De Wijsheidsboeken

SPREUKEN

De inleidingen tot de Bijbelboeken zijn bedoeld als ondersteuning voor de bestudering van de Bijbelboeken, maar het verdient alle aanbeveling om eerst ieder Bijbelboek zelf een aantal keren aandachtig te lezen, opdat al lezend een beeld van het boek, van de achtergrond ervan, van de inhoud, opbouw en onderwerpen ontstaat. De aandacht voor de tekst van het Woord van God zelf dient altijd voorop te blijven staan vanwege het hoogste gezag dat dit Woord in alle opzichten vertegenwoordigt. 


Inleiding 

Het boek Spreuken is het 20ste boek in de Bijbel, en het is het tweede boek van de ‘Ketubim’ (Hebreeuws voor  ‘Geschriften’ of ‘Boeken’). Het is onderdeel van de Bijbelse Wijsheidsliteratuur. De naam “Spreuken” is vertaald van het Hebreeuwse woord ‘Mishle wat: “Vergelijking” of “Spreuk” betekent.  

Als auteur van het boek Spreuken wordt in verschillende verzen koning Salomo genoemd: Spr. 1:1; 10:1; 25:1. Van hem staat in 1 Kn. 5:12 geschreven dat hij 3000 spreuken sprak. Daarnaast bevat het boek ook profetische woorden van Agur, de zoon van Jake (‹Spr. 30:1›), van Lemuël, de koning, uitgesproken door de moeder (‹Spr. 31:1›). De namen ‘Agur, de zoon van Jake’ en ‘Lemuël’ zijn naar de opvatting van de Joden  ‘schuilnamen’ voor koning Salomo, waarbij ‘zoon van Jake’ dus staat voor ‘zoon van David. 

Overigens blijkt uit Spreuken 25:1, dat bij de tot standkoming van het laatste deel van de Spreuken, de mannen van Hizkia (‹koning van ±671-642 v. Chr.›) een belangrijke rol speelden. Zij leefden ± 300 jaar later.  Er staat niet dat zij die spreuken zelf geschreven hebben, maar dat zij die spreuken hebben overgeschreven, wat betekent dat ze  eerder al waren opgeschreven. Bovendien schrijven zij in Spr. 25:1 ‘Dit zijn ook spreuken van Salomo’. 

In Spr. 22:17 is sprake van ‘woorden van wijzen’, die Salomo opschrijft voor de zoon die hij opvoedt en onderwijst, en in Spr. 24:23  is sprake van ‘woorden van de wijzen’, nl. van de wijzen die hij in Spr. 22:17 al heeft genoemd, die hij nu ‘de wijzen’ noemt met het bepaalde lidwoord erbij, want zij zijn voor de lezer al bekend vanaf Spr. 22:17. Daarbij komt dat ook deze woorden opgeschreven zijn door Salomo, Ook al heeft hij alles niet van zichzelf zoals men dat wel zegt, maar wel is hij opgegroeid in wijsheid, en God had hem ook beloofd dat Hij hem een ongekend wijs en verstandig hart zou geven om het grote volk waar hij koning over geworden was met wijsheid en verstand te kunnen besturen, want dat was Salomo’s gebed tot God toen hij koning werd en zijn vader David opvolgde (‹1 Kn. 3:1-14›). Dit betekent dat God het hart van Salomo vulde met zijn Heilige Geest, die ook is een Geest van wijsheid en verstand, en dat de Heilige Geest ten diepste de auteur is van het boek Spreuken, de Heilige Geest die werkzaam was in het hart van Salomo, niettegenstaande zijn zondige natuur als mensenkind en zijn zondige wegen. 

Het boek Spreuken gaat over de opvoeding van de zoon van de koning, de zoon, maar nergens lezen wij dat het letterlijk gaat over ‘de zoon van Salomo’, ook al spreekt Salomo hem aan als ‘mijn zoon’.  

Spreuken 1:8 begint eenvoudig: ‘Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader, wijs het onderwijs van je moeder niet af, want zij zullen een sierlijke krans om je hoofd zijn, een mooie ketting om je hals’ , en Spr. 31 eindigt met de profetische woorden van de moeder (‹Salomo’s moeder was Batseba›) die zij van haar man, koning Lemuël ontvangen heeft en waarmee zij haar zoon vermanend toespreekt:  ’Wat, mijn zoon, wat, zoon van mijn schoot, wat zal ik je zeggen, zoon van mijn geloften? Geef je kracht niet aan de vrouwen, en je wegen niet aan hen die koningen te gronde richten ...’ en zij besluit met de woorden in Spr. 31:10-31 die als volgt beginnen: ‘Wie zal een deugdelijke vrouw vinden? Haar waarde gaat die van koralen ver te boven.’ Het boek Spreuken is daarmee een opvoedingsboek, maar niet een ‘gewoon’ opvoedingsboek, maar op zijn minst een boek over de koninklijk opvoeding, d.w.z. over de opvoeding van de man die op troon zal zitten, na Salomo, en het zou wel eens kunnen dat het het boek van de koninklijke opvoeding is van de Zoon, met een hoofdletter. 

Salomo leefde van ± 965-925 v. Chr. Zijn wijsheid was spreekwoordelijk. Hij sprak 3000 spreuken uit, heel wat meer dan het boek Spreuken bevat. Salomo was een kenner van bomen en planten, vee, kruipende dieren, vogels en vissen (‹1 Koningen 4:29-34›). Uit alle volken kwam men naar hem toe om zijn wijsheid te horen. Zo kwam ook de koningin van Scheba met een grote karavaan met veel geschenken naar Jeruzalem. Salomo gaf haar raad in alle vraagstukken die zij hem voorlegde. Door de ontmoeting met Salomo en de kennismaking met zijn hof, was zij na afloop van haar bezoek nog meer onder de indruk dan zij vóór haar bezoek al was, vanwege alles wat zij in haar land over Salomo had gehoord  (‹1 Kn. 10›). Wat zij bij haar bezoek zag en hoorde van Salomo, overtrof alles wat zij van tevoren gehoord had. In 2 Kronieken 9:22 staat dat Salomo alle koningen van de aarde in rijkdom en wijsheid overtrof. 

Die spreekwoordelijke geworden wijsheid van Salomo had invloed op de samenleving zodat er naast de profetenscholen, die in Israël vanaf de tijd van Samuël waren ontstaan (‹wij lezen over ‘de zonen van de profeten’ in 1 Kn. 20:35; 2 Kn. 2:3, 5, 7, 18; 2 Kn. 4:1, 38; 5:2; 6:1; 9:1›‚ mogelijk ook scholen van wijzen ontstonden, zodat de wijsheid zich als het ware verzelfstandigde. Wij lezen in het boek Spreuken dat vrouwe Wijsheid, als tegenhangster van vrouwe Dwaasheid, uitgaat naar de kruispunten van de wegen en zich opstelt bij de ingang van de stad en haar roep doet uitgaan naar de mannen en de mensenkinderen om van haar wijsheid en verstand en inzicht te leren (‹Spr. 8›). Geregeld lezen wij in het boek Spreuken ook over ‘de wijzen’. 

Salomo is niet alleen de schrijver van het wonderlijke boek Hooglied uit de Bijbel, het enige lied van de 1005 liederen die hij schreef (‹1 Kn. 5:12›), dat onderdeel is geworden van de Bijbel. Ook is het boek Prediker waarschijnlijk door hem, als was het over hem, geschreven, alsof hij bij het schrijven ervan op afstand van zijn eigen leven stond. Anderen menen dat het door een persoon geschrevn is, die als het ware in de  huid van koning Salomo kroop en vanuit zijn gezichtspunt de dingen waarnam en de woorden ook zo wilde laten klinken alsof zij uit de mond van Salomo kwamen.  

Salomo was een wijs rechter met scherp inzicht en grote doortastendheid  (‹1 Kn. 3:16-28›).

Salomo was een bijzonder bouwmeester en voerde in 7 jaar de bouw van de Tempel (‹1 Kn. 6›) uit die door zijn vader David zorgvuldig en met veel overleg was voorbereid (‹1 Kr. 22:2-19›). Over de bouw van zijn eigen paleis deed hij 13 jaar (‹1 Kn. 7:1-12; 1 Kn. 9:10›). De Sidoniërs en Tyriërs waren een grote steun voor koning David bij de voorbereidingen van de bouw van de Tempel, en koning Hiram van Tyrus was een grote hulp voor koning Salomo bij de bouw van de Tempel (‹1 Kn. 5›)

Salomo was een groot vorst. Hij heerste van de rivier de Eufraat tot aan de beek van Egypte  (‹1 Kn. 4:21›). De  scheepsvloot van Salomo voer samen met de vloot van Hiram over de wereldzeeën.  Eens in de drie jaar kwam deze vloot uit Tarsis goud en zilver, ivoor, apen en pauwen brengen (1 Kn. 9:26-28; 1 Kn. 10:22). Waarschijnlijk voeren de schepen ook naar Noord- en Zuid-Amerika. Jaarlijks ontving hij een gewicht van zeshonderdzesenzestig talent aan goud door middel van zijn handelsvloot, afgezien (van wat hij kreeg) van de koopmannen, van de handel van de handelaren en van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land. (‹1 Kn. 10:14›).




ebvs-salomo(publicdomain).jpg

Koning Salomo - Gravure van Gustave Doré    (Public Domain)

In weerwil van dit alles werd aan het einde van Salomo’s leven het volk steeds meer meegetrokken in de afgoderij door de vele buitenlandse vrouwen die Salomo had, die hun afgoderij niet konden laten (‹1 Kn. 11›). Toen Salomo oud geworden was, voerden de vrouwen zijn hart mee achter andere goden aan. Deze ernstige zaak leidde na zijn dood tot de scheuring van het koninkrijk. 

Het is om deze redenen aannemelijk dat Salomo de Spreuken en al zijn wijsheid sprak in de eerste twintig tot dertig jaar van zijn regering, ook al werd het boek mogelijk pas 60 jaar later onder de regering van koning Josafat in zijn geheel samengesteld. 

De spreuken die door de mannen van Hizkia bijeengebracht werden, Spreuken 25-29, werden daar, volgens Delitzsch (‹een Bijbelcommentator uit de 18e eeuw met een uitzonderlijke kennis van het Hebreeuws›), in de tijd van Hizkia aan toegevoegd met de woorden van Agur en koning Lemuël aan het eind van het boek, in resp. Spreuken 30 en 31.   

De bijdragen aan het boek Spreuken door anderen, zijn niet van die aard dat de titel van het boek ‘Spreuken van Salomo’ misplaatst zou zijn. Ten eerste vormen de eigenlijk spreuken van Salomo de hoofdmoot van het boek, ten tweede vormen Spreuken 1-9 een zeer poëtische en beeldende en indringende inleiding van de hand van de redacteur van het boek (‹die zijn eigen naam niet vermeldt ten gunste van de naam van Salomo›), die alle aandacht bedoelt te vestigen op wat komen gaat, en ten derde zijn de aanvullende delen vanaf Spreuken 22:16 tot en met Spreuken 31 inhoudelijk weliswaar niet in detail gelijk aan de spreuken van Salomo, maar worden zij door de lezer toch herkend als die van Salomo, omdat zij dezelfde sfeer van wijze woorden uitademenen, met inbegrip van de woorden van Agur (‹Spr. 30›) en de woorden van de moeder van Lemuël (‹Spr. 31›).  

Was de Volmaakte Wet van God aan Mozes gegeven als tuchtmeester voor de nieuwgeboren, maar zondige en  ongehoorzame natie Israël, de Spreuken met hun nadruk op de Wijsheid vormden de wet voor koningskinderen, die het karakter van koningskinderen in het goddelijke licht stellen teneinde hen op te voeden tot goddelijke volmaaktheid. Zijn de heiligen niet een koninklijk priestergeslacht (‹1 Pt. 2:4-5›)? Jawel, de gelovigen zijn koningszonen in Jezus Christus en in het boek Spreuken wordt veel over hun vorming, in het bijzonder die van hun karakter, gezegd. En die vorming spitst zich toe op de vraag wie de juiste vrouw zal zijn voor de koningszoon, de toekomstige koning, want tenslotte is de vrouw de heerlijkheid van de man en dus ook van de toekomstige koning. 

Het is begrijpelijk dat deze hele nieuwe wet, deze nieuwe ‘denkrichting’, de nodige vragen opriep bij de rabbijnen zodat zij wel meenden dat de boeken Spreuken, Hooglied en Prediker apocrief waren en niet tot de door God gegeven Geschriften behoorden, maar bij nadere beschouwing waren zij toch zo onder de indruk van de geestelijke inhoud, dat de Grote Synagoge ze juist daarom in de canon, de lijst van erkende door God geïnspireerde boeken, opnam (zie b.  Sabbath, 30b). Delitzsch schrijft: “De goddelijke inspiratie van het boek en zijn aanspraak op canoniciteit treden vanzelf op de voorgrond als wij letten op de innerlijke samenhang die het boek heeft met het Oude Testament als voorbereiding op de verzoening. Maar als wij deze samenhang een ogenblik laten rusten, en kijken naar het totstandkomen van een enkele afzonderlijk praktische spreuk zoals Spreuken 14:4, en dat vergelijken met het totstandkomen van een enkele profetie zoals Jesaja 7:14, dan spreekt het voor zich dat hier sprake is van twee heel verschillende verschijnselen van het geestelijk leven en dat de werking van de Heilige Geest van God heel anders is in een spreuk dan in een profetie.” 


Indeling

Deel 1. Spr. 1-9 Inleiding op de Wijsheid

1:1-7 

Voorwoord - Doel en inhoud van de Spreuken

1:8-9:18 

Raadgevingen van de vader aan de zoon

1:20-33

De wijsheid



5:1-6:35

De vreemde vrouw

7:1-27

De verleidster en de jongeman

8:1

De roep van de wijsheid

9:1-

De uitnodiging van vrouwe wijsheid en van vrouwe dwaasheid

Deel 2. Spr. 10-31 Spreuken

10:1-12:28

Spreuken van Salomo - deel 1a

13:1-14:

Spreuken van Salomo - deel 1b

15:1

Spreuken van Salomo - deel 1c

21:26-22:16

Spreuken van Salomo - deel 1d

22:17-24:22

Spreuken van wijzen - deel I

24:23-34

Spreuken van wijzen - deel II

25:1-29:27

Spreuken van Salomo, verzameld door de mannen van Hizkia.

30 

Woorden van Agur, de zoon van Jake. De profetische boodschap.

31 

Woorden van Lemuël, de koning. De profetische boodschap uitgesproken door zijn moeder. 

Vermaning gevolgd door het loflied op de deugdzame vrouw.

De inhoud

Delitzsch schrijft het volgende: ‘In het boek Spreuken preekt dezelfde hemelse wijsheid, die, - als zij geopenbaard zou worden in een persoon - , precies zo spreekt als Degene die de bergrede uitsprak. Daarmee treffen wij in deze Wijsheid in Spreuken in het Oude Testament de nieuwtestamentische liefde aan, die rein van ogen is, die trouw is aan de vrouw van de jeugd, die zijn woord houdt, die uit is op verzoening en liefde niet aan de vijand onthoudt.’

De Wijsheid wordt verzelfstandigt, zodat het wel lijkt - als er niet aan begin gezegd was: ‘De vrees voor de HEERE is het begin van de wijsheid (‹Spr. 9:10›) - of de Wijsheid als het ware los van God staat. Plotseling echter lezen wij over de Zoon die met de Schepper in al zijn scheppingswerk betrokken is als zijn lievelingskind en er met Hem samen van geniet (‹Spr. 8:22-31›). Opeens valt de ‘abstractheid’ van de Wijsheid weg en wordt de Wijsheid wonderlijk en machtig concreet. Waar ter wereld vinden wij zulke woorden! Wordt Jezus Christus niet de Wijsheid van God genoemd (‹1 Kor. 1:24›)!  

De zeven zuilen waarop de Wijsheid haar huis gebouwd heeft (‹Spr. 9:1›), zijn naar het oordeel van Delitzsch een verwijzing naar de zevenvoudige manifestatie van de Geest die al sinds het verblijf bij de berg Sinaï aan het volk bejkjend is gemaakt in de gedaante van de zeven lampen van de heilige kandelaar (‹de menora›), een gedaante die verder wordt uitgewerkt in het rijsje uit de tronk van Isaï in Jes. 11:2, op Wie de zevenvoudige Geest van de HEERE zal rusten: Jezus Christus.

De Wijsheid is de bezitster van de Geest, maar deelt die Geest ook uit zoals zij zelf zegt in Spr. 1:23. Haar Geest is de ‘Geest van wijsheid’, maar tegelijkertijd, omdat ze uit God geboren is (‹zie Spr. 8:24, 25›), is zij de bemiddelaarster tussen God en de wereld, en dus is zij ook ‘de Geest van de HEERE’ (‹van JaHWeH›). Deze Geest van de HEERE is ‘de geest van wijsheid en verstand’, de ‘geest van raad en sterkte’ (‹zie ook Spr. 8:14›) en de ‘geest van kennis en van vrees voor de HEERE’ (‹Jes. 11:2›).  Want de vrees voor de HEERE is het begin van de wijsheid (‹Spr. 9:10›).  Jesaja kende natuurlijk het boek Spreuken en ook kende hij de mannen van Hizkia, want hij was als profeet zeer actief in de dagen van Hizkia (‹zie Jes. 36:1 e.v.›)

Het boek Spreuken heeft een sterk opvoedkundig karakter waarvoor in de inleiding de toon wordt gezet door het herhaald voorkomen van de vaderlijke woorden: ‘Mijn zoon!’ (‹15 keer in Spr. 1-9, en 8 keer in het resterende deel van het boek›), maar ook door de benadrukking van wederzijdse relatie tussen de zoon enerzijds en zijn vader en moeder anderzijds. Om die reden wordt het boek vaak aanbevolen voor geregeld gebruik in de sfeer van het gezin en voor de opvoeding van jeugdigen. Maar wij moeten goed begrijpen dat de aanhef  ‘Mijn zoon!’ ons enerzijds wel bepaalt bij de vader-zoon relatie, maar anderzijds in wezen betrekking heeft op de verhouding van de Leraar tot de wijzen, zonen van wijsheid, die zich in de tijd van Salomo begonnen te organiseren, zoals de profeten zich in de dagen van Samuël begonnen te organiseren in scholen van ‘de zonen van de profeten’. Als wij dus lezen in het boek Spreuken dat de Wijsheid bij de poorten van de stad het tot de mensen uitroept (‹Spr. 8:1-2›) , dan mogen wij daarbij aannemen dat er inderdaad in die dagen groepen mannen uit het volk waren die zich bezighielden met allerlei vormen van wijsheid en voor zulke mannen was een dergelijke oproep een duidelijk signaal om hun oren te spitsen en geen woord te missen van wat er nu zou komen. Maar net als bij Paulus’ optreden in Athene waren de echte luisteraars in de minderheid en was er veel scepticisme en ontbrak het door de wijdverbreide afgoderij aan geestelijk inzicht. Spotterij en verwerping van God waren aan de orde van de dag. De spreuken waren dan ook goeddeels tot dovemansoren gericht, net als in de dagen van Paulus, en net als in deze laatste dagen voor de komst van Jezus Christus.

Het boek Spreuken bevat veel praktische levenslessen over luiheid, vriendschap, huwelijkstrouw, de macht van woorden, het nemen van een beslissingen, omgaan met drank, rijkdom, macht, enz. Het boek leent zich ook uitstekend voor systematische studie rondom een bepaald thema of een bepaald begrip, b.v. over de dwaas, een onderwerp dat men b.v. zo zou kunnen indelen: (a) de definitie van een dwaas - 28:26,  (b) de overtuigingen van een dwaas - Spr. 12:15; 13:19, (c) de werken van een dwaas - Spr. 1:7; 12:16; 12:23; 14:9. 15:20; 17:24; 18:2, (d) hoe een dwaas te behandelen - Spr. 13:20; 23:9; 26:4-5, (e) het eind van de dwaas - Spr. 3:35; 11:29, (f) redding voor de dwaas - Spr. 3:5-8; 9:10.  

In Spreuken spelen vrouwen een grote rol. De wijsheid wordt voorgesteld als een vrouw. Er wordt gewaarschuwd tegen de vreemde vrouw en het boek sluit af met een lofzang op de deugdzame vrouw met een goed karakter. 

In Spreuken wordt bij de opvoeding de tucht zeer ernstig genomen, maar ook de eerbied van de zoon voor de ouders, niet de uiterlijke vorm ervan als eerste, maar het fundamentele en innige karakter daarvan als bron van het leven. 

Maar na dat alles gezegd hebbende, menen wij dat het boek Spreuken boven alles spreekt van Jezus Christus, zoals Hijzelf ook zegt in Lk. 24;27. Zou het in Spreuken niet gaan om het goddelijke onderwijs voor de Zoon van God? Moest Hij ook niet voortdurend door de Heilige Geest geleid en opgevoed worden? Was Hij dan niet God en Mens tegelijk? Ja, Hij is de Zoon van God, God en Mens tegelijk, en wat zijn leven op aarde betreft, stelde Hij zich in alle opzichten afhankelijk van de Vader, in gebed, in jeugd en volwassenheid, in heel zijn levenswandel, in de verkondiging van het Koninkrijk van de hemelen, in  zijn lijden, sterven, opstanding en hemelvaart. In Hem is het beeld van de onzichtbare God volmaakt ‘zichtbaar’ geworden, en in Hem hebben al Gods kinderen het volmaakte Beeld ontvangen waartoe zij allen geroepen worden om daaraan, d.w.z. aan Hem, gelijkvormig te worden, en heeft het boek Spreuken in ‘afgeleide’ zin ook grote betekenis voor de levenswandel van alle gelovigen.


Bronnen:

H.H. Halley: Bible Handbook, 24e editie, 1965


C.F. Keil & F. Delitzsch: Biblical Commentary of the Old Testament, 1951

Bewerking: 

redactie EBV - 1 januari 2026