De Latere Profeten
EZECHIËL
|
De inleidingen tot de Bijbelboeken zijn bedoeld als ondersteuning voor de bestudering van de Bijbelboeken, maar het verdient alle aanbeveling om eerst ieder Bijbelboek zelf een aantal keren aandachtig te lezen, opdat al lezend een beeld van het boek, van de achtergrond ervan, van zijn inhoud, opbouw en van zijn onderwerpen ontstaat. De aandacht voor de tekst van het Woord van God zelf dient altijd voorop te blijven staan vanwege het hoogste gezag dat dit Woord in alle opzichten vertegenwoordigt. |
Inleiding
Het schrijver van het boek is Ezechiël blijkens Ezechiël 1:1-3 (m.n. vs. 2) ...
In het dertigste jaar, in de vierde maand op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen bij de rivier de Kebar was, werden de hemelen geopend en zag ik visioenen van GOD. Op de vijfde van de maand - het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin - kwam het woord van de HEERE nadrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar. De hand van de HEERE was daar op hem.
en Ezechiël 24:24 ...
Zo zal Ezechiël een bijzonder teken voor jullie zijn. Precies zoals hij gedaan heeft, moeten jullie ook doen. Wanneer dit komt, zullen jullie weten, dat Ik de Heer, de HEERE ben.’
Het bijbelboek Ezechiël staat volledig in de ik-vorm. Wij mogen er daarom van uitgaan dat Ezechiël inderdaad de auteur van dit boek is. Dat het boek een hechte eenheid vormt, wordt duidelijk uit de doordachte en bijzondere ordening van heel het boek en door de eenheid van tekst in termen van stijl, taal en thematiek en door de herhaling van allerlei voor heel dit boek kenmerkende uitdrukkingen (zie verderop).
Het boek Ezechiël (= יְחֶזְקֵאל – “God is sterk” of יְחַזֵּק אֵל – “God maakt sterk”) is het boek van de balling en profeet Ezechiël, dat opgenomen is in het Oude Testament, het eerste deel van de Bijbel. Ezechiël profeteerde in de 1e helft van de 6e eeuw vóór Christus, ten tijde van de Babylonische ballingschap. Hij kondigde de ondergang van Jeruzalem aan en maakte Gods oordelen over de omringende volken bekend, maar hij profeteerde ook over het herstel en de wedergeboorte van Israël, de vereniging van de twee en tien stammen, en de nieuwe Tempel in Jeruzalem.
De profetieën van Ezechiël handelen over héél Israël, niet alleen over de twee stammen Juda en Benjamin. Wij krijgen inzicht in het goddelijke verlossingsplan en Gods bestuur over heel de aarde. In Gods regering van de volken is Israël het middelpunt (Dt. 32:8 - “Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfdeel toebedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, heeft Hij de grenzen van de volken vastgesteld naar het aantal zonen van Israël.”) Het boek Ezechiël maakt geen melding van de zogenaamde tijden van de volken (‹de tijd van de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus vanuit het gelovige deel van het Joodse volk aan de niet-Joodse volken vanaf de uitstorting van de Heilige Geest tot aan de terugkomst van Jezus Christus in de naaste toekomst›) en ook besteedt het boek Ezechiël niet of nauwelijks aandacht aan de vier koninkrijken (Assur, Babel, Griekenland en Rome), maar de profetieën van Ezechiël gaan net als die van Daniël over Gods weg met Israël dwars door de volkerenzee en de tijden van de volken heen tot aan het einde toe, wanneer de troon van God weer in heerlijkheid gehuld in Jeruzalem zal terugkeren. De profetieën van Ezechiël nemen wel hun uitgangspunt in de gebeurtenissen van zijn tijd, maar zij hebben als doel te spreken van Gods toekomst en van zijn toekomstige Heiligdom in Jeruzalem.
Ezechiël was de zoon van de priester Buzi (Ez. 1:3). Hij werd geboren rond 622 v. Chr. en stamde net als Jeremia en Zacharia uit het priesterlijk geslacht. Ezechiël was 17 jaar toen de Babylonische heerser Nebukadnezar zijn opmars naar Jeruzalem begon in 605 v. Chr. - dat was het derde jaar van koning Jojakim van Juda (‹een zoon van koning Josia›) die toen vazalkoning voor farao Necho II van Egypte was - een opmars waarbij Nebukadnezar in Karkemisch de Egyptische farao Necho II versloeg in het vierde jaar van koning Jojakim (‹Jer. 25:1, Jer. 36:1, Jer. 45:1, Jer. 46:2›) en deze Nebukadnezar koning werd van het Babylonische rijk. De opmars ging verder richting het zuiden, richting Filistea. Nebukadnezar voerde bij dit zuidelijke offensief een deel van de bevolking van Jeruzalem in ballingschap, waaronder Daniël en zijn vrienden en vele anderen (‹zie Daniël 1:1-6›). Dit was de eerste ballingschap, die dus om en nabij 605 v. Chr. plaats vond. Met deze eerste ballingschap begon de 70-jarige Babylonische ballingschap waarvan door Jeremia was geprofeteerd (Jer. 25:11, 12; Jer. 29:10). Jojakim genoodzaakt om zijn verbond met farao Necho II te verbreken, want Nebukadnezar lijkt van plan te zijn geweest om hem geboeid met twee koperen ketenen (2 Kr. 36:6; Ez. 1:2, Ez. 40:1) samen met Daniël en zijn vrienden naar Babel weg te voeren, maar wij lezen niet dat dat ook daadwerkelijk gebeurde. Het liep waarschijnlijk met ‘een sisser’ af, doordat Jojakim onder die druk besloot de belofte van trouw aan de Babylonische Nebukadnezar af te leggen. Ook in Daniël 1 lezen wij niet dat Jojakim samen met Daniël en zijn vrienden geboeid in ballingschap ging, al dreigde dat dus wel even.
Toen er echter na verloop drie jaar een nieuwe confrontatie kwam tussen de legers van de Egyptische farao Necho II en de Babylonische koning Nebukadnezar, werd Jojakim ontrouw aan zijn eed ten opzichte van Nebukadnezar (‹2 Kn. 24:1›). Dit was al met al dus minstens 6 jaar na zijn aantreden als koning. We lezen in 2 Kn. 24:2 dat de HEERE de benden van de Chaldeeën, Aram, Moab en van de zonen van Ammon naar hem toezond om hem te vernietigen. Niettemin lezen wij in 2 Kn. 23:36 en in 2 Kr. 36:1 dat Jojakim in totaal 11 jaar in Jeruzalem regeerde.
Koning Jojakim werd voor drie maanden opgevolgd door zijn zoon Jojachin. In zijn dagen kwam Nebukadnezar weer naar Jeruzalem (‹2 Kn. 24:10, 11›). Ezechiël was toen 25 jaar (‹immers toen hij 30 jaar werd, was het het 5e jaar van zijn ballingschap volgens Ez. 1:1›). Ezechiël werd met een groep van 10.000 ballingen (‹2 Kn. 24:14, 16›), onder wie koning Jojachin van Juda, naar Babel weggevoerd. Dit is de tweede ballingschap (2 Kn. 24:8-17; 25; 2 Kr. 36; Jer. 29:1). Deze deportatie van Ezechiël naar Babel vond plaats rond 597 v. Chr., ongeveer 8 jaar na de eerste ballingschap van Babel.
De verwoesting van Jeruzalem vond volgens Ez. 33:21-22 plaats 12 jaar nadat Ezechiël in ballingschap was gegaan. Met de verwoesting van de Tempel kwam ook de derde en laatste ballingschap onder koning Zedekia van Juda rond 585 v. Chr. (alle jaartallen onder voorbehoud want er zijn veel verschillende opvattingen over de tijdrekening en de Bijbelse tijdrekening valt anders uit dan de wereldse tijdrekening (zie de bijlage artikelen: ‘Bijbelse Tijdlijnen’ en ‘De Koningen van Juda en Israël’). Al met al kunnen wij uit het voorgaande opmaken dat Nebukadnezar, de heerser van Babylon - die het Assyrische rijk, dat het noordelijke tienstammenrijk van Israël in ballingschap had gevoerd, onder de voet had gelopen en Ninevé haar hoofdstad rond 612 had verwoest (‹zie het Bijbelboek Nahum›) - zou doen wat Assyrië niet gelukt was (zie Jesaja 36, 37›) nl. Jeruzalem innemen en verwoesten. Die verwoesting van Jeruzalem kende dus drie fasen en daarmee verbonden drie ballingschappen die in een tijdsbestek van 20 jaar plaatsvonden.
Ezechiël kwam te wonen in het noordelijke deel van het Tweestromenland, Mesopotamië, aan de oever van de rivier de Kebar, ook wel ‘Khaboer’ genoemd, die ongeveer 30-40 km ten zuiden van het tegenwoordige Deir-Zor in Syrië vanuit Turkije bij Busayra vanuit het noorden de rivier de Eufraat instroomt, want de rivier stroomt van noord naar zuid langs Hasaka. Ezechiël trouwde en woonde daar in zijn eigen huis temidden van de Joodse ballingen die zich daar hadden gevestigd, in een plaats genaamd Tel-Aviv (Ez. 1:1; 3:15, 24, 8:1, 24:18).

de rivier de Kebar, de huidige rivier ‘Khaboer’ die zuidoosterlijk van Deïr-Zor in het huidige Syrië vanuit Turkije komend de Eufraat instroomt .
Opname bij Tell-Sheikh-Hamad - oktober 2009 (Wikipedia - CC-BY-3.0)
De ballingschap van Ezechiël begon dus omstreeks 597 v. Chr., toen hij 25 jaar was, want vijf jaar later werd hij op dertigjarige leeftijd priester in het 5e jaar van zijn ballingschap, omdat dat de leeftijd voor een Levitische priester was om zijn priesterlijke taak te beginnen (‹Num. 4:2, 3, 23, 30 en 1 Kr. 23:3›), dus ook voor Ezechiël (‹Ez. 1:1, 2›). Hij diende ongeveer 22 jaar als priester-profeet in Babel van 597 - 575 v. Chr., want zijn laatste profetie is gedateerd in het 27e jaar van de ballingschap van koning Jojachin (‹Ez. 29:17›). Hij overschreed daarmee de gebruikelijk dienstperiode van 20 jaar voor een priester met twee jaar (‹zie Num. 4:3›). Hij was echter priester zonder een aardse Tempel om in te dienen, wat verklaart dat zijn priesterlijke werk vooral profetisch van karakter was en dat zijn profeteren heel erg gericht was om het wel en wee van de Tempel en de Tempeldienst.
Toen Ezechiël als profeet aantrad, leefde heel sterk de valse hoop dat het weggevoerde volk spoedig uit Babel zou naar Juda en Jeruzalem zou terugkeren. Die valse hoop werd gevoed door valse profeten, zoals de profeet Hananja uit Gibeon (‹zie Jer. 28:1-4›). Het woord van Jeremia mocht, koste wat kost, niet uitkomen (‹Jer. 28:5-17›), maar. Jeremia’s woorden hielden stand. Maar men liet de valse hoop niet los. Daarom vergaderde koning Zedekia in Jeruzalem samen met de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon (‹Jer. 27:3›) en daarom ook zond Zedekia afgevaardigden naar Babylon (‹Jer. 27:3›) en ging hij er zelf ook op bezoek in het 4e jaar van zijn regering om babylon zand in de ogen te strooien dat hij met een opstand bezig was (‹Jer. 51:59›). Maar ook Zedekia werd door het profetisch woord van Jeremia ontmaskerd als een valse profeet (‹Jer. 29:21-23›).
Ezechiël predikte tot de ballingen in Babel (Ezechiël 1:1) waarvan een deel, net als Ezechiël, er nog maar 5 jaar was, terwijl anderen, zoals Daniël en zijn vrienden en velen met hen, er al 8 jaar waren, omdat zij met koning Jojakim in het derde jaar van diens regering naar Babel waren afgevoerd (2 Kn. 24:1-6; 2 Kr. 36:5-8; Daniël 1:1-6).
Ezechiël was een zeer wijs en krachtig man, die een diepe kennis bezat in de Joodse Tempeldienst, in de geschiedenis van zijn land en van de internationale ontwikkelingen van zijn tijd. Hij stond in hoog aanzien onder zijn volksgenoten. Ook beschikt hij over geweldig veel kennis van Egypte en andere landen, van de handel van Tyrus, de zeevaart en de scheepsbouw. Hij moet een bijzondere krachtige geest gehad hebben om al die indrukwekkende visioenen zelfs maar te kunnen aanschouwen, laat staan om die zo getrouw en gedetailleerd te kunnen weer te geven.
Ezechiël maakte zeer ingrijpende dingen mee in zijn leven als profeet: soms viel hij met zijn gezicht ter aarde neer bij het zien van een visioen (‹Ez. 3:23›), soms kon hij niet spreken (‹Ez. 3:24-27; 33:22›). Ook wordt hij door God in visioenen soms honderden kilometers verplaatst (‹Ez. 8:1-3›) Zijn optreden en gedrag waren voor zijn tijdgenoten soms bizar (‹Jer. 5:1-40›), maar toch genoot hij groot respect bij de leiders van de ballingen, die hem regelmatig om raad kwamen vragen. Tijdens zijn profetische bediening sterft zijn vrouw, de lust van zijn ogen (‹Ez. 24:15-18›), als een zinnebeeld van de val van Jeruzalem, want de ballingen van de stad Jeruzalem zouden de lust van hun ogen, dat wil zeggen hun geliefde stad Jeruzalem, moeten missen zoals Ezechiël zijn vrouw zou moeten missen, hoewel hij er niet openlijk over mocht rouwen (‹Ez. 24:15-27›). Aansluitend profeteerde hij over zeven omringende volken ten teken dat God niet alleen zijn volk Israël zou oordelen, te beginnen bij het Huis van God, maar ook al de volken (‹Ez. 25-32›).
Wat betreft zijn dood zijn er legenden bij de zgn. ‘kerkvaders’ en bij de rabbijnen die melden dat hij gedood zou zijn door een vorst van zijn eigen volk, omdat Ezechiël hem zou hebben vermaand voor zijn afgoderij. Ezechiël zou daarop zijn begraven in het graf van Sem en Arfachsad (‹zie Carpzov, Introd. ii. pg. 203 e.v.›). Maar voor deze legenden is geen historisch bewijs. Ezechiël is gestorven in ballingschap zonder, zoals Daniël, de ballingschap te overleven (zie Dan. 1:21, 10:1) en zonder het begin mee te maken van de terugkeer van de rest van het volk en zijn verlossing uit Babel.
Ezechiël was een tijdgenoot van de profeten Jeremia en Daniël
Jeremia is uit het priesterlijke geslacht en profeteert vanuit Juda over de val van Jeruzalem, de verwoesting van de Tempel en de ballingschap van Juda en hij eindigt zijn leven in Egypte. Waarschijnlijk is hij vermoord door zijn landgenoten. Jeremia’s profetische blik richt zich echter ook op het herstel van Israël in Jeremia 30 en hij profeteert van een Nieuw Verbond waarbij Gods Wet in het hart van de mens zal zijn. In Jer. 33 klinken de profetische vreugdekreten over het herstel van Jeruzalem en over het land Israël. In Jer. 50 en 51 kondigt Jeremia het oordeel over Babel al aan dat reikt tot in de eindtijd (‹zie Op. 16-18›).
Ezechiël, die ook tot het priesterlijk geslacht behoorde, profeteert vanuit de ballingschap over de val van Jeruzalem, de verwoesting van de Tempel en de ballingschap van Juda. Maar ook profeteert Ezechiël over de verre toekomst, over de HEERE die de Goede Herder is die komen zal, over het herstel van Israël, de herrijzenis van Israël als doodsbeenderen in een dal des doods die met vlees bekleed worden en waar de geest ingeblazen wordt, over de hereniging van Israël en Juda, over de grote invasie van Gog uit het land Magog met al zijn legers op de bergen van Israël en hun vernietiging door de HEERE en tenslotte over de toekomstige Tempel in het 1000-jarige Rijk met de Tempelbeek en de aanwijzingen voor de dienst in de Tempel en de indeling van het land. Een zeer indrukwekkend visioen dat zo past bij deze priester Ezechiël om te mogen profeteren dat heel de Tempel en de dienst daarin in heerlijkheid hersteld zou worden. Want bij de terugkeer uit ballingschap niet veel later (‹zie de boeken Ezra en Nehemia›) zou weliswaar de Tempel en de dienst hersteld worden, maar zonder de heerlijkheid van daarvoor, behalve toen Jezus Christus in die Tempel optrad met de goddelijke heerlijkheid die in Hem was toen Hij als de Mensenzoon op aarde was.
Deze heerlijkheid zal ook nog steeds ontbreken in de Tempel die binnenkort weer in Jeruzalem herbouwd zal worden tot op het moment dat Jezus Christus zal terugkeren en er een nieuwe Tempel zal verrijzen waarin Jezus Christus op de troon zal zitten.
Daniël is niet uit een priesterlijk maar uit het koninklijk geslacht van Juda. Hij houdt het profetisch overzicht op de koninkrijken van de wereld en profeteert de val van al die koninkrijken en de overwinning van het Messiaanse Koninkrijk van God. Daniël is een uitzonderlijk man van God en het boek Daniël is vol bijzonder grote en beroemde profetieën zoals die over de droom van de Nebukadnezar, de dieren die uit de zee opkomen, de profetie over de 70 jaarweken in Daniël 9 en de buitengewoon gedetailleerde voorzeggingen over de toekomst van Gods volk in Dan. 10-12.
Het profetisch perspectief van deze drie mannen van God is verreikend, ruim drie- tot vierduizend jaar tot in en voorbij het toekomstige 1000-jarige Vrederijk.
Krachtige visioenen, zinnebeelden en typische uitdrukkingen ...
A. In het boek Ezechiël vinden wij misschien wel de meest indrukwekkende en gedetailleerde visoenen van heel het Oude Testament, die alleen geëvenaard worden door de visioenen in het boek Openbaring in het Nieuwe Testament. We noemen de volgende visioenen:
- de verschijning van de heerlijkheid van de HEERE in Ez. 1 gevolgd door zijn aanstelling als profeet en wachter
- visioenen betreffende de wantoestanden in de Tempel in Jeruzalem (‹Ez. 8, 9›)
- visioen van het oordeel over de inwoners van Jeruzalem in Ez. 9:1-10:22 en over de vorsten in Ez. 11:1-12.
- visioen betreffende de herrijzenis van Israël uit een dal vol doodsbeenderen in Ez. 37.
- de toekomstige Tempel, Tempelbeek, de heilige Stad op de heilige berg in het land Israël in Ez. 40-48.
B. Daarnaast zien wij Ezechiël optreden in zinnebeeldige drama’s met grote profetische kracht, zoals:
- de zinnebeeldige uitbeelding van de belegering van Jeruzalem in Ez. 4:1-5:17.
- Ezechiëls vertrek uit de stad als een zinnebeeld van de ballingschap in Ez. 12:1-20.
- de dood van de vrouw van Ezechiël als een zinnebeeld van de val van Jeruzalem in Ez. 24:15-27
- de hereniging van Israël en Juda als het samenvoegen van twee stukken hout in Ez. 37:15-28
C. Vervolgens zien wij ook vele profetiën in de vorm van een allegorie of zinnebeeld:
- Jeruzalem, de nutteloze wijnstok die wordt verbrand in Ez. 15:1-8
- het ontrouwe Jeruzalem en haar zusters Sodom en Samaria in Ez. 16:1-63
- Zedekia’s ontrouw zinnebeeldig beschreven als de planting van een wijnstok in Ez. 17
- Israëls vorsten als leeuwenwelpen afgeschilderd in Ez. 19
- het zwaard van de HEERE tegen Jeruzalem in Ez. 21
- Ohola, dat is Samaria, en Oholiba, dat is Jeruzalem, in Ez. 23:1-49
- Jeruzalem, een roestige pot - Ez. 24:1-14
- Tyrus afgebeeld als een schip op zee in Ez. 27:3-9
– de HEERE, de Goede Herder in Ez. 34
- Gog uit het land Magog wordt als een wild monster naar de bergen van Israël geleid in Ez. 38, 39
D. Typische uitdrukkingen
Wij willen opmerkzaam maken op enkele typische, veel in het boek Ezechiël voorkomende uitdrukkingen.
- De HEERE spreekt de profeet Ezechiël heel vaak aan met de titel ‘Mensenkind’ die in 94 verzen in het boek voorkomt.
- vaak zegt de profeet: ‘het Woord van de HEERE kwam tot mij …’ en
- ‘zij zullen weten dat Ik de HEERE ben …’
- alleen in Ezechiël vinden wij 12 keer de uitdrukking: ‘huis vol opstandigheid.’
- 15 keer lezen wij alleen in Ezechiël over ‘de bergen van Israël’
- 10 keer verdeeld over 9 verzen komen wij de uitdrukking ‘de heerlijkheid van de HEERE’ in Ezechiël tegenover 13 keer in alle vijfboeken van Mozes tezamen.
- verder lezen wij geregeld de volgende woorden: ‘Zo spreekt mijn Heer, de HEERE’ en ‘Ik, de HEERE, heb het gesproken’, ‘Zo zegt de HEERE’, ‘Zo spreekt de Heer, de HEERE’, ‘Ik zal het doen’ en ‘Daarom, zo zegt mijn Heer, de HEERE’.
E. Het rijke taalgebruik is nauw verbonden met het heiligdom van Israël: de Tempel in Jeruzalem
Als priester putte Ezechiël in zijn beelden uit de rijke inrichting van de Tempel in Jeruzalem en de geschiedenis van Israël, m.n. de verschijning van God op de berg Sinaï. Zo hebben alle vier de cherubs de gedaante van een mens zoals wij in Ez. 1:5 lezen en ook waren er al afbeeldingen van deze cherubs aanwezig in de Tempel van Salomo. De verschijning van de HEERE op een troon was bekend uit de Tent, de Woning van GOD, en zo ook in de Tempel van Salomo, want de God van Israël troonde op de Kist tussen de cherubs. In Jesaja 6:1-4 lezen wij hier ook over …
“In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik mijn Heer zitten op een hoge en verheven troon en de zomen van zijn gewaad vulden de Tempel. Vurige wezens, serafs met zes vleugels stonden boven Hem. Elk had zes vleugels. Met twee bedekte hij zijn gezicht en met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. De een riep tot de ander en zei: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten! Heel de aarde is vol van zijn heerlijkheid!”, zodat de funderingen van de drempels schudden door de stem van degene die riep en het Huis zich met rook vulde.”
F. Het Hebreeuws van Ezechiël toont tekenen van ‘verval’ en het aantal Aramese uitdrukkingen neemt toe.
Keil & Delitzsch schrijven dat Ezechiël een opmerkelijk groot aantal woorden en uitdrukkingen gebruikt die nergens anders in de Bijbel voorkomen en die grotendeels door hemzelf zouden zijn samengesteld. Deze steunen in hoge mate op het taalgebruik van de Vijf Boeken van de Wet. Toch zijn de sporen van de volkstaal en van Aramees woordgebruik aanwijsbaar, waardoor het boek Ezechiël door zijn vele afwijkingen en vervormingen, toch het verval en het uitsterven van de Hebreeuwse taal verraadt.
Historische achtergrond
Toen Mozes bij de grenzen van het beloofde land stond en het volk voorbereidingen begon te maken voor het binnentrekken van het land, zei God door hem, dat als het volk voortdurend zijn geboden zou overtreden, dat Hij hen dan niet alleen met zware straffen zou tuchtigen, maar hen uiteindelijk ook uit het land zou drijven, dat zij in die dagen zouden gaan veroveren en dat Hij hen onder de volken zou verspreiden (Lev. 26:14-45; Dt. 28:15-68). Dit dreigende oordeel, dat door alle profeten na Mozes was herhaald, was door de invasie van de Assyriërs al in werking getreden voor de tien stammen, die tegen het huis van David in opstand waren gekomen. In de dagen van Ezechiël stond dit dreigende oordeel ook voor de deur van het zuidelijke koninkrijk Juda dat nog overeind was gebleven, maar de dreiging kwam niet van de Assyriërs maar van de Chaldeeën, de bewoners van Babel, die het rijk van Assyrië onder de voet hadden gelopen.
Wij schreven hiervoor al dat Nebukadnezar, de koning van Babel, in het derde jaar van de regering van Jojakim voor de eerste keer Juda en Jeruzalem binnenviel. Nebukadnezar bracht een deel van de voorwerpen van het Huis van de HEERE naar Babel bracht en deze in zijn tempel in Babel (Dan. 1:1-2, 2 Kr. 36:5-8). De wegvoering van de ballingen in dat derde jaar van Jojakim was de eerste ballingschap.
Koning Jojakim zelf bleef nog 8 jaar in Jeruzalem regeren, hoewel het erop lijkt dat Nebukadnezar hem ook in de 3e jaar met koperen geketend had willen meevoeren naar Babel (2 Kr. 36:6,7), maar er staat niet dat dat ook feitelijk gebeurde. Mogelijk heeft Jojakim hem genade afgesmeekt. Wij weten dat hij nog verder mocht regeren en dat hij pas in zijn 11e regeringsjaar overleed en bij zijn vaderen te ruste ging (2 Kn. 24:6), maar wij weten dat hij geen vredige dood stierf want in Jer. 22:19 en in Jer. 36:30-31 profeerde Jeremia van een gewelddadige dood, die waarschijnlijk op het slagveld plaatsvond.
Zijn zoon Jojachin (2 Kr. 36:8-10) werd na hem voor drie maanden en tien dagen koning in zijn plaats.
De vraag is echter deze Jojachin, zoon van Jojakim, werkelijk op de troon van David zat of dat hij slechts onderkoning van Nebukadnezar was, temeer omdat wij in Jer. 36:30 lezen dat Jeremia profeteert dat geen enkele zoon van Jojachin op de troon van David zou zitten. Het koningschap op de troon van David liep tot op Jojachin via de lijn van Davids zoon Salomo, maar na Jojachin (‹dat is dezelfde persoon als Jechonja en als Chon-Jahoe›) loopt de lijn van het zoonschap van David via Davids zoon Nathan, maar die lijn zou niet op de troon van David zitten, maar leiden naar Jezus Christus, de koning van de Joden, die door hen verworpen zou worden. Toch zou juist zijn Koningschap blijven en wel tot in eeuwigheid.
Hierna bracht koning Nebukadnezar Jojachin naar Babel, nadat hij Jeruzalem na een lange belegering opnieuw had ingenomen. Hij nam de edelen van Juda en Jeruzalem mee naar Babel, maar bovendien een groot aantal priesters, strijders, timmerlieden en smeden, zodat er maar een klein deel van het volk overbleef, waaronder maar weinig mensen met leiderschapskwaliteiten. Ook nam Nebukadnezar het kostbare Tempelgerei en de kostbaarheden uit het koninklijk paleis mee naar Babel. Dit was de tweede ballingschap (2 Kn. 24:10-17; 2 Kr. 36:9-10; Jer. 29:2-3).
Hij stelde de oom van Jojachin, de broer van Jojakim, genaamd Mattanja, als vazalkoning aan en veranderde zijn naam in Zedekia (‹2 Kn. 24:17-22; 2 Kr. 36:11-21›). Zedekia regeerde 12 jaar, maar deed wat kwaad is in de ogen van de HEERE. Hij en het volk vernederden zich niet voor de profeet Jeremia om naar zijn woorden te luisteren en zich te onderwerpen aan Gods oordeel en de ballingschap nederig te aanvaarden (‹2 Kr. 36:12›). Bovendien hield Zedekia zich niet aan zijn eed van trouw aan Nebukadnezar (‹2 Kr. 36:13›), waarover wij ook in allegorische vorm in Ezechiël 17 lezen. In Ez. 17:1-10 legt de HEERE eerst een raadsel voor, een gelijkenis, en vervolgens komt de uitleg ervan in Ez. 17:11-18, waarbij in Ez. 17:12 de wegvoering van koning Jojachin en zijn vorsten naar Babel wordt belicht (‹2 Kn. 24:11-17›). Iemand van koninklijke afkomst in Ez. 17:13 is de oom van Jojachin, genaamd Mattanja. In Ez. 17:15 lezen wij dat Zedekia inderdaad de eed brak.
De trouwbreuk van Zedekia was geen goed getuigenis van de trouw van Israëls God tegenover de volken. De vazalkoning en de rest van het volk stelden hun vertrouwen op Egypte. Dit lokte weer een invasie door Nebukadnezar uit, waarbij de Tempel en de stadsmuur werden vernietigd. Alle schatten uit de Tempel en het paleis bracht Nebukadnezar naar Babel. Zedekia werd weggevoerd naar Ribla in het land Hamath. Zijn zonen werden daar voor zijn ogen omgebracht en met hen vele soldaten en officieren en voorname priesters. Men stak Zedekia de ogen uit en mens voerde hem als blinde koning af naar Babel (‹2 Kn. 25:1-21; Jer. 52:1-30›).
Met dit alles had het koninkrijk van God, zoals dat in Israël belichaamd was, geen bestaansrecht meer: het volk van het Verbond was het land uitgedreven als straf voor hun hardnekkig afdwalen van de HEERE, hun God. Ze zouden onder de volken verstrooid, maar niet volkomen uitgeroeid worden. Het Verbond met hun God werd niet opgeheven, maar het bleef sluimeren en stralen aan de verre horizon van de toekomst van Israël door de kracht van de goddelijke profetie. Israël bleef het uitverkoren volk van God, waardoor God de Verlosser in de wereld zou brengen: het ‘zaad van de vrouw’ dat de satan de kop zou vermorzelen (‹Gen. 3:15›), de Lamp van God die nooit uitgedoofd zou worden (‹1 Sm. 3:3; 1 Kn. 15:4; Op. 21:23; 22:5›), het Lam van God dat de zonde van de wereld zou wegnemen (‹Gen. 22:8 en Jh. 1:29›) de Zoon van David, die tot in eeuwigheid op de troon zit (‹2 Sm. 7:16; 1 Kr. 22:10, 11; Mt. 22:42-45; Lk. 1:32›) en aan Wie ook alle volken zich zullen onderwerpen.
Dit Eeuwige Koninkrijk van God zou oprijzen in deze periode van de verdwijning van het nu voorbije koninkrijk van Israël, zoals de profeet Jesaja dat had aangekondigd ...
“Er zal een Twijgje voortkomen uit de tronk van Isaï en een Scheut uit zijn wortels zal vrucht dragen.” (‹Jes. 11:1›)
Ook Daniël zou voor Nebukadnezar in het 2e jaar van diens regering, dat is in het 5e jaar van koning Jojakim, door het profetisch oog zeer ver in de toekomst kijken, namelijk tot in het begin van deze 21e eeuw, waarin de historische uitlopers van het West- en Oostromeinse Rijk een verdeeld koninkrijk vormen, omdat het deels sterk zal zijn als ijzer en deels broos als leem. Daniël zegt het volgende over de tijd van de koningen van dat Rijk …
“In de dagen van die koningen zal de God van de hemelen een koninkrijk oprichten dat tot in eeuwigheid niet zal vergaan en waarvan het koningschap op geen ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het tot in eeuwigheid bestaan.” (‹Daniël 2:44›‚
Dit eeuwige Koninkrijk zal alleen en uitsluitend in Jezus Christus zijn Fundament hebben en in Hem gebouwd worden.
Israël zou na de ballingschap geen aardse koning en geen eigen land meer hebben, afgezien dan van een korte periode van enige onafhankelijkheid onder de Makkabeeën. Het land en het volk en de stad Jeruzalem zouden ondergedompeld blijven in de volkerenzee, ook al was er een zeer kleine rest die voor een periode van ongeveer 500 jaar zou terugkeren naar Juda en Jeruzalem in de tijd van Zerubbabel, Ezra en Nehemia. Na de verwoesting en de verbranding van Jeruzalem in het jaar 70 n. Chr. zouden vrijwel alle Joden twintig eeuwen lang zo goed als volledig verstrooid blijven onder de volken van de aarde, ook al bleven er steeds enkelingen in dat land, want het lijkt niet zo te zijn dat het aan het land Israël ooit aan één enkele Jood op zijn grondgebied ontbroken heeft.
In de periode werd wel de Tempel op zijn oorspronkelijke plaats herbouwd, maar niet met de heerlijkheid van het vroegere huis (‹zie Ezra 3:12, 13›). De teleurstelling van de oudere generatie werd niet veroorzaakt doordat het nieuwe Huis kleiner zou zijn geweest dan het voorgaande, want het was immers op hetzelfde fundament gebouwd, maar omdat het er veel soberder uit zag en in vergelijking met de bijzonder fraaie Tempel van Salomo zelfs armoedig, het miste de vroegere heerlijkheid (‹Haggaï 2:3; Zach. 4:10›). Verder zou de Kist, de Ark, ontbreken toen het bouwwerk klaar was en ook de daarbij behorende heerlijkheid, want Ezechiël had die heerlijkheid van de HEERE zien vertrekken. Ezechiël doet verslag van het vertrek van de heerlijkheid van de HEERE uit de Tempel in Ez. 8-11. De heerlijkheid van de HEERE wordt door hem bij dat vertrek het laatst gezien op de Olijfberg, de berg ten oosten van de stad en de Tempel. Dit is een dramatisch moment.
In Ezechiël 43:2, 4, 5 en Ez. 44:14 lezen wij over de toekomstige terugkeer van de heerlijkheid van de HEERE in de toekomstige Tempel in het duizendjarige Rijk, waarover wij vanaf Ez. 40 lezen. De herinnering aan de dramatische ontluistering van het heiligdom vervaagt samen met het zondige verleden van het volk als de gestalte van de nieuwe Tempel en al de heerlijkheid daarvan oprijst in Ez. 40-48. De profetie van Ezechiël laat zijn licht ver vooruitschijnen over de lange periode van de verstrooiing en van de afwezigheid van het Huis van de HEERE en van de afwezigheid van zijn heerlijkheid heen en dit profetisch licht biedt het verjaagde en verdreven volk een glorieus uitzicht op hun toekomst en op de heerlijkheid van het Huis van God in hun midden en de Heerlijkheid van God zelf en van de heilige Stad. Ezechiël sluit dan ook met een jubelkreet zijn profetische boek af, immers, zo zegt hij: ‘DE HEERE IS DAAR!’
De Goede Herder zal het overnemen van de slechte herders en Hij zal zijn schapen bijeenbrengen, Efraïm en Juda herenigen en een hersteld land en een herstelde natie geboren doen worden en in heerlijkheid wonen temidden van zijn volk, in een nieuwe Tempel in het 1000-jarige Rijk (‹Op. 20:›).
Indeling en inhoud
Het boek Ezechiël is in zeer hoge mate chronologisch ingedeeld en is in dat opzicht vergelijkbaar met het boek Openbaring, dat ook zo’n indrukwekkend profetisch karakter heeft en ook sterk chronologisch is opgebouwd, maar anders dan Ezechiël, namelijk niet door dateringen maar door aanduidingen voor de volgorde middels zeventallen en drietallen en door aanduidingen als ‘daarna’ e.a.
Het boek Ezechiël is ingedeeld in 48 hoofdstukken en kent een tweedeling met als de spil van het boek de val van Jeruzalem in Ez. 33:21-33. Vóór dit gedeelte spreekt Ezechiël in het bijzonder over de goddeloosheid van Jeruzalem en haar val en het oordeel over de volken. Na Ez. 33 gaat het over de weg tot herstel en de weg naar de verre heerlijke toekomst van het volk met het Heiligdom van de HEERE in haar midden.
Hieronder geven wij een schematisch overzicht van de inhoud van het boek in zijn twee delen en wij maken daarbij gebruik van de expliciete dateringen die elkaar vrijwel zonder uitzondering in chronologisch opzicht opvolgen, met als enige uitschieter de datering in Ez. 29:17.
I. De oordelen over Israël - EzECHIËl 1-24
Ez. 1:1 In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen bij de rivier de Kebar was, werden de hemelen geopend en zag ik visioenen van GOD.
Dit dertigste jaar betreft - zoals wij al gezien hebben, het geboortejaar van Ezechiël, het jaar waarin hij als priester zijn dienst begint, volgens het voorschrift van de Wet (‹Num. 4:2, 3, 23, 30 en 1 Kr. 23:3›)
Ez. 1:2, 3 Op de vijfde van de maand - het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin - kwam het woord van de HEERE nadrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar. De hand van de HEERE was daar op hem.
Dit vijfde jaar heeft betrekking op de duur van de ballingschap van Ezechiël die meegevoerd was in de tweede ballingschap van Nebukadnezar samen met koning Jojachin die 3 maanden regeerde na de dood van zijn vader Jojakim.
I.A. Ezechiëls roeping bij het visioen van de heerlijkheid van de HEERE - Ez. 1-3
- de eerste verschijning van de heerlijkheid van de HEERE - Ez. 1
- de opdracht van God aan Ezechiël - Ez. 2-3:15
- Ezechiël zeven dagen later aangesteld als wachter over het huis van Israël - Ez. 3:16-21
- de tweede verschijning van de heerlijkheid van de HEERE - Ez. 3:22-27
I.B. De oordelen over Jeruzalem en Israël - Ez. 4-24
- de stad Jeruzalem symbolisch afgebeeld op een kleitegel - Ez. 4:1-3
- Ezechiël 430 dagen vastgebonden als beeld van 430 dagen belegering van Jeruzalem en als beeld van 390 jaren ongerechtigheid van Israël en van 40 jaren ongerechtigheid van Juda, samen 430 jaar ongerechtigheid - Ez. 4:4-17
- een drieledig oordeel over de stad Jeruzalem:
(1) het vuur,
(2) het zwaard eromheen,
(3) de wind en het zwaard erachter.
Een klein deel blijft over en zal midden in het vuur komen.
Van dat deel zal een vuur uitgaan tegen heel Israël - Ez. 5
- het oordeel over de bergen van Israël - Ez. 6.
- het einde komt - Ez. 7.
Ez. 8:1 In het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda voor mij zaten, viel daar de hand van mijn Heer, de HEERE, op mij.
- de afgoderij in de Tempel in Jeruzalem - Ez. 8.
- het oordeel over Jeruzalem - Ez. 9-10
- het oordeel over de leiders van het volk - Ez. 11
Het vertrek van de HEERLIJKHEID van de HEERE uit de Tempel - Ez. 11:22-25
- de uitbeelding van de ballingschap - Ez. 12:1-20
- het naderende oordeel - Ez. 12:21-28
- profetie tegen de valse profeten - Ez. 13:1-16
- profetie tegen de valse profetessen - Ez. 13:17-23
- profetie tegen de afgodendienaren - Ez. 14:1-12
- de drie rechtvaardigen en de vier oordelen - Ez. 14:12-23
- de wijnstok Jeruzalem - Ez. 15
- de ontrouw van Jeruzalem - Ez. 16
- de ontrouw van koning Zedekia - Ez. 17
- de zonde van vader en zoon - Ez. 18
- klaaglied over de vorsten van Israël- Ez. 19
Ez. 20:1 In het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van de maand, kwamen er mannen uit de oudsten van Israël om de HEERE raad te vragen en zij gingen voor mij zitten.
- de opstandigheid van Israël - Ez. 20
- het oordeel over het Zuiderland - Ez. 21:1-5
- de oordeel van de HEERE over Jeruzalem - Ez. 21:6-27
- de zonden van Jeruzalem - Ez. 22
- Ohola en Oholiba - Ez. 23
Ez. 24:1 Het woord van de HEERE kwam tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand en het luidde ...
- Jeruzalem, een roestige pot - Ez. 24:1-14
- de dood van de vrouw van Jeremia - Ez. 24:15-27
II. De oordelen over de volken
1. over Ammon - Ez. 25:1-7
2. over Moab - Ez. 25:8-11
3. over Edom - Ez. 25:12-14
4. over Filistea - Ez. 25:15-17
5. over Tyrus
Ez. 26:1 In het elfde jaar, op de eerste van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij en het luidde ...
- profetie tegen Tyrus - Ez. 26
- klaaglied over Tyrus - Ez. 27
- profetie over de vorst van Tyrus - Ez. 26
6. over Sidon - Ez. 28:20-24
7. hoop voor Israël - Ez. 28:25-26
8. over Egypte
Ez. 29:1 Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde dag van de maand, en het luidde ...
- profetie over Egypte als een grote draak in de Nijl - Ez. 29:1-12
- profetie over het herstel van Egypte na veertig jaar - Ez. 29:13-16
Ez. 29:17 In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij en het luidde ... (dit is de enige datering in Ezechiël die niet chronologisch is)
- profetie over Egypte als Nebukadnezars loon voor de zware strijd tegen Tyrus - Ez. 29:17-21
Ez. 30:1 Er is geen datering en de vraag is of Ez. 30:1-19 aansluit bij de datering van Ez. 29:1 of aansluit op die van Ez. 29:17
- het oordeel over Egypte door het zwaard en door de zwaarden van het leger van Nebukadnezar - Ez. 30:1-19
Ez. 30:20 In het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij en het luidde ...
- het oordeel over de farao en de verstrooiing van de Egyptenaren onder de volken - Ez. 30:20-26
Ez. 31:1 In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij en het luidde ...
- Assur als een waarschuwing voor Egypte - Ez. 31
Ez. 32:1 In het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij en het luidde ...
- klaaglied over Farao - Ez. 32:1-16
Ez. 32:17 In het twaalfde jaar, (in de twaalfde maand,) op de vijftiende van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij en het luidde ...
- Farao en zijn menigte in het dodenrijk tussen Assur, Elam, Mesech-Tubal, Edom, de vorsten van het noorden - Ez. 32:17-32
Ezechiël 33 - DE SPIL VAN HET BOEK
Ezechiël wordt in Ez. 33:1-20 opnieuw als wachter over Israël aangesteld. Daarop volgt het bericht over Jeruzalems val.
Ez. 33:21 In het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, kwam er een vluchteling uit Jeruzalem bij mij en zei: “De stad is verslagen!” (deze datum is 1 jaar na de verwoesting van Jeruzalem)
Zeven jaar na het begin van het optreden van de profeet, in het 12e jaar, op de 10e van de 5e maand van de ballingschap komt het bericht van de val van Jeruzalem (Ez. 33:21-33), maar God zwijgt zoals de profeet al eerder heeft laten weten (‹Ez. 24:27›).
Nu begint een nieuwe fase in het profetisch optreden van Ezechiël en komt, dwars door de herinneringen aan het falende leiderschap van de herders van het volk heen, de Goede Herder van het volk in beeld in Ez. 34 en de nieuwe en hoopvolle toekomst die God zal geven dwars door alle oordelen en de nog te verwachten eindstrijd heen (Ez. 38, 39).
III. De terugkeer van de Goede Herder naar zijn kudde - Ez. 34-39
1. De HEERE is de Goede Herder van zijn volk - Ez. 34
2. Het oordeel tegen de aarstvijand van Jakob: Ezau, dat is Edom - Ez. 35
3. Het herstel van Israël
4. de herrijzenis van Israël - Ez. 37:1-14
5. De hereniging van Juda en Efraïm - Ez. 37:15-28
6. De strijd op de bergen van Israël; Gog en Magog - Ez. 38-39
IV. Een profetische blik in de Tempeldienst na de terugkeer van de Goede Herder - Ez. 40-48
Ez. 40:1 In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad veroverd was, precies op diezelfde dag, was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij daarheen. (deze profetieën komen 14 jaar na de verwoesting van Jeruzalem)
- De beschrijving van de Tempel en de afmetingen in Mozaïsche ellen - Ez. 40-42
De terugkeer van de HEERLIJKHEID van de HEERE naar de Tempel - Ez. 43
- De priesterdienst in de toekomstige Tempel - Ez. 44
- De toewijzing van het land - Ez. 45
- De plichten van de vorst - Ez. 46
- De bron van Levend Water vanuit de Tempel - Ez. 47:1-12
- De grenzen van het land - Ez. 47:13-20
- De verdeling van het land - Ez. 47:21-48:29
- De heilige stad - Ez. 48:30-35
“De HEERE is daar!”
* * *


|
Bronnen: |
christipedia.nl |
|
|
H.H. Halley: Bible Handbook, 24e editie, 1965 |
|
|
C.F. Keil & F. Delitzsch: Biblical Commentary of the Old Testament, 1950 |
|
|
James D. Price: “Rosh: An ancient land known to Ezekiel” Grace Theological Journal (‹1985›) 67-89. |
|
Bewerking: |
redactie EBV - 1 september 2023 |