Aramees of Grieks?
De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament
Een uitgebreide beschouwing - EBV-S (‹Evangelische Bijbelvertaling›)
Inleidende opmerkingen
De vraag naar de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament is een belangrijk, maar voordat wij op die vraag ingaan en er antwoord op gaan geven, willen wij allereerst benadrukken dat zowel de Aramese als de Griekse tekst ons het Evangelie van Jezus Christus in zeer hoge mate eensluidend en met veel detail bekendmaken tot redding van zondaren en tot onderwijs van zijn Gemeente, dat is zijn Lichaam.
Het gaat in dit artikel dan ook over vragen die voor de meeste gelovigen van geen of weinig belang zijn, maar wel voor christenen die een onderzoekende geest hebben die gepaard gaat met een gelovig hart en ervaring met studie. Voor hen kan het nadenken over deze vragen verrijkend werken en de kennis en het begrip van de Bijbeltekst verdiepen. Voor hen is het nuttig om meer informatie en antwoorden te krijgen op de ‘hamvraag’ van dit artikel nl. deze: Zou de Aramese tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta (‹de Aramese Bijbel›) de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament kunnen zijn, ook al werd door de eeuwen heen aangenomen dat Grieks de grondtekst van het Nieuwe Testament was? Wat zijn de ‘voors’ en de ‘tegens’?
Aan de start van de bestudering van dit onderwerp maken wij de lezer erop attent dat er allerlei kleine verschillen zijn tussen wat genoemd wordt Oud-Syrisch, Chaldees en andere varianten van het Aramees, maar wezenlijk vormen deze allemaal tezamenéén familie van nauw aan elkaar verwante Aramese talen of dialecten. Ook willen wij aan het begin direct een aantal redenen en overwegingen naar voren brengen die tot een bevestigend antwoord op de vraagstelling zouden kunnen leiden, zodat de lezer hopelijk voldoende zal worden geprikkeld om over deze vraag werkelijk te gaan nadenken en om zich een beeld te gaan vormen van waar het in dit uitgebreide artikel over zal gaan. Deze redenenen en overwegingen zullen wij ook wat uitdagend formuleren om te laten zien dat de Aramese Peshitta een zeer speciaal karakter heeft en beslist niet ‘aan de kant gezet’ kan worden als een vertaling van het Griekse NT zoals velen veronderstellen, vaak zonder werkelijk te weten waarover men het over heeft. Er is heel wat studie voor nodig om inzicht te krijgen in dit ingewikkelde onderwerp. Tegelijkertijd willen wij benadrukken dat het Aramese en Griekse Nieuwe Testament tezamen een bijzonder sterk fundament vormen van het gemeenschappelijke geloof in Jezus Christus, de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte HEERE!
De redenen:
1. In het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta vinden wij de Hebreeuwse Naam van ‘JaHWeH’ in de Aramese variant daarvan nl. ‘MAR-JA’, waarbij ‘MAR’ ‘heer’ betekent en ‘JA’ staat als een verkorte naam voor JaHWeH, die bijna gelijk is aan de verkorte vorm ‘JAH’ in het Hebreeuws. In Nederlandse Bijbels wordt de Hebreeuwse Naam ‘JaHWeH’ weergegeven als ‘HEERE’ en in het Engels als ‘LORD’, in het Grieks als ‘kurios’, maar eigenlijk zijn dat geen vertalingen, want men heeft in deze talen geen ‘titel’ of ‘naam’ die een vertaling zou kunnen zijn van de Hebreeuwse Naam ‘JaHWeH’. De Naam ‘JaHWeH’ wordt beschouwd als de persoonlijke en heilige Naam van de God van Israël, die in het OT van de Aramese Peshitta als ‘Mar-Ja’ wordt geschreven op alle plaatsen waar in het Hebreeuws ‘JaHWeH’ staat. ‘Mar-Ja’ is wel een vertaling, omdat Hebreeuws en Aramees erg veel gemeenschappelijk hebben, het zijn beide Semitische talen. In het Aramees is de Naam ‘Mar-Ja’ al eeuwenlang in gebruik voor ‘JaHWeH.
Omdat er in het Nederlands geen vertaling is voor de Naam ‘JaHWeH’, heeft men eeuwen geleden besloten om die Naam niet te vertalen, maar die Naam in de tekst van het OT weer te geven als ‘HEERE’. In Nederlandse Nieuwe Testamenten komt ‘HEERE’ gewoonlijk niet voor, omdat men in het oorspronkelijke Griekse NT alleen ‘kurios’ (‹= heer›) als titel voor God en dus ook voor Jezus Christus gebruikt, zodat men in het Nederlandse NT ook alleen maar ‘Heer’ met hoofdletters en ‘heer’ met kleine letters aantreft voor resp. God/Jezus en mens, maar nooit de Naam ‘JaHWeH’ geschreven als ‘HEERE’.
De aanwezigheid van de Naam ‘Mar-Ja’ in het OT en NT van de Aramese Peshitta geeft de Aramese tekst ervan een unieke verbondenheid met de tekst van het Hebreeuws-Aramese Oude Testament.
• Vineyard Stalin spreekt van ‘Mar-Ja’ als: “A term applying exclusively to YHWH and by extension to Jesus, who is also called YHWH”. Hij baseert zich op William Jennings Syriac Lexicon (‹Oxford University Press, 1926›), p. 130-131, waar wij lezen:
“מָריָא (‹meem-resh-yod-alef›), the emphatic form used for the sacred Hebrew JaHWeH, plus אמַר מָריָא למָרי (‹amar MarYa l'mari›) ‘The LORD said to my Lord’, Matthew 22:44, also for Christ as Lord of all, Acts 10:36, and the one Lord, 1 Corinthians 8:6, Philippians 2:11.
• In zijn ‘Compendious Syriac’ zegt R. Payne Smith (‹Oxford University Press, 1902; Reprinted by Wipf and Stock Publishers, 1999 op pg. 2983›): ‘Mara’ absolute and construct, emphatic ‘Mara’ (‹meem-resh- alef›); and מָריָא (‹Mar-Ya›) the latter form is used only of THE LORD GOD, and in the Peshitta version of the O.T., it represents the Tetragrammaton (‹de 4-letterige Naam van GOD›).
2. Het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta is sinds het begin van de 5e eeuw n. Chr. een volkomen stabiele tekst zoals dat ook het geval is met de tekst van het Hebreeuwse Oude Testament. Het Griekse Nieuwe Testament is weliswaar een buitengewoon zorgvuldige constructie van tal van afzonderlijke manuscripten, maar het is qua teksten en manuscripten bij lange na niet zo’n hechte eenheid als de Peshitta
3. Het Griekse Nieuwe Testament spreekt nooit van ‘Aramees’ of van ‘Arameeër’. Dit is historisch gezien beslist een onmogelijkheid, terwijl het Nieuwe Testament van de Peshitta spreekt van ‘Aramees’ en ‘Arameeër’ en tegelijk ook van ‘Grieks’ en ‘Griek’, zo zelfs, dat Titus niet als Griek wordt aangeduid, maar als Arameeër, en de vader van Timoteüs ook als een Arameeër en niet als Griek. Hiermee komt het Griekse NT zoals ons bekend, onder de verdenking te staan dat de ‘Arameeër’ en het ‘Aramees’ bewust uit de tekst van de het Griekse NT zijn verwijderd. En dan komt de vraag meteen op: Kan zoiets waar zijn? In verband met deze vraagstelling willen wij een paar opmerkingen maken:
a. Jezus Christus is het Levende Woord van GOD. In Hebreeën 1:3 staat van Hem geschreven:
“Hij is de afstraling van zijn heerlijkheid en het beeld van Hemzelf en Hij draagt alle dingen door de kracht van zijn Woord. In zijn Wezen heeft Hij de reiniging van onze zonden bewerkt, en Hij is gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. ”
Zijn Goddelijke en tegelijk menselijke wezen, God en Mens in Eén, is in Jezus Christus onaantastbaar in de hemelen gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Voor wie tot geloof komt in Hem, het zij door het Griekse Nieuwe Testament, het zij door het Aramese Nieuwe Testament, geldt dat hij of zij is wedergeboren en een nieuwe schepping is geworden en deel heeft gekregen aan het eeuwige leven in Jezus Christus en niet in het oordeel zal komen want hij/zij is overgegaan van de dood naar het leven (‹2 Kor. 5:17, Jh. 5:24›).
b. het Woord van God is weliswaar door mensen gesproken en opgeschreven, maar van de mensen die dat gedaan hebben lezen wij in 2 Pt. 1:16-21:
“Want wij zijn geen vernuftig verzonnen verzinsels nagevolgd, toen wij jullie de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben bekendgemaakt, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. Want Hij heeft van GOD de Vader eer en glorie ontvangen, toen deze stem tot Hem sprak vanuit de glorie die overeenstemt met zijn grote majesteit: “Dit is mijn geliefde Zoon in wie Ik Mij verblijd!” Ook wij hebben deze stem, die vanuit de hemel tot Hem sprak, gehoord toen wij met Hem op de heilige berg waren. Wij hebben ook het ware profetische woord en jullie doen er goed aan om daarop te letten als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de zon opgaat in jullie harten. Jullie moeten vooral weten, dat geen enkele profetie losgemaakt kan worden van het geschrift ervan. Want van eeuwigheid af is profetie nooit voortgekomen uit de wil van een mens, maar uit de mond van heilige mannen van GOD die door de Heilige Geest gedreven, spraken.”
Wat die heilige mannen spraken hebben zij vaak ook zelf opgeschreven. Het Oude Testament, de Tenach, die hoofdzakelijk in het Hebreeuws is geschreven, en voor kleinere delen in het Aramees m.n. in Ezra en Daniël, is uiterst betrouwbaar. In taalkundig opzicht zijn er mogelijk wel een paar duizend kleine verschilletjes. Toch zei een Joodse geleerde die intensief betrokken was bij het onderzoek en nagaan van al die kleine verschilletjes in de Tenach, dat zo’n groot aantal wel heel wat lijkt, maar dat die paar duizend kleine verschilletjes inhoudelijk gezien bijna niets voorstellen, zodat we met een gerust hart en geweten kunnen zeggen, dat de tekst door al die eeuwen heen bijzonder zeer goed is overgedragen.
Ditzelfde geldt voor het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta. Afgezien van een zeer gering aantal kleine verschillen (‹niet meer dan 20 kleine verschilletjes›) tussen de tekst van de westerse Peshitta en de oosterse Peshitta, is de tekst van beide gelijk en sinds de 5e eeuw ongewijzigd. De vermoedens zijn dat de tekst teruggaat naar de 1e eeuw n. Chr., zoals men dat ook vermoedt voor de Griekse tekst.
c. de betrouwbaarheid van het Griekse Nieuwe Testament is ook zeer hoog, zodat voor bijna 99% van de tekst van het Griekse en van het Aramese NT geldt dat zij zeer, zeer dicht bij elkaar liggen. Maar er zijn wel een aantal verschillen die opvallen en vragen oproepen over wat de juiste lezing is.
Daarbij menen wij te moeten vaststellen, dat hoewel God zijn Woord beschermt, het blijkbaar niet onmogelijk is dat er:
- soms defecte teksten zijn, zoals men dat noemt, ook in het Hebreeuwse Oude Testament, de Tenach.
- soms door menselijk handelen (‹slordigheid of opzet›) belangrijke manuscripten of delen van belangrijke manuscripten, plotseling verdwenen zijn of bijna verdwenen zijn. Denk b.v. aan de Hebreeuwse Aleppo Codex, die aanvankelijk volledig was, maar later deels zoek raakte, en wat betreft de Sinaï Codex meent men dat deze bijna zou zijn weggegooid door menselijke onachtzaamheid, ook al bestaat er over deze kwestie verschil van mening.
- soms door vertaalproblemen of vertaalkeuzes onbedoeld afwijkingen ontstaan van de oorspronkelijke tekst.
- soms komt het ook voor dat er bij de vertaling van de tekst min of meer ‘opzettelijk’ een woord of een tekst wordt verdraaid. Het kan ook voorgekomen zijn, dat een enkele verandering, opzettelijk gebeurde.
- wat betreft het Griekse NT is het o.i. niet uitgesloten dat de benamingen ‘Arameeër’ en ‘Aramees’ bewust uit de tekst verwijderd zijn, want de conflicten tussen de westerse en de oosterse ‘christenheid’ in de 4e/5e eeuw hebben geleid tot oorlog en strijd. En als het zo grimmig toegaat, dan is de voornoemde aanpassing een voorstelbare handelwijze van vleselijke christenen, die politiek verwarren met het leven van de Gemeente van Jezus Christus. Toch geldt ook hier dat God ons - in het bijzonder aan de oosterse christenheid - de Peshitta heeft gegeven die dit corrigeert (‹zie in het vervolg›).
Kortom: ondanks de voornoemde tekortkomingen, kan toch gesteld worden dat de Bijbel het geschreven Woord van God is, dat weliswaar - door zijn materiële aardse vormgeving en omgeving - niet geheel onaangetast is, maar anderzijds - voor wie de moeite neemt om het te onderzoeken, zo’n wonderlijke en gedetailleerde betrouwbaarheid weet te bieden aan de lezer en de onderzoeker, dat die naar waarheid moeilijk anders kan concluderen dat dit het onfeilbare Woord van God is, en dat waar sprake is van enig feilen, dit feilen niet zijn oorzaak heeft in het Goddelijke karakter van dit Woord, maar in de menselijke tekortkomingen en fouten bij de overdracht ervan. Daarbij moet echter worden opgemerkt, dat deze tekortkomingen veelal te traceren zijn en dus ‘ontmaskerd’ kunnen worden.
Als onze veronderstelling dat het Woord van God zoals dat in zijn geschreven of gedrukte vorm tot ons gekomen is, toch op enkele plaatsen door mensenhanden is aangetast, dan doen we er bij die vaststelling goed aan om te beseffen dat het LEVENDE Woord van GOD onaangetast en volkomen in de hemel op de troon gezeten is, aan de rechterhand van GOD (‹Heb. 1:1-3›), en dat de Heilige Geest met gebruikmaking van het zwaard van de Geest (‹Heb. 4:12›) in de harten werkzaam is met goddelijke precisie en overtuigingskracht.
Inleiding
In het algemeen wordt aangenomen dat het Grieks de grondtaal is van het Nieuwe Testament, terwijl het Hebreeuws en Aramees (‹m.n. grote delen van de boeken Ezra en Daniël›) als de grondtalen van het Oude Testament worden beschouwd.
Dat Aramees mogelijk de grondtaal zou kunnen zijn van het Nieuwe Testament, is niet alleen niet zo bekend, maar de gedachte roept vaak ook veel weerstand op. In zekere zin is de kwestie niet zo belangrijk, omdat het Griekse en Aramese Nieuwe Testament in zeer hoge mate overeenstemmen, net zoals Bijbels in verschillende talen dat ook doen, want zij zijn allemaal vertaald vanuit dezelfde Hebreeuwse en Aramese grondtekst van het Oude Testament en vanuit de tekst van het Griekse Nieuwe Testament. Maar als er verschillen opduiken dan kan het toch de vraag worden: Wat is de juiste tekst, wat is de grondtekst van het Nieuwe Testament? Het gaat daarbij om betrekkelijk kleine verschillen, die de boodschap van het Evangelie op geen enkele manier aantasten. Maar een Bijbelonderzoeker wil zo mogelijk alles precies weten en in dat geval komt het er wel op aan en is het ook meestal moeilijk om de verschillende inzichten eerlijk te wegen en te beoordelen.
Is de Griekse tekst - die door een veelheid van manuscripten door de eeuwen heen met zeer grote precisie bewaard gebleven is en van generatie op generatie aan ons overgeleverd is - het origineel, ondanks alle (‹detail›)verschillen in de diverse manuscripten en ook al komt een heel enkele keer een hele passage (‹b.v. die over de overspelige vrouw in Johannes 8›) in het ene Griekse manuscript wel en in het andere Griekse manuscript niet voor?
Of is de tekst van de zgn. Aramese Peshitta de grondtekst? Immers de Peshitta (‹dat is ‘de eenvoudige’, de naam voor de Aramese Bijbel, zowel voor het Oude als het Nieuwe Testament: de ‘mappaqtâ pšîṭtâ’, ܡܦܩܬܐ ܦܫܝܛܬܐ, letterlijk ‘de eenvoudige versie’. Het Oude Testament van de Peshitta laten wij in onze bespreking buiten beschouwing, omdat die met zekerheid een vertaling is van de Hebreeuwse Tenach, zoals het Nederlandse OT ook een vertaling van diezelfde Tenach is 1›), heeft al sinds het begin van de 5e eeuw een aantoonbaar stabiele tekst van het Nieuwe Testament, met vrijwel geen verschillen tussen de manuscripten behalve in 11 verzen (‹nl. in Mt. 6:32; 21:4; Mk. 14:31; Jh. 16:27; Hd. 20:28; Rm. 8:39; 2 Th. 3:6; 2 Th. 3:18; 2 Tm. 4:22; Heb. 2:9; Heb. 2:16›), waarin er kleine verschillen zijn tussen de westerse en de oosterse Peshitta.
De Aramese Peshitta had aanvankelijk echter 22 boeken en niet 27 boeken zoals het Griekse Nieuwe Testament. Wezenlijk was dat onderscheid terug te voeren op het concilie van Efeze in 431 v. Chr., waar de oosterse flank van de Syrische kerk zich afscheidde van Rome door vast te houden aan de leer van de Nestorianen. In de Peshitta ontbraken op dat moment echter nog de boeken Openbaring, de 2e brief van Petrus, de 2e en 3e brief van Johannes en de brief van Judas. Bovendien ontbrak de passage van de overspelige vrouw in Johannes 7:53-8:11. Dat deze vijf boeken en de passage uit het Johannesevangelie in de Peshitta ontbreken, is dus m.n. het gevolg van het feit dat er in de 4e eeuw nog twijfel was over de vraag of Openbaring en de vier genoemde brieven wel tot de canon behoorden, en het gevolg van het feit dat het oosterse deel van de oosterse kerk zich juist in die tijd en na het concilie van Efeze in 431 n. Chr. losmaakte van de westerse kerk. De oosterse kerk had op dat moment 22 boeken in haar canon, en was verder niet meer betrokken bij de besluitvorming over de resterende 5 boeken.
Het westerse deel van de oosterse kerk bleef echter met Rome verbonden en ging akkoord met de latere verklaring van de canoniciteit van de restende 5 boeken. Zo hebben vrijwel alle Bijbels tegenwoordig een NT met 27 boeken, omdat het Bijbelvertaalwerk, dat m.n. vanuit de westerse christenheid op gang kwam, bijna altijd de Griekse tekst als uitgangspunt nam, en ook nu nog steeds neemt, voor het Bijbelvertaalwerk. Alleen de Armeense, Georgische, Arabische en Perzische Bijbelvertalingen zouden in meerdere of mindere mate beïnvloed zijn door de tekst van de Aramese Peshitta, maar wat betreft het Arabisch en Perzisch menen wij te mogen zeggen, dat dat inmiddels niet meer het geval is in de moderne uitgaven van de Bijbel in die talen.
De al genoemde 5 boeken bleven in geheel de oosterse kerk echter eeuwenlang ontbreken in de uitgaven van de Aramese Peshitta. Officieel worden ze in het oosterse deel van de oosterse kerk nog steeds niet als canoniek beschouwd, maar wel komen die 5 boeken sinds het begin van de 20e eeuw voor in de meeste gedrukte uitgaven van de Peshitta, niet alleen in die van het westerse deel van die kerk, maar ook in die van het oosterse deel ervan, waar ze worden ingevoegd met een woord ten geleide, zodat wij nu kunnen zeggen dat de 5 boeken praktisch gezien ook deel uitmaken van de Aramese Peshitta van de christenheid in Syrië en Irak en in enkele andere streken, een christenheid die inmiddels in aantal zeer klein is geworden door de nu al eeuwenlange dominantie van het Arabisch in het Midden-Oosten en door de eeuwenlange vervolgingen en onderdrukkingen die de kerk en de gelovigen in het Midden-Oosten ten deel vielen, en hen nog steeds ten deel vallen, als gevolg van het oprukken van de islam met haar anti-joodse en antichristelijke karakter. Ten gevolge van dit alles heeft de Arabische Bijbel onder de christenen in het Midden-Oosten grotendeels de plaats ingenomen van de Aramese Peshitta, en onder de christenen in Egypte heeft de Arabische Bijbel de plaats ingenomen van de Egyptisch-Koptische Bijbel.
Wat betreft de 5 boeken is het voor ons onderwerp van belang te weten dat het boek Openbaring in het Aramees pas in de 19e eeuw ontdekt is in een verzameling manuscripten die naar men meent, geschreven waren in de 8e of 9e eeuw na Christus, en die uitvoerig bestudeerd zijn door John Gwynn (‹28 Augustus 1827 – 3 April 1917›), een Ierse geleerde van het Syrisch, het Aramees. Hij was professor in de theologie aan het Trinity College in Dublin, Ierland, van 1888 tot 1907. John Gwynn heeft het boek Openbaring uit de verzameling manuscripten grondig bestudeerd en het met ‘gereconstrueerde versies’ van de 4 kleine brieven aan het begin van de 20e eeuw toegevoegd aan de uitgave van de Aramese Peshitta in 1905 door de BFBS (‹British Foreign Bible Society›), die bestaat uit het Oude en Nieuwe Testament.
De Encyclopaedia Britannica weet te melden dat de naam ‘Peshitta’ voor het eerst in de 9e eeuw door Moses bar Kepha gebruikt werd om duidelijk te maken dat deze tekst algemeen gebruikt werd. De naam ‘Peshitta’ zou ook in omloop zijn gekomen om deze Aramese uitgave te onderscheiden van de meer complexe Syro-Hexaplar versie van het Oude Testament in het Aramees, een vertaling van de Griekse LXX zoals die is aangetroffen in de vijfde kolom van de Hexapla van Origenes. De Aramese vertaling van dit op de Griekse LXX gebaseerde Oude Testament is gemaakt door Paul van Tella, de opziener in het klooster van de Enaton in Egypte in 617 n. Chr. Deze vertaling vond wat meer aanhang in het westelijke deel, dan in het oostelijk deel van de oosterse kerk, en werd door Jakob van Edessa gebruikt voor zijn revise van de Peshitta. Ook werd deze vertaling door Ishodad of Merv, een geleerde in oost-Syrië, gebruikt in zijn commentaren, maar uiteindelijk werd deze versie toch geen ‘succes’.
De oorspronkelijke Peshitta is door de eeuwen heen de standaard Bijbel geweest en gebleven voor de oosterse kerk en deze wordt tot op de dag van vandaag gebruikt in de Syrische kerken: (‹1›) de Maronitische kerk, (‹2›) de Chaldees-Katholieke kerk, (‹3›) de Syrisch-Katholieke kerk, (‹4›) de Syrisch-Orthodoxe kerk, (‹5›) de Syrisch-Katholieke Malankara kerk (‹Kerala, India›), (‹6›) de Assyrische kerk van het Oosten en (‹7›) de Jakobitische Syrisch-Katholieke Malabar kerk (‹India›). De westerse Peshitta werd meer gebruikt in de westwaarts gelegen Syrisch-Aramese gebieden en de oosterse Peshitta meer in de oostwaarts gelegen gebieden van Syrië en Irak.
Het Oude Testament van de Peshitta wordt niet geacht de grondtekst van het Oude Testament te zijn, maar een vertaling van de Hebreeuwse Tenach (‹vergelijkbaar met de Griekse Septuaginta maar in het algemeen dichter bij de Hebreeuwse tekst dan de Septuaginta, LXX›), maar het Nieuwe Testament van de Peshitta wordt daarentegen door de oosterse kerk wel als de door God gegeven grondtekst van het Nieuwe Testament beschouwd.
Zoals hiervoor al opgemerkt, scheidden de Nestorianen zich af op het concilie van Efeze in 431 n. Chr. Daarmee stond de ‘canon’, de lijst van boeken die men beschouwde als behorend bij de Heilige Schrift, voor de kerk van het Oosten vast en dat betekende dat de oosterse Peshitta 22 boeken bleef bevatten. Het is opvallend dat juist deze 22 boeken door Johannes Chrystosomus (‹347-407›) worden genoemd en door Theodoretus (‹393-466›) uit de school van Antiochië, waaruit wij kunnen opmaken dat die 22 boeken voorafgaand aan het concilie van Efeze als canoniek werden beschouwd.
De Peshitta (‹OT en NT›) bleef echter ook bij de niet-Nestorianen in sommige gebieden van Syrië in gebruik en omdat de Aramese kerk in die gebieden trouw bleef aan de beslissingen van het concilie van Efeze en het daaropvolgende concilie van Chalcedon aan de Bosporus, kreeg de geschiedenis van deze westerse Peshitta een enigszins eigen verloop wat betreft de ontbrekende vijf boeken van het Nieuwe Testament.
Voor een goed begrip van de betekenis van de Peshitta en van zijn positie is het echter belangrijk ons te realiseren dat er buiten de Peshitta om, ook andere, maar slechts gedeeltelijke en bewerkte uitgaven zijn van het Nieuwe Testament in het Aramees, die ook al in de 3e tot 7e eeuw n. Chr. beschikbaar waren, elk met zijn eigen oorsprong en geschiedenis. Dit is een belangrijk onderwerp, maar voordat wij daarop ingaan is het van belang om ons eerst een beeld te vormen van de rol en positie van het Aramees in het Midden-Oosten, in het bijzonder ten tijde van Jezus Christus, en vervolgens ook op de rol van het Aramees en Grieks bij de overdracht van het Evangelie van Jezus Christus in de eerste eeuwen.
I. De rol en positie van het Aramees
in het Midden-Oosten
Na de zondvloed was er één volk en één taal (‹Gen. 11:1, 6›).
Bij de torenbouw van Babel werd de spraak van de mensen verdeeld en ontstonden de talen. Het kan zijn dat het Hebreeuws een voortzetting was van de oorspronkelijke taal van voor de zondvloed, zodat de teksten van Gen. 1 t/m 9, die mogelijk op kleitabletten geschreven waren, voor Mozes nog begrijpelijk waren bij het samenstellen van de Vijf Boeken van de Wet, de Torah. Hierover zijn verschillende meningen. Het kan ook zijn dat er een sterke mondelinge traditie was, want voor de zondvloed leefden de mensen heel erg lang. De natuurlijke kracht en gaven van de mens in die tijd overtroffen die van de mensen na de zondvloed. Een mondelinge overlevering kon door de zondvloed heen standhouden als er geen ‘schriftelijke’ overdracht zou zijn geweest, want het gaat in wezen slechts om de negen eerste hoofdstukken van de Bijbel.
Na de zondvloed m.n. na de spraakverwarring zou deze dan betrouwbaar op schrift zijn gesteld door de gelovige nakomelingen van Noach, en vervolgens ook door de volkeren van de wereld in hun eigen talen, maar elk maakte er een eigen versie van, want er was vijandschap ontstaan: (‹a›) al voor de zondvloed tussen de gelovige en niet-gelovige nakomelingen van Adam en Eva, en (‹b›) na de zondvloed ook tussen de volken onderling die elk hun eigen taal gekregen hadden. God had het menselijk geslacht niet versplinterd, zodat ieder afzonderlijk mens een eigen taal had, maar God heeft elk volk een eigen taal gegeven, zodat de familieband intact bleef. De juiste versie van de geschiedenis van de vloed en alles daarvoor werd door de gelovigen van die tijd betrouwbaar bewaard en ging zo met Abraham mee.
Abraham was afkomstig uit Ur van de Chaldeeën. De Chaldeeën worden in het Bijbelse Hebreeuws ‘kasdiem’ (‹כשדים›), genoemd, in het Aramees ‘Kaldo’ (‹ܟܠܕܘ›). Het Chaldees is een variant van het Aramees.
Flavius Josephus meende dat de Chaldeeën van Arfachsad afstamden. In zijn boek ‘Antiquities of the Jews’ (‹boek 1, sectie 143›) schrijft hij: “Arfachsad gaf de Arfachsadieten, die nu Chaldeeën genoemd worden, hun naam.” De zonen van Sem, de zoon van Noach, waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram. Arfachsad en Aram waren dus broers. Arfachsad verwekte Selah en Selah verwekte Heber, Heber Peleg, Peleg Rehu, Rehu Serug, Serug Nahor, Nahor Terach, Terach Abraham.
Abraham wordt in Gen. 14:13 Hebreeër genoemd en hij blijkt in dat vers onder de Amorieten in het land Kanaän te wonen. Het kan zijn dat de aanduiding Hebreeër verband houdt met de naam Heber in de lijn van afstamming. Heber leefde nog voordat de aarde verdeeld werd. In de dagen van Peleg werd de aarde verdeeld, waarbij wij denken aan enorme geologische en geografische veranderingen die tot het ontstaan van verschillende werelddelen en tussenliggende zeeën leidde (‹zie Gen. 10, 11›).
Rebekka, de vrouw van Izak, was de dochter van Betuël, de Arameeër, en de zus van Laban, de Arameeër. Zij trouwde met Izak. Uit dit alles kunnen wij afleiden dat Aramees en Hebreeuws, hoewel verschillende talen, toch in hoge mate verwant geweest moeten zijn, misschien nog wel meer dan nu. Tenslotte sprak de Hebreeër Izak toch dagelijks met zijn Aramese vrouw Rebekka, naar wij mogen aannemen.
In Deuteronomium 26:5 lezen wij over Jakob als een tot de ondergang gedoemde Arameeër die afdaalde naar Egypte, waar hij uitgroeide tot een groot en talrijk volk.
In Gen. 40:15 lezen wij dat Jozef zegt dat hij ontvoerd werd uit het land van de Hebreeën, d.w.z. uit het land Kanaän want dat had God bestemd voor de nakomelingen van Abraham.
De Israëlieten leefden behoorlijk gescheiden van de Egyptenaren in het land Gosen. Zo kon hun eigen taal in stand blijven en verder ontwikkelen, en in die taal zou Mozes de Wet opschrijven met inbegrip van het boek Genesis, d.w.z. heel de geschiedenis van de schepping tot op de aankomst in Egypte. Dat de Israëlieten later slaven in Egypte werden, zal eraan bijgedragen hebben dat zij aan hun eigen taal vasthielden om zich zo te verzetten tegen hun heersers en tegen de Egyptische taal.
Die taal, het Hebreeuws, namen ze bij de Uittocht mee, en in die taal werd de Wet met inbegrip van het boek Genesis opgeschreven, en die Wet en die taal werden de taal en de Wet van het volk Israël dat ging wonen in het land Kanaän en daar het Koninkrijk oprichtte.
Na de koningen Saul, David en Salomo kwam er een splitsing in een noordelijke tienstammenrijk en een zuidelijk tweestammenrijk. Het noordelijke 10-stammen Rijk van Israël werd rond 740-730 v. Chr. door Aram en later rond 720 v. Chr. door Assyrië afgevoerd in ballingschap en zo kwam het volk weer terug in het land waar Rebekka vandaan kwam en waar Heber vandaan kwam. Het zuidelijke tweestammenrijk Juda werd een eeuw later in ballingschap afgevoerd naar Babel. Aramees was inmiddels de officiële taal geworden van dit grote rijk en alle Joden in de ballingschap kwamen dus met die taal in aanraking en begonnen geleidelijk aan Aramees te spreken en te lezen, want hier woonden zij niet meer zo apart als in Egypte, maar gingen zij goeddeels op in de Arameessprekende samenleving. De Joodse elite, zoals Daniël en zijn vrienden, leerde Aramees, en geleidelijk begon het volk natuurlijk ook meer thuis te raken in de taal van het land waarin zij leefden. De beide talen waren en zijn bovendien aan elkaar verwant (‹misschien zoals Duits en Nederlands veel gemeenschappelijk hebben›), heel anders dan in Egypte. Maar volksonderwijs bestond er niet, dus verliep het leerproces geleidelijk, maar wel gestaag.
Als gevolg van de afname van de kennis en het gebruik van het Hebreeuwse, ontstond de behoefte om de Wet en de Profeten in het Aramees door te geven aan de volgende generaties, die steeds minder thuis waren in het Hebreeuws dat op den duur alleen nog door de priesters en rabbijnen, d.w.z. de godsdienstige leiders onder het volk, werd beheerst. Zo ontstonden de Aramese Targums van de verschillende bijbelboeken van de Tenach, het Oude Testament, die een sterk uitleggend karakter hadden. Het waren niet heel strikte letterlijke vertalingen.
Geleidelijk aan zou deze Aramees sprekende Joodse gemeenschap zich echter meer en meer onder de volken verspreiden en onder hen verstrooid worden, afgezien van een kleine groep die zou terugkeren naar Jeruzalem en het gebied van Juda (‹zie de boeken Ezra en Nehemia›). Zo kwam het dat, al voor het begin van de christelijke jaartelling, zich Joden vestigden in nagenoeg alle steden aan de grote, noordelijke Zijderoute van 12.000 km lengte, die vanuit Damascus naar Babylon in het huidige Irak liep, vervolgens naar Perzië, het huidige Iran, om van daaruit via het tegenwoordige Turkmenistan, Kazachstan en Kirgizië door te dringen in het grote China, om tenslotte, via Kaifeng in de provincie Henan, in Shanghai te eindigen. Deze Joodse handelaren die zich langs de Zijderoute vestigden spraken Aramees en bleven dat spreken want de handel gaf daartoe aanleiding.
Er waren ook zuidelijke handelsroutes die via Herat in Afghanistan naar de Perzische Golf liepen. Daarvandaan waren er scheepvaartroutes om de goederen naar het Midden-Oosten te brengen waarbij de stad Petra in Nabatea het grote handelscentrum vormde. Vandaar ginden de goederen over land naar de Middellandse Zee en naar Alexandrië. Ook in dit door de handel rijk geworden Nabatea, het vroegere Edom, was de voertaal Aramees in de tijd van Jezus Christus en daarom zal het Aramees ook langs die zuidelijke handelsroute een belangrijke rol gespeeld hebben.
In westelijke richting gingen de verstrooide Joden door Klein-Azië richting Griekenland en hoe verder zij ‘van huis’ raakten, hoe noodzakelijker het voor hen werd om de talen te leren van de volken waaronder zij zich vestigden.
Het Seleucidische Rijk, de oostelijk afsplitsing van het grote Griekse Rijk, strekte zich na de dood van Alexander de Grote echter ver uit in het huidige Turkije, en hoewel Grieks de officiële regeringstaal was en ook in de handelsbetrekkingen een belangrijke rol speelde, is het niet realistisch om te denken dat het met de invloedrijke Aramese taal gedaan was. Het Aramees bleef een belangrijke rol spelen in het alledaagse leven in het Seleucidische rijk, dat zich vanuit het huidige Syrië in oostelijke en westelijke richting uitstrekte.
Dat gold ook voor het Aramees dat door veel inwoners van Judea gesproken werd in de dagen van Jezus Christus. Men meent wel dat Grieks vrij goed gesproken werd in Judea in de tijd van Jezus Christus, maar naar ons besef verloopt de aanpassing van de taal van een volk niet zo snel en ook niet van de apostelen. Onder hen waren ‘ongeletterde’ mensen, d.w.z. niet speciaal geleerde mensen, maar wel met een goed verstand. Het is aannemelijk dat er in Galilea, dat tegen Syrië aanligt, meer Aramees gesproken werd dan in Jeruzalem. Juist in dit gebied groeide Jezus op. De beroemde Joodse geschiedschrijver Josephus schreef dat het voor een Jood niet eenvoudig was om Grieks te leren en dat hij het zelf met veel moeite en inspanning had geleerd.
De politiek van Alexander de Grote was er niet op gericht om de Griekse taal en cultuur aan de overwonnen landen en volken op te leggen. Eerder liet men die in stand, waarmee de oorspronkelijke bevolking natuurlijk meer ruimte behield en zich gerespecteerd wist. Het leren van Grieks was natuurlijk wel van belang voor het geval iemand in het grote Griekse rijk een hogere positie of een regeringsfunctie wenste. Als het Lycaonisch (‹mogelijk een Grieks dialect›), de taal van die streek (‹Hd. 14:11›), onder de Griekse en Romeinse overheersing kon overleven tot in de tijd van de apostelen, zou dan de invloedrijke Aramese taal dat niet kunnen? Wij zouden denken van wel en daarom kan het eigenlijk niet anders dan dat er in het Nieuwe Testament ook over de Aramese taal en de Arameeër gesproken zou worden, vooral omdat veel Joden deze taal beheersten en omdat Paulus altijd eerst de Joodse gemeenschappen opzocht.
Maar inmiddels wij met onze bespreking van het Aramees in de tijden van het Nieuwe Testament aangeland. De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament is een onderwerp van voortdurende discussie.
Dave Bauscher meent dat men op basis van gevonden inscripties uit de tijd van Jezus op aarde kan vaststellen dat er zeven min of meer verschillenden dialecten van het Aramees waren nl. :
1. het Aramees van Judea
2. het Aramees van Zuid-Judea
3. het Aramees van Samaria
4. het Aramees van Galilea
5. het Aramees van het Overjordaanse
6. het Aramees van Damascus
7. het Aramees dat gesproken werd langs de rivier de Orontes in Syrië
Het Aramees van Judea werd het ‘Hebreeuwse dialect’ genoemd. Het verschilde van het Aramees van Galilea, maar men kon elkaar wel goed begrijpen. Daarom werd Petrus wel verstaan, maar werd zijn afkomst verraden door zijn tongval of dialect, want hij sprak de Galilese variant en voor een kenner van de taal was dat dus merkbaar. Het Evangelie van Matteüs zou volgens Bauscher vooral geschreven zijn voor de Joden van Judea, omdat de zgn. ‘kerkvader’ Papias schrijft dat Matteüs de woorden van het Evangelie schreef in de Hebreeuwse taal (‹Hebraidi›) en omdat Ireneaus en Eusebius schrijven dat Matteüs het Evangelie opschreef in de nationale taal van de Hebreeën en ook andere oudere getuigen maken daarvan melding. De volkstaal van de Joden in de tijd van Jezus was het Aramees, aldus Bauscher, en wanneer er in het NT sprake is van de Hebreeuwse taal (‹Hebrais dialektos›), dan wordt daarmee Aramees bedoeld. Als de kerkvaders spreken van de Hebreeuwse taal, dan bedoelen zij volgens Bauscher hoogstwaarschijnlijk het Aramees, temeer omdat zij opmerken dat Matteüs zijn Evangelie schreef ter ondersteuning van het onderwijs aan het volk en voor de Evangelieverkondiging. Als de lezers en hoorders van het Evangelie allereerst en allermeest Aramees spraken, waarom zou Matteüs dan in een andere taal dan het Aramees geschreven hebben. Daar komt nog bij dat Eusebius (‹Hist. eccl. III, xxiv, 6›) ons meedeelt dat het Evangelie van Matteüs het onderwijs en de prediking van Jezus Christus bekendmaakt, en wij weten, zo zegt Bauscher, dat Jezus Aramees sprak. Hij voegt er dan nog aan toe, dat als wij zouden aannemen dat Matteüs het Evangelie in het Hebreeuws had opgeschreven, dit Evangelie een vertaalslag van het Hebreeuws naar het Aramees nodig zou hebben gehad zodat het volk het kon begrijpen, en dat geldt ook voor het geval Jezus’ zijn onderwijs in het Grieks zou hebben gegeven. Aan het slot van het Evangelie van Matteüs in de Peshitta lezen wij dit naschrift: ‘Einde van het Heilige Evangelie verkondigd door Mattai, opgesteld in het Hebreeuws in het land van de Palestijnen.’
Bauschers standpunt is geen meerderheidsstandpunt onder christenen, maar zijn argumenten zijn belangrijk en het is o.i. onmogelijk te ontkennen dat Jezus in zijn dagelijkse wandel op aarde Aramees sprak en bad, zoals ook zijn woorden aan het kruis daarvan getuigen. Woorden die zo diep uit het hart komen, zouden die in een andere taal gesproken zijn dan Jezus’ moedertaal? Was Hij niet een mens met een moedertaal zoals wij, maar zonder zonde?
In een artikel getiteld “The Language Milieu of First-Century Palestine - Its bearing on the Authenticity of the Gospel Tradition” door Robert H. Gundry lezen wij dat onderzoekers in het algemeen de tekst als meer oorspronkelijk beschouwen wanneer de Griekse tekst meer tekenen vertoont van een Aramees origineel, alsof het Grieks de opvolger was van het Aramees. Echter zowel Aramees, als Hebreeuws en Grieks waren in de tijd van Jezus algemeen in gebruik zoals blijkt uit de vondst van brieven uit de tijd van de opstand van Bar Kochba, die in alledrie de talen in vrijwel gelijke mate voorkwamen, en uit de opschriften van nog niet eerder opgegraven ossuaria (‹doodsbeenderen huisje›) van voor de Joodse oorlogen (‹66-73 n. Chr.›): op 7 ervan was de taal Hebreeuws, op 11 Aramees en op 11 Grieks. (‹Ten Years of Discovery in the Wilderness of Judaea - pg. 130 e.v., J. T. Milik›). Andere vondsten (‹Avigad, Sukenik›) bevestigen dit beeld. De conclusie, die Gundry trekt op grond van het in gelijke mate voorkomen van archeologische vondsten in het Hebreeuws, Grieks en Aramees in het gebied van Jeruzalem en Judea aan het begin van de christelijke jaartelling, luidt dat een Nieuw-Testamentisch manuscript niet minder origineel behoeft te zijn als het weinig of geen sporen vertoont van een Aramees origineel. Gundry schrijft dat wij er zeker van kunnen zijn dat het verslag van Jezus Christus, het Evangelie vanaf het allereerste begin ook in het Grieks is vastgelegd, zoals dat vanaf het allereerste begin ook in het Aramees en Hebreeuws gebeurd is, eenvoudigweg omdat deze drie talen, gemeengoed waren in het gebied van Judea en Israël, dat toen Palestina werd genoemd. Galilea lag meer noordelijk, dichtbij Syrië, en we mogen aannemen dat in die streek het Aramees dominant was.
Of de conclusie van Gundry helemaal klopt, is nog wel de vraag, maar zijn onderzoek toont aan dat een vroege vastlegging van het Evangelie, mogelijk zelfs in drie talen, beslist niet uitgesloten geacht mag worden, al blijft het zo dat archeologische en historische onderzoeken de feiten aan het licht dienen te brengen die het een en ander al of niet ondersteunen.
Zoals al gezegd wordt het in de westerse christenheid als vrijwel vanzelfsprekend aangenomen dat Grieks de grondtaal van het Nieuwe Testament is. Er bestaat een zeer grote hoeveelheid van Griekse manuscripten van het Nieuwe Testament die uiterst zorgvuldig zijn gedocumenteerd en ook een aantal belangrijke codices (‹manuscripten in een soort boekvorm›). De laatste omvatten soms (‹bijna›) het hele Nieuwe Testament.
Maar hoe was het in de dagen van de eerste concilies, waarop Grieks weliswaar de voertaal was, maar het er inhoudelijk om ging vast te stellen welke boeken al dan niet tot het Nieuwe Testament behoorden. Men sprak van de canon van het Nieuwe Testament, van canonieke en van niet-canonieke boeken, waarbij het niet ging over de vraag in welke taal die boeken waren opgesteld. Vertegenwoordigers van de westerse en de oosterse kerk zaten met elkaar aan tafel, maar elke flank van de kerk had de Bijbel in zijn eigen taal, de westersen in het Grieks en de oostersen in het Aramees. Dat staat mogelijk nergens zo opgetekend, maar hoe kunnen wij anders verklaren dat na de splitsing tussen oost en west op het concilie van Efeze in 421 over de leer van Nestorius, de oosterse flank van de oosterse kerk met de 22 op dat moment erkende boeken van het NT ‘naar huis ging’ en de Peshitta het sinds die tijd met die 22 NT-ische boeken heeft moeten doen! De splitsing had niet te maken met de vraag of Grieks of Aramees de grondtaal van het NT was. Oost en West lazen het NT resp. in het Aramees en Grieks, en sommigen hadden misschien de splinternieuwe Latijnse Vulgata al bij zich, die Hiëronymus van Stridon (‹± 347 tot 30 september 420›), maakte tussen 390 en 405, een Bijbelvertaling in alledaagse Latijn, die ruim 1100 jaar later op het Concilie van Trente (‹1545-1563›) door de katholieke kerk tot de enige gezaghebbende tekst werd verklaard. Vanuit Rome ging de Bijbel uit op zijn Latijns, vanuit Constatinopel op zijn Grieks en vanuit Edessa op zijn Aramees. Daarover was geen strijd, dat wij weten.
Maar wel zou het Griekse NT onder deze drie de grootste invloed op het Bijbel-vertaalwerk hebben, naast het drie keer zo grote Hebreeuwse Oude Testament.
De oosterse kerk beschouwt echter het Nieuwe Testament van de Peshitta als de door God geïnspireerde tekst en het heeft de Aramese Peshitta van het Nieuwe Testament sinds het begin van de 4e eeuw n. Chr., sinds het concilie van Efeze als een vaste en uniforme tekst van 22 boeken in haar bezit.
Wij merken nog op dat recente verklaringen van de World Council of Arameans er de voorkeur aangeeft om te spreken van’Aramees’ in plaats van ‘Syriac’‘.
Het wordt nu tijd om de manuscripten en tekst van de Peshitta nader onder de loep te nemen, maar voordat wij daarmee beginnen willen wij eerst nog aandacht schenken aan een aantal andere Aramese versies van het Nieuwe Testament die in het Midden-Oosten, m.n. in Syrië, Libanon en een deel van Irak bekendheid kregen.
II. De verschillende Aramese versies
van het Nieuwe Testament
Hieronder zullen wij de verschillende versies van het Nieuwe Testament of van teksten en delen van het Nieuwe Testament in het Aramees bespreken. Met inbegrip van de Peshitta zijn er zes versies van het Nieuwe Testament in het Aramees. In dit deel II bespreken wij daarvan de vier nl.:
A. De Diatessaron van Tatianus
B. De Oud-Syrische Evangeliën genaamd ‘Vetus Syra’ (‹Old Syriac›) - een vertaling vanuit het Grieks naar het Oud-Syrisch of Aramees. Deze bevat de vier Evangeliën, maar niet de complete tekst. Hiervan zijn twee manuscripten nl. de Curetoniaanse Evangeliën (‹begin 4e eeuw›) (‹syc›) en de Sinaï Palimpsest (‹einde 4e eeuw›) - (‹sys›).
C. Philoxeense evangeliën, een vertaling van de 4 Evangeliën vanuit het Grieks door Philoxenus (‹ook wel Xenaias genoemd›), bisschop van Mabug, dat is Manbij zoals de stad in het Arabisch wordt genoemd (‹± 100 km ten noordoosten van het huidige Aleppo›), rond 508 n. Chr. en het Harklese Nieuwe Testament (‹Syh›), een letterlijke vertaling uit het Grieks door Thomas van Harqel, dat hij ± 616 n. Chr. voltooide, waarbij hij voortbouwde op de 4 Philoxeense Evangeliën.
D. De moderne Assyrische Versie, een nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament en de Psalmen vanuit het Grieks naar het modern Assyrisch ofwel Neo-Aramees, gepubliceerd in 1997 door het Libanese Bijbelgenootschap. Deze uitgave zou ook begrijpelijk zijn voor sprekers van het Chaldeese Neo-Aramees.
Afgezien van de vier voornoemde versies, zijn er ook fragmenten behorende tot de ‘Christian Palestinian Aramaic Lectionary’ (‹een ‘lectionarum’ is een geschrift waarin Bijbelteksten voorkomen›) zoals die gevonden zijn in de Codex Climaci Rescriptus, de Codex Sinaiticus Rescriptus, en in latere ‘ lectionary codices’ (‹Vatican sir. 19 [A]; St Catherine’s Monastery B, C, D›). Deze laten wij echter buiten onze bespreking.
Na de bespreking van deze vier zullen wij overgaan tot de bespreking van de Aramese Peshitta.
A. De Diatessaron
De Diatessaron (‹=één door vier›), διὰ τεσσάρων εὐαγγέλιον (‹tò dià tessárōn euangélion, letterlijk. ‘het evangelie door vier’›), is een harmonie van de vier evangeliën, die door Tatianus werd samengesteld in de 2e helft van de 2e eeuw. Gegevens over het leven en werk van Tatianus zijn ons bekend uit zijn boek ‘Oratio ad Graecos’ en door de kerkelijke leider Irenaeus die leefde van ± 130-202 n. Chr. en ook door andere kerkvaders.
Tatianus was afkomstig uit het land van de Assyriërs, volgens Frederic Kenyon uit het dal waar de rivier de Eufraat doorloopt. Hij was waarschijnlijk uit een vermogende familie, omdat hij naar Griekenland en later naar Rome kon reizen. Tatianus raakt in Rome onder de indruk van het christelijk geloof, maar het lijkt vooral beperkt gebleven te zijn tot een verstandelijke overtuiging en men twijfelt er aan of er ooit sprake is geweest van een werkelijk bekering en of hij de genade van God voor de zondaar in Jezis Christus ten volle heeft leren kennen.
Tatianus was een volgeling van Justinus de Martelaar, die ook uit het oosten kwam en ook een sterk verstandelijke benadering van het christelijk geloof had, al had Justinus er wel zijn leven voor over: hij werd om zijn geloof omgebracht. Na de executie van Justinus begon Tatianus een eigen school in Rome en zag zichzelf vooral als een leraar. Hij lijkt weinig tegenspraak te hebben kunnen dulden en daardoor kwam hij geregeld in conflict met anderen. Ireneaüs weet te melden dat Tatianus zelfs het huwelijk verbood (‹het huwelijk was volgens Tatianus verderfelijk, en ook de lichamelijke omgang van man en vrouw›). Hij raakte verstrikt in een gnostische leer, die hij ook aan anderen onderwees. Adams zonde was volgens Tatianus in Gods ogen onvergeeflijk en Adam zou dus niet gered kunnen worden. Tatianus leerde wezenlijk een weg van zelfverlossing door de zogenaamde ‘kennis van God’. In zo’n ogenschijnlijk verheven en vrome leer past natuurlijk ook een leraar die de leerling zal inwijden. Het is een leer waarvoor Kol. 2:18-23 de gelovigen waarschuwt. Tatianus werd in 172 uit Rome verbannen (‹zie Irenaeus: Haer., I., xxviii. 1, Ante-Nicene Fathers, i. 353›). In het westen werd Tatianus vanaf eind tweede eeuw verder als een ketter beschreven.
In de oosterse kerkgeschiedenis wordt er tot in de tiende eeuw alleen in zeer positieve bewoordingen over Tatianus geschreven. Agapius van Hiërapolis, een Arabische christen uit de 10e eeuw, was de eerste in het oosten die Tatianus een dwaalleraar noemde. Michaël, de Syriër (‹12e eeuw›) en Bar-Hebraeus (‹13e eeuw›) hebben Tatianus ook als dwaalleraar aangeduid.
Tatianus keerde na zijn vertrek uit Rome naar Syrië terug en stichtte daar een eigen school. Hij kreeg veel aanhangers in Antiochië, Cilicië en Pisidië. De vraag, wanneer hij de Diatessaron samenstelde, in Rome of pas na zijn terugkeer naar Syrië, wordt echter in de historische bronnen niet beantwoord. Wij krijgen op grond van alles wat we gelezen hebben de indruk dat de meeste onderzoekers ertoe neigen om te denken dat hij de Diatessaron in het Syrië geschreven heeft.
Van de door Tatianus samengestelde Diatessaron zijn er geen oorspronkelijke historische manuscripten overgeleverd en zodoende is er onzekerheid ten aanzien van het antwoord op de vraag in welke taal deze oorspronkelijk geschreven was. Kenyon oppert dat als de Diatessaron geschreven en samengesteld zou zijn, voordat Tatianus uit Rome werd verbannen, dat deze dan waarschijnlijk in het Grieks geschreven zou zijn, maar als hij deze pas na zijn terugkeer naar Syrië geschreven zou hebben, dan zou Aramees als oorspronkelijke taal meer voor de hand liggen. De tekst van de Diatessaron bevat volgens George Foot Moore - die rond 1890 een Arabische versie van de Diatessaron onderzocht die berustte op een samenvoeging van twee manuscripten - ongeveer 75% van heel de tekst van de vier Evangeliën, en daarom wordt de Diatessaron gezien als een belangrijk document en getuige van de tekst van het Nieuwe Testament. Maar de teksten van de vier Evangeliën zijn wel door elkaar gebruikt en de volgorde van de teksten is ook anders dan wij nu gewend zijn. Het is een Evangeliën-harmonie, maar die harmonie is niet volledig.
Vanwege (‹1›) de naam ‘Diatessaron’ neigt men soms tot de mening dat de oorspronkelijke taal ervan Grieks was en ook vanwege (‹2›) de vondst van één piepklein 14-regelig Grieks fragmentje, het zgn. Dura-fragment, met de tekst betreffende de vraag van Jozef uit Ramta (‹of: Arimatea›) aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus Christus van het kruis mocht afnemen en begraven, Mt. 27:56-57, Mk. 15:40, 42, Lk. 23:49, 50, 51 en Jh. 19:38, een fragment waarvan men aanneemt dat de tekst ervan onderdeel was van de Diatessaron.
Maar wat betreft het eerste punt, de naam ‘Diatessaron’, dient gezegd te worden dat er tegenwoordig onderzoekers zijn, die de naam ‘Diatessaron’ niet meer zien als de oorspronkelijke titel van deze Evangeliënharmonie, want de naam kan er later eenvoudig aan zijn toegevoegd m.n. in Europa.
En wat het tweede punt betreft, de Griekse tekst van het Dura-fragment dat in Syrië werd gevonden, zegt men o.i. terecht dat dit geen bewijs is voor een Grieks origineel van de Diatessaron, omdat het plaatsje tenslotte een legerplaats was, waar soldaten gelegerd waren die van heinde en ver kwamen. De soldaten hadden het mogelijk meegenomen naar deze legerplaats. Het Romeinse legerplaatsje met een synagoge, waarin een Aramese tekst met een jaartal ergens op de muur werd aangetroffen en een christelijke kerk met een doopvont, werd in 256 n. Chr. verwoest. De vondst van het fragment vond rond 1930 plaats in Dura aan de Eufraat, ten zuidoosten van Deir-Zor, in de uiterste noordoostelijke hoek van Syrië. Het wordt Uncial 02120 genoemd in de classificatie van Nestle-Aland, ofwel het ‘Dura Parchment 24’.
Wat ons direct opviel in de tekst van het Dura-fragment, is dat in Lk. 23:50 een Peshitta-lezing van de tekst te vinden is nl. ‘een stad in Judea’, een lezing die in geen enkel Grieks NT-manuscript voorkomt. Carl H. Kraeling die het fragment bespreekt, meent dat Tatian Lukas wilde corrigeren, omdat Arimatea geen stad van de Joden meer was (‹hij bedoelt waarschijnlijk na de val van Jeruzalem›) in de tijd dat Tatian de Diatessaron schreef. Maar o.i. was Ramta (‹=Arimatea›) ook in de dagen van apostelen voor de val van Jeruzalem al geen stad van de Joden meer, maar een stad in Juda, zoals de lezing van de Peshitta het vermeld. De vraag of de Diatessaron van Tatianus oorspronkelijk in het Grieks of Aramees geschreven is, blijft door de vondst van het Dura-fragment onbeantwoord, en ook is het maar de vraag in hoeverre dit Dura-fragment representatief is voor de tekst van de Diatessaron die door Tatianus werd samengesteld.
Uit diverse bronnen meent men te weten dat de Diatessaron in de 3e, 4e en begin 5e eeuw zeer gangbaar was of zou zijn geweest in Syrië, ook in de stad Edessa. Edessa was het centrum van de Aramese literatuur en van de Aramese christenheid. Edessa is het tegenwoordige Urfa in zuidoost Turkije, dat tot in de 7e eeuw een Romeinse kolonie was. Rabbula van Edessa (‹Aramees: ܪܒܘܠܐ ܕܐܘܪܗܝ, Rabbula dUrhoy›) werd omstreeks 350 n. Chr. geboren in Kenneshrin, vlakbij Aleppo en hij stierf in Edessa omstreeks 435 n. Chr. Zijn vader was een heidense priester, maar zijn moeder was christin. Rabbula bekeerde zich tot het christendom, nadat hij in contact kwam met Eusebius, de bisschop van Kenneshrin, en met Acasius, de bisschop van Aleppo. Men schrijft dat hij na zijn bekering monnik werd ten koste van zijn huwelijk en gezin, want hij ging van vrouw en kinderen weg. Wij lezen in de bronnen niet dat zijn vrouw er niet in bewilligde dat hij christen werd. Overigens was een priester in de oosterse kerk niet verplicht om ongehuwd te blijven.
In het jaar 411 volgde Rabbula zijn voorganger Diogenes op als bisschop van Edessa tot aan het jaar 435. Als bisschop werd Rabbula van Edessa gekenmerkt door zijn strakke ascese, het opkomen voor de armen in zijn gebied en door zijn discipline als priester. Hij speelde een prominente rol binnen het Syrische/Aramese christendom. Tijdens het Concilie van Efeze in 431 pleitte hij voor de Alexandrijnse leer van Cyrillus van Alexandrië, met wie hij bevriend was. Tijdens dat concilie werd het zgn. Nestorianisme veroordeeld in een hevige strijd over de twee naturen van Christus, nl. zijn God-zijn en zijn Mens-zijn.
Lange tijd werd aangenomen dat Rabbula van Edessa verantwoordelijk was voor de totstandkoming van het Oude en Nieuwe Testament van de Peshitta (‹zie Francis Crawford Burkitt, Early Eastern Christianity, pg. 57›), totdat onderzoek van Arthur Vööbus aantoonde dat de Peshitta al lang vóór Rabbula bestond! (‹zie Arthur Vööbus: ‘Investigations into the Text of the New Testament used by Rabbula of Edessa’ Series: Syriac Studies Library, pg. 38›). Vööbus wijst op de canonieke structuur van de Peshitta als doorslaggevend argument voor het bestaan van de Peshitta vóór het concilie van Efeze in 421, want de Peshitta wordt wat betreft het NT, gevormd door de 22 NT-ische boeken, een aantal dat samenhangt met het scheiden van de wegen van de westerse en oosterse kerk op dat concilie. Deze boeken, alsmede die van het OT, bestonden dus al in 431 n. Chr. toen het concilie van Efeze plaatsvond.
Het onderzoek van Arthur Vööbus’ toonde verder aan, of zou verder hebben aangetoond, dat de 40 teksten uit de Evangeliën die door Rabbula van Edessa bij zijn vertaling van de in het Grieks geschreven verhandeling van Cyrillus van Alexandrië getiteld ‘De recta fide’ (‹‘Over het rechte/orthodoxe geloof’‹›), in het Aramees werden weergegeven, slechts deels overeenstemden met de tekst van de Peshitta. Anderen echter bestrijden dat, en hun onderzoek toont aan dat een aanzienlijk deel, zeker 40%, wel overeenstemt met diezelfde teksten in de Peshitta.
In de vertaling van het Griekse werk van Cyrillus van Alexandrië waarin uiteraard ook de Bijbelteksten in het Grieks stonden, heeft
Vööbus meent dat Rabulla van Edessa zijn vertaling van ‘De recta fide’ na 421, na het concilie van Efeze schreef, ten eerste omdat Rabbula op het concilie nog bij de aanhangers van Johannes van Antiochië leek te horen en pas na het concilie zijn houding veranderde en meer toenadering zocht tot de Cyrillus van Alexandrië, en ten tweede omdat hij de verhandeling van Cyrillus ontving met een briefje erbij, waarin Cyrillus nadrukkelijk verklaart dat hij de verhandeling na het concilie van Efeze schreef.
Men meent dat Rabbula van Edessa een eigen set van de vier Evangeliën van het ‘Evangelion Da-Mpharshe’ gebruikte. In ieder geval kunnen dat niet de vier zgn. Rabbula evangeliën zijn geweest, die aangetroffen werden in een Syriac ms. (‹manuscript›), dat nu in Florence is (‹Bibl. Mediceo-Laurenziana, Pluteus I,56›), voorafgegaan door een belangrijke set van illustraties (‹f. 1r–14v›), met een colofon (‹f. 292r–v›) dat de naam geeft van de schrijver, nl. Rabbula, een man die verder onbekend blijft, en van degenen die aan de totstandkoming van het manuscript hebben meegewerkt, maar de namen van de personen die de ‘miniaturen’ of illustraties hebben verzorgd worden weggelaten. De datum van het manuscript is februari 586 en de plaats waar het manuscript vandaan komt, is het klooster van Beth Mar Yuḥanon uit Beth Zagba. Dit klooster bestaat niet meer, maar het was waarschijnlijk gelegen in het gebergte van Riḥa, ± 50 km ten noorden van Apamea in Syrië (‹zie Mundell Mango 1983›), een plaatsje dat zo’n 100 km landinwaarts ter hoogte van de havenstad Latakia ligt. De hele tekst van deze Rabbula-Evangeliën is die van de Peshitta.
Rabbula van Edessa was een fel tegenstander van Nestorius en van de groeiende school van diens volgelingen. In opdracht van Rabbula en van bisschop Theodoretus van Cyrrhus, 70 km ten noordwesten van Aleppo (‹393 tot ± 460›, werden ongeveer 200 exemplaren van de Diatessaron, die bekend stond als het ‘Evangelion Da-Mkhaltey’ (‹ܐܘܢܓܠܝܘܢ ܕܡܚܠܛܐ›), (‹het Evangelie van de Gemengde (‹evangelisten›)›), uit de roulatie genomen, met name omdat daarin naar hun mening Nestoriaanse ‘trekjes’ voorkwamen, om die te vervangen, naar men meent, door de uitgave van het ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹ܐܶܘܰܢܓܶܠܺܝܽܘܢ ܕܰܡ̈ܦܰܪܫܶܐ›). Het is om deze reden natuurlijk ook niet zo vreemd dat er van de Diatessaron uit die dagen geen enkel exemplaar is overgebleven..
Theodoretus schreef in zijn boek getiteld ‘Haereticarum fabularum compendium’ d.w.z. ‘Compendium van ketterijen’ over het werk van Tatianus, de samensteller van de Diatessaron: “Tatianus, de Syriër, stelde ook het Evangelie samen dat ‘Diatessaron’ genoemd werd, waarbij hij de geslachtsregisters wegliet en ook andere passages die aantonen dat de Heer uit het zaad van David geboren was, wat betreft zijn vleselijke afkomst.”
Wij hebben inmiddels vastgesteld dat Rabbula van Edessa, naar men meent, overwegend gebruik zou hebben gemaakt van de vier evangeliën die bekend zijn geworden onder benaming ‘Vetus Syra’ en onder de naam ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹het Evangelie van de Afzonderlijke (‹evangelisten›)›), en die wij hierna onder ad B. zullen bespreken. Hoewel volgens Burkitt deze benaming zowel voor de op het Grieks gebaseerde vertalingen van de vier Evangeliën als voor de vier Evangeliën die onderdeel waren van de Peshitta gebruikt kon worden, is echter de toepassing van de term ‘Evangelion Da-Mpharshe’ op de Evangeliën van de Peshitta nergens terug vinden. Daarom gebruiken wij deze term alleen in verband met de Oud-Syrische Evangeliën die uit het Grieks zijn vertaald, die door Rabbula van Edessa na de vernietiging van de Diatessaron in gebruik zouden zijn genomen.
Een belangrijke vondst die tot meer zekerheid leek te leidenover de vraag of de Diatessaron nu wel of niet werkelijk in de oudheid had bestaan - er waren immers geen overtuigende manuscripten van gevonden - was de ontdekking van wat naar men meende een commentaar op de Diatessaron was geschreven door Ephraïm de Syriër (‹306-373 n. Chr.›), hoewel de naam ‘Diatessaron’ nergens in zijn commentaar voorkomt! Ephraïm was geboren in Nisibis (‹Nusaybin in het huidige Turkije›). In Nisibis raakte hij betrokken bij de kerk en hij werd oprichter van de zgn. school van Nisibis, een invloedrijk en bekend christelijke opleidingsinstituut, en later was hij werkzaam in Edessa. Tot ergens tussen 1950-1960 was het commentaar van Ephraïm alleen beschikbaar in een Armeense versie die voor het eerst begin 19e eeuw werd gepubliceerd. In die tijd kreeg Alfred Chester Beatty, die al een hele collectie met belangrijke en kostbare bijbelse geschriften (‹papyri›) had verzameld, een manuscript in zijn bezit dat een belangrijk deel van het Aramese geschrift van Ephraïm bevatte. Dit werd in 1963 gepubliceerd door Dom Louis Leloir, die ook al een kritische editie van de Armeense versie had geschreven in 1953, en ook nog eens een Latijnse vertaling ervan in 1954. Van hetzelfde Aramese manuscript werd in 1966 in Barcelona opeens een andere verdwaalde versie gepubliceerd. En nog verbazender, in 1984 kreeg de Chester Beatty Library nog eens 5 folio’s in bezit en nog weer eens 36 folio’s in 1986, alle van de Aramese tekst. Daarmee is ongeveer 80% van de oorspronkelijke codex gereconstrueerd en beschikbaar geworden. Een kritische editie met een Engelse vertaling is in 1993 gepubliceerd onder de naam: Saint Ephrem’s Commentary on Tatian's Diatessaron: An English Translation of Chester Beatty Syriac MS 709 with Introduction and Notes, van de hand van Carmel McCarthy.
Ephraïm, de Arameeër, want zo wilde hijzelf genoemd worden, is vooral bekend geworden om zijn vele ‘hymnes’ of geloofsliederen. In zijn ‘Hymnes tegen dwaalleren’ gebruikte hij kleurrijke en beeldende taal om de vleeswording van Christus te beschrijven als ten volle goddelijk en ten volle menselijk. Hij brengt naar voren dat de eenheid van mensheid en goddelijkheid in Christus staat voor vrede, volmaaktheid en redding.
Het voornoemde commentaar van Ephraïm, dat dus pas vrij recent boven water kwam, was destijds in omloop gebracht door de zogeheten ‘vaders’ van de Mechitaristen in Venetië. Het commentaar gaf, naar men meende, zowel het bestaan als de aard van de Diatessaron met zekerheid aan. Zijn publicatie was echter in het Aramees en kreeg daarom geen grote bekendheid, zelfs niet toen er in 1876 een Latijnse vertaling van kwam van de hand van Moesinger.
Ephraïm schreef uitsluitend in het Aramees. Hij sprak van ‘het Aramees’, van ‘Aram’ en van ‘Arameeër’ als hij het over zijn eigen taal, land en landgenoten had. Hij gebruikte niet de aanduiding ‘Syrisch’ voor de taal, of ‘Syrië’ en ‘Syriërs’ voor het land en de inwoners, aanduidingen die vooral door mensen van buitenaf vanuit de Grieks-Romeinse wereld gebruikt werden. Dit is erg interessant omdat wij weten dat de Peshitta geregeld spreekt van de Arameeër, terwijl het Griekse Nieuwe Testament slechts een enkele keer spreekt van de Syriër, en verder alleen over Grieken. Wat een Griek is in het Griekse NT, is geregeld een Arameeër in de Aramese Peshitta. Kennelijk lijkt er een zekere etnische gevoeligheid in het Griekse NT te zitten omdat daar geen enkele keer het woord ‘Arameeër’, ‘Aram’ (‹alleen als eigennaam in Mt. 1:3, 4›) of ‘Aramees’ voorkomt.
Zeer belangrijk is dat Ephraïm zelf in zijn werk nergens noemt dat zijn aanhalingen, citaten, uit de zgn. Diatessaron komen, integendeel hij spreekt ervan dat hij eenvoudigweg de Evangeliën bespreekt en aanhaalt. Er is hierdoor o.i. opnieuw grote onzekerheid over de vraag of er werkelijk zoiets als een ‘Diatessaron’ van Tatianus is geweest. Een vraag die niet alleen ons, maar ook anderen bezighoudt. We komen er in onze bespreking nog op terug.
Ephraïm, de Arameeër, was overigens niet enige Arameeër onder de zgn. ‘kerkvaders’ die Aramees spraken, lazen en schreven, en die ons mogelijk informatie zouden kunnen geven over de zgn. ‘Diatessaron’, het onderwerp waar we ons in verdiepen. We geven een korte opsomming van deze voor ons onderwerp belangrijke Arameessprekende en schrijvende personen uit de tijd van het ontstaan en in omloop zijn van de Diatessaron:
1. Ephraïm, de Arameeër (‹306 - 373 n. Chr.›) - zie hiervoor.
2. Aphrahat, de Pers, (‹± 280–c. 345›). Zo schrijft men zijn naam in het Aramees ܐܦܪܗܛ, zo in het Perzisch: فرهاد, zo in het Arabisch: أفراهاط الحكيم, zo in Oud-Grieks: Ἀφραάτης, en zo in het Latijn ‘Aphraates’. Hij werd wel de ‘wijze Pers’ genoemd: ܚܟܝܡܐ ܦܪܣܝܐ, ḥakkimā pārsāyā. Aphrahat trad ook op buiten de grenzen van het Oost-Romeinse rijk ten behoeve van de vroege kerk. De naam Aphrahat is de Aramese variant van de Perzisch naam ‘Frahāt’, die tegenwoordig in het Perzisch luidt: Farhād (‹فرهاد›). Aphrahat had mogelijke Perzisch-Joodse voorouders. Hij kwam uit een gezin dat de leer van het Zoroastrianisme aanhing. In de colofon van een manuscript dat gedateerd is in 510, wordt hij vermeld met de naam ‘Jakob’ wat mogelijk zijn doopnaam was. Hij is bekend geworden om zijn boek ܬܚܘܝܬܐ, ‘Taḥwîṯâ’, dat hij op latere leeftijd schreef en dat vertaald in het Latijn ‘Demonstrationes’ heet. Het bevat 23 toespraken of preken. In de vijfde van de 23 ‘Demonstrationes’ schrijft hij over het boek Daniël, dat deels in het Aramees geschreven is. Elk boek van de ‘Demonstrationes’ begint met een letter naar de volgorde van het Aramese alfabet.
Aphrahat was asceet en ongehuwd door zijn keuze voor het celibaat en vrijwel zeker een kloosterling. Mogelijk was hij bisschop. Een latere Syrische traditie meldt dat hij het hoofd was van het Mar Mattai Klooster bij Mosul, in wat nu Noord-Irak is. Hij was enigszins een tijdgenoot van Ephraïm, de Arameeër.
Het Oude Testament citeert hij uit de Peshitta, maar voor de Evangeliën zou hij de Diatessaron van Tatianus hebben gebruikt, maar ook hij noemt nergens de naam ‘Diatessaron’, zodat het de vraag is of de aanhalingen niet uit de Peshitta komen.
A.S. Marmardji (‹1935›), leraar aan de Franse ‘École Biblique et Archéoloqique’ in Jeruzalem, schrijft in zijn uitgebreide en gedegen studie ‘Diatesaron de Tatien’ dat tachtig procent van de Diatessaron afkomstig is uit de Peshitta, waarbij nog komt dat de citaten vaak vrij, en niet woordelijk worden gegeven. Het is ook onze indruk dat de Peshitta-tekst het fundament is waarop de zgn. Diatessaron is gebouwd en het ‘arsenaal’ waaruit deze put. Een opmerkelijk voorbeeld is Mt. 25:1 waar de Griekse tekst van het NT spreekt van ‘tien maagden die de bruidegom tegemoet gaan’, terwijl de Peshitta spreekt van ‘tien maagden die de bruidegom en de bruid tegemoetgaan’, een unieke Peshitta lezing. In de Arabische ‘Diatessaron’ fragmenten zoals die door Marmardji in zijn publicatie zijn gedocumenteerd, treffen wij op pg. 411, Diatesaron. XI-111. 9-25 in Mt. 25:1 ook de bruidegom en de bruid samen aan. Marmardji schrijft ook dat de ‘Diatesarion’ van Ibn-Tayyib, (‹we komen nog op deze Ibn-Tayyib terug›) waarvan hij gebruik maakt voor zijn publicatie, eerder een zelfgemaakte harmonie van de Evangeliën is dan een vertaling van een werk dat de ‘Diatessaron’ zou zijn. Marmardji schrijft hierover op pg. XCII - Inr. Chap. IV.: “A ses yeux, Ibn at-Tayyib, comme les devanciers et comme lui, n’est rien qu’un auteur d’une harmonie des Evangiles en langue arabe. Témoins les expressions qu’il emploie à ce propos. Il dit d’abord de lui -même: «جمعت منها انجيلاَ واحدًا» - d.w.z. ‘J’en (‹=des Evangiles›) ai colligé un seul Evangile’. Au sujet de ses devanciers, il ajoute, dans le même sens: «وقد تقدمني في ذلك جماعة من الأفاضل», d.w.z. ‘Et m’avaient devancé en cela (‹=oeuvre d'harmonisation›) un groupe d’excellents personnages.’ Enfin, touchant Ibn at-Tayyib, qu’il nomme en personne, il use de cette expression : «فلمَّا وقفت على الانجيل الذي جمعه» » Et quand j’eus vu de près l’Evangile qu’il avait colligé.’
Voor de gedachte dat Ephraïm van de Peshitta gebruik maakte pleit ook zijn weergave van de tekst van Markus 16:16-18, die volgens James Snapp, deskundige op het gebied van de NT-ische tekstkritiek (‹www.thetextofthegospels.com›), eerder uit de Peshitta lijkt te komen dan uit de Diatessaron.
In 1880 deed Dr. Ezra Abbot een oproep tot meer onderzoek wat leidde tot de ontdekking van twee Arabische versies van de Diatessaron, één in Egypte en één in het Vaticaan in Rome in 1877. Uiteindelijk werd ook de versie uit Egypte naar het Vaticaan overgebracht en bewerkt door Ciasca in 1887. Zijn verslag met de Latijnse tekst van zijn vertaling en de Arabische tekst van het origineel heeft als titel: Tatiani Evangelioru Harmoniae Arabice, Nunc Primum, Ex Duplici Codice Edidit et Translatione Latina Donavit, P. Augustinus Ciasca, ord. fremit. s. augustini, Bibliothecae ap. Vaticanae.
Op de website van Sephr Mohamadi (‹ http://sepehr.mohamadi.name›), een Iraanse ingenieur met grote interesse in de Bijbel en oude geschriften staan een digitale versie van een Arabische Diatessaron en een Perzisch Diatessaron. Hierin zijn ons bij een eerste onderzoek twee belangrijke dingen opgevallen nl. deze:
a. de Arabische Diatessaron is in de 11e eeuw vanuit het Aramees naar het Arabisch ‘vertaald’ (‹zie hiervoor A.S. Marmardji: geen vertaling maar een eigen Evangelieharmonie›) door Abū al-Faraj ʿAbd Allāh Ibn al‑Ṭayyib al-ʿIrāqī. Voor zijn biografische gegevens zie: https://gedsh.bethmardutho.org/Ibn-al-Tayyib
Hij was een enorm productief en geleerd man. Bij een een vluchtige blik door enkele bladzijden van het document, blijkt de vertaling duidelijk lezingen te hebben die alleen in de Peshitta voorkomen, b.v. in Lk. 1:37, 72 en 75. De lezingen van deze verzen in de Peshitta wijken duidelijk af van alle Griekse manuscripten. Dit betekent dat deze Diatessaron in ieder geval ook gebaseerd is op de tekst van de Peshitta, zoals dat al is vastgesteld door Lamsa. Hij schrijft: “Intern bewijs van de Arabische vertaling van de Assyrische (‹=Aramese›) Diatessaron (‹de enige versie die nog bestaat vertaald in een Semitische zustertaal, nl. Arabisch›) toont heel duidelijk aan dat de Diatessaron-tekst afkomstig is van de Peshitta. Als dit inderdaad het geval is dan is de ontstaanstijd van de Peshitta beslist niet later dan 175 n. Chr. Dat is tamelijk indrukwekkend, als we in aanmerking nemen dat het Nieuwe Testament naar algemeen wordt aangenomen rond 100 n. Chr. voltooid werd!” (‹ zie https://www.superbook.org/LAMSA/FAQ/peshitta_old_syriac.htm›)
b. de Perzisch Diatessaron uit de 13e eeuw is van Izzidin Johannes met een Italiaans vertaling uit 1951 door Giuseppe Messina. Deze publicatie toont een voorblad van het origineel met een korte Perzische inleiding waaronder een afbeelding van de originele tekst waarop de Perzische vertaling van Izzidin Johannes is gebaseerd. De originele tekst onder het voorwoord is geschreven in het Aramees in Estrangelo schrift. Zie ook P. Joosse, “An introduction to the so-called Persian Diatessaron of Iwannis ‛Izz al-Din of Tabriz: the testimony of John 2:1-11 (‹the Wedding at Cana›).’ Een ander Perzisch Diatessaron werd geschreven door Yahyā Ibn Ayvaz-e Tabrīzī-ye Armani. Voor ons is het belangrijkste in het kader van dit artikel, dat met de hier genoemde Perzische Diatessaron een Aramees origineel verbonden is.
We noemen ten slotte nog twee andere vondsten m.b.t de Diatessaron:
a. in het midden van de zesde eeuw werd de Codex Fuldensis gevonden. De Codex Fuldensis is het oudste bewaarde voorbeeld van een diatessaron, die geschreven werd in het Latijn in opdracht van Victor, de bisschop van Capua, in 547. Dit Latijnse Diatessaron werd vervolgens in 745 door Bonifatius aan de abdij van Fulda geschonken, waar het tot op vandaag bewaard wordt. Victor zegt in zijn voorwoord dat zijn Evangeliënharmonie gebaseerd is op het diatessaron van Tatianus, maar de studie van het manuscript uit Fulda heeft aangetoond dat de bijbelteksten die Victor gebruikte, een mooi voorbeeld zijn van een vroege Vulgata editie. De teksten zijn door Victor dus uit de Vulgata genomen, wat heel begrijpelijk is, maar daardoor heeft de Codex Fuldensis geen betekenis als het gaat over de vraag welke bijbeltekst Tatianus in zijn uitgave gebruikte. Wel werd het een belangrijk document m.b.t. de tekst van de Latijnse Vulgata. De Codex bevat trouwens heel de ‘Diatessaron’ van de 4 Evangeliën, maar ook de overige 23 boeken van het Nieuwe testament incl. het boek Openbaring en verder het Nieuwe Testament, en ook de apocriefe brief aan Laodicea. De Evangeliën zijn geordend naar het voorbeeld van de zogenaamde Diatessaron van Tatianus en worden voorafgegaan door een lijst met een indeling in secties van de 4 Evangeliën als een harmonie en samenvatting van de inhoud ervan, die onveranderd gekopieerd is uit de Oud-Latijnse bron. In deze bron ontbrak het zgn. geslachtsregister of de stamboom van Jezus, maar die is door bisschop Victor alsnog toegevoegd. De passage van de overspelige vrouw in Jh. 8 stond wel in de Oud-Latijnse brontekst.
b. het Luikse Diatessaron (‹Diatessaron Leodiense›) of het Luikse leven van Jezus is een diatessaron, een vorm van een evangeliën-harmonie. Het handschrift is geschreven in de periode 1275–1300 en wordt sinds 1824 bewaard in de bibliotheek van de Universiteit van Luik. De tekst bestaat uit 245 hoofdstukken en bevat een doorlopende vertelling van het ‘Leven van Jezus’, vanaf zijn geboorte tot en met zijn dood, opstanding en hemelvaart. De tekst is gebaseerd op de vier canonieke evangeliën en heeft een chronologische volgorde waarbij de vier evangelisten elkaar als zegsman afwisselen.
Het manuscript van het Luikse diatessaron is het oudste bewaarde handschrift van een evangeliebewerking in het Nederlands. Van geen enkel ander Nederlands prozawerk van voor 1300 zijn er meer handschriften te vinden. Het Leven van Jezus kende ook een zeer groot verspreidingsgebied van West-Vlaanderen tot Praag.
Op basis van een eigendomskenmerk op het manuscript kan vastgesteld worden dat het in de zestiende eeuw eigendom was van het klooster van de Benedictijnen in Sint-Truiden in de huidige Belgische provincie Limburg. De tekst is ook geschreven in een West-Limburgs dialect. Het is denkbaar dat het handschrift in dit klooster is geschreven, maar dat is niet zeker. Volgens De Bruin zou de auteur van het werk afkomstig zijn uit Brabant of Vlaanderen, en hij stelt dat het werk duidelijk verankerd is in de Brabants-Vlaamse literatuurtaal van de 13e eeuw. Maar de vraag wie de auteur was, is nog steeds onbeslist en er bestaat geen eensgezindheid onder de onderzoekers over de herkomst van het werk.
Omdat alle gevonden uitgaven van de Diatessaron, behalve het kleine 14-regelige Dura-fragment, in het Latijns, Armeens, Nederlands en Arabisch van zeer late datum zijn, is het niet duidelijk in hoeverre zij nog de oorspronkelijke tekst vertegenwoordigen, en ook blijft de vraag naar de oorspronkelijk taal van de zogeheten Diatessaron onbeantwoord en zijn er teveel onderlinge verschillen tussen de diverse uitgaven. Tenslotte laat een dergelijke Evangeliënharmonie alle ruimte om de plaatsing van verzen en paragrafen te veranderen en ook is het heel makkelijk om steeds een andere vertaling te gebruiken, b.v. in een andere taal. Dat maakt zo’n uitgave flexibel en bruikbaar onder verschillende omstandigheden en samenstellers kunnen er heel veel kanten mee op.
Maar hoewel wij dat erkennen, menen wij ook dat aan het gewicht van de Arabische Diatessaron, die een vertaling is van een in het Aramees geschreven Diatessaron, niet te vlug voorbij gegaan mag worden, waar onderzoekers toch vlug toe neigen. Met name niet aan het feit dat de in deze Diatessaron gebruikte teksten in hoge mate hun oorsprong blijken te hebben in de tekst van de Aramese Peshitta van het Nieuwe Testament, waarbij wij in aanmerking moeten nemen dat de vertaler echt de vertaler is geweest en niet de samensteller, zoals daar sprake van is geweest bij de Codex Fuldensis waarbij Victor in plaats van de oorspronkelijke teksten de Vulgata teksten invoegde in plaats van de oorspronkelijke teksten.
We herinneren in dit verband ook nog aan de woorden van Lamsa die wij hierboven hebben aangehaald: “Intern bewijs van de Arabische vertaling van de Assyrische (‹=Aramese›) Diatessaron (‹de enige versie die nog bestaat, die vertaald is in een Semitische zustertaal, nl. het Arabisch›) toont heel duidelijk aan dat de Diatessaron-tekst afkomstig is van de Peshitta. Als dit inderdaad het geval is dan is de ontstaanstijd van de Peshitta beslist niet later dan 175 n. Chr. Dat is tamelijk indrukwekkend als we in aanmerking nemen dat het Nieuwe Testament naar in het algemeen wordt aangenomen rond 100 n. Chr. voltooid werd!”
James Snapp Jr., een groot bijbelgeleerde uit deze tijd, die bekend staat om zijn grote kennis van de bijbelse manuscripten, zegt dat het onbekend is of de Diatessaron oorspronkelijk in het Grieks of Aramees geschreven is, eenvoudigweg omdat dit document nergens gevonden is en wij alleen uit de geschriften van anderen uit de eerste eeuwen n. Chr.weten dat de Diatessaron van Tatianus werkelijk in omloop was, m.n. door het werk van Efraïm, de Syriër, d.w.z. de Arameeër, zoals wij hiervoor gezien hebben. Snapp schrijft dat wij de meest volledige weergave ervan hebben in de Arabische Diatessaron, waarvan wij weten dat die in hoge mate zijn tekst aan het Nieuwe Testament van de Peshitta ontleent. Bijgevolg weten wij de ordening van de Diatessaron-tekst, schrijft Snapp, maar omdat Tatianus van dwaalleringen verdacht werd, werd de tekst zelf aangepast om overeen te stemmen met de Aramese Peshitta en die tekst werd vervolgens in het Arabisch vertaald. Zover Snapp, maar waarop baseert hij dat? Kortom er zijn toch wel erg veel vragen over ‘de’ Diatessaron!
|
Enkele voorlopige conclusies - ‘de’ Diatessaron lijkt niets anders te zijn dan één van vele Evangelieharmoniën, - die elk hun tekst uit een bron nemen b.v. uit de Peshitta, de Vulgata of het Grieks, - of uit een mengeling van verschillende bronnen - er zijn vooral Arabische versies van gevonden zijn! Dat lijken vooral ‘strategische zetten’ te zijn geweest voor de verkondiging van het Evangelie, net zoals o.a. de Mt Sinai Arabic Codex 151, het eerste bekende Arabische NT gedateerd op 867 n. Chr. ong. 200 jaar na de ‘strategische zetten’ in een Midden-Oosten dat steeds meer door de islam werd overheerst. - uit het voorkomen van Peshitta-vormige tekstweergaven uit het NT kunnen wij afleiden dat de Peshitta er in de 2e helft van de 2e eeuw al was. |
B. De Oud-Syrische (‹=Aramese›) Evangeliën (‹‘Old Syriac’›)
De Oud-Syrische Evangeliën (‹Old Syriac›) die bekend staan als ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹ܐܘܢܓܠܝܘܢ ܕܡܦܪܫܐ›) d.w.z. ‘Het Evangelie van de verschillende (‹Evangelisten›)’, staan bekend als de ‘Vetus Syra’ en deze zou ergens tussen de 2e en 4e eeuw tot stand zijn gekomen als het werk van diverse vertalers en er zouden in de loop van de tijd een aantal revisies zijn geweest om de tekst meer overeenkomstig het Grieks te krijgen. Het origineel, zo zegt of meent men, is kwijtgeraakt, maar wij zouden beschikken over twee (‹niet geheel complete›) manuscripten die de verschillende stadia van de revisies vertegenwoordigen, nl.:
Volgens David Bauscher is momenteel de algemeen aanvaarde zienswijze onder academici dat de Peshitta een ‘herziening’ is van de Oud-Syrische Evangeliën, die op hun beurt een vertaling zijn van het Grieks. Op de website https://syriacorthodoxresources.org is deze opvatting te vinden die als volgt wordt verwoord door George Kiraz (‹Ph.D›):
“Het Oud-Syrisch staat in het Aramees bekend als Evangelion D-Mpharshe, wat ‘Evangelie van de Afzonderlijke [Evangelisten]’ betekent, om het te onderscheiden van de Diatessaron, ‘Evangelie van de Gemengde [Evangelisten]’. Deze vertaling werd ergens tussen het einde van de 2e eeuw en het begin van de 4e eeuw door verschillende vertalers gemaakt. Het was geen letterlijke vertaling, maar een tamelijk vrije vertaling vanuit het Grieks. Gedurende een lange periode vonden er diverse herzieningen plaats die het Oud-Syrisch (‹redactie EBV: ‘Oud-Aramees’›) dichter bij het Grieks brachten. De oorspronkelijke vertaling van het Oud-Syrisch is verloren gegaan, maar gelukkig beschikken wij over twee onvolledige manuscripten die twee verschillende stadia van de herzieningen vertegenwoordigen: de Sinaïticus-palimpsest en het Curetoniaanse manuscript.
In tegenstelling tot de Diatessaron was de Oud-Syrische tekst onbekend bij wetenschappers, laat staan bij de Syrische kerk zelf, tot de ontdekking van twee manuscripten.
Het Curetoniaanse manuscript werd onder andere verworven door het British Museum en bereikte vanuit de Nitriaanse woestijn in Egypte zijn nieuwe thuis op 1 maart 1843. Enkele andere pagina’s arriveerden in Engeland en Berlijn in de vorm van schutbladen om de banden van andere manuscripten te verstevigen. De oorspronkelijke thuisbasis van het manuscript is Deir as-Surian, ‘Klooster van de Syriër’, in Egypte. William Cureton, destijds assistent-conservator van de manuscripten in het British Museum, ontdekte dat het boek lezingen van vóór Peshitto bevatte en concludeerde dat hij ‘dezelfde termen en uitdrukkingen had ontdekt die de apostel zelf gebruikte’ — een toch wel wat overdreven voorstelling van zaken. Het interessantste kenmerk van het Curetoniaanse manuscript was de ongebruikelijke volgorde van de evangeliën: Matteüs, Marcus, Johannes en Lucas, waarbij Lucas na Johannes op dezelfde pagina staat.
Aanvankelijk was deze uitgave van de Evangeliën niet zo bekend, zodat de Diatessaron het aan bekend won, maar toen deze twee manuscripten in de 18e eeuw gevonden werden, veranderde de zaak. Hieronder geven wijde gegevens van het Curetoniaanse manuscript (‹Syc›) en het Sinaïtische manuscript (‹Sys›).
|
ad a. |
dit zgn. Curetoniaanse manuscript (‹Syc›) kwam door de hoofddiaken Tattam van het klooster in 1843 in de British Library en is te vinden onder Add 14451. Tattam nam een hele reeks Aramese manuscripten mee uit het zgn. ‘Deir as-Suriyan’, d.w.z. uit het Syrische klooster van Maria Deipara, in Wadi Natroen in Beneden-Egypte, en daaronder bevond zich het manuscript dat nu het Curetoniaanse manuscript heet. William Cureton, medewerker van de afdeling voor de manuscripten in het Brits Museum, ontdekte dat de nieuwe aanwinst van het museum lezingen bevatte die ouder waren dan de manuscripten van de Peshitta en hij meende dat hij a.h.w. de woorden van de apostelen zelf gevonden had. Hij dateerde het manuscript in de 5e eeuw. De tekst op zich was mogelijk al langer in omloop. Het manuscript was geschreven in Estrangelo schrift (‹niet in Hebreeuws schrift›) zonder klinkertekens. In 1872 liet William Wright van de Cambridge Universiteit er een honderdtal exemplaren van drukken: ‘Fragments of the Curetonian Gospels’, (‹London, 1872›), maar zonder vertaling of notities ter toelichting. Fragmenten die als losse bladen samengebonden zijn in de Syrische Codex in Berlijn, waren eens onderdeel van het Curetoniaanse manuscript en vullen enkele hiaten ervan aan. Dit manuscript is te vinden onder ‘Curetonian Syriac (‹Syrc›) in de British Library, Het wordt gewoonlijk gedateerd begin 5e eeuw tussen 400 en 450 n. Chr. Daarmee is het manuscript ouder dan het oudste manuscript van de Peshitta dat ruim een eeuw later gedateerd is maar 22 boeken van het Nieuwe Testament bevat. Het meest opvallende kenmerk van het Curetoniaanse manuscript is de ongewone volgorde van de Evangeliën nl. Matteüs, Markus, Johannes en Lukas, waarbij het begin van Lukas op dezelfde bladzijde stond als het slot van Johannes. Het bevat ongeveer de helft van de tekst van de Evangeliën: Mt. 1:1–8:22, 10:32–23:25; Mk 16:17–20; Jh. 1:1–42, 3:6–7:37, 14:10–29 (‹beschadigd›); Lk. 2:48–3:16, 7:33–15:21, 17:24–24:44. Men heeft wel gedacht dat de Curetoniaanse versie een herziening van de Sinaïtische tekst (‹zie ad. b›) was in de richting van het zgn. Byzantijnse teksttype. De Sinaïtische tekst laat b.v. Mk. 16:9–20 weg, terwijl de Curetoniaanse tekst wel Mk. 16:17–20 bevat, terwijl de rest van Markus in Syc ontbreekt. Maar ook wordt wel andersom gedacht nl. dat de Sinaïtische tekst sterker neigt naar het Alexandrijnse teksttype, waardoor men het ook voorstelbaar acht dat deze een herziening van de Curetoniaanse tekst is, welke laatste mogelijk meer invloeden zou vertonen van Antiochië en van het werk van Tatianus, de Diatesseron, terwijl de Sinaïtische tekst meer op Egypte georiënteerd zou zijn. Een ander belangrijk kenmerk van het Curetoniaanse manuscript is dat de vier Evangeliën net zo worden afgesloten als de vier Evangeliën van de Peshitta. De Aramese term voor ‘de andere Verzoener’ in Jh. 14:16 en 1 Jh. 2:1 is in het Curetoniaanse manuscript dezelfde als die in de Peshitta nl. ‘paraq-lita’. En in een kritische editie van de Aramese uitgaven van het boek Openbaring door Martin van de Heide vinden wij in Matteüs 25:1 de lezing ‘bruid en bruidegom’, zoals wij die ook vinden in de Peshitta. |
|
ad. b. |
het Sinaïtische manuscript (‹Sys›), dat diverse aanduidingen heeft: ‘Syriac Sinaiticus’ of ‘Codex Sinaiticus Syriacus’ of ‘Sinaitic Palimpsest’, is een zgn. ‘palimpsest’, d.w.z. een perkament waarop een latere schrijver over de eerdere tekst van de vier Evangeliën heen, de tekst uit de 8e eeuw wegwreef om er een nieuwe tekst overheen te schrijven met een biografie van vrouwelijke heiligen en martelaren rond het jaar 697 n. Chr. De kostbare perkamenten lagen niet voor het oprapen en men diende men er goed gebruik van te maken. Het manuscript werd gevonden in de bibliotheek van het Sint-Catharine Klooster in de Sinaï dat vele oude Syrische manuscripten herbergt. Het manuscript is overigens nog steeds in het klooster, maar een kopie ervan is te vinden in de British Library onder (‹syrs›): Sinai, Syr. 30. Het werd in 1892 ontdekt door Agnes Lewis-Smith en haar tweelingzus Margaret Gibson-Smith, twee Schotse weduwen. Zij namen er 400 foto’s van en zonden die naar Cambridge in Engeland, waar de beelden werden ontcijferd door Robert Lubbock Bensly en Francis Crawford Burkitt (‹Cambrigde University en schrijver van ‘Ephrem Syrus’ (‹1904›), ‘Early Eastern Christianity’ (‹1904›), ‘The Religion of the Manichees’ (‹1925›), ‘Church and gnosis’ (‹1932›) ›). Zij kwamen tot de conclusie dat de teksten verwant waren aan het Curetoniaanse manuscript. Er moesten heel wat bezoeken aan het klooster in de Sinaï gebracht worden om heel het manuscript te ontcijferen. Een chemisch middel werd toegepast om de tekst leesbaar te maken, maar dat ging helaas mis. Door Bruce Zuckermann (‹University of Southern California›) en James Charlesworth (‹Princeton Theological Seminary›) zijn er nieuwe foto’s van gemaakt met behulp van de nieuwste fotografische technieken. Het is nog niet duidelijk of er meer zicht komt op nieuwe lezingen. Van de 166 pagina’s van het manuscript waren er 142 bewaard en daarmee was het beter intact gebleven dan het manuscript van William Cureton. Het is de meer complete van de beide teksten en bevat: Mt. 1:1–6:10, 7:3–12:4, 12:6–25, 12:29–16:15, 18:11–20:24, 21:20–25:15, 25:17– 20, 25:25–26, 25:32–28:7, Mk 1:12–44, 2:21–4:17, 5:1–26, 6:5–16:8 (‹zonder het lange of het korte slot›), Lk. 1:36–5:28, 6:12–24:52, Jh. 1:25–47, 2:16–4:37, 5:6–25, 5:46–18:31, 19:40–21:25›). Het Johannesevangelie van de palimpsest bevat dus wel de passage over de overspelige vrouw, een passage die in de Peshitta aanvankelijk ontbrak. Het Sinaïtische manuscript wordt gedateerd in het eind van de 4e eeuw. De Duitse theoloog Adalbert Merx wijdde veel van zijn latere onderzoek aan de tekst van de Sinaïtische Palimpsest. De resultaten ervan werden gepubliceerd in: ‘Die vier kanonischen Evangelien nach dem ältesten bekannten Texte’ (‹1897-1905›). |
De publicatie van de Curetoniaanse Evangeliën en de Sinaïtische Palimpsest stelde de geleerden voor het eerst in staat om na te gaan in hoeverre de Aramese tekst van de Evangeliën vanaf haar vroegste periode, zoals die door het Curetoniaans en Sinaïtische manuscript vertegenwoordigd werd, tot aan de latere periode een ontwikkeling had doorgemaakt. De standaard tekst van deze beide manuscripten is afkomstig van Francis Crawford Burkitt, 1904, en deze werd gebruikt in de vergelijkende uitgave van de evangeliën door George Anton Kiraz (‹1996›).
De Oud-Syrische Evangelietekst wordt vaak gezien als behorende tot het ‘westerse teksttype’. Het is zeker erg afwijkend van het Alexandrijnse teksttype en heeft veel kenmerken van het westerse teksttype, zoals parafrases (‹in Mt. 1:16 heeft de Sinaïtische tekst een opvallende lezing nl.: ‘Jakob verwekte Jozef. Jozef die ondertrouwd was met de maagd Maria, verwekte Jezus die de Christus genoemd wordt’›) en vrije toevoegingen en ook weglatingen. Sommige van deze lezingen hebben de Oud-Syrische Evangeliën gemeenschappelijk met codex D (‹Bezae Cantabrigiensis›) en met Oudlatijnse manuscripten, maar in veel gevallen is dat ook niet het geval. b.v. wat betreft de zeven ‘western non-interpolations’ (‹plaatsen in het Nieuwe Testament waar de westerse tekst korter is dan in de andere handschriften›) in Lukas 24, stemt het Oud-Syrische Evangelie overeen met codex D in Lk. 24:40, 52 (‹vs. 52 ontbreekt in het Curetoniaanse manuscript›), maar de manuscripten stemmen niet met codex D overeen in Lk. 24:3, 6, 12, 36, 51 (‹vs. 51 ontbreekt in het Curetoniaanse manuscript›) en zij vertonen een merkwaardige weglating in Lk. 24:32.
In de Sinaïtische Palimpsest ontbreken Mk. 16:9-20 en Mt. 18:21 en in Lk. 23:12, en ook ontbreken de woorden over de verzoening tussen Herodus en Pilatus. In beide manuscripten ontbreekt Mt. 16:2-3 en Mt. 17:21. In Mt. 27:16-17 is de lezing ‘Jezus Barabbas’. In de lezing van de Sinaïtische Palimpsest ontbreken in Mt. 10:3 de namen Lebbeüs en Taddeüs, en lezen wij over ‘Judas van Jakobus’.
Een analyse door Frederic Kenyon geeft te zien dat dit ‘Evangelie van de Verschillende (‹Evangelisten›)’ meer overeenstemming vertoont met de Codex Vaticanus en de Codex Bezae en met het Oud-Latijns dan met de Codex Sinaïticus, waarbij het Oud-Latijns qua overeenkomst het hoogst scoort.
Omdat de Codex Bezae de 4 volledige Evangeliën bevat, en een deel van Handelingen (‹22 hoofdstukken›), waarvan de tekst 10% langer is dan die tekst in de andere Griekse bronnen, en verder alleen nog de 3e brief van Johannes is het redelijk om een verband te veronderstellen tussen de Codex Bezae (‹die in de 5e/6e eeuw wordt gedateerd en het Westelijke teksttype vertegenwoordigt›) en het ‘Evangelie van de Verschillende (‹Evangelisten›).’ De Codex Bezae heeft bovendien als kenmerk dat er links een Griekse bladzijde staat en rechts een Latijnse bladzijde. Verder verschillen Grieks en Latijns nog wel eens en de Griekse tekst is hier en daar wat ongewoon. Het manuscript geeft de Evangeliën in een ongebruikelijke volgorde weer: Matteüs, Johannes, Lukas en Markus.
Nergens kunnen wij een aanwijzing in de vakliteratuur vinden dat deze ‘uitgave’ van de vier Evangeliën nog vergezeld ging van andere delen van het Nieuwe Testament en Burkitt concludeert o.g.v. belangrijke tekstverschillen dat de Diatessaron niet op basis van deze Oud-Syrische Evangeliën-uitgave tot stand is gekomen. Burkitt meent dat de Oud-Syrische uitgave van de vier Evangeliën oorspronkelijk van rond 200 v. Chr. is en het meeste overeenkomst vertoont met de Griekse tekst die volgens hem in die tijd in Antiochië in omloop was. Dat is, met alle respect, de mening van Burkitt, maar buiten zijn mening en onderzoek kunnen wij voor deze datering in de 2e eeuw geen externe bevestigingen vinden.
Ook kunnen wij geen enkele aanwijzing vinden dat deze Evangeliën in deze vorm en van deze aard ooit onderdeel uitmaakten van een uitgave van heel het Nieuwe Testament. Er is wel een reconstructie gemaakt van het boek Handelingen door Conybeare en van de brieven van Paulus door J. Molitor, maar dat is gebeurd op basis van de eerdergenoemde commentaren van Ephraïm in verband met de Diatessaron (‹ook al noemde hij zelf die naam ‘Diatessaron’ nergens in zijn publicatie, zoals wij al hebben opgemerkt›), waaruit zou blijken dat er een Aramees (‹Syrisch›) Nieuw Testament in omloop was vóór de Peshitta, zoals Frederic Kenyon het formuleert. Maar dat dat werkelijk zo was, is onbewezen, want daarvan is geen enkel manuscript ooit gevonden. Kortom het is voornamelijk een onbewezen aanname dat een dergelijk Aramees (‹Syrisch›) Nieuw Testament, dat dus vooral op het Griekse NT gebaseerd zou zijn geweest, ooit zou hebben bestaan.
Twee andere minder belangrijke manuscripten van de Evangeliën werden nog gepubliceerd nl.: (‹1.›). een Oud-Syrisch versie van de Evangeliën, in 2016 door Sebastiaan Brock, (‹2.›) een Oud-Syrisch versie van de Evangeliën, in 2023 door Grigory Kessel. Deze beide laten wij onbesproken en wij schakelen om naar ons volgende onderwerp.
C. De Aramese Philoxeense Evangeliën
en het Harklese Nieuwe Testament
Na de twee Sinaïtische manuscripten gaan wij over tot de bespreking na kwam een heel andere Syrische versie van het Nieuwe Testament tot stand rond 508 n. Chr. Het initiatief daartoe lag bij Philoxenus (‹de latere ‘opziener’ van Mabbug›), ook wel bekend als Xenaias, die geboren was in het dorpje Tahal dat ten oosten van de rivier de Tigris op Perzisch grondgebied lag, in de buurt van het huidige Kirkuk in Noord-Irak. Zijn ouders waren uit Ecbatana. Hij kreeg zijn vorming in Edessa. De geschillen tussen de oosterse kerk die vasthield aan de Nestoriaanse leer, en de westelijke geloofsgemeenschappen van de oosterse kerk die trouw bleven aan de besluiten van de concilies van Efeze en Chalcedon, bleven in zijn tijd voortduren. Zo gebeurde het dat Calandio, de Chalcedonische kerkvader van Antiochië, in 485 werd uitgewezen door Peter de Fuller, een aanhanger van het Miaphysitisme, een leer afkomstig van Cyril van Alexandrië, die botste met de leer van de Nestorianen. Daarop stelde Peter de Voller (‹‘de Bleker›) Philoxenus aan als opziener (‹‘bisschop’, ‘episkopus’›) van Mabbug, dat tegenwoordig Manbij heet en ten noordoosten van Aleppo ligt. Philoxenus besloot om met hulp van de medebisschop Polycarpus een herziening te maken van eerdere Syrische versies van het Nieuwe Testament waarbij hem waarschijnlijk voor ogen stond om de tekst ‘te zuiveren’ van Nestoriaanse trekjes. Van deze zgn. Philoxeniaanse bijbelvertaling die rond 508 n. Chr. tot stand kwam, is zo goed als niets bewaard gebleven, alleen enkele zeer kleine fragmenten werden door Nicholas Patrick Wiseman bewaard (‹zie zijn Latijnse geschrift Horae syriacae. pg. 178›).
James Murdoch (‹vertaler van het Nieuwe Testament van de Peshitta vanuit het Aramees naar het Engels›), over wie wij in dit artikel nog meer zullen lezen, schreef het volgende over hoe het verder verliep met het Philoxeense/Harklese Nieuwe Testament.
DE OORSPRONG
“De geschiedenis van de Philoxeense versie wordt beschreven in de Aramese aantekeningen op de manuscripten ervan. Een van de meest uitgebreide van deze aantekeningen is toegevoegd aan een manuscript van de Vier Evangeliën in de Bibliotheca Angelica van de Augustijnen in Rome. Het kan als volgt in het Engels worden weergegeven:
“Dit boek is vergeleken met twee goedgekeurde manuscripten. Dit boek van de vier heilige Evangelisten is vertaald uit het Grieks naar het Aramees, met veel nauwkeurigheid en veel toewijding, en allereerst in de stad Mabug (‹. . . . . .›), in de tijd van de heilige Philoxenus, bisschop van die stad. Het werd later met veel zorg door mij, THOMAS, een arme zondaar, vergeleken met twee zeer gewaardeerde en correcte Griekse kopieën, in Antonia, van de grote stad Alexandrië, in het klooster van Sint Antonius. De voltooiing ervan zal zeker ten goede komen aan mijn zondige ziel en aan de velen die deze nauwkeurigheid in de heilige boeken liefhebben en willen kennen en bewaren. Het werd geschreven en vergeleken op de bovengenoemde plaats, in het jaar 927 van Alexander, in de 4e indictie (‹ambtsperiode van 15 jaar?‹›). Maar hoeveel moeite en zorg ik heb besteed aan dit en de andere [boeken], dat weet alleen de Heer, die ieder mens zal belonen naar zijn werken op de dag van zijn rechtvaardig oordeel. De aantekeningen op twee andere manuscripten, zoals geciteerd door Adler, zijn in wezen hetzelfde als deze, zij het beknopter. In plaats van de eerste twee zinnen staat er eenvoudigweg: “Dit is het Boek van de vier heilige Evangelisten, dat vertaald is uit het Grieks in het jaar van Alexander de Macedoniër, 819, in de tijd van de heilige Mar Philoxenus,” enz.
Uit deze aantekeningen blijkt dat deze vertaling in Mabug is gemaakt, ofwel in Manbij, zoals het in het Arabisch heet, het Hiërapolis van de Grieken, een stad in Syrië, nabij de Eufraat, en de zetel van zowel een Nestoriaanse als een Jakobitische bisschop: en dat het werd gesticht in het jaar 819 van Alexander, dat wil zeggen 508 n. Chr., en in de tijd van Philoxenus, de bisschop van Mabug. Er wordt niet gezegd dat het door Philoxenus werd gesticht, maar alleen in deze tijd. Deze Philoxenus, ook wel Xenaias genoemd, was de monophysitische bisschop van Mabug, van 488 tot 518 n. Chr. (‹zie Assemani’s Oriental Library Tom ii. p. 10-46;›) maar hij zat niet rustig op zijn troon. Als vurig aanhanger van Peter de Voller was hij bijna heel zijn leven in felle conflicten verwikkeld, en hij had waarschijnlijk weinig tijd voor bijbelstudies. De vervolgingen die hij onderging, bezorgden hem de titel ‘Belijder’ binnen zijn eigen sekte. Volgens Moses Aghaeus (‹zie Assemani’s Bibliotheca Orient. tom. ii. c. 10›) maakte een zekere Polycarpus, een plattelandsbisschop onder Philoxenus, deze vertaling en droeg die in het eerdergenoemde jaar op aan Philoxenus, die hem had aangezet om dit werk te ondernemen. Vandaar dat deze versie vaak de vertaling van Polycarpus wordt genoemd. Uit deze aantekeningen blijkt verder dat ongeveer 100 jaar nadat deze versie door Polycarpus was gemaakt, Thomas, een monnik, in Antonia, een wijk in Alexandrië, in het klooster van Sint-Antonius in die stad, deze vertaling reviseerde en herschreef, waarbij hij deze vergeleek met twee (‹of volgens sommige aantekeningen drie›) hoog in aanzien staande Griekse manuscripten. Dit was in het jaar 927 van Alexander, ofwel 616 n. Chr. Wie deze Thomas was, en wanneer en waar hij leefde, leren we uit de ‘Chronicon’ van Bar-Hebraeüs (‹jaar van de Seleuciden 927, of 616 n. Chr.›). Bar-Hebraeus zegt daar: “Rond deze tijd kwam Thomas Harclensis tot bloei (‹d.w.z. Thomas van Harkela, of Harkla, een onbekend dorp in Palestina›), een monnik uit het klooster van Taril, die in zijn jeugd Grieks leerde in het klooster van Kenserine en later bisschop van Mabug werd. Toen hij werd vervolgd door Domitianus de Meletiër, ging hij naar Egypte en verbleef in de wijk Antonia van Alexandrië, in het klooster van Sint-Antonius, waar hij met lovenswaardige ijver de heilige Codex van de Evangeliën en de andere boeken van het Nieuwe Testament vertaalde, uitgaande van de eerste versie die in opdracht van Philoxenus van Mabug tot stand kwam.”
Uit deze verklaring, en uit een inspectie van de manuscripten, blijkt dat Thomas van Harkel de tekst van Polycarpus’ vertaling corrigeerde, verschillende lezingen toevoegde, die voortkwamen uit zijn vergelijking van de tekst met Griekse manuscripten. Ook voegde hij andere kanttekeningen toe, met name de indeling in lezingen voor de openbare eredienst voor het hele kerkelijke jaar. Dat hij de tekst van Polycarpus niet wezenlijk veranderde, leidt Adler af uit een manuscript dat hij in Florence onderzocht, dat geen van de kanttekeningen en aantekeningen van de Harclensis-versie bevatte, maar toch bijna precies dezelfde tekst bevatte. Hieruit concludeerde hij dat het was gekopieerd van een oud manuscript van Polycarpus’ vertaling, geschreven vóór de herziening door Thomas van Harkel. Dit is de oorsprong van de zogenaamde Philoxeense versie. Het is de vertaling van Polycarpus, zoals herzien en voorzien van kanttekeningen, door Thomas Harclensis. Deze was uitsluitend van Jakobitische oorsprong en is nooit in zwang geraakt onder de andere oosterse christelijke groeperingen. Toch werd de Philoxeens/Harkleese versie niet gemaakt met sektarische oogmerken, ook niet uit vijandigheid tegenover de Peshitta. Het enige doel van de auteur en de herziening was om een Aramese versie te produceren die beter zou overeenstemmen met het het Griekse origineel zoals dat in hun tijd bestond. Het omvat alle boeken van het Nieuwe Testament, met uitzondering van de Openbaring. De geschiedenis van de overspelige vrouw ontbreekt ook, maar niet de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, en de brief van Judas, die hier in dezelfde stijl als de andere boeken voorkomt, en verschilt van de stijl van dezelfde brieven in de Peshitta-versie.
OVER DE AARD en DE BETEKENIS
Het meest opvallende kenmerk van de Philoxeens-Harklese vertaling is de uiterste onderdanigheid, zelfs ten koste van de zuiverheid en het karakter van de Aramese taal. Over het algemeen wordt de Griekse formulering zo nauwkeurig overgenomen dat het vaak niet moeilijk zou zijn om deze terug te vertalen naar dezelfde woorden als die van het origineel. Omdat het Aramees geen lidwoord kent, wordt het bepaalde lidwoord van het Grieks vaak weergegeven door de Aramese voornaamwoorden voor ‘hij’, ‘zij’ en ‘het’zij. De Griekse uitroeptekens, die niet in het Syrisch konden worden weergegeven, worden soms in de vertaling opgenomen. Griekse samenstellingen worden onhandig weergegeven door twee of meer woorden op een vreemde manier te verbinden. Griekse verkleinwoorden worden in het Aramees nagebootst. De Griekse constructie wordt zo nauwgezet mogelijk gevolgd, zonder rekening te houden met de regels van de Aramese constructie. En in alle eigennamen, zelfs die van Hebreeuwse oorsprong, wordt de Griekse spelling in Aramese letters nagebootst, hoewel dit elk spoor van de etymologie ondermijnt en de juiste uitspraak verdraait. Zelfs de naamvalsuitgangen van deze namen worden behouden, wat alleen maar de hersenen van een Arameessprekende die geen Grieks verstond, in verwarring kon brengen. Over de waarde van deze vertaling zegt J. D. Michaelis (‹in zijn Inleiding tot het Nieuwe Testament, deel ii, blz. 1, blz. 67, enz., red. Marsh›): “De intrinsieke waarde van de De Philoxeense versie laat geen vergelijking toe met die van de Peshitta. De stijl is veel minderwaardig en moeilijker te begrijpen; de versie is minder nauwkeurig; en de vertaler was minder vertrouwd met het Grieks. Ze is noch zo waardevol voor een theoloog, met het doel onderwijs in de christelijke religie te verkrijgen, noch voor de geleerde exegeet, als middel om moeilijke en twijfelachtige passages te verklaren. Maar de versie is niet zonder waarde en is van werkelijk belang voor een criticus, wiens doel het is om verschillende lezingen te selecteren, met het oog op het herstellen van de authentieke tekst van het Griekse origineel. Want hij kan er volledig van verzekerd zijn dat elke zin en uitdrukking een precieze kopie is van de Griekse tekst, zoals die stond in het manuscript waarvan de vertaling is gemaakt.” Maar het dateert niet van vóór de zesde eeuw; en aangezien de Peshitta aan het einde van de eerste of aan het begin van de tweede eeuw werd geschreven, is het van minder belang om de lezingen van het Griekse manuscript te kennen, dat in de eerste periode werd gebruikt, dan die van het origineel dat in de tweede periode werd gebruikt”
UITGAVEN EN MANUSCRIPTEN VAN DE PHILOXEENSE EVANGELIËN
en van HET-HARKLESE NIEUWE TESTAMENT
Geen enkel deel van deze versie werd vóór 1778 gedrukt. Natuurlijk hadden de geleerden tot die tijd niet de middelen om het te onderzoeken en de ware aard ervan vast te stellen. Gloucester Ridley, kanunnik van Salisbury, ontving rond het midden van de vorige eeuw een exemplaar van de volledige versie, meegebracht uit Amida in Mesopotamië door een zekere heer Palmer. Ridley wijdde zich onmiddellijk aan de studie van het Aramees en publiceerde in 1761 een geleerde dissertatie, getiteld “Het karakter en gebruik van de Aramese versies van het Nieuwe Testament”, waarin hij de eerste goede beschrijving gaf van beide vertalingen en een volledige beschrijving van de Philoxeense vertaling. Hij bereidde ook een exemplaar voor van de vier evangeliën voor de drukkerij, overgeschreven van zijn Amidaanse manuscript en vergeleken met een ander manuscript dat in Oxford was gevonden. Hij heeft de publicatie ervan echter niet meer meegemaakt. Het werd in 1778 in Oxford gedrukt, in het Aramees en Latijn, met kritische aantekeningen enz., door Joseph White, hoogleraar Arabisch, in 2 delen in 1 band, quatro. Professor White ging vervolgens verder met de voorbereiding van de rest van het werk voor de druk en publiceerde het boek Handelingen en de zeven algemene brieven in 1799, en de veertien brieven van Paulus in 1803, in aansluiting met de voorgaande delen. Het geheel is gewoonlijk gebonden in twee grote delen. Deze editie is, voor zover ik weet, de enige die ooit gedrukt is. De manuscripten van deze versie zijn minder talrijk dan die van de Peshitta. Adler onderzocht zes manuscripten van de Evangeliën en ontdekte het bestaan van enkele andere manuscripten met de brieven. Misschien behoren enkele van de veertig manuscripten van het Nieuwe Testament, die onlangs uit Egypte zijn meegebracht, tot deze versie.”
Tot zover de woorden van James Murdoch over de Philoxeense Evangeliën en het Harklese Nieuwe Testament in het Aramees dat bekend staat onder: (‹Syh›). Het intitiatief tot deze vertaling lijkt aanvankelijk enigszins ingegeven te zijn door kerkpoliieke overwegingen, omdat Philoxenus van Mabbug beducht was voor het Nestorianisme en vreesde dat dat zelfs zijn invloed had gehad op de tekst van Gods Woord. Hij meende dat er behoefte was aan een juistere en meer letterlijke Aramese vertaling van de Griekse tekst. De Philoxeense Evangeliën kwamen echter nooit in de gunst bij de Arameessprekende christenen.
Thomas van Harkel pakte de draad ervan weer op, vooral om taalkundige redenen. Hij wilde de vertaling zo letterlijk mogelijk bij het Grieks krijgen. In dat opzicht zou zijn vertaling zeer goed zijn, ook al leverde dat een houterig en ongewoion Aramees op, zoals sommigen zeggen. Het is geen echte nieuwe vertaling, maar een grondige herziening. De Duitse geleerde A. Juckel mmerkt op: “Deze versie is niet alleen een vertaling in het Aramees vanuit het Grieks, maar eerder een geleerde editie van het Nieuwe Testament voorzien van een kritisch notenapparaat in de kantlijn, dat erg wordt gewaardeerd door moderne geleerde’ (‹uit ‘Introduction in Kiraz’s Comparative Edition of the Syriac Gospels’ (‹1996›). Het Harklese Nieuwe Testament werd eeuwenlang gebruikt in de eredienst van de Syrisch Orthodoxe Kerk, maar hij beviel uiteindelijk niet vanwege het ongewone, eigenaardige karakter van het Aramees.
Juckel meldt dat er nog twee herzieningen van de tekst volgden, de eerst door een Syrisch Orthodoxe geleerde genaamd Mar Dionysius bar Salibi (‹± 1171›), en de tweede wordt gevormd door de editie van het Harklese Nieuwe Testament door J. White ergens in de 12e eeuw. Deze vertalingen hadden als doel om de tekst meer in overeenstemming te brenegen met de Griekse teksten die in die tijd bekend waren.
Naast de manuscripten van de Peshitta- en Philoxeense versies vond Adler in het Vaticaan in Rome één manuscript van de vier evangeliën in een vertaling die afweek van beide. Het is slaafser en minder elegant dan de Peshitta; maar het is niet zo slaafs als de Philoxeens-Harkleense. Ook het idioom van beide verschilt, het is namelijk niet puur Aramees, maar een soort Chaldees of Joods Aramees, en het schrift lijkt meer op het Hebreeuws. Adler veronderstelde dat het gemaakt was door enkele Joodse christenen rond de vierde eeuw. En omdat het in Joods Aramees geschreven is, en niet in Aramees, noemde hij het ‘de Hiërosolymitan’, d.w.z. de Jeruzalemse versie. Deze is nooit gepubliceerd en wordt niet als van grote waarde beschouwd.
Verder ‘is’ er nog wat sommigen de Karkaphenslon versie hebben genoemd, maar dat blijkt geen nieuwe versie te zijn, maar slechts een herziening van het Oude en Nieuwe Testament van de Peshitta, gemaakt tegen het einde van de tiende eeuw door een Jakobitische monnik genaamd David, wonend in het klooster van Sint-Aäron op de berg Sigari, in het noordoostelijke deel van Mesopotamië. Dr. Wiseman heeft in zijn Horae Syriacae (‹Rome, 1828, Svo.›) de geschiedenis en het karakter van deze recensie zorgvuldig onderzocht en verklaart dat het de Peshitta-tekst is, met slechts een wijziging in de spelling van de eigennamen en Grieks-Aramese woorden, in overeenstemming met de spelling van de Philoxeens?Harkleense versie. Hij meldt dat het van monofysitische of Jakobitische oorsprong is. Dr. Lee verdedigt echter de oude opvatting dat het bedoeld was voor gebruik onder de Nestorianen.
D. DE MODERNE ASSYRISCHE VERSIE
De Moderne Assyrische Versie is een vertaling van het Nieuwe Testament en het Boek van de Psalmen in het moderne Assyrisch Neo-Aramees (‹Suret›), een hedendaags dialect van het Aramees dat gesproken wordt door Assyrische gemeenschappen. Deze versie werd in 1997 uitgebracht door het Bijbelgenootschap in Libanon, en is bedoeld als een toegankelijke en goed begrijpelijke weergave van de Schrift voor hedendaagse Assyrischsprekende, voornamelijk binnen protestantse tradities. Deze versie is rechtstreeks vertaald uit de oorspronkelijke Griekse teksten van het Nieuwe Testament.
***
De Aramese versies van het Oude Testament
Nadat wij de vier voornaamste versies van het Aramese Nieuwe Testament hebben besproken, willen wij, voordat wij overgaan tot de bespreking van de Peshitta, voor de volledigheid in het kort - daarbij gebruikmakend van notities van James Murdoch in zijn Appendix II bij zijn Nieuw Testament vertaling - nog twee verschillende vertalingen van het Oude Testament bespreken:
(‹A›) het Oude Testament van de Peshitta, dat zeer oud is en
(‹B›) de Syrische Hexapla, een andere vertaling van het Oude Testament, die lijkt op de Philoxeense-Harkleense versie van het Nieuwe Testament dat wij hiervoor bespraken.
ad. A. “Het Aramese Oude Testament van de Peshitta, is, zoals blijkt uit interne bronnen, rechtstreeks uit het Hebreeuws vertaald en dateert van vóór de tijd dat Masoretische diacritische en andere tekens aan de tekst werden toegevoegd. Het wordt geciteerd en becommentarieerd door Ephraïm, de Arameeër, in de vierde eeuw n. Chr. Dit Oude Testament wordt wijd en zijd aanvaard door alle Aramese christenen, ongeacht hun richting en kerk, en het staat bij hen allen in hoog aanzien. Men schat in dat het uit dezelfde tijd stamt als het Nieuwe Testament van Peshitta, en dat het gemaakt is in de tijd van Taddeüs, de apostel van Mesopotamië. Ook de geleerden plaatsen de totstandkoming ervan in het laatste deel van de eerste eeuw of aan het begin van de tweede eeuw.
Vanwege de verschillen in de wijze waarop de diverse boeken vertaald zijn, wordt aangenomen dat het niet het werk van één man was. Op basis van bepaalde bijzonderheden in de woordkeuze en andere overwegingen, (‹redactie EBV: zoals de aard van de kopjes van de psalmen›) concludeert men dat de vertalers christenen waren. Het wordt algemeen beschouwd als een juiste en betrouwbare vertaling.
Na een groot deel van de Syrische Pentateuch te hebben vergeleken met het Hebreeuws, de Septuagint en de Latijnse Vulgaat, is onze indruk dat dit Aramese Oude Testament qua nauwkeurigheid of getrouwheid niet onderdoet voor een van de andere twee versies. Hoewel de stijl ervan heel eenvoudig en natuurlijker is, blijft deze versie ondergeschikt aan de bron ervan en moeten wij altijd het Hebreeuwse origineel in het oog houden.
Het Oude Testament van de Peshitta bevat alle boeken van het Oude Testament, maar het rangschikt die in een andere volgorde, nl. eerst de Pentateuch, dan Job, Jozua, Richteren, 1 & 2 Samuël, 1 & 2 Koningen, 1 & 2 Kronieken, dan Psalmen, Spreuken en Prediker, dan Ruth, Hooglied, Esther, en daarna Ezra en Nehemia, gevolgd door Jesaja, daarna de twaalf kleine profeten, gevolgd door Jeremia en Klaagliederen, dan Ezechiël en ten slotte Daniël.
De meeste apocriefe boeken van het Oude Testament bestaan ook in het Aramees. Enkele daarvan worden aangetroffen in de Peshitta codices van de canonieke boeken, maar ik (‹Murdoch›) beschik niet over de middelen de aard van de vertalingen te beoordelen. Volgens de Horne werden er vier, namelijk Tobit, Judith, het derde boek van de Makkabeeën en het verhaal van Bel en de draak uit het Grieks vertaald. Vijf andere zouden in het Aramees beschikbaar zijn, namelijk Ecclesiastus, Susanna, Baruch en het tweede en vijfde boek van de Makkabeeën. Maar het is mij niet bekend uit welke taal ze vertaald zijn.
Belangrijke gedrukte uitgaven van het Oude Testament van de Peshitta zijn:
(‹a.›) De eerste uitgave was die van de Parijse Polyglot, gedrukt in 1645. Het manuscript waarvan deze gedrukt werd, was onvolledig, en Gabriel Sionita vulde de tekortkomingen aan met eigen vertalingen uit de Latijnse Vulgaat. Hij voegde ook de klinkers toe aan het Aramees van het manuscript.
(‹b.›) Waltons Polyglott van 1657, bevatte ook het Peshitta Oude Testament, afgeleid van vier manuscripten en van de tekst van de Parijse Polyglot. Deze editie is daarom ontdaan van de kunstmatige toevoegingen van Gabriel Sionita.
(‹c.›) In 1823 drukte de British and Foreign Bible Society in Londen alle canonieke boeken van het Oude Testament. In deze editie, die bedoeld was voor verspreiding onder oosterse christenen, ontbreken de klinkers, behalve van de eigennamen en hier en daar bij een dubbelzinnig woord. Prof. Lee gebruikte drie manuscripten. Een daarvan werd door Dr. Buchanan uit India meegebracht, en dit werd zeer zorgvuldig vergeleken door Dr. Read. Een ander manuscript was van wijlen Dr. Adam Clarke. De derde was een Aramese Pentateuch, die professor Lee vond in een universiteitsbibliotheek in Oxford. Dit is de editie die ik (‹Murdoch›) gebruik.
Dit zijn, voor zover ik weet, de Alleen edities van het volledige Oude Testament in deze versie. Van het boek Psalmen alleen al zijn er zes edities geweest; de laatste en beste door Dathe, 1768, 8vo. Van de Pentateuch is er ook een aparte editie geweest, door Kirsch, 1787. Over de manuscripten van deze versie kan ik weinig meer zeggen dan wat al terloops is vermeld. Onder de manuscripten die onlangs uit Egypte zijn meegebracht, zo wordt gezegd, bevindt zich een Peshitta Syrische Pentateuch, gedateerd in het jaar 464 n.Chr., naast dertig andere delen van deze versie, die gedeelten van het Oude Testament bevatten, en gedateerd zijn rond de zesde eeuw.”
ad. B. De Syrische Hexapla (‹=zesvoudige›) zou tot stand zijn gekomen door een initiatief van bisschop Paul van Tella omstreeks 617 n. Chr. Gedurende de vervolging onder Domitianus werden verschillende bisschoppen verdreven. Paulus van Tella zocht zijn toevlucht in Egypte, in het Enaton-klooster, dichtbij Alexandrië. Hier begon hij met een aantal geleerden uit Syrië aan een grootschalig vertaalproject. Naast hem, werkte ook Thomas van Harkel mee, wiens naam verbonden was met de Harklese versie van het Nieuwe Testament. Paulus van Tella was in het project verantwoordelijk voor wat waarschijnlijk de eerste volledige Aramese vertaling van de Septuaginta zou worden, genaamd de ‘Syro-Hexapla’. Volgens de onderschriften van deze Syro-Hexapla werd het werk uitgevoerd tussen 613 en 617 n. Chr.(‹voor deze data, zie W. Baars, New Syro-Hexaplaric Texts [1968].›). Het ging bij dit project om de weergave van de tekst van de Septuaginta in de Hexapla van Origenes van Alexandrië (‹185–254 n. Chr.›) uit de jaren 235–245 toen Origenes als christen-schrijver en geleerde in Caesarea werkzaam was. Deze Hexapla bestond uit een synopsis in 6 kolommen (‹vandaar de naam ‘Hexapla’›), die de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament woord voor woord weergaf in de 1e kolom met een Griekse transcriptie ernaast in de 2e kolom en vervolgens 4 Griekse vertalingen elk in een kolom: drie vertalingen van het Hebreeuws naar het Grieks resp. van Aquila van Sinope (‹een leerling van Rabbi Akiva›), Symmachus (‹volgens Eusebius was hij een Ebioniet, d.w.z. een wetsgetrouwe Joodse christen, maar anderen menen dat hij een Samaritaan was die zich tot het Jodendom bekeerde›) en Theodotion (‹proseliet, afkomstig uit Efeze›), drie mannen die ofwel Joods van geboorte of Joodse bekeerlingen waren, terwijl Origenes de Griekse tekst van Septuaginta in de 5e kolom plaatste met allerlei tekstkritische notaties om aan te geven waar materiaal was toegevoegd of weggelaten in vergelijking met de Hebreeuwse tekst die door de rabbijnen werd gebruikt, en waarvan Origenes aannam dat het dezelfde tekst was, waaruit de Septuaginta destijds in de 2e / 3e eeuw v. Chr. was vertaald. Zie hieronder de schematische indeling.
|
kolom 1 |
kolom 2 |
kolom 3 |
kolom 4 |
kolom 5 |
kolom 6 |
|
Hebreeuws |
Transliteratie |
Aquila van Sinope ± 150 n. Chr. |
Symmachus ± 200 n. Chr. |
Septuaginta (‹Origenes›) ± 240 n. Chr. |
Theodotion ± 150 n. Chr. |
|
בְּרֵאשִׁית |
ἑβρʹ(‹Grieks›) |
αʹ (‹Grieks›) |
σʹ (‹Grieks›) |
οἱ οʹ (‹Grieks›) |
θʹ (‹Grieks›) |
Het was een soort niet-digitale database van de tekst, met 6 teksten, elk in een veld, waar men doorheen kon ‘bladeren’. In de 5e kolom voegde Origenes nog allerlei tekstkritische informatie toe.
Deze Hexapla van Origenes moet te omvangrijk geweest zijn om volledig te kopiëren, en het origineel, dat in Caesarea werd vervaardigd en bewaard, is verloren gegaan, mogelijk tijdens de Perzische of Arabische islamitische invasies in het midden van de 7e eeuw. Slechts enkele folio's met psalmen zijn bewaard gebleven, daterend uit de 9e en 10e eeuw.
Omdat de Syro-Hexapla zich richtte op de 5e kolom van de Hexapla van Origenes, d.w.z. de kolom met de Septuaginta, om die te vertalen, werd deze kolom door Paulus van Tella apart gekopieerd, samen met de tekstkritische tekens e.d.. Deze Hexaplarische Septuagint-kolom werd in 616-617 vervolgens letterlijk in het Aramees vertaald door Paulus van Tella en aangevuld met korte fragmenten uit de andere Griekse versies, zodat deze uitgave bekend is geworden als de Syro-Hexapla, die van bijzondere waarde is voor veel wetenschappers, omdat deze uitgave de tekstkritische tekens en fragmenten van de latere Joods-Griekse versies uit de Hexapla heeft bewaard. Om theologische en geografische redenen was de Syro-Hexapla veel invloedrijker in de westerse flank dan in de oosterse flank van de Oosterse kerk, hoewel hij ‘herontdekt’ lijkt te zijn door Timotheos I, invloedrijk christen die thuis was in het Aramees en Arabisch (‹± 727-823 Irak›), en hij werd ook gebruikt door de 9e-eeuwse Oost-Syrische geleerde Ishoʿdad van Merv in zijn bijbelcommentaren (‹zie Van Eynde, XXII-XXV›). Deze Syro-Hexapla, of Aramese Hexapla was ook van betekenis voor de herziening van het Oude Testament door Yaʿqub van Edessa, en enkele passages ervan zijn sommige latere Peshitta-manuscripten binnengeslopen. (‹Gorgias Encyclopedic Dictionary of the Syriac Heritage - Electronic version›)
We laten ten slotte nog James Murdoch aan het woord over de Syro-Hexapla:
“Van de Aramese of Syrische Hexapla heb ik (‹Murdoch›) slechts van twee manuscripten gehoord, en één daarvan uit bevat slechts één boek (‹namelijk die uit Parijs›). Deze manuscripten lagen verborgen in Milaan en Parijs, of beter gezegd, zij werden over het hoofd gezien en werden niet eerder zorgvuldig onderzocht dan tot na het midden van de 18e eeuw. Ze bevatten een Aramese vertaling van de gecorrigeerde Griekse tekst van de Septuagint-versie in Origenes’ Hexapla, met alle kanttekeningen en verschillende lezingen ervan, vandaar de naam, de Syrische Hexapla. Uit de aantekeningen op de manuscripten van de Syrische Hexapla leiden we de volgende zaken af. De Griekse Hexapla van Origenes werd door hem achtergelaten in Caesarea in Palestina en kwam in handen van Eusebius, een man met kennis van de geschiedenis van de christenheid en christelijke kerk. Hij was bisschop van Caesarea. Geholpen door zijn vriend Pamphylus, lukte het Eusebius begin vierde eeuw om op grond van deze Hexapla een gecorrigeerde Griekse tekst van de Septuagint op te stellen, met alle kanttekeningen en glossen die erbij zaten. Van deze Eusebiaanse tekst werd begin zevende eeuw in Alexandria een kopie gevonden, voorzien van een aantekening van Eusebius zelf. En Athanasius, destijds de Jakobitische patriarch van Alexandrië, liet een zekere Mar Paulus, een monnik en bisschop, deze Griekse kopie in het Aramees vertalen, waarbij alle kanttekeningen en glossen behouden bleven. Deze taak volbracht Mar Paulus in Alexandrië in het jaar 616 na Christus ..... In het manuscript staat duidelijk vermeld dat de Aramese vertaling gemaakt is uit een codex die was samengesteld door Eusebius en Pamphylus, uit de Bibliotheca van Origen, met verschillende lezingen en kanttekeningen.
Beide manuscripten van de Syrische Hexapla zijn geschreven in het Estrangelo schrift, en ze zijn kennelijk oud. Dat van Parijs bevat alleen het 4e [=2e] boek van Koningen. Het kreeg pas in 1770 bekendheid door Paul Jakob Bruns.
Het manuscript in de Ambrosiaanse bibliotheek in Milaan bevat bijna of vrijwel het hele Oude Testament. Op dit waardevolle manuscript vestigde John Baptist Branca, een doctor aan het Ambrosiaanse college, de aandacht van Dr. Kennicott en J.P. Bruns tijdens een bezoek aan Milaan, rond 1767. Enkele jaren later bezocht J.J. Bjornthal uit Zweden Milaan, onderzocht het manuscript, stuurde enkele exemplaren naar Engeland en Zweden en publiceerde er ook een beschrijving van. De Rossi raakte er vervolgens in geïnteresseerd en publiceerde in 1778 de eerste psalm als voorbeeld, vergezeld van een volledige beschrijving van het manuscript. In hetzelfde jaar bezocht Matthew Norberg uit Zweden Milaan en maakte een kopie van een groot deel ervan. In 1787 publiceerde hij in Lund, in quatro, de boeken Jeremia en Ezechiël, gebaseerd op zijn kopie. Het jaar daarop publiceerde Cajetan Bugatus uit Milaan het boek Daniël, in het Aramees en Latijn in quatro. Hij begon ook met de publicatie van het boek Psalmen, ongeveer in diezelfde tijd, maar het werd pas in 1820 gedrukt. Intussen had Bruns een kopie van het Parijse manuscript bemachtigd. Maar noch hij, noch Norberg kregen voldoende aanmoediging om door te gaan met de publicatie van hun kopieën. Ze lieten hun manuscripten achter bij Eichhorn, die ze uiteindelijk overdroeg aan Henry Middledorpf, een professor aan de universiteit van Breslau in Silezië. Hij publiceerde zoveel van deze transcripties, als nog niet eerder was gebeurd, namelijk het 4e [2e] boek Koningen, Jesaja, de twaalf kleine profeten, Spreuken, Job, Hooglied, Klaagliederen en Prediker, in één groot quatro-boek, in Berlijn, 1835, met een informatief voorwoord waarin de bovenstaande feiten stonden vermeld. De volgende boeken zijn, naar wij aannemen, nooit eerder gepubliceerd. gepubliceerd, namelijk: de hele Pentateuch, Jozua, Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuël, 1 Koningen, de twee boeken Kronieken, Ezra, Nehemia, en Ester. Deze Syrische/Aramese versie sluit zeer nauw aan bij het Grieks, en zal ons daarom helpen voor zover het reikt, bij het vaststellen welke tekst van de Septuagint werd goedgekeurd door Origenes, en door Eusebius en Pamfylus. Het kan ons ook helpen om enkele van de afwijkingen van de Septuagint te achterhalen in de verschillende Griekse versies die door Origenes zijn vergeleken. Natuurlijk is het van grote waarde voor de kritiek op de Griekse tekst van de Septuagint. Maar voor de uitleg van de Schrift kan het niet veel nut hebben, vanwege zijn ondergeschiktheid aan en afhankelijkheid van de Septuagint. Als vertaling lijkt het erg op het Nieuwe Testament van de Philoxeense, dat Thomas Harkel in Alexandrië aan het herzien was, precies in de tijd dat Mar Paulus deze versie produceerde. Zoals het Nieuwe Testament van Peshitta, vanuit exegetisch oogpunt, veel waardevoller is dan de Philoxeense versie, zo moet het Oude Testament van de Peshitta, dat een getrouwe vertaling uit het Hebreeuws is, ook veel waardevoller voor een exegeet zijn dan de Syrische Hexapla, die een niet meer is dan een vertaling uit het Grieks van de Septuagint.”
Nog enkele aanvullingen op het voorstaande. In 1964 ontdekte Arthur Vööbus de Midyat Codex (‹12e eeuw›), met alle boeken van de Pentateuch, in het bijzonder ook . The codex contained all the books of the Pentateuch, specifically Dt. 32:9-32:25. Met deze vomndst werd de Syro-Hexapla tekst van de Pentateuch zo goed als compleet, behoudens enkele missende fragmenten. Er zijn nog enkele andere vindingen gedaan van Syro-Hexapla vesies van het boek 2 Koningen voorafgegaan door een commenataar van John Chrysostomus en het boek Daniël naar een revisie door Jakob van Edessa.
***
III. DE PESHITTA - PLEIDOOI van JAMES MURDOCH
James Murdoch (‹1776-1856›)
|
ENKELE PASSAGES uit een BIOGRAFISCHE SCHETS door H.L. Hastings James Murdock, de vertaler van het Syrische Nieuwe Testament, werd geboren in Westbrook, Connecticut, op 16 februari 1776. Hij was de zoon van Abraham Murdock en Hannah Lay. Abraham - die in 1777 in Westbrook op 26-jarige leeftijd stierf, was de zesde van de zeven zonen en het elfde van de dertien kinderen die Frances Conklin baarde aan John Murdock, die geboren was in East Hampton, Long Island, in 1706, en die vroeg naar Westbrook verhuisde. Deze John Murdockwas majoor van de provinciale troepen, diaken in de Congregational Church en rechter bij het Hof van Algemene Zaken. John was op zijn beurt weer het enige kind van Peter Murdock, die in 1679 in Limerick, Ierland, werd geboren, rond 1700 naar Amerika kwam en trouwde met Mary Fithin uit East Hampton, Long Island, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht. Hij was de zoon van weer een andere John Murdock, een wolbewerker in Limerick, tijdens de regeringen van Karel II en Jakobus II, die trouwde met Mary Munson, een zoon en drie dochters had, al zijn bezittingen verloor tijdens het beleg van Limerick in 1690 en stierf rond 1695. Uit dit godvrezende, Bijbelgetrouwe Schotse geslacht ... kwam James Murdock voort, die met veertien maanden wees werd, en zijn jeugd doorbracht in Westbrook tot hij 15 jaar oud was. Hij had een onverzadigbaar verlangen naar kennis en wist met veel moeite een Latijnse grammatica en woordenboek te bemachtigen, die hij in het geheim bestudeerde, tussen de zware handarbeid door, totdat hij op vijftienjarige leeftijd begon met de voorbereiding op zijn studie aan de universiteit bij zijn oom, voorganger Jonathan Murdock uit Bozrah, Connecticut ... Op 8 oktober 1790 trouwde James Murdock met Lydia R., dochter van Jeremiah Atwater uit New Haven. Zij bleek voor hem een trouwe en vrome echtgenote en een toegewijde moeder voor hun tien kinderen, van wie sommigen op jonge leeftijd overleden ... Na een intensief leven, dat hij grotendeels in goede gezondheid mocht leiden, een leven dat vrijwel geheel besteed werd aan universitaire arbeid, dienstbaarheid in christelijke gemeentes en deelname aan de prediking van het Evangelie ... ... zien wij hem op zeventigjarige leeftijd bezig om zijn beperkte kennis van de Aramese taal op te frissen, de taal van de apostelen zelf met grote aandacht lezen en, bij gebrek aan een goede Aramese grammatica, er zelf een samenstellen. Hij ontrafelde stap voor stap de vormen en vervoegingen van de Aramese werkwoorden en vertaalde het Nieuwe Testament van de Peshitta in het Engels, zodat anderen ook van de kennis die hij daaruit had opgedaan, konden profiteren. Hij maakte voor die vertaling gebruik van de druk ervan door de British Foreign Bible Society (‹BFBS›) in Londen, van 1816, en van de 2e editie daarvan uit 1826, waarbij hij ook de tekst raadpleegde van de Leusden en Schaaf editie (‹Leiden 1777›), die door Claudius Buchanan en Samuel Lee, professor in de Arabische Studiën was voorbereid . Op tachtigjarige leeftijd stortte hij zich volledig op de studie van de Arabische taal en stelde hij voor eigen gebruik een Arabische grammatica samen, met een precisie en elegantie die een twintigjarige student zou sieren. In de herfst van 1855 ging Dr. Murdock naar Columbus, Mississippi, waar hij een heerlijke winter doorbracht bij het gezin van zijn zoon. Hij bezocht verschillende delen van het zuiden van het land en keek ernaar uit om het volgende voorjaar terug te keren naar New Haven. Ziekte trof hem echter; zijn lichamelijke krachten begaven het, en hoewel alles wat liefde kon ingeven of vaardigheid kon bedenken werd gedaan, vloeide de levensstroom weg totdat hij, rond 4 uur ‘s ochtends op 10 augustus 1856, in de vaste en zekere hoop op het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heer, ‘insliep’. |
Appendix II bij de Engelse Peshitta vertaling
James Murdoch
Er zijn drie Aramese vertalingen van het Nieuwe Testament, die resp. de Peshitta- (‹of: Peshitto›), de Philoxenische/Harkleense en de Jeruzalem-versie (‹alleen de 4 Evangeliën›) worden genoemd, en er zijn ook twee Aramese vertalingen van het Oude Testament, die bekend staan onder de benamingen Peshitta en de Syrische Hexapla. Van de eerste van deze vijf versies, het Peshitta Nieuwe Testament, zullen wij hier een vrij uitgebreide beschrijving geven, waarna de andere versies in volgorde meer beknopt zullen worden behandeld.
DE PESHITTA
DE ARAMESE VERSIE VAN HET NIEUWE TESTAMENT
KARAKTER EN INHOUD
Deze is niet alleen veel ouder dan de Philoxenische of de latere ‘Old Syriac’, maar wordt algemeen beschouwd als de oudste versie van het Nieuwe Testament die ons is overgeleverd, in welke taal dan ook. De Arameessprekende christenen noemen deze de ‘Peshitta’, vanwege de stijl of het karakter ervan. Het Aramese werkwoord ܦܩܬ betekent ‘uitvouwen’ of ‘uitspreiden’ of ‘ontvouwen’, zodat iets in zijn ware gedaante, afmetingen en karakter kan worden gezien. Het deelwoord ܦܫܝܼܛܬܵܐ, pšîṭtâ, dat fungeert als de naam, betekent dus ‘uitgespreid’, ‘niet ingewikkeld’ of ‘ongevouwen’, ‘eenvoudig’ en ‘niet dubbelzinnig’, en toegepast op een vertaling kan men spreken van een ‘duidelijke’ of ‘heldere’ vertaling, ‘vrij van dubbelzinnigheden’, ‘direct’, ‘eenvoudig’ en ‘makkelijk te begrijpen’. En precies dat is in feite het karakter van deze eerbiedwaardige tekst. De Peshitta bevat alle canonieke boeken van het Nieuwe Testament, behalve de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, de brief van Judas en het boek Openbaring, dat wil zeggen, alle door Eusebius (‹± 260/265 – 30 mei 339 n. Chr.›) erkende geschriften samen met slechts één van de geschriften waarvan de canoniciteit nog niet was vastgesteld, namelijk de brief van Jakob (‹Jakobus›). Zo omvat de cann van de Peshitta alle boeken die algemeen als oorspronkelijk werden erkend in de vroege eeuwen van de kerk (‹opmerking redactie EBV: de kerk is niet de Gemeente van Jezus Christus, want de kerk is een menselijk instituut waarmee de Gemeente van Jezus Christus, dat is zijn Lichaam, niet samenvalt, ook al zijn vele leden van het de Gemeente van Jezus Christus in kerken aanwezig en werkzaam›). Tegelijk sloot de Peshitta aanvankelijk alle boeken uit, op één na nl. de brief van Jakob, waarover in de kerkelijke organisatie nog twijfel en onzekerheid bestond. Deze canon is vrijwel precies dezelfde als de canon die is afgeleid uit de geschriften van Irenaeus, Tertullianus en anderen in de eerste eeuwen van de christenheid. En dit kan worden beschouwd als bewijs van de hoge ouderdom van de Peshitta. De Peshitta kwam tot stand voordat de canon van het Nieuwe Testament volledig was vastgesteld (‹opmerking redactie EBV: de splitsing tussen de westelijke kerk en m.n. het oostelijke deel van de oosterse kerk, beide gekenmerkt door een zeer vroeg intredende institutionalisering, werd een feit op het concilie van Efeze in 431 n. Chr., op het moment dat enkele boeken nog niet formeel erkend waren, en de westelijke en oostelijke kerkelijke organisaties uiteengingen›).
TIJD, PLAATS EN AUTEURS
Onder de Aramese christenen is de Schrifttraditie overal universeel en uniform vanaf het begin van haar ontstaan, toen de prediking van het Evangelie begon, de eerste gemeenten ontstonden en de organisatie van de kerk in Syrië en Mesopotamië in gang werd gezet. Het was daarom een grote vergissing van Bertholdt (‹‘Einleitung in das Alt. u. Neue Testament, § 18, deel i. ii. p. 593›) om aan te nemen dat deze versie de Peshitta werd genoemd, omdat deze versie algemeen in gebruik was (‹Engels: ‘in common use’›), onder de diverse groeperingen van de Arameessprekende christenheid, waardoor hij het woord ‘Peshitta’ gelijkwaardig stelde aan het Griekse woord ‘i koine’ en het Latijnse ‘vulgata’. Het woord duidt niet op ‘uitbreiding of verspreiding naar buiten’, ook niet in ruimtelijke of geografische zin, maar op een innerlijke ontwikkeling, een ontvouwing die de zaak waar het om gaat, in de juiste en volle proporties laat zien. Overal wordt met stelligheid gezegd dat deze versie is gemaakt in de tijd dat het christendom voor het eerst werd gepredikt en de eerste christelijke kerken werden gesticht in Syrië en Mesopotamië. En natuurlijk neemt men aan dat deze is gemaakt door een of meer van de oorspronkelijke apostelen en evangelisten, of door hun metgezellen en medewerkers. Sommigen noemen Markus de evangelist, anderen Taddeüs, de vermeende apostel van Mesopotamië, weer anderen Achaeüs of Aghaeüs, een leerling en directe opvolger van Taddeüs.
Vóór de huidige 19e eeuw onderschreven de meeste Europeanen die thuis waren in de wetenschap van de Arameessprekende christenheid, deze traditie en men was de stellige mening toegedaan dat de Peshitta inderdaad gemaakt moest zijn door een apostel of door een metgezel en medewerker van de apostelen. Enkele mannen met talent en geleerdheid, die echter niet thuis waren in de wetenschap van de Arameessprekende christenheid, zoals bijvoorbeeld bisschop Fuller, Grotius, en J. J. Wetstein, meenden, dat de Philoxenische versie de enige Aramese versie van het Nieuwe Testament was, en, aangezien de Peshitta naar hun mening pas in de 6e eeuw werd gemaakt, was dat volgens hen ook de datering ervan. Een dergelijke redenering behoeft tegenwoordig geen weerlegging meer. Want alle geleerden in Europa lijken het er sinds het midden van de vorige eeuw over eens te zijn dat de Peshitta waarschijnlijk in de tweede helft van de tweede eeuw al bestond, en zeker in het begin van de derde. Dat is de opvatting van mannen als Michaëlis, Storr, Adler, Eichhorn, Hug, Bertholdt, Hoffman, Uhlmann, Horne, Guerike, Roediger, enz.
Recentere Duitse schrijvers volstaan met het terugvoeren van het bestaan van de Peshitta tot in de tweede helft van de tweede eeuw. Maar de Engelsen en ook de Duitsers vóór het jaar 1800 geloofden, en beargumenteerden, zeer algemeen dat deze ofwel tegen het einde van de eerste eeuw, ofwel in het begin van de tweede eeuw gemaakt moest zijn. T. H. Horne zegt in zijn Inleiding (‹deel i, p. 270, uitgave New York, 1844›) het volgende: ‘Bisschop Walton, Carpzov, Leusden, bisschop Lowth en Dr. Kennicott dateren de Peshitta in de eerste eeuw, Bauer en enkele andere Duitse schrijvers dateren hem in de tweede of derde eeuw, Jahn dateert deze in ieder geval in de tweede eeuw. De Rossi verklaart hem zeer oud, maar geeft geen precieze datum. De meest waarschijnlijke mening (‹zo voegt hij eraan toe›) is die van Michaëlis (‹‘Inleiding tot het Nieuwe Testament’, deel ii, blz. 1, blz. 29-38›), die de Aramese versie van beide Testamenten plaatst in het einde van de eerste of aan het begin van de tweede eeuw. In die tijd bloeiden de Arameessprekende kerken het meest, en de christenen in Edessa lieten een gebedshuis voor de eredienst aan God bouwen naar het model van de tempel in Jeruzalem. Het is onvoorstelbaar dat zij geen versie van het Nieuwe Testament gehad zouden hebben waarvan de lezing door de apostelen was geïntroduceerd.
Degenen die het bestaan van deze versie proberen te achterhalen door middel van historische bewijzen, vertellen ons dat de Peshitta zeker al bestond en algemeen gebruikt werd in het midden van de vierde eeuw. In die periode schreef Efraïm, de Arameeër, immers zijn omvangrijke geschriften, die rijk zijn aan citaten en uitleg van de heilige boeken zoals die in de Peshitta voorkomen. Als wij teruggaan naar die periode komen wij op het spoor van een aanzienlijke hoeveelheid christelijke literatuur en van een reeks goed geïnformeerde theologen die reikt tot aan de tijd van Bardesanes in het laatste deel van de tweede eeuw. Zulke bekwame theologen en zo’n christelijke literatuur hadden niet kunnen bestaan zonder grondige kennis van de Schriften, en daarom is het opmerkelijk dat wij gedurende heel deze periode geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat de Arameessprekende christenheid de Heilige Schriften in hun volkstaal misten. Daarom concluderen wij dat de Peshitta bestond en dat deze al minstens vanaf de vroegste tijd algemeen in gebruik was, d.w.z. tenminste al in het laatste deel van de tweede eeuw. En deze conclusie lijkt te worden ondersteund door directe getuigenissen. Want Eusebius zegt (‹H. E. iv. 22›) dat Hegesippus (‹die leefde en schreef rond 188 n.Chr.›) ‘enkele citaten aanhaalde uit het Evangelie volgens de Hebreeën (‹redactie EBV: het Aramees werd in de 1e eeuw nog in Hebreeuwse letters geschreven, dus mogelijk wordt er in feite gedoeld op het Aramees. Ook lezen wij in de Peshitta aan het slot van de het Evangelie van Matteüs de volgende woorden: ‘Einde van het Heilige Evangelie verkondigd door Mattai, opgesteld in het Hebreeuws in het land van de Palestijnen.›) en uit het Syrische (‹=Aramese›) Evangelie. Deze taal (‹zoals Hug duidelijk heeft aangetoond: Inleiding, deel i, p. 367, ed. 1826›) stelt dat er in de tijd van Hegesippus een Syrisch (‹d.w.z. Aramees›) evangelie bestond, en dat dit een ander boek was dan het evangelie volgens de Hebreeën. En in het lijden van de heilige Procopius, de martelaar, (‹een toevoeging door Valesius aan de Hist. Ecclesiastes van Eusebius, lib. viii, c. 1, ed. Amsterdam, 1695. Geannoteerd, p. 154›) wordt gezegd dat deze martelaar in Jeruzalem geboren is en zijn leven heeft doorgebracht in Scythopolis (‹een plaats ten zuiden van het meer van Galilea op de westelijke Jordaanoever ter hoogte van de oostelijke uitloper van de vlakte van Jizreeël›), waar hij drie functies in de kerk vervulde: ‘één in het voorlezen, één in de vertaling naar het Aramees en de derde in het opleggen van handen tegen demonen, functies die hij vervulde tot hij als martelaar werd onthoofd onder keizer Diocletianus op 7 juli 303 n. Chr. Deze biografische gegevens van Eusebius maken duidelijk dat Procopius van Scythopolis in het openbaar vertaler was (‹ongetwijfeld van de Schrift en de prediking›) van het Aramees naar een andere taal, hoogstwaarschijnlijk het Grieks, want we mogen aannemen dat er Grieken waren in de Arameessprekende kerk van Scythopolis, ten behoeve van wie de Schriftlezingen werden vertaald zoals ze werden voorgelezen.
De argumenten om de oorsprong van de Peshitta terug te voeren naar het einde van de eerste eeuw en het begin van de tweede eeuw zijn de volgende:
1. Dit komt overeen met de stabiele en uniforme traditie van alle Arameessprekende kerken: de Nestoriaanse, Monofysitische, Melchitische en Maronitische. In al deze kerken was de Peshitta van oudsher in gebruik en gerespecteerd, en werd die als net zo oud beschouwd als de christelijke gemeenten en kerken die er al eeuwenlang gebruik van maken. Bovendien wordt die opvatting ook nergens werkelijk tegengesproken en ook biedt de geschiedenis van de christenheid en de kerken ons geen enkel overtuigend bewijs van het tegendeel. Al het bewijs in deze zaak is daarom eensluidend en kan niet weerlegd of tegengesproken worden. Volgens welke wet of wetten van geschiedkundige argumentatie kan of mag de zojuist genoemde traditie dan terzijde geschoven worden?
2. De onzekerheid die in de traditie wordt aangetroffen met betrekking tot de precieze tijd, en plaats, en auteur van deze versie, is een goed bewijs voor de waarheid van de traditie, omdat het aantoont dat deze versie in zo’n vroege periode is gemaakt dat de bijzondere omstandigheden rond de totstandkoming ervan in nevelen gehuld zijn gebleven. Dit argument kan als volgt worden geformuleerd: Wij weten dat er een ononderbroken reeks geleerde schrijvers was in de Aramese gemeenten van Jezus Christus en de kerken, vanaf de tijd van Bardesanes, die tijdgenoot was van Irenaeüs en Clemens van Alexandrië, in het laatste deel van de tweede eeuw, tot aan Barhebraeüs in de dertiende eeuw. Toch kon geen van hen de algemeen aanvaarde traditie bewijzen of herleiden tot de bron ervan, of details ervan bijstellen. Ze konden alleen het algemeen aanvaarde feit herhalen dat de Peshitta werd samengesteld toen hun eerste gemeenten door de apostelen en hun medewerkers werden gesticht, en vervolgens geven ze hun gedachten en veronderstellingen over de precieze tijd, plaats en auteur van de vertaling. En de vroege Griekse kerkvaders, van wie velen in Syrië en Palestina woonden, tasten op dezelfde wijze in het duister over deze punten. De redelijke conclusie uit deze feiten is dat de vertaling in de allervroegste tijden van de christenheid moet zijn gemaakt, en wel zodanig lang vóór de tijd van de geleerde kerkelijke schrijvers, (‹dat wil zeggen, vóór de tijd van Justinus Martyr, Irenaeus, Bardesanes, Clemens van Alexandrië, enz.›), dat de omstandigheden van de tijd, plaats en auteur van de vertaling niet meer vastgesteld kon worden, waardoor de deur openstond voor verschillende opvattingen daarover.
Om dit goed te kunnen begrijpen, moet men bedenken dat vanaf het einde van de nieuwtestamentische verslaglegging tot ongeveer het midden van de tweede eeuw (‹dat wil zeggen, gedurende ongeveer 60 à 80 jaar›) de enige christelijke schrijvers de zogenaamde ‘apostolische vaders’ waren, van wie de geschriften schaars en dun gezaaid waren, en nauwelijks enig licht werpen op de heilige Schriften en het voorkomen ervan in de christelijke gemeentes en kerken. Daarom was die vroege periode in zeker opzicht een duistere periode, een tijdperk dat de inspanningen van geleerden en onderzoekers vanaf de tijd van Eusebius tot nu toe, bemoeilijkt. Na die periode kwamen er steeds meer geleerde christelijke schrijvers, zodat vanaf die tijd, en vooral na het begin van de derde eeuw, alle belangrijkere gebeurtenissen in de christenheid en kerk redelijk bekend waren, doordat ze door de schrijvers uit die tijd werden vermeld, terwijl alles wat in het laatste deel van de eerste eeuw en in de eerste helft van de tweede eeuw gebeurde, bijna net zo onbekend is als de gebeurtenissen vóór de zondvloed.
Dit argument wordt bevestigd door het feit dat de zeer vroege vertaling van de Bijbel in het Latijn, genaamd de Vulgata (‹die niemand in twijfel trekt›) precies parallel loopt met deze veronderstelde vroege oorsprong van de Aramese versie. Beide versies zouden in de tijd van de apostelen, of kort daarna, zijn gemaakt door een auteur of door auteurs die in latere tijden onbekend zouden zijn. Het voornaamste verschil tussen beide is dat er verschillende vroege Latijnse versies zouden zijn geweest, waarvan er één, die superieur was aan de andere, de grootste verspreiding kreeg en de ‘Itala’ werd genoemd, terwijl we slechts lezen over één vroege Aramese versie, de ‘Peshitta’. Augustinus’ uitspraak over die vroege Latijnse versies is bekend. Hij zegt (‹over de Leer van Christus, 1. ii. c. 11›): ‘Men kan gemakkelijk degenen opnoemen die de Heilige Schrift van het Hebreeuws naar het Grieks vertaalden, maar dat geldt niet voor de Latijnse vertalers. Want in die vroege tijden van het christendom begon iedereen die een Grieks manuscript in handen kreeg en dacht dat hij enige kennis van beide talen bezat, het meteen te vertalen.’
Hiëronymus van Stridon kreeg in 382 opdracht van paus Damasus I om de Evangeliën te vertalen van de zgn. ‘Vetus Latina’ (‹handgeschreven kopieën van de allereerste Latijnse vertalingen van de Bijbel›). Later ging Hiëronymus op eigen initiatief verder om vrijwel alle boeken van de Bijbel in het Latijns te herzien. Toen de Vulgata op het concilie van Trente (‹1545–1563›) en later (‹in 1590›), de officiële Bijbel van de katholieke kerk werd, bevatte die alle door Hiëronymus vertaalde Bijbelboeken, aangevuld met enkele VetusLatina vertalingen die niet van zijn hand kwamen.
Wat betreft deze zeer vroege versies, zowel de Latijnse als de Aramese, komt de volledige onwetendheid van alle geleerde kerkvaders in latere eeuwen over de auteurs ervan en over de precieze tijd en plaats van de samenstelling ervan voort uit dezelfde oorzaken: de zeer vroege periode waarin deze versies werden gemaakt en de schaarste aan bronnen uit die tijd. En daarom is de vaagheid, of het gebrek aan uniformiteit en consistentie in de details, het allerbeste interne bewijs voor de algemene waarheid en oorspronkelijkheid van beide tradities. En o.i. (‹redactie EBV›) geldt ditzelfde ook voor de Griekse versie van het Nieuwe Testament.
3. Het karakter en de omstandigheden van de eerste Arameessprekende christenen, en van hun leraren, zouden niet alleen een vroege vertaling van het Nieuwe Testament in de gangbare taal van het land vereisen, maar ook makkelijk maken. De eerste bekeerlingen van dat land waren ongetwijfeld grotendeels Joden. En we weten dat de eerste christenen over het algemeen afkomstig waren uit de lagere sociale klassen, of uit het gewone volk, uit die groep mensen die in Syrië en Mesopotamië geen andere taal spraken en verstonden dan alleen Aramees. Een vroege vertaling van de Schriften in deze taal was daarom heel erg nodig. Zo’n vertaling was in feite onmisbaar voor het juiste onderwijs van de nieuwe bekeerlingen en voor het opleiden van hun voormannen tot leraren en leiders in de nieuw gevormde gemeenten van Jezus Christus, de Heer. Welke verkondiger van het Evangelie probeert het Evangelie en het christelijk geloof uit te dragen, te verspreiden en christelijke kerken te stichten in een land waar het Evangelie niet bekend is, zonder de mensen meteen de Bijbel in de handen te geven in een taal die ze kunnen begrijpen?
De eerste predikers van het Evangelie in Syrië en Mesopotamië, en de stichters van de eerste Aramese kerken, waren naar we mogen aannemen voor het grootste deel Joodse Palestijnen (‹redactie EBV:het land werd in de tijd van Jezus Christus leven op aarde door de Romeinen ‘Palestina’ genoemd›). Want dat waren alle apostelen, de zeventig discipelen, de zeven diakenen, en onder de evangelisten Markus, Barnabas, Silas, en misschien ook anderen. Maar voor alle Joden in Palestina was een Aramees dialect, dat sterk leek op het Aramese dialect in Syrië, de volkstaal en de standaardtaal voor alle openbare toespraken in de synagogen van hun land. Daarom mogen wij aannemen dat het Evangelie eerst onder de bewoners van Syrië in de Aramese taal, d.w.z. in ‘zuiver’ Aramees, ofwel in het dialect van de Joden. En als dat alles juist is, dan waren de eerste stichters van de Arameessprekende kerken volledig bekwaam om aan hen de Aramese vertalingen van de verschillende boeken van het Nieuwe Testament te geven, zodra ieder van hen in het land aankwam. En we kunnen ons nauwelijks voorstellen dat zij een taak zouden laten liggen, die zo gemakkelijk te volbrengen was, zo noodzakelijk om hun eigen werk te verlichten en zo onmisbaar voor de volledige oprichting en voor blijvende bloei van de christelijke gemeenten.
4. Het karakter van de Peshitta zelf getuigt ervan dat deze in de vroegste tijden van de christenheid is ontstaan. De stijl ervan wordt gekenmerkt door de eenvoud en oprechtheid van die oprechte en betrouwbare mannen die het christelijk geloof als eersten predikten en verspreidden. Het is precies wat de naam Peshitta suggereert: een volledig duidelijke en heldere tekst, waarvan elk woord de spontane uiting lijkt te zijn van een warm hart en van een geest die de eigen gedachten volledig bestuurt. Er is geen schittering van woorden, er zijn geen gekunstelde constructies of zinnen in te vinden, niets dat riekt naar ijdelheid of naar aandacht trekken, er is niets gemaakt, langdradig of geleerds. Het toont geen overmatige eerbied voor de ‘vak’-termen van het nieuwe geloof, of voor de christelijke gemeentes, de kerk en haar organisatie. Sterker nog, de Peshitta lijkt er geen weet van te hebben dat er ‘vak’-termen en -uitdrukkingen bestaan die bij het nieuwe geloof in Jezus Christus horen. En hoewel de Peshitta een heilig boek is, lijkt de tekst ervan geen bijgelovig ontzag te hebben voor de zuivere woorden, zinnen of grammaticale constructies van de oorspronkelijke tekst. Het lijkt erop dat het enige doel is om de inhoud van wat geschreven staat weer te geven, en wel op de duidelijkste, helderste en meest eenvoudige manier die men zich kan voorstellen. In deze opzichten staat de Peshitta op zichzelf onder alle oude Bijbelvertalingen en verschilt deze vooral totaal van de andere Aramese versie, genaamd de Philoxeense, die hierna besproken zal worden. Deze fascinerende ongekunsteldheid van de Peshitta, die een sterk bewijs voor haar zeer vroege ontstaan en haar hoge mate van oorspronkelijkheid, verklaart ook haar blijvende en bijzonder sterke greep op de harten van alle Aramese christenen in alle tijden van de oosterse christenheid.
5. Als de Peshitta pas tegen het einde van de tweede eeuw zou zijn samengesteld, is het volstrekt onverklaarbaar dat er geen enkele vermelding van de tijd, plaats en omstandigheden van haar ontstaan, noch enige aanwijzing voor het in dat geval recente ontstaan ervan gevonden kan worden bij een of andere eigentijdse of latere christelijke of kerkelijke schrijver, niet in het Aramees, niet in het Grieks en niet in het Latijn. Want als de Aramese christenen honderdvijftig jaar lang verstoken zouden zijn geweest van de Heilige Schriften in een taal die ze konden begrijpen, en toen pas voor het eerst het volle licht van het Evangelie door deze vertaling zouden hebben ontvangen, dan zou de publicatie ervan ongetwijfeld een verbazingwekkende verandering teweeg hebben gebracht in het karakter en de toestand van de Aramese christenheid. Het zou dan vast een bijzonder tijdperk in hun geschiedenis hebben ingeluid, en oplettende schrijvers in die tijd, die dan getuigen zouden zijn geweest van allerlei wonderlijke veranderingen in de levens, zouden die niet over het hoofd hebben kunnen, maar er met verwondering en blijdschap melding van hebben gemaakt.
Toch wordt er door geen enkele schrijver uit die tijd, geen Aramese en geen Griekse, melding gemaakt van dergelijke gebeurtenissen. Dit is toch wel heel vreemd, en de voorstanders van deze opvatting zouden uitgedaagd moeten worden om van zoiets een ander soortgelijk voorbeeld uit heel de kerkgeschiedenis te geven. Want welke andere even respectabele Bijbelvertaling kan men nu noemen waarvan de totstandkoming rond 200 n. Chr., en dat nog wel ten behoeve van zoveel christenen die voordien van een Bijbel in hun eigen taal verstoken waren, geheel onopgemerkt bleef, zelfs niet genoemd werd door zo’n groot aantal schrijvers, die allen sterk geïnteresseerd waren in een dergelijke indrukwekkende gebeurtenis?
Als deze argumenten bij elkaar voldoende doorslag geven voor ons betoog voor een zeer vroege totstandkoming van de Peshitta, dan moeten wij aannemen dat de meeste boeken die als ‘aanvaarde boeken’ (‹‘homologoumenai’›) worden beschouwd, of het merendeel van de boeken die de eigenlijke Peshitta-canon vormen, al vertaald waren in het laatste deel van de eerste eeuw. Zo vroeg zouden ze in Syrië immers al goed bekend geweest moeten zijn, aangezien ze geschreven waren vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70 n. Chr. De enige boeken die hierop een uitzondering vormen, zijn het Evangelie van Johannes en de brieven van Johannes.
(‹redactie EBV: Murdoch gaat hier kennelijk uit van een late datum van het Evangelie van Johannes en van zijn brieven, maar de meningen daarover verschillen, en o.i. waren alle Evangeliën en het boek Openbaring voor 70 n. Chr. gereed en beschikbaar. Volgens het opschrift van het boek Openbaring in de huidige Peshitta, werd de Openbaring door de apostel Johannes geschreven op het eiland Patmos in de dagen van Nero, dus vóór 70 n. Chr., en mogelijk de 4 kleine ontbrekende brieven niet veel later. De vondst van het boek Openbaring was in de dagen van Murdoch nog niet bekend en werd op wonderlijke wijze 50 jaar na het overlijden van Murdoch door John Gwynn in een collectie manuscripten gevonden en gepubliceerd met een degelijke reconstructie van de 4 kleine brieven›).
Als deze, het Evangelie van Johannes en de brieven van Johannes, echter, zoals velen veronderstellen, pas tegen het einde van de 1e eeuw geschreven zijn, kunnen ze Syrië niet op tijd bereikt hebben om vóór het begin van de tweede eeuw vertaald te worden.
De boeken van de Peshitta die nog ter discussie stonden (‹‘antilegomena’›), namelijk de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring, werden ongetwijfeld veel later vertaald. De stijl ervan verschilt enigszins van de rest van de Peshitta en lijkt meer op die van de Philoxenische Bijbel, wat wij kunnen zien als een bevestiging van de veronderstelling dat zij pas later zijn vertaald. Hug (‹Inleiding, i. p. 356›) veronderstelt dat deze boeken oorspronkelijk deel uitmaakten van de Peshitta-canon en er later uit zijn weggelaten, terwijl anderen beweren dat ze uitsluitend tot de Philoxenische versie behoren. Geen van beide opvattingen lijkt te kloppen, want als ze, volgens Hug, oorspronkelijk tot de Peshitta behoorden, is het vreemd dat ze zo sterk afwijken van de gebruikelijke stijl van de Peshitta, en ook is het dan vreemd dat ze bijna steeds ontbreken in de manuscripten van deze versie. Hugs opvatting dat ze tot de Philoxenische versie behoren, is eveneens bezwaarlijk, want de stijl van deze boeken komt meer overeen met die van de Peshitta dan met die van de Philoxenische, hoewel ze van beide verschillen. Bovendien is het niet erg aannemelijk dat deze belangrijke boeken onbekend bleven bij de Arameessprekenden christenen en tot in de 6e eeuw niet door hen vertaald zouden zijn. Daar komt nog bij dat er ondanks alles in het midden van de vierde eeuw door Ephraim, de Arameeër, teksten uit deze ‘antilegomena’ werden aangehaald, d.w.z. meer dan 200 jaar voordat de Philoxenische versie tot stand kwam. (‹Zie Hug, Inleiding, deel i, p. 356, en Michaëlis, Inleiding, deel i, p. 55.›) Het is daarom waarschijnlijk dat ze vertaald werden na de dood van de voorlopers die de canonieke boeken van de Peshitta vertaalden, en dat ze om deze en andere redenen minder gewaardeerd werden door de Arameessprekende christenen en slechts zelden werden opgenomen in hun canonieke boeken.
WAAR IS DE PESHITTA TOT STAND GEKOMEN?
De meesten die de oorsprong van de Peshitta terugvoeren tot aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw, beschouwen Antiochië als de plaats waar de Peshitta naar alle waarschijnlijkheid is ontstaan, omdat daar de eerste Arameessprekende gemeente werd bijeengebracht, en vervolgens ook vanwege het werk van Barnabas en Paulus, en later Silas in en vanuit die plaats. Daar onderwezen ook de apostel Petrus en Johannes, bijgenaamd Marcus en Silas, een metgezel van Paulus, en daar werden de discipelen voor het eerst ‘CHRISTENEN’ genoemd. Die stad was de hoofdstad van heel Syrië. Paulus, Petrus en ook andere apostelen, kwamen er vaak naar toe. Daar bloeide lange tijd de moederkerk van heel het toenmalige Syrië, en van daaruit werd het Evangelie verspreid, niet alleen in heel Syrië, maar ook in Mesopotamië en in alle landen waar Aramees gesproken werd (‹redactie EBV: en uiteraard ook naar Klein-Azië, Griekenland, Rome en heel Europa›). Geen enkele plaats was zo gunstig gelegen en bood zulke mogelijkheden en zulke kansen voor het samenstellen van een juiste Aramese versie van het Evangelie van Jezus Christus.
Michaëlis (‹Inleiding, ii. i. 39›) is het hier echter niet mee eens, en hij werd in zijn opvattingen door de meeste latere Duitse schrijvers gevolgd. Hij zegt: “De gangbare opvatting in Europa, dat de Peshitta in Antiochië werd samengesteld, werd nooit in Azië (‹het Nabije Oosten›) aangehangen”, en “het is op zich ook zeer onwaarschijnlijk, want Grieks was de gangbare taal in alle steden ten westen van de Eufraat, en vooral in Antiochië. Er kon dus geen enkele reden zijn geweest om in die stad een vertaling van het Griekse Testament (‹naar het Aramees›) te maken. Hoewel er geen traditie meer bestaat dat het Aramese Nieuwe Testament in Edessa is geschreven, zou dat vanzelfsprekend de meest voor de hand liggende plaats zijn geweest. Het is immers een stad waar het christendom in de eerste eeuw werd gevestigd, een stad die door de wereldleiders werd omarmd, die er kerken bouwden met alle pracht en praal van heidense tempels, en van waaruit het christelijke geloof al in een vroeg stadium verspreidde naar de oostelijke delen van Azië. Bovendien was het niet alleen Aramees de taal van de stad, maar was het gedurende vele eeuwen de oostelijke metropool van de christelijke wereld.” Verder zegt Michaëlis (‹p. 74›): “Syrië had een staatskerk in een vroeger stadium dan welk ander land in Europa dan ook, want de koningen van Edessa bekeerden zich tot het christendom vóór het midden van de eerste eeuw, en de kerkdiensten werden (‹door hen›) met plechtigheid, pracht en praal bijgewoond. Wanneer een nieuwe religie op deze manier in het openbaar wordt ingewijd, is het van het grootste belang om ervoor te zorgen dat er een oorspronkelijke uitgave van de heilige Schriften beschikbaar komt voor de openbare eredienst.” Zover Michaëlis.
Het is echter nog al wat om te beweren dat Grieks zozeer de gangbare taal was in heel Syrië ten westen van de Eufraat, en zo algemeen door het gewone volk werd begrepen, dat er geen vertaling van de Bijbel in het Aramees nodig was. (‹Zie Dr. E. Robinsons Biblical Repository, deel i, blz. 309-363, Andover, 1831›) En hoewel wij erkennen dat het christendom al vroeg voet aan de grond kreeg in Osrhoena, en met name in Edessa, bestaat er zoveel onzekerheid over de bekering van Abgarus en zijn besluit om het christendom in de eerste eeuw tot staatsgodsdienst te verheffen, en zo weinig bewijs voor het regelmatig bezoek van de apostelen en mannen van apostolisch kaliber aan die stad, dat het de vraag is of dat Edessa werkelijk ‘de oostelijke metropool van de christelijke wereld’ tot ver in de tweede eeuw zou zijn geweest, zodat we beslist redenen hebben onze aarzelingen te hebben over dit onderwerp. Naar onze mening heeft Antiochië evenveel recht op de titel van geboorteplaats van de Peshitta als Edessa, als deze maar afkomstig is van de apostelen of van mannen van apostelisch kaliber, en al in de eerste eeuw geschreven is.
DE WAARDE VAN DE PESHITTA
De grote waarde van deze vertaling ligt in haar hoge ouderdom, in de bekwaamheid en getrouwheid van de vertalers, en in de grote verwantschap van de taal met die van onze Heer en zijn apostelen. In al deze opzichten is zij de uitnemendste en voortreffelijkste onder de talrijke vertalingen van het Nieuwe Testament. Hieronder zullen wij de uitspraken van verschillende geleerden en onderzoekers weergeven die bijzondere aandacht aan deze ongeëvenaarde Aramese tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta hebben besteed.
James Martini, hoogleraar in Wittenberg, zegt in zijn uitgebreide voorwoord bij het Aramese Nieuwe Testament, geredigeerd door Trostius in 1610: “Laat degenen die lichtzinnig spreken over deze versie weten dat het Aramees, zo niet de taal waarin Christus zelf met zijn apostelen sprak, dan toch zeer dicht in de buurt komt van de volkstaal van onze Heiland en zijn volgelingen, en dat de meest recente boeken van het Nieuwe Testament als eerste daarin vertaald werden, en dat bovendien in dezelfde tijd toen de apostelen (‹die goddelijke leraren die Christus Zelf had opgeleid en die door de Heilige Geest waren verlicht en onderricht›) de eerste fundamenten van de christelijke kerk onder de volken legden. Ik geef toe dat het een versie is, maar het is de eerste en oudste van alle versies. Het is een versie, jawel, maar het is een versie die de voorkeur verdient boven alle andere, omdat ze oorspronkelijker en juister is. Het is een versie, zeg ik nogmaals, maar gemaakt door een van de evangelisten, of anders door een van degenen die de apostelen bij zich hadden in Antiochië, die ze konden raadplegen en horen spreken over veel van de moeilijke passages. En daarom kunnen we alleen op deze versie terugvallen wanneer er onduidelijkheden of moeilijkheden voorkomen in het oorspronkelijke Grieks (‹redactie EBV: we zien hier de verwarring bij Martini, want de Peshitta is volgens hem de beste versie, terwijl het Grieks de oorspronkelijke versie is. Martini is niet de enige geleerde die tot zo’n eigenaardige spagaat-overtuiging zijn toevlucht neemt. Waarom zouden beide b.v. niet oorspronkelijk kunnen zijn, of de Peshitta oorspronkelijke en het Grieks een vertaling?›) Alleen deze versie kan veilig geraadpleegd en gebruikt worden, wanneer er twijfel bestaat over de betekenis of de vertaling van een passage. Alleen hierdoor wordt de Griekse tekst verlicht en correct uitgelegd. Want de autoriteit van deze versie komt dicht in de buurt van het Griekse origineel.” Tot zover Martini.
Wolfgang Francis, een collega van Martini, zegt in zijn ‘Treatise on Hermeneutics’ (‹p. 46›): “Alle geleerden verkondigen en verklaren dat de Peshitta de zuiverste van alle versies (‹van het Nieuwe Testament›) is, en ongetwijfeld is ze zo nauwkeurig door heilige mannen overgeleverd, omdat Christus in het Aramees sprak en prredikte, zodat we er geen twijfel over hoeven te hebben dat de apostelen en de andere apostolische voormannen de woorden van Christus hebben onderzocht en bewaard, en met heilig ontzag zich hebben ingespannen om deze Aramese tekst vast te leggen.” - En (‹p. 38›) zo zegt hij: “Van alle versies van het Nieuwe Testament was het ongetwijfeld de Aramese tekst - die het hoogst in aanzien staat en de meest nauwkeurige, voortreffelijke en goddelijke is - die uiterst getrouw is overgeleverd door de apostelen, die zich de recent gesproken woorden van Christus en zijn apostelen goed herinnerden en de betekenis ervan begrepen. Want Christus zelf gebruikte deze taal.”
Immanuel Tremellius (‹1510-1580›) - een joods-christen uit Italië - zegt in het voorwoord van zijn Latijnse vertaling van een fragmentarische versie van Nieuwe Testament van de Peshitta, in het jaar 1568: “Het is volkomen in overeenstemming met de waarheid dat de Peshitta tot stand is gekomen in het begin van (‹de gemeente van Jezus Christus›) en van de christelijke kerk, hetzij door de apostelen zelf, hetzij door hun discipelen, tenzij we zouden veronderstellen dat zij bij het schrijven alleen rekening hielden met vreemdelingen en weinig of niets gaven om hun eigen landgenoten.” (‹redactie EBV: Volgens James Morrison (‹1902›) Immanuel Tremellius op zijn sterfbed hebben uitgeroepen: ‘Niet Barabbas, maar Jezus!’, in het Latijn: ‘Vivat Christus, et pereat Barabbas’.›)
Brian Walton (‹1600-1661›) zegt in de inleidende opmerkingen bij zijn ‘Biblia Polyglotta’ (‹p. 92›): “De Aramese tekst van het Nieuwe Testament toont het oorspronkelijke karakter van de tekst en bevestigt de integriteit ervan. Want de tekst volgt grotendeels strikt de Griekse tekst ...” Omdat het Nieuwe Testament in het Grieks is geschreven door mannen van wie de moedertaal Aramees was, is het overal doorspekt met Aramese uitdrukkingen. Daarom bevestigt Louis de Dieu (‹in zijn ‘Harmonium trium Linguaraum’, Harmonie van de drie Talen›) dat de juiste betekenis van (‹sommige›) formuleringen in het Nieuwe Testament nauwelijks begrepen kan worden, dan alleen vanuit het Aramees. Niemand zal immers durven beweren dat de zinsbouw en de formuleringen van de evangelisten en apostelen puur Grieks is. Voor Europeanen zou het makkelijker zijn om de elegantie van de taal van Plato en Aristoteles na te bootsen, dan het voor Plato en Aristoteles zou zijn om het Nieuwe Testament uit te leggen, omdat de heilige mannen in het Aramees bedachten wat ze in het Grieks opschreven, waarbij zij belangrijke woorden uit hun eigen taal als vreemde woorden in de tekst invoegden.”
Nadat Walton enige variatie in de spelling van bepaalde Aramese woorden, zoals Golgota, Akeldama, Mammon, enz., in het Griekse en Aramese Nieuwe Testament heeft toegelicht door te stellen dat de Peshitta van beide Testamenten, het Oude en het Nieuwe in het dialect van Antiochië geschreven is, en niet in het dialect van Jeruzalem, concludeert hij als volgt: “Uit deze oudste versies leiden we af dat de Aramese taal van het grootste belang is, omdat de schrijvers van het Nieuwe Testament, voor wie deze taal hun moedertaal was, eerst Gods Woord predikten aan de Joden en aan de volken om hen heen, en die woorden pas later in het Grieks opschreven, maar de tekst bleef overal ‘smaken’ naar het Aramees. Sterker nog, het Aramees was de volkstaal van onze Heer en Verlosser Zelf, Hij zoog die taal in met de moedermelk en in die taal openbaarde de eniggeboren Zoon van God aan de wereld de wil van God en de uitdrukkelijke beloften van het eeuwige Leven. Deze taal heiligde Hij met zijn heilige lippen, in deze taal onderwees Hij de leer van het Evangelie, in deze taal richte Hij zijn gebeden tot de Vader, onthulde Hij de geheimenissen die voor de wereld verborgen waren en hoorde Hij de stem van de Vader uit de hemel komen, zodat wij kunnen zeggen: ‘De taal van de mensen is de verheven taal van God’. En, zoals een dichter over een samensteller van een Aramees woordenboek zei: “Hij leert ons spreken met de mond van God.” Bovendien is dit de taal van christelijke geleerden in vrijwel het hele Nabije Oosten, zoals blijkt uit de liturgieën en de uitoefening van de geestelijke taken in de kerk die bijna overal in deze taal worden uitgevoerd.”
Ezra Stiles (‹1727-1795›), voormalig president van Yale College, zei in zijn aanstellingsrede: “Verwant aan, het Hebreeuws, of liever een ‘bat-kol’, een ‘dochtertaal’ ervan, is het Aramees, waarin het grootste deel van het Nieuwe Testament (‹naar ik meen›) oorspronkelijk geschreven werd, en niet slechts vertaald, in het apostolische tijdperk. ... Het Aramese Nieuw Testament is daarom van groot gezag, sterker nog, wat mij betreft, van dezelfde autoriteit als het Griekse.” De opvatting van Ezra Stiles, dat het grootste deel van de boeken van het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Aramees geschreven werd, niet slechts vertaald, is beslist niet zo uitzonderlijk dat er geen andere voorstanders van zijn. Velen hebben geloofd dat het Evangelie van Matteüs en de Brief aan de Hebreeën, zo niet ook enkele andere boeken, oorspronkelijk in het Hebreeuws of Joods Aramees geschreven werden. En J. A. Bolten (‹in de Duitse vertaling van de brieven, met aantekeningen, Altona, 1800, 2 delen, 8 vol.›) beweert dat bijna alle brieven eerst door de apostelen in het Aramees, hun moedertaal, geschreven moeten zijn en vervolgens door hen zijn toevertrouwd aan enkele van hun Griekssprekende metgezellen (‹b.v. Titus, Timoteüs, Tertius, Sosthenes, enz.›), die ze vóór publicatie in het Grieks vertaalden. En Bertholdt (‹Inleiding, § 46, deel i, blz. 148-154›) benadert en verdedigt ook deze opvatting, en hij denkt dat de geleerden, na voldoende tijd van bezinning, het over het algemeen wel zullen accepteren. Een dergelijke veronderstelling doet geen enkele afbreuk aan het gezag van het oorspronkelijke Grieks, omdat zij veronderstelt dat de Griekse vertaling onder speciale leiding van de apostelen is gemaakt en door hen is gecontroleerd en volledig goedgekeurd. Maar het laat ons wel zien dat de Aramese Peshitta meer kan zijn dan een simpele vertaling en bijna of zelfs een gelijk gezag kan hebben als de Griekse.
John D. Michaelis zegt in zijn ‘Introduction to the New Testament (‹vertaling van Marsh, ed. Londen, 1802, deel ii, blz. 1, blz. 40, enz.›): “De Peshitta is de allerbeste vertaling van het Griekse Testament die ik ooit heb gelezen, en die van Luther komt op de tweede plaats ...” Van alle Aramese schrijvers die ik ken, met uitzondering van Efraïm, de Arameeër en Bar-Hebraeus, is de taal ervan het meest elegant en zuiver, niet volgepropt met vreemde woorden, zoals de Philoxenische versie en andere latere geschriften, en de tekst verraadt de hand van een meester in de weergave van die passages waar de manier van uitdrukken in de twee talen duidelijk van elkaar afwijken. Het vertoont geen sporen van de stijfheid van een vertaling, maar is geschreven met het gemak en de vloeiendheid van een origineel. De uitnemende stijl moet worden toegeschreven aan de ouderdom ervan en aan het feit dat deze is geschreven in een stad die de residentie was van Arameessprekende koningen ... Het is waar dat de Aramese versie, zoals alle menselijke producten, niet vrij van fouten is, en (‹wat niet als een gebrek moet worden beschouwd›) geregeld afwijkt van de moderne uitleg. Maar ik ken geen enkele die zo vrij is van fouten, en geen enkele die ik met zoveel vertrouwen raadpleeg in geval van moeilijkheden in de tekst en twijfel. Ik ben nog nooit een geval tegengekomen waarin het Grieks zo (‹in het Aramees›) wordt weergegeven, dat het enige zwakte of onwetendheid van de vertaler verraadt (‹redactie EBV: Michaelis lijkt het Griekse NT als de maatstaf voor de juiste tekst te beschouwen, terwijl hij tezelfder tijd lijkt aan te nemen, dat de Aramese tekst er eerder was. Deze voor ons eigenaardige gedachte komen wij bij meer onderzoekers tegen›), en hoewel in veel andere vertalingen het origineel op zo’n ongewone manier wordt weergegeven dat men zich niet aan een glimlach kan onttrekken, moet de Aramese Peshitta altijd met diep respect gelezen worden.” Na een paar zinnen voegt Michaelis eraan toe: “De verwantschap van het Aramees ervan met het Aramese dialect van Palestina is zo groot, dat het in sommige opzichten de stelling rechtvaardigt dat de Aramese vertaler de handelingen en woorden van Christus heeft vastgelegd in de taal die Hij sprak. Het verschil tussen het dialect dat Christus sprak en dat van de Aramese vertaler was wezenlijk vrijwel niet anders dan een verschil in uitspraak, en als men dit voordeel op de juiste wijze zou hebben benut, zou de Aramese versie het meest waardevolle commentaar (‹redactie EBV: zie voorgaande redactionele noot‹›) op het Nieuwe Testament zijn.” Veel onduidelijke passages zouden duidelijk worden als de woorden die Jezus met zijn discipelen in het Aramees sprak, nog steeds waren opgetekend. Maar de vertaler lijkt niet het geluk te hebben gehad om passages van deze aard weer te geven. Alleen al deze omstandigheid is voldoende bewijs dat de Aramese versie niet door één van Christus’ directe discipelen is geschreven.” (‹Ibid. p. 44›) “De Aramese Peshitta brengt ons soms tot juiste en uitstekende verklaringen, waar andere hulp ontoereikend is, bijvoorbeeld Matteüs 7, Johannes 16:2; Romeinen 9:22 en 13:3, en bevestigt enkele oude gewoonten waarin we zeer geïnteresseerd zijn, zoals de viering van het Avondmaal in de samenkomsten op zondag, 1 Korintiërs 11:20. En bij het ontdekken van de betekenis van een ongewoon woord, of de ongebruikelijke betekenis van een gewoon woord, waar geen hulp van de Griekse schrijvers te verkrijgen is, kan de Aramese Peshitta bijzonder van dienst zijn, aangezien de vertaler waarschijnlijk bekend was met de taal van het dagelijks leven, evenals met de geschreven taal, en heeft de Peshitta, op zijn minst, net zoveel gezag als een Grieks woordenboek uit latere tijden.” - (‹p. 45.›)
“Het voornaamste voordeel dat van de Aramese versie kan worden afgeleid, is de toepassing ervan voor kritische doeleinden. De hoge ouderdom ervan, en de frequente afwijking van de gangbare lezing in passages van belangrijke aard, zullen het gebruik ervan aanbevelen aan elke criticus, die over het algemeen beloond zal worden voor zijn moeite ...” Het verschil tussen de Aramese Peshitta en het grootste deel van de Griekse manuscripten is geen reden om de eerste te veroordelen. Het is natuurlijk om aan te nemen, gezien de grote ouderdom ervan, dat deze in veel gevallen moet afwijken van de Griekse manuscripten, waarvan de oudste meer dan vierhonderd jaar later zijn geschreven en grotendeels afkomstig zijn uit landen ver van Syrië.”
MANUSCRIPTEN VAN HET NIEUWE TESTAMENT VAN DE PESHITTA
In zijn ‘Novi Test. Versiones Syriaear’, Hafn. 1789, quatro, verdeelt J. G. C. Adler de manuscripten van het Nieuwe Testament van de Peshitta in twee klassen: de Jakobitische en de Nestoriaanse. De eerste werd geschreven in Mesopotamië, Syrië, Palestina en Egypte, de laatste in Perzië en Oost-Indië. Er is echter weinig verschil tussen de teksten van de twee. De meeste kopieën van beide laten de 2e brief van Petrus weg, de 2e en 3e brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring. Ook het verhaal van de overspelige vrouw, Johannes 7:53 tot 8:11, wordt doorgaans weggelaten, en ook de omstreden tekst, in 1 Johannes 5:7 en zo ook in Lukas 22:17-18.
De Nestoriaanse manuscripten rangschikken de boeken van het Nieuwe Testament in een speciale, eigen volgorde. Na de vier evangeliën, die ze gewoonlijk in een apart boekdeel samenvoegen en het EVANGELIE noemen, rangschikken zij de andere boeken, die ze de APOSTELEN noemenals volgt:
(‹1›) Handelingen;
(‹2›) de drie algemene brieven (‹1e brief van Petrus, 1e brief van Johannes en de brief van Jakobus›);
(‹3›) de veertien brieven van Paulus, in dezelfde volgorde als in onze Bijbels.
Zowel de Jakobieten als de Nestorianen verdelen al deze boeken in ‘Lectiones’. d.w.z. ‘Lezingen’ voor de openbare eredienst, en wel zodanig dat ze allemaal eenmaal per jaar worden voorgelezen. Het aantal lezingen uit de Evangeliën is 248, en uit Handelingen en de Brieven zijn dat er 245. De lengte van de lezingen varieert, afhankelijk van het karakter van de dagen waarvoor ze zijn bedoeld, en de samenhang en betekenis van de passages. De gemiddelde lengte van de ‘Lezingen’ is ongeveer 15 en 1/4 van onze verzen, of de helft van de gemiddelde lengte van onze hoofdstukken.
Naast deze indeling in Lezingen voor de openbare eredienst is er ook een indeling in hoofdstukken of paragrafen, afhankelijk van de betekenis. Een Nestoriaans manuscript verdeelt deze boeken in 165 hoofdstukken. Elk is gemiddeld anderhalf keer zo groot als de hoofdstukken in een Engelse Bijbel. Een ander, een Jakobitische Codex van de Evangeliën, verdeelt de Vier Evangeliën in 1389 korte hoofdstukken of paragrafen, die gemiddeld minder dan drie verzen per stuk tellen. Tot voor kort bevond de grootste verzameling Aramese manuscripten zich in de Bibliotheek van het Vaticaan in Rome, waarvan Assemani een goede beschrijving heeft gegeven in zijn Bibliotheca Orientalis Clementina Vaticana. Maar er waren ook andere te vinden in Florence, Milaan, Parijs, Wenen, Oxford en elders. Adler geeft (‹in zijn hiervoor genoemde werk›) een overzicht van veertien Peshitta-manuscripten van het Nieuwe Testament, waarvan acht Jakobitisch en zes Nestoriaans zijn. Van de acht Jakobitische manuscripten bevatten er zeven alleen de vier evangeliën, en de achtste alleen de Handelingen en de brieven. Van de zes Nestoriaanse manuscripten bevatten er drie alle boeken van de eigenlijke Peshitta-canon, één bevatte alleen de vier Evangeliën en twee bevatten alleen de brieven van Paulus. De datering van deze veertien manuscripten varieert van 548 n.Chr. tot aan de Reformatie. De manuscripten die vóór 800 n. Chr. zijn geschreven, zijn allemaal in het Estrangelo schrift. De latere manuscripten, indien Jakobitisch, gaan steeds meer over in het cursieve schrift, om uiteindelijk te eindigen in de moderne Aramese letters. De Nestoriaanse manuscripten van na 800 n. Chr. zijn geschreven in het schrift dat nog steeds in gebruik is onder de Nestoriaanse christenen, een aangepaste vorm van het Estrangelo schrift, dat aanzienlijk verschilt van ons gedrukte Aramees.
Dr. Buchanan, die in de jaren 1806 en 1807 veel reisde onder de Syrische christenen in India, ‘ontdekte en verkreeg’ (‹volgens Dr. Horne›) ‘talrijke oude manuscripten van de Heilige Schrift, die nu in de openbare bibliotheek van Cambridge worden bewaard. Eén manuscript daarvan, dat werd ontdekt in een afgelegen Syrische kerk in de buurt van de bergen, is bijzonder waardevol. Het bevat het Oude en het Nieuwe Testament, met geweldige precisie op sterk perkament in het Estrangelo schrift geschreven, op groot folioformaat, met drie kolommen per pagina.” “Volgens Yeates, die een tekstvergelijking van de Pentateuch heeft gepubliceerd, werd het rond de zevende eeuw geschreven.”
Mar Johanan, de bisschop van Gavalan in Oroomiah, die enkele jaren geleden dit land bezocht, bracht een Aramees Nieuw Testament mee, geschreven op perkament, in het Nestoriaanse schrift, en een zeer dik quatro-boek. De datering ervan is niet vastgesteld, maar gezien het schrifttype is het waarschijnlijk niet erg oud. Dit, en enkele andere Aramese manuscripten, worden bewaard in de Missionary Rooms van A. B. For. Ms. in Boston. De bibliotheek van de American Oriental Society in Boston bevat eveneens enkele Aramese manuscripten.
De “London Quarterly Review” van december 1845 bevat een artikel over waardevolle manuscripten die onlangs vanuit de kloosters van Egypte naar Engeland zijn gebracht. Deze kostbare schat werd voor het eerst ontdekt door Lord Prudhoe in 1828 en is sindsdien bijna volledig opgekocht en naar Engeland vervoerd. De manuscripten zijn in het Koptisch, Ethiopisch, Aramees en Arabisch. De ouderdom ervan varieert vanaf 411 n. Chr. en zo verder. Een manuscript uit 464 n. Chr. van de Pentateuch van de Aramese Peshitta is het oudste Bijbelse manuscript. Er zijn ongeveer dertig volumes van deze versie van delen van het Oude Testament, die alle gedateerd zijn rond de zesde eeuw. Van het Nieuwe Testament van de Peshitta zijn er veertig manuscripten van ongeveer dezelfde datum. De ouderdom van deze werken, en het gezag van deze versie, maken ze van grote waarde voor onderzoekers van de Bijbel. Onder de andere werken in deze verzameling bevindt zich naar verluidt “de Recensie van het Oude en Nieuwe Testament, door Mar Jakob, bisschop van Edessa” (‹uit de zevende eeuw‹›). Naast deze Bijbelse werken bevat deze rijke collectie een groot aantal theologische werken uit dezelfde oude tijd.
GEDRUKTE UITGAVEN VAN DE PESHITTA
1. De eerste gedrukte uitgave van de Peshitta werd in 1555 in Wenen, Oostenrijk, verzorgd en gefinancierd door keizer Ferdinand I, op aandringen van zijn kanselier, Albert Widmansted. Deze was bedoeld voor verspreiding onder de Jakobitische christenen in het Oosten. De Jakobitische ‘patriarch’ stuurde in 1552 Mozes van Marden als zijn gezant naar Europa, met het tweeledige doel (‹1›) om de eenheid met de zetel van de kerk in Rome te versterken en (‹2›) om de druk van het Aramese Nieuwe Testament voor zijn volk te in gang te zetten, Mozes van Marden bracht een manuscript mee, vervaardigd in het Oosten, en hield tevens toezicht op de druk. Een ander manuscript, met de vier Evangeliën, werd ook geraadpleegd. De uitgave werd netjes en nauwkeurig gedrukt in quatro, met de eenvoudige tekst en alle boeken van het Nieuwe Testament, met uitzondering van de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring. Het verhaal van de overspelige vrouw werd weggelaten. Omdat deze uitgave vrijwel volledig naar het Oosten werd gestuurd, zijn exemplaren ervan zeldzaam in Europa.
2. In 1568 herdrukte Emmanuel Tremellius in Heidelberg de editie van Wenen in folioformaat, in Hebreeuwse letters, en voegde er een Latijnse vertaling aan toe, die hij zelf had gemaakt. Hij bezat ook een Aramees manuscript, maar maakte er weinig gebruik van.
3. In 1571 herdrukte Guy le Fèvre de la Boderie (‹Boderianus›) dezelfde tekst, zowel in Aramese als Hebreeuwse letters, vergezeld van een Latijnse vertaling, in het derde deel van de Antwerpse Polyglotbijbel. Boderie bezat ook een Syrisch manuscript, meegebracht uit het Oosten door Willem Postell, waaruit hij verschillende lezingen putte.
4 & 5. De vierde en vijfde editie waren in Hebreeuwse letters, zonder punten, gedrukt in Antwerpen door Plantin in 1573 en 1575; de eerste in 8vo. de andere 18 maanden
6. In 1584 herdrukte La Boderie in Parijs, quatro, de Aramees tekst in Aramese letters, met een interlineaire Latijnse vertaling.
7. In 1579 voegde Elias Hutter Tremelli's Hebreeuws-Aramese tekst toe aan zijn Polyglott Nieuwe Testament en vulde de ontbrekende boeken aan met Syrische vertalingen van zijn eigen hand.
8. In 1621 herdrukte Martin Trost in Kothen, in Anhalt, de Aramese tekst van de Weense uitgave, in fraaie Aramese lettertypen, met een Latijnse vertaling; 1 deel, quatro. Tot dan toe waren de 2e brief van Petrus, de 2e en 3e brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring niet van manuscripten gedrukt. Maar in 1627 publiceerde Lewis de Dieu in Leiden de Openbaring, uit een manuscript dat uit India was meegebracht en eigendom was geweest van Scaliger; en in 1630 publiceerde Edward Pocock, ook in Leiden, de vier ontbrekende brieven, uit een manuscript in de Bodleian Library in Oxford. Sindsdien bevatten de Peshitta-uitgaven van het Nieuwe Testament alle boeken die de canon van het Nieuwe Testament vormen.
9. In 1645 werd het Peshitta Nieuwe Testament opgenomen in de Parijse Polyglot, gekopieerd van de Antwerpse Polyglot, en uitgebreid met de ontbrekende brieven en de Openbaring; het geheel werd herzien en gecorrigeerd door Gabriel Sionita.
10. In 1653 heruitgaf de Londense Polyglot het volledige Syrische Nieuwe Testament uit de Parijse Polyglot en voegde voor het eerst de geschiedenis van de overspelige vrouw toe, uit een manuscript dat toebehoorde aan aartsbisschop Usher.
11. In 1664 publiceerde Giles Gutbir zijn Syrische Nieuwe Testament in Hamburg, in een middelgroot 12mo-volume, voor algemeen gebruik. Zijn tekst is die van Trost, met enkele aanpassingen, en wordt gevolgd door een lijst met verschillende lezingen, voornamelijk afgeleid van de gedrukte edities. Dit is een goedkope en zeer gangbare editie, en het zou een goede editie zijn als de typografie was zoals het hoort. Het wordt doorgaans vergezeld van een goed, beknopt lexicon van het Syrische Nieuwe Testament.
12. In 1684 herdrukte Christian Knorre in Salzbach de editie van Plantin uit 1573 in Hebreeuwse letters, in 12mo-formaat.
13. In 1713 drukte de Congregatie voor de Propaganda van het Geloof in Rome het Nieuwe Testament, in het Aramees en Arabisch, in 2 delen, folio, voor gebruik door de Maronieten.
14. In 1708 publiceerden John Leusden en Charles Schaaf in Leiden hun uitstekende editie, in het Syrisch en Latijn, in groot quatro-formaat, met een uitgebreide lijst van de verschillende lezingen in verschillende edities. Deze editie werd in 1717 herdrukt door Schaaf. Hij publiceerde samen met beide edities ook zijn hoog gewaardeerde Lexicon The Syriac Concordant in the New Test. Syr., in groot quatro.
15. In 1713 werd de tekst van Schaaf opgenomen in de Biblia Quadralinguia van Christian Reineccius, Leyden, folio.
16. In 1805 heruitgaf Richard Jones in Oxford, in quatro, de tekst van Schaaf, gecorrigeerd door twee Syrische manuscripten in de Bodleian Library en door het Commentaar van Bar-Hebraeus, dat zich in dezelfde bibliotheek bevond.
17. In 1816 publiceerde de British and Foreign Bible Society in Londen (‹Richard Watts, drukker›) een zeer fraaie editie van de Aramese tekst, gecorrigeerd door manuscripten, in 552 pagina's, quatro, bedoeld voor distributie in India. “Deze editie” (‹zegt een zekere Horne›), “werd voor de druk gecorrigeerd, wat betreft de Handelingen van de Apostelen, door wijlen dr. Buchanan, en hij werd voltooid door Samuel Lee, professor Arabisch aan de Universiteit van Cambridge.”
18. In 1826 was er een tweede druk door de British and Foreign Bible Society van hun editie van 1816, in een redelijk, maar kleiner lettertype, in 360 pagina’s, quatro. Deze editie werd waarschijnlijk onder supervisie van professor Lee uitgevoerd.
19. Ten slotte: In 1846, nadat de missionarissen van de A.B.C.F.M. in Oroomiah, Perzië, hun vertaling van het Nieuwe Testament in het dialect van de moderne Nestorianen hadden voltooid, drukten ze het, samen met de Aramese tekst, in parallelle kolommen, beide in het moderne Nestoriaanse schrift, met in de kantlijn alle afwijkingen van de Aramese tekst ten opzichte van de Griekse tekst. Het werd gedrukt in Oroomiah, in één deel, groot quatro. De Aramese tekst van deze editie lijkt overeen te komen met die van de British and Foreign Bible Society. Het wordt vaak betreurd dat de redacteurs van het Nieuwe Testament van de Peshitta ervoor gekozen hebben om zo min mogelijk tijd en moeite te besteden aan het vergelijken van de manuscripten om een correcte tekst samen te stellen. Ze hebben grotendeels de oorspronkelijke editie gevolgd, met enkele wijzigingen in de klinkertekens, en zij hebben slechts weinig wijzigingen toegestaan op basis van de gezaghebbende manuscripten. De gangbare tekst, zo wordt gezegd, lijkt voornamelijk afgeleid te zijn van de Nestoriaanse manuscriptenfamilie en die behoeft eigenlijk een grondige vergelijking, vooral met manuscripten van de Jakobitische familie.”
Tot zover onze weergave van James Murdoch pleidooi voor de Peshitta, doorspekt met kennis, informatie en met zijn visie op de waarde van de Peshitta of Peshitto.
IV. de Peshitta - KENMERKEN & ANALYSE
De Peshitta is de volledige Aramese Bijbel: Oude en Nieuwe Testament. Het Oude Testament is een vertaling van de Hebreeuwse Tenach, zoals het Oude Testament van elke Nederlandse Bijbel dat ook is. Het Nieuwe Testament van de Peshitta wordt door de meeste Syrische christelijke gemeenschappen beschouwd als het origineel en als de woorden van Jezus Christus en dit wordt tot nu toe in de samenkomsten gebruikt.
A. HET ONTBREKENDE BOEK OPENBARING
De oude manuscripten zijn van vitaal belang voor de overdracht van Gods Woord door de eeuwen heen, het zijn de getuigen die wij hebben van de grondtekst of de oorspronkelijke tekst. Dat geldt voor het Oude Testament en voor het Nieuwe Testament.
Wat betreft het Hebreeuwse/Aramese Oude Testament is de Codex Leningrad (‹Latijn: Codex Leningradensis = Leningrad Boek, in het Hebreeuws: כתב יד לנינגרד›) het oudste volledige manuscript van de Hebreeuwse Bijbel. Het maakt gebruik van de Masoretische tekst en van de Tiberiaanse vocalisatie. Volgens het colofon ervan is deze in 1008/1009 n. Chr. in Caïro gemaakt. De Aleppo Codex is enkele tientalllen jaren ouder, maar hoewel deze aanvankelijk ook heel de Tenach, d.w.z. heel het Oude Testament, bevatte, zijn er gedurende de anti-Joodse rellen in Aleppo in 1947 delen van kwijtgeraakt, waardoor de Leningrad Codex de oudste volledige codex is die is overgebleven van de zgn. Tiberiaanse ‘massora’.
In 1935 werd de Leningrad Codex voor een periode van twee jaar uitgeleend aan het Seminarie van het Oude Testament van de Universiteit van Leipzig. In die periode gaf Paul E. Kahle leiding aan het overschrijven van de Hebreeuwse tekst ervan ten behoeve van de 3e editie van de ‘Biblia Hebraica’ (‹BHK›), gepubliceerd in Stuttgart, 1937. De codex werd ook gebruikt voor de ‘Biblia Hebraica Stuttgartensia’ (‹BHS›) in 1977, en wordt ook gebruikt voor de ‘Biblia Hebraica Quinta’ (‹BHQ›). Als een oorspronkelijk werk van de Tiberiaanse Masoreten was de Leningrad Codex enkele eeuwen ouder dan andere Hebreeuwse manuscripten die gebruikt waren voor alle voorgaande edities van de gedrukte Bijbel tot aan de Biblia Hebraica.
De Westminster Leningrad Codex is een digitale versie van de Leningrad Codex die wordt verzorgd door J. Alan Groves van het ‘Center for Advanced Biblical Research’. Dit is een versie van de Michigan-Claremont tekst, die is overgeheveld van de BHS aan de Universiteit van Michigan in 1981–1982 onder leiding van H. Van Dyke Parunak (‹van de Universiteit van Michigan›) en Richard E. Whitaker (‹van het Institute for Antiquity and Christianity, Claremont Graduate University›) met fondsen van de Packard Foundation en van de Universiteit van Michigan, met aanvullende proeflezingen en correcties. Deze versie is voorzien van tal van gereedschappen o.a. om de syntax te analyseren.
Wat betreft het Aramese Oude Testament hebben wij hiervoor na afsluiting van paragraaf II. D. een kort overzicht gegeven van de bronnen van het Oude Testament van de Peshitta.
Wat betreft het Griekse Nieuwe Testament verwijzen wij naar de Nestle-Aland editie, afgekort NA28, genaamd ‘Novum Testamentum Graece’, een uitgave van de ‘Deutsche Bibelgesellschaft’,
Wat betreft het Nieuwe Testament van de Peshitta hebben wij al besproken dat vanaf het begin, d.w.z. vanaf de dagen van het concilie van Efeze in 431 n. Chr. het Nieuwe Testament van de Peshitta was samengesteld uit 22 boeken. Lange tijd ontbraken de 4 kleine brieven, waarover wij het onder B. zullen hebben, en ook ontbrak het boek Openbaring, waar het ons in dit deel van ons artikel over gaat.
Zoektochten naar manuscripten en vondsten van manuscripten hebben de gemoederen van de onderzoekers voortdurend beziggehouden en we geven de lezer graag een wat levendiger beeld daarvan uit een artikel van H.L. Hastings in zijn ‘Historical Introduction to the Peshitto Syriac (‹=Aramaic›) New Testament’, een inleiding die onderdeel is van de publicatie van James Murdoch met zijn Engelse vertaling van het Nieuwe Testament. Hij schrijft:
“De gemeente van Jezus Christus is al lange tijd vertrouwd met de Heilige Schrift in het Hebreeuws en het Grieks. De Latijnse ‘vulgaat’, of gangbare versie, die al vroeg werd gemaakt voor gebruik door mensen die de oorspronkelijke talen niet verstonden, is zowel in het origineel als in een Engelse vertaling bekend; maar de Syrische/Aramese versie was eeuwenlang vrijwel onbekend bij Europese geleerden. Toch was ze, hoewel onbekend, welbekend: ze bestond, werd gelezen, bestudeerd, uitgelegd, geciteerd, geliefd en gekoesterd, en nu ze (‹midden 19e eeuw›) prominenter onder de aandacht van het publiek komt, lijkt het gepast om aandacht te besteden aan de geschiedenis van het behoud ervan, de kanalen waarlangs ze is gekomen en de bijzondere omstandigheden waardoor ze in de openbaarheid is gebracht.”
Het Aramees was weinig bekend in Europa en in kerkelijke kringen. Een zekere Teseo in Rome, die goed was in Latijn, kwam in contact met Arameessprekende Maronieten uit Libanon waaronder een zekere Elias, en die beiden raakten bevriend, terwijl een Jood die Arabisch verstond hielp en wel als volgt: ‘Elias vertaalde het Aramees naar het Arabisch en de Jood vertaalde vervolgens dit Arabisch naar het Latijn, zodat het kringetje rond kwam. Het speelde allemaal om en nabij 1500. Zo leerde de begaafde Teseo Aramees en wilde al snel na zijn eerste vorderingen een druk van het boek Psalmen in het Aramees verzorgen. We moeten beseffen dat het de eerste dagen van de opkomst van de boekdrukkunst in Europa waren, en het beproefde, maar tijdrovende, overschrijven van manuscripten zou al vlug overschaduwd worden door de opmars van de drukpers waarbij honderden kopieën in steeds hoger tempo van de pers gingen rollen.
Door oorlogsgeweld raakte Teseo echter al zijn splinternieuwe koperen lettermatrijzen, gietvormen en alle manuscripten voor de druk kwijt. In 1529 ontmoet hij een Duitse jongeman genaamd John Albert Widmanstadt, die net als Teseo advocatuur had gestudeerd, maar erg geïnteresseerd bleek in Oosterse talen, en zich het Grieks en Hebreeuws eigen had gemaakt. Johann Albrecht Widmannstetter of Widmestadius, zoals hij ook wel genoemd wordt (‹1506 – 28 March 1557›) was een Duitse humanist, oriëntalist, filoloog en theololoog en zoe later ook diverse politieke functies bekleden zoals die van kanselier onder keizer Ferdinand I.
Teseo weet de interesse van Widmanstadt te wekken voor een nog in zijn bezit zijnd manuscript van de vier Evangeliën in het Aramees van de Peshitta en geeft dat aan Widmanstadt. Deze begint Aramees te leren met hulp van Ambrogio, die hem aan het eind van zijn onderwijs het manuscript van de vier Evangeliën meegeeft. Vervolgens zoekt Widmanstadt, waarschijnlijk in de loop van 1533, hulp van de paus voor de druk ervan, maar de paus overlijdt in 1534 en de hoop van Widmanstadt is vervlogen, ook al gaat hij door met het leren van Aramees en Arabisch.
Teseo werpt zich op de druk, die uiteindelijk in 1537 plaatsvindt, van zijn “Introduction to the Chaldaic, Syriac, Armenian and ten other languages’, aangevuld met het ‘Onze Vader’, de gelijkenis van de bruiloftsfeest in Mt. 27 en enkele passage uit de Peshitto.
Ambrogio stuit in 1534 in een winkel van een sausmaker als door een wonder op het in de oorlog kwijtgeraakte Aramese manuscript dat Teseo had willen drukken.
Widmanstadt op zijn beurt, ontdekt na de ontvangst van de uiterst kostbare Aramese Evangeliën van Teseo, een tweede manuscript van de Aramese Evangeliën in de bibliotheek van Tolmei in Sienna, ten zuiden van Florence in Italië. Hij schrijft het over en bewaart het samen met het manuscript dat hij van Teseo had ontvangen, en blijft zinnen op het in de openbaarheid brengen van het Nieuwe Testament van de Peshitta..
In de herfst, waarschijnlijk van 1533, als hij op terugreis is vanuit Heilbronn in Duitsland naar Wenen in Oostenrijk, waar hij door politieke omstandigheden was komen te wonen, ontmoet hij onverwachts een Arameessprekende priester, genaamd Mozes uit Mardin, een strategisch bolwerk van de Arameessprekenden christenen ongeveer 70 km ten zuidoosten van Diyarbakir in het zuidoosten van het huidige Turkije, dichtbij de grens met Syrië. De man was op bezoek in Italië om Widmanstadt op te zoeken. Hij had Ambrogio leren kennen, die aan Widmanstadt Aramese les had gegeven, en Ambrogio had hem geadviseerd om Widmanstadt op te zoeken. Deze Mozes van Mardin was al zo’n 3 à 4 jaar voor deze ontmoeting als een soort bemiddelaar tussen Antiochië en Rome op reis gegaan naar Europe, maar tegelijkertijd was hij ook op zoek naar middelen om het Nieuwe Testament van de Peshitta te drukken. Hij was daarvoor naar Venetië gegaan, want daar waren de beroemde drukkers Aldus Manucius en Daniël Bomberg, maar het had allemaal niets opgeleverd, totdat hij op een bepaald moment in contact kwam met Guillaume Postel, een briljante, excentrieke Fransman (‹die verstrikt raakte in het kabbalisme en syncretisme›), die onlangs was teruggekomen uit het Midden-Oosten en een manuscript van het Nieuwe Testament had meegenomen voor Bomberg. Deze Fransman kende ook Ambrogio, die ook hem Aramees had onderwezen, en ook hij, net als eerder Ambrogio, raadt Mozes van Mardin aan om Widmanstadt op te zoeken. Op wonderlijke wijze lukt het Mozes van Mardin om met hulp van de kerkelijke autoriteiten naar Augsburg te reizen en vandaar naar Dillingen, waar waarschijnlijk in 1533 de al genoemde ontmoeting in de herfst plaatsvond tussen Mozes van Mardin en Widmanstedt die op terugreis naar Wenen was. Twee mannen met dezelfde visie - een visie die Widmanstedt al jaren koesterde en die Mozes van Mardin van Azië naar Europe had doen reizen, en over de Alpen heen van Italië naar Duitsland - kwamen eindelijk bijeen.
Widmanstedt nam Mozes mee naar Wenen en stelde hem voor aan keizer Ferdinand I. Zij ontvingen politieke en financiële ondersteuning voor hun drukplannen van keizer Ferdinand en beide mannen zouden de komende jaren samenwerken om de druk van de Aramese uitgaven voor te bereiden en te verzorgen. De kunstenaar Caspar Grapht graveerde de drukstempels in staal voor het slaan van de lettermatrijzen, een prachtig lettertype werd in tin gegoten, en Michael Cymbermann, of Zimmerman, was de drukker. De Aramese Evangeliën werden gedrukt op 18 mei 1555, de brieven van Paulus op 18 Juli en het boek Handelingen op 14 augustus, en heel het boekwerk werd voltooid op 27 september. Het was de eerste gedrukte editie van heel het Nieuwe Testament van de Peshitta, met uitzondering van de vijf boeken: Openbaring, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Juda(‹s›) (‹zie deel III. van dit artikel, en wel de paragraaf over de gedrukte uitgaven van de Peshitta ad. 1 ›).
|
Zo kwamen uit twee verschillende gemeenschappen, in Libanon en Mardin, de manuscripten op gezag waarvan de eerste gedrukte uitgave van het Aramese Nieuwe Testament ter wereld kwam. Geloofsgemeenschappen, gescheiden in plaats, kerkelijke traditie en zonder onderling contact, hielden elk toch vast aan dit betrouwbare Woord van God als het anker van hun hoop, de lamp voor hun voeten en het licht op hun pad. |
Hoewel we op dit punt van ons artikel nog steeds ‘op zoek zijn’ naar het boek Openbaring, willen wij, voordat wij de wonderlijke vondst daarvan gaan belichten, toch nog enkele boeiende fragmenten van Hastings historische inleiding op het Aramese Nieuwe Testament van de Peshitta ter lezing aanbieden. Hastings schrijft:
“Het belang van de Aramese versie van de Schrift werd snel erkend en er ontstonden felle discussies over de ouderdom en oorsprong ervan. Het boek zelf bleef echter verborgen in de vertrekken van de geleerden, weinigen konden het bestuderen, en het grote deel van de christenheid werd de mogelijkheid onthouden om het te gebruiken. Maar hoewel er een eeuw voorbijging waarin er geen grote vooruitgang werd geboekt in Aramese studies en onderzoeken, werd het Aramese Testament niet vergeten, en deden zich omstandigheden voor die het duidelijker onder de aandacht brachten van het christelijke publiek. Onder deze omstandigheden kunnen de onderzoeken van Claudius Buchanan worden genoemd, die deel uitmaakte van een andere groep ‘schatbewaarders’ van de Peshitta ... Deze Buchanan reisde naar Malabar in India, waar een aanzienlijke gemeenschap van christenen was die hun samenkomsten in het Aramees hielden en die verbonden waren met de kerk van het Oosten.
Bij aankomst daar trof Buchanan talloze christelijke kerken aan, en toen hij 's avonds een stad naderde, hoorde hij het geluid van klokken in de heuvels, wat hem naar eigen zeggen, “even deed vergeten dat ik in Hindoestan was, en me aan een ander land deed denken.” De eerste Arameessprekende kerk die ik zag, was in Mavelikar. De Syrische kerk hier hadden vaak bezoek gehad van rooms-katholieke gezanten. Ze hadden wel van de Engelsen gehoord, maar dachten dat die tot de kerk van de paus behoorden. Ze konden niet geloven dat ik met een vriendschappelijke bedoelingen was gekomen. Ik had een gesprek met een zeer intelligente priester over de oorspronkelijke taal van de evangeliën, waarvan hij volhield dat het Aramees was. ‘Hoe kunnen we weten,’ zei hij, ‘dat jullie standaardversie van de Bijbel de ware en oorspronkelijke tekst is? We kunnen niet afwijken van onze eigen Bijbel. Het is het ware boek van God, onvervalst, het boek dat voor het eerst werd gebruikt door de christenen van Antiochië. Welke vertalingen jullie in het Westen hebben, weten wij niet, maar de ware Bijbel van Antiochië hebben wij al veertienhonderd jaar, of langer, in de bergen van Malabar. Sommige van onze exemplaren zijn heel oud, zo oud dat zij in vervallen staat verkeren, zodat ze nauwelijks nog langer bewaard kunnen blijven. Jullie geven toe,’ zei hij, ‘dat onze Heiland onze taal sprak. Hoe weten jullie dat? Op grond van de Aramese uitdrukkingen in de Griekse evangeliën. Jezus sprak Aramees toen Hij over de weg wandelde (‹Ephphatha›), en toen Hij in het huis zat (‹Talita qumi›), en toen Hij aan het kruis hing (‹Eli, Eli, lama sabachthani?›)’ De Syriër was blij toen hij hoorde dat wij hun taal in onze Engelse boeken hadden opgenomen. ‘Maar,’ voegde hij eraan toe, ‘als de gelijkenissen en toespraken van onze Heer in het Aramees waren, en de inwoners van Jeruzalem die taal algemeen gebruikten, is het dan niet wonderlijk dat zijn discipelen zijn woorden niet in het Aramees zouden hebben opgetekend en dat ze hun toevlucht tot het Grieks zouden hebben genomen?” Ik merkte op dat Grieks destijds de universele taal was, en dat de Voorzienigheid die daarom had uitgekozen. ‘Het is zeer aannemelijk’ zei hij, ‘dat de evangeliën direct daarna in het Grieks zijn vertaald, net als in andere talen, maar er moet toch zeker een Aramees origineel zijn geweest. De arme mensen in Jeruzalem konden geen Grieks lezen. Hadden ze dan geen aantekeningen in handen van Christus’ gelijkenissen die ze hadden gehoord, en van zijn verheven toespraken die na Zijn hemelvaart door Johannes waren opgetekend?” Ik erkende dat sommige geleerden geloofden dat het Evangelie van Matteüs oorspronkelijk in het Aramees geschreven was. Dus u geeft toe dat Matteüs in het Aramees is geschreven — u kunt dat net zo goed ook ten aanzien van Johannes erkennen. Of was één evangelie soms genoeg voor de inwoners van Jeruzalem?’ Ik betoogde dat er veel Griekse en Romeinse woorden in hun eigen Aramese evangeliën stonden. ‘Klopt,’ zei hij, ‘Romeinse woorden voor Romeinse dingen!’
In Chinganúr werd ik in de kerk ontvangen door drie priesters, en de mensen kwamen om me heen staan ... Ik zei tegen de oudste priester: ‘U lijkt me een volk dat betere tijden heeft gekend.’ ‘Dat klopt,’ zei hij, ‘de glorie van onze kerk is vergaan, maar we hopen dat uw volk die weer zal doen herleven.’ Ik merkte op dat de glorie van een kerk nooit kon afsterven, als zij de Bijbel bewaarde. ‘We hebben de Bijbel bewaard,’ zei hij, ‘maar de kennis ervan is gering. We hebben maar weinig exemplaren en het overschrijven van een complete kopie van de Heilige Schrift is een grote klus.’ Daariop haalde ik een gedrukt exemplaar van het Aramese Nieuwe Testament tevoorschijn. Geen van hen had ooit eerder een gedrukt exemplaar van de Peshitta gezien. Ze bewonderden het heel erg en elke priester begon, zodra hij het in handen kreeg, een gedeelte ervan in vloeiend Aramees voor te lezen, terwijl de vrouwen eromheen kwamen staan om te luisteren. Ik vroeg de oude priester of ik hen enkele exemplaren uit Europa zou mogen sturen. ‘Die zouden hun gewicht in goud waard zijn,’ zei hij. Hij vroeg me of het Oude Testament ook in het Aramees gedrukt was, net als het Nieuwe. Ik vertelde hem dat dat inderdaad het geval was, maar dat ik geen exemplaar bij me had. Ze gaven aan dat ze graag enkele exemplaren van de complete Aramese Bijbel wilden hebben, en vroegen of het mogelijk zou zijn om één exemplaar voor elke kerk te verkrijgen. De priester zei: ‘Het Aramees is nu alleen nog de taal van de geleerden, en die van de kerk, maar wij leggen de Schriften over het algemeen aan het volk uit in de volkstaal, het Malayalam.’
In Kandenad, de residentie van metropoliet Mar Dionysius, een bijzonder vrome man, sprak Claudius Buchanan over het voorbereiden van een vertaling en het drukken van de Bijbel in het Malayalam. Ook ontving hij Aramese manuscripten, waaronder een groot folio, met drie kolommen per pagina, met daarin het Oude en Nieuwe Testament, prachtig geschreven op stevig perkament. Buchanan zei: ‘Ik had nauwelijks verwacht dat de Arameessprekende kerk dit manuscript zou hebben afgestaan, maar de bisschop was zo vriendelijk het aan mij te overhandigen, en daarbij zei hij: ‘Het is veiliger in uw handen dan in de onze. En toch,’ zo zei hij, ‘hebben wij het, zoals sommigen menen, al bijna duizend jaar bewaard.’
‘Ik wens,’ antwoordde Buchanan, ‘dat Engeland het nog eens duizend jaar zal bewaren.’ Dit exemplaar bevindt zich nu in Cambridge in Engeland. Het geschrift wordt de Buchanan Codex genoemd die beide Testamenten bevat en in het Nieuwe Testament ook de vier kleine brieven: 2 Petrus, 2 & 3 Johannes en Juda(‹s›), maar het boek Openbaring ontbrak nog steeds.
Toen Buchanan in slechte gezondheid naar Engeland terugkeerde, deed hij een dringend beroep op het Bijbelgenootschap om een uitgave van de Bijbel in het Aramees uit te brengen, want hoewel hij een exemplaar naar de Syrische bisschoppen wilde sturen als voorbode van meer, kon hij in het hele Britse koninkrijk geen enkel los exemplaar van de Aramese Bijbel te koop vinden.
In 1807 bezocht Dr. Buchanan voor de tweede keer Travancore en bracht het manuscript van de vertaling van het Nieuwe Testament in het Malayalam afkomstig van aartsbisschop Dionysius naar Bombay om het daar te laten drukken. Vijfduizend exemplaren van de Evangeliën werden gedrukt op kosten van de British & Foreign Bible Society (‹BFBS›), en in de afgelopen zeventig of tachtig jaar zijn er tussen de drie- à vierhonderdduizend Bijbels of delen daarvan door het Bijbelgenootschap in het Malayalam gedrukt voor gebruik door deze Syrische kerken – die volgens de volkstelling van 1836 precies 118.382 zielen telden, terwijl de Romo-Syrische christenen - die naar men meent ontstaan is op de prediking van de apostel Toma(‹s›) al in 52 n. Chr. in de eerste eeuw - 56.184 zielen telden. Ze worden ook genoemd de Paḻayakūṟ, d.w.z ‘oude getrouwen’.
Sindsdien zijn er verschillende edities van de Aramese Bijbel en het Nieuwe Testament gepubliceerd in Engeland en Amerika, en de Aramese versie heeft enige aandacht gekregen die het belang en de verdiensten ervan verdienden. Maar er waren weinig toegankelijke manuscripten, en de mogelijkheden voor een zorgvuldige, kritische studie van de tekst ontbraken nog.
Maar Hij die zo wonderbaarlijk over deze versie van de Heilige Schriften had gewaakt, had andere getuigen van de zuiverheid en integriteit ervan, die te zijner tijd onder de aandacht gebracht zouden worden.”
Hastings geeft ook een verslag van de Syrische christenen van Urumia of Urmia. Hij schrijft:
“Op betrekkelijk korte afstand van de plaats waar vroeger Ninevé lag, op de oostelijke oever van de Tigris, tegenover de huidige stad Mosul, strekt zich over honderdvijftig mijl een bergachtig gebied naar het noordoosten uit in de richting van meer van Urmia (‹redactie EBV: momenteel ligt dit meer en het omliggende gebied op het grondgebied van Iran aan de westzijde van het meer, terwijl de bekende Iraanse stad Tabriz aan de oostzijde van het meer ligt›). Het is een zout meer van ongeveer tachtig mijl lang en dertig mijl breed (‹redactie EBV: het waterniveau van dit meer is momenteel dalend met alle gevolgen van dien›). Aan de westelijke oever ervan is een prachtige, vruchtbare vlakte in de provincie Urumia, aan de oostelijke voet van het Koerdische gebergte. De vlakte is ongeveer veertig mijl lang, ligt ter hoogte van het midden van het meer gerekend van noord naar zuid, en is ongeveer twintig mijl breed.
Twaalf mijl van het meer af en twee mijl vanaf de bergen, ligt de stad Urumia, het oude Thebarma, dat volgens de overlevering de geboorteplaats is van Zoroaster, de stichter van de religie van de vuuraanbidders (‹redactie EBV: waartoe ook de Yezidi’s behoren›). De juistheid van deze overlevering wordt bevestigd door het feit dat er op verschillende delen van de vlakte diverse kunstmatige heuvels zijn te vinden, die elk een oppervlak van ± 60 bij 60 mtr innemen of ook wel het dubbele ervan, en die oprijzen tot een hoogte van 20-30 meter en eruit zien als enorme ashopen die zich in de loop van vele eeuwen hebben gevormd door de ‘eeuwige’ vuren die verbonden zijn met manier van hun aanbidding.
In deze stad Urmia, te midden van een bevolking van dertig- tot veertigduizend mensen, bevindt zich een gemeenschap die bekend staat als de Nestorianen, bestaande uit vijf- of zeshonderd zielen. In de grote vlakte, met de eraan grenzende hellingen van de bergen, die een gebied van ongeveer zeshonderd vierkante mijl beslaan, liggen zo’n driehonderdveertig dorpen, en onder deze dorpen bevinden zich ook een aantal Nestoriaanse dorpen. Daarnaast zijn er in andere provincies en in de ruigste delen van het Koerdische gebergte, in gebieden zo ruig dat alleen de meest behendige muilezel erdoor kan trekken, ook verspreide gemeenschappen van dezelfde afkomst en van hetzelfde geloof.
Het totale aantal mensen die tot dit bijzondere volk behoren, wordt geschat op ongeveer 140.000. Ze zijn goed gebouwd, met regelmatige, mannelijke gezichtstrekken en zij hebben een donkere huidskleur. Zij zijn dapper, edelmoedig, vriendelijk en zo onafhankelijk als maar mogelijk is onder de islamitische overheersing. Hun volkstaal, hoewel aangetast en beïnvloed door het Perzisch, Aramees, Koerdisch en het Turks, wordt door moderne geleerden beschouwd als een tak van het oude Oost-Aramees, dat niet rechtstreeks is ontstaan uit de oudere taal die we gewoonlijk Aramees of Syrisch noemen, maar uit een verloren zustertaal. Maar het Oud-Syrisch of Aramees is al eeuwenlang hun literaire en kerkelijke taal. Hun correspondentie wordt vaak in die taal gevoerd, en hun Heilige Schrift en kerkrituelen, evenals bijna alle andere boeken die ze bezitten, zijn geschreven in het Oud-Aramees, en de geestelijken onder hen die de nodige opleiding hebben gehad, kunnen die taal spreken.
Deze gemeenschap staat bekend als de Nestorianen, maar zelf noemen zij zich Suryee of Syriërs. Het is het overblijfsel van een eens groot en invloedrijk volk, dat in zijn bloeiperiode talrijk was in alle uitgestrekte gebieden van Palestina tot China, en dat het Evangelie zelfs tot in het hart van Noord-China verspreidde. Hun kerkvaders woonden in Ctesiphon en Seleucië, maar verhuisden rond het jaar 732 naar Bagdad, de hoofdstad van het Saraceense rijk, en vestigden zich uiteindelijk in 1559 in Mosul. Soms, zoals onder Dzenghis Khan, de Mongoolse heerser, bekleedden ze hoge posities in het leger en aan het hof. Onder het bewind van de bloeddorstige Timurlane werden ze echter afgeslacht tot er alleen nog een verstrooide kudde van overbleef. Alleen in de uitgestrekte, ontoegankelijke berggebieden bleven zij grotendeels ongedeerd. Maar gedurende bijna vijftienhonderd jaar - of het nu in vredestijd of in vervolging was, in voorspoed of tegenspoed - hebben zij hun geloof vastgehouden, en dat doen zij tot op de dag van vandaag.
Hun oorsprong is bekend. Nestorius, geboren en opgeleid in Syrië, een oudste in de kerk in Antiochië, werd in 428 na Christus bisschop van Constantinopel. Drie jaar later werd hij aangeklaagd en geëxcommuniceerd door het derde algemene concilie in Efeze, omdat hij de maagd Maria niet ‘de moeder van God’ wilde noemen, en ook, zoals zij beweerden, omdat hij Christus ‘twee personen’ en ‘twee naturen’ toedichtte - een beschuldiging die hij hardnekkig ontkende. Zonder gehoord te worden, werd hij veroordeeld, uit de kerk gezet en uit zijn ambt ontheven, en vervolgens verbannen naar Arabia Petra. Vier jaar later werd hij naar een van de oases van Libië gedeporteerd en hij stierf uiteindelijk in Boven-Egypte. Natuurlijk wekte zijn ex-communicatie veel sympathie op. Zijn landgenoten in het Oosten namen het voor zijn zaak op, met name de Syriërs in Edessa, Mesopotamië, de zetel van een grote theologische school. De groep die met hem sympathiseerde, werd sterk, machtig en invloedrijk, totdat ze onder de langdurige onderdrukking van de islamitische heersers als schapen voor de slachtbank werden beschouwd en zo sterk werden uitgedund, dat er alleen maar een restje van hen overbleef.
De beroemde Engelsman Joseph Wolff, een Jood die tot geloof in Jezus, de Messias was gekomen. Hij verkondigde het Evangelie in verschillende landen, ook in Israël, dat destijds nog Palestina werd genoemd. Rond 1825 bezocht Urumia. Hij schrijft: ‘De Syrische geestelijken waren bedroefd door de schaarste aan heilige boeken, met name door weinige Bijbels die er waren. Zij zeiden: ‘We hebben gehoord dat de Engelsen duizend exemplaren per dag kunnen schrijven, zouden ze er niet een paar duizend kunnen schrijven en naar ons kunnen opsturen?’
Mar Yohanan, één van hun bisschoppen, gaf een exemplaar van hun Evangeliën aan Wolff, en hiervan drukte de British & Foreign Bible Society in 1827 een aanzienlijke oplage met speciaal daarvoor gemaakte lettertypes. Dit was ongetwijfeld de eerste druk in het vierkante Nestoriaanse lettertype.
In 1830 werden Eli Smith en H.G.O. Dwight door de Amerikaanse Raad van Bestuur voor Buitenlandse Zendings op een zendingsreis door Armenië en Perzië uitgezonden. Ze hadden een boeiende week onder de Nestorianen van Urumia en omgeving, en leerden veel belangrijke feiten over deze bijzondere gemeenschap. Door de onderdrukking en vervolging zijn zij arm geworden en hebben ze weinig kansen om vooruit te komen. Ze bezitten weinig boeken: de bibliotheek van de kerkelijke patriarch, die als uitzonderlijk groot gold, bevatte maar zestig boekwerken, waaronder ook nog dubble exemplaren voorkwamen. Ze hadden geen gedrukte boeken en in hun alfabet was waarschijnlijk nooit iets gedrukt, maar er waren wel manuscripten van de Psalmen, de Evangeliën en de Brieven, in aparte delen, waarvan sommige honderden jaren oud waren. Twee kerken bezaten de Pentateuch, maar een compleet exemplaar van de Bijbel was bij hen onbekend.
In het dorp Koosy hoorden Smith en Dwight van een hoog in aanzien staand heilig boek, dat volgens de datum die de schrijver erin had gezet, driehonderd jaar vóór het islamitische tijdperk was geschreven, rond 322 n. Chr. Ze bezochten het huis van de priester waar het bewaard werd, en de omstanders ontblootten eerbiedig hun hoofd toen hij de kist, die het Heilige Boek bevatte, opende en er voorzichtig en één voor één tien zijden zakjes en zakdoeken van wegnam die het boek bedekten, waardoor uiteindelijk een keurige en goed bewaarde kopie van het Peshitto Aramese Nieuwe Testament tevoorschijn kwam, geschreven op perkament, in kleine Estrangelo-letters. Een later onderzoek wees uit dat dit Nieuwe Testament-manuscript waarschijnlijk niet ouder was dan 700 jaar, hoewel het mogelijk gekopieerd was van een manuscript met een eerdere datum. Geen enkel aanbod om dit manuscript te kopen wilden ze, al was het maar een enkele seconde, overwegen, en ook van hun andere boeken kon er geen enkel exemplaar gekocht worden, aangezien ze maar enkele exemplaren voor eigen gebruik hadden. Pas later zijn er veel manuscripten van het Peshitta Nieuwe Testament vanuit deze gemeenschap naar Amerika gekomen door de Amerikaanse zending. Ze zijn te vinden in Boston, New York en in privébibliotheken, en dateren van ongeveer het einde van de twaalfde eeuw.
Onder deze geïsoleerde gelovigen, die zo lang gescheiden waren van andere christenen, vonden latere ontdekkingsreizigers de hele Peshitto, het Oude en Nieuwe Testament tezamen, met uitzondering van de brief van Judas, 2 en 3 Johannes, 2 Petrus, Openbaring, het verhaal van de vrouw die op overspel betrapt werd in Johannes 8:3-11, en de passage in 1 Johannes 5:7.
Er werd al snel een zendingswerk gestart onder die kerken; Er werden Aramese Bijbels geleverd. Het Nieuwe Testament in oud en modern Aramees in parallelle kolommen werd voor hen gedrukt, en er zijn edities van de Aramese Bijbel voor deze gemeenschap gekomen, die het levende Woord van God zo trouw heeft bewaard. Getroffen door vijanden, overwonnen, afgeslacht, verkracht en onrecht aangedaan, onderworpen aan de afschuwelijke vormen van oosterse tirannie, beroofd van onderwijs, gedemoraliseerd door het leven temidden van de omringende barbarij,— toch hebben zij ondanks dit alles vastgehouden aan het trouwe woord; en voor hen is in zekere mate die oude belofte vervuld: ‘Omdat jullie het woord van mijn geduld hebt bewaard, zal ik u ook bewaren voor het uur van de beproeving, dat over de hele wereld zal komen om hen die op aarde wonen te beproeven.’ ”
Zover een aantal geschiedenissen geschreven door H.S. Hastings. Hij besluit zijn relaas als volgt:
“Naast diverse fragmentarische, oude versies van gedeelten van het Nieuwe Testament in het Syrisch, hebben we via vele verschillende en onafhankelijke kanalen één aparte en zeer oude Syrische versie van de Schrift ontvangen, de Peshitto, die universeel aanvaard en geauthenticeerd is en afkomstig is uit de vroegste tijden van de kerk; die even dierbaar is geweest aan sekten die gescheiden zijn sinds 425 na Christus, ofwel meer dan 1400 jaar, niet alleen door afstand maar ook door leerstellige verschillen, en die bijna niets gemeen hadden, behalve dit gemeenschappelijke erfgoed, dit levende Woord van God. Zoals Maronieten en Melkieten, Jakobieten en Nestorianen; Chaldeeuwse christenen in Mesopotamië en monniken in de Nitrische woestijn; Syrische katholieken, en kerken van Sint-Thomas in Malabar; In welke opzichten ze ook verschillen, zijn ze verenigd in het aanvaarden, bewaren en doorgeven van de Peshitto Syrische versie van de Apostolische Kronieken van het leven en de bediening van Hem die de ware Messias was, de Zoon van God, de Redder van de wereld. Of het nu op de vlakten van Syrië is, in de woeste bergen van Koerdistan, langs de oevers van de Tigris en de Buphraat, op de bergterrassen van Libanon, aan de kust van Malabar, te midden van de hoge vestingen van Travancore, tussen de kloosters en graven van de Nitrische woestijn, of in de kerken van de Melkieten in Egypte en Arabië; in al deze streken en onder al deze mensen met verschillende geloofsovertuigingen is deze ene versie van de heilige Schrift universeel ontvangen en aanvaard, en doorgegeven van generatie op generatie. En het feit dat wij ze vandaag de dag bezitten, toont aan hoe gemakkelijk het voor de hand van de Voorzienigheid is geweest om die heilige geschriften voor de kerk te bewaren, ondanks alle corruptie die een tijdperk of land zou kunnen treffen; en toont bovendien aan hoe ijdel en leeg de bewering of aanspraak is van welke sekte of gemeenschap dan ook, dat zij de exclusieve beheerders van de heilige Schrift zijn geweest.
Als illustratie van de manier waarop God de toorn van de mens ertoe brengt Hem te prijzen, kunnen we in de aanwezigheid van deze verschillende en strijdende sekten en partijen een extra waarborg zien, die het vervalsen en wijzigen van deze verslagen onmogelijk heeft gemaakt en het grootste vertrouwen in hun wezenlijke nauwkeurigheid wekt.”
HET VERVOLG VAN DIT DOCUMENT IS NOG IN BEWERKING
Amy Carmichel
Luther over de ontbrekende boeken
https://www.bible-researcher.com/antilegomena.html
De rol van John Gwynn
De Peshitta van 1905 van de BFBS
Analyse
Inhoudelijk - de verzen
het Manuscript van Ussher - Polyglott e.a (zie hiervoor)
B. DE ONTBREKENDE BRIEVEN: 2 PETRUS, 2 & 3 JOHANNES en JUDAS
Sleutel bij de tekst van het Nieuwe Testament
Een lijst met weglatingen en veranderingen
door G.W. en D.E. Anderson.
De Trinitary Bible Society heeft een lijst opgesteld van weglatingen en veranderingen in de Griekse brontekst van de zogenaamde Nestle-Aland 28 editie van het NT (‹NA28›), weglatingen en veranderingen die vaak worden nagevolgd door moderne Bijbelvertalingen, omdat Bijbelvertalers vaak de Griekse NA28 als uitgangspunt nemen voor hun vertaling naar een andere taal. De lijst die is samengesteld door G.W. en D.E. Anderson, neemt de zogenaamde ‘traditionele tekst’, als uitgangspunt, waarmee zij bedoelen de ‘Meerderheidstekst’ of de zogenaam ‘Textus Receptus’, d.w.z. de aanvaarde tekst’ of ‘ontvangen tekst’.
Verzen met een asteriks vertegenwoordigen een min of meer ernstige afwijking.
(‹1993, 2002›).
A list of Omissions and Changes
by G.W. and D.E. Anderson
15.6 ‘or his mother’
15.6 ‘commandment’ is changed to ‘word’
15.8 ‘draweth nigh unto me with their mouth, and’
15.16 ‘Jesus’
*15.30 ‘Jesus’
16.3 ‘O ye hypocrites’
16.4 ‘the prophet’
*16.20 ‘Jesus’
17.4 ‘Let us make’ is changed to ‘I
will make’
17.11 AV–‘Jesus’; NAS–‘He’
17.11 ‘unto them’
17.11 ‘first’ [‘shall first come’]
*17.20 ‘Jesus’
*17.21 ALL OF THIS VERSE IS
OMITTED
17.22 ‘abode’ is changed to ‘were
gathering together’
*18.2 ‘Jesus’
*18.11 ALL OF THIS VERSE IS
OMITTED
18.29 ‘at his feet’
18.29 ‘all’ [‘I will pay thee all’]
18.35 ‘their trespasses’
|
BOEK |
AANTAL VERZEN met weglatingen en veranderingen van de Textus Receptus en de Meerderheidstekst |
AANTAL VERZEN in de Aramese Peshitta waar dit echter niet het geval is |
Aramees scoort gunstig t.o.v. NA28 |
|
Mt. |
104 |
80 |
77% |
|
Mk. |
70 |
50 |
71% |
|
Lk. |
97 |
83 |
86% |
|
Jh. |
60 |
44 |
73% |
|
Hd. |
59 |
29 |
49% |
|
Rom. |
28 |
23 |
82% |
|
1Kor. |
29 |
23 |
79% |
|
2Kor. |
14 |
8 |
57% |
|
Gal. |
10 |
6 |
60% |
|
Ef. |
11 |
6 |
55% |
|
Fil |
5 |
4 |
80% |
|
Kol. |
13 |
7 |
54% |
|
1Th. |
7 |
5 |
71% |
|
2Th. |
4 |
3 |
75% |
|
1Tm. |
10 |
2 |
20% |
|
2Tm. |
6 |
4 |
67% |
|
Titus |
3 |
1 |
33% |
|
Flmn. |
2 |
1 |
50% |
|
Heb. |
16 |
10 |
63% |
|
Jak. |
10 |
6 |
60% |
|
1Pt. |
10 |
6 |
60% |
|
2Pt. |
4 |
1 |
25% |
|
1Jh. |
11 |
4 |
36% |
|
2Jh. |
2 |
2 |
100% |
|
3Jh. |
1 |
1 |
100% |
|
Jds. |
5 |
2 |
40% |
|
Op. |
55 |
12 |
22% |
|
TOTAAL |
646 |
423 |
65% |
|
|
HELE VERZEN die voorkomen in de TR en MHT maar ontbreken in de NA28 |
HELE VERZEN die voorkomen in de TR en MHT maar ontbreken in de NA28, maar wel voorkomen in de Aramese Peshitta |
percentage |
|
|
20 |
19 |
95% |
|
|
|||
|
Het verschil doet zich voor in Hd. 8:37 waar de tekst van de Aramese Peshitta tegenwoordig als volgt luidt: Filippus zei: “Als je met heel je hart gelooft, is het geoorloofd!” Hij, antwoordde en zei: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van GOD is.” [toelichting] - de tekst van dit vers wordt alleen in de Griekse TR aangetroffen. De tekst ontbreekt in de lezing van de Griekse NA28 en MHT. In de oude Aramese Peshitta ontbreekt het vers ook. Maar in de editie van 1986 van de Aramese Peshitta door de ‘Aramaic Scriptures Research Society’ (‹een uitgave van de Oostelijke Aramese Peshitta›) komt het vers tussen haakjes wel voor. Ook in het Syrische (‹=Aramese›) NT van 1979 wordt het vers in een voetnoot gegeven waarbij wordt opgemerkt dat voor het eerst voorkwam in de editie van Hutter van 1599-1600. Ook de zgn. Harklese Syrische versie van het NT bevat dit vers, maar die berust op een Griekse NT editie van 616 n. Chr. Een Griekse ‘uncial’ (‹E›) uit de 8e eeuw heeft dit vers ook en ook sommige uitgaven van de Vulgata en de oude Itala Versie (‹een Latijnse bijbeluitgave van de 2e eeuw›) zou het ook in de tekst hebben gehad. Hoe het ook zij, dit bekende vers heeft een wonderlijke geschiedenis doorgemaakt in de samenstelling van de bijbel. |
|||
Frederic Kenyon neemt aan dat het christelijk geloof in het Grieks via Antiochië naar Edessa kwam en dat het Syrische, dat is het Aramese, Nieuw Testament tot stand kwam door een vertaling vanuit het Grieks. Het lijdt volgens hem zelfs geen twijfel. Dat is wel enigszins begrijpelijk, maar wij zullen in deze bespreking zien dat die gedachte, dat het Nieuwe Testament via het Grieks de Aramese (‹Syrische›) wereld binnenkwam bij nader inzien helemaal niet zo vanzelfsprekend is.
Het is belangrijk om te weten dat de volledige Peshitta zowel het Oude als het Nieuwe Testament bevat. Het Oude Testament is omstreeks de 2e eeuw uit het Hebreeuws vertaald naar het Aramees, mogelijk door gelovigen van de joods-christelijke gemeenschap in Edessa die uiteraard vertrouwd was met het Aramees, maar ook met het Hebreeuws (‹Burkitt: Early Eastern Christianity, pg. 71 e.v.›). Voor de komende generaties was het natuurlijk van groot belang dat de Hebreeuwse Tenach (‹OT›) voor de komende generaties in het Aramees beschikbaar zou komen. De meeste apocriefe boeken maken ook onderdeel uit van deze vertaling en het boek ‘De wijsheid van Sirach’ zou niet vanuit de Griekse Septuaginta, maar vanuit het Hebreeuws zijn vertaald. De rol van de Aramese Peshitta van het Oude Testament is vergelijkbaar met de rol van het Griekse Septuaginta (‹LXX›) die in Alexandrië ontstond. Beide vertalingen hielpen de Joden om in contact te blijven met de tekst van de Tenach in een tijd en omgeving waar het Hebreeuws steeds minder hun voertaal werd.
Belangrijk zijn de woorden van George M. Lamsa over deze gebeurtenis, ܓܝܘܪܓܝܣ ܠܡܣܐ.
Hij werd geboren op 5 augustus 1892 in Mar Bishu in het uiterste oosten van het huidige Turkije. Aramees was zijn moedertaal. Hij vertaalde heel de Peshitta, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, in het Engels en ervan overtuigd dat de visie van de oosterse kerk dat de Peshitta de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament was, de enig juiste visie was. Lamsa meende dat Rabbula met de Oud-Syrische Evangeliën krachtig tegenwicht wilde bieden aan de invloed van de Diatessaron, waarvan de tekst naar zijn mening beïnvloed was door Nestoriaanse leer, die hij als een ernstige dwaalleer beschouwde.
Frederic Kenyon schrijft: ‘Voor de ontdekking van de Oud-Syrische Evangeliën, werd van de Peshitta gedacht dat deze dateerde in de 2e of 3e eeuw. Maar Burkitt heeft aangetoond dat de Peshitta niet door de zogeheten heilige Ephraïm gebruikt werd en dat er geen aanwijzing is dat de Peshitta voor de 5e eeuw bestond.’
Als Kenyon had geweten dat later door Arthur Vööbus (‹1909-1988›) zou worden aangetoond dat Burkitt ongelijk had en dat de Peshitta al voor Rabbula in omloop was, dan had hij niet anders kunnen zeggen dan dat algemeen aangenomen werd dat de Peshitta uit de 2e en 3e eeuw dateerde.
Van de Peshitta bestaan ongeveer 350 historische manuscripten, waarvan verschillende uit de 5e en 6e eeuw zijn. We noemen enkele van de belangrijkste:
Add MS 14470 in het Britse Museum in Londen is het oudste manuscript van het volledige Nieuwe Testament zoals dat in de oosterse kerk in gebruik is, d.w.z. zonder het boek Openbaring en de 4 brieven 2 Pt., 2 en 3 Jh. en Judas. Het is geschreven op 176 bladen (‹van 23 bij 14 cm.›) in 2 kolommen per pagina met 40-44 regels per pagina. De brief aan de Hebreeën staat na Filemon. Het manuscript is opgemaakt in een klein, sierlijk handschrift in de stijl van Edesssa. De passage van ‘De overspelige vrouw’ (‹Jh. 7:53-8:11›) is uit de Harkleaanse versie van het Nieuwe Testament (‹zie hierna›), en wordt ingeleid met een bijschrift door een schrijver in de 9e eeuw. De passage staat helemaal vooraan, voor Matteüs op een apart blad. Onder de pericoop staat in een onregelmatig Arabisch handschrift te lezen: ‘Wij hebben dit boek van een Syrische priester, genaamd Ibn ... ontvangen, in het bijzijn van de abt die het onder zijn beheer zou nemen en zou overbrengen naar het klooster in de woestijn van Bu Makar (‹‘vader Makarius’›). Op het 2e blad volgt onmiddelijk een notitie uit de 10e eeuw waarin wordt verklaard dat de codex het eigendom was van het klooster van van ‘de heilige Maria Deipara, in de woestijn van Natroen. In 1842 werd het samen met 500 andere manuscripten naar Engeland gebracht.
Codex Phillipps 1388, een Aramees manuscript van het Nieuwe Testament op perkament. Het bevat de tekst van de vier Evangeliën. Het werd door Sachau gedateerd in aan het eind van de 5e dan wel het begin van de 6e eeuw. Het is één van de oudste manuscripten van de Peshitta met enkele lezingen uit het Oud-Syrisch, wat een zeldzaamheid is, want gewoonlijk zijn de teksttypen niet gemengd en is de Peshitta een vertaling die op zich staat en zijn de Oud-Syrische Evangeliën ook een aparte catagorie. Het manuscript werd in 1865 door de Koninklijke Bibliotheek in Berlijn gekocht. De tekst ervan werd in 1901 door G.H. Gwilliam gepubliceerd. A. Allgeier onderzocht de verzameling van deze codex opnieuw in 1932. Volgens Gwilliam ontwikkelde de Peshitta zich vanuit het Curetoniaanse teksttype, maar dat is een hypothese die niet getoetst kan worden zo lang er niet een duidelijke lijn van manuscripten is die dat zou bewijzen. Zo’n lijn ontbreekt en er zijn ook geen substantiël aanwijzingen voor.
Add MS. 14479 in het Britse Museum in Londen bevat de tekst van de 14 brieven van Paulus op 101 bladen van 8 ⅞ bij 5 ½ inches, met slechts drie ontbrekende bladen (‹folio 1, 29, and 38›). Het is geschreven in één kolom per pagina met ong. 25-33 regels per pagina. De brief aan de Hebreeën staat na de brief aan Filemon. Tal van klinkertekens en leestekens zijn later toegevoegd door door een ‘Nestoriaanse hand (‹?›)’, evenals enkele Griekse klinkers door nog weer een andere lezer. het werd geschreven in een klooster in Edessa, in een elegant Estrangela schrift in het jaar 533/534. Het eerste blad is later toegevoegd door een ander schrijver en blad 28 en 39 werden pas in de 13e eeuw aan het manuscript toegevoegd.
Add MS. 14459 in het Britse Museum in Londen bevat de tekst van twee Evangeliën
Syriac New Testament, British Library, Add MS 14453, designated by number 66 on the list of Wright, is a Syriac manuscript of the New Testament, on parchment, according to the Peshitta version. Palaeographically it has been assigned to the 5th or 6th century. The manuscript is lacunose.[1] Gregory labelled it by 15e.[2]
The original codex contained the text of the 22 books of Peshitta translation of the New Testament, on 182 parchment leaves (‹25 by 20 cm›), with only one lacuna at the beginning and end. The Gospel of Matthew begins in 6:25, the Gospel of John ends in 20:25.[1][2] Written in one column per page, in 22-27 lines per page. The writing is a large, regular Estrangela. Folio 173 was repaired with paper about the 12th century.[1] The text is divided according to the chapters similar to the κεφαλαια of the Greek manuscripts, which were inserted by two later hands; there are lectionary markings added by a later hand.[1][2]
History of the manuscript[edit]
Formerly it belonged to the monastery of St. Mary Deipara in the Wadi El Natrun. In 1842 it was brought to England, with the other 500 manuscripts. The manuscript was examined and described by Wright.
The manuscript is housed at the British Library (‹Add MS 14453›) in London.[1][2]
It was written for the monastery in Edessa,[4] in a small, elegant Estrangela hand in the year 533-534.[1] The first folio was supplemented by a later hand in the twelfth century, folio 28 and 39 were supplemented in the thirteenth century.[3]
The manuscript is housed at the British Library (‹Additional Manuscripts 14479›) in London.[1]
Add MS. 144669
De Syriac vertaling van Tremellius uit 1569 is opgenomen in de Polyglot Bible van Elia Hutter
Tremellius was een joods christen.
----
In zijn ‘Two memoirs on the Syriac Versions of the New Testament’ (‹Dublin 1893›) wijst John Gwynn erop dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor het bestaan van een volledige Peshitta, waarvan volgens getuigen een manuscript in handen was van aartsbisschop James Ussher van Dublin Trinity College (‹1581-1656›). De twee mannen die daarvan in hun geschriften getuigen zijn Brian Walton (‹priester en geleerde - 1600-1661›) die de London Polyglot Bible samenstelde (‹waarin de Bijbel voorkwam in 9 talen, waaronder 6 talen uit Midden-Oosten naast Grieks, Latijn en Ethiopisch›) en Ludovicus de Dieu van Leyden (‹oriëntalist en voorganger - 1590-1642›), beiden in de eerste helft van de 17 eeuw resp. rond 1660 en de Dieu volgens Tregelles 26 jaar voor Walton, dus rond 1630.
Na 1657 was het manuscript spoorloos, waarover Tregelles en Scrivener hun teleurstelling uitspreken. John Gwynn meent dat dit ‘vermiste’ manuscript op Trinity College terecht is gekomen onder de rubricering B.5.16, een klein onbetekend en onooglijk manuscript, maar met een zeer interessante geschiedenis. Het is geheel in het Aramees (‹Syrisch›) geschreven in het cursieve schrift. Het kent twee delen. Het eerste deel bevat: (‹a›) het schriftgedeelte van de overspelige vrouw in Joh. 7:52-8:11 en (‹b›) de vier brieven 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas en het boek Openbaring. Het tweede gedeelte bevat een tractaat van Ephraïm, de Arameeër, getiteld ‘Over de liefde voor wijsheid en kennis’.
Toen de Peshitta door de Jakobitische Patriarch van Antiochië, genaamd Ignatius rond 1552 naar Europa werd gezonden om in 1555 in Wenen gedrukt te worden onder toezicht van keizer Ferdinand, was duidelijk dat juist deze bijbelgedeelten ontbraken. De redacteur Widmanstadt biedt zijn excuses ervoor aan, maar tegelijk zegt hij dat de betreffende gedeelten wel aanwezig zijn in het Aramees (‹Old Syriac, Oudsyrisch›) en dat Moses van Marden die met het te drukken manuscript door Ignatius gezonden was, al was teruggekeerd om vanut zijn geboorteland Mesopotamië de ontbrekende gedeelten alsnog op te halen en naar Europa te brengen.
Het blijkt dat later ook Ussher, geconfronteerd met hetzelfde probleem, een zekere Davies, een Britse handelaar in Aleppo (‹Syrië›), benaderde om ook die ontbrekende gedeelten in Aleppo aan te kopen en aan hem te zenden. De brieven van Ussher aan Davies zijn niet meer gevonden maar wel de antwoorden van Davies, waarvan er 6 zijn afgedrukt in de biografie van Ushher door Parr, getiteld ‘Life of Ussher’, dat werd herdrukt in ‘Letters’ (‹71, 73, 90, 102, 116, 125›) door Elrington, met twee andere (‹388 en 401›) die aan de aandacht van Parr waren ontsnapt. De eerste van deze reeks is gedateerd op 29 Augustus, 1624, en gaat in op een kennelijk van Ussher onvangen brief met instructies om deze en andere Syrische manuscripten te kopen. Davies doet verslag van zijn werkzaamheden rond de jaarwisseling (‹25/26›) en zet dat hij de gevraagde vijf missende delen heeft verstuurd met de boeken van Mozes en een klein tractaat van Ephraïm, en wel met het schip ‘Patience’ afkomstig uit Londen (‹brief 102›).
In brief 90 (‹die volgt en niet voorafgaat aan brief 102›) en die waarschijnlijk rond midden 1626 gedateerd moet worden (‹want een dergelijk zending deed er gewoonijk 5-6 maanden over›), vraagt hij of de materialen zijn aangekomen. De materialen waren in Juni aangekomen. Ussher was toen in Londen en schrijft op 23 juni (‹brief 110›) aan Dr. Ward in Oxford om hem te zeggen: “received out of Mesopotamia an old MS. of the Syrian translation of the Pentateuch”; en ook “received” (‹maar hij zegt niet van wie›) “the parcels of the N.T. which hitherto we have wanted in that language (‹viz., the History of the Adulterous Woman, the 2nd Epistle of Peter, the 2nd and 3rd Epistles of St. John, the Epistle of Jude, and the Revelation›); as also a small tractate of Ephraim Syrus in his own language.”
Het Crawford Manuscript
Er is een groep geleerden die het Aramees, de voertaal onder de Joden in de tijd van Jezus Christus op aarde, als de oorspronkelijke taal van het NT beschouwd, in afwijking van de meest dominante traditie die Grieks als de grondtaal van het NT ziet. Een belangrijk argument in het debat hierover is het Crawford manuscript waarvan de Ierse deskundige in het Aramees John Gwynn meende dat het mogelijk een 12e eeuwse kopie was van een origineel uit de 7e eeuw n. Chr. dat een Aramese versie van het NT bevat (‹door Dave Bauscher ook beschikbaar gesteld in het Hebreeuwse schrift›), die opmerkelijk anders is dan de tot dan toe gebruikelijke ‘Harklean Syriac Version’, een vertaling die in 616 n. Chr. tot stad gekomen is en duidelijk vanuit het Grieks naar het Aramees is vertaald.
Wat betreft het Crawford manuscript geldt dat het alle 27 boeken van het NT bevat, wat heel bijzonder is, o.a. ook omdat het boek Openbaring tot dan toe in alle Aramese teksten van het NT ontbrak. Hoe het manuscript in Europa gekomen is, is onbekend, behalve dat we weten dat het manuscript rond 1860 werd opgenomen met de aanduiding ‘Crawford’s Haigh Hall, Wigan, no. 11. Rond 1901 werd de collectie van hertog Crawford verkocht en opgenomen in de Ryland Library van Manchester, in Engeland. De tekst bevat de complete Peshitta tekst (‹22 NT boeken›) en de 4 ontbrekende pastorale brieven (‹2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas›) en de unieke versie van het boek Openbaring.
*Het is belangrijk om te weten dat het idioom van het boek Openbaring in het Aramees dichtbij het Aramees van het Aramese OT (‹Peshitta›) staat en in verhouding met de andere Aramese bijbelboeken veel meer Hebraïsmes of Arameïsmes kent, die uiteraard niet ontleend kunnen zijn aan een Grieks origineel. John Gwynn meende dat de schrijver zeer goed bekend was met het Aramese OT, de Peshitta, en de woordenschat en stijl daarvan heel goed kende. Een lijst die Gwynn maakte van het OT-ische vocabulaire maakt duidelijk dat hiervan veel woorden alleen in het Aramese boek Openbaring zijn terug te vinden en niet in het Peshitta NT in zijn geheel.
*De Ierse John Gwynn, deskundige op het gebied van het Aramees, stelde in 1893 een uitgave samen van de 4 ontbrekende NT-ische brieven in de Peshitta en gebruikte verder dit unieke manuscript van Openbaring om in 1897 zijn aandeel aan te leveren aan de Peshitta die in 1905 door de UBS werd uitgegeven die nog steeds geldt als de standaarduitgave van de Aramese bijbel. Gwynn meende dat de Aramese versie van het boek Openbaring niet uit de tot dan toe bekende Peshitta kwam, maar onderdeel was van een Aramese revisie van de Aramese bijbel onder redactie van Philoxenus, bisschop van Mabbu rond 507, met hulp van de hulpbisschop Polycarpus. De revisie zou een vertaling vanuit het Grieks bevatten van de ontbrekende boeken in de Peshitta. Dat deze informatie juist zou zijn, valt te betwijfelen omdat het Aramese boek Openbaring eerder een Aramees origineel lijkt te zijn, dan een vertaling vanuit het Grieks, onder andere door de vele Hebraïsmes / Arameïsmes die erin voorkomen.
John Gwynn (‹geboren Larne, Co Antrim, 28 augustus 1827 - 3 april 1917 in Dublin overleden›) was de oudste zoon van Stephen Gwynne (‹1792-1873›), een voorganger in een christelijke gemeente in Ulster waar de familie Gwynne sinds de 17e eeuw woonde. De spelling van de familienaam was soms met en soms zonder een ‘e’ aan het eind.
Zijn grootvader en vader hadden de leiding over diverse onderwijsinstellingen nadat zij hun opleiding aan het Trinity College in Dublin hadden ontvangen.
John’s moeder Mary Stevenson verdronk bij het zwemmen toen hij 10 jaar was aan de kust van Londonderry. De 2 dochters en 4 zonen werden later verzorgd door een stiefmoeder.
In het spoor van zijn vader en grootvader volgde John, na eerst onderwezen te zijn aan de Enniskillen Royal School in Ulster, ook de opleiding aan het Trinity College in Dublin, waar hij m.n. wiskunde studeerde. Zijn vader tekende de volgende woorden op in de winter van 1845: “November 12 ... After considerable delay, we received the announcement, viz. John at the head of all the candidates from all the schools, his numbers being 25 ahead of the second best man.”
John was er getuige van dat Ierse onafhankelijkheidsstrijders vanuit Dublin naar de haven Kingstown (‹Dún Laoghaire›) afgevoerd werden om vervolgens per schip naar Tasmania bij Australië verbannen te worden. Daaronder was William Smith O'Brien. Zes jaar later, - John had toen diverse onderwijsposten vervuld waarbij hij o.a. enkele van O’Briens zonen in de klas had gehad - , mocht O’Brien terugkeren en zich weer bij zijn gezin voegen. John maakte met hem kennis en zes jaar later trouwde hij Lucy Josephine, de oudste dochter van O’Brien en zij kregen 10 kinderen, 8 jongens en 2 meisjes.
Tijdens zijn leven bleef hij leren en onderwijzen, maar na de voltooiing van zijn Masters in de wiskunde legde hij zich toe op theologie en werd hij ook geestelijk medewerker in de kerk. In 1883 gaf hij zelfs les in theologie aan het Trinity College en leerde inmiddels Latijns, Grieks en Hebreeuws, en later leerde hij zichzelf ‘Syriac’ ofwel Aramees aan, o.a. tijdens de treinreizen van Ulster naar Dublin. Hij verzorgde enkele bijzonder publicaties, m.n. een uitgave in 1893 van de vijf missende boeken in het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta: Openbaring, 2 Petrus, en 2 en 3 Johannes en Judas. Voor de brieven stelde hij zich afhankelijk van 20 verschillende manuscripten en voor het boek Openbaring baseerde hij zijn tekst volledig op het Crawford Aramaic New Testament manuscript. Deze Aramese teksten werden toegevoegd aan de door Philip E. Pusey and George Gwilliam samengestelde Aramese Peshitta van de Bijbel van de UBS in 1905.
In de 19e eeuw dook echter een bijzondere Aramese versie van het NT op, het zgn. Crawford manuscript omdat het met die naam gecatalogiseerd staat op de rug van het het boekwerk dat weliswaar nu onderdeel is van de zgn. John Rylands Library in Manchester, maar dat eerder deel uitmaakte van de verzameling manuscripten uit het Midden-Oosten van Alexander Lindsay, de 25-ste graaf van Crawford, maar door de 26-ste graaf van Crawford verkocht werd aan Enriqueta Rylands in 1901.
Het bijzondere was dat dit NT het tot dan toe in de Peshitta ontbrekende boek Openbaring bevatte als ook de missende brieven. Anders gezegd het bevat alle 27 boeken van het NT in het Aramees, waarbij komt dat de taalkundige stijl van het boek Openbaring sterke overeenkomst vertoont met het Aramese OT van de Peshitta dat in de 2e eeuw n. Chr. tot stand kwam. Men meent wel dat dit NT wat betreft haar dateert vanuit de 12-de eeuw, maar het is niet met zekerheid bekend
Bauscher meent dat de vertaling van het Nieuwe Testament van de Peshitta het beste is in vergelijking met die van Etheridge en Lamsa.
John Wesley Etheridge gebruikt weliswaar het archaïsche Engels van de KJV, en in 1846 waren alleen de 4 Evangeliën klaar en waren de namen nog op zijn Engels , maar in 1849 was de vertaling van het Nieuwe Testament compleet en waren de namen ‘aramiseerd’ met als eerste voorbeeld daarvan de Naam van Jezus Christus: ‘Jeshu Meshicha’, maar zo ook alle namen.
Voor het boek Handelingen en voor de Brieven maakte Etheridge gebruik van de Leusden & Schaaf Editie van het Nieuwe Testament (‹1717›).
Voor de op dat moment nog steeds ontbrekende teksten van 2 Pt., 2 & 3 Jh., Juda(‹s›) maakte Etheridge gebruik van de teksten van Dr. Pococke van de Philoxeens/Harkleense vertalingen die op het Grieks NT teruggaan.
voor Openbaring maakte Etheridge gebruik van en Louis de Dieu en Openbaring.
Etheridge heeft de ‘Rubrics of the oriental lessons’ bewust weggelaten, omdat hij meende dat die geen onderdeel van een uitgave van de Heilieg Schrift zelf mogen zijn.
In de dagen van Murdoch en Etheridge was Openbaring nog niet gevonden en er was onzekerheid over de tekst van de 4 ontbrekende kleine brieven. Het werk van John Gwynn werd pas tussen 1897 - 1909 openbaar. Deze boeken werden pas in gevoegd in de Peshitta editie van de BFBS in 1905,
Isaac Hall schrijft op de eerste bladzijde van ‘The Syriac Apocalypse’ in 1882: “De Openbaring maakt geen deel uit van de Aramese versies van het Nieuwe Testament die we gewoonlijk onder een collectieve naam aanduiden. Dat wil zeggen, ze ontbreekt in de Peshitto, de Harklensiaanse, de Jeruzalemse of de Curetoniaanse versie. De Peshitto-versie wordt tegenwoordig universeel voorzien van een supplement, bestaande uit de Openbaring en de ontbrekende brieven (‹2 Petrus, 3 Johannes en Judas›); maar er zijn minstens acht edities* verschenen zonder dit supplement. In 1599 voegde Elias Hutter deze ontbrekende boeken (‹samen met de brief aan de Laodiceërs in het Grieks, enz.›) voor het eerst toe aan zijn twaalfdelige Nieuwe Testament in het Syrisch, een eigen uitgave.
Maar Hutters versie heeft geen belangrijke plaats ingenomen. In 1627 publiceerde Louis de Dieu de Openbaring in Leiden (‹Elzevirs, 4e e.a.›), gebaseerd op een manuscript dat door Joseph Scaliger aan de Universiteit van Leiden was nagelaten; En in 1630 publiceerde Edward Pococke (‹ook in Leiden, Elzevirs, 4e druk›) de vier ontbrekende brieven, gebaseerd op een manuscript in de Bodleian Library in Oxford. Sindsdien zijn deze vijf boeken samen met de Peshitto-versie gepubliceerd, om zo een compleet Syrisch Nieuw Testament te vormen; er zijn echter geen nieuwe bronnen voor de tekst gebruikt. De latere redacteurs hebben er bovendien geen moeite mee gehad om de klinkers te wijzigen of aan te vullen, noch om wat zij als duidelijke fouten beschouwden te corrigeren; maar niet in die mate dat ze enkele van de grotere, opvallende weglatingen in de Openbaring hebben aangevuld.”
De Openbaring maakt geen deel uit van de Aramese versies van het Nieuwe Testament die we gewoonlijk onder een collectieve naam aanduiden. Dat wil zeggen, hij komt niet voor in de Peshitto, de Harklensiaanse, de Jeruzalemse of de Curetoniaanse versie.
De Peshitto-versie wordt tegenwoordig universeel voorzien van een supplement, bestaande uit de Openbaring en de ontbrekende brieven (‹2 Petrus, 3 Johannes en Judas›); maar er zijn minstens acht edities* verschenen zonder dit supplement. In 1599 voegde Elias Hutter deze ontbrekende boeken (‹samen met de brief aan de Laodiceërs in het Grieks, enz.›) voor het eerst toe aan zijn twaalfdelige Nieuwe Testament in het Syrisch, een eigen uitgave.
Maar Hutters versie heeft geen belangrijke plaats ingenomen. In 1627 publiceerde Louis de Dieu de Openbaring in Leiden (‹Elzevirs, 4e e.a.›), gebaseerd op een manuscript dat door Joseph Scaliger aan de Universiteit van Leiden was nagelaten; En in 1630 publiceerde Edward Pococke (‹ook in Leiden, Elzevirs, 4e druk›) de vier ontbrekende brieven, gebaseerd op een manuscript in de Bodleian Library in Oxford. Sindsdien zijn deze vijf boeken samen met de Peshitto-versie gepubliceerd, om zo een compleet Syrisch Nieuw Testament te vormen; er zijn echter geen nieuwe bronnen voor de tekst gebruikt. De latere redacteurs hebben er bovendien geen moeite mee gehad om de klinkers te wijzigen of aan te vullen, noch om wat zij als duidelijke fouten beschouwden te corrigeren; maar niet in die mate dat ze enkele van de grotere, opvallende weglatingen in de Openbaring hebben aangevuld.
The Apocalypse forms no part of any of the Syriac versions of the New Testament to which we are accustomed to give a collective name. That is, it does not exist in the Peshitto, the Harklensian, the Jerusalem, or the Curetonian.
The Peshitto version is now universally provided with a supplement, comprising the Apocalypse and the lacking Epistles (‹2 Peter, z and 3 John, Jude›); but at least eight editions* appeared without it. In I599 Elias Hutter first supplied these missing books (‹along with the Epistle to the Laodiceans in Greek, &c.›), in his dodecaglott New Testament, in Syriac of his own making.
But Hutter’s version has not held any important place. In 1627, Louis de Dieu published the Apocalypse at Leyden (‹Elzevirs, 4 to.›), from a MS. that had been bequeathed to the University of Leyden by Joseph Scaliger; and in I630 Edward Pococke published (‹also at Leyden, Elzevirs, 4 to.›) the four lacking Epistles, from a MS. in the Bodleian library at Oxford. Since then these five books have been published with the Peshitto version, so as to furnish a complete Syriac New Testament; but no new sources of the text have been used. The later editors, moreover, have not scrupled to change or add to the vocalizing, nor to correct what they supposed to be manifest errors; yet not so far as to supply some of the larger palpable omissions in the Apocalypse.
Etheridge is veel letterlijker dan Lamsa maar ook moeilijke leesbaar, zegt Bauscher, maar wij waarderen zijn precisie en toewijding aan het werk. Voor ‘God’ gebruikt hij de transliteratie van het Aramees ‘Aloha’.
Bauscher zelf begion met zijn NT, met Mattai in 2005 en publiceerde dat in Jan. 2007. Hij wilde met Paul Younan samenwerken, maar op een of andere manier kwam de samenwerking niet van de grond en is Bauscher alleen verder gegaan.
Kenmerken van de Aramese Peshitta
Als in het oogspringende kenmerken van het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta wijzen wij op de volgende zaken:
De verschillen tussen de tekst van de Westerse en Oosterse Peshitta zijn minimaal. Hierbij een overzicht van de 11 verschillen met hun schriftplaatsen. Waar onderstreepte tekst in het vers staat, wil dat zeggen dat de onderstreepte tekst de lezing van de Oosterse Peshitta is, maar dat die woorden niet in de tekst van de Westerse Peshitta voorkomen. Als er tussen haakjes cursief achter staat: (‹Westerse Peshitta: ‘Andere tekst’›) dan komt die ‘Andere tekst’ in de Westerse Peshitta in de plaats van de onderstreepte tekst›).
|
|
|
|
EBV |
|
Mt. |
6 |
32 |
Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld, maar jullie Vader, die in de hemelen is, weet dat jullie al deze dingen nodig hebben. |
|
Mt. |
21 |
4 |
Dit alles gebeurde, opdat in vervulling zou gaan wat door de profeet gesproken is, toen hij zei: |
|
Mk. |
14 |
31 |
Maar hij zei steeds heftiger: “Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, mijn Heer!” En alle discipelen spraken net zoals hij. (‹Westerse Peshita: ‘En zo spraken zij allemaal.’›) |
|
Jh. |
16 |
27 |
want de Vader Zelf heeft jullie lief, omdat jullie Mij hebben liefgehad en geloofd hebben dat Ik van de Vader (‹Westerse Peshitta: ‘GOD’›) ben uitgegaan. |
|
Hd. |
20 |
28 |
Waak daarom over jezelf en over heel de kudde waarover de Heilige Geest jullie als opzieners heeft aangesteld, om de gemeente van Christus (‹Westerse Peshitta: ‘GOD’›) te hoeden, de gemeente die Hij gekocht heeft met zijn eigen Bloed. |
|
Rom. |
8 |
39 |
noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons (‹Westerse Peshitta: ‘mij’›) zal kunnen scheiden van de liefde van GOD, die is in onze Here Jezus Christus. |
|
2 Th. |
3 |
6 |
Wij bevelen jullie, mijn broeders, in de Naam van onze Here Jezus Christus, dat jullie iedere broeder mijden die een slecht leven leidt en zich niet houdt aan de voorschriften die hij (‹Westerse Peshitta: ‘zij’›) van ons heeft (‹Westerse Peshitta: ‘hebben’›) ontvangen. |
|
2 Th. |
3 |
18 |
De genade van onze Here Jezus Christus zij met jullie allen, mijn broeders. Amen. |
|
2 Tm. |
4 |
22 |
Onze Here Jezus Christus zij met je geest. Genade zij met je (‹Oosterse Peshitta: ‘ons’›). Amen. |
|
Heb. |
2 |
9 |
maar wij zien dat het Jezus is die enigszins vernederd werd ten opzichte van de engelen vanwege het lijden van zijn dood, en wij zien dat zijn hoofd met glorie en eer getooid is, want GOD (‹Oosterse Peshitta: ‘want afgezien van (‹het feit dat Hij›) GOD (‹is›)’›) heeft, in zijn genade, in plaats van alle mensen de dood gesmaakt. |
|
Heb. |
2 |
16 |
Want de dood had geen gezag over engelen, maar de dood had gezag over het zaad van Abraham. (‹Oosterse Peshitta: ‘want afgezien van (‹het feit dat Hij›) GOD (‹is›)’›) heeft, in zijn genade, in plaats van alle mensen de dood gesmaakt. ‘Hij heeft niet (‹de gestalte›) van engelen genomen, maar (‹de gestalte›) van de kinderen van Abraham’ |
De EBV heeft in elk van de bovenstaande verzen de tekst gekozen, die het meeste ondersteuning lijkt te hebben in de manuscripten en in het geheel van de Bijbel, of in het geheel van het NT. De uitleg wordt in de EBV-S in de noot gegeven.,
De lezing van de BFBS 1905 voor Heb. 2:9 luidt: ‘want GOD heeft in zijn genade, in plaats van alle mensen de dood gesmaakt’. Het tekstverschil tussen de Oosterse en Westerse Peshitta in Heb. 2:9 (‹zie hierboven›) is diep verstrengeld geraakt met de tegenover elkaar staande kerkleren van de oosterse en westerse flank van de christenheid in het Midden-Oosten over wat er aan het kruis gebeurde. Paul Younan zegt als kenner van het Aramees en als vertegenwoordiger van de oosterse flank van de Oosterse kerk het volgende:
“Het Aramese zinnetje ‘s'ter (‹#14219›) min Alaha’, betekent ‘apart van GOD’ of ‘los van GOD’ of ‘afgezien van GOD’, met andere woorden GOD stierf niet op het kruis, (‹zijn Menselijke natuur stierf, maar niet zijn Goddelijke natuur›).
De Oosterse Peshitta is de enige versie die de oorspronkelijke lezing heeft bewaard. Deze lezing is werkelijk zeer oud, want Origenes getuigde ervan en hij leefde van 185-232 n. Chr.
De Aramese woorden ܣܜܪ ܩܢ, ‘s'ter min’ komen ook voor in Heb. 4:15, en verder ook in Mt. 14:21; 15:38 (‹‘de vrouwen en kinderen niet meegerekend’›), in 1 Kor. 3:11 (‹‘een ander fundament ... dan dat er al gelegd is, kan niemand leggen’›) en in 2 Kor. 11:28 (‹‘afgezien van nog vele andere dingen’›).
Alle andere Bijbeluitgaven veranderden de lezing van Hebr. 2:9 vanwege hun theologische opvattingen, dat is waarom er geen enkele op de Griekse manuscripten gebaseerde Bijbel is die deze lezing heeft, en ook de Westerse Peshitta heeft deze lezimng niet niet.
Het is altijd de geloofsovertuiging van de oosterse kerk geweest dat de Goddelijkheid en de Menselijkheid van ‘Maran Eshoa’, onze Here Jezus, van elkaar gescheiden waren in hun eigen ‘qnuma’, d.w.z. in hun onderliggende substantie of natuur. God stierf niet aan het kruis en een mens kan Lazarus niet uit het graf opwekken. Deze beide hoedanigheden, hoewel verenigd in dezelfde Zoon van God, waren niettemin van elkaar gescheiden, verenigd in één Persoon, maar onderscheiden van elkaar. Dus wat Hebreeën 2:9 zegt is dit: “Onze Here Jezus, afgezien van (‹zijn›) God(‹delijkheid›), stierf voor iedereen (‹in zijn Menselijkheid›)’.
De op het Grieks gebaseerde vertalingen van het Nieuwe Testament, en ook de monofysitische, westerse Aramese kerk veranderden deze tekst naar de lezing: ’onze Here Jezus, door/in de genade van GOD, stierf voor iedereen’.”
Tot zover het betoog van Paul Younan vanuit zijn dyofysitische standpunt, waarin hij van Origenes van Alexandrië zegt dat die de lezing ‘los van God’ of ‘apart van God’ al kende. In de Griekse lezing is het verschil tekstueel gezien trouwens erg klein want ‘los van GOD’ of ‘apart van GOD, schrijft men als ‘χωρὶς θεου’, tegenover ‘χαριτι θεου’ ‘in de genade van GOD’, een kwestie van enkele letters. Men zou kunnen denken aan een verschrijving, terwijl dat in het Aramees vrijwel ondenkbaar is.
De opvatting van Paul Younan gaat terug op die van Theodore van Mopsuestia (‹392-428 n. Chr.›) die meende dat de lezing ‘los van GOD’ van Heb. 2:9 wilde zeggen, dat Jezus de dood smaakte los van zijn Goddelijkheid. Philoxenus van Mabbug (‹5e-6e eeuw›) e.a. beschuldigden Theodore van Mopsuestia ervan dat hij de tekst veranderde ten behoeve van zijn eigen christologische leer. Maar het omgekeerde zou ook het geval geweest kunnen zijn, volgens Bart Ehrman, want schrijft J.K. Elliott, de lezing ‘χωρὶς θεου’, ‘los van GOD’ was al bekend bij Origenes van Alxandrië (‹184-253 n. Chr.›) en bij Ambrosius
En wat betreft de opmerking in één van Origenes’ andere opschriften zijn de meningen erg verdeeld. F.C. Coneybeare meent dat Origenes beide standpunten kende en met beide ‘kon leven’ en zich geen zorgen maakte welke van beide de ‘oorspronkelijke’ was en Paul A. Hartog schrijft dat zowel Origenes van Alexandrië als Ambrosius uit het tekstverschil niet dezelfde conclusie trokken als de hiervoor genoemde
Daarom, met alle respect, blijven wij niet stil staan bij de argumentatie, want dan worden wij mogelijk zonder het te merken meegesleept in een of andere menselijk denken. Alles moet getoetst worden aan het Woord van God zelf. En wat dat betreft het volgende:
Ten eerste staat er in Heb. 2:9 niet dat Jezus dood ging, maar dat Hij de dood smaakte. ‘Smaken’ is niet hetzelfde als ‘eten’. Constable zegt in zijn Bijbelcommentaar bij dit vers dat ‘de dood smaken’, niet alleen betekent dat Jezus stierf, maar dat Hij ook alle vernedering en bitterheid die ermee verbonden was, ervoer. Wij lezen de uitdrukking ‘de dood smaken’ echter ook in Mt. 16:28، Mk. 9:1 en Lk. 9:27, maar in die verzen heeft de uitdrukking o.i. niet de betekenis waarvan Constable spreekt. In die drie verzen zegt Jezus dat sommigen die hier staan, d.w.z. sommigen van zijn discipelen m.n. Petrus, Jakobus en Johannes, de dood niet zullen smaken, voordat zij de Mensenzoon zien komen in zijn Koninkrijk’. Nog een andere schrijver wordt door Constable aangehaald, die zegt: ‘De dood smaken is een Semitische uitdrukking voor het volledig doormaken ervan’. Toch is het de vraag of de Schrift dit zegt of dit bedoelt te zeggen met de woorden ‘de dood smaken’.
Ten tweede staat er van het meisje in Mt. 9:18, Mk. 5:35, Lk. 8:49, 53 te lezen dat zij gestorven was, terwijl Jezus toch zegt dat het meisje niet dood is, maar slaapt (‹Mk. 5:39, Lk. 8:52›).
Ten derde lezen wij in Johannes 11:11 dat Jezus zegt dat Lazarus slaapt, maar in Johannes 11:13 legt de schrijver van het Evangelie uit dat Jezus met die woorden over de dood van Lazarus gesproken had, d.w.z. over de slaap van zijn rust. Maar in vs. 14 zegt Jezus opeens: ‘Lazarus is gestorven’ en in vs. 26 zegt Jezus: ‘Ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid.’ In Johannes 11:43 roept Jezus Lazarus uit het graf, zo staat het geschreven.
Dit zijn dan drie Schriftgedeelten die ons vanuit Gods Woord aan het denken zetten over de kruisdood van Jezus Christus, over de dood in het algemeen, over de rust van de dood en over sterven.
In verband met ons onderwerp, de tekst van Heb. 2:9, merken wij op dat er nergens in de Bijbel staat dat ‘GOD stierf’ of dat GOD stierf, ook niet in Heb. 2:9. Want als wij daar lezen dat GOD Zelf de dood heeft gesmaakt, lijken die woorden wel in die richting te gaan, maar o.i. is ‘de dood smaken’ niet hetzelfde als te zeggen ‘sterven’. Toch reageren velen op de tekst inWel staat er op diverse plaatsen in de Schrift, dat Jezus aan het kruis stierf of was gestorven, of dat men vaststelde dat Hij gestorven was (‹Jh. 19:33›), maar Hij stierf niet eerder aan het kruis dan nadat Hij de Geest had overgeven aan zijn Vader met de woorden: ‘In uw handen beveel Ik mijn Geest’ (‹zie ook Jk. 2:26›). Een lichaam zonder geest is ten slotte dood.
Toch zegt de Schrift dat Jezus de kruisdood stierf, maar ook zegt de Schrift, de Bijbel, dat de banden van de dood Hem niet konden vasthouden (‹Hd. 2:24›) en dat zijn lichaam geen ontbinding zag (‹Ps. 16:10›). De boze kan niets in Hem vinden, zoals wij lezen in Jh. 14:30 ‘want de overste van deze wereld komt, maar er zal niets voor hem in Mij zijn’, de boze kan niets in Jezus vinden dat hem de gelegenheid zou bieden om voor Gods troon een gefundeerde aanklacht tegen Jezus Christus te kunnen indienen. Hij staat dus beschaamd en heeft wordt door zichzelf geoordeeld (‹Jh. 3:16-18, Jh. 5:22›), want de aanklager staat met een mond vol tanden en valt door de mand. Want nu is er Eén Mens, Jezus Christus, die hem de baas is, die de meerdere is van hem die in de wereld is (‹1 Jh. 5:4›).
De overste van deze wereld wordt eerst door zichzelf geoordeeld (‹Jh. 3:16-18; Jh. 16:11›), vervolgens wordt hij uit de hemel geworpen (‹Op. 12:7-›), en daarna buitengeworpen (‹Jh. 12:31›), d.w.z. gebonden in de afgrond, om er na er 1000 jaar in opgesloten te zijn geweest, voor korte tijd uit te komen (‹(‹Op. 20:1-3›), om ten slotte onverbiddelijk in de poel van vuur, die brandt van zwavel geworpen te worden. (‹Op. 19:20, 21; 20:10, 14›). In die verzen lezen we tegelijk ook over de tweede dood, de poel van vuur. De uitdrukking: ‘de tweede dood’ komen wij in 3 verzen tegen in het Nieuwe Testament: Op. 2:11 (‹Wie overwint zal van de tweede dood geen schade lijden›), Op. 20:6 (‹over hen, nl. hen die deel hebben aan de eerste opstanding, heeft de tweede dood geen macht›), Op. 20:14 (‹de dood en het dodenrijk werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood’›) en in Op. 21:8 (‹het deel van de boosdoeners is in de poel die brandt van vuur en zwavel, dat is de tweede dood’›). Het opvallende van de poel van vuur is, dat in verband daarmee in de Bijbel niet gesproken wordt van sterven of doodgaan, maar dat wie niet opgeschreven zijn in het Boek van het Leven daarin terecht komen en schade zullen lijden van de tweede dood, wat wij o.i. op grond van Op. 14:10, 11; Op. 18:10 en Op. 20:10 moeten uitleggen als ‘pijniging’.
Laten we ook denken aan de geschiedenis van de arme Lazarus in Lk. 16:20. We lezen: ‘Het kwam ervan dat de arme man stierf, en de engelen brachten hem aan de boezem van Abraham. Ook de rijke man stierf en werd begraven. Terwijl hij in het dodenrijk gepijnigd werd, hief hij zijn ogen op en zag Abraham van veraf, en Lazarus aan zijn boezem.’
Al in Genesis 3:15 zei de HEERE GOD tegen de slang, de satan: “Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de vrouw, en tussen jouw zaad en haar zaad. Het zal jou de kop verbrijzelen en jij zult het de hiel verbrijzelen.” De hiel van de zoon van de vrouw, d.w.z van het zaad van de vrouw, zal wel verbrijzeld worden, maar het Hoofd van het zaad van de vrouw zal blijven, terwijl het hoofd van de slang, de duivel, dat is het hoofd van de macht van de lucht zal worden verbrijzeld (‹Ef. 2:2›) .
Er staat ook geschreven: ‘De aarde is de voetbank van mijn voeten’ (‹Jes. 66:1; Klg. 2:1; Mt. 5:35; Hd. 7:49; vergelijk: Heb. 1:13; 10:13›). D.w.z. dat de hielen van God de aarde raken, maar zijn Hoofd niet, en in Jezus Christus kunnen wij zeggen dat de hiel van God werd verbrijzeld. Dat is voor een mens niet te begrijpen, want God is volmaakt en niet kwetsbaar, het is onvoorstelbaar voor de mens. Maar God, de Vader, heeft de wereld zo liefgehad dat Hij God, de Zoon, gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft (‹Jh. 3:16›).
Wij wijzen er in het kader van dit onderwerp ook op dat Paulus over zijn opname naar de derde hemel heeft geschreven: ‘Ik weet niet of het in het lichaam was of buiten het lichaam was’. Stel dat de gebeurtenis waar hij van schrijft, buiten het lichaam was geweest, toch was hij niet zonder lichaam bij alles wat hij meemaakte. Nergens lezen wij dat hij bij alles wat hij meemaakte, meende dat hij was opgedeeld in twee personen Paulus, één in het lichaam en één buiten het lichaam. Hoe het ook was, in of buiten het lichaam, hij bleef één en dezellde Paulus. Zo was het ook met Jezus Christus toen zijn lichaam achterbleef in het graf. Zijn Geest en Lichaam waren wel gescheiden, want Hij had zijn Geest in de handen van zijn Vader gelegd (‹Mt. 27:50; Lk. 23:46›), maar dat betekende niet dat Hij geen band meer had met zijn lichaam had of dat zijn lichaam niet meer bij Hem hoorde.
Zoals zo vaak wordt gezegd: ‘De dood is niet het einde!’ En zo was dat allereerst het geval met Jezus Christus. Hij moest zijn Geest bevelen in de handen van de Vader, het ging niet vanzelf! Pas toen kon zijn lichaam sterven en begraven worden, maar zijn lichaam zag geen ontbinding en het graf was leeg.
Maar hoewel onze HEERE GOD een kwetsbare GOD is, want Hij, GOD, heeft in zijn genade, in plaats van alle mensen de dood gesmaakt, Hij is een kwetsbare GOD, die een mens, Jood of Arameeër, zich niet kan voorstellen! Wij kunnen en willen dat gezien het voorgaande niet ontkennen, maar integendeel dankbaar aanvaarden.
Maar niettemin, want wij zijn weer teruggekeerd naar de bespreking van de tweeërlei Aramese tekst van Heb. 2:9, riep Jezus toch uit: ‘Mijn GOD, mijn GOD, waarom hebt U Mij verlaten’ (‹Mt. 27:46 en Mk. 15:34›), een uitroep die drie keer in de Bijbel staat opgetekend, met inbegrip van het voorkomen ervan in de Messiaanse psalm 22 die ongeveer 1000 jaar voor Christus werd geschreven. Maar die verlatenheid betrof zijn aardse bestaan en zijn aardse strijd in het hart van een gevallen en in duisternis gehulde wereld (‹lees Jh. 12:31, Jh. 16:11›), die in Ef. 2:2 genoemd wordt ‘het hoofd van de macht van de lucht’, d.w.z. van het aardrijk dat wordt gehuld en omvat in lucht en damp en wolken, laten wij zeggen het aardrijk waar een mens nog kan ademhalen en lucht kan vinden om te leven.
Het probleem met de zgn. twee-naturen leer - niet met de andere lezing van Hebreeën 2:9 want die is niet noodzakelijk met die leer verbonden, al menen sommigen van wel - is, dat volgens die leer GOD niet in de plaats van alle mensen gestorven is, echter de Mens, weliswaar met een hoofdletter, maar toch de Mens. Het probleem daarbij is dat geen enkel sterfelijk mens, kan sterven om een ander vrij te kopen uit het graf, daarom leidt die uitleg van de tekst, tot een vals Evangelie, want psalm 49:8 leert: “Niemand kan een broeder loskopen, niemand kan GOD zijn verzoengeld betalen.”
Maar slechts een kleine denkstapje door het binnenvallende licht van het Woord van God in een nederig verstand en hart, opent een volkomen nieuw gezichtsveld voor de zondaar, met een reikwijdte die geen mens kan bevatten, dan alleen de Mens, Jezus Christus, de HEERE GOD. Maar als er licht binnenvalt in een verduisterd hart, ook al kan men de omvang ervan niet begrijpen, komt er vreugde, leven en een ongekend zicht op de hoogte, diepte, lengte en breedte en de grootheid van de kennis van Christus (‹Ef. 3:18, 19›).
Maar nooit leed Jezus schade van de tweede dood, de poel van vuur, de hel, en Hij zal in eeuwigheid daarvan geen schade lijden niet, want Hij heeft overwonnen over zonde en dood.c Maar wel smaakte Hij, God Zelf, de dood hier op aarde aan het kruis onder een vreselijke last, want de vloek die op ons moest komen was op Hem, zoals geschreven staat:
“... om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons vrede brengt, was op Hem en door zijn striemen ontvingen wij genezing.’ (‹Jes. 53:6›)
‘Hij die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog gevonden is, die, als Hij gescholden werd, niet terugschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar het oordeel overgaf aan de Rechter van de gerechtigheid, die Zelf onze zonden op (‹Zich›) genomen heeft en ze in zijn lichaam tot aan het kruis verhoogd heeft, zodat wij, gestorven voor de zonde, in zijn gerechtigheid zouden leven, want door zijn striemen zijn jullie genezen. Want jullie dwaalden als schapen, maar nu zijn jullie teruggekeerd naar de Herder en Hoeder van jullie zielen.’ (‹1 Pt. 2:22-25›)
Wij hebben ruim tijd genomen voor de bespreking van het tekstverschil in Heb. 2:9 tussen de Westerse en Oosterse Peshitta, omdat uitgaand van dit verschil er een eeuwenlange kloof is ontstaan tussen beide flanken van de christenheid, een verdeeldheid die veel strijd en narigheid heeft gegeven, een verdeeldheid waarvoor de apostel Paulus o.i. scherp waarschuwt in 1 Tm. 6:4 en 2 Tm. 2:14, maar ook hebben wij hierbij uitvoerig stil gestaan om het Woord van GOD over deze zaak zo mogelijk beter in het licht te stellen, ook voor hen die met deze zaak worstelen.
|
1. |
de Aramese Peshitta van 22 boeken kent sinds de 5e eeuw een eeuwenlange stabiele tekst. Tussen de oosterse en westerse Peshitta zijn er niet meer dan 11 betrekkelijk kleine tekstverschillen, waarvan de opvallendste in Heb. 2:9 en 18 te vinden zijn. Anders dan bij de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, zijn er niet honderden kleinere of grotere tekstvarianten, ook al zijn die voor het Grieks buitengewoon zorgvuldig gedocumenteerd. Oorspronkelijk ontbraken er 5 boeken in de Peshitta nl. het boek Openbaring en 4 kleine brieven: 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas, waarschijnlijk ten gevolge van het feit dat de oosterse kerk zich van Rome afscheidde op een tijdstip dat verschillende van deze 5 boeken nog niet echt in de canon opgenomen waren, ook al waren ze wel bekend en gerespecteerd. In de westerse Peshitta werden die veel later toegevoegd, zodat in 1905 de westerse Peshitta compleet was en 27 boeken bevatte. Tegenwoordig zouden deze 5 boeken ook te vinden zijn in sommige edities van de oosterse Peshitta, |
|
2. |
in 205 verzen komt de naam Mar-Jah voor (‹soms meerdere keren in één vers nl. in Mk. 12:29, Lk. 2:23, Hd. 11:21, Hd. 15:17, 1 Kor. 11:27, 1 Kor. 15:58, 2 Kor. 3:17, 18, 2 Tm. 2:19, Jak. 5:11, 1 Pt. 3:12, zodat het totaal op 215 keer uitkomt›), de Aramese variant van ‘JªHWᵉH’, die in de EBV wordt weergegeven als ‘de HEERE’ of ‘HEERE’. Daarnaast kent het Aramees ook de Naam ‘mijn Heer’ of ‘mijn Here’ of ‘mijn heer’ (‹ܡܳܪܝ - mari›) en ‘onze Heer’ (‹ܡܳܪܰܢ - maran›). In het Grieks is alleen sprake van ‘Kurios’, dat gelijk is aan het Hebreeuwse ‘Adonai’ en vertaald wordt met ‘(‹mijn›) heer’ of ‘(‹mijn›) Heer’ of ‘(‹mijn›) Here’. Het voorkomen van de Naam ‘Mar-Jah’ is o.i. onmogelijk te verklaren vanuit een vertaalslag vanuit het Grieks. Het voorkomen van deze Naam in de Peshitta verplicht ons, in het licht van Ex. 3:15, om de Peshitta met ontzag te onderzoeken. Het is opmerkelijk dat de overspelige vrouw de enige persoon in de Evangeliën is die Jezus Christus aanspreekt met de Naam ‘HEERE’. Omdat deze passage aanvankelijk geen onderdeel was van de Peshitta, is het wel de vraag hoe deze passage zijn weg naar de Peshitta tekst vond. Het antwoord daarop vinden wij in Gwynn’s memoires pg. 269 e.v. |
|
|
bausc on November 11, 2021 at 10:36 pm said: “Yehovah” is the Hebrew form, according to every Hebrew Bible in print with vowel points. יְהֹוָה is usually pronounced as “Yeh-ho-vah” when read as written with the vowel points. Another possible pronunciation is “Yeh-ho-wah”. That is a dialectal difference of different Hebrew dialects. The Name of God was revealed to the Patriarchs, Abraham,Isaac and Jacob, and to the Prophet Moses and others of the Prophets. The Name of The Most High God is יְהֹוָה – pronounced “Yehovah” with the vowels in the Massoretic Hebrew Bibles. The English transliteration commonly known is “Jehovah”. These are indisputable facts. This Name occurs almost 7000 times in the Hebrew scriptures. In this article I will deal with the first and most commonly known name, that of hwhy -“Jehovah”, and its occurrence in the Peshitta New Testament. The Greek NT has no equivalent for the name of God, nor does the Greek NT have a transliteration of the Hebrew Name of God. This is a very strange fact which I have never heard or read mention of, but which fact is very strange indeed, in light of the claim for the Greek NT to be the original God breathed New Covenant scriptures. God’s name does not occur once in the Greek New Testament! It is very hard to believe that the original inspired New Testament would not contain the name of God even once! The Peshitta NT has 215 occurrences of the word, “מריא” – “Marya”, which also occurs almost 7000 times in the Peshitta OT as a translation-transliteration equivalent for hwhy -YHWH. Most Aramaic lexicons and dictionaries define it as the “equivalent of the Tetragrammaton”, or “Jehovah” or “The Lord”, or “God”. There are no other meanings given for this unique word. Each of these definitions is a designation of The Deity, and in the Peshitta OT exclusively designates YHWH. This article delves into the etymology of “Marya” to disclose the nature and meaning, if not the origin, of the word. Re 19:1 And after these things I heard a great voice of much people in heaven, saying, Alleluia; Salvation, and glory, and honour, and power, unto the Lord our God: Re 19:1 (‹BYZ›) kai meta tauta hkousa wv fwnhn megalhn oclou pollou en tw ouranw legontwn allhlouia h swthria kai h dunamiv kai h doxa tou yeou hmwn Re 19:3 And again they said, Alleluia. And her smoke rose up for ever and ever. Re 19:4 And the four and twenty elders and the four beasts fell down and worshipped God that sat on the throne, saying, Amen; Alleluia. Re 19:6 And I heard as it were the voice of a great multitude, and as the voice of many waters, and as the voice of mighty thunderings, saying, Alleluia: for the Lord God omnipotent reigneth. Tob 13:18 kai ai yurai ierousalhm wdav agalliamatov erousin kai pasai ai oikiai authv erousin allhlouia euloghtov o yeov tou israhl kai euloghtoi euloghsousin to onoma to agion eiv ton aiwna kai eti The Hebrew word הללו־יה is “HalleluYah” -(‹“Praise YAH”›). In the Aramaic Crawford ms. of Revelation, it is הללויא (‹Aramaic transliteration -“HalleluYa”›). You can see that the Aramaic הללויא -“Halleluya” occurs four times in Revelation in the Crawford manuscript. All told, there are over 1300 occurrences of these 70 “YAH”- ending names in the Hebrew Bible, and all of them are transliterated in the Peshitta with a “YA” ending, establishing that this the Aramaic name form used for “YAH” at the end of a Hebrew name. Since the Aramaic lexicons generally agree that מריא -“Marya” is the equivalent for YHWH, and YHWH is a name, and Aramaic is a Semitic language very like Hebrew, and about as similar to Hebrew as any two languages can be similar, it is reasonable to expect that ayrm -“Marya” is a name, and not only a name, but to be, in Aramaic, The Sacred Name of The Most High God, not a mere title like the Greek “Kurios”. |
|
3. |
in de Peshitta zijn de vader van Timotheüs (‹Hd. 16:1, 3›) en Titus (‹Gal. 2:3›) niet Griek maar Arameeër. Ook worden in de Peshitta niet de Jood en de Griek tegenover elkaar gesteld, maar de Jood en de Arameeër (‹Hd. 19:10, 17; 20:21; Rom. 1:16; 2:9, 10; 3:9; 10:12; 1 Kor. 1:22, 23, 24; 10:32; 12:13; Gal. 2:14; 3:28; Kol. 3:11›). Bovendien brengt Paulus in Hd. 21:28 geen Grieken in de Tempel, maar Arameeërs. |
|
4. |
de Aramese Peshitta vertoont geregeld eenvoudiger lezingen dan het Grieks, zonder aan diepte te verliezen. Waar men in het Grieks herhaaldelijk moet lezen om de inhoud van een vers te vatten, lukt dat in de lezing van de Peshitta soms ineens. |
|
5. |
de Aramese Peshitta is in bepaalde aspecten van de tekst consistenter dan het Griekse Testament. Een eenvoudig voorbeeld is de naam ‘Simeon Petrus’, die in het Griekse NT soms als ‘Petrus’ voorkomt, soms als ‘Simeon’, en soms als ‘Simeon Petrus’, terwijl in de Aramese Peshitta de naam vrijwel zonder uitzondering consistent als ‘Simeon Kefas’ voorkomt, waarbij ‘Kefas’ de Aramese variant is van de naam Petrus (‹=rots›). Titus is een Arameeër en Titus vader was dus een Arameeër (‹Gal. 2:3›), zoals ook Timotheüs zijn vader een Arameeër was. Wsl. was het de man die naast de synagoge in Korinthe woonde (‹Hd. 18:7›) en later voor Paulus ook een belangrijke schakel werd tussen de gemeente in Korinthe en hemzelf (‹2 Kor. 2:13, 2 Kor. 7:6, 13, 14 en 2 Kor. 8:6, 16, 23, 2 Kor. 12:18 en wsl. ook Gal. 2:1 als Paulus na 14 jaar met Titus en Barnabas naar Jeruzalem gaat De naam Kifa komt 4 keer voor in de 1e brief aan Korinthe (‹1 Kor. 1:12 van het Griekse NT wat beslist uitzonderlijk is, want de naam Petrus komt niet voor niet, terwijl vrijwel standaard voor deze apostel gebruikt wordt in het griekse NT. De Aramese naam van Petrus heeft Jezus hem gegeven (‹Jh. 1:42›) waaruit duidelijk blijkt dat Jezus met de discipelen Aramees sprak. De naam ‘Kefas’ komt in het totaal 6 keer voor in het Griekse NT nl. in Jh. 1:42, 1 Kor. 1:12, 3:22, 9:5, 15:5 en in Gal. 2:9. Opmerkelijk is dat de naam 4 keer voorkomt in de eerste brief aan de Korinthiërs. De naam Petrus komt niet voor in de 1e en 2e brief aan de Korinthiërs van het Griekse NT, maar b.v. wel 2 keer in de brief aan de Galaten van het Griekse NT. Dat de naam Kefas 4 keer voorkomt in 1e brief aan de Korinthiërs, zou kunnen zijn omdat de gemeente voor een goeddeel Aramees sprekend was, temidden van een Grieks sprekend samenleving. Verder komen er meer Aramese uitdrukkingen voor in de brieven aan de Korinthiërs dan aan andere gemeente. Denk aan Maranatha (‹1 Kor. 16:22›) Als er dan naast Grieks ook Aramees gesproken werd in Korinthe wordt de tongentaal ook verklaarbaarder, want voor openbaar tongen spreken, moet er een verstaander of vertolker zijn. Dat kan ongemerkt gebeuren, maar ook niet en men moet ook voor vertolking bidden. Hd. 19:10 van de Peshitta dat alle Joden en Arameeërs die in Azië woonden het woord van God hoorden toen Paulus 2 jaar lang toespraken hielde in de school van Tyrannus. - Lukas is zeer waarschijnlijk een apostel en dus Joods Een ander voorbeeld is de uitdrukking ‘een andere tong’ (‹letterlijk: ‘een tong in een tong’›) in Hd. 2:4, Hd. 10:46 en Hd. 19:6 van de Aramese Peshitta. Deze uitdrukking staat precies bij de 3 groepen die de Heilige Geest ontvangen, uitgaande van Jeruzalem, nl. (‹1›) de Joden, (‹2›) de volken, (‹3›) twaalf Joden, een beeld van de stammen in de verstrooiing. In het Grieks staat er niet steeds hetzelfde, en is de uitdrukking ook niet zo typerend voor het verschijnsel. ‘Een tong in een tong’, treffender kan het niet gezegd worden: ‘een taal in een taal’. |
|
6. |
Opvallend is het veelvuldig voorkomen van de uitdrukking ‘onze Heer’ en ‘mijn Heer’ in de Aramese Peshitta. In het Grieks is dat beduidend minder. |
|
7. |
In het Griekse Nieuwe Testament staan diverse keren leenwoorden uit het Aramees of uitdrukkingen in het Aramees, maar in het Aramees nauwelijks uit het Grieks b.v. ‘Mammon’ in Mt. 6:24, een Aramees woord dat ‘geld’ betekent. |
|
8. |
Het Aramees van de Peshitta wordt in het algemeen veel dichterlijker van aard geacht dan het Grieks en zou in dat opzicht meer overeenkomst hebben met het Hebreeuws van het Oude Testament. |
|
9. |
In de Aramese Peshitta lezen wij in Mt. 25:1 dat de tien maagden de bruidegom en de bruid tegemoet gaan. In de Griekse bronnen lezen wij dat zij alleen de bruidegom tegemoet gaan. Wij hebben tot nu toe de Peshitta versie van deze tekst met bruidegom en bruid alleen kunnen terugvinden in een Sefardische Hebreeuwse versie van het Evangelie van Matteüs uit de Bibliotheek van het Vaticaan - Vat. Ebr. 100 - vertaald door Justin J. van Rensburg, gedateerd aan het einde van de 15 eeuw, die naar zegen van Rensberg onmogelijk afkomstig kan zijn van een Grieks origineel. |
|
10. |
In de Aramese Peshitta lezen wij in Op. 20:12 dat de Boekrol van het Oordeel opengaat en niet de Boekrol van het Leven, zoals in het Griekse Nieuwe Testament. |
|
11. |
Opvallend is dat in de Aramese Peshitta de Naam ‘Jezus Christus’ vrijwel uitsluitend in deze volgorde van de twee namen wordt aangetroffen (‹4 keer lezen wij Christus Jezus nl. in 1 Kor. 16:24; 2 Kor. 4:5 en in 1 Tm. 1:1, 2›), terwijl wij in het Griekse NieuweTestament de omgekeerde volgorde nl. Christus Jezus wel in 70-90 verzen aantreffen, naar gelang de Griekse bronnen die de betreffende Bijbelvertaling volgt (‹de NA28, de MHT of de TR›). Dit omkeringsverschijnsel is heel goed te verklaren uit het feit dat men bij het vertalen tussen een taal, die van rechts naar links geschreven wordt en een taal die van links naar rechts geschreven wordt, bij het voorkomen van zulke combi-woorden of combi-namen heel makkelijk een verschrijving maakt, omdat men voor zich b.v. een R(‹echts›)-naar-L(‹inks›) origineel ziet maar het moet opschrijven als L-naar-R. |
|
12. |
In het NT van de Peshitta komt het Aramese woord ‘sbarta’ (‹ܣܒ݂ܰܪܬ݂ܳܐ›) voor, dat in de EBV vertaald wordt als ‘het Goede Nieuws’. Het woord komt voor in 45 verzen in het NT van de Peshitta nl. in: Mt. 4:23; 9:35; 24:14; 26:13; Mk. 1:14, 15; 8:35; 10:29; 13:10; 16:15; Hd. 12:24; 20:24; 15:7; Rm. 10:16; 15:19; 1 Kor. 4:15; 9:12, 14, 18, 23; 2 Kor. 2:12; 9:13; 10:14; 11:4, 7; Gal. 1:6, 7, 11; 2:2, 5, 7; Ef. 1:13; 6:19; Fil. 1:27; 2:22; 4:15; Kol. 1:5; 1 Th. 2:2, 4, 8, 10; 3:2; 2 Th. 1:8; 1 Pt. 4:17; 1 Jh. 1:5. Het woord is in ‘The Aramaic Lexicon and Concordance’ te vinden onder nr. 13879. Als wij afgaan op de betekenissen van het Aramese woord volgens het Compendious Syriac Dictionary van R. Payne Smith (‹pg. 359›), is de betekenis eigenlijk ‘hoopvol nieuws’ of ‘dat waar je met volharding en geduld en vaste overtuiging op wacht of naar uitziet’. In Rm. 5:3 en Rm. 15:4 van de EBV is het verwante Aramese woord ‘msabranoeta’ dan ook zo vertaald. Het werkwoord dat ermee samenhangt is ܣܳܒ݂ܰܪ (‹SaB’aR›). Het is in ‘The Aramaic Lexicon and Concordance’ te vinden onder nr. 13846. Dit werkwoord wordt in de EBV gewoonlijk vertaald als ‘het Goede Nieuws verkondigen’. Dit werkwoord met de ermee samenhangende afgeleide woordvormen, met inbegrip van het al besproken woord ‘sbarta’ komt in 100 verzen van de EBV voor en dit is altijd te herkennen aan de uitdrukking ‘het Goede Nieuws’, gewoonlijk met een hoofdletter aan het begin geschreven, maar ook wel geheel met klein letters. Naast dit woord treffen wij in het NT van de Peshitta ook het Aramese woord ܐܘܰܢܓ݁ܶܠܺܝܳܘܢ (‹Evangeliyon›). Het komt 30 keer voor in het NT van de Peshitta, nl. in: Mk. 1:1; Rm. 1:1, 9, 16; 2:16; 10:16; 11:28; 15:16, 29; 16:24; 1 Kor. 9:18; 15:1; 2 Kor. 4:3, 4; 8:18; Gal. 2:14; Ef. 3:6; 6:15; Fil. 1:5, 7, 12, 16, 27; 4:3; Kol. 1:23; 1 Tm. 1:11; 2 Tm. 1:8, 10; 2:8; Flmn. 1:13. Het woord is in ‘The Aramaic Lexicon and Concordance’ te vinden onder nr. 281. Het woord heeft zeker een Griekse oorsprong blijkens het voorkomen van het woord in diverse oude Griekse geschriften, en ook in de Griekse Septuaginta (‹LXX›) waar wij in 2 Sm. 4:10 het werkwoord εὐαγγελίζω (‹euaggelízō›) tegenkomen dat ‘verkondigen’ of ‘boodschappen’ betekent en waarvan ook het woord ‘αγγελον’ voor ‘engel’ is afgeleid. Het voorvoegsel ‘eu’ staat voor ‘goed’, en leidt dus tot de betekenis: ‘goed nieuws verkondigen’ (‹εὖ - G2095 en ἄγγελος - G32›). De vorm van het Aramese woord lijkt bijzonder sterk op dit Griekse woord. In het Arabisch spreekt men van ‘Injil’ (‹إِنْجِيلِ يَسُوعَ الْمَسِيحِ - Injil Yasu’a Al-Masiḥ›). Het woord ‘Injil’ mist de ‘eu’-klank van het Griekse woord ‘euaggelízō’ en de vraag rijst waarom dat zo is. In het Aramese woord ‘evangeliyon’ klinkt die ‘eu’-klank namelijk wel door. Er blijkt een opmerkelijke Arabische taalkundige wortel ‘najala’ ofwel ‘nagala’ (‹in sommige delen van Egypte wordt de ‘j’-klank wel als ‘g’ uitgesproken›) te bestaan. Het is een niet zo bekend werkwoord dat ‘verwekken’ betekent, d.w.z. het verwekken van kinderen. Het zelfstandig naamwoord ‘najl’ (‹نَجْل›) betekent ‘nakomelingschap’ of ‘nakomeling(‹en›)’. Omdat het Evangelie naar Matteüs met de stamboom van Jezus Christus begint en sommige commentatoren heel het Evangelie van Matteüs als ‘de geboortegeschiedenis van Jezus Christus’ beschouwen, kan men zich voorstellen dat het boek genoemd wordt naar de aard van dit begin. Het is echter ook mogelijk dat het woord ‘Injil’ toch uit het Grieks zo gevormd is door de moeilijkheid om de ‘eu’-klank goed in het Arabisch weer te geven, maar deze moeilijkheid lijkt ook weer niet onoverkomelijk, zodat toch de vraag blijft hoe de taalkundige ‘vork’ precies in de steel zit. In sommige verzen in de Peshitta treffen wij het woord ‘sbarta’ aan samen met het woord ‘Evangeliyon’ nl. in 1 Kor. 9:18 en in Fil. 1:27. In het Griekse NT treffen wij niet twee zeer verschillende woorden aan voor het Evangelie of voor het verkondigen van het Evangelie, maar twee nauw verwante woorden nl. ευαγγελιον (‹euaggelion - G2098 - het Evangelie›), dat 77 keer in het Griekse NT voorkomt verspreid over 74 verzen, en εὐαγγελίζω (‹G2097 - euaggelizó - het Evangelie verkondigen›), dat 55 keer voorkomt verspreid over 52 verzen. |
|
15. |
Een belangrijk verschijnsel bij vertalen is dat de oorspronkelijke tekst van vertaalslag op vertaalslag aan informatie verliest en onnauwkeuriger wordt, zelfs in het geval dat de vertalers op zich uiterst nauwkeurig zijn. Het NT van de Peshitta verschaft ons op diverse plaatsen informatie die wij niet kunnen terugvinden in het Griekse NT. Enkele o.i. opvallende voorbeelden hiervan zijn de volgende: (‹a›) in Lk. 1-3 lezen wij in het Aramees op zeer onopvallende wijze, dat de Heer aan Lukas, de schrijver van dat Evangelie en aan Handelingen, verschenen is. Dit wijst er dan op dat Lukas mogelijk tot de apostelen behoorden die getuigen geweest zijn van zijn opstanding. (‹b›) in Op. het boek van het oordeel in Openbaring (‹c›) in het boek Handelingen tref fen wij de uitdrukking ‘leshan be-leshan’ aan, dat is vertaald: ‘een tong in een tong’. Een ander voorbeeld is de uitdrukking ‘een andere tong’ (‹letterlijk: ‘een tong in een tong’›) in Hd. 2:4, Hd. 10:46 en Hd. 19:6 van de Aramese Peshitta. Deze uitdrukking staat precies bij de 3 groepen die de Heilige Geest ontvangen, uitgaande van Jeruzalem, nl. (‹1›) de Joden, (‹2›) de volken, (‹3›) twaalf Joden, een beeld van de Joden in de verstrooiing. In het Grieks staat er niet steeds hetzelfde, en is de uitdrukking ook niet zo typerend voor het verschijnsel. Een tong in een tong, treffender kan het niet gezegd worden: ‘een taal in een taal’. - Joh. 21 over WEID mijn Lammeren , RAMMEN SCHAPEN Daarnaast, zo is de mening van diverse aanhangers van de gedachte dat het NT van de Peshitta de grondtekst is, kan het Grieks zich in poëtische kracht niet meten aan het Aramees van de Peshitta. |
|
16. |
‘... de Alef en ... de Tav’ - deze woorden komen drie keer voor, alleen in het boek Openbaring in de Aramese Peshitta uit de 5e eeuw n. Chr. (‹maar mogelijk al geschreven in de 1e eeuw›) en in het boek Openabring van het Hebreeuwse Nieuwe Testament dat in de 18e eeuw tot stand kwam, nl. in Op. 1:8, p. 21:6 en in Op. 22:13. De Alef en de Tav zijn de eerste en de laatste letter van het Aramese en ook van het Hebreeuwse alfabet. In de Griekse tekst lezen wij: de Alfa en de Omega’, waarbij de Alfa voluit geschreven staat, terwijl de Omega als een enkele, losse Griekse letter in de tekst staat, wat een eigenaardige combinatie is. In de Aramese Peshitta lezen wij: ‘ālaf w-tav’, dat is vertaald: ‘de Alef en de Tav’. Beide letters zijn voluit als een woordklank geschreven. De combinatie van deze twee Aramees-Hebreeuwse letters in het Oude Testament vormen het bijzondere woordje |אֵת| (‹‘ēt’›) dat wij b.v. in Gen. 1:1 aantreffen “In het begin schiep GOD de hemelen en de aarde.” בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים , אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ: In de combinatie van deze letters ziet men wel een aanduiding van de tegenwoordigheid van Jezus Christus in het begin van de schepping en uit het drie keer voorkomen van de uitspraak ‘Ik ben de Alef en (‹Ik ben›) de Tav’ in Openbaring, het laatste boek van de Bijbel, kunnen wij aflezen dat Hij ook het Einde is of de Laatste. Het voorkomen van deze lettercombinatie ‘ēt’ in het boek Ruth is ook opmerkelijk, omdat de naam Ruth vanaf het moment dat zij met Boaz getrouwd is (‹Ruth 4:10, 13›) met deze lettercombinatie wordt ‘gemarkeerd’, maar daarvoor niet. Dit kleine woordje wordt eigenlijk nooit vertaald en is dus verborgen, maar wel aanwezig in de Bijbel en dat ruim 7000 keer. |
|
17. |
het is treffend dat de Aramese Peshitta in Jh. 6:52-56 het woord ‘Lichaam’ gebruikt’ waar wij in de Griekse tekst het woord ‘vlees’ aantreffen. De woorden van Jezus lijken zo heen te wijzen naar het Heilig Avondmaal, dat juist die keuze voor ‘Lichaam’ precies op zijn plaats is, want het Lichaam van Jezus is ontdaan van sterfelijkheid, maar toen Hij, het Woord, vlees werd, betekende dat dat Hij zou sterven wat betreft zijn vleselijke lichaam, maar wat betreft zijn geestelijke Lichaam gold dat niet en zal dat ook nooit gelden. Het is onsterfelijk! Daarmee is in de Aramese Peshitta het verschil tussen ‘vlees’ en ‘lichaam’ duidelijker onderscheiden dan in de Griekse tekst. |
|
18. |
G4561 sarx 130 verses in Greek NT. Peshitta approx. 108 times. - very interestingly Pesh. had ‘body’ instead of ‘flesh’ in Jh. 6:52-56. This I find beautiful. - same in Acts 2:26, Rom. 1:3 - in Acts 2:30 the addition ‘according to the flesh’ is not found in the. Pesh. - very striking and correct in Acts 2:31 the Pesh. has ‘body’ instead of ‘flesh’ - in Rom. 8:3 Pesh. and Greek correspond ‘sinful flesh’ - in Rom. 11:14 the Pesh. has ‘sons of my flesh’, in Greek it says ‘my flesh’ - in 1 Cor. 3:16 de Pesh. has ‘the two shall be one body’, while the greek has ‘one flesh’. Also in 1 Cor. 7:28, 1 Cor. 15:39, 2 Cor. 4:11, 2 Cor. 5:16, 2 Cor. 7:5, Ef. 5:29, Fil. 1:24, 1 Pt. 3:18, 21, 1 Pt. 4:2, 1 Jh. 2:16 |
|
|
A. NOTE G4561 sarx 130 verses in Greek NT. Peshitta approx. 108 times. - very interestingly Pesh. had ‘body’ instead of ‘flesh’ in Jh. 6:52-56. This I find beautiful. - same in Acts 2:26, Rom. 1:3 - in Acts 2:30 the addition ‘according to the flesh’ is not found in the. Pesh. - very striking and correct in Acts 2:31 the Pesh. has ‘body’ instead of ‘flesh’ - in Rom. 8:3 Pesh. and Greek correspond ‘sinful flesh’ - in Rom. 11:14 the Pesh. has ‘sons of my flesh’, in Greek it says ‘my flesh’ - in 1 Cor. 3:16 de Pesh. has ‘the two shall be one body’, while the greek has ‘one flesh’. Also in 1 Cor. 7:28, 1 Cor. 15:39, 2 Cor. 4:11, 2 Cor. 5:16, 2 Cor. 7:5, Ef. 5:29, Fil. 1:24, 1 Pt. 3:18, 21, 1 Pt. 4:2, 1 Jh. 2:16, B. NOTE indeed in Greek you find often Christ Jesus. Not so in the Pesh. It is always with I think 1 exception ‘Jesus Christ’. I have often thought about the Greek and I have never found a good explanantion. I find others wrestle with the same. In my opinion it is a problem with the writing direction because Aram. is from RTL and Grk is from LTR. When translating form either side, you can easily run into a misreading regarding the word order of the two names. Grk. is less consistent, therefore I guess it was translated from Aram. tor GRk. C. QUESTION You write about what you call 1 or 2 natures. First the word ’nature’ in Eph. 2:3 is not found in the Pesh. This is Bauschers text of this verse: "We also were employed in those works from the first in the desires of our flesh, and we were doing the will of our flesh and of our minds, and we were entirely children of rage, as the rest." Second the word ’nature’ in the Pesh. in James 3:7 and 2 Pt. 1:4 which I have translated ’natuur’ = ’nature’ as do most Pesh. translators, could also be translated ‘essence’ or ‘essential being’. |
|
|
Nowhere, I think, do the Greek or Aram. say ‘old' or 'new nature' as you put it and as many others put it. But both speak of the divine nature in 2 Pt. 1:4. Nowhere can the expression old nature be found. Am I right? So what we have is that all of us, including the Lord Jesus Christ, are born in the flesh on this earth (‹see Jh. 1:14. and all of us will die. Even Jesu Christ died though he had no sin. His body, hsi flesh was without sin, so in fact it could not die, it was immortal, but apparently it passed away, because Jesus Christ gave over His Spirit (‹into thy hands I command …›) and second his body died because of our sins he took upon Him. This is of course beyond our comprehension, but it looks like we have to conclude this, why otherwise would his fleshly body die. All flesh also has in itself blood and blood stands for the soul. I agree with you that ‘flesh’ does imply necessarily the notion of sin. So my question is, is there anythng wrong in saying: born again christians have one nature, a divine nature (‹although strictly speaking 2 Pt. 1:4 does not say that, but it says that believers are partakers in the Godly nature, which however is immortal and everlasting›), but they still have a body, which is mortal because of sin and therefore we are still in a certain battle, but not between 2 natures, but between the one divine nature and the powers of darkness and the power of sin and death that are still working through and in our mortal and sinful body, because the sins I did before I cane to faith are forgiven, but they are still present in my body, though I should reign over them through the Spirit. Blessings Joop |
|
|
In Handelingen 20:6 wordt Filippi in de Aramese Peshitta de (‹hoofd›)stad van Macedonië genoemd. Deze informatie ontbreekt in het Griekse NT.. Vergelijk Hd. 16:12 waar het Grieks wel meer in lijn is met het Aramees. |
|
|
Op. 10:1 boog van de hemel, niet regenboog zoals in het Grieks |
|
|
Op. 10:4 een stem uit de zevende hemel - Grieks ‘uit de hemel’ |
|
|
|
Welke andere overwegingen zijn er nog die invloed kunnen hebben op onze gedachtevorming aangaande de oorspronkelijke taal en de grondtekst van het Nieuwe Testament?
|
a. |
Jezus Christus sprak Aramees volgens de tekst van het Nieuwe Testament, waarbij wij allereerst denken aan de woorden aan het kruis die zelfs in het Griekse NT in het Aramees zijn opgeschreven (‹Mt. 27:46; Mk. 15:34›) en ook aan de woorden die Jezus spreekt tot het meisje in Mk. 5:41 die ook in het Griekse NT eerst in het Aramees worden vermeld. Flavius Josephus noemt Aramees ‘de taal van het land’ en hij is de grootste Joodse geschiedschrijver uit de tijd dat Jezus op aarde was. Frederic Kenyon, voormalig directeur en hoofd van de bibliotheek van het Brits Museum schrijft in zijn boek: ‘The Text of the Greek Bible’: ‘Palestinian Aramaic was no doubt the language habitually spoken by our Lord and this gives a special interest to the Syriac gospels, as coming nearest to the form in which His teaching was originally delivered’. Tegelijkertijd leren wij uit Lk. 4:16-21 dat Jezus Christus ook vloeiend Hebreeuws las, waardoor Hij als Joodse rabbi in staat was uit de boekrol in Kapernaüm voor te lezen. |
|
b. |
Het merendeel van de Joden was na 70 jaar ballingschap niet naar het land Israël teruggekeerd. Degenen die terugkeerden vormden slechts een kleine groep waarover wij lezen in de boeken Ezra en Nehemia. De grote meerderheid was verspreid over Mesopotamië en van daaruit ongetwijfeld ook in westwaartse richting: naar Griekenland door het huidige Turkije heen richting Europa, en ook oostwaarts, richting Perzië, Jemen, India en China. Dat leidde ertoe dat Paulus, die uiteindelijk in westelijke richting het Evangelie predikte, met Joodse gemeenschappen in aanraking kwam die vanuit Mesopotamië westwaarts getrokken waren, vaak via Antiochië dat zo mooi op het kruispunt lag tussen oost en west en dat niet ver aflag van Edessa, het centrum van de Aramese taal en cultuur. Bij deze verspreiding namen de Joden het Aramees als hun voertaal mee. Paulus kwam uit Tarsus en het is heel goed mogelijk dat hij vloeiend Aramees sprak, naast Hebreeuws en Grieks. En wat zou hij in Arabië gesproken hebben (‹Gal. 1:17›), toen hij daar het Evangelie begon bekend te maken? Geen Arabisch want dat was toen nog niet zo wijd verspreid, maar zeer waarschijnlijk was het Aramees. |
|
c. |
De islamitische veroveringen en heerschappijen hebben het Aramees geen goed gedaan. Vanaf de 7e eeuw was de islam gevestigd in heel het gebied van Irak, Syrië, Palestina, Egypte en Turkije. Overal waar de islam kwam, werd het Arabisch tot staatstaal verheven en kwamen de oorspronkelijke talen in verval. Dit was heel anders dan onder de heerschappij van Alexander de Grote, want toen mocht men in dit gebied Aramees blijven spreken, want het Grieks werd niet opgelegd. Tegenwoordig is door de invloed van de islam het Aramees sprekende volksdeel bijna geheel verdreven uit het Midden-Oosten, ook al zijn er nog steeds enkele (‹ernstig bedreigde›) Aramees sprekende gemeenschappen zijn. |
|
|
|
De discussie over de vraag of Aramees of Grieks de grondtaal van het Nieuwe Testament is, wordt o.a. erg gecompliceerd door het feit dat men vlug vooringenomen is. Dat geldt m.n. voor degenen die het Grieks als het originele Nieuw Testament zien, want met de eeuwenlange traditie in de studie van het Griekse Nieuw Testament, lijkt alle gelijk aan die kant te liggen. Toch valt ons op dat de ‘antwoorden’ van die kant (‹bijna›) nooit ingaan op belangrijke en verwonderlijke eigenschappen van de Aramese Peshitta, zoals wij enkele daarvan hierboven hebben genoemd. John Gwynn, een zeer groot geleerde op het terrein van de Aramese Peshitta , die eind 19e eeuw, begin 20e eeuw met zijn verstand nog vasthield aan de opvatting dat het Grieks de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament was, schrijft niettemin, - als hij uit zijn hart spreekt naar aanleiding van zijn bestudering van het door hem ontdekte Crawford manuscript van het boek Openbaring - , als volgt: ‘As regards its general tone and manner, we may justly claim for it (‹d.w.z. betreffende het Crawford manuscript van het boek Openbaring›) that it approaches the excellence of the Peshitto; and in point of force, directness, and dignity, that it gives worthy expression to the sublime imagery of the Apocalyptist. It has strength and freedom such as few translations attain; such, in fact, that it would not be difficult to make out a plausible case for accepting it as the Aramaic original, or a close reproduction of an Aramaic original, of the Book. In it ... the Aramaic idiom asserts its power to supply for the burden of the divine visions an utterance more adequate than could be found for them in the Greek which is their actual vehicle.’ Het is duidelijk uit deze passage dat John Gwynn in zijn hart anders lijkt te oordelen dan met zijn ‘traditioneel ingestelde verstand’. Maar het ‘traditioneel ingestelde verstand’ en de geleerde intuïtie moeten aan elkaar getoetst worden.
Wij willen en kunnen niet zeggen dat alle antwoorden over de totstandkoming van het Nieuwe Testament worden opgelost als wij maar werkelijk willen overwegen of de Peshitta de grondtekst is, om dan vanuit die houding de feiten opnieuw te onderzoeken. Maar een minder krampachtig vasthouden aan het vooroordeel dat het Grieks de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament is, zou vruchtbaarder zijn voor verder onderzoek, in geval daar nog tijd voor zou zijn. De redenen om zo’n onderzoek te doen zijn eenvoudigweg deze:
Ten eerste stellen de beide teksten samen ons beter in staat om een grondiger en duidelijker zicht te krijgen op de tekst van het Evangelie van Jezus Christus en om daardoor tot een zekere aanscherping van het christelijk geloof te komen.
Ten tweede is de exacte ontstaansgeschiedenis van het Nieuwe Testament te zeer verborgen om met zekerheid te kunnen zeggen hoe het precies is toegegaan en welk aandeel het Grieks en het Aramees daarin gehad hebben. Dit onderwerp is te gecompliceerd en te verborgen dat enige wetenschapper daarover op dit moment definitief uitsluitsel zou kunnen geven. Nederigheid en een onderzoekende geest kunnen wellicht verder helpen, zoals ook eventuele vondsten van nog verborgen manuscripten.
Lutherse theologen maken graag onderscheid tussen de boeken van het Nieuwe Testament die unaniem als canoniek werden aanvaard in de vroege kerk (‹de zogenaamde Homologoumena of onbetwiste boeken›) en de boeken die door sommigen werden betwist (‹de Antilegomena›). Tot deze categorie 'betwiste boeken' behoren de brief aan de Hebreeën, Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en de Openbaring van Johannes. Deze boeken worden in moderne Lutherse kerken als canoniek beschouwd, met de kanttekening dat ze niet helemaal op hetzelfde niveau staan als de andere boeken als volledige uitdrukkingen van de evangelische waarheid, en met de nodige voorzichtigheid moeten worden gebruikt.
Luther zelf nam de vrijheid om sommige van deze boeken op polemische wijze te bekritiseren, wat weinig Lutheranen vandaag de dag volledig acceptabel zouden vinden. Hij had een lage dunk van Hebreeën, Jakobus, Judas en de Openbaring, en daarom plaatste hij deze boeken apart aan het einde van zijn Nieuwe Testament toen hij het in 1522 publiceerde. In zijn voorwoord bij de brief aan de Hebreeën, het eerste boek in de reeks, zegt hij: "Tot nu toe hebben we ons beziggehouden met de ware en zekere hoofdboeken van het Nieuwe Testament. De vier die volgen, hebben van oudsher een andere reputatie."
Luthers kritiek op deze boeken zal moderne christenen wellicht schandelijk en zelfs schokkend vinden, maar het moet worden opgemerkt dat zijn houding in de context van de late middeleeuwen niet zo schokkend was. Erasmus had deze vier boeken ook al in twijfel getrokken in de Annotationes bij zijn Griekse Nieuwe Testament uit 1516, en hun canonieke status werd betwijfeld door de rooms-katholieke kardinaal Cajetan (‹Luthers tegenstander in Augsburg. Zie Reu, Luther's German Bible, pp. 175-176›). Het trieste feit is dat de Rooms-Katholieke Kerk de grenzen van de bijbelse canon nooit precies had getrokken. Dat was ook niet nodig onder het Romeinse systeem, waarin het gezag van de Schrift niet veel hoger was dan dat van traditie, pausen en concilies. Pas toen de protestantse hervormers begonnen te hameren op het absolute gezag van de Schrift alleen, werd een beslissing over de 'betwiste boeken' noodzakelijk.
________________
1. Het Oude Testament van de Peshitta is nooit beschouwd als de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament, want de tekst ervan is waarschijnlijk in de 2e eeuw n. Chr. tot stand gekomen door een vertaling vanuit het Hebreeuws, een vertaling die mogelijk het werk was van Joodse christenen die deel uitmaakten van een Joodse gemeenschap in Edessa in de 2e eeuw n. Chr., aldus F. Crawford Burkitt in zijn boek ‘Early Eastern Christianity, 71 ff. 1904’. Heel opvallend in de volgorde van de boeken van het OT in de Peshitta is dat het boek Job direct volgt op de 5 boeken van Mozes, wat in zekere zin overeenstemt met het vermoeden dat Job leefde in een tijd die niet al te ver aflag van de tijd waarin Jozef leefde (‹zie de Inleiding bij het boek Job›).
De veronderstelling dat het OT van de Peshitta zoals hiervoor beschreven rond de 2e v. Chr. in Edessa tot stand gekomen is, lijkt de meest betrouwbare veronderstelling op dit gebied te zijn. De veronderstelling dat de vertaling van het Hebreeuws naar het Aramees ten behoeve van koning Hiram van Tyrus in de dagen van Salomo gemaakt zou zijn, is ongeloofwaardig en gaat voorbij aan het feit dat veel van het OT toen nog niet tot stand gekomen was. Ook het idee dat de vertaling gemaakt zou zijn door een priester genaamd Assa, of Ezra, die de koning van Assyrië naar Samaria zond om de nieuwe bewoners die zich daar hadden gevestigd te onderwijzen over de dienst aan de HEERE, de God van Israël (‹zie 1 Kn. 17›), is net zo ongeloofwaardig. Dat de vertaling tot stand zou zijn gekomen in verband met het bezoek van Thaddaeus aan Abgar in Edessa is ook een onbetrouwbare traditie.
Er is ook een traditie ten aanzien van het Nieuwe Testament die stelt dat Markus, de neef van Barnabas, zijn eigen Evangelie, dat volgens die traditie oorspronkelijk in het Latijns geschreven zou zijn, in het Aramees heeft vertaald alsmede de andere boeken van het Nieuwe Testament. Deze traditie berust ook op verzinsels.
Geraadpleegde bronnen
|
James Murdoch |
Peshitta |
|
Frederic Kenyon: (‹voormalig directeur en hoofdbibliothecaris van het Brits Museum›): |
The Text of the Greek Bible (‹Studies in Theology›), 1st edition 1937, revised edition 1950 |
|
F. Crawford-Burkitt |
Early Eastern Christianity, John Murray, London, 1904 |
|
Arthur Vööbis |
Investigations into the Text of the New Testament used by Rabbula of Edessa. (‹1947›) |
|
Robert B. Waltz |
The Encyclopedia of New Testament Textual Criticism, 2013 |
|
John Gwynn, D.D. (‹University Dublin›), Hoy. D.C.L. (‹Oxon.›) |
1. Two memoirs on the Syriac Versions of the New Testament, Dublin 1893 2. Remnants of the later Syriac versions of the Bible in two parts: Part 1. New Testament. - The four minor catholic epistles in the original philoxenian version, of the sixth century, and - The history of the woman taken in adultery (‹John 7:53-8:12›) Part II: Old Testament Extracts (‹hitherto inedited›) from the Syro-Hexaplar version, of the seventh century, after the Greek of the LXX. Genesis, Leviticus, 1 & 2 Chronicles, Nehemiah edited, with introductions, notes, and reconstructed Greek text. |
|
Annechiena Vrolijk |
Oorsprong en geschiedenis van het Hebreeuwse Alfabet |
|
R.B. ter Haar Romeny Universiteit Leiden |
The Peshitta and its Rivals - in ‘The Harp’ Vol. XI - XII 1998 - ‘99. |
|
Vineyard Stalin |
Understanding Why MarYah Is The Aramaic Name For YHWH - Jan 06, 2012 |
|
O.P. Marmardji |
Diatessaron de Tatien, Katholieke Drukkerij, Beiroet, 1935 (‹de vastgestelde Arabische tekst, vertaald in het Frans, zij aan zij met de Oud-Syrisch versies, gevolgd door een evangelische van de diatessaron, vergezeld van de vier tabellen hors text |
|
G.W. & D.E. Anderson |
A Textual Key to the New Testament - A list opf omissions and changes, 1993, 2002 Trinitarian Bible Society |
|
Bewerking |
Redactie EBV-S 1 januari 2026 |
|
John Wesley Etheridge (‹24 februari 1804 – 24 mei 1866›) was een Engelse non-conformistische predikant en geleerde. Hij was de eerste die de vier evangeliën vanuit de Aramese Peshitta in het Engels vertaalde (‹1846›), kort voordat het volledige Nieuwe Testament door James Murdock werd vertaald (‹1856›). Leven Etheridge werd geboren bij Newport, op het eiland Wight. Hij ontving het grootste deel van zijn vroege opleiding van zijn vader. Hoewel hij nooit naar de universiteit ging, verwierf Etheridge uiteindelijk een grondige kennis van het Grieks, Latijn, Hebreeuws, Syrisch, Frans en Duits. In 1824 werd hij door de Wesleyan Methodist Church aangesteld als plaatselijk predikant. In 1826 werd zijn aanbod om predikant te worden aanvaard, en na de gebruikelijke proeftijd kreeg hij tijdens de conferentie van 1831 een volledige aanstelling. De twee jaar daarop bleef hij in Brighton, maar in 1833 verhuisde hij naar Cornwall, waar hij achtereenvolgens in de kerkelijke kring van resp. Truro en Falmouth werd aangesteld. Van Falmouth verhuisde hij naar Darlaston, waar zijn gezondheid in 1838 sterk achteruitging. Hij was vele jaren invallend predikant en woonde een tijdlang in Caen (‹Normandië›) en Parijs, waar hij in de openbare bibliotheken ruime mogelijkheden vond om zijn geliefde Oosterse studies voort te zetten. Nadat zijn gezondheid aanzienlijk was verbeterd, werd hij in 1843 predikant van de Methodistenkerk in Boulogne-sur-Mer. Hij keerde in 1847 terug naar Engeland en werd achtereenvolgens benoemd in de kerkelijke kring van Islington, Bristol, Leeds, Penzance, Penryn, Truro en St Austell in Oost-Cornwall. Kort na zijn terugkeer naar Engeland behaalde hij zijn doctoraat aan de Universiteit van Heidelberg. Hij was een geduldige, bescheiden, hardwerkende en nauwkeurige wetenschapper. Hij overleed op 24 mei 1866 in Camborne. Werken Zijn belangrijkste werken zijn: • A Literal Translation Of The Four Gospels from the Peschito • Horae Aramaicae (‹1843›) • History, Liturgies and Literature of the Syrian Churches (‹1847›) • The Apostolical Acts and Epistles, from the Peshito or Ancient Syriac; to which are added, the remaining Epistles, and the book of Revelation, after a later Syrian text (‹1849›) • Jerusalem and Tiberias, a Survey of the Religious and Scholastic Learning of the Jews (‹1856›) • The Life of the Rev. Adam Clarke, LL.D. (‹1858, 2nd Ed›) • The Targums of Onkelos and Jonathan ben Uzziel (‹1st vol. in 1862, 2nd in 1865›) |