third seal is broken // War brings famine
6 The fourth seal is broken // 25% of the world population dies
7
8
The new Temple is completed
The abomination of desolation
9 Christ’s elect in Judea are to flee to the mountains
10
11
The great tribulation begins // The Antichrist pursues God’s elect unto death
Christ's elect are hated by all the nations
12 The fifth seal is broken // Christ's elect are martyred and appear under the altar of God
13
14
The great tribulation is cut short for the sake of Christ’s elect
The sixth seal is broken // (Items 16-36 happen in very rapid succession)
15 Worldwide volcanic activity
16
17
A great worldwide earthquake
The sun, moon, and stars are darkened
18 "Stars" fall from the sky
19
20
The heavens tremble
The powers of the heavens are shaken
21 The sky is split apart like a scroll when it is rolled up
22
23
Every mountain and island is moved out of its place
The roaring of the sea and the waves
24 The sign of the Son of Man appears in the sky
25
26
All the leaders and tribes of the earth are terrified and mourn
The wicked of the world hide in caves and among the rocks of the mountains
27 The wicked of the world cry for the mountains and the rocks to fall on them
28
29
The wicked of the world know the day of the Lord is coming
Four angels hold back the four winds until the 144,000 Jews are sealed30
The Son of Man comes on clouds in power and glory, visible to all
31
The sons of Israel are provided a stronghold
32
144,000 Sons of Israel, 12,000 from each tribe of Israel are sealed
33
Christians are to look up because our redemption is near
34
The angels are sent forth
35
The trumpet sounds
37
The Gospel of the Kingdom has been preached to the whole world
36
The Great Multitude of Christ’s elect are gathered out of the Great Tribulation (Rapture)
38
The Lord utters His voice before His army
38
... and then the end will come
39
The seventh seal is broken: Silence in heaven
40
The first trumpet judgment begins the day of the Lord judgments
Openbaring 9
Openbaring 10
Openbaring 11
De twee getuigen
1 En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. 2 Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang. 3 En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. 4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan. 5 En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. 6 Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.
7 En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden. 8 En hun lijk (zal liggen) op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Here gekruisigd werd. 9 En uit de volken en stammen en talen en natiën zijn er, die hun lijk zien, drie en een halve dag, en zij laten niet toe, dat hun lijken in een graf worden bijgezet. 10 En zij, die op de aarde wonen, zijn blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
11 En na [die] drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Klimt hierheen op! En zij klommen naar de hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen.
13 En te dien ure kwam er een grote aardbeving en een tiende deel der stad stortte in, en zevenduizend personen werden door de aardbeving gedood, en de overigen werden zeer bevreesd en gaven de God des hemels eer.
14 Het tweede wee is voorbijgegaan: zie, het derde wee komt spoedig.
De zevende bazuin – De lofzang der oudsten
15 En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende:
Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden.
16 En de vierentwintig oudsten, die voor God op hun tronen gezeten waren, wierpen zich op hun aangezicht en aanbaden God, 17 zeggende:
Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard; 18 en de volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven.
19 En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware hagel.
Hier wordt voor het eerst duidelijk dat er een tempel op aarde is in de tijd tussen de 6e en 7e bazuin.
Over het herstel van de staat Israël lezen we in Jer. 30:3,10,11; 31:8-10 en Ez. 11:17 en 28:25 en andere gedeelten. Opmerkelijk is dat het Vaticaan pas in 1993 diplomatieke relaties aanging met Israël.
N.a.v. Dave Hunt (WKJ) merken we op dat het wellicht zo is dat er geen wettelijke of gedocumenteerde grond meer is voor het Jood-zijn (hoewel er natuurlijk nog wel steeds Joden zijn), omdat de geslachtsregisters die in de tempel lagen, bij de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. ook vernietigd zouden zijn.
Tevens merken we op dat het joodse volk van die dagen vlg. 2 Kron. 30:6 en vlg. 2 Kron. 34:6 wel degelijk nog in het land woonden en dat dus niet alleen Juda en Benjamin na de terugkeer aanwezig waren. Verder zouden ook de opwekkingen onder Hizkia en Josia hun invloed gehad moeten hebben.
Dave Hunt zo ziet in de twee getuigen twee evangelisten die HELE volken zullen bereieken, want meent hij, de uitdrukking 'tot een getuigenis voor alle volken' klnkt alsof het niet alleen gaat om individuën maar eerder om hele volken. De huidige evangelieverkondiging zou dan hoofdzakelijk beperkt zijn tot afzonderlijke personen.
Het is echter uitgesloten dat de twee getuigen zo zouden opereren, want in Op. 11:10 zien we hoe blij de mensen zijn als ze uit de weg worden geruimd, deze twee getuigen. Dat is moeilijk voorstelbaar als hele volken tot geloof zouden komen b.v heel het Chinese volk! Weliswaar meent Hunt dat ze dan niet worden toegevoegd aan de gemeente omdat die dan al is opgenomen ... (o.i. zijn de twee getuigen echter het staartje van de opname), maar dat ze in grote verdrukking - de 2e helft van de jaarweek - het zegel van het beest zullen weigeren.
Overigens laat Hunt opeens de 2e helft avnde jaarweek hetzelfde zijn als zegel 5 van hfdst. 6 en degenen die weigeren het zegel van het beest aan te nemen met de grote schare. Dat is echter tegende chronologie van Openbaring in.
vs. 7 afgrond abyssos - 9 keer in NT
- Lk. 8:31 de boze geesten vragen Jezus om niet in 'abyssos' gestuurd te worden.
- Rom. 10:7
- Rev. 9 drie keer - put van de afgrond geopend (5e bazuin)
- Rev. 11 één keer - beest uit de afgrond
- Rev. 17:8 één keer - beest uit de afgrond
(scharlaken rood beest - 7 koppen (=7 bergen en 7 koningen, 5 al gekomen, 1 is er nog en de andere is er nog niet en het beest is zelf de achtste) en 10 hoorns (10 koningen die hun koningschap in 1 uur ontvangen).
De vrouw op het scharlaken rode beest was dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed vd getuigen van Jezus Christus
- Rev. 20 - twee keer - de satan wordt in de afgrond opgesloten
In Daniël zien we dat de koninkrijken in verschillende gedaanten verschijnen: als onderdelen van een beeld, als verschillende dieren, maar Babel komt ook las een boom (hfdst. 4) en Dan. 8 (ram en bok - Meden en Perzen ram met 2 hoorns en bok met 1 hoorn die 4 horens wordt)
Daniël 2 - beeld goud, zilver, koper, ijzer, ijzer+leem (4 koninkrijken waaruit een ander deels hard, deels broos , door huwelijk vermengd, maar geen geheel - in die dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan)
Daniël 7: de vier dieren (vs. 7-8 en 19-26)
Daniël 8 uit 1 van de 4 horens van de bok kwam weer een horen voort
Lees Dan. 8:9-14 en 23-25 de vraag is of dit gezicht op de verre toekoemst slaat of op de tijd van Antiochus Epiphanes.
De rijken in Daniël zouden ook nu - netals de schaduw van Israel zich hersteld heeft in het Midden Oosten weer opduiken. Babylon (Saddam), Perzen/Meden (Ahmajaddin) ... Griekenland ? ... Rome ? ...
42 mand vertreding Heilige stad door de volken
De vraag is of hier al sprake is van een herstel van Israël zoals bv. Ez. 36,37 of Jer. 31 zegt
Vgl. Voorhoeve Zach 13 versus Ez. 20 ongelovige terugkeer 2 stammen
Scheiding 2/10 stammen niet goed houdbaar.
Jes. 18 SV/Darby
Is het begin van de jaarweek in Openbaring aangegegeven?
DE VERWOESTINGEN ZOVER van het openen van de zegels tot hier:
a. 4 zegels van de boekrol geopend (4 paarden)
1. overwinnaar op wit paard met boog (strijder) en werd een kroon gegeven (grote invloed)
geroepen door de leeuw-cherub
2. vrede weg - groot zwaard
geroepen door de kalf-cherub
3. honger, schaarste
geroepen door de mens-cherub
4. ziekte en dood
geroepen door de arend-cherub
Als gevolg van eerste t/m vierde zegel, 1/4 v.d. aarde getroffen
Er staat niet dat allen gedood worden. Dat zou 25% van 7.5 miljard zijn ong. 1800 miljoen mensen.
Maar het zal onder de 4 zegels vast wel 25%, zo niet 50% zijn, mogelijk 450-900 miljoen.
D.w.z op iedere mens 12 mensen sterft er 1 (of erger!?)
NOOT Wereldbevolkingg rond jaar 0 ong. 300 miljoen en in 1900 ong. 1500 miljoen
20e eeuw (WO1/2 & Stalin & Mao enz.
ong. 175 miljoen dood (4-5% van de gemiddelde wereldbevolking 20e eeuw)
WO 2 (65 miljoen.) WO1 (15 miljoen) Mao (40 milj.), Stalin (20 miljoen) Russ. Rev. (10 milj.) etc.
Toch werd in de 20e eeuw wereldbevolking ruim verviervoudigd van 1,6 miljard tot ±7 miljard.
b. zegel 5 en 6 geopend
- grote christenvervolging (wsl. onderdeel van zegel 1 t/m 4.)
- grote aardbeving
NOOT
c. Op. 11 - na de opname van de twee getuigen een grote aardbeving: een tiende deel van de stad stort in en 7000 mensen komen om. Dat zou ongeveer 7000 zijn van de wsl. de oude stad waarvan het inwonertal rond de 35.000 - 40.000 ligt op 900 dunam (= ong. 1 vierkante km.) 1 dunam = 1 duizendste vierkante km.
De hele stad kent nu bijna 800.000 inwoners. (In 1840 werd dat nog geschat op 12.000 en in 1948 waren dat er 84.000).
Uit Wikipedia: Op 26 december 2003 werd Bam getroffen door een hevige aardbeving om 01:26 UTC (5:26 lokale tijd in Iran). De kracht van de aardbeving was 6,3 op de schaal van Richter. 70% van het moderne gedeelte van Bam werd vernietigd, en 43.000 mensen verloren het leven. In 2004 werd Bam uitgeroepen tot een monument op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. (Opmerking Joop: in 2006 staat het inwonertal op ong. 74.000, dus was het rond de aardbeving rond de 110.000 mensen.)
Jeruzalem heeft vlg. Wikipedia 750.000 inwoners.
There were 497,000 Jews in Jerusalem in 2011, 281,000 Muslims, 14,000 Christians and 9,000 with no stated religious affiliation. In total, since 1967 and until the end of 2011 the city's population grew by 200 percent: the Jewish population increased by 157 percent and the Arab population increased by 327 percent.
Old City Population
Statistics may be boring to many, but a survey conducted by Dr. Maya Hoshen relating to the history of the population of the historic Old City of Jerusalem revealed that in 2004 the residents within the main part of the walls numbered 131,400 - "out of whom 16,200 were Jewish (12%), 115,200 Arabs (88%). 93% of the Arab population was Muslim, the rest Christian" (Kol Ha'Ir, August 11). In other words, of the Arab population of the Old City, only 7% were Christians.
Source: Caspari Center Media Review
UPDATE (9/12): The above numbers are incorrect. According to data from the Israeli Central Bureau of Statistics from 2003 (as cited in a Peace Now report), the Old City population is 35,372 people, not 131,000! The Muslim percentage is about 77%. The report gives other interesting statistics of the population of each quarter.
With 35,372 residents and a total area of about 900 dunams, Jerusalem’s Old City is one of the most densely populated areas in Israel, and the Muslim Quarter is the most densely populated area of the Old City. Population density varies dramatically within the Old City; details for each quarter, and for Jerusalem as a whole, are as follows:
Jerusalem: Jerusalem (not including the Old City) is about 125,398 dunams in size, with 657,845 residents, for a population density of about 5 persons per dunam.
The Jewish Quarter: The Jewish Quarter is 122 dunams in size and has 2,387 inhabitants, for a population density of around 20 persons per dunam. Of these residents, 1,811 are Jewish, 560 are Muslim, 12 are Christian, and 4 are "unclassified." According to a 2002 report by the Jerusalem Institute for Israel studies, the Muslim population is composed of around 100 families living mainly on the edge of the Quarter, in homes that were designated for expropriation after 1967, but never actually taken from their owners.
The Christian Quarter: The Christian Quarter is 192 dunams in size and has 5,276 residents, for a population density of around 28 persons per dunam. Of these residents, 3888 are Christian, 1,242 are Muslim, 143 are Jewish, and 3 are "unclassified."
The Armenian Quarter: The Armenian Quarter is 126 dunams in size and has 2,461 residents, for a population density of around 20 persons per dunam. Of these residents, 1205 are Christian, 748 are Jewish, 504 are Muslims, and 4 are "unclassified."
The Muslim Quarter: The Muslim Quarter has a population of 25,248 residents and is 461 dunams in size, of which about 142 dunams is taken up by the Temple Mount/Haram al Sharif – an area not available for residence. This yields an overall population density (for the habitable 319 dunams) of about 79 persons per dunam. Of these residents, 23,461 are Muslim, 431 are Jewish, 1354 are Christian, and 2 are "unclassified."
HT: Carl Rasmussen of Holy Land Photos for catching the error.
Het aantal Joden in de USA bedragt rond de 6,6 miljoen (2011) op een totale bevolking van 308 miljoen.
De Joodse bevolking van Israël komt langzamerhand dichtbij ditzelfde aantal van rond de 6 miljoen.
ER IS EEN MOEILIJKE OVERGANG VAN AANKONDIGING NAAR FEITELIJK GEBEUREN in vs 11
Openbaring 12
–Zal wat Jezus op het kruis meemaakte in zekere zin in de laatste dagen herhaald worden in het lijden van Israël, in de tijd van Jakobs benauwdheid. Zoals zijn geboorte in Op. 12 op bijzondere wijze wordt belicht nl. als van een mannelijk kind, zo zal mogelijk ook zijn kruisdood op bijzondere wijze een zekere weerspiegeling vinden in de gebeurtenissen in het laatst der dagen.
–Christus is voor ons tot zonde en vloek geworden. In Jes. 43:3 lezen wij dat Egypte, Ethiopië en Seba als een losprijs voor Israël gegeven worden. Door ongehoorzaamheid, ontrouw en verwerping van de Messias kwam Israël onder de vloek van de Wet. Net zoals Egypte, Ethiopië en Seba als losprijs voor Israël gegeven werden, zo werd Israël door zijn zonde, ongeloof en verwerping van de Messias als een losprijs voor de volken gegeven. Israël is zowel tot een vloek als een zegen geworden opdat de zegen van Abraham over de volken zou mogen komen door het het geloof in de Joodse Messias. Dit zo zeggen helpt om Rom. 11, in het bijzonder Rom. 11:15, te begrijpen. De Joden zijn nu, begin 21e eeuw, onder de vloek van Dt. 28, naar analogie van de vloek die Jezus geworden is voor ons, opdat de volken gezegend zouden worden. Zoals Christus uit de doden is opgestaan, zo zal Israël uit de doden opstaan en hun aanname, in plaats van hun verwerping, zal 'leven uit de doden' zijn (‹Ez. 37›).
David Hunt (WKJ) wijst erop dat de katholieke Douay bijbel in Gen. 3:15 weergeeft als:
"Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad;
zij (Heb. 'dit') zal u de kop vermorzelen en gij zult afwachten haar (Heb. 'het') de hiel te vermorzelen'.
3:15 I will put enmities between thee and the woman, and thy seed and her seed:
she shall crush thy head, and thou shalt lie in wait for her heel.
3:15 She shall crush. . .Ipsa, the woman; so divers of the fathers read this place, conformably to the Latin: others read it ipsum, viz., the seed. The sense is the same: for it is by her seed, Jesus
Christ, that the woman crushes the serpent's head.
NWB
Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de vrouw en tussen jouw zaad en haar zaad
en dat (van haar) zal jou de kop verbrijzelen en jij zult dat (van haar) de hiel verbrijzelen.
Kortom de Douay bijbel stelt voor dat Maria de satan zal vernietigen, i.p.v. dat dat door het zaad van Maria zal gebeuren.
In 1830 zou Maria aan Catherine Labouré zijn verschenen, als de vrouw met de zon bekleed, staande met haar voet op de kop van de slang, die zij onder haar hak vermorzelde. n 1832 werd een emdaile geslagen met deze beeltenis die tot op heden door veel katholieken als amulet wordt gedragen. "Onde vrouwe vande wonderbare medaille'. Zover Dave Hunt.
Openbaring 13
vs. 18
Eerst even over de kwestie 666 versus 616.
Ik vind de steun voor het getal 616 toch te karig en bovendien weersproken door Irenaeüs (150 n. Chr)
De Peshitta – de Aramees/Syrische versie van het NT heeft ook 666.
Er zijn hier nogal wat lastige kwesties. Communiceerde Jezus en de engelen met de apostel Johannes in het Grieks of Aramees?
Als Jezus tegen Johannes zegt “Vrees niet , Ik ben de Eerste en de Laatste ..’ zou Hij dat dan in het Grieks hebben gezegd of in het Aramees dat de Galilese mannen ondeling spraken (zie bijlage)?
Nu over de Griekse weergave van het getal 666 waar Tymon Jongman over schrijft.
Je kan de 3 Griekse letters waarmee in de Textus Receptus het getal 666 wordt weergegeven van rechts naar links (de Arabische leesrichting) inderdaad – met enige welwillendheid .. (want een kalligrafie is een kunstige weergave van een woord of uitdrukking en je moet het er ook een beetje IN-zien ....) lezen als ‘bi-ismi llahi’ dat is vertaald ‘in de naam van God’ ... MAAR dan is dat dankzij het meenemen van de punt achter het getal 666 in het Grieks waardoor de letter ‘b’ aan het begin wordt aangegeven (de Arabische ‘b’ is een holle boog met een punt eronder. Dus de punctuatie wordt erin betrokken en niet allen de letters van het getal. Bovendien moet je welwillend zijn zoals ik al zei. Met andere woorden toch wel wat gezocht netals bij veel andere getallen.
Daar komt nog bij dat het de vraag blijft of Johannes hier alleen dingen ZAG of dat er ook een STEM was die het getal noemde. Als het laatste het geval was, dan ligt de nadruk op het getal 666, als het een afbeelding was, dan zou deze uitleg een kansje maken, maar allesbehalve zeker.
Waarmee ik overigens niet ontken dat de islam een grote anti-christelijke religie. Dat is zijn beslist wel en we moeten daarmee wel rekening houden. Of het de eindgedaante van de antichrist is de vraag. Ik houd ook rekening met een soort sluwe versmelting van Rome met de islam.
Wat betreft het getal 666 vind k het toch steeds opvallend dat het maar op één andere plaats in de bijbel voorkomt nl. 1 Kon. 10:14
Het goud van Salomo. Dus vraag ik me af of het toch niet iets met b.v. het internationale monetaire systeem te maken zal hebben .
Hoe zie jij dat zelf?
Ik heb nog niet alles van Tyman gelezen Hij heeft wel interessante opmerkingen, maar of ik me in heel de lijn van zijn betoog kan vinden, weet ik nog niet, maar ligt voor jou, neem ik aan niet anders.
Hartelijke broedergroeten
Joop
The former diplomat suggested that it was a grave mistake for Western leaders to think that the Iranian leadership will be pragmatic with its nuclear weapons, in the way former Soviet leaders were.
Iran's leaders "are busying themselves with ideological preparations for the arrival of the 'hidden Imam' (a kind of Muslim messiah)," he said. "For this purpose, they are willing to spill much blood and destroy many countries."
Heydari defected to Norway in 2010.
"Watch therefore, for you know neither the day nor the hour in which the Son of Man is coming" (Matthew 25:13), or "But of that day and hour no one knows, not even the angels of heaven, but My Father only." (Matthew 24:36)
Okay, so let’s recalculate Daniël’s prophecy using a 360-day year. 483 360-day years comes out to 173,880 days, or 476 solar years plus twenty-five days. The target date on the Hebrew calendar works out to the 10th day of Nisan, or according to our Gregorian calendar, March 28, A.D.33. The 10th of Nisan is significant in any year, but especially in years when the Jews had a temple and a Levitical priesthood in place--from 967 to 586 B.C. and from 515 B.C. to A.D. 70. Why? Because this was the day each year when the Paschal lamb was to be brought into each Jewish home (Exodus 12:3) and kept there until it was sacrificed on Passover--an event mirrored on a national scale with the selection of the Passover lamb to be sacrificed by the High Priest at the temple.
The historical significance of this particular 10th of Nisan should be thankfully acknowledged by every Christian (though few even know about it). You see, this was the very day that Yahshua of Nazareth entered Jerusalem amid the adulation of the teeming throng who had lined the road from Bethlehem in anticipation of the High Priest’s selection of the perfect Passover Lamb. It’s commonly known as Palm Sunday, but as usual, Constantine’s people, fixated on blending sun-god worship with Christianity, got the day wrong: it was actually Palm Monday. The adoring crowd, of course, thought His appearance there was a happy coincidence--the Hope of Israel making His entrance on such an auspicious day. It was nothing of the sort, but a startling conclusion to a 483-year-long prophecy. The Lamb of God had presented Himself for examination. He would be found without fault and then offered up for the sins of mankind four days later on Passover.
------
http://www.biblesearchers.com/hebrews/festivals/passover.shtml
The 10th of Nisan (Aviv) – Yahshua Arrives in Jerusalem as a King of the House of David
It was on the evening prior to the day of the lamb selection by the High Priest, Jesus made special preparations with his disciples (talmidim) for the events of the next day. It was a secret mission. Jesus knew that on the fourth day before the Passover, the High Priest was to leave the city through the North Gate as he went to the sheep herds and inspected the yearling flock for the most perfect lamb of the season. With this in mind, Jesus then laid out his strategy with his disciples.
The Northern Damascus Gate in Jerusalem – Photo by Robert Mock
This morning of the 10th day of Nisan awakened. The sky was crystal clear, the cool early spring breezes swept down through the Kidron valley. The ripened barley was waving at the base of the Mount of Olives in the Field of Ashes. As directed, the chosen disciples found a donkey with a young colt tied in a doorway near an open street. On the side of the Mount of Olives, the disciples (talmidim) awaited their Master.
Within the city of Jerusalem, the crowds of pilgrims were in anticipation of a great procession with the arrival of the Pesach Lamb. Every year, four days before Passover, a vast entourage of cohanim (priests) would file out of the Herod’s Temple. Instead of exiting out of the gate nearest the Temple on the western wall and walking over the overhanging bridge over the Tyropean Valley that connected the Temple Mount with the Upper City, the procession of hundreds of cohanim (priests) paraded out of the Royal Stoa’s western gate entrance, where the vast temple market place, the Bazaar of Hanan (Ananus the Elder) was located. There they walked down the wide staircase over what is known as the Robinsons’ Arch, turning south, then west and finally north as they connected with the main North-west street of Jerusalem, the Damascus street going to the North Gate, known as the Damascus Gate.
The procession entered the Upper City, where the densely packed homes, had the appearance of an impenetrable wall. To the left was the tall imposing Hasmonean Palace, built over a hundred years prior looming high on the horizon.
The cohanim (priests) began to line the sides of the Damascus street, two by two, maintaining positions on either side of the street, as they rocked back and forth with palm fronds in their hands. As the cohanim positioned themselves, the High Priest and his entourage made its way north to the North Gate. Outside the city they inspected the flocks of yearling lambs to find the most perfect lamb. Year after year this custom was dramatized on the fourth day prior to Passover. Inside the city, the hundreds of thousands of pilgrims who flocked to the city had already arrived, each one bringing a palm frond or cedar bough, they had collected in route to the Holy City. The whole city was lined with greenery as they placed these boughs outside the residence that they were staying.
The eager cohanim (priests) awaited the return of the High Priest. When Caiphas, the high priest entered the Damascus Gate bringing the selected lamb by his side, the cohanim) at the gate began shouting, “Hosanna to the Highest! Blessed is he who comes in the name of the Lord! Blessed be the kingdom of our father David that is coming! Hosanna in the Highest!” (Mark 11:9-10) Upon hearing the shout the people in the city, those who had already purified themselves in the mitzvahs in the southern part of the city, ran out into the street, also bringing their fronds and started shouting, “Hosanna in the Highest!”
Outside the Damascus Gate, to the east of the city, the disciples on the Mount of Olives were waiting to rendezvous with Yahshua. We now have a whole group of disciples (talmidim), a mother donkey and her two-three years old colt. A blanket is put over the colt and Yahshua quietly puts his hand on the colt’s mane. This was the colt’s first riding experience. The quietness of the Master was transmitted to the colt as He mounts and they begin the descent into the Kidron Valley into the city.
In unison, as cued by the Rabbi Yahshua, the disciples begin to shout, “Hosanna in the Highest! Blessed is He who comes in the Name of our Lord!” The flocks of pilgrims join in the chant as Jesus and the talmidim (disciples) went around the northern part of the Temple Mount, below the base of the Antonia Fortress towards the Gate of Damascus.
In the meantime, the Caiphas, the High Priest, has now exited the Northern Damascus Gate and was heading out to the fields to inspect the flocks of yearling lambs. The chant intensified, the cohanim at the Gate hear the chant and began to shout, “Hosanna in the Highest! Blessed is He who comes in the Name of our Lord!” The chant now cascaded like a domino down the Damascus Street all the way to the wall to the Temple Mount. Suddenly, the cohanim at the gate realize, they have been fooled. This was not the return of the High Priest. This was Rabbi Yahshua and his disciples. Some of the Shammaite Pharisees, the dogmatic sticklers of church protocol and defining the letter of the truth, challenged Jesus, “Teacher, rebuke your disciples.” Jesus shouts back to them over the swelling cries of the multitude, “If these were silent, the very stones would cry out.” (Luke 19:40)
The people began to flock out of their homes, grabbing their palm fronds outside the doors and the shouting swelled throughout the city. Anticipation was high! The whole land had heard of the teachings of the great Rabbi Yahshua. Was this not a Sabbatical year, a special year in which the whole land rests? Were not rumors abounding throughout the land that the messiah would come in the on the Shabbat of years?
Not only was it a Sabbatical year, it was a Sabbatical Passover, which only occurred every seven years, the Highest Passover when pilgrims throughout the Diaspora flocked to the Holy Land. The city was swollen with pilgrims throughout the world; Macedonia, Crete, Parthia, Rome, and Ethiopia. Each pilgrim from their own countries, each with their strange costumes akin to their native land, many trying to remember a bit of Hebrew they rarely used, occasionally breaking into the tongue of their land of residence, all producing a cacophony of sound and sight.
Solomon’s Porch in the Temple of Herod – by EBible
You can almost see a cohanim, rocking back and forth with their palm fronds, breaking the rhythm, leaning over and peering up the street. Where is the priest? Where is the Lamb? Suddenly they see. What! “Rabbi Jesus riding a colt. followed by mother ass. and a whole entourage of His disciples!” What is this!
The crowd became ecstatic; the town was in a tumult. They shouted, “Hosanna in the Highest! Blessed is He who comes in the Name of our Lord! Blessed be the kingdom of our father David that is coming! Hosanna in the Highest!” Jumping in glee they threw off their cloaks, so that the messiah could ride over on a garment-laden path. Yes, said the Zealots, this is our man! We have sealed the perimeters of the city, and the revolt is ripe to take the city in the name of HaShem. Yes, said the Sicarii, we have waited for him. Now we can destroy the hated Romans and the traitorous Temple leaders, the Herodians, and the Sadducees, who have played into and have been bought by the blood money of the Romans. Yes, said the peasants and the populous! Here is the messiah, who will bring in the Kingdom of the God of Israel. The crowds thronged behind Yahshua as He headed south to the Temple Mount and the Royal Stoa. The people, the cohanim were swept up in vast tide of humanity. Guess what?
Caiphas, the High Priest was returning from the northern fields with the Passover Lamb in hand and as he entered the northern Damascus Gate, the street was empty. What’s going on! When he hears that Rabbi Yahshua has entered the city as a royal aspirant to the throne of David, the messiah who is come, and he was furious. Type met antitype at this moment. The Passover lamb met the Lamb of God.
Yahshua on the other hand, passed under the Robinson’s Archway of the Royal Causeway and dismounted at the base of the assent to the Royal Stoa of the Temple. Up the vast gateway he climbed. This entry gate was awe-inspiring with polished limestone capped with fold plated Corinthian capitals. Into the Royal Stoa, he strode. It was a long hallway straddled out before him with four broad columned aisles. There in the quietness of the Royal Stoa, in the stillness of the hour, in the Temple of his Father, He prayed. It was getting late, so He left the Temple and walked over to Bethany.
Openbaring 14
Nadat aan het begin van dit hoofdstuk het Lam op de berg Sion - dat is het tempelgebied - is verschenen met zijn 144.000, kondigen 3 engelen aan resp. (a) een eeuwig evangelie, (b) de val van Babylon en (c) het oordeel over hen die het teken van het beest aanvaarden, want ze zullen drinken van de wijn van Gods gramschap.
Dan verschijnt Christus met kroon en scherpe sikkel op de wolk als een mensenzoon.
Dan weer 3 engelen resp. (a) uit tempel (wsl. die op aarde) .. zend uw sikkel uit - de oogst van de aarde is rijp, (b) uit de tempel in de tempel in de hemel (ook met een scherpe sikkel), (c) uit het altaar (wsl. in de hemel) die roept dat Hij de sikkel uitzendt voor de wijnoogst.
vs. 1-5 het Lam met zijn vrijgekochten op de berg Sion
Als hier sprake is van de berg Sion, dan is de Olijfberg vast al geweest en is de terugkeer dus al een feit.
vs. 6-13 - aamkondiging van het oordeel
vs. 14-20 de oogst
Gaat het hier om de oogst van de gemeente, wat velen menen? Glashouwer/Verwey geven aan dat hier om de oogst van een goddeloze wereld gaat. De aarde wordt bevrijd van de goddeloze volkeren.
In Mt. 3:12 en Lk. 3:17 gaat het om het scheiden van kaf en koren (dorsen), maar kaf is wel onderdeel van het goede koren. In Mt. 13:24-35 gaat het om het scheiden van het onkruid van de goede tarwe (oogst).
In dit gedeelte geeft de scherpe sikkel, het feit dat er niets van binnenhalen is te zien zoals b.v. bij de grote schare en de grote persbak van gramschap Gods aan dat het om een negatieve veld en druivenoogst gaat. Dit loopt parallel met Mt. 13:40-43, Jer. 51:33, Joel 3:12-13. Ook gaat het hier om mensen die gezeten zijn op aarde, niet vrijgekocht van de aarde zoals de 144.000
De grote 144.000 zijn verzegeld op aarde (zijn dit misschien de eerstelingen van de oogst die in de tempel worden gebracht?), de grote schare is in de hemel, de aanbidders zijn in de tempel, al het goede is veilig. Nu wordt er bij het binnenhalen hier en daar nog goede tarwe gevonden ... dat zijn zij die het zegel van het beest weigeren.
De perskuip wordt buiten de stad, dat is nabij Jeruzalem getreden. D.w.z. dat Jeruzalem lijkt te worden aangevallen en ontzet door Christus. De valse wijnstok wordt verwijders (Dt. 32:32-33 en Jer. 2:21) en de ware wijnstok met zijn ranken komt er voor in de plaats. Zie Hos. 2:11 Ik zal verwoesten haar wijnstok. Uit Joel 3:1-2 ,12-14kunnen we afleiden dat dit gericht zal plaatsvinden of (a) aan de oostzijde van Jeruzalem in de Kidronvallei, dat ook wel dal van Josafat, of (b) ergens aan de westzijde van de dode zee war men denkt dat het slagveld van Josafat volgens sommigen zou geweest zijn (2 Kron 20). De lengte van 1600 stadien (Gemidd. 185 mtr) in vs. 20 zou kunne overeenkomen met de afstand tussen Megiddo en Edom (rond 300 km), waarom men ook wel denkt dat de slachting over die afstand zal plaatsvinden. Lees ook Jes. 63:1-6.
De slag van Harmageddon moeten we mogelijk meer plaatsen bij Op. 19:11-16, die in Op. 16:15-16 wordt aangekondigd.
vs.1
Wat moeten we denken over verzoening van het land Op. 17:6 en ?
Jullie mogen het land waarin jullie je bevinden niet ontheiligen/bezoedelen, want het bloed ontheiligt het land en over het land mag geen verzoening gedaan worden voor het bloed, dat daarin vergoten is, dan alleen door het bloed van degene die dat vergoten heeft.
Openbaring 15
Openbaring 16
De tien koningen die opkomen van de opgang van de zon
Al in 1968 liet de zgn. Club van Rome, een bijeenkomst van 75 vooraanstaande indystriëln, econ9men en wetnschppers uit 25 landen weten dat we naar een nieuwe wereldorde toe moesten met één enkele regeringsvorm.
Op 17 september 1973
(Zoeklicht jrg. 97 nr. 3 -Armand Gimbrère)

Geweerd opm YouTube: geen stimulans tot bidden voor genezing
Berlijn ‘House of One’ - 3 religies 47 miljoen klaar in. 2025
7 verborgenheden of geheimenissen
1. God geopenbaard in het vlees. (1 Tm. 3:16)
2. de inwoning van Christus. (Kol. 1:26, 27 vgl. Gal. 2:20, 1 Kor. 12:12)
3. de vereniging van Joden en volken (Ef. 3:4-6, Ef. 2:14)
4. de Gemeente als Bruid van Chrsitus (Ef. 5:31-32)
5. de Opname van de Gemeente (1 Krpo. 15:51-52) vgl. 1 Th. 4:16-17
6. het herstel van Israël (Rom. 11:25-26)
7. het geheimenis van de ongerechtigheid (2 Th. 2:7) Op. 13:18
Openbaring 17
Openbaring 18
The Whore of Babylon
The whore of Babylon seems to be a very big part of the final Babylon. So I would like to start from the original Babylon and find out who was or should be considered the whore of Babylon. The obvious first choice is the goddess Ishtar. Her pre-goddess name was Semiramis. She was the wife of Cush, and the mother of Nimrod. She seemed to be quite arrogant and immoral. When Cush, died and Nimrod took the throne, she did the unthinkable to stay in a position of power. She married her own son. So, this woman became the wife and mother of Nimrod, and also the mother of Nimrods son, Tammuz. Tammuz shows up in the Bible in the book of Ezekiel.
Ezekiel 8:14
So He brought me to the door of the north gate of the Lord’s house; and to my dismay, women were sitting there weeping for Tammuz.
Nimrod eventually died and became deified as the Sun-god. It was at this point she, Semiramis, gained control of Babylon. She used seductive and immodest methods to keep her position of power. Her territory of Babylon was characterized by the harlot or prostitute sitting on and riding a bull. This shows that she was united with but also controlling the beast. That being said, she was literally depicted as a woman riding a beast. This very same imagery is what we read in the book of Revelation.
Revelation 17:3
… And I saw a woman sitting on a scarlet beast…
After her death, she was also deified as the Queen of heaven, the moon goddess, and the goddess of fertility. There are many ancient cultures that adopted this goddess throughout the ancient world.
This goddess became known by many names throughout the ancient world and cultures.
In the Old Testament and the "ancient pagans" Semiramis is the goddess of the Sidonians as we find in the book of 1 Kings 11:4-5. Amongst the Israelites she was known as Ashtoreth.
1 Kings 11: 4-5
For it was so, when Solomon was old, that his wives turned his heart after other gods; and his heart was not loyal to the Lord his God, as was the heart of his father David. For Solomon went after Ashtoreth the goddess of the Sidonians, and after Milcom the abomination of the Ammonites.
We find in the New Testament scriptures she is Diana of Ephesus.
Acts 19: 35
And when the city clerk had quieted the crowd, he said: “Men of Ephesus, what man is there who does not know that the city of the Ephesians is temple guardian of the great goddess Diana, and of the image which fell down from Zeus?
She also takes on the roles of Isis in Egypt, Indrani in India, Cybelle in Asia, Venus in Rome, Ceres in Greece, Shing Moo in China, Hertha in Germany, Sisa in Scandinavia, among others. But this is the very woman that was Semiramis, the wife and mother of Nimrod, the queen of Babylon, the queen of heaven, and the goddess of fertility"
Quick recap: Semiramis became the goddess Ishtar. She was known for her harlotry. She was a woman that was so arrogant and desperate for power she married her own son. She seems to fit the bill of the mother of all harlots.
I highlighted Cybelle because I believe it is important to understand that the black stone has never been found in any excavations in Rome. This could mean one of two things, either we have yet to search the right place and we have no idea where that might be, or two, it was stolen or moved a long time ago and has possibly already been found but is now associated with another god or goddess.
It wasn’t until her death and deification that she really spread throughout the ancient world. In the Hindu pantheon she is known as Sri Bali. This is significant because it shows that she not only travelled to Ephesus as we read in the bible, but also her legend reached India, along with other parts of Asia Minor and the Middle East. The reason this is important is twofold. First, the Kaaba, and second the black stone.
The black stone is directly associated with the goddess Ishtar as well as Diana, Cybelle, and Ashtoreth. We read about Diana’s association with this “image”, which is also translated as stone in versions other than King James. Strong’s Concordance also translates the name Jupiter as Zeus, in the book of Acts. Although it seems that the word image was inserted into the scriptures, we know from mythologies, histories and legends that Artemis was associated with a stone. The stone, in 204 BC was moved to Rome, which is where we get the goddess Diana. According to one non-profit organization the “earliest temple contained a sacred stone, probably a meteorite, which had "fallen from Jupiter." It is quite interesting that the non-biblical/non-profit organization uses the same words we find in the King James Version of the Bible. We also know that the Temple of Artemis was destroyed several times, at some point after that the stone is lost, but it shows up in Mecca in 630 AD. How do we know this? It was found inside the Kaaba by none other than Muhammad.
The Kaaba itself was originally a Hindu temple that was taken over by Muhammad. Before Muhammad ever showed up to Mecca, the Kaaba was already there, and it was surrounded by 360 idols. One of the gods was known as Hubal, the moon god, whose worship was connected with the Black Stone of Kaaba. Among the major deities of the pre-Islamic era were al-Lat ("the Goddess"), worshipped in the shape of a square stone. The name Allat, is very close to the name Allah. But to take it a step further, the name Allah was used for god in many different cultures because the name Allah simply means god. The moon-god named Sin was also called Allah. Evidence gathered from both North and South Arabia demonstrate that Moon-god worship was clearly active even in Muhammad's day and was still the dominant cult. According to numerous inscriptions, while the name of the Moon-god was Sin, his title was al-ilah. In the Hindu histories, we find that Allah was one of the deities in Kaaba long before Islam was founded. It might come as a stunning revelation to many that the word ‘ALLAH’ itself is Sanskrit.
In Sanskrit language Allah, Akka and Amba are synonyms. They signify a goddess or mother.
It seems very likely that Muhammad came in to Mecca, overthrew their power, replaced polytheism with monotheism, kept the traditions that were already in place but altered it just enough to represent a one god system.
At the time of Muhammad, his tribe, the Quraysh, was in charge of the Kaaba, which was at that time a shrine to numerous Arabian tribal gods. Desert tribesmen, the Bedouin, and inhabitants of other cities would join the annual pilgrimage, to worship and to trade. This shows that the fifth Pillar of Islam was already being practiced before the Islamic religion.
References to Mecca in the Quran (6:92, 42:5) call it Umm al-Qurā, meaning "mother of all settlements”. That being said, Mecca literally means mother. Going back to the previous paragraphs, not only do we see Mecca meaning mother, but also the name Allah itself in the Sanskrit language. What does the Bible call Babylon the Great?
Revelation 17: 5
… THE MOTHER OF HARLOTS…
Another ritual practiced by Muslims in Mecca is the walking around the Kaaba seven times. This comes directly from the Hindu religion. It is called circumambulation. Circumambulation simply means to walk around ceremoniously. No other Muslim temple in the world does this. It is only done at the Kaaba, which houses the stone of Diana.
To pull this whole thing together, we can see several things come to light about Islam, and about the whore of Babylon. Ishtar was the original whore of Babylon. In no other place in the world is Ishtar still being worshipped but in Mecca. If we consider all of Islam as beast, then we can undoubtedly say that Saudi Arabia, specifically Mecca, is the home of the whore of Babylon, Ishtar.
EXODUS 34:13 zie uitgebreide noot over Elat de vrouw van El (deot denken aan Eilat Hebreeuws).
In het algemeen wordt verondersteld dat er een lijn getrokken kan worden vanaf de Ugaritische godin Athirat (de vrouw van El en daarom ook wel betiteld als Elat, met als volledige titel ‘zij die door de zee schrijdt’ of ook wel ‘de schepster van de goden’, anders gezegd de moedergodin, (waarvan geschreven wordt dat ze 70 zonen had), naar de Mesopotamische godin Ishtar en naar de Hittische godin Ahsertu en de Foenicische en Kanaänitische godin Asherah en vandaar weer naar de Griekse godinnen Hera en Aphrodite en de Romeinse varianten Juno (‘koningin van de goden’, ‘beschermster van moeders en van het huwelijk’ en zowel zuster als vrouw van de hoofdgod Jupiter) en Venus (de ’vruchtbaarheidsgodin’ en ‘de godin van het vrouwelijke en van het geluk’).
THE WHORE WALID JOEMBLATT
https://en.wikipedia.org/wiki/Kiswah
Kiswah (Arabic: كسوة الكعبة, kiswat al-ka'bah) is the cloth that covers the Kaaba in Mecca, Saudi Arabia. It is draped annually on the 9th day of the month of Dhu al-Hijjah, the day pilgrims leave for the plains of Mount Arafat during the Hajj.[1] The term kiswah is Arabic for 'pall', the cloth draped over a casket, and is a cognate of the Hebrew word kisui.
"Look at my lover as she changer her dress" - dit wordt gezongen
De Ka'aba wordt beschouwd als een vrouw.
http://shoebat.com/2014/08/25/isis-worships-vulva/
Indeed, if you listen to the ISIS ‘national anthem’ what you will find is pure vulva worship:
Here are the words:
أبو بكر يا بغدادي يا مرهب الأعادي
Abu Bakr ya Baghdadi ya murhab al-a’adi
حور الجنان تنادي سجلني استشهادي
Hur el-ein bit-nadi sajjilni istishhadi
O sorry, I forgot, you don’t read Arabic. Here’s how it goes:
“Abu Bakr O Baghdadi. Thou terrorize the enemy.
The Huris are calling. So register me as martyr”
This is the first statement in their “national liturgy”.
The Huris are the wide-eyed virgins in heaven, so the Jihadi’s call is to be registered on the waiting list of wannabe martyrs so they can go upstairs to have eternal sex with the wide-eyed virgins.
I had asked my father once, what does Allah do in heaven while these eternal orgies are going on with virgins who can even instantly regain their virginity (I call these ziplock virgins).
He thought about it for a few moments and said “We will listen to Allah giving us speeches during the breaks”.
“No one dies for a speech” I replied.
Jihadis die for the vulva, its their god.
The vulva worship in Islam was conceived from pre-Islam, way way back. Why else would their Ka’ba be called Bab-Illah (Babel) and why is its black stone housed in a vulva?
And why even God himself in the Bible minced no words when he talked of a “whore” (please send your complaints to God) in a desert? The Ka’ba in Islam is exactly what is described by John who talked about a prostitute in a desert in Revelation 17:3.
If the Ka’ba is not about some whore, why do Muslims even view it as a woman? One Muslim writes a poem depicting the Ka’ba as his lover and he even literally calls her Bab-Illah (Babel) “the Gate to Allah”. He titles his poem “Look at my lover and your lover as she changes her dress”, speaking of when the black Kiswa dress which Muslims take special care to first make sure she is dressed first while un-slipping her older garment lest she is seen naked. Watch carefully how the older Hijab garment slips from beneath (start at 1:45):
The poet is enamored with the Kaaba as if she is a woman:
“I tremble in Thy beauty
Yearning to Thy black silk
Thy excellent belt a verse included
From the Quran a splendid writ
Granting Thee from Allah’s throne a high esteem
Which should suffice
He named Thee His Gate
He even loosened from Thy splendid robe pride
To dress Thee in splendor and majesty” (1)
Islam really is rooted in naturism. Allah is a product of the Venus goddess Athtar, and is the male counterpart to the earth goddess Allat. The Blackstone itself, the holiest idol in Islam, was originally a fertility symbol, being still place in a frame shaped in the form of a vulva.
If in doubt how sex craved these demons are just go to the source itself to see how much Islam is filled with instructions on weird sex:
2.1 Men can rape female slaves and captives
2.2 Men can rape female captives in front of their husbands
3 Al-‘Azl (coitus interruptus)
3.1 When having sex with captives, it’s better if you don’t pull out at the end
3.2 It’s okay to practice ‘azl when having sex with your slave-girl
.
5.1 Men can enter if they give Muhammad what is between their legs
5.2 Men are rewarded with undefiled virgins
5.3 Men will have 72 virgins each
5.4 But the number of virgins in paradise is limitless
5.5 The virgins will have firm breasts
5.6 And appetizing vaginas
5.7 Men will be given the sexual strength of 100 persons
5.8 A man’s penis will remain ‘ever-erect’
.
6 Muhammad
6.1 Has sex with 11 wives in 1 night
6.2 Was given the sexual power of 40 men
7 Aisha
7.1 Muhammad has sex with her aged only 9
7.2 Muhammad sucks her tongue
7.3 Muhammad surprises her
7.4 Muhammad fondles her
7.5 Muhammad ‘thighs’ her
.
9 Pedophilia
9.1 Is permitted by the Qur’an
9.2 Pre-pubescent widows
10 Miscellaneous
10.1 Companions of Muhammad masturbated during Jihad
10.2 Anal sex is forbidden
10.3 No prescribed punishment for zoophilia
So next time you hear Allahu Akbar, remember, they praise the sex god.
SOURCES
(1) http://www.startimes.com/?t=32625937 translated by Walid Shoebat
http://islammonitor.org/index.php?option=com_content&id=3343:mystery-babylon-and-the-scarlet-whore
Openbaring 19
Het kan moeilijk anders dan dat het hier gaat om Jezus Christus die komt om de antichrist te oordelen
Dave Hunt (WKJ) denkt dat Hij ook komt om Israël te redden, maar heeft Hij dat al niet gedaan?
Het evangelie is toch allereerst aan de Joden verkondigd?
Openbaring 20
Velen geven als commentaar dat de term 'duizendjarig rijk' niet voorkomt, wat naar de letter genomen klopt, maar in vs. 7 staat duideljk dat de opgestane martelaren die onthoofd zijn ivm. hun weigering het beest te aanbidden en dat ze het merkteken niet op hun voorhoofd en hand ontvangen hadden, samen met Christus zullen heersen die duizend jaren lang. Als dat geen 1000-jarig rijk is?
Velen geven het getal 1000 jaar een symbolische betekenis ... het is een lange periode (b.v. de periode dat de gemeente van Christus op aarde is ... Augustinus en de Reformatie in zijn voetsporen) of (b.v. Strengholt het is een goddelijk getal voor de dag des Heren (immers zegt Petrus 1000 jaar is als een dag ...) een korte periode waarin (nog steeds Strengholt) "het regeren niet gaat over steden bouwen, landen besturen, heidenen met een ijzeren knots hoeden. Het gaat over de korte tijd van oordeel over de vijanden van de kerk, waarbij de martelaren een regerende rol spelen. Het moment van Gods verbondswraak over de vijanden en eeuwige zegen over zijn heiligen." Vlg. hem zijn de martelaren hier dezelfde als die onder het altaar in Op. 6. De woorden moeten niet als 'historisch' worden gezien maar als literair en wel met betekenis en een zeker waarheidsgehalte. Zo zegt men 'wie heeft er nu een sleutel van de afgrond of van het dodenrijk, kan de duivel met een ketting worden vastgelegd (hun antwoord 'nee', maar hoe zo dat, is mijn vraag?) Jezus spreekt zeker in beelden, maar is niet waardig om dit soort vragen te stellen met dan de suggestie dat ze niet historisch zijn.
Strengholt poneert dat de de tronen in 20:4 waarop zij zich zetten, de tronen van de 24 oudsten uit Op. 4 zijn en dat deze het oordeel wordt gegeven over de martelaren en vervolgens over de gelovigen die geen martelaar zijn geworden en die ook koningen en priesters zullen worden. Waar staat dat aan mensen het oordeel over het al of niet opstaan uit de doden is gegeven? Waarom vergeet de Strengholt dat Jezus met zijn heiligen komt, dus die zijn al opgestaan (zie ook 1 Th. 3:13)
Een andere optie is dat de tronen zijn voor die martelaren die onthoofd zijn. Dat staat inderdaad op het eerste gezicht verkeerd om, maar taalkundig is het zeer aannemelijk, dunkt me en ook inn de samenhang van deze tekst.
Strengholt zegt dat de plaatsbepaling van dat 1000-jarige rijk niet duideljk is en Jeruzalem kan het beslist niet zijn, want dat is meer als Sodom en ja, het is Babylon want in Openbaring 11:8 werd Jeruzalem ook al Sodom en Egypte genoemd. Dus kan Jeruzalem niet de geliefde stad zijn. Ja, hoe kan God ertoe komen voor een Sodomitisch, Egyptisch, Babylonitisch mens als ik zijn Zoon te geven? Dat gaat erbij een mens niet in, tenzij het hem door de Heilige Geest Wordt geopenbaard.
In Strengholts denken is 1000 jaar de dag des Heren, waarin niet de Joden 'in het gelijk' worden gesteld, maar de gemeente van Jezus Christus, dat Jezus juist de slachtoffers van de synagoge zal rechtvaardigen ... "Gods oordeel over die stad en het volk is rechtvaardig, laat God aan Johannes zien, want ze hebben zich door de duivel laten misbruiken om het plan van God tegen te staan en de Messias en diens volgelingen te doden." Het klinkt hard uit de pen van Strengholt, maar Deut.28-30 kunnen we hier veel over lezen en ook bij Stefanus (Hd. 7:51-53) en in 1 Th. 2:15-16. Twee dingen laat Strengholt hier onbesproken nl. de vele en vele beloften van een herstel van het volk Israël en de Romeinse bijdrage aan de kruisiging, dat is die uit de volken en dat tot nu toe door hun ongelovig hart. Door dit weg te laten kan het niet anders dan dat men op een onevenwichtige lezing van de bijbel uitkomt en zijn onevenwichtigheid leidt er zelfs toe dat God en Magog de Joden zouden kunnen zijn, die de gemeente aanvallen ..
---- PHIL
Ps. 149:6 spreekt ervan dat de heiligen met Christus de volken zullen oordelen bij zijn wederkomst
1000-jarig rijk
Als de satan al nu gebonden was dan hoefde de Heer niet terug te komen om de aarde te ontzetten en zijn koninkrijk hier op aarde te vestigen. (Tyman Jongman - www.wieisdeantichrist.nl).
1 THESSALONICENSEN 4:13-5:11
Strengholt past bv. Ez. 34:11-16 over de verloren schapen van Israel toe op de gemeente die dan bijeen gebracht zouden worden en koppelt dat aan de schapen en bokken in Matth. 25. Echter Ez. geeft een herderlijk beeld en Mt 25 een oordeelsbeeld.
Slapen is afwezig zijn uit het lichaam maar tegenwoordig bij Christus (2 Cor. 5:8)
Het opstandingslichaam moet nog komen.
Strengholt benadrukt dat het geen geheime gebeurtenis is (immers geroep van een aartsengel en een bazuin Gods). De enige aartsengel in de bijbel is Michaël Dan. 10:13 en 12:1 en Judas 9 (toen hij in twist met de duivel was gewikkeld over het lichaam van Mozes).
Iedere week wordt in de synagoge gelezen: ""Sound the great shofar for our freedom, and raise the banner to garther our exiles, and gather us fromthe four corners of the earth.Blessed are you, Adonai, who gathers the dispersed of the people Israel."
Strengholt : hij vetrok met de wolken hij komt terug met de wolken. De gelovigen gaan hem bij de intocht tegemoet. Jael. in de lucht, maar gelijk mee naar de Olijfberg.
Van het web
The sound of the shofar on Rosh Hashanah is an extension of the sound of the shofar from Mount Sinai, as it says, "There was the sound of a shofar, increasing in volume to a great degree." (Exodus 19:19)
The shofar's blast is growing louder with each generation and each year, until we shall ultimately hear, with G-d's help, the sound of the "great shofar" mentioned in Isaiah 27:13:
"On that day, a great shofar shall be blown. They who were lost shall come from the land of Assyria, and they who were dispersed from the land of Egypt, and they shall worship the L-rd in the holy mountain at Jerusalem."
"Happy is the people that knows the shofar's blasts. They walk, O L-rd, in the light of Your countenance." (Psalm 89:16) The sound of the shofar serves to teach, to remind and to imbue within us the marvelous awareness that "the L-rd is good to all, and His mercy is over all His works." (Psalm 145:9) Thus, goodness shall triumph, and is triumphing already.
Studie EMMAUS
Hun zorg betreft de al ontslapen christenen. In het Nieuwe Testament kan ‘slapen’
zowel slaan op de normale lichamelijke rust (vgl. Matth. 28:13; Joh. 11:12) als op het
gestorven zijn van een gelovige (vgl. Matth. 27:52, Joh. 11:11-13, Hand. 7:60, 1 Kor.
7:39; 11:30, 15:6, 18, 51, 2 Petr. 3:4). In Johannes 11:12-13 denken de discipelen
eerst dat de Heer Jezus spreekt van de lichamelijke slaap, uit het vervolg blijkt dat
Hij spreekt over de doodsslaap.
Deze woorden ‘slaap‘ en ‘slapen’ worden nooit gebruikt voor de ziel. De Bijbel biedt
geen enkele grond voor de valse leer van een z.g. ‘zieleslaap’. De ziel van een ontslapen
gelovige is zich na het sterven niet meer bewust van het leven op aarde (zie
Job 7:9-10; Pred. 9:5-6; Jes. 63:16), maar is zich wél bewust van de heerlijkheid, die
hij zojuist is binnengegaan (Luk. 16:19-31; 2 Kor. 5:8; Fil. 1:21-23; Op. 7:15-17).
Uit Hand. 7:60 weten we dat als Stefanus ontslaapt en zijn lichaam op aarde achterblijft,
zijn ziel en geest op hetzelfde ogenblik bij de Heer Jezus zijn.
Het hevige verdriet van de gelovigen in Thessalonika werd niét veroorzaakt door
zorg over de toestand van de ziel en geest van hun al ontslapen medegelovigen,
maar door onzekerheid over hun lichaam. Is de gezegende hoop, die zij als levende
gelovigen hebben, ook nog voor hen?... En zo ja, hoe dan?....
Het geheimenis van de opname omvat twee elementen:
a. Het eerste element is dat de ontslapen christenen vóór de Grote Verdrukking
worden opgewekt en samen met de levende christenen van de aarde opgenomen.
De opstanding van doden is bekend in het Oude Testament (1 Sam. 2:6; Jes. 26:19;
Dan. 12:1,2) Daarvan getuigt ook Martha, de zuster van Lazarus (Joh. 11:24). Deze
oudtestamentische heiligen zullen pas worden opgewekt ná de Grote Verdrukking.
b. Het tweede element is de opname zelf. Oudtestamentische heiligen weten dat de
Messias zal komen, de gestorvenen opwekken, zijn koninkrijk oprichten en Israël en
de volken richten. Opstanding van doden is bekend. Maar van Genesis tot Maleachi
vinden we geen enkele aanduiding van een gedééltelijke opstanding. Na het volkomen
stilzwijgen van het Oude Testament hierover is de openbaring van dit geheimenis
aan Paulus van een opstanding uit de doden des te groter.
De eerste is de stem van een niet nader genoemde aartsengel. Het accent ligt niet
op de naam, maar op zijn waardigheid, macht en taak. Lichamelijke opstanding uit de
doden is één van de grootste hemelse ingrepen in de geschiedenis der mensheid.
Hoe belangrijk dit is wordt onderstreept door deze hoge representant van hen, die
Gods bevelen volvoeren. Engelen zijn dienende geesten, die uitgezonden worden te
dienste van hen, die het heil zullen beërven (Hebr. 1:14). In het Oude Testament zien
we al, hoezeer Gods heilige engelen zijn geïnteresseerd in het heil, dat Hij bereidt voor
mensen, die Hem naderen op de door Hem aangegeven wijze (Ex. 37:9). De komende
opname is niet alleen de glorieuze voltooiing van de heiligmaking van individuele gelovigen,
maar ook de heerlijke voltooiing van Gods gemeente. Geen wonder dat de stem
van een aartsengel meeklinkt in de aankondiging van deze enorme overwinning over
de Satan, die zonde en dood introduceerde in de wereld!
Het tweede, wat gehoord wordt naast de bevelende stem van de Heer, is de bazuin
van God. In het Oude Testament kondigt Gods bazuin aan dat Hij gaat spreken.
Trompetten roepen op voor de feesten en geven aanwijzingen in diverse situaties
(Ex. 19:13,16,19; Num. 10:1-10). Gods trompetsignalen zijn niet bestemd voor de
verloren wereld, maar voor Zijn volk. Zij moeten weten wat Zijn signalen betekenen.
Naar de hier genoemde bazuin van God ziet Zijn gemeente al eeuwenlang uit.
Sommigen koppelen de drie stemmen aan drie groepen; de gemeente, Israel en de
heidenen. Ze willen bij de opname de drie groepen van 1 Korinthiërs 10:32 betrekken.
We weerleggen dit slechts kort:
1. De Heer neemt alleen de gelovigen tot Zich.
2. Er staat niet: ‘de aartsengel Michael’, maar: ‘een aartsengel’.
Michael strijdt juist tegen Gods vijanden (Dan. 10:13,10:21; Jud. :1; Op. 12:7).
3. De trompet is geen door de Romeinen (heidenen) uitgevonden blaasinstrument,
zoals beweerd wordt. Bovendien klinkt bij de opname geen aardse trompet, maar
de bazuin van God.
4. In Mattheus 26:6 staat niets over het roepen van een engel.
Het door opname vertaalde Griekse woord is letterlijk: ‘wegrukking’. De Bijbel gebruikt
dit woord ook voor de bovennatuurlijke wegneming van Filippus (Hand. 8:39)
en de wonderbare wegvoering van Paulus (2 Kor. 12:2-4). En als we weten dat dit
ook gebruikt wordt voor de wegvoering van het mannelijk kind (Op. 12:5) beseffen
we nog beter, wat een krachtdadig ingrijpen van God de opname is. Temidden van
een steeds donkerder wordende wereld zien de gelovigen uit naar de Blinkende
Morgenster en vertrouwen op Zijn belofte dat Hij hen zal bewaren voor het uur der
verzoeking, die over de gehele aarde komen zal (Op 3:10, 22:16: 1 Thess, 1:10).
2 Thess. 2:1-12
a. Vóór we de eerste verzen van dit hoofdstuk bespreken, wijzen we erop dat de meeste
Bijbelgeleerden er op grond van bronnenonderzoek toe komen dat vers 2 niet luidt:
‘de Dag van Christus’, maar: ‘de Dag van de Heer’ (hè hèmera tou Kurion).
b. Ook is er vrijwel algemene eenstemmigheid over, dat er in plaats van: ‘de Dag is
aanstaande’, moet worden vertaald: ‘de Dag is al aangebroken’(enestèken).
c. Een punt van blijvend verschil is ‘hupèr’ in vers 1. Dit Griekse voorzetsel kan vertaald
worden met: ‘over’ of: ‘door’. De keuze, die men maakt, beïnvloedt de inhoud
en het verstaan van de hele paragraaf.
De Dag van de Heer (2:1-2)
Als we in vers 1 lezen: ‘over’ (met betrekking tot) en ook de twee andere algemeen
aanvaarde lezingen volgen, krijgen we: ‘ Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking
tot de komst van (onze) Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat u
niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting,
hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof
de dag van de Heer (al) aanbrak’.
Velen menen dat met ‘de Dag van de Heer’ en ‘de Dag van Christus’ hetzelfde wordt
bedoeld, maar de Bijbel maakt een scherp onderscheid tussen deze beide perioden.
1. De Dag van Christus breekt aan als de Heer Jezus al de Zijnen tot zich heeft genomen
en zij in grote vreugde samen met Hem in de hemel zijn (Fil. 1:6; 2:16).
2. Op de Dag van de Heer oordeelt Hij Zijn vijanden. Deze Dag wordt in het Oude
Testament 14x aangekondigd als een periode van oordeel en het Nieuwe Testament
bevestigt dit 6 x (o.a. in Am. 5:18-20, Sef. 1:14-18 en Hand. 2:20).
Deze oordeelsperiode begint met ‘de Grote Verdrukking’, het uur der verzoeking, die
over de gehele aarde komen zal (Matth. 24:21; Op. 3:10) en duurt tot het aanbreken
van ‘de Dag van God’; de eeuwige toestand (2 Petr. 3:12).
Als ‘de Dag van de Heer’ de tijd is dat God oordeelt over de aarde, is het volstrekt
ongerijmd dat christenvervolging bewijst dat de Dag van de Heer is aangebroken. Dit
gaat vierkant in tegen het onderwijs dat Paulus daarover heeft gegeven in Thessalonika.
Zij moeten zich op geen enkele wijze laten misleiden door valse leraren, die
zich nota bene durven te beroepen op een geestesuiting, een prediking of een brief
van Paulus, Silvanus en Timotheüs (v. 2).
De apostel zegt, dat de Dag van de Heer voor de wereld nog niet kan komen, omdat
Christus nog niet voor Zijn gemeente is gekomen. Onze ‘komende vereniging met
Hem’ is door de Heer Zelf duidelijk aangekondigd. Eerst moeten de doden in Christus
worden opgewekt, de levende gelovigen veranderd en allen in een oogwenk
worden weggevoerd, de Heer tegemoet in de lucht. (1 Thess. 4:15-17)
De Opname moet dus voorafgaan aan de Dag van de Heer, die de tijd is van toorn
en oordeel. Op die Dag zullen de koningen der aarde en de groten en de oversten
over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije zich verbergen in
de holen en de rotsen der bergen en zeggen tot de bergen en tot de rotsen: Valt op
ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en
voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan
bestaan (Op. 6:15-17).
Eerst moet de afval komen. Het Grieks benadrukt dit door niet zonder lidwoord te
schrijven: ‘afval’ - de gebruikelijke wijze om begrippen aan te duiden - maar: ‘de afval’.
Afval (‘apostasia’) is: ontrouw, oproer, opstand. Hier is het: geloofsafval. Wat dit inhoudt,
staat in 4 punten in vers 4: zich verzetten tegen God, zich verheffen tegen al
wat God of voorwerp van verering heet, zich zetten in de tempel van God, laten zien
dat men zelf een god is.
De komst van de mens van de zonde is voorzegd in de profetie van Daniël 11:36-39,
die wordt aangevuld en verduidelijkt door Openbaring 13. Dan is het geen verborgen,
van binnenuit werkend bederf meer, maar openlijke afval.
Het begrip ‘de afval’ komt alleen voor in 2 Thessalonicenzen 2:3. Zonder lidwoord
komt het voor in Handelingen 21:21 en 1 Timotheüs 4:1, resp. als zelfstandig naamwoord
‘afval van Mozes’ (de Mozaïsche wetgeving) en als werkwoord ‘afvallen van
het geloof’ (de geloofsinhoud).
Ten tijde van de kerkhervorming werd dit Bijbelgedeelte toegepast op het pausdom,
die dit zelf al eerder toepaste op de Oosterse Orthodoxe Kerk, die zich niet langer
aan haar onderwierp, en later op Mohammed, de stichter van de Islam. Anderen zagen
de profetie vervuld in Napoleon, Hitler en Stalin…
Om niet in dezelfde fouten te vervallen, moeten we zorgvuldig aandacht schenken
aan wat vers 4 ons leert over de kenmerken van deze mens, ‘die zich verheft tegen
al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel van God zet,
om aan zich te laten zien, dat hij een god is’. De afval van deze mens is zo volkomen,
dat hij niet alleen beweert god te zijn, maar dit ook doet in de tempel.
In 168 v. Chr. plaatste Antiochus Epifanes een altaar in de tempel te Jeruzalem. Hij
deed dit niét voor zichzelf, maar voor de Assyrische Baäl Hasjamaïmen. Bovendien
vergeten zij, die beweren dat hiermee deze profetie over de eindtijd is vervuld, dat
Paulus pas 220 jaar later(!) de Tweede Brief aan de Thessalonicenzen schreef.
In 168 v. Chr. werd evenmin de profetie uit Daniël 11:37 vervuld, die zegt: ‘Ook op de
goden van zijn vaderen zal hij geen acht slaan; noch op de begeerte der vrouwen
noch op enige andere god, want tegen allen zal hij zich verheffen’. Twee dingen wijzen
erop dat hij een afvallige Jood is. ‘De God van zijn vaderen’ zal hij niet vereren
en op de begeerte der vrouwen zal hij geen acht slaan. Hij erkent God niet en rekent
ook niet met Israels Messias, waarvan iedere Joodse vrouw heeft verlangd en gehoopt
dat haar zoon het beloofde zaad zou zijn.
Eeuwenlang heeft God hen opgeroepen de vreemde goden uit hun midden weg te
doen en de ganse dag strekte Hij Zijn handen uit naar een ongehoorzaam en tegenstrevend
volk (Rom. 10:21). De mens van de zonde zal de god der vestingen - de
god, die zijn vaderen niet gekend hebben - vereren met goud en zilver en edelgesteenten
en kostbaarheden’ (Dan. 11:38)
Deze ‘god der vestingen’ is niet de God van Jakob, die voor Zijn volk een toevlucht
en sterkte is (Ps. 46:2), maar de god, ‘die zijn vaderen niét gekend hebben’. Hij is de
laatste heidense heerser van de vier wereldrijken van Daniël 2 en 7, het eerste beest
van Openbaring 13. Aan hem geeft Satan ‘zijn kracht, en zijn troon en grote macht’.
Deze koning ‘doet wat hem goeddunkt, verhovaardigt zich en verheft zich tegen iedere
god, zelfs tegen de God der goden’ (Dan. 11:36). Hij eert alleen ‘de god der
vestingen’ (of: oorlogsgod), met wie hij zijn macht en eer deelt. Dit komt overeen met
het tweede beest uit Openbaring 13, die de incarnatie is van Satan; ‘de dief, die alleen
komt om te stelen, te slachten en te verdelgen’(Joh. 10:10).
Dit tweede beest is een satanische imitatie van de Heer Jezus Christus, die de Goede Herder
is, die op aarde kwam om voor ons Zijn leven te geven. Het tweede beest heeft ‘twee
horens als van een lam, maar spreekt als de draak’ (Op. 13:11). Dit maakt dat men hem op
het eerste gezicht houdt voor de Messias van Israel, de Heer Jezus Christus.
Maar zodra hij zijn mond opent, blijkt hij te zijn de mens van de zonde. Hij waagt het
tegen de God der goden ongehoorde woorden te spreken, zet zich in de tempel en
laat zich, samen met het andere beest, als god aanbidden (Dan. 11:36-37).
De weerhouder (2:6)
In vers 6 is de weerhouder een onpersoonlijke kracht. In vers 7 is het een persoon.
Dit is geen tegenstrijdigheid. De Schrift Zelf verklaart het ons. De weerhouder is de
Heilige Geest, die in het Nieuwe Testament zowel met het onzijdige voornaamwoord
als met het mannelijke voornaamwoord wordt aangeduid. In vers 7 staat ‘Hij’, dus de
persoon van de Heilige Geest, in vers 6 staat ‘wat’, voor de kracht die Hij uitoefent. In
vers 6 staat dat de kracht van de Heilige Geest, de mens van de zonde belet zich al
in volle kracht te openbaren, terwijl uit vers 7 blijkt dat gedurende de genadebedeling
de Persoon van de Heilige Geest de weerhouder is.
Omdat de mens van de zonde in vers 8 wordt genoemd ‘de wetteloze’, denken sommigen
dat de weerhouder de door God ingestelde overheid is, die het kwaad bestraft
en daardoor afremt (Rom. 13:4). De gemeente is de weerhoudende kracht, waardoor
het kwaad in de wereld nog niet tot volledige ontwikkeling kan komen. Zeker is dat
God zowel de gemeente als de overheid gebruikt in Zijn wegen met mens en wereld.
Sommige uitleggers menen dat het Romeinse wereldrijk de weerhouder was en toen
dat Rijk ten onder ging, het bederf van de christenheid zijn hoogtepunt bereikte. Dit is
onmogelijk uit de tekst af te leiden. Ten eerste openbaarde de mens van de zonde
zich toen niet. Evenmin kwam toen de Heer Jezus zichtbaar terug naar de aarde.
Maar Daniël en Openbaring leren dat aan het eind van de tijden der heidenen de wereldse
overheden hun macht zullen overdragen aan de mens van de zonde. Hieruit
blijkt dat niet de overheid de weerhoudende macht is, maar dat God wel de overheid
gebruikt om het kwaad in te dammen. Overheden zijn ingesteld om wetteloosheid te
weren, maar veel overheden rekenen nauwelijks of geheel niet met God.
De enige werkelijk weerhoudende macht op aarde is de gemeente, Gods woonplaats
in de Geest. De Heer Jezus zei: ‘U bent het zout der aarde’ (Matth. 5:13). De christenen
zijn Gods werktuigen om niet alles door de zonde te laten overwoekeren.
2 Thessalonicenzen 2:12 leert dat als iemand géén liefde heeft tot de waarheid,
waarmee men wél is geconfronteerd, dit moét leiden tot veroordeling. Het woord ‘allen’
maakt het onmogelijk, dat mensen die in de genadetijd het evangelie hebben
gehoord en verworpen, na de opname van de gemeente alsnog tot berouw en bekering
komen.
Dit is niet in tegenspraak met Openbaring 7:9-17, waar we lezen dat ontelbare aantallen
mensen voor eeuwig behouden zijn, omdat ze tijdens de Grote Verdrukking de
toevlucht genomen hebben tot de Heer Jezus. Hieruit moeten we opmaken dat zij
dan pas de waarheid van het evangelie horen en aanvaarden.
1 Vader, Zoon en Geest zijn absoluut gelijk en gelijkwaardig (door mij bijgevoegd)
Daarom vermeldt de Schrift hun Namen niet in dezelfde volgorde
Matth. 28: 19 Vader Zoon Geest
Joh. 14: 26 Geest Vader Zoon
Rom. 8: 15 Geest Zoon Vader
1 Cor. 12: 4-6 Geest Zoon Vader
2 Cor. 13: 13 Zoon Vader Geest
Ef. 1: 17 Zoon Vader Geest
Ef. 2: 18 Zoon Geest Vader
1 Petr. 1: 2 Vader Geest Zoon
1 Joh. 5 :7 Vader Zoon Geest
Matth. 3 :13+16+17 Zoon Geest Vader
Hebr. 10 7+9+5 Vader Zoon Geest
OVER DE 4 PAARDEN - een uitleg
Four Spirits of Heaven
In Zechariah 6:1-8, Zechariah is given a vision of four chariots, where each chariot has different color horses.
Zecharyah (Zechariah) 6:1-3
6 Then I turned and raised my eyes and looked, and behold, four chariots were coming from between two mountains, and the mountains were mountains of bronze.
2 With the first chariot were red horses, with the second chariot black horses,
3 with the third chariot white horses, and with the fourth chariot dappled, strong (steeds).
The translation of verse 3 is greatly debated, so let us look at it in the Hebrew.
|
Zechariah 6:3 3 with the third chariot white horses, and with the fourth chariot dappled, strong (steeds).
|
(3) וּבַמֶּרְכָּבָה הַשְּׁלִשִׁית סוּסִים לְבָנִים | וּבַמֶּרְכָּבָה הָרְבִעִית סוּסִים בְּרֻדִּים אֲמֻצִּים:
|
The horses of the fourth chariot are “b’rudim” (בְּרֻדִּים), which is translated in various ways. The King James Version renders this as ‘grizzled’, but Strong’s Hebrew Concordance renders it as ‘spotted’, as if by hail (i.e., dappled).
OT:1261 barod (baw-rode'); from OT:1258; spotted (as if with hail):
KJV - grisled.
When we look up the reference at OT:1258, we see that it is also a reference to hail, which makes ‘spotted’ or ‘dappled’ seem accurate.
OT:1258 barad (baw-rad'); a primitive root, to hail:
The other word that is translated in different ways is ‘amutzim’ (אֲמֻצִּים). Technically the word means simply ‘strong’, but the KJV renders this as ‘bay’ (i.e., a strong reddish-brown color).
OT:554 'amots (aw-mohts'); probably from OT:553; of a strong color, i.e. red (others fleet): (KJV – bay)
That ‘amutzim’ means strong is not contested. What is an issue is that this word is used in reference to the horses. Literally, סוּסִים בְּרֻדִּים אֲמֻצִּים translates to ‘horses dappled strong.’ We will talk more about this later, when we see similar horses again in the Book of the Revelation, except that the fourth horse is either ‘pale’ (as opposed to strong), or ‘green’.
Zecharyah (Zechariah) 6:4-5
4 Then I answered and said to the messenger (angel) who talked with me, "What are these, my master?"
5 And the messenger answered and said to me, "These are four spirits of heaven, who go out from their station before the Adon of all the earth.”
Verse Five tells us that the horses represent “spirits of heaven” that have gone out from their normal stations. In other words, these spirits have a rightful place in YHWH’s Kingdom, but they have to be rightly placed. This can be hard to understand because some of these spirits seem like the antithesis of the others. As we will see, these spirits are:
1. Red: Communism and (Democratic) Socialism.
2. Black: Capitalism and Free Market Economics.
3. White: Catholicism, Protestantism and ‘the Church.’
4. Dappled/Strong/Green: associated with Islam.
One might have difficulty imagining how some of these spirits can be of YHWH, but let us consider that when one has the right balance of sun, rain, heat and light, a garden can grow and also flourish. However, when any one of these things is out of balance, nothing good will grow. Too much sun, or rain at the wrong time and crops will be ruined: likewise when these spirits are set free to roam in disorderly ways, disorder is the result. Therefore let us look at how YHWH wants these spirits used, so there can be order in Millennial Israel.
In the Post-Millennial Return study we showed how the Lost Ten Tribes went to the literal and spiritual ‘north.’ Among others, one proof is that YHWH will have words proclaimed ‘towards the north’ when He calls Ephraim back to His land.
Yirmeyahu (Jeremiah) 3:12
12 “Go and proclaim these words toward the north, and say: 'Return, backsliding Israel,' says YHWH; 'I will not cause My anger to fall on you. For I am merciful,' says YHWH; 'I will not remain angry forever.’”
First the black horses (Capitalism) went to the “north country”; and then the white horses (which represent the Church) followed after the capitalists, much as the missions followed the pioneers, and the churches came soon after the settlers. No matter what one might think of ‘the Church’, YHWH says that these spirits (of capitalism and the church system) ‘gave rest to His Spirit in the north country’ (where Ephraim went).
Zecharyah (Zechariah) 6:6-8
6 “The one with the black horses is going to the north country, the white are going after them, and the dappled are going toward the south country."
7 Then the strong steeds went out, eager to go, that they might walk to and fro throughout the earth. And He said, "Go, walk to and fro throughout the earth." So they walked to and fro throughout the earth.
8 And He called to me, and spoke to me, saying, "See, those who go toward the north country have given rest to My Spirit in the north country.”
In verse 6, we also see the dappled horses (which represent Islam) go toward the south country. We might note that Islam originally spread southward into the Arabian Peninsula, and only later spread to the east and the west of the Land of Israel (and in general Islam’s spread has been mostly ‘southerly’).
Verse 7 also describes the dappled horses of Islam as ‘strong steeds’, which walk to and fro throughout the earth (rather than staying at their station). We are not told that these strong steeds gave YHWH’s Spirit rest.
Considering all of the destruction and death associated with Islam, some might find it difficult to understand how Islam is a spirit of heaven. The Muslims do not receive YHWH’s blessing because they worship the wrong elohim (‘All-h’). Their concept of justice is also incorrect because they do not have His Spirit (seeing as they reject His Son Yeshua). However, Muslims do seem to understand the importance of emulating their prophet. They understand that faith is not something to be played at, or ‘put on’ one day a week. They seem to get the concept that genuine faith demands the faithful to lead a devoted lifestyle (even if they have the wrong idea of what that ought to be).
In nations where Islamic Sharia Law is in place, the ‘faithful’ of Islam enforce their understanding of divine will. Muslims also seem comparatively eager to fight for their way of life, even if it means their death. These kinds of values are all clearly spelled out in the Torah; yet they seem to have fallen by the wayside in most mainstream Jewish and Christian societies. Yet if this spirit is of YHWH, then how much better if Yeshua’s followers were eager to take hold, and embrace it?
The red horses represent communism and democratic socialism (also called ‘progressivism’). In Communist China or in the former Soviet Union the color red is used to represent the worker, or the collective.
Collectivism is historically scorned by the capitalists in the West (i.e., the ‘north country’), because collectivism tends to destroy profit. Further, secular collectivism if often shunned by the Church precisely because of its secularity. Yet while anything not rooted and grounded in Yeshua ends up being co-opted by Satan, let us realize that the apostles (i.e. the Melchizedekian Order) clearly held to the believing collectivist model.
Ma’asei (Acts) 2:44-47
44 Now all who believed were together, and had all things in common,
45 and sold their possessions and goods, and divided them among all, as anyone had need.
46 So continuing daily with one accord in the temple, and breaking bread from house to house, they ate their food with gladness and simplicity of heart,
47 praising Elohim and having favor with all the people. And YHWH added to the assembly daily those who were being saved.
Another witness that the Melchizedekian Order held to the believing collectivist model is found in Acts 4:32-35. [In later chapters we will show how such believing collectivism must be ordered and structured. Just as the Levitical Order had to have structure, the Apostle Ya’akov was recognized as the servant-leader of the Melchizedekian Order on earth until his death.]
Ma’asei (Acts) 4:32-35
32 Now the multitude of those who believed were of one heart and one soul; neither did anyone say that any of the things he possessed was his own, but they had all things in common.
33 And with great power the apostles gave witness to the resurrection of the Master Yeshua. And great grace was upon them all.
34 Nor was there anyone among them who lacked; for all who were possessors of lands or houses sold them, and brought the proceeds of the things that were sold,
35 and laid them at the apostles' feet; and they distributed to each as anyone had need.
No priesthood, Levitical or Melchizedekian, can do its job properly unless it holds to the believing collectivist model. The Torah us to bring our tithes and offerings up to one central point (i.e., the Temple or Tabernacle), and then the monies are to be distributed fairly to all of the priests and the Levites from there. Without such a fair distribution, all of the jobs of the priesthood cannot properly be provided for.
Devarim (Deuteronomy) 12:5
5 "But you shall seek the place where YHWH your Elohim chooses, out of all your tribes, to put His Name for His dwelling place; and there you shall go.
6 There you shall take your burnt offerings, your sacrifices, your tithes, the heave offerings of your hand, your vowed offerings, your freewill offerings, and the firstborn of your herds and flocks.
7 And there you shall eat before YHWH your Elohim, and you shall rejoice in all to which you have put your hand, you and your households, in which YHWH your Elohim has blessed you.
There are many duties within a Temple. A priest or a Levite might be assigned to duties where they either interact with people, or do not interact with people. Either way, they must be able to devote their complete attentions to their duties, and rest assured that they will still receive a fair share of the tithes (so they can provide for their families). Without such a fair and equitable distribution, the entire system breaks down.
The Levitical Order only works when all of the tithes are brought up to one central location, and then are distributed fairly from there. Not surprisingly, this is also the only way for the Melchizedekian Order to properly perform its job (and this is probably why the apostles kept to it).
How ironic and grievous that the Ephraimite Movement has no desire to establish believing collectivism among the priesthood. Several of the mainstream churches (including the Catholic Church) understand the need for spiritual collectivism. All funds come up to one central point; and this allows them to distribute the monies as needed in order to fund missions, schools, universities, seminaries, shelters for the homeless and the needy, soup kitchens, outreach activities, and all of the myriad activities that can never be properly funded as long as there is no centralization of funds.
Centralization of funds is a prerequisite for both the kingship and the priesthood (whether Melchizedekian or Levitical). Notice that the duties of the kingship (i.e., the army) and the priesthood are analogous to the kinds of civil service functions that most governments perform. Centralization of funds is the right approach for these kinds of civil service work, because there is no way to put a price tag on these kinds of activities: they cannot be sold for a profit. Therefore, they must be backed by public spending. However, notice how the exact opposite is true for the private sector.
When centralization of funds is at its station in kingship and in the priesthood, it is productive of good. Further, when believing collectivism is at its station, the Orders of Melchizedek and Levi can perform their jobs much better.
Believing collectivism is appropriate for any and all ‘government sector’ type work in which the existence of a profit motive would be counter-productive. In later chapters we will explain how the priesthood should be responsible not just for Temple services, but also for the schools and the courts. [Because all available priests are needed at the Temple during the festivals, school and courts could be held away from the regular festival times.]
Because the concept of communalism is so attractive, socialists, communists and so-called ‘progressives’ attempt to apply it outside of the station YHWH has appointed for it in the kingship and the priesthood. While believing collectivism is necessary in government and civil service work precisely because it takes away the profit motive, when applied to the private sector it invariably causes damage.
The private sector depends on the profit motive for efficiency, and collectivization takes that profit motive away. In fact it gives no incentive to take risk or to work hard. Thus by trying to station the red horses (collectivism) where the black horses (capitalism) should be stationed, ‘progressive’ leadership can easily destroy the economy, and the government (which also depends on the economy for its taxes).
Revelation 6:1-8 also speaks of colored horses. First we see a white horse (the Church).
Hitgalut (Revelation) 6:1-8
6 Now I saw when the Lamb opened one of the seals; and I heard one of the four living creatures saying with a voice like thunder, "Come and see."
2 And I looked, and behold, a white horse. He who sat on it had a bow; and a crown was given to him, and he went out conquering and to conquer.
In the Nazarene Israel study we explain how the belief in Yeshua was debased from its Hebraic roots, and was tied to the Roman Empire. After that it became tied to the British Empire, and the various European empires, and also to the American (economic) Empire. Thus did the white horse go forth and conquer.
3 When He opened the second seal, I heard the second living creature saying, "Come and see."
4 Another horse, fiery red, went out. And it was granted to the one who sat on it to take peace from the earth, and that people should kill one another; and there was given to him a great sword.
Because the red horses are not at their station, the communist governments have killed millions of people in their revolutions and wars. Millions died in Soviet Russia, in the Chinese Revolution, in Cambodia, Laos, Vietnam, Korea, and in other places.
5 When He opened the third seal, I heard the third living creature say, "Come and see." So I looked, and behold, a black horse, and he who sat on it had a pair of scales in his hand.
6 And I heard a voice in the midst of the four living creatures saying, "A quart of wheat for a denarius, and three quarts of barley for a denarius; and do not harm the oil and the wine."
He who rides the black horse of capitalism holds a pair of money-scales in his hand, to measure out the price of goods in gold and silver. The black horse has a station in the free market, but when it becomes all consuming (as it has done in America) the main concern of the people stops being how to love YHWH our Elohim with all of our might, but what we can buy.
The fourth horse is symbolic of Islam (or ‘submission’). This horse is far from his station.
7 When He opened the fourth seal, I heard the voice of the fourth living creature saying, "Come and see."
8 So I looked, and behold, a pale horse. And the name of him who sat on it was Death, and Hades followed with him. And power was given to them over a fourth of the earth, to kill with sword, with hunger, with death, and by the beasts of the earth.
The King James translators used the word ‘pale’ for the fourth horse. However, the word is ‘chloros’ (χλωρός).
|
8 So I looked, and behold, a green horse. And the name of him who sat on it was Death, and Hades followed with him. And power was given to them over a fourth of the earth, to kill with sword, with hunger, with death, and by the beasts of the earth.
|
BGT Revelation 6:8 καὶ εἶδον, καὶ ἰδοὺ ἵππος χλωρός, καὶ ὁ καθήμενος ἐπάνω αὐτοῦ ὄνομα αὐτῷ [ὁ] θάνατος, καὶ ὁ ᾅδης ἠκολούθει μετ᾽ αὐτοῦ καὶ ἐδόθη αὐτοῖς ἐξουσία ἐπὶ τὸ τέταρτον τῆς γῆς ἀποκτεῖναι ἐν ῥομφαίᾳ καὶ ἐν λιμῷ καὶ ἐν θανάτῳ καὶ ὑπὸ τῶν θηρίων τῆς γῆς. (Rev 6:8 BGT) |
‘Chloros’ (χλωρός) is the same word as in chlorophyll, and it is what makes plants green. However, since the translators were not able to visualize a green horse, they used the word ‘pale’ instead.
While the Peshitta uses the word ‘pale’ (יורקא), it is a cognate of the Hebrew word for green, which is ‘yir-oq’ (ירוק). The consonants are very similar, implying relatedness.
|
MGI Revelation 6:8 And I saw a pale horse and the name of him who sat on it [was] Death and Sheol followed him. And authority was given to him over one-fourth of the earth to kill by the sword and by famine and by death and by the wild animal of the earth. (Rev 6:8 MGI)
|
PEH Revelation 6:8 וחזית סוסיא יורקא ושׁמה דהו דיתב עלוהי מותא ושׁיול נקיפא לה ואתיהב לה שׁולטנא על רובעה דארעא דנקטל בחרבא ובכפנא ובמותא ובחיותא דארעא׃ (Rev 6:8 PEH) |
Green is the color of Islam since ancient times. If one looks at the flag of any predominantly Muslim nation, it incorporates some green into the flag, and many of the Islamic terror movements have flags which are all green. For example, the flags, headbands and arm bands for Hamas and Hezbollah are predominantly green, with lettering. Roughly one-fourth of the world is under the influence of Islam, and the sword, hunger, disease and death prevail wherever this horse goes.
How did the ‘dappled and strong (colored) horses of the fourth chariot turn pale, or green? Scripture does not say, but that is also not the focus of our article. Our purpose here is simply to identify the four spirits of heaven that YHWH has allowed to go forth from their station in front of the Adon of all the earth, and the damage that has been caused on earth because all things are not in their proper places.
Capitalism is not well applied to the government, and collectivism is not well applied to business. Rather, civil service should use collectivism, and commerce should use capitalism; and if we try to depart from that model, grave problems will result.
The priesthood needs to function as one unit in order to be effective, and this requires that all the funds be brought to one central point. Further, the people need to live the Torah as a genuine lifestyle, and submit to what it says, rather than just ‘playing Church’ one day a week.
Israel stands at the center of the world, and all of the nations surround it. Israel is ideally positioned to show the world how righteous government and society should be run. For the balance of this study, let us talk about these matters so that if YHWH wills, we can be used to re-establish it in our day.
In Yeshua’s name,
Amein.
Bronnen en studiemateriaal
www.sharpfocusministries.com (Michael E. Pfeil).
For a Sharper Focus on this issue, please refer to The Fifth Seal in Sharp Focus.
Johannes de Heer: Armageddon
Johannes de Heer: Het duizendjarig rijk
BABYLON
What Happened to Those
Who Attempted to Rebuild
Ancient "Babylon" ?
When Alexander-the-Great issued orders to rebuild
Babylon, he was struck dead within a week and his
project was abandoned.
"Alexander The Great" had great plans for rebuilding
Babylon, but they were never realized. As Daniël had
earlier foretold, he was cut down and broken in death.
(Da 8:8) . Alexander’s ambition to rebuild Babylon failed
to materialize not simply because in 323 B.C.E. at 32,
in the prime of life, he suddenly died, but because
Jehovah God had long before determined that Babylon
would never be rebuilt.—Jer 50:35-40.
After Saddam Hussein started his Babylon renaissance
rebuilding, the Gulf War forced him to give the project
a low priority. And we know what has happened to
Hussein and his Babylon project since then. Saddam
was tried and hung till dead on December 30, 2006.
------------
"When Saddam Hussein rose to power in Iraq,
he conceived a grandiose scheme to rebuild
the ancient City of Babylon -- Hussein said
that Babylon's great palaces and the legendary
hanging gardens of Babylon would rise from dust.
Like the powerful King Nebuchadnezzar II who
conquered Jerusalem 2,500 years ago, Saddam
Hussein would rule over the world's greatest
empire. The vaulting ambition of Saddam Hussein
found expression in vaulting, and often pretentious,
architecture."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
"In 1982, Saddam's workers began
reconstructing Babylon's most imposing
building, the 600-room palace of King
Nebuchadnezzar II. Archaeologists were
horrified. Many said that to rebuild on
top of ancient artifacts does not preserve
history, but disfigures it. The original bricks,
which rise two or three feet from the ground,
bear ancient inscriptions praising Nebuchadnezzar.
Above these, Saddam Hussein's workers laid more
than 60-million sand-colored bricks inscribed
with the words, "In the era of Saddam Hussein,
protector of Iraq, who rebuilt civilization
and rebuilt Babylon." The new bricks began to
crack after only ten years.."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
The Tower of Babel too ?
"Adjacent to Nebuchadnezzar's ancient palace
and overlooking the Euphrates River, Saddam
Hussein built a new palace for himself.
Shaped like a ziggurat (like the tower of Babel),
Saddam's Babylonian palace is a monstrous
hill-top fortress surrounded by miniature
palm trees and rose gardens. The four-storey
palace extends across an area as large as
five football fields. Villagers told news media
that a thousand people were evacuated to make
way for this emblem of Saddam Hussein's power."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
"The palace Saddam built was not merely large,
it was also ostentatious. Containing several
hundred thousand square feet of marble, it
became a showy confection of angular towers,
arched gates, vaulting ceilings, and majestic
stairways. Critics charged that Saddam Hussein's
lavish new palace expressed exuberant excess in
land where many died in poverty."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
"On the ceilings and walls of Saddam's palace,
360-degree murals depicted scenes from ancient
Babylon, Ur, and the Tower of Babel. In the
cathedral-like entryway, an enormous chandelier
hung from a wooden canopy carved to resemble
a palm tree. In the bathrooms, the plumbing
fixtures appeared to be gold-plated.
Throughout Saddam Hussein's palace, pediments
were engraved with the ruler's initials, "SdH."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
His Plans were Destroyed
along with Him
The Destruction
of This "Symbolic" Palace
"The role of Saddam Hussein's Babylonian palace
was more symbolic than functional. When American
troops entered Babylon in April, 2003, they
found little evidence that the palace had been
occupied or used. Saddam's fall from power
brought vandals and looters. The smoked glass
windows were shattered, the furnishings removed,
and architectural details - from faucets to light
switches - had been stripped away."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
"During the war, Western troops pitched tents
in the vast empty rooms at Saddam Hussein's
Babylonian palace."
-Saddam's Babylonian Palace
By Jackie Craven
Why didn't He Succeed ?
Defying God and His Prophecy
"Babylon Will Never Be Rebuilt"
Jehovah God destroyed Ancient Babylon many years
ago. He had his prophets prophecy that Babylon would
never be rebuilt. It would never be inhabited again with
it's glory and grandeur that Babylon once had.
No one can go against Jehovah God or against His
prophecies - and succeed. That is a proven Fact.
BABYLON WILL NEVER BE REBUILT
THE RUINS OF ANCIENT BABYLON
LIE "between Baghdad and Najaf,
at a point due east of Karbala.
The Euphrates originally swept past Babylon,
but then shifted nine miles to the west."
-"Where's Babylon?", by Stuart Johnson
"Nowadays, the ruins of Ancient Babylon covers about
302 km lying on the east bank of Euphrates 90 km south
of Baghdad and about 10 km north of Hilla."
-"Babylon, Iraq", AtlasTours.net
Babylon was one of the greatest cities
of ancient times.
Her hanging gardens were one of the wonders of the world.
The 196 square miles of Babylon were surrounded by walls
14 miles long, 187 feet thick and 200 feet high. Her
towers extended another 100 feet above the walls, yet God
said (Jer. 51:58, 62): "The broad walls of Babylon shall
be utterly broken."
On surveying what remained of Babylon, Major Keppel,
in the Narrative of his travels, said,
"We totally failed to discover any trace of the city
walls."
After gaining the throne of Rome in the fourth century AD,
Julian the Apostate warred with Persians and completely
tore down the walls of Babylon.
Jeremiah prophesied that Babylon would be a desolation
forever (Jer. 51:62) and would not be inhabited (Jer.
50:39).
When Alexander the Great issued orders to rebuild
Babylon, he was struck dead within a week and his project
was abandoned.
After Saddam Hussein started his Babylon renaissance
rebuilding, the Gulf War forced him to give the project
a low priority. And we know what has happened to Hussein
and his Babylon project since then.
Als men als uitgangspunt heeft dat de gemeente is opgenomen voordat de rol wordt geopend omdat:
- er 24 oudsten in de hemel worden gezien
- er staat dat de gemeente van Philadelphia uit het uur van de verzoeking
en dan een speciale prediking van het Koninkrijk inlast die leidt tot een oogst bestaande uit 144.000 Joden en een grote schare uit de volken ... (W.O.)
Jezus is de eersteling - het hoofd van de gemeente
De 144.000 zijn de eerstelingen van de oogst - uit Israel op aarde
Op. 14:4 deze zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam
Dan moeten ze wel vrijgekochten zijn behorend tot de gemeente, want
(Jac. 1:18 - aan de Joden geschreven - de christenen gelovigen
Uit Ezech. 9 moeten we bijna zeker concluderen dat deze mannen tevoorschijn zullen komen uit een met de ban slaan van Jeruzalem door vijf mannen (Ez. 9:1-6 zullen voltrekken. Als deze conclusie kjuist is, dan zou op dit punt in de tijdslijn door Openbaring heen, Jeruzalem weer een tempel hebben, een tempel die door afgoderij is bezoedeld. Ze moeten de tempel en voorhof verontreinigen (door afgodendienaren die daar bezig zijn te doden) en ook de in de stad zo optreden.
Deze actie
De verzegelden worden gekenmerkt door een zuchten en kermen om over de gruwelen die in Jeruzalem worden bedreven (Ez. 9:4) en misschien dat ze daarom ook wel zich van trowuen hebben onthouden (Op. 14:4), aannemende dat de 144.000 in Op. 7 dezelfden zijn als in Op. 14.
De grote schare
- deze schare voldoet het meest aan de beschrijving van de gemeente, want ze is uit alle talen, volken etc.
- zij verschijnt met palmtakken wat duidelijk op het loofhuttenfeest wijst (najaar)
- loofhuttenfeest is eigenlijk de afsluiting van de totale oogst (koren, olie en wijn - in deze volgorde).
De zeventig weken van Daniël (hoofdstuk 9) bestrijkt een tijdsverloop, dat gelegen is tussen het ogenblijk van de uitgang des woords tot de herbouw van de stad Jeruzalem in het jaar 457 voor Christus, tot aan de 2de komst van Jezus Christus, welk plaatsvindt 6000 jaar na de schepping.
De uitleg hiervan-volgens wijlen Rev. Offiler- is te vinden in de Joodse Jaarweken of Sabbat-jaren.
Lees, Lev. 25: 18
Hierbij werden hun jaren in jaar-weken verdeeld, zoals deze belangrijke profetie, waarbij dan elke week 7jaren omvatte. Dus 70 x 7 = 490 jaren (70 weken, elk week heeft 7 dagen; 1 dag is 1 jaar)
Lees, Gen. 29: 27-28. Jakob werkte 1 week voor Laban en deze telde het als 7 jaar.
1000-jarig rijk
Dan wordt er geen evangelie verkondigd, wat een vrije keus verondersteld,
maar de dan regeert Jezus Christus met ijzersen staf d.w.z. hij die het onderwerp is van het evangelie die het evangelie zelf is wordt niet verkondigd, maar is duidelijk de Heerser op aarde en men dient zich aan hem te onderwerpen, zo niet dan zijn er gevolgen (b.v. geen regen).
Niet alleen Jezus Christus is op aarde, maar ook een machtige werking van de Heilige Geest, wsl. ook door de engelen en de gemeente (zonder precies te kunnen zeggen hoe dat in zijn werk zou gaan).
WERELDBEVOLKING
1 miljard in erg grote steden boven de miljoen
2 miljard in grote steden boven half miljoen (5400 mesen gemiddeld op 1 vierkante kilometer)
Er zijn 500 steden in de wereld die meer dan 1 miljoen inwonder hebben.
Daarvan zijn er 100 die boven de 4 miljoen zitten.
Daarvan zijn er 60 die boven de 6 miljoen zitten.
Daarvan zijn er 30 die boven de 10 miljoen zitten.
Daarvan zijn er ruim 10 die boven de 20 miljoen zitten.
1000-jarig rijk
VolgensGerard Kramer geloofde Irenaeüs van Lyon (140-2020 v.Chr.) in het 1000-jarig rijk. Zijn tijdgenoot Papias, bisschop van Hiërapolis (hij zou Johannes nog hebben horen preken).
Ireneaus werd doorsommigen gewantrouwd om zijn chiliastische ideeën.
De profetieën
Om de juistheid van het christendom te bewijzen doet Irenaeüs een beroep op de profetieën. Opvallend helder zet hij het verband tussen de gebeurtenissen in Dn2 en Dn7 uiteen, met het Romeinse rijk als het vierde rijk, dat tenslotte in tienen zal worden verdeeld (Adv. Haer.V 25,26). Hij legt daarbij ook het verband met de tien koningen / horens in Op17, en wijst erop dat de niet door mensenhanden afgehouwen steen, Christus, komt na deze verdeling in tienen, dus in de tijd van de tenen! Ook combineert hij Dn7 en Op17 met elkaar.
De antichrist
Irenaeüs schrijft ook uitvoerig over de antichrist als aanduiding voor de mens van de zonde / de zoon van het verderf uit 2Th2 (Adv. Haer.V 25,1), en identificeert deze met de kleine hoorn van Daniël, met het tweede beest van Op13 en met de valse profeet die in de poel van vuur zal worden geworpen in Op19:20 (Adv. Haer.V 28,2). Bij Irenaeüs is ook de gedachte te vinden dat de antichrist uit de stam Dan zal voortkomen. Dat concludeert hij uit de vermelding van Dan in Jr8:16 en de weglating van deze stam in Op7 (Adv. Haer.V 30,2). Speculaties over de naam van de antichrist op basis van het getal 666 vermeldt hij wel, maar hij doet er zelf niet aan mee. Irenaeüs is van mening dat als wij de naam van de antichrist hadden moeten weten, de auteur van het boek Openbaring ons die zeker had meegedeeld. Wanneer hij dit punt noemt, dateert hij het boek Openbaring aan het eind van de regering van keizer Domitianus – deze keizer regeerde tot in het jaar 96. Irenaeüs geloofde dat het raadsel van het getal 666 pas na de deling van Rome zou worden opgelost (Adv. Haer.V 30,3).
Het duizendjarig vrederijk
Irenaeüs gaat ervan uit dat de antichrist drieënhalfjaar in de tempel zal zitten en dat daarna de verschijning van Christus zal plaatsvinden. Dit baseert hij op Dn9:25 (Adv. Haer.V 25,3). Na de verschijning van Christus en het oordeel over de antichrist volgt de regering van de rechtvaardigen (Adv. Haer.V 30,4) die daaraan voorafgaand, na het oordeel over de antichrist, zullen opstaan (Adv. Haer.V 35,1). Irenaeüs geloofde in een duizendjarige regering van deze rechtvaardigen. Hij zag namelijk een relatie tussen de dagen van de scheppingsweek in Gn1 met zes perioden van 1000 jaar als fasen van de wereldgeschiedenis. De sabbat, de laatste dag van de scheppingsweek, komt dan overeen met de laatste periode van 1000 jaar van deze wereldgeschiedenis, dus met het Vrederijk (Adv. Haer.V 23,2). Toch zag Irenaeüs met millennium niet als een Joods koninkrijk, want hij zag Israël als de kerk, het geestelijk nageslacht van Abraham. (Adv. Haer.V 34,1).
Samenvatting van Irenaeüs’ profetische positie
De toekomstverwachting van Irenaeüs in Adversus Haereses kan dus als volgt worden samengevat: Hij verwachtte dat het Romeinse Rijk op een gegeven moment zou worden opgedeeld onder tien verschillende koningen. Nadat dit gebeurd zal zijn, zal de Antichrist zich openbaren. Deze zal de heerschappij over de hele wereld naar zich toe trekken en vanuit de tempel in Jeruzalem regeren over de ganse aarde. Er breekt dan een grote verdrukking aan voor de christenen. Na drieënhalf jaar komt Christus terug en dan zullen de rechtvaardigen opstaan. Christus zal dan samen met de rechtvaardigen duizend jaren lang heersen in Zijn koninkrijk.
Andere chiliasten
Andere chiliasten uit de eerste eeuwen van het christendom die we nog zouden kunnen noemen zijn Tertullianus (160-230), Cyprianus (3e eeuw) en Irenaeüs’ leerling Hippolytus (170-235). Daarnaast hingen ook de montanisten deze leer aan.
Men kan dus wel stellen dat de chiliastische toekomstverwachting een veel voorkomend onderdeel was van de eschatologie van de vroege christenen. Irenaeüs stond hierin zeker niet alleen. Het was echter ook een controversieel onderdeel. Sommigen hebben zich er ook tegen verzet. Bijvoorbeeld Gaius, een presbyter uit Rome die leefde rond het jaar 200. Hij was ook een tegenstander van het boek Openbaring. En verder moet bij de uitdrukkelijke tegenstanders van het chiliasme ook de naam van Origenes (185-254) worden genoemd. Dit hangt ook nauw samen met zijn voorkeur voor een extreem doorgevoerde allegorische methode van Schriftuitleg. Voor Origenes was deze verwachting veel te letterlijk.
Arie Kleijne - opname in Openbaring 4
www.jezuskomt.nl powerpointpresentatie
www.dekoningkomt.nl/
Dwight Pentecost Things to come (Uitgave Dunham)
SAUDI-ARABIA - info 2016
Er mogen geen kerken, synagoges of tempels gebouwd worden
Er mag geen kruis zichtbaar zijn
Er is 5000 man/vrouw religieuze politie
Als een Saoedi christen wordt, wordt hij gedood.
Christenen ut de Filippijnen, India, Eritrea worden gemarteld en uitgezet
Een vrouw van 18 jaar moet trouwen.
- 27 Libanese Maronieten uitgezet
Wat betreft onze studie kwam ik nog Op. 9:15 tegen als vers dat samenhangt met Op. 7:1-3 over de 4 engelen. Ik had die beide tot nu toe nog niet goed bekeken ...
De 4 engelen in Op. 7:1 en Op. 9:15 zijn dat dezelfde of niet?
Mogelijk niet omdat de 4 engelen in Op. 7:2 de kracht hebben om de aarde en de zee en de bomen schade toe te brengen (wat vervolgens gebeurt na het verzegelen bij bazuin 1, 2, 3 en 4). Het lijken oordeelsengelen te zijn, maar geen kwade/boze engelen, ook omdat ze bevelen van Gods engel aanvaarden. Ze zijn gehoorzaam.
Die engelen in Op. 9:15 1/3 zijn gebonden bij de rivier Eufraat om de mensheid te doden ... gebonden .. dat doet denken dat het kwade engelen zijn ... En als ze dan losgelaten worden doet dat denken aan Op. 18:2 ....
Ook Op. 9:1-12 doet denken aan het vrijkomen van boze machten uit de put van de afgrond (abyssos – zelfde woord in Op. 11:7 aangevend dat ook het beest daaruit komt) die door een gevallen ster uit de hemel wordt opengedaan. Sterren kunnen dat niet, maar sterren zijn hier in Openbaring engelen ofwel geesten en die kunnen dat wel (zie Op. 1:20). Het gaat om ‘demonische wezens’ die opgesloten zijn en vrijgelaten worden (sprinkhanen en schorpioenen, maar niet zoals wij die kennen, dus een soort typering - vgl. Daniël).
De engel die open doet, is een heilige engel die door God wordt gestuurd.
Komt Op. 8 in de tijd na Op. 7 ?
Dat moet (haast) wel omdat de verzegeling die aangekondigd wordt in Op. 8 voltrokken is, omdat het daar duidelijk is dat het schade toebrengen is gestart.
(zie ook Op. 9:4). In Op. 7 mocht er geen schade worden toegebracht, maar nu zijn de 144.000 verzegeld en kan het schade toebrengen beginnen.
De indeling in 3 weeën (aangekondigd in Op. 8:13)
Ook de indeling in 3 weeën duidt op een duidelijk volgorde in de gebeurtenissen in Openbaring
Wee 1 eerst (dat is de 5e bazuin met 5 maanden pijninging), dan wee 2, dan wee 3, niet alles tegelijk, want 1 is voorbijgegaan en dan kom wee 2 (Op. 9:12, Op. 11:14 dat is ergens vanaf de zesde bazuin waarbij een derde van de mensheid wordt gedood, ofwel zijn het de plagen die teweeg worden gebracht door de twee getuigen, ofwel de aardbeving waarbij 7000 namen omkomen Op. 11:13. Die laatste gebeurtenis is in ieder geval het einde ervan), wee 2 is voorbijgegaan, dan komt het derde en laatste wee (Op. 11:14, 12:12). Het derde en laatste wee ... 7 weken
Hieruit wordt duidelijk dat de twee getuigen de eerste periode van 1260 dagen(=42 maanden) vertegenwoordigen en het beest zoals bescrheven in Op. 13 de tweede periode van 1260 dagen (=42 maanden). Het is dus niet zo dat de twee getuigen optreden in dezelfde tijd dat het beest zich ten volle openbaart. Dat is eigenlijk ook logisch, want God onderwerpt de gelovigen wel aan zijn tuchtiging, maar niet aan zijn toorn, dus ook de twee getuigen niet.
Wie in de 2e periode van 1240 dagen het teken van het beest weigert, wordt gedood maar mag gelijk daarop het lied van Mozes meezingen en het lied van het Lam (Op. 15:2-4).
Wat betreft de gelouterde rest van Israël, het gelovig overblijfsel, daarvan weten we uit Zacharia dat zij zullen vluchten naar het dal van van de bergen (Zach. 14:1-7) vlucht weg dwars door de Olijfberg heen die in tweeën splijt naar de woestijn. Als deze profetieën van Zacharia verbonden moeten worden met Op. 12:13-18 en de vrouw daar staat voor Israël of misschien wel voor de dochter van Sion (zie Jes.66:7-11) - een uitdrukking die betrekking heeft op de inwoners van Sion, d.w.z. van het Jeruzalem van God - dan zou dat betekenen dat (a) de Heer terugkomt tussen de beide perioden van 1240 dagen waarvoor pleit dat Hij in Op. 14:1 ook duidelijk verschijnt op de berg Sion ... dus dan moet Hij (zou je haast denken) daarvoor op de Olijfberg neergedaald zijn ... ????? Maar nee, dat kan niet waar zijn ... maar hoe zijn dan de diverse gebeurtenissen in die 2e helft van de jaarweek geordend. Daarop moeten we dan nog maar eens goed verder studeren
Het geredde koningskind dat wordt weggevoerd naar Gods tempel
Joas een Davidisch koningskind dat overbleef na een slachting van alle prinsen uit het huis van David. Joas wordt weggerukt naar het huis van God (met daarin de ark met het verzoendeksel, de voetbank van zijn voeten, een heilige plaats) om later als koning uit te verschijnen.
Zo zal Jezus ook straks uit de tempel aan ons verschijnen als het Koningskind (Op. 14 de aankondiging van het koningschap). Dit kwam me vorige week te binnen in verband met Op. 12 het mannelijk kind dat weggevoerd wordt naar God en zijn troon.
Even over Athalia, de koningin-weduwe (denk aan de vrouw in Openbaring die zegt 'ik troon als koningin, ik ben geen weduwe, geen rouw zal ik zien. Op. 18:7) het volgende uit de voetnoten:
Volgens de Hebreeuwse tekst was zij een dochter van Omri, dus een zus van Achab, maar anderen menen dat ‘kleindochter’ bedoeld wordt omdat het Hebreeuwse woord voor ‘dochter’ ook voor ‘kleindochter’ kan staan. Dit omdat in 2 Kn. 8:18 staat dat Athalia een dochter van Achab was. Zij zou de dochter zijn geweest van Achab en Izebel, de boosaardige vrouw die de afgoderij aanwakkerde. Opvallend is dat Izebel nooit als de moeder van Athalia wordt genoemd. Bovendien lijken er chronologisch gezien meer argumenten voor te zijn om Athalia te zien als dochter van Omri dan als dochter van Achab. Omri wordt in 1 Kn. 16:21-28 als de oprichter van het koningshuis genoemd dat zoveel ellende over Israël en Juda bracht door de afgoderij. Hier in 2 Kn. 8:25-27 vinden we een overzicht van de belangrijkste familielijnen. ZIe ook de Toelichting bij 2 Kr. 22:2.
Een opvallende zaak is dat Joram al zijn broers had gedood om zijn koningschap zeker te stellen. Mogelijk gebeurde dit op aandrang van Athalia, want hij was al met haar getrouwd voor hij het koningschap op zich nam. (2 Kr. 21:4). Athaliah doodde op haar beurt al de mannelijke nakomelingen van het koninklijk huis van Juda, nadat haar zoon Ahazia gestorven was. (2 Kn. 11). Kennelijk was zij er heel bewust op uit om heel de lijn van het koningshuis van David waaruit de Messias zou voortkomen te doden en zich zelf op de troon te zetten. DIt doet erg denken aan het gedrag van de vrouw Babylon, de hoer, die zegt in haar hart “Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien” (Op. 18:7). Deze vrouw wordt ook afeschilderd als dronken van het bloed van de heiligen (Op. 17:6)
Noot bij Zach. 5:8 waar het woord 'boosdoenster' voorkomt
[‘de boosdoenster’] - dat is precies de aanduiding die we ook in 2 Kr. 24:7 vinden voor Athalia, de dochter van Izebel, die in de lijn van haar moeder, de dienst aan God bezoedelde door de Baäldienst in te stellen. Deed Izebel het voornamelijk in het noordelijk tienstammenrijk waar haar man Achab koning was, Athalia oefende haar slechte invloed uit in Juda.Ze was in het huwelijk getreden met Joram, één van de zonen van Josafat. Toen haar zoon Ahazia was gedood door Jehu, de koning van Israël, slaagde zij er bijna in het koninklijk geslacht van David in zijn geheel om te brengen, maar Joseba, een dochter van Joram en zus van koning Ahazia, wist de éénjarige Joas te redden en hij bleef zeven jaar verborgen in de tempel, terwijl Athaliah de macht naar zich toetrok en zo’n zes jaar regeerde. In het zevende jaar greep de priester Jojada in ten gunste van Joas door hem tot koning uit te roepen. Athaliah kwam hals over kop aanlopen, maar zij werd ingerekend en met het zwaard gedood. Aangezien dit tussen de tempel en het paleis van David gebeurde, is het vrijwel zeker dat zij in het Kidrondal aan haar einde kwam (Josephus Ant. ix. 7, § 3). De naam van het dal is volgens Gesenius gerelateerd aan twee werkwoorden nl. (1) ‘vuil of smerig zijn’ en daarvan afgeleid ‘in rouwkleding rondlopen’ en (2) ‘zwart zijn’ of ‘donker zijn’. Dat het dal als zodanig wordt aangeduid, houdt mogelijk verband met het feit dat het schaduwrijk is of anders met de kleur van het water. In het algemeen is het een klein beekje, maar in de winter als er veel regen is, kan de Kidron aanzwellen tot een krachtige waterstroom. Dat Athalia de tempeldienst ernstig in ontreddering bracht, blijkt uit 2 Kr. 24:7 waar staat dat de zonen van Athalia in de tempel inbraken en de heilige voorwerpen wegnamen om die over te doen naar de Baäldienst.
Ik geef bovenstaande door als 'blikvangers'. Misschien kunnen we er iets uit leren.
Nu nog de termen ‘de verdrukking’ en ‘de grote verdrukking’ en ‘Jakobs benauwdheid’
[‘grote verdrukking - noot bij Mt. 24:21’] - de uitdrukking ‘grote verdrukking’ (G3173 G2347) komt slechts drie keer voor in het NT (Mt. 24:21, Op. 2:22 en Op. 7:14. In Mk. 13:19 vinden we deze woorden: "Want die dagen zullen zo’n verdrukking brengen (letterlijk 'zijn') als er niet geweest is van het begin van de schepping die God geschapen heeft tot nu toe, en ook nooit meer wezen zal." Deze woorden wijzen ongetwijfeld heen naar de grote verdrukking waarvan in Mt. 24:21 met dezelfde woorden gesproken wordt. Mk. 13:24 voegt daar onmiddelijk aan toe dat de zon verduisterd zal worden en de maan haar licht niet zal geven
Het woord ‘verdrukking’ (G2347) op zich komt 45 keer voor verdeeld over 43 verzen, waarbij dus inbegrepen de verzen waarin het woord ‘verdrukking’ deel uitmaakt van de term ‘grote verdrukking’. In gesprekken en publicaties komen we de uitdrukking heel vaak tegen, maar eigenlijk is zelden duidelijk wat men er precies onder verstaat. Het gebruik in Op. 2:22 lijkt zich in eerste instantie te onderscheiden van het gebruik in de andere twee Schriftplaatsen, omdat het daar betrekking heeft op de vrouw Izebel die de gemeente van jezus Christus tot hoererij verleidt. Het woord grote verdrukking is daar meer persoonlijk gebruikt terwijl het in de beide andere verzen eerder sprake is van een periode van grote verdrukking waarvan duidelijk wordt dat die op aarde zal zijn. Als we zien dat in Op. 7 de grote schare gelovigen uit de grote verdrukking komt, dan weten we daardoor dat de grote verdrukking al in Op. 6 begonnen moeten zijn.
[‘grote verdrukking - noot bij Op. 7:14’] - deze uitdrukking vinden we alleen in Mt. 24:21 (zoals er niet geweest is sinds ...), Op. 2:22 (de vrouw Izebel) en in Op. 7:14 (de grote schare komt uit de grote verdrukking). In Mt. 24:21 spreekt Jezus over ‘een grote verdrukking zoals er niet geweest is van het begin van de wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal’. We zouden denken dat die grote verdrukking hier in Op. 7:14 eindigt voor de verlosten, d.w.z. voor de gemeente, met uitzondering van de twee getuigen die in Op. 11 optreden en uiteindelijk ook nog de martelaarsdood zullen sterven vanwege hun getuigenis.
Velen stellen de grote verdrukking gelijk aan Jakobs benauwdheid (een uitdrukking die we alleen in Jer. 30:7 tegenkomen) en de zeventigste ofwel laatste jaarweek (zie Dan. 9:27). Als het zo is, dat de grote verdrukking van Mt. 24:21 hier wezenlijk eindigt, dan is dat vóór de zevende jaarweek. Er is veel voor te zeggen dat de grote verdrukking in het bijzonder de gemeente van Jezus Christus treft, het geheimenis, dat eindigt zodra na het optreden van de twee getuigen de zevende bazuin wordt geblazen (Op.10:7), terwijl de benauwdheid van Jakob en de zeventigste jaarweek zeer specifiek betrekking hebben op het Joodse volk en het land Israël, waaruit Jakob blijkens Jer. 30:7 uiteindelijk zal worden verlost. De grote verdrukking waarvan in dit vers sprake is, is al eerder begonnen nl. in Op. 6 waar heel duidelijk is dat er verdrukking gaande is. De martelaren roepen dan ook uit hoe lang het nog duren zal (Op. 6:11). Het is niet met zekerheid te zeggen of de martelaren daar het slachtoffer zijn van de eeuwenlange christenvervolging, dan wel van een vervolging die zich afspeelt in de laatste periode als de zegels worden losgemaakt en de verlossingsgeschiedenis een bijzondere wending neemt en Jezus Christus als Koning komt om op aarde te regeren met zijn heiligen. Gezien de plaats die het vijfde zegel inneemt na de eerste vier zegels die allerlei rampen over de wereld brengen, menen wij dat de vervolging zich afspeelt in de eindtijd, en dus in een periode van grote verdrukking waaruit tenslotte een grote schare voor de troon verschijnt. Het is niet gezegd dat daarmee de grote verdrukking ophoudt. Integendeel als we Op. 8 en 9 lezen zien we dat er daarna nog allerlei vreselijke ellende over de aarde komt, die in haar ongeloof en afgoderij volhardt. Maar omdat Mt. 24:15-22 spreekt van een grote verdrukking, zo groot als er nog nooit is geweest en ook nooit meer zijn zal, die zal plaatsvinden nadat de mensen de gruwel van de verwoesting waarvan Daniël spreekt op de heilige plaats zien staan, daarom weten we dat die verdrukking zich zal voortzetten en erger vormen zal aannemen dan voordien omdat er bij gezegd wordt dat er niet zo’n verdrukking is geweest ‘van het begin van de wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal’, maar ook omdat we weten dat die gruwel van verwoesting pas zal worden opgesteld in het midden van de jaarweek die uit 7 jaar bestaat en in 2 periodes van 1260 uiteenvalt. Hier in Op. 7 is die jaarweek nog niet ingetreden, terwijl de grote verdrukking al is ingetreden en het ergste nog moet volgen gedurende de tweede helft van de jaarweek (vanaf Op. 12).
Studie 15 Oct. 2015
Op. 4,5
- tot het naar God verwijzende aantal van 3 keer lezen we van HEM die tot in alle eeuwigheden leeft
(Op. 4:9, 10 en Op. 5:13)
- deze hoofdstukken geven alle eer aan het LAM ...
- ook de WAARDIGHEID om de boekrol te openen (5:9
- de hemel is een centrum van AANBIDDING
Opmerking - de vier wezens en hun voorkomen - er waren vier banieren nl. die van de vier leidende stammen aan elke zijde van de Woning, die onder zich steeds drie stammen hadden. Het gaat om Juda (vs. 3), Ruben (vs. 10), Efraïm (vs. 18) en Dan (vs. 25). Het OT zegt niet hoe deze banieren eruit hebben gezien, maar de rabbijnse traditie leert dat op de banier van Juda een leeuw te zien was, op de banier van Ruben het hoofd van een man, op de banier van Efraïm een os of rund en op de banier van Dan een arend of adelaar. Deze vier afbeeldingen vinden we ook terug in de beschrijving van de cherubs in Ez. 1:10 en in Op. 4:7. Deze afbeeldingen zouden dan de tekenen van het huis van hun vaderen zijn voor Juda, Ruben, Efraïm en Dan. Numeri 2:2 leest in de NWB:
"De zonen van Israël zullen elk hun kamp opslaan bij hun (eigen) banier, bij de (herkennings)tekens van het huis van hun vaderen.
Zij zullen hun kamp op enige afstand rondom de Tent van de Ontmoeting opslaan. " (Num 2:2)
De herkenningstekens zouden de vlaggen of andere tekenen zijn, behorende bij de afzonderlijke stammen en vaderhuizen. Daarvan waren er 12 stuks en de kleuren daarvan hingen volgens de rabbijnen samen met de kleuren van de stenen op de efod of het borstschild. De twaalf stenen vertonen grote overeenkomst met de beschrijving van de koning van Tyrus in Ez. 28:13, waar negen edelstenen worden genoemd en met de twaalf fundamenten van het hemelse Jeruzalem in Op. 21:19-20. Het is niet duidelijk of de stenen van links naar rechts worden genoemd of van rechts naar links en vanuit het gezichtspunt van de drager van het borstschild of vanuit het gezichtspunt van degene die naar het borstschild kijkt. Het Tempel Instituut in Jeruzalem ordent ze van rechts naar links conform de schrijfrichting van het Hebreeuws, terwijl veel Westerse illustraties ze ordenen van links naar rechts conform de schrijfrichting van de Westerse talen. In beide gevallen is dat dan gezien vanuit de persoon die voor de priester staat en naar het borstschild kijkt. Het Tempel Instituut schrijft op haar website dat er veel verschil van mening is over de exacte aard van de stenen, maar dat er wel absolute zekerheid is over de kleuren die weliswaar niet in de bijbelpassages worden vermeld, maar wel gedocumenteerd zijn in de Midrash (Bamidbar Rabbah 2:7), waar staat dat de kleur van de steen van iedere stam correspondeerde met de kleur van het vaandel dat elke stam voor zich uit droeg bij het optrekken uit het legerkamp gedurende de tocht door de woestijn. Aangezien de ‘rabbinale kleuren’ geregeld erg verschillen van de kleuren die de taalkundigen en edelsteendeskundigen veronderstellen, is het de vraag welke opvatting de juiste is.
De algemene indruk uit deze hoofdstukken is dat ALLE nadruk ligt op het LAM dat geslacht is (5:6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13) met om Hem heen de vier dieren en de 24 oudsten.
DIt Lam neemt de boekrol aan uit de rechterhand van Hem die zit op de troon (denk aan Heb. 1:3).
Er zijn wel zaken die ons bepalen bij gebeurtenissen in de tijd, immers 'U hebt hen gekocht' (4:10 voltooide tijd) en de vraag "Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken? (Op. 5:2)
De 24 oudsten vertegenwoordigen ongetwijfeld de 24 priestergroepen onder het Melchizdekse priesterschap waarvan het schaduwbeeld (het Levitische-Aäronitische priesterschap - zie de Hebreeënbrief) in 2 Kon. 24:1-19 spreekt en beide priesterordening hebben één hogepriester of wel Hogepriester met een hoofdletter.
VRAAGSTUK
1 Th. 4 zegt duidelijk dat:
a. dat sprake zal zijn van het geluid van een bazuin (niet de bazuin en niet, althans niet expliciet, de laatste bazuin) en van het roepen van een aartsengel. Dus twee tekenen. waarmee het gebeuren gepaard gaat.
b. de ontslapen gelovigen als eerste zullen opstaan.
c. dat de ontslapenen samen met de resterende gemeente op aarde naar de Heer toe gaan op de wolk (1 Th. 4:17)
Let op er staat niet dat Jezus op een wolk zit of rijdt, maar dat wij (ontslapenen en nog levende gelovigen) op de wolken naar Hem toe gaan ... dat moet wel richting de hemel zijn (waar we inderdaad ontnomen zullen zijn aan het gezicht van de wereld) ... om altijd bij de Heer te zijn (1 Th. 4:17).
Als zij opstaan en samen met de nog levenden gelovigen naar Hem toe gaan, dan zullen we een lichaam hebben, een geestelijk lichaam (1 Kor. 15:44) ...
Een vraag die je kun stellen is deze:
waar passen deze gebeurtenissen het meest: bij Op. 4:1 of bij Op. 7:9-17?
Een andere vraag die je kunt stellen is deze: is de ongespecifieerde bazuin met aartsengel uit 1 Th. 4 dezelfde als de laatste bazuin in 1 Kor. 15:52 zonder expliciet genoemde engel?
De beide brieven zijn van Paulus ...
Op. 6,7
De zes zegels ...
De oordelen van de paarden zijn chronologisch in hun startpunten, het ene paard volgt op het andere, maar de effecten werken door en verstrengelen zich en hebben alles van een grote verdrukking
1. het witte paard
Hij heeft een boog .... dat is macht uitoefenen op afstand,
niet zo direct als met het zwaard (het rode paard en zijn ruiter)
a. een visie is dat we hier met het pausdom te maken hebben
b. een visie is dat dit mogelijk een toekomstieg UN zal zijn met een wereld president
Hoe dan ook, zeker is (in onze opvatting) dat het pausdom een belangrijke rol zal spelen bij het opkomen van antichristelijke machten.
Maar wie is de antichrist?
Een zegt het beest uit de aarde, de ander zegt het beest uit de zee.
We maken een pas op de plaats, want de argumenten ontbreken ons ..
We lezen nog uit Jes. 8:5-10 en 5:25-30 en 7:8de aanval van Assyrie op Jeruzalem
Opmerking - antichrist
Het woord 'antichrist' komt slechts vijf keer in het NT voor, verdeeld over vier verzen nl.:
"Kinderkens, het is de laatste ure en zoals jullie gehoord hebben, dat de antichrist komt, zo zijn er ook nu vele antichristen gekomen. Daardoor weten wij kennen, dat het de laatste ure is." (1 Jh. 2:18)
"Wie is de leugenaar, dan hij die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent." (1 Jh. 2:22)
"Iedere geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God. Dit is de geest van de antichrist, waarvan jullie gehoord hebben, dat hij komen zal en hij is nu al in de wereld." (1 Jh. 4:3)
"Want er zijn vele verleiders in de wereld uitgegaan die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Dit is de verleider en de antichrist." (2 Jh. 1:7
Voor de beeldvorming over de antichrist lees Ps. 5:7, Ps. 10:2-4,13,15, Ps. 52:3, Ps 74:10, Jes. 11:4, 16:4, 27:1 (vgl. Op. 13 en Job 26:13), Jer. 4:7, Ez. 21:25, Dan. 7:8, 8:23 en Hos. 8:10, Nahum 1:15, Hab. 1:4, Zach. 11:17, Jh. 5:43, 2 Th. 2:3,4, 1 Jh. 2:22 en 4:3, 2 Jh. 2:17, Op. 6 (het witte paard) en Op. 19:20 en 20:10.
Opmerking - tijdsordening:
- Op. 5:8 spreekt van de gebeden der heiligen, dat is het reukwerk op de schalen
- Op. 8:3 spreekt van de gebeden van ALLE heiligen ... die uitbreiding staat er niet zomaar!!!
Tussen Op. 5:8 en 8:3 heeft zich m.i. een vervolmaking van het reukwerk voltrokken ... ik ben van gedachten dat dit kan wijzen op het voltallig worden van de gemeente (in de enge zin als de wedergeborenen, de verzegelden met de Heilige Geest, d.w.z. het geheimenis waar Paulus van spreekt) en haar gebeden door de grote verdrukking heen in hfdst. 6:9-11
Opmerking - de grote schare:
- Op. 5:10 spreekt ervan dat het Lam er heeft gekocht uit elke stam en taal en volk en natie
- Op. 7:9 spreekt ervan dat de grote schare is samengesteld uit alle volk en stammen en talen en natiën
Hoewel de woorden in beide verzen in wat andere volgorde staan, is het onontkoombaar om niet aan de gemeente te denken. Op. 7:9 de opname 'toont', d.w..z de aankomst ervan in de hemel, dan rijst wel de vraag waarom specifiek genoemd wordt dat ze uit de grote verdrukking komen, immers de heiligen die in de graven liggen (b.v. nu) hebben die grote verdrukking niet meegemaakt, maar horen wel bij de gemeente.
Is de aanduiding vooral gericht op dat deel van de gemeente dat niet ontslapen is, maar in ondeelbaar moment veranderd is en dat de pure opname representeert? Waarom is dat zo?
Of spreekt de oudste zo (Op. 7:14) omdat hij ook de opgestane doden meerekent als komend uit de grote verdrukking? Dat is ook niet uitgesloten, maar de woorden vanaf vs. 15-17 suggereren toch wel heel sterk dat zij specifiek behoren bij de gelovigen uit de grote verdrukking ... waarvan een eerdere groep al van onder het altaar te horen was en al hun witte klederen hebben gekregen.
TOEVOEGING
Volgens Roger Liebi is de terugkeer van Israël naar zijn land één van de grootste tekenen dat de eindtijd is genaderd.
Volgens H.L. Heijkoop (De toekomst volgens de profetieën van Gods Woord) is Rosh uit Ez. 38:2 niets anders dan een aanduiding van de Russen en Rusland: '“Mensenkind, keer je aangezicht tegen Gog uit het land Magog, de vorst van Rosh, Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem, .." (NWB) ... ‘vorst van Rosh, Mesech en Tubal’ - de uitdrukking komt drie keer in Ezechiël voor nl. hier in Ez. 38:2, en verder in Ez. 38:3 en Ez. 39:1. De meningen over de vertaling van de uitdrukking |נְשִׂיא רֹאשׁ מֶשֶׁךְ וְתֻבָל| lopen scherp uiteen en de debatten doen meer stof opwaaien dan echte argumenten. Het is geen eenvoudige kwestie. Voor de goede orde vermelden we dat er een grote aantal bijbelvertalingen is die deze woorden weergeven als ‘de hoofdvorst van Mesech en Tubal’ omdat het woord dat we hier als ‘Rosh’ hebben aangegeven ook vertaald kan worden als ‘hoofd’. Een variant van deze laatste opvatting is de vertaling ‘de vorst, en hoofd van Mesech en Tubal’. Een verdediging voor de keuze van Rosh vinden we o.a. in Grace Theological Journal (1985) 67-89 “Rosh: An ancient land known to Ezekiel” door James D. Price. Wat onze keuze betreft om ‘Rosh’ aan te houden, baseren wij ons op de analyse van het Hebreeuws door K&D.
Het beeld met voeten van ijzer en leem. J.G. Fijnvandraat maakt erop attent dat Darby en Kelly meenden dat het leem op een niet-Europees 'element' wijst waarbij de gedachte uitgingen naar de barbarenhorden die Europa binnenvielen.
In Dan. 2:42 staat dat het laatste rijk gedeeltelijk sterk, gedeeltelijk broos zal zijn. Dat zou kunnen betekenen dat (aannemende dat de EU in sterke mate dat Romeinse rijk vertegenwoordigt), dat sommige lidstaten hun kracht zullen behouden en sommigen zullen verzwakken. We kunnen ons ook afvragen of de instroom van imigranten, vluchtelingen e.d. in Europa van buiten de EU niet het leem vertegenwoordigt waarvan Daniël spreekt.
Volgens Heijkoop is het naamchristendom, Rome, het pausdom gelijk aan de hoer, de vrouw die zit op het beest.
Op een dag echter zullen de Europese leiders zich van haar ontdoen. Heijkoop verwijst naar Op. 17:16.
De vraag mag gesteld worden of niet de islam de macht zal zijn die namens deze leiders zal afrekenen met de hoer, met het naamchristendom ...
Maar de vraag hoeft niet meer gesteld te worden dat ze nu al steeds meer mag gaan afrekenen met ider die belijdend christen is. Dan gaat het niet om de hoer, maar om de door Christus gereinigde bruid en gaan de gedachten uit naar Op. 6, naar de martelaren onder het altaar en naar hen die het getal van de martelaren dan nog zullen aanvullen
voor volgende keer:
- hfdst 6, 7 en 8 en 9 doorlezen studeren
- evangelie naar de hele wereld .. dan is het einde gekomen .. dit moet J's inziens voor de opname vande gemeente gebeurd zijn.
- de drie weeën geven een duidelijk volgorde vanaf Op. 8:13 die duidelijk elk gekoppeld zijn aan een bazuinende engel (Op. 9:12 eerste wee, de 5e engel die de bazuin blaast), (Op. 9-13 tot Op. 11:14 tweede wee, de 6e engel die de bazuin blaast en het optreden van de twee getuigen voorafgegaan door een sterke engel met het geopende boek, die aankondigt dat er geen uitstel meer zal zijn vanaf de 7e bazuin - Op. 11:6, 7). Dit 2e wee eindigt na de twee getuigen. Hiermee is de eerste helft van de jaarweek duidelijk onderscheiden van de tweede helft van de jaarweek die begint vanaf de 7e bazuin en het derde wee met zich meebrengt, het hele complex van de beesten, de valse profeet, het beeld, de hoer, de schalen, de val van Babylon (de hoer). Dit is de dag van de grimmigheid van de satan, de boze, maar tegelijk van Gods toorn over al het kwaad. Dit is een belangrijk punt voor bespreking en voor de powerpoint sheets
Instelling 7 hoogtijden door Jules Hollebrandse - Zoeklicht)
We vinden de instelling van de hoogtijden onder andere in Leviticus 23. Het zijn feesten van God (vers 2, 4), die profetisch verwijzen naar heilshistorische gebeurtenissen waarin Jezus Christus de hoofdrol speelt. Deze hoogtijden zijn ‘een schaduw der toekomende dingen’ (Kolossenzen 2:17a).
We lopen deze hoogtijden of feesten kort na en letten op de profetische betekenis daarvan.
Vier Voorjaarsfeesten
De eerste vier feesten worden ‘voorjaarsfeesten’ genoemd; eenvoudigweg omdat ze in het voorjaar vallen. Daarna volgen drie ‘najaarsfeesten’, die allen in de 7e maand van de Bijbelse kalender worden gevierd.
1. Het Pascha
Israël moest het Pascha onderhouden als een gedachtenis aan zijn bevrijding uit Egypte (Exodus 12:14). Het geslachte lam wees op het volmaakte Offerlam, Jezus Christus. Op exact dezelfde dag waarop het Paaslam geslacht moest worden (Nisan 14, de 14e van de eerste maand), stierf Jezus Christus aan het kruis. ‘Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus’ (1 Korinthe 5:7b). Johannes wees Hem al aan: ‘Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!’ (Johannes 1:29b). Niet alleen de zonden van Israël, maar van allen die Hem hebben aangenomen en in Zijn Naam geloven (Johannes 1:12). Wij denken aan dit heilsfeit terug bij de viering van het Avondmaal des Heeren (1 Korinthe 11:23-26).
2. Het feest der ongezuurde broden
Dit feest herinnerde Israël aan het overhaaste vertrek uit Egypte. Er was geen tijd om het deeg te laten rijzen en daarom moest men ongezuurde broden meenemen. Het Pascha vloeide geruisloos over in het feest der ongezuurde broden, Nisan 15 dus (Leviticus 23:6-8). Zuurdesem is een teken van zonde; Jezus Christus vervulde het feest der ongezuurde broden door zonder zonde te sterven. Het is een beeld van Zijn begrafenis. Hij is als het Brood des levens gestorven, opdat een ieder die van dat Brood eet niet zal sterven, maar leven in eeuwigheid! (naar Johannes 6:48-51).
3. Het feest der Eerstelingen
Op het Eerstelingenfeest moest het volk de eerste schoof van de graanoogst aan de priester geven om voor de Heere bewogen te worden. Het is een beeld van de opstanding van Jezus Christus. Precies in dat jaar viel het feest der Eerstelingen op de derde dag na Pesach (Nisan 17). Op die dag stond Hij op uit de dood en vervulde letterlijk dit feest. Hij werd als eerste Schoof van de oogst voor de Vader bewogen in de hemelse tempel.
Paulus schreef hier later over: ‘Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden van hen, die ontslapen zijn. Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst’ (1 Korinthe 15:20, 23, SV).
4. Het Pinksterfeest
Op de laatste dag van de graanoogst, dat is 50 dagen (7x7 dagen+1) na het feest der Eerstelingen, werd het Pinksterfeest of Wekenfeest gevierd (Leviticus 23:15-16). Het graan werd tot meel gemalen waaruit twee broden mét zuurdesem werden gebakken.
Uitgerekend op de 50e dag ná Zijn opstanding vervulde Christus Zijn belofte (Johannes 16:7, 13) door Zijn Geest uit te storten op 3.000 mensen die allen tot één Lichaam werden gedoopt (naar 1 Korinthe 12:13).
Die twee broden zijn het beeld van twee groepen gelovigen uit Jood en heiden, die samen het Lichaam van Christus vormen. Het zijn niet langer losse graanstengels meer, maar één homogeen geheel.
Drie Najaarsfeesten
Na het 4e feest volgde een onderbreking van vier maanden waarin de oogst werd ingezameld. In deze periode zijn er geen hoogtijden en is er geen samenroeping van het volk. Profetisch ziet dit op de tijd dat de Heilige Geest van over de hele wereld mensen vergadert. De drie ‘najaarsfeesten’ beginnen als de volheid der heidenen is ingegaan, samen met het overblijfsel uit Israël (resp. Romeinen 11:25 en 5).
5. Het bazuinenfeest
Nadat de gehele oogst was binnengehaald werd het volk opgeroepen om tot rust te komen en op de bazuin te blazen (Leviticus 23:23-25; Numeri 29:1-6). Dat gebeurde als de priesters de eerste maansikkel aan de hemel hadden waargenomen. De laatste van 100 bazuinstoten was een langgerekte toon. Niemand wist precies wanneer het zover was; de bewolking kon het zicht belemmeren waardoor de bazuin later geblazen werd.
Jezus Christus zal dit feest vervullen als de laatste bazuin Gods zal klinken en Hij terugkomt op de wolken om de gemeente op te nemen in heerlijkheid (1 Thessalonicenzen 4:16-17 en 1 Korinthe 15:51-52).
6. De grote Verzoendag
Op de grote Verzoendag ging de Hogepriester het Heilige der Heiligen binnen voor de jaarlijkse reiniging van de zonden van het volk (Leviticus 16:1-34). Dit is een beeld van Christus die als de grote Hogepriester Zichzelf als een zondoffer voor ons geofferd heeft (Hebreeën 9:11-14).
Voorafgaand aan deze dag moest het volk vasten, zijn zonden belijden en de gunst van de Heere zoeken. Dit duidt op de periode van verdrukking voor de zichtbare wederkomst van Jezus Christus. We zien in onze dagen dat God Israël terugbrengt naar zijn eigen land. De meesten zijn onbekeerd. Maar ze zullen berouw tonen en zich tot God bekeren (Zacharia 12:9-14) en Hij zal Zich met Zijn volk verzoenen. Zo wordt de grote Verzoendag vervuld bij Zijn zichtbare Wederkomst.
7. Het Loofhuttenfeest
Om de Heere te danken voor de gehele oogst vierde het volk zeven dagen feest (Deuteronomium 16:13). Gedurende deze dagen woonde men in loofhutten. Iedereen leefde op dezelfde sobere wijze. Onderscheid in rang en stand viel weg, men voelde zich één, er heerste blijdschap, men genoot van lekker eten, enz.
Dit feest wijst profetisch op de tijd dat Jezus Christus op aarde zal regeren. Het krijgt zijn vervulling in het vrederijk, waarover zoveel profeten in het Oude Testament al hadden gesproken.
Het eindigt na de 7e dag; de 8e dag begint de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Zo zeker als God de voorjaarsfeesten rondom Christus’ eerste komst tot in detail vervulde, zo zeker zal Hij dat ook doen met de najaarsfeesten rondom Christus’ wederkomst. De eerstvolgende mijlpaal in Gods heilsplan is het bazuinenfeest dat elk moment kan aanvangen. Daar behoeven niet eerst nog profetieën voor vervuld te worden. Op Zijn komst is onze verwachting en gegronde hoop gevestigd! (Titus 2:13).
Ziet u er ook reikhalzend naar uit? Maranatha!
Al-walāʾ wa-l-barāʾ (Arabic: ٱلْوَلَاءُ وَٱلْبَرَاءُ) is a concept associated particularly with modern Salafi Islam. It literally means "loyalty and disavowal", which signifies loving and hating for the sake of Allah.[1][2][3]
Textliche Grundlagen[Bearbeiten | Quelltext bearbeiten]
Als Beleg für die Richtigkeit der Walā'-Barā'-Doktrin werden verschiedene Koranverse angeführt, in denen Begriffe vorkommen, die von den arabischen Wortwurzeln w-l-y bzw. b-r-ʾ‚ abgeleitet sind.[18] Hierzu gehören insbesondere zwei Verse am Anfang von Sure 60 (al-Mumtaḥana).[19] In dem ersten heißt es: „O ihr, die ihr glaubt! Nehmt euch meine und eure Feinde nicht zu Freunden (auliyā)!. - doch ihr begegnet ihnen mit Zuneigung, obgleich sie nicht an das glauben, was von der Wahrheit zu euch gekommen war, und dabei den Gesandten und euch vertrieben haben, da ihr an Gott glaubt, euren Herrn“ (Sure 60:1). Als positives Vorbild wird den Gläubigen an der gleichen Stelle Abraham vorgehalten, der die Beziehung zu den Ungläubigen abbrach und sich von ihnen lossagte: „Ein schönes Vorbild habt ihr an Abraham und an denen, die mit ihm waren. Damals als sie sagten: ‚Wir haben mit euch und dem, was ihr noch außer Gott verehrt, nichts zu schaffen (innā burāʾ minkum wa-mimmā taʿbudūna min dūna Llāhi). Wir wollen nichts von euch wissen. Offenkundig wurden Feindschaft und Hass zwischen uns und euch für immer, bis ihr einzig und allein an Gott glaubt‘“ (Sure 60:4). Weitere Koranstellen, die zur Begründung der Doktrin herangezogen werden, sind:
• Sure 3:28: „Die Gläubigen sollen sich nicht die Ungläubigen anstatt der Gläubigen zu Freunden (auliyā') nehmen. Wer das tut, hat mit Gott nichts mehr zu tun. Anders ist es, wenn ihr euch vor ihnen wirklich fürchtet. Gott warnt euch vor sich selber. Zu Gott hin ist das Ziel.“
• Sure 4:89: „Sie hätten es gerne, dass ihr ungläubig wäret, so wie sie (selber) ungläubig sind, damit ihr alle gleich wäret. Nehmt euch daher von ihnen keine Freunde (auliyāʾ), bis sie auswandern auf dem Wege Gottes.“
• Sure 5:51: "Ihr Gläubigen! Nehmt euch nicht die Juden und die Christen zu Freunden (auliyāʾ)! Sie sind untereinander Freunde. Wer immer von euch sich ihnen anschließt (man yatawallāhum minkum), gehört zu ihnen. Gott leitet das Volk der Frevler nicht recht".[20]
Zu den Hadithen in diesem Zusammenhang gehört ein überliefertes Prophetenwort, demzufolge die Liebe in Gott und der Hass in Gott „das festeste Band des Glaubens“ (auṯaq ʿurā al-īmān) sind.[21]
https://de.wikipedia.org/wiki/Al-Walā%27_wa-l-barā%27
in 2 Timoteüs 3:16, 17
“Elk Schriftwoord dat door de (Heilige) Geest opgeschreven is, is nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens van GOD volmaakt zal zijn, tot alle goed werk volmaakt toegerust.”
WEDERKOMST OP GROTE VERZOENDAG van JUBELJAAR
VOETNOTEN
(‹1›) transsubstantiatie - de term ‘transsubstantiatie’ werd voor het eerst in de 13e eeuw gebruikt op het Vierde Lateraans Concilie. Tijdens dit concilie in 1215, kondigde paus Innocentius III het dogma af van de ‘transsubstantiatie’: al blijven het brood en de wijn onveranderd voor de menselijke waarneming, toch veranderen zij bij de wijding (‹consecratie werkelijk in respectievelijk het Lichaam en Bloed van Christus. Het gaat hier niet om de leer dat Christus werkelijk tegenwoordig is in het Brood en de Wijn, maar om de verklaring op welke manier Christus daarin tegenwoordig wordt bij het Avondmaal. De Bijbel leert dat het Heilige Avondmaal een herdenking is van het Lichaam en het Bloed van Christus (‹Lk. 22:19; 1 Kor. 11:24-25›), maar niet de feitelijke consumptie van zijn stoffelijke lichaam en bloed. De Rooms-Katholieke leer moet worden afgewezen, omdat zij in wezen het Avondmaal als een zich steeds ‘herhalende offergave’ van Jezus Christus voor onze zonden beschouwd. Dit is in strijd met deze woorden uit de Bijbel uit Hebreeën 7:26, 27 “Want een Priester zoals Hij hadden wij ook nodig: rein, zonder kwaad, zonder smet, afgescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven, die niet iedere dag de verplichting heeft, zoals de hogepriesters, om eerst voor zijn eigen zonden offers te brengen en daarna voor die van het volk, want dat heeft Hij één keer gedaan door Zichzelf als offer te brengen. Zie ook Hebreeën 10:10 en 1 Petrus 3:18.
|
NOTITIES 1e studie met Wouter en Wilco Opvallend was dat 2e studie met Wouter Mt. 24 - Op. 6 Er komt toch een probleem bij de gruwel der verwoesting want die is dan midden in het tijdvak van de gemeente, dus kan het moeilijk anders dat Jezus Christus hier een sprong maakt in tijd. We moeten mogelijk onderscheioden tussen gertsenoogst (Jezus eersteling - Gemeente volheid - Op. 7) en de tarweoogst Op. 19 Wanneer is de laatste bazuin? Dat er oordeelsbazuinen zijn en andere bazuinen staat o.i. niet in de schrift. Mt. 26 de beker etc' dit gaat o.i. over mensen die de gelovigen helpen, die degenen helpen die het teken van het beest weigeren en dus geen eten hebben e.d. Dat zou betekenen dat de dwang om het beeld te aanbidden niet wereldwijd zal zijn ... want wie het merk van het beest aanvaardt zal verloren gaan (Op. 14:9-11) terwijl Op. 13:8 lijkt juist anders te zeggen. Of moeten we het zo zien o.g.v. deze verzen dat er een tweedeling zal zijn in de wereld tussen hen van het beest en zijn beeld (merkteken en valse aanbidding) en die van het boek des levens die ofwel gedood worden omdat ze openlijk weigeren, ofwel eht 100-jarige rijk als schapen (dus niet als bokken) mogen binnengaan) Openbaring achterstevoren: Op. 21 eeuwigheid, nieuwe hemel en nwe aarde Op. 20 rechtvaardigheid wordt gedaan aan de gelovigen Op. 19 overwinning - wit linnen de gelovigen de grote verdrukking waarvan Jezus spreekt Mt. 24:21 zal in het 2e deel van de jaarweek zijn Op. 18. 10 koningen plus beest verbranden de vrouw wsl. nadat zij gevallen is, d.w.z. het grote Babylon is ingestort, mogelijk op het moment dat Jezus Christus zijn voeten op de Olijfberg zet en die in 2-en splijt. a. 1000-jarig rijk b. satan losgelaten c. boek des levens (mogelijk alleen juridisch) oordeel (Op. 20:6, 15) Op. 17. oordeel over Babylon vs. 14 de gelovigen vs. 18. vrouw heeft het koningschap Op.16 7 plagen (toorn) vóór oogts (Op. 14:4) Openbaring hoofdstuk 1 vs. 1 wat met spoed - εν ταχει (vgl. Op. 22:20 Ik kom spoedig - ερχομαι ταχυ) Het slot van Openbaring nl. Op. 22:6-8 is erg vergelijkbaar met de aanvangswoorden van de Openbaring. In Op. 22:10 staat dat de Op. niet verzegeld moet worden, omdat de tijd nabij is, wat een opvallende verklaring is, nu er al bijna 2000 jaar voorbij sinds Jezus gekruisigd werd en dood was. Er komt een engel bij Johannes met de openbaring. Ongetwijfeld heeft dit ermee te maken dat Johannes in de Geest komt in de dag des Heren (vs. 10) Het in onze nabijheid komen van geestelijke wezens brengt iets teweeg. We weten in het algemeen niet wat zich in de geestelijke wereld precies afspeelt tenzij het wordt geopenaard. Heeft een engel je gered bij een ongeluk? Misschien wel, misschien niet. Die man die je wegtrok, wie was dat? Alleen als we het in de bijbel lezen (b.v. de engel die Petrus uit de gevangenis haalde), weten we het zeker. (a) engelen van God - zijn dienende geesten - zijn ze niet medewerkers in het werk v.d. HG! Ze worden door God gezonden, we worden niet geacht hun hulp te zoeken, buiten Christus om! Dit probleem speelt in de 7 gemeenten en wordt o.a. genoemd in de brief aan de Colossenzen. Jezus was in intens gebed, toen kwam een engel Hem bijstaan (Lk. 22:43), nadat Hij geen beroep had gedaan op de legioenen van engelen die Hem ter beschikking stonden. (b) wie contact zoekt met de geestelijke wereld buiten Christus om, kan rekenen op een reactie, maar dan van de boze en beïnvloeding of besmetting door het occulte / duistere, door de boze geesten. B.v. er veel over praten, er boeken over lezen en er veel in gedachten mee bezig zijn, groepsessies bijwonen die beogen contact te maken met het onzichtbare ....het stil worden voor de geestelijk wereld in het algemeen en niet zeer gericht bidden tot God door Jezus Christus ... de meditatieve wereld buiten Jezus Christus en de 'meditatief-technische' invloeden op onze omgang met de Heer zijn een gevaar voor de gezonde omgang en overgave aan Christus. Je kunt hier eindeloos over discussieren en nadenken en de Heer beschermt ons voor vele zaken, maar wie de waarschuwingen in de wind slaat, zal oogsten wat hij/zij zo zoekt. In de Timotheusbrieven (Timotheus die ook werkzaam was in Efeze ....) wordt over deze geestelijke wereld en de gevaren daarvan ook het nodige gezegd. We lezen in 2 Kron. 18 over de gebeurtenissen i.v.m. Achab m.n. vs. 18-21: een engel zal heengaan en tot een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten ...! Een voorbeeld van het optreden van een engel van de boze (2 Kron. 18:9-11). Lees ook de reactie in vs. 23, 26 ... nl. vervolging door leidende 'broeders'. (Zedekia, de zoon van Kenaäna en koning Achab). vs. 2 deze heeft van het Wοord van God getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft ... vgl. ook Joh. 20:30,31 Jezus heeft nog wel vele andere dingen gedaan, die niet geschreven zijn in dit boek ... dus de uitdrukking alles wat hij gezien heeft, zal niet slaan op een fotografisch/mechanisch registreren, maar zoals in Joh. 20:30,31 het erom gaat dat zij zullen geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat ze ij gelovende, het leven hebben in zijn naam, zo gaat het er hier om dat de dienstknechten informatie zullen ontvangen overde dingen die weldra/spoedig zullen gebeuren ... (vs. 1). Vgl. ook 1 Joh. 1:3 Mogelijk slaat dit op het Evangelie en de brieven die Johannes heeft geschreven en op wat hij daarbuiten mondeling heeft doorgegeven aan de gemeenten, persoonlijk en in samenkomsten De benadrukking van Johannes' betrouwbaarheid is ongetwijfeld (gezien de opbouw van deze inleidende woorden) bedoeld om de betrouwbaarheid van de door hem weergeven openbvaring en proeftie (zie vs. 3) te onderstrepen bij de lezers. vs. 3 de tijd is nabij .... Is dat de tijd waarnaar in vs. 7 wordt verwezen ... ZIe Hij komt met de wolken ...? de woorden van de profetie De profetie heeft hier zeker een voorspellende, vooruitziende kracht, dat is onmiskenbaar als je het boek leest. vs. 4 TR gewassen (reiniging), NA verlost (schuld).(G3068) Het Griekse woord verschilt maar één letter. vs. 9. Johannes blijkt verbannen te zijn om zijn betrouwbaar getuigen ... om het woord van God en om het getuigenis van Jezus (vs. 2). De vraag is of dit in gebracht kan worden met zijn bijdrage aan de samenstelling van de Schrift (Joh. ev. en de brieven) ... nu wordt je vervolgt om het bezit van de bijbel of om verspreiding. Zou je toen niet vervolgd worden om het doorgeven van de woorden van Jezus Christus? Het woord getuige is ook 'martelaar'. vs. 17 de blik op de verheerlijkte Heer leidt tot de dood (als dood) ... Ook Paulus op zijn reis naar Damascus en alle mannen die met hem waren vielen op de grond toen een groot licht hen omstraalde en Paulus werd blind (Hd. 226:12-15) De gedachte dat de aanblik zo geweldig was, omdat de Johannes de Heer alleen in zijn aardse gedaante had gezien en nu zo overweldigd werd, dat hij neerviel is wel verdedigbaar, als we maar wel beseffen dat Johannes zeer bevreesd was, zoals hij later in Op. 5:4 zeer bedroefd was omdat niemand waardig was de rol te openen. OPENBARING 2 Schrijf aan de engel ... Geen oudsten, geen ... , maar een engel zoals overal elders in Openbaring ... toch blijft de formulering wat lastig ... is het niet net of de engel zelf ook kennis moet hebben van de inhoud van de brief ? Hoe konden de gemeenten weten dat een engel de brief had gebracht ? Op. 4:5 spreekt van de 7 geesten van God die als vurige fakkels voor Gods troon staan In Op. 5:6 worden die nader geïdentificeerd als zeven horens en zeven ogen .. de 7 geesten van God worden uitgezonden over heel de aarde. ZIjn de paarden die in Zach. 1 teruggekomen zijn van het doorkruisen van de aarde misschien gedaanten van engelen, van de zeven geesten? Zijn de 7 engelen van de 7 gemeenten misschien een beeld van de werkzaamheid vd HG? Op. spreekt van een engel die een eeuwig evangelie afroept .. Op. 4 Als de 24 oudsten, in de zin van de gemeente, dan al opgenomen is in de hemel, dan zou Op. 5:13,14 ook een feit zijn (anders wordt de tijd in Op. wel erg willekeurig). Maar alle schepselen eren God dan nog niet, want blijkt uit het vervolg van Op.. Dus zijn Op. 4 en 5 van een apart gehalte en mogelijk 'onttrokken aan de tijd' .. OPENBARING 6 Hier gaan de 7 zegels van de boekrol open ... in Openbaring 8:1 gaat 'pas' het 7e zegel open. Daarop volgen onmiddelijk de 7 bazuinen: - 4 bazuinen in Openbaring 8 - 5e bazuin in Openbaring 9a - 6e bazuin in Openbaring 9b INTERMEZZO de opvallend op Jezus gelijkende engel met het geopende boekje (Op. 10) de twee getuigen in Jeruzalem (Op. 11:1-14) - 7e bazuin in Openbaring 11:15-19 het koningschap van Christus geproclameerd! DE BEELDEN die 1e en 2e deel jaarweek met elkaar verbinden: a. vrouw en draak b. de vrouw naar de woestijn c. de duivel met zijn engelen uit de hemel (wsl. een derde van alle engelen) DE SATAN in actie op aarde de satan ziet dat hij kort tijd heeft en speelt zijn laatste kaarten uit: a. beest uit de zee b. beest uit de aarde c. het beeld voor het beest HET LAM op de berg SION met de 144.000 verzegelden (zie ook Op. 7a) a. de engel in het midden van de hemel met een eeuwig evangelie ... - wie God aanbidt komt bij HEM, dit zijn de overwinnaars die het zegel weigeren (Op. 14:12,13 Op. 14:15,16 en 15:1-4) - wie het beest aanbidt is voor eeuwig verloren (Op. 14:9-11, Op. 14:17-20, Op. 19:19-21) b. Babylon valt (aankondiging Op. 14:8, gebeurt bij 7e schaal Op. 16:19 en wordt uitvergroot in Op. 17 en 18 en afgesloten in Op. 19a. Terug naar Openbaring 11:15 ... de 7e bazuin ... het koningschap van Christus geproclameerd! wsl. helft van de jaarweek omdat halverwege de jaarweek het verbond wordt verbroken. (Dan. 9:27) In Op. 16 volgen de zeven schalen. De strijd ontbrandt tussen Zijn koninkrijk en het rijk v.d. duisternis (zie b.v. Op. 16:10-11) De engelen zijn wel dienende geesten van hen die het heil beërven ... zij vormen ook onderdeel van het werk van de Heilige Geest, zonder zelf de HG te zijn, want zij zijn geschapen wezens. Zo zijn ook wij kinderen van God en wij zullen Hem zien gelijk Hij is, en we zullen Hem gelijk zijn als we ons laten reinigen, want anders kan men God niet zien Waar is de rechterstoel van Christus: op aarde of in de hemel? Volgnes Pawson op aarde omdat in de hemel geen plaats is voor zonde. Pawson identificeert de rechterstoel van Christus met de grote witte troon in Openbaring die volgens hem op aarde staat (daar lijkt het wel op) ... maar de vraag is of dat zo is. Als we voor die rechterstoel komen hebben we dan al ons verheerlijkte lichaam? Jezus zegt dat we bij Hem in het paradijs zullen zijn, na onze dood en niet in het dodenrijk! Maar hebben wij dan al ons verheerlijkte lichaam .. dat is toch pas bij de laatste bazuin .. Na de opname eerst de rechterstoel (berechting van de gelovigen ... hout, zilver, stro goud ) ... moeten de gelovigen dan nog zich met elkaar verzoenen, .. dan de bruid ... Hoewel wij een geestelijk lichaam ontvangen en een geheel nieuwe schepping worden, zijn we niet onze identiteit kwijt, al krijgen we wel een nieuwe naam. Er is in ieder geval relatie met wat in Christus is verricht, maar We zullen Jezus herkennen aan zijn wonden ... ! Er zijn meerdere opstandingen 1. na het volbrachte werk de heiligen die verschenen aan de inwoners van Jeruzalem 2. Jezus Christus en de gemeente heeft deel aan zijn opstandingsleven ... maar zie ook 1 Kor. 15 ... (is opgewekt worden hetzelfde als opstanding? ) 3. de overwinnaars (Op. 15a) 4. de grote witte troon (Op. Dat opstanding niet perse gelijk is aan het krijgen van het onvergankelijke lichaam blijkt uit: - de doden die opstaan en voor de witte troon verschijnen - de verschijning van Jezus aan zijn discipelen die nog niet was als de verschijning aan Paulus en Johannes op Patmos, maar ook weer verschilde van zijn verschijning bij de verheerlijking op de berg Vragen Waar staat dat de 144.000 gaan evangeliseren? Als Johannes verschijnen in de hemel in Op. 4 de opname betekent, De opname kan niet zijn in Op. 4 begin, want de boekrol is nog niet open, maar moet nog opengaan. De boekrol is hoogstwaarschijnlijk een lossersrol en die moet eerst open wil een volk gelost worden .... of het zou op de bruid Israël moeten slaan als we aannemen dat het boek Ruth ons iets profeteert van deze dinegn? Wie zijn de martelaren in Op. 6? De opname is ook niet in 2 stappen ... eerst op de wolken (op. 4) en dan in de hemel (op. 7). When God Deals with Islamic World Dominance By Kit Olsen With the current situation between Israel and the Hamas terrorists in Gaza, it is important to keep in mind another prophesied war is on the near horizon. Of course, Israel will once again be the target. In the Bible, the battle of Ezekiel 38 and 39 (Gog-Magog war) is given the most detailed description of any prophesied future war. It is going to happen soon and the entire world will be affected by it. This war will bring about great devastation, but during and at the end of the Tribulation there will be utter destruction. Russia will lead a coalition of mostly Islamic nations against Israel. This war will occur before the Tribulation. It could begin as early as three and one-half years before the Tribulation. It will take seven years to clean up the damage, and seven-months to bury the dead (Ezekiel 39:9, 12). Halfway through the Tribulation the Jews will have fled Israel and will no longer be able to bury the dead. In order to fulfill the prophecy of Ezekiel 39:9, 12) this battle must happen at least three and one half years before the Tribulation begins. The Lord Himself will supernaturally intervene in this war and the majority of the aggressors will be obliterated. These warriors will turn against each other. God will shake the earth with tremendous power and the invaders will wish they had never even had a bad thought about Israel. Scripture tells us this war will spread: “And I [God] will send fire on Magog [Russia] and those who live in security in the coastlands. Then they shall know that I am the LORD. So I will make My holy name known in the midst of My people Israel, and I will not let them profane My holy name anymore. Then the nations shall know that I am the LORD, the Holy One in Israel” (Ezekiel 39:6-7). No one but God Himself will help rescue Israel when she is attacked. Without God’s intervention, Israel will have no chance to survive this invasion. God will preserve His chosen nation. He will not be doing this for Israel’s sake, but for His own sake, to make a powerful statement that He is in control, and that He is Almighty God and can no longer be ignored. God will actually bring these nations against Israel, who has rejected Him—for His glory. It is a major wake-up call to the entire world, and primarily for Israel, that the God of Abraham, Isaac, and Jacob lives forever and is King. Everyone should realize that without Him, they are condemned. Followers of Allah will be left scrambling trying to figure out how they can possibly continue claiming that Allah is God. Allah will be nowhere to be found when these heavily numbered, primarily Muslim forces march against Israel. Because of the awe-inspiring miracles performed by the Lord during the battle of Ezekiel 38 and 39, Israel and the Jews as a whole will experience a huge resurgence in their quest for God—for their Messiah. The entire world will have a chance to see God in action, as the true protector of Israel and many will come to salvation around that time. Scripture indicates the astonishing battle of Ezekiel 38 and 39 will take place before the prophesied Tribulation opening-up tremendous opportunities to share the Word of God. After this battle a large segment of Israel will be saved (converted) and the nation of Israel will turn back to Jehovah God after having rejected Him for over 2,000 years. The Holy Spirit will be poured out on them bringing about a short revival in Israel fulfilling the prophecies of Joel 2:28b-29, double referenced in (Acts 2:17-18), when the Jews will prophesy, dream dreams and see visions. In verse 29 Joel wrote: “And also upon the servants and upon handmaids in those days will I pour out My Spirit.” Joel is speaking about the Millennium in verses 21-28a, and then halfway through verse 28 he switches to the time prior to the Rapture and the Tribulation. The Joel 2:28b-29 prophecies are directed to the nation of Israel—to the Jews. It should be noted, earlier in verse 23; Joel’s prophecies are specifically to the nation of Israel, to the “children of Zion. In verses 28-29 Joel is still making reference to the “children of Zion.” These prophecies are about God pouring out His Spirit upon Jews. In the New Testament Peter takes an application of these passages in Acts 2:17-18. As mentioned earlier, nations throughout the entire world will witness and realize the miraculous intervention by God Himself (Ezekiel 38:23; 39:7, 21). Furthermore, in Joel 2:30-32, Joel distinctly presents a case for the Pre-Tribulation Rapture. He describes when this outpouring of the Spirit upon the Jews will happen: Prior to the Rapture and the Tribulation. All believers, including the new converts will “escape” the Tribulation by way of the Rapture before the Tribulation begins. Joel 2:30-32: “And I will show wonders in the heavens and in the earth: The sun shall be turned into darkness and the moon into blood, before the great and awesome day of the LORD. And it shall come to pass, that whosoever shall call on the name of Jehovah shall be delivered for in mount Zion and in Jerusalem there shall be those that escape as Jehovah hath said, and among the remnant those whom Jehovah doth call.” The “coastlands” referred to in the previous Scripture are also destined to experience the wrath of God for participating in the offense against Israel, indicating that the Muslim population will significantly decrease. The coastlands are maritime regions in the Middle East with heavy Muslim populations. These are homelands to those who will assist Russia against Israel with their fleets and troops. The “coastlands” extend to what would actually encompass global Islam, reaching all around the world, including Indonesia. One of the results of this war will be the removal of a significant portion of Islamic domination. It is also very likely that Mecca, the al-Aqsa Mosque and the Dome of the Rock will to be severely damaged or destroyed by the tremendous earthquake cited in Ezekiel 38:19. It will not be possible for a one-world government, a one-world church and a one-world economic system to take hold unless the influence of Islam is tremendously reduced or removed. If not we will have an Ayatollah type one-world government, economic system and world church. It is apparent to me that it would be nearly impossible for the prophesied one-world government, a world economic system, and a world church to be established while Islam is standing in the front wings of world dominance. From studying Scripture, it is my point of view that an ecumenical, apostate one-world church is much more likely than an Islamic religious take-over. Although at the moment, it certainly does appear that Islam, because of its enormous population and wealth could rule the entire world. But as we see from Scripture, there is a point when God will no longer sit quietly on the sidelines and allow His holy name to be desecrated. If Islamic world dominance is not removed, then the Antichrist will be Muslim, the world church will be Muslim and the one-world government will be a caliphate. But that is not what is described in Scripture. There are two legs on the image of Daniël in chapter two. The two legs represent the two divisions of the Roman Empire, which were divided into those two legs in 400 AD upon the death of Theodosius; the western capital in Rome and the eastern capital in Constantinople. The western leg with its capital in Rome was broken and not restored until 800 AD when the pope crowned Charlemagne king of the holy Roman Empire. That empire then was overrun by the Huns and that type of government went up into Germany under Kaiser Wilhelm. The eastern leg stayed intact until 1453 and then it was overrun by the Muslims -- so we have a choice then, of either taking the Antichrist, the world government and one-world religion out of that eastern division/Isalm, or the western division. I choose the western division because of typology. Antiochus Epiphanes, a Greco-Syrian is given in Daniël as a type of Antichrist, and he was a European. The Antichrist will be from the western or European side and therefore not a Muslim. Moreover, the Antichrist is seen riding, from the west to the east as he makes his capital in ancient Babylon. And the one who rides that beast today is the Vatican or the western side of the old Roman Empire (the Roman Catholic Church from the western leg). And the world church is not Islamic because it comes from Nimrod with the worship of little baby Tammuz in Semiramis’ arms (Nimrod’s Babylon/The Roman Catholic Church). The Israelites worshipped the Babylonian god Tammuz whom the Canaanites addressed as Adonai (my lord). The summer festival of Tammuz celebrated the death of nature and revival in the spring. Tammuz was associated with the Babylonian deity Ishtar (Astarte), (who was later called Adonis by the Greeks). He was also associated with Aphrodite, the Greek goddess, who was worshipped by the Romans. Notice God’s attitude toward those who engaged in the worship of Tammuz: “Therefore will I also deal in wrath; mine eye shall not spare, neither will I have pity; and though they cry in mine ears with a loud voice, yet will I not hear them( Ezekiel 8:18). God said He would not hear anyone who carried out the idolatrous worship of Tammuz. The church in Rome at one time was once a sound church. The apostle Paul wrote one of the greatest letters he ever wrote to that church and in it he mentioned their faithfulness. The Roman church had many followers. Then the Roman Empire outlawed Christianity, and that church was forced to go underground. It was a true and faithful church, much persecuted by the Roman government. Then Constantine came into power as the Roman ruler and was nominally converted to Christianity at the beginning of the fourth century. Christianity until that time was outlawed, but Constantine declared Christ Jesus to be the only true God, and Christianity became the official religion. He declared that the heathen temples had to be destroyed. By that time, temples had been built all over the known world to the “Queen of Heaven,” the virgin-mother goddess pictured with the little boy Tammuz in her arms. Then Christianity became the only legal religion. Constantine said Tammuz and the Queen of Heaven could not be worshipped. What were these priests in the temple of Ishtar-Innini going to do? Did they destroy their idols and turn to Christianity? No, they did not. They removed the names of Ishtar and Tammuz off these idols, and etched in new names: Jesus and Mary! And the practice of idolatry forbidden by Scripture—Mary worship—continues today in the Roman Catholic Church. The roots of the end-time world church will be a survival from the background of Babylonian mysticism headed by the False Prophet prophesied in Revelation 16:13. The situation with Russian and Ukraine, and the current Gaza conflict where Israel is rightfully protecting herself from radical Hamas, is another step toward Ezekiel’s prophesied war—when Islam will be marginalized—changing the dynamics of the entire world on multiple levels, opening the way for a one-world-government, a one-world religion and one-world economic system to take hold. When will this invasion take place? This invasion takes place when Israel is back in the land, re-gathered as a nation as she is today. This war will take place when God Himself says it is time—when God in His sovereignty brings down the invaders: “I will put hooks in your jaws and bring you down” (Ezekiel 38:4a). Footnote: Notes Brief excerpts taken from my book, A Better World Is Coming Soon - Don’t Miss It Expanded 2013 Edition. Outline of the Book of Revelation by Keith Sharp I. Christ Among the Lampstands. Chapter 1 A. Introduction. 1:1-5 II. Letters to the Seven Churches. Chapters 2-3 A. Ephesus. 2:1-7 III. The Throne in Heaven. Chapters 4-5 A. God on His Throne. Chapter 4 1. God. 4:1-3 B. Worthy Is the Lamb. Chapter 5 1. Who Can Open the Scroll? 5:1-4 IV. Opening the Seven Seals (Victory Over Judaism). Chapters 6-11 A. Opening the First Six Seals. Chapter 6 1. First Seal: White Horse. 6:1-2 B. First Interlude (The 144,000 & the Great Multitude). Chapter 7 1. Four Winds Restrained. 7:1 C. Opening the Seventh Seal. Chapters 8 - 9 1. The Seal Opened. 8:1-6 D. Second Interlude. 10:1 - 11:13 1. Mighty Angel, Little Book, Voice of Seven Thunders. 10:1-5 E. The Seventh Trumpet (Third Woe). 11:14-19 (The Seven Seals & Seven Trumpets Are Now Complete, Judaism Is Defeated, and the Temple of God Is Now In Heaven.) V. Victory Over Pagan Rome. 12:1 - 19:11 A. War in Heaven. Chapter 12 1. The Woman in Child Birth. 12:1-2 B. The Two Beasts. Chapter 15 1. The Beast Out of the Sea. 15:1-10 C. Judgment of the Earth. Chapter 14 1. The Lamb the 144,000 on Mt. Zion. 14:1-5 D. The Seven Bowls of Wrath. Chapters 15-16 1 . The Seven Angels. 15:1 E. The Fall of Babylon the Great Harlot. 17:1 - 19:10 1. The Great Harlot Described. 17:1-6 VI. Victory Over the Dragon. 19:11 - 22:5 (Ultimate Victory of Christ & the Saints Over Satan & the World) A. Christ, the Glorious, Conquering King. 19:11-16 1. Satan Bound. 20:1-3 D. The Final Judgment. 20:11-15 1. New Heaven & New Earth. 21:1 VII. Conclusion: The Divine Seal. 22:6-21 A. Blessed Is He Who Keeps This Book. 22:6-7 |
