DE ZOON VAN GOD

1 juli 2026

Inleiding

Veel moslims stellen de vraag ‘Hoe kan God een Zoon hebben?’ of ‘Hoe kan Jezus nu de Zoon van God zijn?’, sterker nog het wordt gebracht als een stelling: ‘God heeft geen zoon’ en ‘God verwekt niet en wordt niet verwekt’ of anders gezegd ‘God doet niet geboren worden en wordt niet geboren’. De gedachte dat God een Zoon zou hebben, is voor een moslim heel vreemd, want als God  een zoon heeft, dan is God toch niet meer Eén, terwijl dat juist zo kenmerkend voor God is volgens de woorden van de Bijbel uit het 5e boek van Mozes, uit Deuteronomium 6:4, waar wij lezen: “Luister, Israël, de HEERE, onze GOD, de HEERE is Eén!”.  Deze woorden duiden op de volmaakte eenheid in Wezen. Die eenheid in Wezen kan niet anders uitgedrukt worden dan door ‘Eén’, Hij, de Almachtige God, is Eén! Als deze Ene God zegt ‘Laten Wij mensen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis!’ dan spreekt Hij Zichzelf niet tegen alsof Hij opeens niet meer Eén in Wezen zou zijn. 

De Joden verwachtten de komst van de Messias. Zo werd op grond van de Tenach door de Schriftgeleerden van de Joden aan koning Herodes meegedeeld, dat de Messias in Betlehem geboren zou worden (‹Mt. 2:4-6›). Alfred Edersheim, een joodse christen, heeft een lijst samengesteld met 456 passages uit het Oude Testament waarvan de Joden menen dat die betrekking hebben op de Messias. Maar vanaf het begin van Jezus’ openbare bediening hebben de Joodse leiders zich voortdurend verzet tegen zijn optreden en zijn zij er steeds op uit geweest om Jezus te doden. Ook nu verwachten de Joden dat de Messias zal komen, maar ze geloven niet dat Hij al gekomen en gekruisigd is.  

Nu is het werkelijk een oneindig groot mysterie dat Jezus Christus, God en Mens zijnde, de Messias, voor zondaren in de plaats de vloek gedragen heeft aan een kruis. Maar het is van fundamenteel belang om te begrijpen dat Jezus beslist wel aan het kruis gestorven is, maar God beslist niet. Voordat Jezus stierf, zei Hij: ‘’In uw handen plaats Ik mijn Geest!” (‹Lukas 23:46›). Het was een bevel! Daarna stierf Jezus en werd zijn lichaam begraven, maar dat graf was na zijn opstanding uit de doden leeg en alleen de windsels lagen er nog, keurig netjes opgerold (‹Johannes 20:7›). Omdat zijn lichaam zonder zonde was, zou Jezus het bij zijn opstanding weer bij Zich nemen en zou het weliswaar sterfelijk gebleken lichaam onsterfelijkheid aandoen, ja, dwars door de dood heen! Hallelu-Jah! Hallelu-Jah! Hallelu-Jah! 

In de Bijbel lezen wij dat de Joodse leiders de opstanding, door leugens aan het volk onthouden hebben door de soldaten die de wacht bij het graf hielden, met veel geld om te kopen opdat zij tegen het volk zouden zeggen: ‘Zijn discipelen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen!’  (‹Mt. 28:12, 13›)  Dit is de reden waarom de opstanding van Jezus Christus voor de grote meerderheid van het Joodse volk verborgen is gebleven, maar vanuit geestelijk gezichtspunt is de geestelijke blindheid en het ongeloof van de Joden hiervan de oorzaak. Mozes schreef al in Deuteronomium 29:3 “De HEERE heeft jullie tot op deze dag geen verstandig hart gegeven om te begrijpen, geen ogen om te zien en geen oren om te horen.” en de grote profeet Jesaja zei omstreeks 700 v. Chr. “Met het gehoor zullen jullie horen, maar het niet begrijpen, en terwijl jullie zien, zullen jullie wel zien, maar het niet vatten, want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren slechthorend, en hun ogen houden zij dicht, opdat zij niet met hun ogen zouden zien, met hun oren zouden horen en met hun hart zouden begrijpen, en zich zouden omkeren en Ik hen zou genezen.’ ” (‹Jesaja 6:9-10, Matteüs 13:14›). 

Toch zal dat geloof nog komen, want de Joden zullen op het laatste moment vlak voor de wederkomst van de Messias berouw krijgen over hun ongeloof en over zonde, en om Hem huilen als om een enige, eerstgeboren Zoon (‹Zach. 12:10-14›).

Maar nu geloven het Joodse volk en zijn leiders niet in de Messias die gekruisigd is, ook al spreken hun profeten van al deze dingen geloofden. Dit ongeloof neemt echter niet weg dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen het geloof in de Ene en Ware GOD van Israël en het geloof van de volken, die elk hun eigen god of hun eigen goden hebben, die zij dienen en eren. Geen van die goden is echter als de God van Israël die in Hosea 13:4 in de Bijbel tegen Israël zegt: “Ik ben de HEERE, je GOD, vanaf de uittocht uit het land Egypte. Je zult geen andere god kennen dan Mij alleen en buiten Mij is er geen Redder.”. Deze God van Israël heeft de goden van het wereldrijk Egypte verslagen en de goden van de reusachtige Kanaänieten, Hij is de enige God die een volk voor Zich geboren heeft doen worden, door het water van de Wierzee heen, en van dat volk heeft Hij in Ex. 4:22, 23 door Mozes tegen de farao, de koning van Egypte gezegd: “Zo zegt de HEERE: ‘Mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël. Ik heb je gezegd: Laat mijn zoon gaan om Mij te dienen! Maar jij hebt geweigerd hem te laten gaan. Zie, Ik zal je zoon, jouw eerstgeborene, doden.’ ” Deze God heeft de eerstgeborenen van Egypte gedood omdat de farao niet naar Hem wilde luisteren, en aan deze zoon, d.w.z. het volk Israël, heeft Hij het land Kanaän gegeven om erin te wonen, om Hem in dat land te eren en te dienen. 

Uiteindelijk bleef er na al die eeuwen uit Israël maar één over die werkelijk Gods enige en eerstgeboren Zoon is, namelijk Jezus Christus. Over Jezus’ geboorte, de vlucht van Jozef en Marjam naar Egypte, hun verblijf in Egypte en de terugkeer vanuit Egypte lezen wij in het Evangelie van Matteüs en in Matteüs 2:15 lezen wij de volgende woorden, aangehaald uit Hosea 11:1 en toegepast op de terugkeer van het kind Jezus uit Egypte: “Hij bleef daar tot de dood van Herodes, opdat het woord in vervulling zou gaan dat de HEERE door de profeet gesproken had, en dat luidde: “Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.”  

Zo lezen wij ook van Jezus in elk van de eerste drie Evangeliën, dat er tijdens zijn leven op aarde twee keer een stem uit de hemel klonk, die van Hem zei: ‘Deze is mijn Zoon, de Geliefde!’ (‹Mt. 3:17; 17:5;  Mk. 1:11; 9:7; Lk. 3:22; 9:35›), nl. bij zijn doop door Johannes de Doper in de Jordaan en bij de verheerlijking op de berg voor de ogen van Petrus, Johannes en Jakobus.

Deze Rechtvaardige werd gekruisigd, maar Hij is opgestaan en naar de hemel opgestegen, maar niet voordat Hij een grote groep getrouwen om Zich heen had verzameld waaronder vijfhonderd getuigen van zijn opstanding. Deze zijn het die vanuit Israël het Goede Nieuws van deze ene Rechtvaardige zijn gaan verspreiden, te beginnen in Jeruzalem en van daaruit in Judea en onder de Samaritanen tot aan de uiteinde van de aarde. Kefa was de eerste die dit Goede Nieuws in een pril stadium beleed toen hij zei: “U bent de Messias, de Zoon van de levende GOD!” (‹Mt. 16:16, Mk. 8:29; ›) en Johannes sluit zijn Evangelie af met de volgende woorden van dezelfde Simeon Kefa: “Mijn Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig Leven  en wij geloven en weten dat U de Messias bent, de Zoon van de Levende GOD.” 

Met dat geloof en de Heilige Geest in hun hart gingen de discipelen, het gelovige deel van Israël, op weg om het Evangelie van de Zoon van de Levende God in de wereld te verkondigen. Door dit Goede Nieuws van die Ene Zoon zouden door de Heilige Geest nog vele zonen, kinderen van God, aan die Ene Zoon worden toegevoegd, uit de Joden, uit de Arameeërs en uit alle volken tot aan het einde van de aarde, namelijk door het geloof zoals we lezen in Johannes 1:12 “Maar aan hen die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven om zonen van GOD te worden, aan hen die in zijn Naam geloven,” 

De Wet, de Boeken, de Profeten (samen de Tenach) en het Evangelie van Jezus Christus zijn één geheel en alle boeken ervan zijn uit de Joden, en vanuit de Joden is dit Evangelie van de Zoon van God uitgegaan naar alle volken, opdat allen in Jezus Christus, het aan Eva beloofde zaad van de vrouw, zouden geloven en in Hem en door Hem gered zouden worden, zodat er uit alle volken één volk voor Hem zal zijn door het geloof in die Ene, Jezus Christus, de Zoon van God. 


God laat zich niet ter verantwoording roepen - Hij is God

In de Inleiding zagen wij al, dat mensen menen, dat God bepaalde dingen in de Bijbel op dient te schrijven, zoals een mens daar recht op meent te hebben of zoals een mens meent, dat God de dingen zou moet zeggen. Dit is in wezen een hoogmoedig houding en zolang een mens daarin volhardt, is Hij opstandig tegen God, want de rollen liggen juist omgekeerd: de mens is verantwoording aan God verschuldigd en aan Hem ondergeschikt en onderdanig en niet andersom. God is een Heilige God, Hij laat Zich alleen benaderen zoals Hij wil en niet zoals een mens dat wil.  We lezen dat God in het boek Job zegt:

“De HEERE sprak verder tot Job en zei: Wil hij die een rechtszaak voert met de Almachtige, Hem terechtwijzen? Laat hij die God wil aanklagen, antwoorden! Toen antwoordde Job de HEERE, en zei: Zie, ik ben te gering, wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet opnieuw het woord nemen. Ik zal er geen tweede keer aan toevoegen.”

Mensen zullen dat autoritair noemen, maar dat is verkeerd uitgedrukt. God is niet autoritair, maar Hij IS de HOOGSTE GEZAGHEBBER, de HOOGSTE AUTORITEIT. Als een mens met Hem wil discussiëren, dan is die mens aan het verkeerde adres, zoals de zeer gelovige Job, moest erkennen. Hij kon niet tegen God op en zegt dan ook:

“Zie, ik ben te gering, wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.” (Job 40:4)

Job moest luisteren, nederig zijn, bidden voor zijn vrienden, dan zou er herstel komen in zijn nood! En Job heeft dat begrepen en heeft zich vernederd en God heeft hem overvloedig herstel gegeven.

 Job antwoordde de HEERE en zei:  “Ik weet, dat U alles kunt en dat geen enkel plan van U verijdeld kan worden. U zegt: ‘Wie is het die zonder kennis het raadsbesluit versluiert?’ Zo is het dan, ik heb gesproken terwijl ik het niet begreep, dingen die voor mij te wonderlijk waren, waar ik geen weet van had.” 

“Luister toch en ik zal spreken, ik zal U vragen stellen en U zult mij kennis bijbrengen. Alleen door met het oor te luisteren heb ik van U gehoord, maar nu ziet mijn oog U. Daarom heb ik een afkeer van mijzelf en heb ik berouw en zit ik neer in stof en as.” (Job 42:1-6)

De HEERE deed de boeien van Job weg, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, 

en de HEERE voegde aan alles wat Job bezat het dubbele toe. (Job 42:10)

De HEERE zegende Jobs einde meer dan zijn begin ... (Job 42:12)

Dit wil niet zeggen, dat een gelovige geen diepe vragen mag stellen of uiten of dat hij niet zou mogen nadenken. Het tegendeel is het geval, dat laat de geschiedenis van Job wel zien o.a. door de diepte van de gesprekken, die hij met zijn vrienden voert! Maar men moet zich niet gaan meten met God en niet opstandig zijn of worden en ook God niets wat ongepast is toeschrijven en zijn Naam niet ongepast gebruiken. Wij moeten beseffen, dat God anders is dan wij en oneindig veel hoger. In het boek van de profeet Jesaja zegt God het zo in  Jesaja  55:8, 9 … 

“Want mijn gedachten zijn niet jullie gedachten en jullie wegen zijn niet mijn wegen, spreekt de HEERE. 

Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan jullie wegen en mijn gedachten dan jullie gedachten.” 

God is God en laat zich niet door een mens ter verantwoording roepen. Een mens moet, als Hij de Bijbel opent, zich realiseren dat Hij bij het openen en lezen Gods stem zal gaan horen. Dat is dan wel door de ‘pen van een mens’, maar aardse koningen bedienen zich ook van schrijvers, om hun bevelen aan hun onderdanen bekend te maken, maar het zijn wel woorden van de koning en een burger doet er beter aan om die te respecteren. Zo is het ook met de Bijbel, het Woord van God. Men dient er ontzag voor te hebben en zich eraan te onderwerpen. 


Jezus Christus over Zichzelf

Drie keer lezen wij heel duidelijk in de Bijbel dat Jezus Zichzelf de Zoon van God noemt.

In Johannes 9:35-37 lezen wij dat Jezus spreekt met een man die blindgeboren was, die vlak daarvoor door Jezus genezen was zonder dat de man wist wie het was die Hem genezen had, alleen was hij de synagoge uitgegooid, omdat hij positief van die voor hem onbekende man gesproken had vanwege zijn genezing. Maar dat werd hem door de Joodse geestelijke leiders niet in dank afgenomen ... 

“Jezus hoorde dat zij hem naar buiten hadden gegooid en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: “Geloof jij in de Zoon van God?” Hij antwoordde en zei: “Wie is Hij, mijn Heer, dan zal ik  in Hem geloven?” Jezus zei tegen hem: “Je hebt Hem gezien en Hij die met je spreekt, is het.” 

Dit laat zien dat Jezus niet alleen nooit iemand afwijst of berispt die Hem ‘de Zoon van God’ noemt, maar dat Hij Zelf ook openlijk ervoor uitkomt, dat Hij de Zoon van God is. Tegelijk lezen wij ook op de enige juiste reactie op die bekendmaking, want de blindgeboren man die ziende geworden was, zegt onmiddellijk “Ik geloof, mijn Heer!” En hij knielde neer en aanbad Hem. 

In Matteüs 27:43 lezen wij dat de spotters bij de kruis van Jezus Christus zeggen: “Hij heeft op God vertrouwd. Laat die Hem dan nu verlossen, als Hij Zich over Hem verheugt, want Hij heeft gezegd: ‘Ik ben de Zoon van God’. Heel duidelijk maken zij bekend, dat zij weten dat Jezus dat van Zichzelf heeft gezegd, maar zij spreken spottend en wachten ongelovig af, want hun harten zijn verhard. 

In Markus 14:61 lezen wij: “Opnieuw vroeg de hogepriester Hem en zei: “Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?”  Jezus zei: “IK BEN het! En jullie zullen de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de macht en Hem zien komen met de wolken van de hemel.” De hogepriester scheurde zijn overkleed en zei: “Waarom hebben wij nog getuigen nodig!” De Joden begrepen uit de bevestiging van Jezus, dat Hij Zich als de Zoon van de Gezegende beschouwde, dat wil zeggen als de Zoon van GOD, en Zich zo met God gelijkstelde. 

En in Johannes 10:34-36 lezen wij ... “Jezus zei tegen hen: “Staat er in jullie Wet niet geschreven: ‘Ik heb gezegd: Jullie zijn goden!’? Als Hij degenen tot wie het woord van God kwam, goden genoemd heeft en de Schrift niet gebroken kan worden, zeggen jullie dan van Hem die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: ‘U lastert!’, omdat Ik gezegd heb: ‘Ik ben de Zoon van God!’?”

Drie keer wordt uit de tekst van de Bijbel duidelijk dat Jezus Christus Zelf heeft gezegd, dat Hij de Zoon van God is! 

Duidelijker kan het niet! 

Jezus zegt ook drie keer op een indirecte manier, dat Hij de Zoon van God is.  

Jezus zegt tegen Nikodemus: “Want zo lief heeft GOD de wereld gehad, dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig Leven heeft. Want GOD heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem zou leven. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de enige Zoon van God.” - Johannes 3:16-18 

“Voorwaar, voorwaar Ik zeg jullie: Het uur komt en het is er nu al, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die Hem horen, zullen leven.” - Johannes 5:25

“Maar Jezus zei: “Deze ziekte is niet van dodelijke aard, maar tot eer van God, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.” - Johannes 11:4


De Engel bij Jezus’ geboorte 

In Lukas 1:35 lezen wij de woorden van de Engel tot Maria ...

“De engel antwoordde en zei tegen haar: ‘De Heilige Geest zal komen en de kracht van de Allerhoogste zal je op je rusten. Daarom zal Hij die in je geboren zal worden, heilig zijn en de Zoon van GOD genoemd worden.’ ” 


De discipelen en apostelen over Jezus

In het Nieuwe Testament vinden wij in het totaal 46 verzen waarin de uitdrukking ‘Zoon van God’ voorkomt. In Lukas 3:38 heeft de uitdrukking betrekking op ‘Adam’. Dus blijven er 45 vermeldingen van ‘de Zoon van God’ over. In drie verzen daarvan, die wij hiervoor besproken hebben, kwam de uitdrukking uit Jezus’ eigen mond, drie keer staat er dat anderen zeiden dat Jezus gezegd had, dat Hij de Zoon van God is en één keer gebruikt de Engel de uitdrukking ‘Zoon van God’ als Hij de geboorte van Jezus aan Maria aankondigt. 


De discipelen en de apostelen spreken 9 keer in de Evangeliën en in het boek Handelingen over Jezus Christus als de Zoon van GOD

1. In Matteüs 14:33 lezen wij 

“Zij die in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem en zeiden: ‘Werkelijk, U bent de Zoon van God!’ ” - 

2. Aan het begin van het Markus evangelie schrijft Markus in Markus 1:1 

“Het begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van GOD.”

3. In Johannes 1:34 zegt Johannes de Doper “En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van GOD is.”  

4. In Johannes 11:27 zegt Marta, de zus van Maria en van Lazarus tegen Jezus

“Ja, mijn Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van GOD, die in de wereld gekomen is.” 

5. In Johannes 1:49 zegt Natanaël … 

“Natanaël antwoordde en zei tegen Hem: ‘Mijn Meester! U bent de Zoon van GOD, U bent de Koning van Israël!’ ” 

6. In Johannes 20:30, 31 tegen het het einde van het Evangelie schrijft de apostel Johannes 

Jezus heeft nog wel veel andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen gedaan, die niet in dit boek zijn opgeschreven, maar deze zijn geschreven opdat jullie geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van GOD, en opdat jullie, wanneer jullie geloven, Leven zullen hebben in zijn Naam.”

7. In Handelingen 8:37 lezen wij

“Filippus zei: ‘Als je met heel je hart gelooft, is het geoorloofd!” Hij, antwoordde en zei: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van GOD is.’ ” 

8. En van de apostel Paulus, die voor zijn bekering de christenen hevig vervolgde, lezen wij in Handelingen 9:20 over zijn optreden onmiddellijk na zijn bekering het volgende

“Onmiddellijk begon hij in de synagoge van de Joden over Jezus te prediken, dat Hij de Zoon van GOD is.”

De hoofdman bij het kruis

Bij het kruis was een Romeinse hoofdman die het opzicht had over de kruisiging en die naar wij aannemen wel meer kruisigingen had geleid … enkele, tientallen, misschien wel honderd … wij weten het niet. Een dergelijk man moest wel bijzonder hard zijn om zo’n werk te kunnen doen. Daarom is het heel opvallend, dat er twee keer in het Nieuwe Testament vermeld wordt wat hij over Jezus zei, toen hij Hem aan het kruis zag sterven. In Matteüs 27:54 lezen wij ...

“Toen de hoofdman over honderd en degenen die samen met hem over Jezus de wacht hielden, de aardbeving en de dingen die gebeurden zagen, waren zij zeer bevreesd en zeiden: “Werkelijk, deze was de Zoon van God!”

En in Markus 15:39 wordt nog eens op een iets andere manier herhaald ...

“Toen de hoofdman over honderd, die daar bij Hem stond, zag dat Hij zo, met een luide schreeuw, de Geest gaf, zei hij: ‘Waarlijk, deze Mens was de Zoon van GOD!’ ”  


De satan en de boze geesten en de tegenstanders onder de Joden

Van de satan lezen wij vier keer dat hij bij zijn verzoeking van Jezus in de woestijn vier keer de uitdrukking ‘Zoon van God’ gebruikt, maar op een cynische manier nl. ‘Als U de Zoon van de God bent  ...’  Zie Mt. 4:3, 6; Lk. 4:3, 9. 

Als U de Zoon van GOD bent, zeg dan dat deze stenen brood worden!” - Matteüs 4:3

Als U de Zoon van GOD bent, werp Uzelf dan naar beneden, want er staat geschreven: ‘Aan zijn engelen zal Hij bevel geven over U en op hun handen zullen zij U dragen, opdat U uw voet niet aan een steen stoot.’ ”  - Matteüs 4:6

Als U de Zoon van GOD bent, zeg dan tegen deze steen dat hij brood wordt.”  - Lukas 4:3

Als U de Zoon van GOD bent, werp Uzelf dan van hier naar beneden, want er staat geschreven: ‘Hij zal zijn engelen gebieden om U te beschermen en zij zullen U op hun handen dragen, opdat U uw voet niet aan een steen zult stoten.’ ” - Lukas 4:9-11

De boze geesten weten dat Hij de Zoon van God is en zeggen dat openlijk ...

“Zij riepen en zeiden: “Jezus, Zoon van GOD, wat hebben wij met U te maken? Bent U hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen?”  - Matteüs 8:29.  

“Zij die door onreine geesten gekweld werden, vielen voor Hem neer wanneer zij Hem zagen. Zij riepen en zeiden: ‘U bent de Zoon van GOD!’ ” - Markus 3:11. 

“Ook gingen er van velen demonen uit, terwijl die riepen en zeiden: “U bent de Christus, de Zoon van GOD!” Maar Hij bestrafte hen en stond hun niet toe te spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was.” - Lukas 4:41

“Zodra hij Jezus zag, begon hij te schreeuwen en viel voor Hem neer en zei met luide stem: ‘Wat hebben wij met U te maken, Jezus, Zoon van GOD, de Allerhoogste? Ik smeek U, dat U mij niet pijnigt!’ ” - Lukas 8:28 

Wat opvalt, is dat zij Jezus Christus erkennen als de Zoon van God en weten dat zij door Hem gestraft zullen worden met pijniging.

Onder zijn tegenstanders, onder de Joden, de Farizeeën en schriftgeleerden en oudsten treffen wij een uiterst wantrouwende, spottende en vijandige benadering.  Zo lezen wij in Matteüs 26:63 ...

“Maar Jezus zweeg stil. De hogepriester nam weer het woord en zei tegen Hem: ‘Ik bezweer U bij de levende GOD, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van GOD?’ ” 

En in Matteüs 27:40 zeggen de voorbijgangers als zij Jezus aan het kruis zien hangen ... 

“U die de Tempel afbreekt en in drie dagen herbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van GOD bent, kom dan van het kruis af.” 

In Lukas 22:70 zeggen allen in de Hoge Raad van de Joden ...

“‘Bent U dan de Zoon van GOD?’ Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zeggen zelf dat Ik het ben!’ ” 

Ten slotte lezen wij opnieuw van de Joden in de Hoge Raad in Johannes 19:7 ...

“De Joden antwoordden hem: ‘Wij hebben een Wet, en volgens onze Wet moet Hij sterven, omdat Hij Zichzelf Zoon van GOD heeft gemaakt.’ ” 

De brieven en het boek Openbaring

In de brieven komt de uitdrukking ‘Zoon van God’ 15 keer voor. Wij lezen …

- in Romeinen 1:1-5 “Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepene en een apostel, die afgezonderd is voor het Evangelie van GOD, dat Hij vanaf het begin beloofd heeft door zijn profeten in de Heilige Schriften. met betrekking tot zijn Zoon, die wat het lichaam betreft geboren is uit het zaad van het huis van David en wat betreft de kracht en de Heilige Geest die Jezus Christus, onze Heer, uit het verblijf van de doden heeft doen opstaan, geopenbaard is als de Zoon van GOD.” 

- in 2 Korintiërs 1:19 dat Paulus de Zoon van God gepredikt heeft,

- in Galaten 2:20 dat Paulus leeft door het geloof in de Zoon van God, 

- in Efeziërs 4:13 lezen wij over het één worden van de gelovigen in het geloof en de kennis van de Zoon van God,

- in Hebreeën 4:14 lezen wij dat de gelovigen in Jezus Christus, de Zoon van God, een grote hogepriester hebben,

- in Hebreeën 6:4-6 lezen wij “Want het is onmogelijk dat degenen, die eens voor de doop zijn afgedaald, de hemelse gave geproefd hebben,  de Heilige Geest ontvangen hebben en ook het goede woord van GOD en de krachten van de toekomstige wereld geproefd hebben, weer net als vroeger zouden zondigen en opnieuw tot bekering gebracht zouden kunnen worden en de Zoon van GOD opnieuw zouden kunnen kruisigen en verachten.” 

- in Hebreeën 7:3 lezen wij dat het priesterschap van Melchizedek een blijvend Priesterschap vertegenwoordigt, omdat Hij aan de Zoon van God gelijk is, 

- in Hebreeën 10:29 lezen wij over de straf, die komt over degene die op de Zoon van GOD getrapt heeft en het Bloed van zijn Verbond, waardoor hij geheiligd was, beschouwd heeft alsof het was als dat van alle mensen en die de Geest van de genade geminacht heeft,

- in 1 Johannes 3:8 lezen wij dat de Zoon van God gekomen is om de werken van de satan te vernietigen.

- in 1 Johannes 4:15 lezen wij “Ieder die belijdt dat Jezus de Zoon van GOD is, GOD blijft in hem en hij blijft in GOD”

- in 1 Johannes 5:5 lezen wij de woorden: “Wie anders is het die de wereld overwint, dan wie gelooft dat Jezus de Zoon van GOD is!”

- in 1 Johannes 5:10 lezen wij “Wie in de Zoon van GOD gelooft, heeft dit getuigenis in zich. Ieder die niet in GOD gelooft, maakt Hem tot een leugenaar, omdat hij niet gelooft in het getuigenis dat GOD van zijn Zoon getuigt.”

- in 1 Johannes 5:12 lezen wij “Wie zich de Zoon vasthoudt, houdt zich vast aan het Leven, wie zich niet aan de Zoon van GOD vasthoudt, heeft het Leven niet.” 

- in 1 Johannes 5:13 lezen wij “Deze dingen heb ik jullie geschreven, zodat jullie weten, dat jullie eeuwig Leven hebben, jullie die geloven in de Naam van de Zoon van GOD.” 

- in 1 Johannes 5:20 lezen wij “Wij weten, dat de Zoon van GOD gekomen is en ons kennis gegeven heeft om de Waarachtige te kennen en om in de Waarachtige te zijn, in zijn Zoon Jezus Christus. Hij is de waarachtige GOD en het eeuwige Leven.” 

In het boek Openbaring komt de uitdrukking ‘Zoon van GOD’ nog 1 keer in Openbaring 2:18, namelijk in de aanhef van de brief aan de engel de gemeente in Tiyatira. “Schrijf aan de engel in de gemeente van Tiyatira! Dit zegt de Zoon van GOD, die ogen heeft als vuurvlammen en voeten als koper uit Libanon: ...”

Na het boek Handelingen komt de uitdrukking ‘Zoon van God’ dus nog 16 keer in het Nieuwe Testament voor.


Adam, de zoon van God

In Lukas 3:23-38 staat het geslachtsregister van Jezus Christus. Aan het eind ervan lezen wij over Adam als de ongeboren, maar geschapen zoon van GOD ... 

Jezus was ongeveer dertig jaar oud en naar men meende was Hij de zoon van Jozef, de zoon van Heli, de zoon van Matat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef, de zoon van Mattata, de zoon van Amos, de zoon van Nahum, de zoon van Esli, de zoon van Naggai, de zoon van Maät, de zoon van Matath, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda, de zoon van Johannes, de zoon van Resa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de zoon van Neri, de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodad, de zoon van Er, de zoon van Josi, de zoon van Eliëzer, de zoon van Joram, de zoon van Matita, de zoon van Levi, de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonam, de zoon van Eljakim, de zoon van Melea, de zoon van Mani, de zoon van Matata, de zoon van Nathan, de zoon van David, de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahesson, de zoon van Amminadab, de zoon van Aram, de zoon van Hezron, de zoon van Perez, de zoon van Juda, de zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Tera, de zoon van Nahor, de zoon van Serug, de zoon van Rehu, de zoon van Peleg, de zoon van Heber, de zoon van Selah, de zoon van Kenan, de zoon van Arfachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, de zoon van Metusalach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalaleël, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van GOD.” 

Dit is de enige keer dat de uitdrukking ‘zoon van GOD’ geen betrekking heeft op Jezus Christus, maar op Adam. Adam was de geschapen zoon van God, geschapen naar Gods beeld, maar hij moest de heerlijkheid van God prijsgeven, omdat hij in zonde viel en bijgevolg alle mensen met hem, zoals wij lezen in Romeinen 3:23, 24 ... 

Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van GOD en worden door zijn genade om niet gerechtvaardigd door de verzoening in Jezus Christus.”  

De weg terug na deze zondeval is ‘genade’, het is geen ‘loon’ en het is geen ‘verdienste’. Deze genade komt door de eeuwige, ongeschapen Zoon van GOD, die weliswaar als een mensenkind verwekt is in een vrouw, maar de verwekking was niet door een mens van vlees en bloed, maar door de eeuwige Heilige Geest van GOD. Anders dan Adam heeft deze Zoon van GOD nooit gezondigd en anders dan Adam was Hij al van eeuwigheid af. 


De Mensenzoon

De uitdrukking ‘Mensenzoon’ of ‘de Zoon van de mensen’ komt in 5 verzen voor in het Oude Testament nl. in Num. 23:19 (‹God is geen man, dat Hij liegen zou, of een mensenzoon, dat hij berouw zou krijgen.›), in Ps. 8:5 (Wat is dan de mens, dat U aan hem denkt, en de mensenzoon, dat U hem opzoekt?›), in Ps. 80:18 (‹Laat uw hand zijn met de man van uw rechterhand, met de mensenzoon die U voor Uzelf sterk hebt gemaakt›), in Ps. 144:3 (‹O HEERE, wat is de mens, dat U hem kent,  de mensenzoon, dat U aan hem denkt?›) en ten slotte in Daniël 7:13 in het Oude Testament voor. In het laatste vers is sprake van een heel duidelijke verwijzing naar de de komst van Jezus Christus op de wolken (‹vergelijk 1 Tessalonicenzen 4:16-18›) ...

“Ik bleef kijken in de nachtelijke visioenen,

 en zie, met de wolken van de hemel kwam Hij die was als een Mensenzoon 

en Hij kwam tot de Oude van dagen 

en zij brachten Hem tot vlak voor Hem.” 

In het Nieuwe Testament komt de uitdrukking in 84 verzen voor. 

In 79 van de 84 verzen gebruikt Jezus Zelf de uitdrukking ‘de Mensenzoon’ in de vier Evangeliën, o.a. in verband met zijn lijden, maar ook in verband met zijn verheerlijking en zijn terugkomst in de eindtijd. 

Verder gebruikt Stefanus de uitdrukking in het Nieuwe Testament in Handelingen 7:56 ... 

“Zie, ik zie de hemelen geopend en de Mensenzoon staan aan de rechterhand van God.”   

Vervolgens lezen wij in 1 Timoteüs 2:5, 6 dat Paulus over de Mensenzoon schrijft ...

“Want er is één God en er is één Middelaar tussen God en mensen: de Mensenzoon, Jezus Christus, die Zichzelf gegeven heeft als losprijs voor alle mensen, een getuigenis dat op de juiste tijd gekomen is.”

In Hebreeën 2:6 vinden wij de volgende aanhaling uit Psalm 8:5 ...

“Wat is de Mens dat U aan Hem denkt en de Mensenzoon, dat U naar Hem omziet?”

In Openbaring 1:13 lezen wij ook van de Mensenzoon door de pen van de apostel Johannes op het eiland Patmos ... 

“In het midden van de kandelaren was iemand als de Mensenzoon, bekleed met een priestertuniek, en op zijn borst droeg Hij een gouden gordel.”

De laatste keer lezen wij in Openbaring 14:14 opnieuw door de pen van de apostel Johannes op Patmos over de Mensenzoon met een verwijzing naar de woorden uit Daniël 7:13, die ook in Mt. 24:30, Mk. 13:26, Mk. 14:62 en in Lk. 21:27 worden aangehaald ...

“En ik zag, en zie, een witte wolk, en op de wolk zat iemand die leek op een Mensenzoon, met een gouden krans op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand.”

Opmerkelijke verzen

In Handelingen 13:33 lezen wij …

 “Zie, God heeft de belofte voor ons, hun kinderen (‹d.w.z. de kinderen van de vaderen van het volk Israël›), in vervulling doen gaan, doordat Hij Jezus uit de dood heeft doen opstaan. Zoals in de tweede psalm geschreven staat: ‘Je bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt!’ ” 

En in inderdaad in Psalm 2:7-9 lezen wij … 

“Ik zal het besluit bekendmaken! De HEERE heeft tegen Mij gezegd: ‘Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt!  Vraag Mij en Ik zal volken als erfdeel aan Je geven, de einden van de aarde tot je bezit. Je zult hen verpletteren met een ijzeren staf, hen in stukken slaan als een kruik van een pottenbakker.’ ”

In Psalm 89:27, 28 lezen wij over de Zoon van David 

“Hij zal Mij aanroepen: ‘U bent mijn Vader, mijn God, de Rots van mijn redding!’ 

Ja, Ik zal hem tot de eerstgeborene stellen, tot de Allerhoogste van de koningen van de aarde. 

Tot in eeuwigheid zal Ik mijn liefdevolle vriendschap voor hem koesteren en mijn Verbond zal hem trouw blijven.”

Jezus werd op aarde ook geëerd als de Zoon van David!

In Jesaja 9:1-6 lezen wij deze heel bekende woorden ...

“Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Over hen die wonen in het land van de schaduw van de dood zal het licht schijnen. U zult het volk talrijk maken, U zult de blijdschap groot maken. Zij zullen zich verblijden voor uw aangezicht, zoals men zich verblijdt bij de oogst, zoals men zich verheugt bij het verdelen van de buit 

... want het juk van zijn last en de stok op zijn schouder en de staf die hem aandreef, hebt U verbroken net als op Midiansdag,

... want elke schoen die door het strijdgewoel besmeurd werd en elke mantel die in bloed gewenteld werd, zal verbrand worden, een prooi van het vuur, 

... want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt Hem bij zijn Naam: Wonderbaar, Raadsman, Machtige God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Aan de grootheid van zijn heerschappij en aan zijn vrede zal geen einde komen op de troon van David en over zijn koninkrijk om dat te bevestigen en dat te sterken met recht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.” 


Tot slot

We hebben gelezen dat de Mensenzoon Jezus Christus verwekt is als een mensenkind. In Handelingen 13:33 lezen wij de aanhaling van de woorden uit Psalm 2:7  ...  Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt!

Jezus Christus zegt ook dat Hij de enige Zoon van God is (‹Johannes 3:16›) ...

“Want zo lief heeft GOD de wereld gehad, dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig Leven heeft.” 

Jezus Christus was er echter al vóór Abraham, wat wij lezen in Johannes 8:58 ... 

“Jezus zei tegen hen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: Vóór Abraham er was, BEN-IK (er altijd al geweest).” 

En dat niet alleen ... Hij was ook door God in de wereld gezonden. Dat wil zeggen dat Hij er al was, voordat Hij als een kind in de wereld kwam. In Handelingen 3:26 lezen wij ... 

“Lang geleden al heeft Hij het Verbond met jullie gesloten en nu heeft GOD zijn Zoon gezonden om jullie te zegenen en opdat jullie je zouden bekeren en berouw zouden hebben van jullie slechte daden.” 

In Romeinen 8:3-4 lezen wij ...

“Want omdat de Wet zwak was door de zwakte van het vlees, heeft GOD zijn Zoon in de gestalte van het vlees gezonden, vanwege de zonde, om de zonde in het vlees te veroordelen, opdat de gerechtigheid van de Wet vervuld zou worden in ons, opdat wij niet naar het vlees zouden leven, maar naar de Geest.”

In Galaten 4:4 lezen wij ... 

“Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft GOD zijn Zoon uitgezonden, die uit een vrouw was en die onder de Wet was, opdat Hij degenen die onder de Wet waren zou vrijkopen en wij de plaats van zonen zouden mogen innemen.”

En bovendien hebben wij al vastgesteld dat Paulus van deze Jezus Christus in Romeinen 1:1-5 schrijft dat Hij als Gods Zoon geopenbaard is ...

“Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepene en een apostel, die afgezonderd is voor het Evangelie dat GOD vanaf het begin beloofd heeft door zijn profeten in de Heilige Schriften, met betrekking tot zijn Zoon, die wat het vlees betreft geboren is uit het zaad van het huis van David, maar door de kracht en door de Heilige Geest die Jezus Christus, onze Heer, uit het verblijf van de doden heeft doen opstaan, geopenbaard is als de Zoon van GOD.” 

Met andere woorden: de opstanding uit de doden is het krachtigste bewijs dat God geeft, dat Jezus Christus de Zoon van God is!  Het zijn niet alleen woorden, maar de opstanding is boven alles het bewijs van het Zoonschap van Jezus Christus. Door één grote daad is Hij tot redding geworden van velen, want wie in Hem gelooft, heeft eeuwig Leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood naar het Leven (‹Johannes 5:24›). 

Van die opstanding waren meer dan 500 betrouwbare mannelijke getuigen, zoals wij lezen in 1 Korintiërs 15:6

“Mijn broeders, ik maak jullie het Evangelie bekend dat ik jullie verkondigd heb en dat jullie aangenomen hebben en waarin jullie vaststaan, waardoor jullie Leven ontvangen, door het Woord dat ik aan jullie heb verkondigd als jullie je het nog herinneren. Zo niet, dan zijn jullie voor niets tot geloof gekomen. Want vanaf het begin heb ik aan jullie doorgegeven wat ik ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, zoals geschreven staat, en begraven werd en op de derde dag is opgestaan, zoals geschreven staat. Hij is aan Kefas verschenen en daarna aan de twaalf. Daarna is Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk verschenen, waarvan de meesten tot nu toe nog in leven zijn, maar sommigen zijn ontslapen. Daarna is Hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. Als aan de laatste van hen allen, is Hij ook aan mij verschenen, als aan een onvolgroeid geborene.”  


Noten

- In het Nieuwe Testament komen wij nergens de uitdrukking ‘de moeder van God’  tegen voor Marjam. Deze benaming voor Marjam wordt wel gebruikt in katholieke en orthodoxe kerken in oost en west. Men leert daarbij vaak dat Marjam nooit geslachtelijke gemeenschap met Jozef heeft gehad en maagd gebleven is. In Matteüs 1:25 lezen wij echter dat Jozef geen gemeenschap met haar had, totdat zij haar eerstgeboren Zoon gebaard had’. In Markus 6:3 lezen de broers van Jezus nl. Jakob, Jasi, Juda en Simeon, en ook van zijn zussen, 

Marjam wordt wel ‘de moeder van Jezus’ of ‘zijn moeder’ genoemd in Mt. 1:8, 2:11;  13:55; Jh. 2:1, 3 en Jh. 19:26. Door de mensen wordt hij in Mk. 6:3 ‘de zoon van Marjam’  genoemd’



Bronnen:

EBV Bijbeltekst

Bewerking: 

redactie EBV -  1 juli 2026