DE TWEEDE FEESTROL
voor het Weken- of Vijftig Dagen Feest
bij de tarweoogst
RUTH
|
De inleidingen tot de Bijbelboeken zijn bedoeld als ondersteuning voor de bestudering van de Bijbelboeken, maar het verdient alle aanbeveling om eerst ieder Bijbelboek zelf een aantal keren aandachtig te lezen, opdat al lezend een beeld van het boek, van de achtergrond ervan, van zijn inhoud, opbouw en van zijn onderwerpen ontstaat. De aandacht voor de tekst van het Woord van God zelf dient altijd voorop te blijven staan vanwege het hoogste gezag dat dit Woord in alle opzichten vertegenwoordigt. |
Inleiding
Het boek Ruth is de tweede rol van de Vijf Feestrollen van de Joden: Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker en Esther, die elk bij een feest worden voorgelezen in de synagoge in de Joodse gemeenschappen. De Feestrol van het boek Ruth wordt voorgelezen op het Wekenfeest (‹dat is ‘Pinksteren’ d.w.z. het Vijftig Dagen Feest of Wekenfeest, het feest van de tarweoogst›) en bij het voorlezen wordt de feestelijkheid van de oogst verbonden met de vreugde van de bruiloft.
Het boek Ruth sluit inhoudelijk aan op de tijd van Richteren en het speelt zich af in een periode van betrekkelijke rust tussen Israël en Moab (‹Ri. 3:11-30 - nadat de Moabitische koning Eglon door de richter Ehud gedood was›). Het boek Ruth is geen onderdeel van het boek Richteren, maar het slaat wel de brug tussen het boek Richteren enerzijds en de boeken van Samuël anderzijds. Het huwelijk van Boaz met Ruth is de sleutel tot de oprichting van het koningshuis van David en daarmee is de afsluiting van de periode van de Richteren genaderd: de koningen nemen het over van de richteren.
De schrijver van het boek is niet met zekerheid bekend, maar vaak wordt gedacht aan Samuël, omdat hij zelf ook de profeet was die de tijd van de richteren verbond met de tijd van het koningshuis van David. Het boek is een bijzonder levendige, kernachtige en boeiende geschiedenis, een ‘juweel van Joodse vertelkunst’, maar dan wel onder leiding van de Heilige Geest van God die de hand heeft in heel de samenstelling van de tekst van de Bijbel
Het boek Ruth kent drie hoofdpersonen nl. (‹1›) Naomi, (‹2›) Ruth en (‹3›) Boaz. Het boek ontleent zijn naam aan de Ruth, de Moabitische schoondochter van Naomi. Het boek Ruth brengt ons in de familiesfeer van de voorvaderen van koning David in de vorm van een eenvoudig en aantrekkelijk historisch verhaal, een liefdesgeschiedenis van een Joodse man uit Betlehem, genaamd Boaz, een Israëliet, en een Moabitische vrouw genaamd Ruth, die het beeld is van een bruid uit de volken. Hun kennismaking leidt tot hun huwelijk in de periode van het Wekenfeest, want de geschiedenis van Ruth speelt zich af in de periode vanaf de gersteoogst tot aan de tarweoogst (‹zie Ruth 2:23›).
Het intieme karakter van het boek Ruth vindt een parallel in 1 Samuël 1 en 1 Samuël 2 waar het gaat over de geschiedenis van Elkana en zijn vrouw Hanna en de geboorte van hun zoon Samuël om wie Hanna tot de HEERE gebeden had.
Het boek wordt gekenmerkt door een afwisseling en tegenoverstelling van personnages:
- Elimelech overlijdt en laat Naomi als weduwe achter
- zijn zonen Machlon en Chiljon trouwen resp. met Ruth en Orpa
- zijn zonen overlijden en laten hun vrouwen als weduwen achter
- de beide weduwen Orpa en Ruth gaan met Naomi mee op weg naar Betlehem: Orpa keert terug, Ruth zet door
- de eerste losser haakt af, de volgende losser, genaamd Boaz, zet door en lost het land met de bruid.
De inhoud van het boek Ruth
Vanwege de hongersnood in Betlehem in Judea is Elimelech weggegaan naar Moab, met zijn vrouw Naomi en met zijn beide zonen, Machlon en Chiljon. Zij zijn Efratieten uit Betlehem. Efrata was een klein dorpje in de buurt van Betlehem (‹Ps. 132:6; Gen. 35:16›), dat voluit Betlehem-Efrata werd genoemd (‹Gen. 35:16, 19; 48:7; Ruth 4:11; Mi. 5:1; 1 Kr. 2:19, 50; 4:4›), maar het kan ook zijn dat zij Efratieten werden genoemd, omdat zij behoorden tot de familie van Efrat (‹zie 1 Kr. 4:4›) die in de omgeving van Betlehem woonde (‹zie 1 Sm. 17:12 waar we lezen: ‘David was de zoon van een Efratiet uit Betlehem in Juda die Jesse heette’ en Mi. 5:1 ‘En jij, Betlehem-Efrata, al ben je te klein om tot de duizendtallen van Juda te behoren, uit jou zal Hij voor Mij voortkomen, om Heerser te zijn over Israël›). De naam ‘Efrata’ betekent: ‘de vruchtbare’ of: ‘vruchtbare grond’, en ‘Betlehem’ betekent: ‘broodhuis’.

Elimelech steekt met zijn vrouw en zijn twee zonen de Jordaan over op weg naar de velden van Moab (‹anderen menen dat hij zuidelijk van de Dode Zee overstak om rechtstreeks in het land Moab aan te komen›), want in het ‘broodhuis’ Betlehem was er geen brood meer. Als Elimelech met zijn gezin in Moab is aangekomen en daar is gaan wonen, sterft Elimelech, de man van Naomi. De beide zonen trouwen met Moabitische vrouwen: Machlon, de oudste zoon, trouwt met Ruth en de jongere zoon Chiljon trouwt met Orpa. Na verloop van tijd overlijden ook Machlon en Chiljon. De weduwe Naomi besluit terug te keren naar haar vaderland, naar Betlehem in het land van Juda. Haar schoondochters, die nu jonge weduwen zijn, gaan aanvankelijk allebei met haar mee, maar Orpa keert al snel terug naar Moab en naar de Moabitische afgoderij. Ruth laat echter vastbesloten haar ouders, familieleden en vaderland achter (‹Ruth 2:11›) en volgt haar Israëlitische schoonmoeder Naomi om zo haar toevlucht te nemen onder de vleugels van de God van Israël. Jezus zou later tegen zijn discipelen zeggen (‹Lk. 14:26›): “Wie tot Mij komt en zijn vader en zijn moeder, zijn broers en zijn zussen, zijn vrouw en zijn kinderen en zelfs zichzelf niet haat, kan mijn discipel niet zijn.” Ruth heeft geloof in de God van Israël en uit dat geloof komen haar daden voort. Zij laat alles achter (‹Ruth 1›).
Als Ruth met haar schoonmoeder in Betlehem aankomt, is de gersteoogst net begonnen (‹Ruth 1:22›). Dat is ook de tijd van het Feest van het Voorbijgaansoffer, maar over dat Joodse Feest zelf lezen wij niets in het boek Ruth.
Om in het levensonderhoud van Naomi en van zichzelf te voorzien gaat Ruth op het veld van een rijke man maïskolven rapen. Schijnbaar toevallig komt zij in het veld van Boaz, die een familielid is van Elimelech, en zo maakt zij kennis met deze eerbare en goed bekende staande man.

“Toen zij opstond om weer te gaan rapen, gebood Boaz zijn jonge knechten en zei: ‘Laat haar ook tussen de schoven oprapen en val haar niet lastig! Trek bovendien geregeld wat van de bundels voor haar los, laat die liggen en laat haar die oprapen en berisp haar niet.’ ” (‹Ruth 2:15, 16›)
(‹The Holy Bible with Illustrations by Gustave Doré. London: Cassel, Petter, and Galpin, 1866 - Public Domain›)
Naomi moedigt haar schoondochter Ruth aan om bij Boaz te blijven werken, in de hoop dat Boaz bereid zal zijn het land van haar man Elimelech te lossen. Alleen zou Boaz in dat geval ook Ruth tot vrouw moeten nemen om de naam van Elimelech, de overleden man van Naomi, op dat erfdeel in stand te houden en bij Ruth een zoon te verwekken, die dan niet de naam van Boaz, maar de naam van Elimelech op dat erfdeel in stand zou houden, want zo lagen de regels van het erfrecht in Israël.
Het lossen van de akker zou het volgende betekenen:
(‹a›) in geval de akker verkocht was voor het vertrek van Elimelech uit Betlehem (‹hoewel de vraag is wie geïnteresseerd zou zijn om het land in tijden van hongersnood te kopen›) - en het dus geen eigendom meer was van Naomi bij haar terugkeer uit Moab - zou het land door de lossing terugkeren in het familiebezit, ook al beheerde Naomi wel het erfelijk recht van haar man op de akker waardoor het sowieso in het jubeljaar naar haar zou terugkeren. Bovendien zou de ermee verbonden eis dat de losser dan ook moest trouwen met de weduwe van de erfgenaam een oplossing bieden voor de kinderloze weduwe Ruth, doordat zij langs deze weg weer een blijde moeder van kinderen zou worden (‹Ps. 113:9›);
of:
(‹b›) als de akker niet bij het vertrek van Elimelech uit Betlehem verkocht was, maar deze nu na de terugkeer gelost zou worden, niet met het oog op het terugbrengen van het land in het familiebezit, maar met het oog op het op de akker instandhouden van de naam van de overleden eigenaar (‹in dit geval Elimelech›), dan zou de opbrengst van de lossing Naomi voorzien in haar levensonderhoud en het ermee verbonden huwelijk zou een oplossing zijn voor Naomi’s verlangen ten aanzien van Ruth dat zij uitspreekt in Ruth 3:1 “Mijn dochter, zou ik geen veilig thuis voor je zoeken, opdat het goed met je mag gaan? ”
Naomi kende de tradities van haar land, al is het niet zeker of zij de volgorde van de lossers in de familie van haar man kende, en zij beseft dat er een ‘zwagerhuwelijk’ of ‘leviraatshuwelijk’ nodig is, al mag dat in haar tijd ook een lid van de familie zijn, die geen zwager van Ruth is in de strikte zin, maar een broer van Elimelech in de ruimere zin. Dan zou het land in ieder geval in de familie blijven en zou Naomi wat inkomsten uit de verkoop hebben om van te leven en Ruth zou een man hebben en niet meer weduwe zijn.
Onze voorkeur gaat om verschillende redenen uit naar de tweede mogelijkheid, maar de lezer dient uiteraard zelf te onderzoeken en te oordelen (‹Ruth 2›).
Naomi moedigt haar schoondochter Ruth aan het erop te wagen en de ‘stoute’ schoenen aan te trekken om Boaz - die zijn genegenheid en waardering voor Ruth tijdens haar werk op zijn land niet onder stoelen en banken gestoken had - op gepaste wijze uit te nodigen om van zijn recht tot lossing van het land gebruik te maken en haar daarbij tot vrouw te nemen. In een intieme, maar gezien de omstandigheden aanvaardbare, gepaste en eerbare nachtelijke ontmoeting tussen Boaz en Ruth op de dorsvloer valt het besluit bij Boaz, maar de vraag is of een ander familielid vóór Boaz niet van zijn recht om het land te lossen gebruik wil maken (‹Ruth 3›).
…. In Ruth 4:3 lezen wij overigens voor het eerst dat Naomi land had, dat zij - ongetwijfeld handelend als zaakwaarneemster ten behoeve van haar man (‹haar beide zonen waren buitenslands overleden en het land was dus nooit op hun naam gezet›) - ter verkoop aanbood. Het lijkt erop dat het land, toen zij naar Moab ging, niet verkocht was, want hoe zou Naomi het anders nu kunnen verkopen, als dat de juiste weergave van de grondtekst is (‹Ruth 4:3, 4›). Hadden familieleden er het vruchtgebruik van gehad? We lezen niet dat familieleden haar daarvoor nog wat teruggaven, wat niet vreemd zou zijn, want er was hongersnood geweest en de akkers hadden dus niets of nauwelijks iets opgeleverd. Had het al die jaren misschien braak gelegen, mede door de invallen van de Midianieten in Israël? De vraag is of de Midianieten in die dagen nog zo gevaarlijk waren, want door het optreden van Gideon had het land 80 jaar rust (‹Ri. ›). Nu de hongersnood was geweken en de HEERE naar zijn volk had omgezien door hun brood te geven (‹Ruth 1:6›), was sowieso de oogsttijd een geschikt moment voor de verkoop, dan kon de koper alles tijdig klaar maken voor de nieuwe oogst. Als zij de akker nu direct aan de losser kon verkopen dan zou de familienaam op dat land in stand gehouden worden en zou zij zelf ook een bedrag ontvangen om van te leven, waarmee zij dan later, als de akker naar haar zou terugkeren in het jubeljaar, weer zaad kon kopen en arbeiders kon inhuren voor het bewerken van de akker …
Boaz laat de zaak niet op zijn beloop en treedt op als een man met gezag in de gemeenschap als hij diezelfde ochtend het andere familielid, de eerste losser, nog vóór Boaz, en de oudsten van de stad bijeenroept en hun de zaak voorlegt. Uit dit optreden blijkt dat Boaz geen jonge man meer is. De andere losser wil lossen, maar als hij hoort, dat hij dan ook Ruth tot vrouw moet nemen, ziet hij van zijn recht af. Boaz is doortastend en maakt vervolgens wel gebruik van zijn recht om te lossen waarbij hij verklaart ook Ruth tot vrouw te nemen om de naam van de gestorvene op het erfdeel in stand te houden. O.i. wordt met de gestorvene Elimelech bedoeld, want Machlon en Chiljon waren nog niet geboren toen Elimelech naar Moab ging en dus stond de grond op zijn naam.
Het huwelijk van Boaz met Ruth komt vervolgens tot stand volgens het zgn. leviraatshuwelijk waar wij eerder al melding van maakten:
“Wanneer broeders bij elkaar wonen en één van hen sterft en hij heeft geen zoon, dan zal de vrouw van de gestorvene niet de vrouw van een vreemde man van buitenaf mogen worden. Haar zwager zal bij haar komen en haar tot vrouw nemen en zijn zwagerplicht tegenover haar vervullen. Dan zal de eerstgeborene, die zij baren zal, de naam in stand houden van zijn gestorven broer, opdat zijn naam niet uit Israël zal worden uitgewist.” (‹Dt. 25:5, 6›)
Uit dit huwelijk wordt Obed geboren. Deze Obed, de naam betekent ‘dienaar’, wordt de grootvader van koning David. Obed is niet de losser, maar wel gebouwd uit de verlosser, zijn zoon, maar tegelijk ook niet zijn zoon, want hij wordt beschouwd als de zoon van Elimelech. Zo is Christus enerzijds de Mensenzoon door zijn geboorte uit Maria en door zijn menselijke gestalte, maar anderzijds is Hij Gods zoon door zijn verwekking uit de Heilige Geest en zijn opstanding uit de doden.
Boaz loste het land: hij betaalde de prijs, al worden daar geen bijzonderheden over vermeld, en hij nam Ruth tot vrouw, maar Obed zou de akker in erfelijk bezit krijgen en door hem zou het land feitelijk worden teruggebracht op de naam van de overledene. Boaz bracht het land terug op de naam van overledene door zijn zoon die hij uit Ruth verwekte, maar deze zoon was geen gewone Israëliet, want hij had een identiteit die enerzijds in de geslachtsregisters paste in de lijn van Elimelech, maar die er anderzijds niet in paste, want hoewel Boaz zijn vader was, werd hij formeel niet als de zoon van zijn werkelijke vader op aarde, in Israël, erkend.
Boaz was een Betlehemiet en hij had het recht om te lossen, omdat hij een verwant van Elimelech was. Het verhaal op zich meldt niet hoe de familierelatie met Elimelech precies lag. Boaz betaalde de prijs voor het land met de bruid en daarom lijkt het dat Boaz typologisch gezien de lijdende en gekruisigde Christus op verborgen wijze in beeld brengt. Daarop bracht hij door zijn huwelijk met Ruth en door de door hem uit haar verwekte zoon Obed ook een volledig herstel teweeg in de situatie van de kinderloze bruid Ruth uit de volken en de kleinkinderloze eenzame en bitter geworden weduwe Naomi uit Israël, aan wie Ruth zich had vastgeklampt.
Daarmee is Boaz een beeld van de opgestane en verheerlijkte HEERE Jezus Christus die na in de hemel met zijn Bruid, dat is zijn Lichaam verenigd te zijn, zal terugkeren om Zich als eerste te tonen aan de dochter van Jeruzalem, de bevolking van Jeruzalem, als aan de zijnen en aan de als weduwe achtergebleven bevolking van Sion, de dochters van Sion, de inwoners van Jeruzalem (‹zie Hgld. 3:4, Jes. 4:4, Jes. 66:7-14›), de verheerlijkte, terugkerende Christus, die alles zal herstellen en een zoon op de troon van David zal brengen.
Pas in de korte stamboom aan het eind van het boek wordt belicht dat Boaz de zoon was van Salmon (‹Ruth 4:20, 21› en van deze Salmon weten wij uit Mt. 1:5 dat zijn moeder Rachab was, de vrouw uit Jericho die zich bekeerde tot de God van Israël en Hem ging dienen met heel haar gezin. Deze feiten zijn natuurlijk belangrijk, maar in het verhaal op zich zijn ze niet in die scherpte of feitelijkheid aanwezig.
Het is een verbazend en verheugend dat al deze grootse zaken in Gods Woord in zo’n eenvoudige geschiedenis zijn opgeborgen. Jezus Christus heeft niet voor niets gezegd dat de Wet en de Profeten van Hem getuigen (‹Lukas 24:›).
Het is met Boaz in Ruth enigszins als met Melchizedek in Genesis. Beide verhalen zijn enerzijds historisch, maar ook typologisch, omdat zowel Melchizedek als Boaz een voorafschaduwing vormen van de werkelijkheid die in Jezus Christus is. Wat betreft Melchizedek lezen wij in Hebreeën 7:1-3 n Melchizedek uit Gen. 18 het volgende:
“Deze Melchizedek was koning van Salem, priester van de allerhoogste GOD, en hij ontmoette Abraham, toen deze terugkeerde van het verslaan van de koningen, en hij zegende hem. Abraham nam voor hem van alles wat hij bezat een tiende af. Zijn naam betekent ‘Koning van gerechtigheid’ en ook ‘Koning van Salem’, dat is ‘Vredekoning’. Zonder dat zijn vader en zonder dat zijn moeder ingeschreven zijn in de familieregisters, zonder begin van zijn dagen, zonder einde van zijn leven, maar door de gelijkenis met de Zoon van GOD, blijft zijn priesterschap tot in eeuwigheid.”
Van Boaz kunnen wij zeggen, dat hij niet werd ingeschreven in het familieregister van het huis van Elimelech, want Obed werd gerekend als zoon van Elimelech, ten minste voor het erfrecht. De naam Boaz komt echter met zekerheid wel voor in de geboortegeschiedenis van Jezus Christus in Matteüs 1:1-14, samen met zijn zoon Obed.
Van Boaz kunnen wij verder zeggen dat hij uit Bethlehem was, een verwant was van Elimelech en een voorvader was van David en door hem van de Christus, de Zoon van David. Zijn vader en moeder worden in het historische verhaal zelf niet genoemd en daarom verschijnt hij in die zin in Ruth als zonder vader en moeder en ook wordt er niet van gesproken of hij echtgenoot of vader van aardse kinderen was.
David (‹Ruth 4:1-17›) met wiens stamboom van 10 generaties het boek eindigt (‹Ruth 4:18-22›). De 10 generaties maken alle deel uit van het geslachtsregister van Jezus Christus in Matteüs 1. Ook maakt dit kleine geslachtsregister duidelijk dat er vanaf het bastaardkind Perez tot op David in ieder geval tien geslachten zijn (‹Deuteronomium 23:3›). K&D suggereren dat er schakels in de stamboom zouden kunnen ontbreken en schrijven dat Obed heel goed de grootvader van Isaï geweest kan zijn, in plaats van de vader, maar dat laten wij hier buiten beschouwing, want de Bijbel geeft ons exact 10 schakels, 10 generaties (‹Ruth 4›).
Ruth is overigens niet het enige boek in het OT met een ‘genealogie’, een ‘geslachtsregister’ of ‘stamboom’. Maar het is wel het enige boek waarin de genealogie aan het einde van het boek staat. Het laatste woord in het boek is de naam ‘David’.
Boek van de lossing van het land met de bruid
Het boek Ruth werpt stralen van Messiaans licht vooruit, omdat Ruth, een vrouw uit het volk Moab, dat zo vijandig was geweest tegenover de Israëlieten (‹zie Num. 22:1-7; Dt. 23:4-5; Ri. 3 - de Moabitische koning Eglon›), waardig geacht werd om een schakel te zijn in de stamboom van de grote en godvrezende koning David en uiteindelijk in de stamboom van Jezus Christus (‹Matteüs 1:1-17›) vanwege haar trouwe liefde tot het volk Israël en vanwege haar volkomen vertrouwen op JᵃHWᵉH, de HEERE, de God van Israël.
De lossing van het land met Ruth als bruid is het grote profetische kernthema van het boek Ruth. Daarvan getuigt het 21 keer voorkomen van het Hebreeuwse werkwoord ‘gaäl’ voor lossen (‹H1350›), met als belangrijk deelwoord ‘goël’, dat staat voor ‘losser’. Als wij bedenken dat het werkwoord ‘gaäl’ met zijn afgeleide vormen 105 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 84 verzen (‹1 keer in Gen. 48:16 als Jakob spreekt van de engel die mij heeft vrijgekocht van alle kwaad’, 2 keer in Exodus nl. in Ex. 6:6 en Ex. 15:13, 22 keer in Leviticus, 8 keer in Numeri, 2 keer in Deuteronomium, 3 keer in Jozua, 21 keer in Ruth, 1 keer in 2 Sm. 16:11, Job 3:5 en Job 19:25, 12 keer in de psalmen nl. in Ps. 19:15; 69:19; 74:2; 107:2, 1 keer in Spr. 23:11 en 24 keer in Jesaja en verder 1 keer in Jer. 31:11, 1 keer in Jer. 50:34, Klg. 3:58, Hosea 13:14 en Micha 4:10›), dan is het 21 keer voorkomen van dit woord in het kleine, uit 4 hoofdstukken bestaande, boek Ruth een uitzonderlijk hoog aantal. Dat laat ook zien dat ‘lossing’ werkelijk het hoofdthema van dit boek is. Overigens wordt de term ‘losser’ in het boek Jesaja alleen voor de HEERE, YᵃHWᵉH, gebruikt.
De geschiedenis in het boek Ruth is een voorafschaduwing van de gebeurtenissen die in Openbaring 4 en 5 plaats vinden waar wij lezen over de Werkelijke Losser van het land Israël en de Bruidsgemeente die daar uit voorkomt. In Openbaring 5 wordt duidelijk dat Jezus de Enige Losser is die waardig is om de met zeven zegels verzegelde Boekrol in de hand van Hem die zit op de troon in de hemel te openen, waarbij Hij niet alleen het land Israël zal lossen, maar ook de Bruid die erbij hoort tot Zich zal nemen, de Bruid die door Hem is vrijgekocht met zijn eigen Bloed!
In het boek Ruth is Boaz het vóór-beeld van de Grote Losser Jezus Christus en Ruth is het vóór-beeld van de Bruid die Jezus Christus met zijn eigen Bloed gekocht heeft uit alle volken en Naomi is het beeld van het aardse Jeruzalem met haar bewoners, de dochters van Sion, dat er uiteindelijk, in de voor ons liggende laatste dagen, bij zal liggen als een hut in een wijngaard en als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad (‹Jes. 1:8›). Dat Jeruzalem zal echter opleven als zij al haar kinderen tot zich zal zien komen (‹Jes. 66:7-14›).
Boaz wordt met zijn bruid Ruth ook tot de losser van Elimelech, welke laatste wordt vertegenwoordigd door Naomi. De zoon die Ruth aan Boaz zal baren, Obed, zal alle zegeningen als gevolg van die lossing daadwerkelijk over het huis van Elimelech brengen (‹Ruth 4:14, 15›).
In Rom. 11:11-32 lezen wij dat als de volheid van de volken binnengaat (‹doordat de Bruid uit de volken opgenomen wordt›), dat dan heel Israël gered zal worden en als de Bruid opgenomen wordt, dan zal er ook een hemelse Bruiloft. zijn, de Bruiloft van het Lam (‹Op. 19›) en daarna, na zeven dagen of zeven jaardagen, zullen Bruidegom en Bruid neerdalen naar de familie en Zich gezamenlijk aan hun familieleden en vrienden tonen, zoals dat op een Joodse bruiloft de gewoonte is.
Boaz is het beeld van de liefdevolle (‹aanstaande›) echtgenoot die in alles royaal voorziet, want door de hongersnood gedreven week Naomi uit naar Moab en zonder man en zonen keert zij terug, zij is leeg en bitter. De losser Boaz zal overvloedig voorzien in alles wat zij mist, in brood (‹Ruth 1:6; 2:14, 17-18; 3:15-17›), in nageslacht en erfgenamen (‹Ruth 4:10›) en door zijn ‘leviraatshuwelijk’ met Ruth in verkwikking en levensonderhoud voor Naomi’s oude dag (‹Ruth 4:15›). En wat betreft de arme, Moabitische Ruth, zijn bruid, geldt dat hij haar voorzag van alles wat nodig was voor haar inburgering (‹strikt genomen was hij volgens de Wet niet verplicht Ruth tot zijn vrouw te nemen, maar hij vatte de ‘zwagerplicht’ hoog en ruim op, zoals dat de gewoonte was geworden in het land Israël›), van armen vol met voeding en van een gevulde maag en later vulde hij haar baarmoeder en schonk hij haar een rijke toekomst. Het gedrag van Boaz geeft ons een man te zien die de Wet overvloedig vervult, want veel van deze dingen gaan boven de letter van de Wet uit.
Jezus is de Grote Voorziener, die van Zichzelf zegt: “IK BEN het Levende Brood, dat uit de hemel is neergedaald! Als iemand van dit Brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. Het Brood dat Ik geven zal, is mijn Lichaam, dat Ik geef voor het Leven van de wereld.” (‹Johannes 6:51›).
Jezus is de Grote Overvloedige Vervulling van de Wet. Hij zegt van Zichzelf: “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden. Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.” (‹Matteüs 5:17›).
En in Johannes 10:10 zegt Jezus: “Ik ben gekomen opdat zij Leven hebben en overvloed.”
Overzicht van de inhoud van het boek Ruth
I. De geschiedenis van Naomi (‹Ruth 1›)
A. Naomi vol bitterheid en smart over haar leven in Moab (‹Ruth 1:1-5›)
B. Naomi verlaat Moab met haar schoondochters Ruth en Orpa en keert terug (‹Ruth 1:6-13›)
C. Orpa keert terug naar Moab, Ruth klampt zich vast aan Naomi en aan de God van Israël (‹Ruth 1:14-18›)
D. Naomi en Ruth keren terug naar Betlehem (‹Ruth 1:19-22›)
II. Ruth op het veld van Boaz (‹Ruth 2›)
A. Ruth begint met haar werk op het veld (‹Ruth 2:1-7›)
B. Boaz toont zijn genegenheid en goedheid voor Ruth (‹Ruth 2:8-17›)
C. Ruth komt terug bij Naomi (‹Ruth 2:18-23›)
III. Ruth gaat naar Boaz, de losser, op de dorsvloer (‹Ruth 3›)
A. Naomi geeft raad aan Ruth en zoekt een veilig thuis voor Ruth (‹Ruth 3:1-5›)
B. Ruth gaat naar de dorsvloer, naar haar losser en Boaz belooft Ruth te lossen (‹Ruth 3:6-15›)
C. Ruth keert terug naar Naomi (‹Ruth 3:16-18›)
IV. Boaz treedt in de poort op als losser van het land en neemt Ruth tot bruid (‹Ruth 4:1-12›)
A. De lossingsprocedure in de poort van de stad in het bijzijn van 10 oudsten (‹Ruth 4:1-8›)
B. Boaz bekrachtigt de lossing en het huwelijk met Ruth (‹Ruth 4:9-12›)
V. Naomi, getroost in haar kinderen en kleinkinderen (Ruth: 4:13-17›)
VI. De stamboom van Perez tot en met David: tien geslachten (Ruth 4:18-22›)
----------
|
Bronnen: |
H. Henry Halley: Bible Handbook, 24e editie, 1965 |
|
|
C.F. Keil & F. Delitzsch: Biblical Commentary of the Old Testament, 1951 |
|
|
New Bible Commentary, D. Guthrie & J.A. Motyer, IVP, 1970 Joyce G. Baldwin: Ruth (‹ Trinity College›) |
|
|
W.J. Ouweneel: Hoogtijden voor Hem, Telos 2001 |
|
|
M. Brink-Blijdorp: Ruth - Uitgeverij de Vuurbaak (‹Telos-uitgave›), 2002 |
|
|
Mitchell L. Chase: A True and Greater Boaz: Typology and Jesus in the Book of Ruth - The Southern Baptist Journal of Theology 21.1 (‹2017›) |
|
|
|
|
Illustratie: |
Gravure van Gustave Doré (‹1832-1883›) |
|
|
|
|
Bewerking: |
redactie EBV - 1 februari 2024 |
|
Rechten |
© www.evangelischebijbelvertaling.nl |