DE DOOP
© www.evangelischebijbelvertaling.nl
15 juli 2026
Als je tot bekering en tot geloof in Jezus Christus bent gekomen, word je een nieuwe schepping (‹2 Korintiërs 5:17›). De doop is het getuigenis of de uitdrukking van je persoonlijke overgave aan Jezus Christus en van je gehoorzaamheid aan God: met de doop geef je aan, dat je door het geloof in Jezus Christus je oude mens die je vroeger was, hebt afgelegd en de nieuwe mens in Jezus Christus hebt aangedaan. Het is je belijdenis en het is je getuigenis, er is geen geleerde studie voor nodig. Bekering en geloof vinden plaats in het hart en de waterdoop is het volgens de Bijbel passende ‘uiterlijke’ teken daarvan. Het geheel wordt in eerste brief van Petrus een belijdenis van een goed geweten genoemd: de innerlijke verandering door bekering en geloof en de zichtbare onderdompeling in water (‹1 Petrus 3:20-21›). Beide horen bij elkaar, maar het kan zijn dat er omstandigheden zijn waardoor iemand dit tot geloof komt, niet gedoopt kan worden zoals de misdadiger die naast Jezus gekruisigd werd (‹Mattias . ›), maar dat is niet de regel!
Als je gedoopt wordt, word je ondergedompeld in het water. Dat is een beeld van begraven worden, want door het geloof laat je de oude mens (d.w.z. zoals je vroeger was en leefde) met Jezus Christus mee kruisigen in zijn dood (‹Galaten 2:20›). Als je daarna uit het water omhoog komt en opstaat, is dat een beeld van jouw deelhebben aan de opstanding van Jezus Christus en van jouw deelhebben in Hem aan het eeuwige Leven dat in Jezus Christus is. Je bent in Hem een nieuwe schepping geworden door het geloof (‹2 Korintiërs 5:17›). In Romeinen 6:4, 5 lezen wij het volgende:
“Wij zijn met Hem door de doop begraven in de dood,
opdat, zoals Christus uit het verblijf van de doden is opgestaan in de glorie van zijn Vader,
ook wij in nieuw Leven zullen wandelen.
Want als wij als één met Hem in de gestalte van zijn dood als zaad in de aarde geplant zijn,
dan zullen wij ook één met Hem zijn in de gestalte van zijn opstanding.”
De waterdoop brengt dus prachtig en ernstig in beeld wat er werkelijk in het hart is gebeurd. Dat wat in het hart is gebeurd, dat is het waar het God ten diepste om gaat. De mens die tot geloof gekomen is, wordt door God in het hart verzegeld met de Heilige Geest, voor altijd. Zonder de Heilige Geest in het hart zou je geen nieuw leven kunnen beginnen naar Gods wil, als een kind van God. Dat kan alleen als God zelf in het diepste van je wezen komt wonen en gezeten is op de troon van je hart. Je geeft jezelf aan God over en stapt zelf van de troon in je hart af, en vervolgens neemt Gods Geest daarop plaats en gaat je leven leiden. God geeft de Heilige Geest wanneer je werkelijk tot bekering en geloof bent gekomen in Jezus Christus. God kent het hart.
“In Christus hebben jullie het woord van de waarheid gehoord,
dat is het Goede Nieuws van jullie redding,
en jullie hebben in Hem geloofd en jullie zijn verzegeld met de Heilige Geest die beloofd is,
die het onderpand is van onze erfenis,
tot verlossing van wie leven en tot lof van zijn heerlijkheid.” (‹Efeziërs 1:13,14›)

geheel en al begraven in het doopwater
God vraagt van iedere gelovige, afgezien van de eerder genoemde uitzonderingen, dat hij of zij zich laat dopen als een heilige uitbeelding van zijn bekering en geloof: het waterbad van de doop is een beeld van het graf (zie ook Kol. 2:12). Wie iemand begraaft, doet dat niet met een paar korreltjes zand! Nee, er wordt een graf gegraven, het lichaam laat men erin zakken en men bedekt het geheel met grond. Zo is het ook met de doop, niet een paar druppeltjes water, nee, men dient zich geheel onder te laten dompelen om daarna uit het water op te staan, als beeld van je deelhebben aan de opstanding van Jezus Christus en van je wedergeboorte tot een nieuwe schepping door de kracht van de Heilige Geest. Twee delen nl. graf en opstanding, maar één doop!
Na de ‘natuurlijke’ geboorte op aarde wordt men ‘wereldburger’, maar het geloof in Jezus Christus leidt tot een ‘geestelijke’ geboorte waardoor men ‘hemelburger’ wordt. Deze geboorte wordt vaak de wedergeboorte genoemd, maar letterlijk staat er dat Nikodemus ‘vanuit het hoofd’ geboren moest worden. Men meent wel dat Nikodemus in Johannes 3:4 over deze zaak zat na te denken, nadat Jezus tegen hem gezegd had: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van GOD niet zien.” Want Nikodemus reageerde op de woorden van Jezus door te zeggen: “Hoe kan een oude man nog geboren worden? Hij kan toch niet weer de moederschoot ingaan en voor de tweede keer geboren worden?” Waarop Jezus tegen hem zei: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Als iemand niet uit water en Geest geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van GOD niet binnengaan. Wat uit vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is Geest. Verwonder je niet dat Ik tegen je gezegd heb dat jullie opnieuw geboren moeten worden. De wind waait waarheen hij wil, en je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is iedereen die uit de Geest geboren is.” (‹Johannes 3: 3-8›).
Jezus was Nikodemus wezenlijk aan het uitleggen, dat Nikodemus er niet op moest vertrouwen dat zijn Jood-zijn hem wel verzekerde van de toegang tot het Koninkrijk van de hemelen. Als Jezus hem gezegd had dat een Arameeër of een Griek nooit toegang zouden hebben tot het Koninkrijk van God, tenzij hij ‘opnieuw geboren’ of ‘wedergeboren’ zouden worden, dan had Nikodemus waarschijnlijk met die gedachte ingestemd, want alle vreemdelingen die zich tot het jodendom bekeerden, de zgn. ‘proselieten’ moesten ondergedompeld worden in de ‘mikvah’ het Joodse reinigingsbad om daaruit als door een ‘wedergeboorte’ tevoorschijn te komen en voortaan als een rechtvaardige, wetsgetrouwe Jood beschouwd te worden.
Maar de les die Nikodemus van Jezus kreeg, ging veel verder, want Nikodemus kreeg te horen dat elke wetsgetrouwe Jood, zelfs een Jood als Nikodemus die nog wel in de hoogste godsdienstige Raad van het volk zat, toch ‘wedergeboren’ moest worden, dat wil zeggen door het reinigingsbad heen moest gaan om zijn vleselijke Jood-zijn, dat bepaald werd door al het zichtbare en tastbare Jodendom, af te leggen, zodat hij ook al was hij in deze wereld als Jood geboren, toch voortaan als uit God geboren zou leven. Dat was een woord dat voor Nikodemus volslagen nieuw was. De vraag was natuurlijk of Nikodemus dit met zijn hart en verstand zou gaan begrijpen, in het bijzonder deze woorden van de apostel Johannes: “… aan hen die Hem (‹= Jezus Christus›) aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven om kinderen van GOD te worden, aan hen die in zijn Naam geloven, die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van een man, maar uit GOD geboren zijn.” (‹Johannes 1:12, 13›)
De vrome Job, die mogelijk in de tijd van Abraham leefde, had al gezegd: “Hoe kan een mens dan rechtvaardig zijn bij God, hoe kan wie uit een vrouw geboren is, rein zijn?” (‹Job 15:14; 25:4›) Het lag al in deze woorden van Job opgesloten dat een mens die alleen in deze wereld geboren was, niet voor God kan verschijnen, maar dat die mens een nieuwe geboorte nodig heeft vanuit God. Job had het al gezegd, waarschijnlijk al in de tijd van Abraham, Izak en Jakob. Op een andere manier spraken Jeremia en Ezechiël daarvan, want zij spraken over een nieuw verbond waarbij de Wet in het binnenste zou worden gelegd (‹Jer. 31:30-33›) en over een hart van steen dat vervangen moest worden door een hart van vlees (‹Ez. 11:19; 36:26 - vergelijk 2 Kor. 3:3›).
Dat Jezus tegen Nikodemus zei dat een mens ‘uit water en Geest’ geboren moet worden, betekent dat het ook werkelijk om twee zaken gaat en dat wordt duidelijk uit (‹1›) de woorden van Johannes de Doper over het doel van de waterdoop ...
“De volgende dag zag Johannes (de Doper) Jezus naar zich toe komen en zei: “Zie het Lam van GOD, dat de zonde van de wereld wegneemt! Deze is het van Wie ik gezegd heb: ‘Na mij komt de Man die vóór mij was, want Hij was eerder dan ik.’ Ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, ben ik gekomen om te dopen in water.” (‹Johannes 1:29-31›)
... en uit (‹2›) wat Johannes de Doper na de waterdoop zei: “Ik zag de Geest als een duif uit de hemel neerdalen en Hij bleef op Hem. Ik kende Hem niet, maar Hij die mij gezonden heeft om in water te dopen, zei tegen mij: ‘Op wie je de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, die is het die in de Heilige Geest doopt.’ En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van GOD is.” (‹Johannes 1:32-34›)
Duidelijker kan het niet:
A. Johannes de Doper doopte met water, opdat Jezus Christus aan Israël geopenbaard zou worden. Alle Joden werd tot de doop geroepen, niemand uitgezonderd. Deze doop van Johannes was in water, m.n. in het water van de Jordaan, tot bekering en vergeving van zonden (‹Mattai 3:11; Markus 1:4, 5›). De doop van Johannes de Doper was geen doop in de Naam van de Vader, de Zoon en Heilige Geest, zoals Jezus daartoe in Mt. 28:19-20 opdracht geeft. Immers toen Johannes de Doper optrad, was Jezus Christus, de Zoon, nog niet voor de hemelse troon van de Vader verschenen om de wereld in Zich, d.w.z. in de Zoon, met Hem, de Vader, te verzoenen (‹Mt. 20:17›). Ook was de Heilige Geest was nog niet in de harten uitgestort (‹Hd. 2›), hoewel deze wel al vanaf het begin werkzaam was, in en bij de schepping en ook voortdurend daarna (‹Genesis 1:2›).
B. Jezus Christus onderging de waterdoop van Johannes als was Hij een zondaar, maar toen Hij uit het water opstond, daalde de Heilige Geest als een duif op Hem neer en klonk de stem uit de hemel: ‘Deze is mijn Zoon de Geliefde!’ Hieruit bleek dat Jezus in werkelijkheid geen zondaar was, maar de Heilige van God. Hij zou een korte tijd de enige zijn die in zijn Mens-zijn blijvend met de Heilige Geest vervuld zou zijn. Maar in zijn kruisdood zou zijn Bloed niet alleen vergeving van zonde bewerken, maar ook het nieuwe Verbond tot stand brengen waarmee de Bruidegom zijn Bruid voor altijd aan Zich zou verbinden en ten slotte zou Hij de Heilige Geest in haar hart, d.w.z. in het hart van de gelovigen, uitgieten. Deze Heilige Geest is het onderpand van de erfenis die in de hemel voor haar, de Bruid bestaande uit alle gelovigen, is weggelegd. Het is daarom niet zomaar dat wij Johannes de Doper in Jh. 1:32-34 horen zeggen, dat Jezus het is die met de Heilige Geest doopt, terwijl Mattai en Lukas zeggen dat het Jezus is die met de Heilige Geest en met vuur doopt (‹Mt. 3:11 en Lk. 3:16›). De Heilige Geest is de Verlosser van de Vloek, want de inwoning van de Heilige Geest onttrekt ons aan de vloek en verbindt ons met God, terwijl het vuur integendeel verwijst naar het oordeel en de veroordeling tot de hel. Dit zegt Johannes de Doper erover in Lukas 3:15-17 ...
“Terwijl het volk zijn hoop op Johannes begon te stellen en zij in hun harten overwogen of hij mogelijk de Christus was, nam Johannes het woord en zei tegen hen: “Zie, ik doop jullie wel in water, maar Hij die na Mij komt, is sterker dan ik, Hij voor Wie ik het niet waard ben om zelfs maar de riemen van zijn sandalen los te maken, Hij zal jullie dopen in de Heilige Geest en in vuur. Hij houdt de wan in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer zuiveren. De tarwe zal Hij in zijn schuren verzamelen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.”
De tweeledige doop in water en in Geest die Jezus Christus in de Jordaan onderging, is het type van de doop van ieder die tot het geloof in Jezus Christus komt. Deze doop van de gelovigen is een ineengevlochten beeld van het oude leven afleggen in het watergraf van de dood en het nieuwe leven aandoen door de kracht van de Heilige Geest. Dat is een diepe geestelijke gebeurtenis, geen werk van mensenhanden maar van GODs hand. Als gevolg daarvan krijgt de mens van God stromen van Levend Water in zich, en dat water is de Heilige Geest (Johannes 7:38, 39), en die stromen van Levend Water gaan iets in de gelovige doen, die gaan de verbondenheid en gemeenschap met Jezus Christus onderhouden, want dat kan een mens zelf niet.
De noodzaak van deze ene tweeledige doop van het hart werd op het Vijftigdagen Feest of Wekenfeest (‹Pinksteren›) nog eens duidelijk onderstreept, toen Simeon Kefa tot de grote menigte Joden uit allerlei landen sprak en als volgt reageerde op de Joodse toehoorders:
“Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen en zeiden tegen Simeon en de overige apostelen: “Wat moeten wij doen, onze broeders?” Simeon zei tegen hen: “Bekeer je en ieder van jullie moet gedoopt worden in de Naam van de HEERE Jezus tot vergeving van zonden en jullie zullen de gave van de Heilige Geest ontvangen (‹d.w.z. in het hart›). Want de belofte is voor jullie en voor jullie kinderen, en voor allen die ver weg zijn, die GOD roepen zal.” (‹Handelingen 2:37›)
De doop van Johannes de Doper baarde veel opzien, want iedere Jood die tot de doop kwam, moest openlijk erkennen en belijden dat hij een zondaar was (‹Mk. 1:5›) . Ook diende hij berouw te hebben en zich te bekeren. Joden die door Johannes de Doper gedoopt wilden worden, maar zich niet wilden bekeren werden streng door Johannes aangesproken als ‘adderengebroed’ (‹Mattai 3:7 en Lukas. 3:7›). De doop van Johannes de Doper was als de onderdompeling in de ‘mikvah’, die men gewoonlijk verplicht stelde voor niet-Joden, mensen uit de volken, als zij Jood wilden worden, maar nu dienden Joden ondergedompelde te worden in de ’mikvah’ van de Jordaan, om deel te kunnen worden van Gods volk in Jezus Christus. De onderdompeling in de ‘mikvah’ was ook verbonden met de reiniging van alle wereldse smetten. Dat is het eerste deel van de doop in de Naam van Jezus.
De zondige mens is blind en verkeert in duisternis door zijn zonde. Als hij aan God zijn zonde belijdt en die weg doet, komt er licht in zijn leven en in zijn hart, en gaat hij Jezus Christus zien en leren kennen. Johannes de Doper predikte dat Jezus Christus na hem zou komen om ‘blinde’, zondige mensen die tot bekering gekomen waren (‹die zich van hun zonden hadden afgekeerd en ze ook beleden hadden, en zich in het Jordaanwater had laten dopen›), te dopen met de Heilige Geest die van boven zou komen, dat is het tweede deel van de doop in de Naam van Jezus. Johannes de Doper vestigde niet de aandacht op zichzelf, maar op de Messias die na Hem zou komen en op de Geest waarmee Jezus Christus hen zou dopen. De verwachtingen onder de Joden waren door de woorden van Johannes de Doper hoog gespannen, want nu zou de Messias, de Christus aan Israël geopenbaard worden en dat is dan ook gebeurd. De bejaarde Simeon en Anna hadden lang naar zijn komst uitgezien en ervoor gebeden! (‹Lukas 2:25-40›).
|
Toen Jezus Zelf de waterdoop onderging, werd die doop meteen gevolgd door de ‘doop’ met de Heilige Geest, die als een duif op Hem neerdaalde, net zoals later de kruisdood, die Jezus Zelf ook als een doop aanduidt (‹Mattai 20:20, Markus 10:38, 39›), gevolgd zou worden door zijn opstanding uit de doden door de kracht van de Heilige Geest: vernedering eerst, verheerlijking daarna! |
De Romeinse hoofdman Cornelius en allen die met hem waren, werden later - nadat Jezus zijn werk aan het kruis had volbracht, uit het graf was opgestaan, naar de hemel was gegaan en de Heilige Geest had uitgestort - als gevolg van de toespraak van Simeon Kefa eerst in de Heilige Geest gedoopt en daarna in water (‹Hd. 10:44-48›). Cornelius was echter al eerder gaan geloven in de God van Israël, hij had het Joodse volk lief. Dat was al een bewijs van zijn nederigheid, want als Romein met een hoge rang maakte hij zich hierdoor niet alleen minder geliefd onder alle mede-Romeinen, maar hiermee vernederde hij zichzelf ook vrijwillig voor de God van Israël, omdat hij die God meer liefhad dan alle Romeinse afgoden.
Zoals het bij Cornelius ging, zo ging het eerder ook bij de vele Joden uit alle landen onder de hemel die in Jeruzalem bijeen waren op de dag van de uitstorting van de Heilige Geest. Vele Joden kwamen tot bekering door de toespraak van Simeon Kefa, die in het Grieks Simeon Petrus werd genoemd. Zij kwamen innerlijk tot bekering, in hun hart! het was geen uiterlijk vertoon of schijnheiligheid. Toen ontvingen zij de Heilige Geest (‹Hd. 2:38-41›). Het woordje ‘toen’ willen wij nog toelichten met de woorden uit 1 Kor. 12:3 “Niemand kan zeggen: Jezus is de HEERE!’, dan alleen door de Heilige Geest.” Dat wil zeggen dat de Heilige Geest op de Pinksterdag de mensen in hun hart overtuigde! Dat moment is ‘toen’, het moment dat de mensen door de Heilige Geest in hun hart overtuigd werden en zij hun leven overgaven aan Jezus Christus, en de Heilige Geest in hen kwam wonen en zij verzegeld werden met de Heilige Geest (‹Ef. 1:13›). Meteen daarna werden zij ook in water gedoopt in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
In Handelingen 19:5-7 gaat het qua volgorde bij de 12 mannen die Paulus in Efeze ontmoette, net andersom, want na tot geloof gekomen te zijn worden deze 12 mannen eerst gedoopt om meteen daarna, d.w.z. nadat zij uit het water zijn opgerezen onder handoplegging de Heilige Geest ontvingen. Die volgorde zien wij ook bij de prediking van Filippus in Samaria en bij de ontmoeting van Filippus met de hofdienaar die door Filippus gedoopt wordt in Handelingen 8. Maar hoe het ook voor het oog qua volgorde toegaat, nooit zal, wil en kan de Heilige Geest in een hart komen wonen als die persoon zich niet eerst met zijn hele hart heeft overgegeven aan Jezus Christus. Laat een mens in deze zaak de Heilige Geest niet proberen te bedriegen of op de proef stellen, want hoe ernstig dat is, lezen wij in Hd. 5:3, 9. De doop is een heilige gebeurtenis die plaats vindt op bevel van Jezus Christus (‹Mt. 28:19-20›), waar een mens beslist wel om mag vragen, zoals de hofdienaar dat aan Filippus vroeg: “Zie, daar is water. Wat is er tegen dat ik gedoopt word?”, en die vervolgens van Filippus de voorwaarde daarvoor te horen kreeg: “Als je met heel je hart gelooft, is het toegestaan!”, waarop de hofdienaar vanuit zijn hart antwoordde en openlijk met zijn mond beleed: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van GOD is” (‹Hd. 8:36, 37›). De hofdienaar werd op zijn verzoek en persoonlijke belijdenis gedoopt en hij zette met de vreugde van de Heilige Geest in zijn hart zijn reis door. Hij had Filippus niet meer nodig, de Heilige Geest zou Hem voortaan alles uitleggen.
Toen de doop op dat Vijftigdagenfeest plaatsvond, gebeurde alles op die dag ‘in één klap’: bekering, geloof, overgave, ontvangst van de Heilige Geest en de doop in water, want het was de dag dat de uitstorting van de Heilige Geest voor het eerst na eeuwenlang wachten ook daadwerkelijk plaatsvond, zoals de profeet Joël enkele eeuwen daarvoor daar al over had gesproken, en mensen voor het eerst vanuit het hoofd, d.w.z vanuit Christus, in hun hart wedergeboren werden. Het was allemaal nieuw!
Na Jezus’ hemelvaart zijn de eerdergenoemde doop op persoonlijk geloof in water en de aansluitende ontvangst van de Heilige Geest onder handoplegging verenigd in die ene doop in de Naam van Jezus Christus, een doop die tegelijk een doop is in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest (‹Mattai 28:18-20›). Bij deze doop kijkt men vanuit het hart als het ware ‘terug’ naar het moment dat men door de Heilige Geest overtuigd werd, dat er geen andere Naam onder de hemel aan de mensen gegeven is waardoor men gered moet worden dan de Naam van Jezus Christus (‹Hd. 4:10-12›) en men tot bekering en tot geloof in Jezus Christus is gekomen.
Toen Jezus na zijn kruisdood, zijn graf en zijn opstanding op de discipelen blies, en zei: ‘Ontvang de Heilige Geest’ (‹Johannes 20:21›), betekende dat niet dat de discipelen op dat moment de Heilige Geest al ontvingen en in de Heilige Geest gedoopt werden, maar dat zij - nu zij allen geloofden, zelfs Tomas - hun harten gereed moesten houden om de Heilige Geest te ontvangen. Jezus Christus keek bij het uitspreken van die woorden met zijn goddelijke blik vooruit naar het moment dat Hij naar de hemel zou gaan om van daaruit de Heilige Geest in de harten van de apostelen te zenden (Johannes 16:7). Jezus kon immers de Heilige Geest pas zenden, nadat Hij naar de hemel zou zijn gegaan, ook al had Hijzelf de Heilige Geest altijd in Zich. De discipelen, ongeveer 120 mensen (‹Hd. 1:15›), zouden al biddende in de bovenzaal op de Heilige Geest wachten, totdat de Heilige Geest zou komen en hen daadwerkelijk kracht zou geven om getuigen van Jezus Christus te zijn (‹Lk. 24:49-53; Hd. 1:8-14; 2:1-4›.)
Heel het doopgebeuren is dus een prachtig beeld van wat alles wat in het hart door het geloof in Jezus Christus is gebeurd. Door zich te laten dopen geeft de gelovige hier uitdrukking aan, want dat past bij het geloof en de gehoorzaamheid aan Jezus Christus. In zijn laatste woorden vlak voor de hemelvaart in Mattai 28:18-20 geeft Jezus Christus het zendingsbevel aan de discipelen, een bevel dat ook wel de ‘Grote Opdracht’ wordt genoemd: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Zoals mijn Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook jullie. Ga heen, onderwijs alle volken en doop hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, en leer hen alles te onderhouden wat Ik jullie geboden heb. En zie, Ik ben met jullie, alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.”
Het nieuwe leven van de christen begint met het geloof in, het vertrouwen op en de overgave aan Jezus Christus! Men geeft zich over aan wie de meerdere is. Tot het moment van bekering verkeert de onbekeerde mens in het kamp van de boze, de tegenstander, de satan die de overste van deze wereld is (‹Jh. 12:31; 14:30; 16:11›). Als een mens uit de wereld tot bekering komt dan geeft hij zich over aan de meerdere, d.w.z. aan Jezus Christus die de satan heeft geoordeeld en de meerdere van de satan is (‹Jh. 16:1 en 1 Jh. 4:4›). Dat is geen kleinigheid, want de gelovige loopt dan over naar het kamp van de ander, hij is het eigendom van Jezus Christus geworden en de Heilige Geest heeft onuitwisbaar het stempel daarvan op zijn leven gedrukt: zichtbaar in de onzienlijke wereld en ook ondefinieerbaar merkbaar in de mensenwereld, in het leven van alledag. Hij hoort er in deze wereld niet meer bij. Dat geeft direct een reactie: blijdschap in de hemel over één zondaar die tot bekering gekomen is, (‹Lk. 15:17›) en boosheid en wrok in het kamp van de tegenstander over één mens die christen is geworden met alle gevolgen van dien. De gelovige wordt bespot, gesard, gemeden, vijandig bejegend, vervolgd, gedreigd, mishandeld, gedood .... het is allemaal aan de orde van de dag in deze duistere wereld waarin het Evangelie op dit moment tot in de verste uithoeken is opgerukt in liefde en waarheid. Terecht wordt in de Bijbel de vraag gesteld: Wat is de overeenkomst tussen het licht en de duisternis? (‹1 Kor. 6:14›). Het antwoord is: er is geen enkele overeenkomst!
Is afgoderij, koppensnellerij, verering van boze geesten, moord, vijandschap, strijd, hebzucht, wreedheid en allerlei (zelf)bedrog licht? Dat is wel wat de wereld meent. De wereld zegt b.v. over de mensen die zij in reservaten ‘conserveren’ en ‘observeren’: laat die mensen in hun ‘licht’, kom er niet aan! Terwijl zij, die zo spreken en hen op zogenaamde humane, eerbiedige en wetenschappelijke, verantwoorde en waardige wijze observeren, zelf op hun beurt ook in het zogenaamde ‘licht’ leven en met het ‘licht’ dat zij aan zichzelf toeschrijven, menen dat zij het Licht van het Evangelie de toegang tot de harten mogen ontzeggen. Dat is de zogenaamde beschaafde wereld die vol zit met corruptie, genotzucht, immoraliteit, leugen, hebzucht, machtswellust, wreedheid, geweld, oorlog en wat dies meer zij. Het Evangelie zegt echter: ‘Allen hebben gezondigd en missen de glorie van God en worden door zijn genade om niet gerechtvaardigd door de verlossing in Jezus Christus’ (‹Rom. 3:23, 24›). Dit Evangelie moet gepredikt worden tot in de verste uithoeken van deze wereld en tot in de meest verborgen plaatsen van de harten tot in de laatste dagen toe, waarin wij inmiddels verkeren. Dan zal het einde gekomen zijn! (‹Mattai 24:14; Mk. 15:15-18; Hd. 1:8›).
De ongelovige, de persoon die niet In Jezus Christus gelooft, leeft volgens Gods Woord, het Woord van Jezus Christus, onder de heerschappij van de overste van deze wereld, ook al houdt die overste, de satan, zichzelf verborgen in de onzichtbare wereld met alle boze geesten en demonen. Bekeert een mens zich echter uit deze duistere wereld tot Christus, dan valt die mens onder Jezus Christus en is hij overgegaan uit de macht van de duisternis in Koninkrijk van zijn geliefde Zoon (‹Kolossenzen 1:13›). De gelovige valt namelijk onder Jezus Christus, die het Hoofd is van het Lichaam en de gelovigen zijn allen leden van zijn Lichaam. De apostel Paulus zegt daar in 1 Korintiërs 12:13 het volgende over: “Want ook wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Arameeërs, hetzij slaven, hetzij vrijen, en wij allen hebben van één Geest gedronken”. Deze woorden geven uitdrukking aan het feit dat de gelovigen samen tot de hemelse Bruid, d.w.z. tot het Lichaam van de hemelse Bruidegom worden gedoopt, want de vrouw is als het eigen lichaam van de man, die op zijn beurt haar hoofd is (‹Efeziërs 5:28, 29›).
Als een mens door het geloof de wereld achter zich laat, leeft hij er nog wel middenin, maar is hij er in zijn hart niet meer deel van. Zijn hart, het centrum van zijn leven, is van Christus. Niet alleen zijn hart, maar heel zijn leven: zijn tijd, bezit, gedachten, gevoelens en willen, zijn wegen en plannen en ga zo maar door. Wie gelooft in Jezus Christus, is door zijn kruisdood met een oneindig hoge prijs vrijgekocht uit deze wereld en zo het eigendom van Jezus Christus geworden, en zo is zijn leven onder de leiding en liefdevolle en waarachtige heerschappij van Jezus Christus gekomen. Laat een mens daar maar eens goed bij stilstaan! Dat heeft ingrijpende en blijvende gevolgen. Soms in het verborgene, soms in het openbaar. Wie gelooft is ook een leerling van Jezus Christus en die term mag geen holle klank worden. Dit zijn enkele van duidelijke en goede voorbeelden daarvan:
- Johannes en Jakobus lieten hun vader in het schip achter en volgden Jezus (‹Mt. 4:21, Mk. 1:19›)
- Kefa en Johannes verkondigden met grote vrijmoedigheid het Evangelie en lieten zich niet intimideren (‹Mk. 1:19, 20›)
- Bar-Nabas verkocht zijn akker en gaf het geld aan de Heer (‹Hd. 4:36, 27›)
- de gelovigen waren trouw aan het onderwijs van de apostelen en kwamen bij elkaar voor gebed, de gemeenschap van de gelovigen en voor, het breken van het genadebrood d.w.z. het Avondmaal, en ook deelden zij hun bezit met elkaar (‹Hd. 2:42, 44›)
- vervolgde christenen trokken samen op en predikten het Evangelie, terwijl zij vervolgd werden (‹Hd. ›).
- Paulus’ leven is een aaneenschakeling van allerlei vormen lijden voor de Naam en in de dienst van Jezus Christus (‹2 Kor. 11:21-30›)
- de jonge gelovigen in Tessaloniki aanvaardden verdrukkingen en vervolgingen (‹2 Th. 1:4›)
- de gelovigen waren zeer betrokken bij de apostel Paulus en zijn werk (‹Gal. 4:15›)
- hoe gelovige oudsten en jongeren zich dienen te gedragen (‹1 Pt. 5:1-5›)
- tot bekering gekomen tovenaars verbrandden hun boeken ter waarde van 50.000 zilverstukken(‹Hd. 19:19›)
Hebreeën 11 geeft een lijst van grote geloofsgetuigen uit de tijden voor Jezus: Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara, Izak, Jakob, Mozes, Rachab, Gideon, Barak, Simson, Jefta, David, Samuel en vele andere profeten.
Maar alle lijden van profeten, apostelen en discipelen om Christus’ wil weegt niet op tegen het lijden dat Jezus Christus Zelf aan het kruis in onze plaats droeg, en daarmee ook niet tegen de glorie en heerlijkheid die over Christus en over allen die in Hem geloven, geopenbaard zal worden (‹Rom. 8:18-22›). In Dt. 21:23 (‹vergelijk Gal. 3:13›) lezen wij: “Vervloekt is ieder die aan het hout is opgehangen!” en zo was het met Hem. Hij droeg de straf die op de zondaar had moeten neerkomen en Hij nam die vloek weg door die vloek in de plaats van de zondaar te dragen. Hij was daarin geheel alleen, want Hij riep uit ‘God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten’. Hij was van God verlaten, de Heilige Geest droeg het Lam van God hield Hem vast, genageld em vastgebonden aan het kruis, zoals het offerdier op het altaar vastgebonden wordt en erdoor gedragen wordt.
Wij lezen in Hebreeën 9:13-14: “Want als het bloed van geiten en jonge stieren en de as van de rode vaars gesprenkeld werden op hen die onrein geworden waren, en dit hen heiligde en reinigde voor wat betreft hun lichaam, hoeveel te meer zal het Bloed van Christus, die Zichzelf door de eeuwige Geest zonder smet aan GOD als offer heeft gebracht, ons geweten reinigen van dode werken, opdat wij de levende GOD zullen dienen!” De woorden ‘die Zichzelf door de Heilige Geest als offer heeft gebracht’ zijn opmerkelijk. Wij lezen daarin dat de Heilige Geest het instrument was, ofwel het altaar, waardoor Jezus Zichzelf als offer bracht. Iemand moest Hem als het ware voor Gods aanzicht houden in dat lijden, want Hij bracht Zichzelf als offer aan GOD. Zoals het brandofferaltaar de offers voor de troon van God droeg, voor de ‘troon’ die ongeveer 25 meter van het altaar afstond in het Allerheiligste, zo droeg de Heilige Geest het Lam van GOD hier op aarde vóór GODs aangezicht in de hemel daarboven, in het diepste lijden dat er ooit op aarde en in de hemel was. Hierover is veel te zeggen, maar we zullen ons beperken.
Als Jezus die vloek niet op Zich genomen zou hebben, zou Hij altijd in leven en in het Leven gebleven zijn als het de wil van God zou zijn geweest. Maar dat was niet de wil van God, niet van de Vader en niet van de Zoon. Net zoals Abraham en zijn zoon Izak één en dezelfde wilsgesteldheid hadden, toen Abraham zijn zoon aan God moest offeren. Toen Jezus het kruis op Zich nam, deed Hij de wil van zijn Vader. Er was in Hem nooit zonde, ook toen niet! Alleen wie zondigt, sterft, zoals geschreven staat: “Het loon dat de zonde geeft, is de dood’ (‹Rom. 3:23›). Toch zou Jezus sterven, omdat de vloek onbarmhartig was: Jezus Christus was onder de vloek werkelijk als een zondaar, hoewel er in Hem Zelf geen zonde was, maar op Hem wel onze zonde rustte. Van dat laatste was zijn dood het bewijs, omdat onze zonde op Hem was, stierf Hij! (‹Romeinen 3:23›). De banden van de dood zouden pas verbroken worden nadat Jezus Christus de vloek geheel gedragen had en door zijn opstanding uit de doden geopenbaard werd als de Zoon van God IN KRACHT(‹Romeinen 1:4›).
Deze vreselijke kruisdood die de mensheid genade bracht, is de doop waarmee Jezus gedoopt zou worden, zoals Hij zegt in Lukas 12:50 ... “Ik moet met een doop gedoopt worden en sta onder grote druk, totdat het is volbracht.” Dit was ook de beker waarvan Jezus in Matteüs 20:22 tegen Johannes en Jakobus zegt: “Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken, die Ik zal drinken, kunnen jullie gedoopt worden met de doop, waarmee Ik gedoopt zal worden?” Zij zeiden tegen Hem: “Dat kunnen wij!”
En zo is het gegaan. Jezus dronk de beker eerst en droeg de bittere vloek en werd daarin ondergedompeld. Daarna zouden ook Johannes en Jakobus en allen die zijn Naam geloven, die beker drinken en met dezelfde dood gedoopt worden, toen zij hun oude leven in het geloof aflegden in de dood van Jezus Christus, en de gedenkbeker van het Nieuwe Verbond in het Bloed van Jezus zouden drinken bij hun samenkomsten na Jezus’ hemelvaart. Jezus droeg voor hun de vloek, maar zij ontvingen genade doordat Hij die vloek voor hun en ieder die gelooft droeg.
***
Er was onder de Wet van Mozes een Oud Verbond, een Oud Testament, met zijn eigen dierenoffers en met besprenkeling van het bloed van de offerdieren. Maar Jezus opende de weg tot het Nieuwe Verbond door zijn Offer en zijn Bloed, zodat wij lezen: “Daarom is Hij de Middelaar van het Nieuwe Verbond, want door zijn dood werd Hij de verlossing voor hen die het eerste Verbond overtreden hadden, zodat zij die tot de eeuwige erfenis geroepen worden, de belofte zouden ontvangen.” (‹Heb. 9:15 ›).
De belofte die de erfgenaam heeft, is dat hij deel zal hebben aan de erfenis van degene die sterft waardoor de erfgenaam alles ontvangt wat de gestorven erfgenaam achterlaat. Daarom lezen wij: “Want waar een testament is, dat is een verbond, moet van de dood van de maker ervan melding worden gemaakt. Want een testament is alleen geldig als iemand sterft, want zolang degene die het opgesteld heeft, nog leeft, is het niet van kracht. Daarom werd zelfs het eerste Verbond niet zonder bloed bevestigd. Want nadat elk gebod dat in de Wet stond, door Mozes aan het volk was opgelegd, nam hij het bloed van de vaars, water, scharlakenrode wol en hysop, sprenkelde dat over de boekrollen en over heel het volk, en hij zei tegen hen: ‘Dit is het bloed van het Verbond dat door GOD aan jullie is opgelegd’. Hij sprenkelde het bloed ook over de Woning en over alle voorwerpen die bij de dienst hoorden. Want alle dingen worden onder de Wet door bloed gereinigd en zonder het vergieten van bloed is er geen vergeving. Het was noodzakelijk dat deze dingen, die als voorbeeld dienden van de hemelse dingen, hiermee gereinigd werden, maar de hemelse dingen met betere offers dan deze.” (‹Hebreeën 9:16-23›)
Dit was de situatie onder het Oude Verbond. Maar het Nieuwe Verbond in Christus is zoveel beter …
“Want Christus is niet binnengegaan in het Heiligdom dat met handen is gemaakt, dat een afbeelding is van het echte, maar in de hemel zelf om voor ons voor het aangezicht van GOD te verschijnen. Niet om Zichzelf vele keren te offeren, zoals de hogepriester ieder jaar het Heiligdom binnenging met bloed dat niet van hemzelf was, - anders had Jezus heel vaak moeten lijden vanaf het begin van de wereld - maar nu, aan het einde van de wereld, heeft Hij Zichzelf één keer geofferd om door zijn offer de zonde teniet te doen. Zoals het voor de mensen bepaald is om één keer te sterven en na hun sterven geoordeeld te worden, zo is ook Christus één keer geofferd en heeft Hij in zijn Wezen het slachtoffer gebracht voor de zonden van velen, maar bij de tweede komst zal Hij zonder zonden verschijnen voor het Leven van hen die Hem verwachten.” (‹Hebreeën 9:23-28›)
Het Oude Verbond leidde tot de dood, tot veroordeling, tot de vloek, “want het loon van de zonde is de dood” (‹Rom. 6:23a›).
Omdat Jezus in onze plaats de vloek droeg, leidt het Nieuwe Verbond tot het Leven, tot geestelijke wedergeboorte door het geloof, niet door het volbrengen van de Wet, want dat kunnen wij niet, maar Jezus heeft die Wet voor ons in de plaats volbracht (‹Matteüs 5:17›), zodat wij door genade, door het geloof gered worden: “Want door zijn genade zijn wij gered, door het geloof, en dat niet uit jullie zelf, maar het is de gave van GOD, niet uit de werken, zodat niemand zich daarop kan beroemen. Want wij zijn zijn schepping, in Jezus Christus geschapen om goede werken te doen, die GOD voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. ’
En in de Romeinenbrief lezen wij dat Paulus zegt: “want de genadegave van God is het eeuwige leven door onze Here Jezus Christus” (‹Rom. 6:23b›). En niet veel later zegt Paulus: “Daarom is er geen veroordeling voor hen die door Jezus Christus niet meer in het vlees leven. Want de Wet van de Geest van het Leven in Jezus Christus heeft je bevrijd van de Wet van de zonde en de dood.” (‹Romeinen 8:1, 2›)
Er is dus wel veroordeling voor alle mensen, want allen zijn immers zondaren en schuldig voor God, maar er is ook genade voor alle mensen door het geloof in Jezus Christus dat bevrijd van de vloek van de Wet door de Wet van de Geest van het Leven. Daarom is er ook één tweeledige doop in het hart nodig: ‘water en Geest’ om gered te worden. Wie aandachtig doorleest zal daar meer van gaan begrijpen. Titus 3:3-7 getuigt ook van deze tweeledigheid in één doop …
“Want ook wij waren vroeger onverstandig, onstandvastig, dwalende en verslaafd aan allerlei begeerten, en wij leefden in slechtheid en in nijd, wij waren vol haat en ook haatten wij elkaar. Maar toen de goedheid en liefde van GOD, die ons Leven geeft, geopenbaard werd, heeft Hij ons Leven gegeven, niet door rechtvaardige werken die wij gedaan zouden hebben, maar door zijn barmhartigheid, door de wassing van de wedergeboorte en door de vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgegoten door Jezus Christus, die ons Leven geeft, zodat wij door zijn genade gerechtvaardigd zouden worden en erfgenamen zouden zijn door de hoop op het eeuwige Leven.” (‹Titus 3:3-7›).
En omdat er één tweeledige doop in het hart is, is er ook één tweeledige doop nodig in ‘water en Geest’ om daarvan te getuigen nl. de zichtbare onderdompeling in water gevolgd door handoplegging ter bevestiging van de ontvangst van de Heilige Geest. Wat er vroeger was, moet begraven worden in het watergraf van de doop (eerste stap) en vervolgens met Leven overgoten worden, d.w.z. met het Levende Water van de Heilige Geest (tweede stap).
***
Voor de doop van Jezus’ lijden waar Hij over spreekt in Lukas 12:50, de doop met de Heilige Geest in Mattai 3:11 en de waterdoop wordt in de Bijbel in alledrie de gevallen hetzelfde Aramese woord ‘ʾamed’ of het Griekse woord ‘baptizō’ gebruikt. Op alledrie de dopen is hetzelfde ‘principe’ van toepassing nl. volledige onderdompeling.
In Handelingen 2:17, 18, 33 wordt gesproken over het ‘uitgieten’ van de Heilige Geest in het hart van de gelovige (‹Romeinen 5:4›). Dat is een overvloedig uitgieten, het is niet slechts een paar druppeltjes van de Heilige Geest, God is geeft de Geest overvloedig, Hij is er niet zuinig mee (‹Jh. 3:34›), maar God is er ook niet slordig mee, hij morst niet! Men wordt geheel met de Heilige Geest overgoten, vervuld of doordrenkt, net zoals men geheel in water ondergedompeld wordt als teken van het begraven van de oude mens, en net zoals Jezus Christus volledig in het lijden werd ondergedompeld in de vloek die Hij bij zijn kruisdood op Zich naam, en die leidde tot de opname van zijn dode lichaam in het graf.
De Heilige Geest komt van boven en wordt uitgegoten op het dorre en dorstige land van het menselijke hart (‹Johannes 7:37›), zodat het helemaal ondergedompeld, doordrenkt en ‘overgoten’ wordt in de stromen van Levend Water, een uitdrukking die Jezus Christus gebruikt als Hij van de Heilige Geest spreekt in Johannes 7:38-39 “Wie in Mij gelooft, zoals de Schriften hebben gezegd: ‘Stromen van Levend Water zullen uit zijn binnenste vloeien!’ Dit zei Hij van de Geest die zij die in Hem geloofden, zouden ontvangen ...” (‹zie ook Jesaja 12:3›)
Op de dag van het Vijftigdagen Feest of Wekenfeest, Pinksteren, toen de Heilige Geest werd uitgestort, sprak Kefa tot de grote menigte Joden uit allerlei landen en aan het einde reageren de Joodse luisteraars, zoals wij eerder al geschreven hebben, als volgt:
“Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen en zeiden tegen Simeon en de overige apostelen: “Wat moeten wij doen, onze broeders?” Simeon zei tegen hen: “Bekeer je en ieder van jullie moet gedoopt worden in de Naam van de HEERE Jezus tot vergeving van zonden en jullie zullen de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want de belofte is voor jullie een voor jullie kinderen, en voor allen die ver weg zijn, die GOD roepen zal.” (‹Handelingen 2:37›)
De Joden waren in de dagen van Jezus’ bediening op aarde al bekend met de doop door onderdompeling en Kefa hoefde daar verder niets over uit te leggen, want men was bekend met de doop van Johannes de Doper. Maar ook vóór Johannes de Doper was de religieuze onderdompeling in een bad dat de ‘mikvah’ genoemd wordt, onder de Joden bekend, zoals wij daarvan al bij de geschiedenis van Nikodemus lazen, dat ‘nieuwelingen’ of ‘bekeerlingen’ tot het jodendom (om)gedoopt moesten worden in de ‘mikvah’. Er zijn talloze ‘mikvah’-baden, ‘reinigingsbaden’, gevonden in en rond Jeruzalem (‹b.v. de zgn. ‘Ofel-Mikvah’ direct ten zuiden van de Tempelberg en de ‘Sanhedrin-mikvah’ bij de westelijke muur van de Tempel›), in Masada (‹Qumran bij de Dode Zee›), in heel Israël en bij Joden in de verstrooiing. In deze baden werden en worden de Joden volledig ondergedompeld bij gelegenheden als de priesterwijding, de reiniging van een melaatse, huwelijk (‹de bruid›), reiniging van ongesteldheid (‹de vrouw›), gemeenschap van man en vrouw, de Verzoendag, de vader op de dag van de besnijdenis van zijn zoon e.d. De doop in de ‘mikvah’ was en is naast de besnijdenis en het brengen van een offer, een absolute voorwaarde waaraan moest/moet worden voldaan door een bekeerling tot het jodendom (‹Yeb. 46b, 47b; Ker. 9a; 'Ab. Zarah 57a; Shab. 135a; Yer. Kid. iii. 14, 64d›).
Alec Garrard schrijft in zijn boek ‘De Tempel’ dat het in Jezus’ dagen onder de Joden de gewoonte was om op de eerste dag van het Feest van de Eerstelingen van de oogst, het zgn. Vijftigdagenfeest (‹ook wel ‘Pinksteren’ genoemd›), ‘rechtvaardige bekeerlingen’ (‹zo werden vreemdelingen, niet-Joden, genoemd die de Wet wilden gaan onderhouden en zich lieten besnijden›) tot het jodendom onder te dompelen in dit reinigingsbad. Een ‘mikvah’ was heel vaak een rivier, een meer, bron of een ander natuurlijk waterreservoir, ook al werden er steeds meer huis-mikvah’s gemaakt en ook werden er bassins aangelegd, maar die dienen verbonden te worden met een levende bron van water. Voor de vrouwen nam de ‘mikvah’, het reinigingsbad, de plaats in van de besnijdenis.

Mikvah in Qumran
Hoewel er in veel opzichten uiterlijke overeenkomsten zijn tussen enerzijds de Joodse onderdompeling in de ‘mikvah’ voor de ‘rechtvaardige vreemdeling’, de man of vrouw die als vreemdeling, als niet-Jood zich bekeert tot het Jodendom, en anderzijds de christelijk waterdoop als getuigenis van de bekering tot en van het geloof in Jezus Christus, zijn er ook belangrijke verschillen:
A. de bekering tot het Jodendom, hoewel religieus van karakter, is ten diepste een vleselijke inlijving in een vleselijk volk, waarbij mannen en vrouwen, jong en oud, met inbegrip van eventuele gezinsleden, aan de volgende vereisten dienen te voldoen: mannen moeten besneden worden, hun toewijding aan de Thora tonen en ondergedompeld worden in de ‘mikvah’, het ‘reinigingsbad’, en vrouwen dienen zich ook toe te wijden aan de Wet, de Thora, en in de ‘mikvah’ ondergedompeld te worden.
Omdat het een vleselijke doop is, dient men zich vooraf heel grondig te wassen en in principe gaat men ‘naakt’ de ‘mikvah’ in, zodat heel het lichaam en elk onderdeel ervan, ook elk haartje, aan het water van de ‘mikvah’ wordt blootgesteld. De ‘mikvah’ is daarom een intiem gebeuren en niet bedoeld voor (ongewenste) toeschouwers.
De Talmoed, de mondelinge Wet van de Joden verklaart: “Wanneer iemand (‹een bekeerling uit de volken›) na de onderdompeling uit het water opkomt, wordt hij in alle opzichten als een Israëliet beschouwd” (‹Yevamot 47b›). De Joodse leraar Yose zegt in de Talmoed: “Iemand die bekeerling is geworden, is als een pasgeboren kind.” (‹Yevamot 48b›). Daarom wordt de onderdompeling in de ‘mikvah’ ook wel gezien als het beeld van de wording van een Joods kind in de baarmoeder.
B. de christelijke doop is het beeld van een geestelijke inlijving in het Lichaam van Jezus Christus, door het afleggen van het oude lichaam van de dood en de zonde in de dood van Jezus Christus, om zo met Hem gekruisigd, ook met Hem mee op te staan uit het (water)graf van de dood en voor Hem te leven in de kracht van de Heilige Geest.
Hoewel de ‘mikvah’, de onderdompeling van de vreemdeling die ‘rechtvaardig Jood’ wordt, ook gezien wordt als een geestelijke verandering, omdat hij van wereldburger en afgodendienaar tot Jood wordt en tot dienaar van de God van Israël, blijft de bekeerling tot het jodendom toch met een hart van steen rondlopen (Ezechiël 11:19), omdat hij niet de oude Adam afgelegd en begraven heeft en dat ook niet zelf kan, Daarom heeft hij geen werkelijke vergeving van zonden verkregen, geen verzoening en geen nieuw leven door de kracht van de Heilige Geest.
De christelijke doop kan alleen plaatsvinden als sprake is van persoonlijk geloof in Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane Heer, een geloof waarvan de betrokkene zelf dient te getuigen. Het is in die zin beslist geen aardse familieaangelegenheid of kerkelijke beslissing waaraan men de gelovige onderwerpt. Integendeel de gelovige wil en dient te getuigen van zijn persoonlijk geloof en de broeders toetsen zijn getuigenis en dopen hem op grond van dat getuigenis. Bij de doop is het een goede gewoonte om in eenvoudige, dekkende, witte doopkleding het water van het doopbad in te gaan.
Aan de christelijke doop, de doop in de Naam van Jezus, gaat voor mannen en vrouwen de geestelijke besnijdenis in het hart vóóraf die geen werk van mensenhanden is zoals de vleselijke besnijdenis onder het Oude Verbond. Deze geestelijke besnijdenis van het hart bestaat uit: (‹1›) daadwerkelijke bekering en het afleggen van dode, zondige werken, (‹2›) geloof in de gekruisigde, gestorven en opgestane Heer Jezus Christus, en (‹3›) de ontvangst van de Heilige Geest. Dit laatste wordt bij de doop uitgebeeld door onder handoplegging uit te spreken ‘Ontvang de Heilige Geest’.
Vaak wordt een dopeling achterover in het water neergelaten, maar een onderdompeling van hoofd en bovenlichaam in geknielde houding is ook een zeer passende manier om te dopen. Vaak laat men de handoplegging en de erbij horende woorden weg, maar die zijn juist wel van belang om het geestelijk gebeuren in het hart volledig in beeld te brengen. Het weglaten ervan, kan ertoe leiden dat men vragen gaat stellen of men wel of niet de Heilige Geest ontvangen heeft, terwijl de Bijbel heel duidelijk laat zien dat bekering tot en geloof in de Naam van Jezus Christus heel duidelijk gepaard gaan met de ontvangst van de Heilige Geest. In Handelingen 1:5 kondigt Jezus Christus de doop met de Heilige Geest ook duidelijk aan.
Op de eerste dag van de uitstorting van de Heilige Geest, nadat velen hun geloof persoonlijk hadden beleden, werden er 3000 mensen gedoopt in water en in de Heilige Geest die zij toen ontvingen (‹Handelingen 2:38, 41›).
De wedergeboorte, die het gevolg is van het feit dat de Heilige Geest in het hart komt wonen, nadat iemand tot geloof in Jezus Christus gekomen is, is de voorwaarde om Gods Koninkrijk te mogen binnengaan. In Johannes 3:3 lezen wij: “Jezus antwoordde en zei tegen hem: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Als iemand niet opnieuw (‹letterlijk: vanaf het hoofd›) geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van GOD niet zien.” en in Johannes 3:5 lezen wij: “Jezus antwoordde en zei tegen hem: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Als iemand niet uit water en Geest geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van GOD niet binnengaan.” De waterdoop is dus niet de toegang tot het Koninkrijk van God, maar de wedergeboorte!
De betekenis van het Hebreeuwse woord ‘mikvah’
Het Hebreeuwse woord ‘mikvah’ is verbonden met de betekenis van ‘het samenstromen van wateren’ (‹Gen. 1:9›) of van mensen (‹Gen. 3:17›), maar vaak betekent het ook ‘hopen’ b.v. in Genesis 49:18 waar wij lezen “Op uw redding hoop ik, o HEERE!’ en in Jer. 17:13 lezen wij: ‘U bent de Hoop van Israël, HEERE, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden. Van hen die van Mij weggaan, zullen de namen in de aarde geschreven worden, want zij hebben de HEERE, de bron van levend water, verlaten’ en in Jeremia 29:11 lezen wij: ‘Want Ik weet welke gedachten Ik over jullie koester, spreekt de HEERE, gedachten van vrede, niet van kwaad, om jullie een hoopvolle toekomst te geven.” Het Hebreeuwse werkwoord waarvan het woord ‘mikvah’ is afgeleid, is קָוָה (‹qāwāẖ - H6960›). Dit werkwoord komt 49 keer in het Oude Testament voor, verdeeld over 45 verzen. In de Joodse Misjna Yoma 8:9 kan men lezen dat de Joodse leraar Akiva over de tekst van Jeremia 17:13 zegt dat de HEERE Zelf de ‘Mikvah’, het ‘Reinigingsbad’, van Israël is, want het is de Heilige, die Israël reinigt.
Volledige bekering
Om als vreemdeling in het jodendom als een echte bekeerling beschouwd te worden, dient een vreemdeling zich geheel te bekeren. Een enkele daad van gerechtigheid is niet genoeg. Pas als men aan deze voorwaarde heeft voldaan, kan men de ‘mikvah’, het reinigingsbad ingaan en ondergedompeld worden, nadat - zoals wij al geschreven hebben - het lichaam gereinigd is van alle vuil. De doop of onderdompeling die dan volgt, is dus niet om het lichaam schoon te maken, maar die is het symbool van de ‘geestelijke reiniging’ en van ‘vernieuwing van het geestelijke leven’ (‹ten minste zo zien de Joden dat en dat is ook wel begrijpelijk, want het zijn grote veranderingen die niet alleen het lichamelijke bestaan treffen›). Pas als de vreemdeling geheel tot bekering gekomen is en, in geval het een man betreft, zich heeft laten besnijden en geheel in de ‘mikvah’, het rituele reinigingsbad. is ondergegaan, pas dan kan hij op de grote Verzoendag verzoend worden met God, zo is de gedachte van de Jood en van het jodendom of judaïsme.
De vreemdeling dient helemaal ondergedompeld te worden in de ‘mikvah’. Als één vinger niet gewassen wordt, is de ‘mikvah’ onvolledig (‹Yoreh De’ah 198:1 - onderdeel van de Joodse Halakha›). Ook dient men zich, vóór men de ‘mikvah’ ingaat, volledig gewassen te hebben. De voorschriften in de Mishneh Torah, Immersion Pools 1:2 luiden als volgt: “Steeds als de Torah spreekt van het wassen van het lichaam of van kleding in verband met onreinheid, heeft dat uitsluitend betrekking op een volledige onderdompeling van het hele lichaam of lichaamsdeel in een ‘mikvah’. De zinsnede in Leviticus 15:1 “zonder dat deze (eerst) zijn handen met water heeft afgespoeld” verwijst ook naar de onderdompeling van het hele lichaam. Dit is ook van toepassing op andere onreine personen. Wanneer iemand volledig ondergedompeld is met uitzondering van zijn pink, dan is hij nog steeds ritueel onrein. Hoewel al deze zaken voortkomen uit de Mondelinge Traditie, dan nog verklaart Leviticus 11:32 “het moet in water worden gelegd en het zal onrein zijn tot de avond …”
Ook voor de Nieuwtestamentische waterdoop in Jezus Christus geldt dat iemand die niet geheel tot bekering gekomen is, niet gedoopt kan worden. In 1 Petrus 3:18-22 lezen wij: “Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven, de Rechtvaardige voor zondaars, zodat Hij jullie tot GOD kan brengen, Hij die stierf in het lichaam, maar leeft in de Geest, Hij die gepredikt heeft aan de zielen die in het dodenrijk werden vastgehouden, die zich in het verleden niet lieten overtuigen, toen GOD in zijn grote geduld gebood dat er een ark moest komen, in de hoop op hun berouw. Slechts acht zielen gingen de ark binnen en zij werden door het water heen levend gered. Naar dat voorbeeld zijn ook jullie gered door de doop, die niet plaatsvindt wanneer jullie het lichaam van vuil wassen, maar wanneer jullie GOD met een zuiver geweten belijden, en door de opstanding van Jezus Christus, die naar de hemel opgenomen is en aan de rechterhand van GOD gezeten is, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn.”
Wie dus gedoopt wil worden, dient aantoonbaar tot bekering gekomen te zijn, dat wil zeggen dat hij/zij duidelijk aanwezige en hem/haar bekende zonde aan God beleden heeft, en zo mogelijk mensen die schade van zijn/haar zonde ondervonden hebben, om vergeving heeft gevraagd en de gevolgen van zijn zonde waar mogelijk heeft rechtgezet. Als hij zich van geen enkel kwaad bewust is, is het zeer de vraag of hij/zij tot bekering gekomen is. Hij/zij heeft dan misschien het schijnsel van het Evangelie van de heerlijkheid enigszins gezien, maar toch is het nog overwegend bedekt gebleven (‹2 Korintiërs 4:3, 4›). Als het licht van God in het hart van een mens schijnt, komt de zonde aan het licht. Waarom zou iemand gedoopt worden als hij of zij meent dat er geen zonde in of hem of haar is, en hij of zij daar dus ook geen berouw over heeft?
En wat als een mens zijn geloof in Jezus wel belijdt, maar zich niet laat dopen in gehoorzaamheid aan Jezus Christus, terwijl daar wel de gelegenheid voor is? In Markus 16:16 lezen wij: “Wie gelooft en gedoopt is, zal leven, maar wie niet gelooft, is veroordeeld!”. De gelovige zelf dient zijn geloof te belijden (‹Handelingen 8:37›), niemand anders kan in zijn of haar hart kijken, alleen God! Geloof is persoonlijk, maar het moet wel openlijk beleden worden. Als men gelooft, dient men zich te laten onderdompelen in de waterdoop en de Heilige Geest te ontvangen. Een mondelinge belijdenis afleggen van het geloof, is geen vervangmiddel van de doop en van de gehoorzaamheid aan de opdracht van Jezus Christus, de Zoon van God, om gedoopt te worden. Wie met zijn mond van zijn geloof getuigt, dient zich ook te laten dopen.
In de Bijbel staat strikt genomen weliswaar nergens dat de doop een getuigenis is, ook als de doop dat onzes inziens wel, maar de doop is beslist wel een daad van gehoorzaamheid van de gelovige, maar ook van de Gemeente van Jezus Christus die de opdracht heeft van Jezus Christus om de gelovigen te dopen.
Men kan het vergelijken met een gelovige die niet deelneemt aan het Avondmaal. Die gelovige getuigt niet van Jezus’ dood, totdat Hij komt (‹1 Korintiërs 11:26›). Dat kan uit onwetendheid voortkomen, maar wanneer die gelovige Gods Woord onderzoekt en God die onwetendheid wegneemt, dient hij deel te nemen.
Zo is dat ook bij de doop: als men tot de erkenning komt dat men zich dient te laten dopen, dient men dat ook te doen. Gedoopt worden en deelnemen aan het Avondmaal zijn zaken van geloof en gehoorzaamheid. Dit zijn geboden van de HEERE Jezus Christus die men niet naast zich mag neerleggen.
De moordenaar naast Jezus aan het kruis die tot geloof kwam, kon niet meer gedoopt worden, maar hij is wel gered (‹Lukas 23:39-43›). Zulke situaties die het onmogelijk maken dat men in water gedoopt wordt, komen nog steeds voor, maar de meeste gelovigen hebben genoeg tijd en gelegenheid om gedoopt te worden. In de meeste gevallen is er ook genoeg water en zijn er slechts twee of drie mannelijke getuigen nodig (‹Mattai 18:16 en 2 Korintiërs 13:1 1 Timoteüs 2:19, 1 Timoteüs 5:19, Hebreeën 10:28›). We lezen dat Filippus de hofdienaar uit Kusj doopte, maar wij lezen niet dat er verder nog iemand bij was, dan alleen de hofdienaar en zijn mensen. Bij de doop van Lydia en haar huisgenoten in Filippi (‹Handelingen 16:15›) waren Paulus en Silas getuigen, waarschijnlijk ook Timoteüs en mogelijk nog andere broeders. In Handelingen 19:5, 6 lezen wij dat er 12 mannen gedoopt werden en het lijkt wel of alleen Paulus hen allen doopte, maar in feite wordt er niet gezegd wie er doopte. Nadat de 12 mannen in water gedoopt waren ontvingen zij onder handoplegging de Heilige Geest. Omdat deze mannen pas op dat moment tot geloof in Jezus Christus kwamen, was het nodig dat de apostel Paulus hen de handen oplegde.
Het grensoverschrijdende werk van de Heilige Geest
De verkondiging van het Evangelie vanaf de eerste dag van het Vijftigdagenfeest of Pinksterfeest droeg steeds meer vrucht door het grensoverschrijdende werk van de Heilige Geest, die stap voor stap steeds meer mensen, talen, stammen en volken overtuigde dat er geen andere naam onder de hemel aan de mensen gegeven is om gered te worden dan de Naam van Jezus Christus (Handelingen 4:12). In het boek Handelingen lezen wij over de volgende groepen:
1. de Joden en Jodengenoten, d.w.z. de bekeerlingen tot het Jodendom (‹Godvrezende mannen en vrouwen›) uit alle volken die in Jeruzalem waren op het Vijftigdagenfeest (‹Pinksteren›). Uit Handelingen 2:10 en Handelingen 6:5 weten wij dat de Jodengenoten tot het Jodendom bekeerde vreemdelingen waren. Wij lezen dat de Heilige Geest op dat feest werd uitgestort: “Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in een andere tong te spreken, zoals de Geest die aan hen te spreken gaf.” (‹Handelingen 2:4›) De twaalf apostelen en de discipelen in de bovenzaal waren met al deze mensen samen getuigen van deze gebeurtenis.
2. de Samaritanen die wel de Wet van Mozes hadden, maar geen Joden waren, maar bijwoners in Israël. Van hun bekering en geloof waren de apostelen Kefa en Johannes getuigen en onder handoplegging van de apostelen ontvingen zij de Heilige Geest. “Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden, dat het volk van de Samaritanen het Woord van GOD had aangenomen, zonden zij Simeon Kefa en Johannes naar hen toe. Zij daalden naar hen af en baden voor hen, opdat zij de Heilige Geest mochten ontvangen, want Die was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van onze Here Jezus. Toen legden zij hun de handen op en ontvingen de Heilige Geest.” (‹Handelingen 8:14-17›) Er wordt niet vermeld dat men in een andere tong ging spreken, ook al wil dat niet zeggen dat dat niet gebeurde. De handoplegging door de apostelen lijkt de uitdrukking te zijn van zegen en goedkeuring van de zijde van de beide apostelen, waarop zij de Heilige Geest ontvingen. God had de apostelen met groot Goddelijk gezag bekleed (Handelingen 3:1-10, de genezing van een man die vanaf zijn geboorte verlamd was en niet kon lopen, Hd. 5:1-11, de dood van Ananias en Saffira die de Heilige Geest die zij ontvangen hadden, wilden bedriegen, en Handelingen 8:6-8, 13 de grote tekenen en wonderen in Samaria).
Een aparte kwestie in deze geschiedenis is de vraag of Simon, de Magiër, de gave van de Heilige Geest werd onthouden. Hij had geloofd en was in water gedoopt tot bekering in de Naam van onze Here Jezus (vs. 12, 16). Maar wanneer de gelovigen in Samaria de Heilige Geest ontvangen, lijkt het erop dat hij er alleen maar bij toekeek, terwijl zijn hart er niet op de juiste manier bij was en hij zichzelf niet openstelde om de Heilige Geest te ontvangen, maar zich alleen afvroeg of hij mogelijk ook die macht van de apostelen tegen betaling kon krijgen (vs. 18, 19). Hij was verbijsterd door de grote tekenen en wonderen (vs. 13), maar het lijkt er niet op dat hij de Heilige Geest ontving. Bij Ananias en Saffira in Hd. 5 lezen wij dat zij de Heilige Geest wilden bedriegen, maar dat lezen wij niet bij deze Simeon, zodat wij denken dat hij de Heilige Geest niet had ontvangen en dus ook de Heilige Geest niet kon bedriegen. Simon kreeg een heel indringende en scherpe oproep tot bekering van Kefa (vs. 20-23).
3. De hofdienaar uit Kusj behoorde waarschijnlijk tot de Jodengenoten, de bekeerlingen tot het jodendom, want hij was naar Jeruzalem gekomen om te aanbidden (‹Handelingen 8:26-40›). Mannen in zijn functie waren gewoonlijk ontmand en konden niet in de Tempel komen vanwege de volgende woorden in Deuteronomium 23:2 “Iemand die ontmand is door verbrijzeling van de geslachtsdelen of doordat zijn geslachtsdeel is afgesneden, mag niet in de volksvergadering van de HEERE komen.” Maar ook als de man niet een bekeerde vreemdeling, maar een geboren Jood was, dan golden ook voor hem als geboren Jood de woorden uit Dt. 23:2 dat hij niet in de volksvergadering mocht komen, wat zou betekenen dat hij niet als Israëliet werd gerekend. De hofdienaar uit Kusj moet dat gemerkt hebben bij zijn bezoek aan de Tempel, want op grond van die woorden nemen wij aan dat hij niet in de binnenhof van de Tempel mocht komen.
We lezen in Handelingen 8:26-39: “En de engel van de HEERE sprak tot Filippus en zei: “Sta op, ga naar het zuiden over de weg door de woestijn die van Jeruzalem naar Gaza afdaalt.” Hij stond op, ging op weg en ontmoette een hofdienaar die uit Kusj gekomen was, een hoge ambtenaar van Kandake, de koningin van de Kusjieten. Hij had gezag over al haar schat(ten) en was gekomen om in Jeruzalem te aanbidden. Terwijl hij op de terugweg was, zat hij op de wagen en las in het boek van de profeet Jesaja. Toen zei de Geest tegen Filippus: “Ga erheen en voeg je bij de wagen.” Toen hij dichterbij gekomen was, hoorde hij wat de man in de profeet Jesaja las en zei tegen hem: “Begrijpt u wat u leest?” Hij zei: “Hoe kan ik het begrijpen als niemand mij uitleg geeft?” En hij nodigde Filippus uit om in te stappen en bij hem te komen zitten. Het Schriftgedeelte dat hij las, was dit:
“Als een lam dat ter slachting geleid wordt en als een ooi dat stom is voor haar scheerder, zo deed Hij zijn mond niet open. In zijn vernedering werd hij uit gevangenschap en uit het oordeel weggeleid. Wie zal ons van zijn nageslacht kunnen vertellen? Want zijn leven is van de aarde opgenomen.”
De hofdienaar zei tegen Filippus: “Ik vraag je, over wie sprak deze profeet? Sprak hij over zichzelf of over iemand anders?” Filippus opende zijn mond en begon vanuit deze Schriftplaats het Goede Nieuws van onze Here Jezus aan hem te verkondigen. En terwijl zij over de weg voortgingen, kwamen zij bij een plaats waar water was, en de hofdienaar zei: “Zie, daar is water. Wat is er tegen dat ik gedoopt word?” Filippus zei: “Als je met heel je hart gelooft, is het toegestaan!” Hij antwoordde en zei: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van GOD is.” Hij gaf opdracht om de wagen te stoppen en zij daalden beiden in het water af, en Filippus doopte de hofdienaar. Toen zij uit het water opkwamen, nam de Geest van de HEERE Filippus weg. De hofdienaar zag hem niet meer, maar hij vervolgde zijn weg met blijdschap.”
Stel dat de hofdienaar uit Kush na zijn doop die wij hieronder zullen bespreken, door was gegaan met lezen in Jesaja, dan zou hij al vlug bij Jesaja 56:3 zijn aangeland waar hij dan gelezen zou hebben: “Laat de vreemde die zich bij de HEERE aangesloten heeft, niet spreken en zeggen: ‘De HEERE heeft mij volledig van zijn volk afgescheiden!’ en laat de ontmande dienaar niet zeggen: ‘Zie, ik ben een verdorde boom!’ Hoewel het enigszins onzeker blijft of deze man uit Kusj werkelijk ontmand was, want de Bijbel zegt dat niet expliciet, komen vrijwel alle commentatoren wel tot die conclusie en wijzen zij ook allen op het bijzondere van de Jesaja passage voor deze man.
De man leest in Jesaja 53. Het lijkt aannemelijk om te veronderstellen dat hij in de Griekse Septuaginta las, een Joodse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament, want Filippus kende goed Grieks, want mede om die reden was hij als dienaar voor de Griekssprekende weduwen aangesteld (‹Handelingen 7›). Vele Joden in Egypte, en dus waarschijnlijk ook in Kusj maakten gebruik van deze vertaling. De hofdienaar stelt een zeer goede vraag aan Filippus. Het bij uitstek Messiaanse gedeelte dat hij leest, wordt tegenwoordig onder de Joden weggelaten uit het leesrooster, dat men de richtlijn is voor de lezingen in de synagogen. Het gaat over Jezus’ vernedering. Filippus klimt bij hem in de wagen en begint alles aan hem uit te leggen.
Bij deze geschiedenis komt er een belangrijke vraag op, namelijk de vraag welke groep mensen hier door Lukas, de schrijver van het boek Handelingen, voor het voetlicht wordt gesteld. Was deze man (‹a›) een geboren Jood (‹Joden in hoge posities in andere landen zijn er altijd geweest)? We hebben echter in Handelingen 2 al gezien dat er al duizenden Joden tot geloof kwamen, dus dat was niet echt iets nieuws meer. Was deze man dan misschien (‹b›) een bekeerde, Godvrezende vreemdeling. Ook in dat geval was hij niet de eerste onder de bekeerlingen tot het jodendom, de jodengenoten, die tot geloof in Jezus Christus kwam, want op de eerste dag van het Vijftigdagenfeest waren er ook veel Godvrezende vreemdelingen, jodengenoten, aanwezig, toen de Heilige Geest werd uitgestort en er op die dag 3000 mensen gedoopt werden. Ook lezen wij van Nikolaeüs, een jodengenoot uit Antiochië, die behoorde tot de zeven mannen die als dienaren werden aangesteld ten behoeve van de Griekssprekende weduwen bij de verdeling van het voedsel (‹Handelingen 6:1-5›). De vraag blijft daarom waarom deze speciale geschiedenis wordt toegevoegd aan de Schrift.
Mogelijk achtte de Heilige Geest het nodig om uitdrukkelijk te vermelden dat zelfs ontmande Godvrezende vreemdelingen of Joden - ook al wordt het niet expliciet gezegd dat de hofdienaar ontmand was - tot het geloof in Jezus konden toetreden. Deze mannen mochten de binnenste voorhof van de aardse heiligdom, de Tempel in Jeruzalem, niet binnengaan, ook al geloofden zij wel in de God van Israël. Dat was natuurlijk een moeilijke zaak. Maar gedurende deze ontmoeting met Filippus, wordt het de man duidelijk dat hij door het geloof in Jezus Christus, de grote Voorganger-Hogepriester, wel in het hemelse heiligdom mocht binnengaan. Dat moet voor Hem wel reden tot grote vreugde geweest zijn. Hij geloofde en liet zich dopen.
Dat de Gemeente op het moment van de reis van deze hofdienaar en ten tijde van zijn ontmoeting met Filippus niet meer zo sterk in Jeruzalem aanwezig was als in het begin (‹immers Handelingen 8:1-3 beschrijft de verstrooiing van de Gemeente door de vervolgingen›), verklaart mogelijk dat de man bij zijn aankomst in Jeruzalem het Evangelie niet te horen had gekregen. Slechts enkele apostelen waren in Jeruzalem achtergebleven en de verstrooiden reisden rond. Veel later spreekt Jakobus, de oudste en leider van de gemeente van Jezus Christus in Jeruzalem, weliswaar van tienduizenden Joden die in Judea gelovig geworden waren (Handelingen 21:20), die net als Paulus naar Jeruzalem gekomen waren voor het Vijftigdagenfeest (‹zie Hd. 20:16›), maar dan zijn wij al weer heel wat jaren verder.
Hoe dan ook, door de verstrooiing kwam Filippus in Samaria en vandaar in Gaza, en God leidt Filippus door de Heilige Geest achter de hofdienaar aan om aan hem het Evangelie uit te leggen. De ontmande hofdienaar ontving grote troost uit het boek Jesaja voor zijn persoonlijke nood, en hij kreeg goede antwoorden op zijn vragen. Zo mocht Filippus hem heel bijzonder tot Christus leiden en Lukas schrijft onder leiding van de Heilige Geest deze gebeurtenis op in het boek Handelingen.
Zoals al gezegd, zou het zeker kunnen dat de Heilige Geest het nodig achtte om de geschiedenis van Filippus met deze hofdienaar uit Kusj aan het boek Handelingen toe te voegen om in het bijzonder duidelijk te maken dat het Evangelie ook voor ontmanden is. Maar daar komt bij dat de Heilige Geest ons zo ook meer duidelijkheid over de geloofsbelijdenis en de waterdoop en de waterdoop, want deze dingen waren tot op dit punt in het Boek Handelingen nog niet van zo dichtbij en zo persoonlijk beschreven.
4. de Romeinse hoofdman Cornelius vertegenwoordigde alle volken buiten Israël. We lezen het volgende over hem in Handelingen 10: “Terwijl Simeon deze woorden sprak, daalde de Heilige Geest neer op allen die het woord hoorden. De broeders die besneden waren, die met hem meegekomen waren, waren verbaasd en diep getroffen dat de gave van de Heilige Geest ook over de volken werd uitgegoten. Want zij hoorden hen in een andere tong spreken en GOD grootmaken. Toen zei Simeon: “Kan iemand het water tegenhouden, zodat zij niet gedoopt zouden worden? Want zie, zij hebben net als wij de Heilige Geest ontvangen!” Hij gebood hun om zich te laten dopen in de Naam van onze Here Jezus Christus en zij vroegen hem om nog enkele dagen bij hen te blijven.” (‹Handelingen 10:44-48›). Het Romeinse rijk vertegenwoordigde in die dagen eigenlijk de macht van de wereld, want de macht van het rijk strekte zich uit over vele volken. Het omvatte ook alle latere koloniale machten van het Europese rijk, die later de wereld zouden overheersen. Het Evangelie begon met deze Cornelius door te dringen onder de Romeinen.
5. twaalf mannen die door de apostel Paulus gedoopt werden in de omgeving van Efeze. Paulus was de door God aangestelde apostel onder de volken (‹Handelingen 19:6›). Het moeten allen Joden of Jodengenoten zijn geweest, omdat ze allen gedoopt waren met de doop van Johannes de Doper, die was komen dopen onder het Joodse volk. Dat was een doop tot bekering en vergeving van zonden die voorafging aan de openbare bediening van drieënhalf jaar van Jezus Christus op aarde, het was niet de doop in de Naam van Jezus. Wij lezen: “Daarop zei Paulus tegen hen: “Johannes doopte het volk met de doop van bekering. Hij zei hen dat zij moesten geloven in Hem die na hem komen zou, dat is Jezus Christus.” Toen zij deze dingen gehoord hadden, werden zij gedoopt in de Naam van onze Here Jezus Christus. Toen Paulus hun de hand had opgelegd, kwam de Heilige Geest over hen en zij spraken in een andere tong en profeteerden. Het waren alles bij elkaar twaalf man.” Onder de handoplegging van de apostel Paulus ontvingen deze twaalf mannen de Heilige Geest. Zij vertegenwoordigen mogelijk de 12 stammen van Israël in de verstrooiing onder de volken, die in de toekomst nog tot geloof zullen komen voor de intrede van het duizendjarige rijk.
Bij drie van de zojuist genoemde groepen lezen wij dat het neerdalen van de Heilige Geest ertoe leidde dat men in andere tongen ging spreken (letterlijk is de uitdrukking: ‘een tong in een tong’), maar daarvan lezen wij niet bij de vreemdeling die jodengenoot was uit Kusj (Handelingen 8) en ook niet bij de bijwoners in het land nl. de Samaritanen, maar dat wil niet zeggen dat dit niet ook in deze gevallen gebeurde, maar de Heilige Geest achtte het niet nodig om dat te vermelden.
Het keerzijde van het werk van de Heilige Geest
In Mattai 3:10, 11 lezen wij dat Johannes de Doper zegt:
“Zie, de bijl ligt klaar bij de wortel van de boom. Daarom zal Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, omgehakt worden en in het vuur vallen. Ik doop jullie in water tot bekering, maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben het zelfs niet waardig om zijn sandalen te dragen. Hij zal jullie dopen in de Heilige Geest en in vuur. Zijn wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer helemaal zuiveren en zijn tarwe in zijn schuren opslaan, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.”
En in Lukas 3:9, 16, 17 lezen wij dit ook:
“Zie, de bijl ligt al aan de wortel van de bomen. Daarom zal elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, omgehakt worden en in het vuur vallen.” “Zie, ik doop jullie wel in water, maar Hij die na Mij komt, is sterker dan ik, Hij voor Wie ik het niet waard ben om zelfs maar de riemen van zijn sandalen los te maken, Hij zal jullie dopen in de Heilige Geest en in vuur. Hij houdt de wan in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer zuiveren. De tarwe zal Hij in zijn schuren verzamelen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.”
Het vuur verwijst. naar het oordeel dat de keerzijde vormt van het werk van de Heilige Geest in het hart van de gelovigen. Het zegenende werk van de Heilige Geest is als de stille, brandende olijfolie in de kandelaar in de Woning (‹de Tabernakel›) die licht geeft in het huis (‹de tongen van vuur op de discipelen op de Vijftigste Dag, waren een zichtbaar teken van het feit dat de olie van de Heilige Geest in hun harten was gaan branden - zie Hd. 2:1-4›), maar als de Heilige Geest plaatsen in het huis tegenkomt waar hout of stro gevonden wordt i.p.v. metaal of koper, zilver of goud, dan zal de Heilige Geest worden als vuur dat brand en niet een stille, lichtgevende glans. Wij lezen in 1 Kor. 3:12, 13 het volgende:
“Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi of strostoppels, ieders werk zal geopenbaard worden, want de dag zal het openbaar maken. Want wat de aard van ieders werk is, zal door het vuur geopenbaard worden, het vuur zal het verschil tonen. Als het bouwwerk dat iemand daarop gebouwd heeft, blijvend is, zal hij loon ontvangen, maar degene van wie het werk verbrand wordt, zal schade lijden, maar zelf zal hij ontkomen als door vuur heen.”
Wij begrijpen hieruit dat in het oordeel over de gelovigen, de geredden, voor de rechterstoel van Christus zullen verschijnen en het vuur alles wat niet blijft, zal verbranden. Maar de gelovige zelf zal behouden worden en alle werken die zijn als goud, zilver en kostbare stenen, zullen blijven. Het vuur zal de aard van ieders werk openbaren.
En in 2 Kor. 5:10 lezen wij: “Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus komen te staan, opdat ieder in zijn lichaam vergelding zal ontvangen voor wat hij daarin heeft gedaan, hetzij goed, hetzij kwaad.”
Er is ook een werking van vuur die leidt tot loutering, waardoor de gelovige op zijn zuiverst wordt gemaakt, maar dat is nog tijdens zijn leven op aarde. Wij lezen daarover in 1 Petrus 1:7, 8 het volgende ... “opdat de beproefdheid van jullie geloof, die veel kostbaarder is dan fijn goud dat in het vuur gelouterd wordt, zichtbaar zal worden tot glorie, eer en lof bij de openbaring van Jezus Christus, die jullie niet gezien hebben, maar toch liefhebben. ” Ook in Op. 3:18 lezen wij dat Jezus Christus de gemeente van Laodicea aan raadt om gelouterd goud van Hem te kopen. Er is dus ook een positieve uitwerking van verzoekingen in de gelovigen die we als loutering dienen te beschouwen, als zuivering, opdat het allerzuiverste geloof eruit komt!
Maar als een gelovige op aarde zich niet laat tuchtigen (‹Hebreeën 12:5-13›) en louteren, dan moet hij na zijn aardse leven, net als alle andere gelovigen voor de rechterstoel van Jezus Christus verschijnen om vergelding ontvangen voor wat hij heeft gedaan aan goed en kwaad. Het goede zal beloond worden, maar wat betreft het kwaad zal God het niet door de vingers kunnen zien: Hij is heilig en laat niet met Zich spotten. Er zal een ernstige, pijnlijke, maar ingreep noodzakelijk zijn, want dat kwaad kan niet mee de eeuwigheid in. De apostel Paulus waarschuwt de gelovigen daarvoor als Hij zegt:
“Zie toe dat er niemand onder jullie gevonden wordt die de genade van GOD aan het verliezen is, en dat er geen bittere wortel opschiet die jullie schade toebrengt zodat velen erdoor besmet worden, en dat er niemand onder jullie gevonden wordt die hoereert of onverschillig is zoals Ezau, die voor één maaltijd zijn eerstgeboorterecht verkocht. Want jullie weten dat hij daarna toch nog de zegen wilde beërven, maar verworpen werd, want hij vond geen schuilplaats voor berouw, hoewel hij die onder tranen zocht. Want jullie zijn niet genaderd tot het brandende vuur en tot de tastbare berg, en ook niet tot donkerheid, donkere mist en stormwind, of tot het geluid van de ramshoorn of tot het geluid van woorden ten aanzien waarvan zij die ze hoorden, smeekten dat ze niet meer tot hen gesproken zouden worden. Want zij konden wat er geboden werd, niet verdragen. Zelfs als een dier de berg naderde, moest het gestenigd worden. Het verschijnsel was zo vreselijk, dat Mozes zei: “Ik ben bevreesd en sta te beven!” Jullie zijn echter genaderd tot de berg Sion en tot de Stad van de levende GOD, tot het Jeruzalem dat in de hemelen is, en tot de bijeenkomst van tienduizenden engelen, tot de gemeente van de eerstgeborenen die in de hemelen zijn ingeschreven, en tot GOD, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen die tot volmaaktheid gekomen zijn, en tot Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond, en tot de besprenkeling met zijn Bloed, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel. Zie erop toe dat jullie Hem die met jullie spreekt, niet afwijzen. Want als degenen die Hem afwezen die op aarde met hen sprak, niet ontkwamen, hoeveel te minder wij, als wij ons afkeren van Hem die uit de hemelen tot ons spreekt, van wie de stem de aarde deed schudden, maar die nu beloofd en gezegd heeft: Nog één keer zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven.” Dit woord: ‘Eén keer!’ doelt op de verandering van de dingen die wankelbaar zijn, omdat ze gemaakt zijn, opdat de onwankelbare dingen zullen blijven. Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen hebben, ons vasthouden aan de genade, waardoor wij GOD dienen en behagen met eerbied en ontzag, want onze GOD is een verterend vuur.”
Dat de Bijbel ons dit alles laat weten mogen wij beslist niet uitleggen als dreigementen van een kwaadaardige God, want God is Liefde en juist daarom waarschuwt Hij ons en soms ook met ware woorden die er niet om liegen, omdat wij vaak hardnekkig zijn ook al geloven wij in het Offer van Jezus Christus voor onze zonde. Maar vaak wij zijn niet doordrongen van de diepte van de liefde van Jezus Christus die getoond heeft Hij voor vijanden, want dat waren wij van nature, ik en u/jij die dit leest. Voor zulke mensen als u en ik is Jezus Christus aan het kruis gestorven is en voor zulke mensen heeft Hij de vloek weggenomen. Laten iedere gelovige zich daarin voortdurend verheugen en en Hem van harte dienen.
***
Wij hebben het in het voorgaande gehad over Johannes de Doper die verkondigde dat Jezus zou dopen in de Heilige Geest en in vuur, en wij hebben het gehad over wat die woorden betekenen voor de gelovigen. De ongelovigen zullen echter niet gedoopt worden in de Heilige Geest, want dat is onmogelijk, en zij zullen ook niet gedoopt worden in vuur opdat zij gereinigd worden, want ook dat is onmogelijk, want zij zijn verloren en onrein voor God.
Alle verzen in het Nieuwe Testament die over het vuur van het oordeel gaan en die wij nog niet hiervoor genoemd hebben, lijken betrekking te hebben op de ongelovigen die verloren gaan. De vraag is dus zeer of de term ‘doop met vuur’ op ongelovigen en op verloren mensen toegepast mag worden. We zullen een aantal verzen uit het Nieuwe Testament m.b.t. ‘vuur’ nalopen.
In Mt. 13:42, 50 lezen wij over de vuuroven waar gejammer en tandengeknars zal zijn.
In Mt. 18:8; 25:41 (‹vergelijk Judas 1:7 waar wij lezen dat Sodom en Gomorra slechts een voorbeeld zijn van het eeuwige vuur›) lezen wij over eeuwig vuur voor gelovigen, de engelen en de duivel, over de hel vol vuur in Mt. 18:9, Mk. 9:47 en over vuur dat niet uitgeblust wordt in Mk. 9:44, 46, 48.
In Mattai 13:40 lezen wij over ‘de kinderen van de boze’ die in de gelijkenis als ‘onkruid’ worden aangeduid het volgende: “Zoals onkruid bijeengebracht en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn bij de voleinding van deze wereld.”
In Lukas 12:49 lezen wij, dat Jezus zegt: “Ik ben gekomen om vuur op aarde te werpen, en Ik zou willen dat het al brandde.” (vergelijk Openbaring 8:7›)
In 1 Thessalonicenzen 1:8 lezen wij: “wanneer Hij (‹dat is Jezus Christus›) in vlammend vuur wraak oefent over hen die GOD niet kennen en over hen die het Goede Nieuws van onze Here Jezus Christus niet willen erkennen.”
En in Jak. 5:3 “... jullie goud en jullie zilver is verroest en het roest ervan zal tegen jullie getuigen en jullie vlees als vuur verteren, want jullie hebben voor jezelf vuur verzameld voor de laatste dagen.”
En in 2 Petrus 3:7, 12 lezen wij: “Maar de tegenwoordige hemelen en aarde worden door zijn Woord in stand gehouden en voor het vuur bewaard tot de dag van het oordeel en van de vernietiging van de slechte mensen. ... terwijl jullie de komst van de dag van GOD verwachten en daarnaar uitzien, (de dag) waarop de door vuur op de proef gestelde hemelen zullen vergaan en de elementen al brandende zullen smelten.”
In Op. 14:10 lezen wij dat degenen die het merkteken van het beest aanvaard hebben, gepijnigd worden met vuur en zwavel.
Ten slotte noemen wij nog de volgende teksten: Op. 14:18, de engel die macht over het vuur heeft, Op 15:2, de glazen zee vermengd met vuur, Op. 16:8, de mensen worden met vuur verzengd, Op. 17:16 en Op. 18:8, de hoer die met vuur wordt verbrand, Op. 19:12, de ogen van het Lam zijn als vlammen van vuur, Op. 19:20 en Op. 20:10, 14, 15 en Op. 21:8, de poel van vuur en zwavel, dat is de hel en dat is de tweede dood, Op. 20:9 vuur dat uit de hemel neerdaalt op de vijanden van het Lam, van de heiligen en van de geliefde stad. Dit zijn allemaal passages die betrekking hebben op het oordeel over de ongelovigen.
Er zijn twee passages die zeer ernstig zijn en waarin sprake is van vuur, maar niet betrekking hebben op de ongelovigen, maar op gelovigen. De eerste is 1 Johannes 15:6 “Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij weggeworpen als een verdorde rank. Men raapt die op en gooit hem in het vuur om verbrand te worden.”
De tweede passage is Hebreeën 10:27 waarin wij lezen over die opzettelijk zondigt, nadat hij kennis van de waarheid ontvangen heeft, er voor hem geen slachtoffer meer gebracht kan worden, ... “maar (‹dat hem›) een vreselijk oordeel wacht en een verterend vuur dat de vijanden zal verslinden.”
Belangrijk
1. Het Nieuwe Verbond in het Bloed van Jezus Christus dat een gelovige ontvangt is een geestelijk verbond waarbij men geestelijk gezien door de Heilige Geest ingelijfd wordt in het Lichaam van Jezus Christus. Door zich te laten dopen geeft de gelovige aan dat hij door het geloof en genade in dat Nieuwe Verbond in het Bloed van Jezus Christus is ingetreden en is aangenomen als kind van de hemelse Vader.
Aards gezien is hij door zijn vader verbonden met het bloed van de mens, d.w.z. met Adam, door de lijn van vleselijke afstamming, maar die vleselijke lijn is door het Nieuwe Verbond van zijn kracht en geldigheid ontdaan.
Die geestelijke inlijving kan onmogelijk een vervolg krijgen door vleselijke afstamming. Anders gezegd, een gelovige vader die deel heeft gekregen aan het Nieuwe Verbond kan nooit een kind verwekken, dat op grond van zijn eigen menselijke, vleselijke verwekking, deel heeft aan het Nieuwe Verbond, want dat is geestelijk en gebaseerd op het bloed van het Lam van God, terwijl aardse kinderen behoren tot het bloed van de ouders. Hun band is een aardse, vleselijke bloedband.
Er is sprake van een ongepaste vermenging van het geestelijke en het vleselijke, als men meent dat kinderen op grond van hun aardse afstamming toegang wordt verleend tot het Nieuwe Verbond. Zo’n denken is verwarrende en onbijbels! Het Nieuwe Verbond is alleen op grond van het Bloed van Jezus Christus, de Zoon van God, en alleen dat Verbond baant de weg voor de inwoning van de Heilige Geest die Jezus Christus gezonden heeft, in het hart van de gelovige. Dat kinderen geheiligd, d.w.z. voor God apart zijn gezet in de ouders, is een heel andere zaak en heeft niets met het voorgaande te maken.
2. Jezus Christus heeft de doop niet ingesteld als een ‘sacrament van behoud’, dat wil zeggen als een instelling die op één of andere wijze het eeuwige behoud zou bewerken van degene op wie het ‘sacrament’ wordt toegepast. Het behoud is alleen in Jezus Christus, niet in sacramenten of instellingen! Dat de doop geen ‘sacrament’ is, wil niet zeggen dat men zich niet hoeft te laten dopen. Het is de opdracht van Jezus Christus om zich wel te laten dopen en in die zin is de doop heilig. In Mk.16:16 lezen wij: ‘Wie gelooft en gedoopt is, leeft, maar wie niet gelooft, is veroordeeld.’ Geloof en doop leiden tot leven, maar wie niet gelooft is veroordeeld! Maar er staat niet: ‘Wie niet gedoopt is, is veroordeeld!’ Maar het zou dwaas zijn om op grond van deze woorden te denken, dat Jezus de doop als een ‘bijzaak’ beschouwt. De doop in water en in de Geest is onlosmakelijk verbonden met het begin van het geloof.
3. Jezus Christus heeft geen doop voor zuigelingen ingesteld om daarmee aan te geven dat zuigelingen ook in de christelijke gemeenschap zijn inbegrepen, bij de Gemeente en bij het geloof in zijn Naam. Kinderen zijn in de Bijbel altijd in de geloofsgemeenschap inbegrepen, als de ouders gelovig zijn, want dan zijn de kinderen in de ouders geheiligd en zijn zij ook rein, zelfs als ‘slechts’ één van beide ouders gelovig is (‹1 Kor. 7:14›). De kinderen dienen daarom ook in het geloof opgevoed en onderwezen te worden. Dat is een heilige plicht, zoals o.a. blijkt uit Deuteronomium 6:7 “Jij zult ze je zonen inprenten en ervan spreken wanneer je in je huis zit, wanneer je op weg gaat en wanneer je neerligt en wanneer je opstaat.”
Ook is er geen zuigelingendoop in de Bijbel in de zin van een ‘verzekering’ of ‘vooruitbetaling’ voor redding als men later, bij het volwassen worden, een geloofsbelijdenis aflegt. Men veronderstelt wel, dat er bij verschillende gebeurtenissen in de Bijbel zuigelingen of kinderen gedoopt zouden zijn, maar dat staat nergens op die manier te lezen. Het is dus een inlegging, die ingaat tegen de Bijbelse richtlijn om niet verder te gaan dan wat geschreven staat (‹1 Korintiërs 4:6›). Als wij dat zo zeggen, doet het er niet toe of men daarbij doelt op een ‘besprenkeling’ van zuigelingen (‹Westerse kerk›) of op onderdompeling van de zuigeling (‹in delen van de Oosterse kerk›), want in de Bijbel komen beide niet voor.
We wijzen nog een keer op de goede dooppraktijk van Filippus, waarover wij eerder al lazen uit Handelingen 8: “En terwijl zij over de weg voortgingen, kwamen zij bij een plaats waar water was, en de hofdienaar zei: ‘Zie, daar is water. Wat is er tegen dat ik gedoopt word?’ Filippus zei: ‘Als je met heel je hart gelooft, is het toegestaan!’ Hij antwoordde en zei: ‘Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van GOD is.’ Hij gaf opdracht om de wagen te stoppen en zij daalden beiden in het water af, en Filippus doopte de hofdienaar.”
Iemand die gedoopt wil worden, moet zichzelf en de broeders ook de vraag stellen die Filippus aan de hofdienaar stelde. Zo niet, of als men die vraag niet bevestigend kan beantwoorden, kan men niet gedoopt worden. Degene die de zorg voor de doop heeft, dient die zaak ook aan de dopeling voor te leggen en als daar geen duidelijke geloofsbelijdenis bij naar voren komt, kan hij die persoon niet dopen.
4. In het Evangelie van Mattai lezen wij: “Op dat moment kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: “Wie is nu de grootste in het Koninkrijk van de hemelen?” Jezus riep een jongen bij zich, liet hem in hun midden staan en zei: “Voorwaar Ik zeg jullie: Als jullie je niet bekeren en worden als jonge kinderen, zullen jullie het Koninkrijk van de hemelen niet binnengaan. Wie zichzelf dan zo nederig opstelt als deze jongen, zal de grootste zijn in het Koninkrijk van de hemelen, en wie een kind zoals deze jongen ontvangt in mijn Naam, ontvangt Mij. Maar ieder die één van deze kleinen die in Mij geloven, doet struikelen, voor hem zou het beter zijn als men een zware molensteen om zijn nek zou hangen, en hij in de diepte van de zee zou zinken.” (Mattai 18:1-6). Het kan gebeuren dat men denkt dat Jezus met ‘kleinen’ doelt op kinderen in algemene zin, en dan zegt men dat kinderen, net als volwassenen volgens Jezus dus wel geloven (Handelingen 8:38), en dat kleinen dus ook op hun persoonlijk geloof gedoopt kunnen worden. Maar hoe zouden wij dat geloof kunnen toetsen bij zuigelingen en heel jonge kinderen?
De hofdienaar uit Kusj geloofde niet alleen van harte, maar hij las ook zelf de Schrift las en bovendien werd het Evangelie van Jezus Christus vanuit het boek Jesaja aan hem uitgelegd door de apostel Filippus. Deze hofdienaar had een nederig hart, een hart als van een kind, want hij was heel ontvankelijk voor het Goede Nieuws en hij verlangde er direct naar om de Goede Herder die onder veel lijden zijn Leven heeft gegeven voor zijn schapen (Jesaja 53), in zijn hart toe te laten. Deze hofdienaar, ook al was hij volwassen man met levenservaring en grote bekwaamheden, behoorde tot ‘deze kleinen die geloven’.
Het gaat in de tekst in Mattai 18:1-6 onzes inziens over gelovigen in Jezus Christus die Gods kinderen zijn, kinderen van de hemelse Vader. Het gaat niet om kinderen in aardse zin naar de leeftijd gerekend. Jezus is in gesprek met de Farizeeën die het geloof in Jezus Christus aanvallen en zelf niet tot Jezus willen komen. Zij zijn niet als ontvankelijke kinderen, niet zoals al die mensen in Israël die wel in Hem geloven en Jezus ook volgen. Daarom dat Jezus deze woorden tot hen spreekt, opdat zij zich zouden vernederen en worden als de kinderen in hun hart, om zo nederige kinderen van God te worden.
Kinderen en jongeren in de gewone zin van het woord kunnen overigens net als volwassen zeker wel tot geloof in Jezus Christus komen, maar net als bij volwassenen is dat niet per definitie zo, het is een keuze van het hart. Men kan uit deze woorden van Jezus dus niet concluderen dat alle kinderen of zuigelingen per definitie gedoopt kunnen worden. Daar is geen sprake van!
We schrijven dit alles overigens niet om het geweten te beoordelen, maar omdat onbijbelse en verwarrende leringen van mensen ontmaskerd moeten worden (‹Mattai 15:9; Markus 7:7›), opdat we vasthouden aan de woorden van Christus.
5. Ten slotte nog enige woorden over de tekst van 1 Kor. 15:29: “Wat moeten anders degenen doen die voor de doden gedoopt worden, als de doden niet opstaan? Waarom zouden zij nog voor de doden gedoopt worden?”
De volgende uitleg van deze tekst is afkomstig van Ellicott’s Commentary for English Readers: Onder een deel van de gelovigen in Korinte was er een gewoonte om zich te laten dopen voor een tot bekering gekomen persoon, die echter overleed kort voor zijn doop, voordat er tijd geweest was om zich te laten dopen. Een dergelijke dooppraktijk was er onder de Marcionieten in de. 2e eeuw n. Chr. en kennelijk ook in Korinte onder een deel van de gelovigen, die ‘de sekte van de Korintiërs’ werd genoemd. Als er een zegen was van de doop, dan zou die langs deze weg, zo meenden zij, alsnog ontvangen worden door de overleden bekeerling. Chrysostomus geeft de volgende beschrijving van het gebeuren: “Als de bekeerling die zich voor de doop had voorbereid, overleed, verborg men een levende gelovige onder het bed van de overledene. Men liep dan naar het bed en vroeg de man die overleden was of hij de doop wenste te ontvangen, waarop dan de onder het bed verstopte man in zijn plaats bevestigend antwoordde, waarop zij dan ‘de levende voor de dode doopten’, zoals Paulus daarvan volgens deze uitleg spreekt. Paulus neemt wel afstand van die praktijk door te spreken van ’degenen die ...‘ en niet van ‘wij die’. Paulus laat merken dat degene die een dergelijke dooppraktijk aanhangen, maar anderzijds niet in de opstanding geloven, met zichzelf in tegenspraak zijn. Of het één of het ander, maar beide kan sowieso niet samengaan, want zij zijn met elkaar in tegenspraak. In het Jodendom was sprake van iets vergelijkbaars, want er bestond een gewoonte om voor een Jood die voor zijn dood niet gereinigd was van één of andere ceremoniële onreinheid, alsnog die reiniging voor hem in de plaats te doen, waarop de overledene dan alsnog als rein werd beschouwd. Het kan zijn dat Joodse bekeerlingen in Korinte deze gewoonte overdroegen in die zin, dat zij zich voor een gestorven gelovige lieten dopen.”
Anderen vinden deze uitleg onwaarschijnlijk, omdat zij menen dat Paulus niet zo’n voorbeeld van bijgeloof zou nemen, zonder zich daar inhoudelijk duidelijker van te distantiëren. John Gill denkt dat Paulus doelt op christenen die veel moesten doorstaan om hun geloof in de opstanding uit de doden en er veel strijd en lijden voor over hadden om toch aan de leer van de opstanding uit de doden vast te houden. Dat lijden zou Paulus dan aanduiden als een doop, zoals Jezus in Mt. 20:22 ook over de doop sprak waarmee hij gedoopt moest worden, doelend op het lijden van het kruis. Er was inderdaad veel weerstand tegen de gedachte dat de doden zouden opstaan: Kefa en Johannes werden om de prediking van de opstanding uit de doden gevangen genomen, Jezus kwam hierover in conflict met de Sadduceeën (‹Mt. 22:23-33›), Lk. 20:35, Hd. 4:2, Hd. 17:32 alle wijze mannen in Athene, Hd. 23:6, Hd. 24:15-21. Toch blijft het de vraag of het feit dat deze strijd en dit lijden voor de leer van de opstanding door Paulus met betrekking tot hem en zijn medewerkers ook in het volgende vers genoemd wordt, niet tegen deze opvatting pleit, want valt Paulus dan niet onnodig in herhaling, of zou vers 30 een toelichting met andere woorden zijn op vers 29, waarbij Paulus zich ook nog eens met de zijnen identificeert met de broeders in Korinte die dit lijden te verduren zouden hebben?
Een aparte doop in de Heilige Geest?
Veel christenen zijn ‘betoverd’ door de leer van een aparte doop in de Heilige Geest. Men beseft niet of wil niet beseffen dat er in de Bijbel geen enkele aanleiding voor een dergelijke leer is. Men kan weliswaar meer of minder vervuld zijn van de Heilige Geest, zoals een man of vrouw er ook meer of minder vol van kan zijn dat hij of zij getrouwd is, want het huwelijk gaat gepaard met wisselend omstandigheden en gevoelens, maar men is wel getrouwd, het trouwboekje ligt er als het bewijs en dat is niet onderhevig aan gevoelens.
Zoals het met het huwelijksverbond voor Gods ogen is, zo is het ook met het Nieuwe Verbond in en door het bloed van het Lam van God en met de doop. De inlijving in dat Nieuwe Verbond en de erbij horende doop in de Heilige Geest vindt één keer en voor altijd plaats op het moment dat men in het hart tot bekering en tot geloof in Jezus Christus komt. God ziet het gelovige hart en Jezus zend de Heilige Geest in het hart van ieder die gelooft, want Hij weet wat er in een mensenhart is. De ontvangst van de Heilige Geest of de bevestiging van de ontvangst van de Heilige Geest onder handoplegging vindt of dient plaats te vinden als iemand zijn vertrouwen op Jezus stelt en zich als uitdrukking daarvan laat dopen!
Of een gelovige nu voor eigen besef meer of minder vol is van het Nieuwe Verbond door het kostbare Bloed waardoor Jezus Christus hem/haar als deel van de Bruidsgemeente verworven heeft, meer of minder vol of vervuld is van de Heilige Geest waarmee Hij verzegeld is, God is en blijft trouw en heeft de Heilige Geest als onderpand van de hemelse erfenis in onze harten gegeven (2 Korintiërs 1:22; Ef. 1:18) en dat laatste heeft Hij gedaan toen op ‘het moment’ dat zondaar tot geloof kwam.
Van deze gebeurtenis is ook een boek, namelijk het Boek van het Leven (Ps. 69:29, Fil. 4:7, Op. 3:5; 13:8; 17:8; 20:15›). De naam van iedere gelovige is in dit Boek opgeschreven. Zou de gelovige dan niet zijn leven lang trouw zijn aan Jezus Christus die hem/haar in de Bruid met zijn kostbare bloed duur heeft gekocht? Ja, er kunnen wel hinderlijke bindingen zijn, lasten, verkeerde relaties, aanvallen en allerlei belemmeringen en zonden waarmee men in het reine dient te komen, wat gepaard kan gaan met intense en/of langdurige strijd die met de geestelijke wapenrusting gestreden moet worden, een strijd die een christen in feite zijn leven lang te voeren heeft, met wisselende intensiteit, maar wie door Hem gekocht is, is wel met Christus ‘getrouwd’, omdat hij/zij onderdeel is van de Bruidsgemeente, en als het Boek van het Leven opengaat, zal dat blijken.
Wanneer dopen?
Men dient in beginsel onmiddellijk met water gedoopt te worden als men tot bekering komt en gered wordt door het geloof van Jezus Christus (‹Handelingen 2:38, 41; 8:4, 12, 8:35; 16:15, 30, 33, Markus 16:16›). Als dat niet is gebeurd, dan dient dat alsnog te gebeuren op het moment dat men dat ontdekt en inziet dat Jezus Christus in deze zaak gehoorzaamheid wil.
Het is Bijbels gezien een zaak van goede orde in de Gemeente van Jezus Christus om:
I. eerst gedoopt te worden als uitdrukking van het afleggen van het oude leven en het deel verkrijgen aan het opstandingsleven van Jezus Christus door Gods genade en de gave van de Heilige Geest, en zo ingelijfd te worden in de Gemeente van Jezus Christus, dat wil zeggen in zijn Lichaam gedoopt te worden, tot een lid daarvan (1 Korintiërs 12:13)
2. en vervolgens deel te nemen aan het Avondmaal.
Doop en Avondmaal zijn een getuigenis van het werk van Jezus Christus. Wanneer deze volgorde, eerst dopen, vervolgens deelnemen aan het Avondmaal, niet wordt aangehouden, is dat niet naar de ordening van de Schrift, zonder dat wij bedoelen te oordelen over iemands geloof, handel en wandel in deze zaak.
De menigten op de eerste dag van het Vijftigdagenfeest (‹Pinksteren›) werden gedoopt op dezelfde dag dat de Heilige Geest werd uitgestort en zij tot geloof kwamen op de prediking van Kefa. Zo ook de Romeinse hoofdman Cornelius en de zijnen, die tot geloof kwamen door de Evangelieverkondiging van Kefa, en zo ook de hofdienaar van Kandake toen hij tot geloof kwam bij het lezen van Jesaja met hulp van Filippus, zij werden gedoopt op de dag dat zij tot geloof kwamen. In Handelingen 16:14, 15 lezen wij nog als volgt over de Godvrezende vrouw Lydia die op de sabbatdag, het Evangelie hoorde van Paulus:
“Zij en haar huisgenoten werden gedoopt en zij smeekte ons en zei: “Als jullie er werkelijk vertrouwen in hebben dat ik in onze Heer geloof, kom dan en verblijf in mijn huis!” En zij drong er heel erg bij ons op aan.”
En in Handelingen 16:30-34 lezen wij deze woorden over de gevangenbewaarder in Filippi die ’s nacht het Evangelie van Paulus en Silas hoorde: “Hij (‹de gevangenbewaarder›) leidde hen naar buiten en zei: ‘Mijne heren, wat moet ik doen om het Leven te ontvangen?” Zij zeiden: “Geloof in onze Here Jezus Christus en je zult het Leven ontvangen, jij en je huis!” Zij spraken het Woord van de HEERE tot hem en tot al zijn huisgenoten. Op dat nachtelijke uur nam hij hen mee, waste hun wonden, en onmiddellijk werden hij en al zijn huisgenoten gedoopt.”
Tot al deze mensen in Filippi werd het Woord van God gesproken, en zij geloofden. Kennelijk waren alle harten daar open en klaar voor, of het nu alleen om volwassenen ging, dan wel om volwassenen, jongeren en kinderen. Het woord ‘huis’ doelt op de mensen die in het huis wonen, vaak een gezin of een familie, met soms anderen erbij die bij die familie horen in de zin van huisgenoten. Zij allen kwamen tot geloof en werden onmiddellijk gedoopt, want dat was en is Jezus’ opdracht aan zijn discipelen, en dat geldt nog steeds vandaag de dag! Doop en maak discipelen! (‹Mattai 28:18-20›).
De doop leidt tot vervolging om Jezus’ wil
Wie zijn oude leven aflegt en door het geloof in Jezus Christus geestelijk gezien opstaat, kan op tegenstand en vervolging rekenen. Allereerst woont er nu hemels, geestelijk leven in hem of haar, want de gelovige heeft deel aan het Brood dat uit de hemel is neergedaald (‹Johannes 6›). Vervolgens zal de satan deze mens onmiddellijk aanvallen, want hij wil geen hemels leven in zijn wereldse domein. Hij zal de gelovige in het hart aanvallen met twijfel en vrees, en met allerlei verleidingen, maar God zal hem of haar bewaren naar zijn belofte in 1 Korintiërs 10:13 “... GOD is getrouw, die niet zal toestaan dat jullie boven jullie vermogen verzocht worden, maar wanneer jullie in verzoeking komen, zal Hij ook voor de uitkomst zorgen, zodat jullie het kunnen dragen.” De satan zal ook door andere mensen voor vervolging zorgen. Dat kan ook door christenen zijn die liever de woorden van Jezus Christus nemen zoals het hen uitkomt, en op één of andere manier niet graag zien dat iemand de weg opgaat van de gehoorzaamheid aan Jezus Christus. Mensen die tot bekering komen uit het atheïsme, communisme, kapitalisme, hindoeïsme, uit de islam, uit de synagoge van satan, uit de drugs, uit de misdaad of uit een ‘christelijke’ gemeente waar het Evangelie niet gezond wordt gepredikt of uit welke wereldse gebondenheid of band dan ook, zullen vervolgd worden om Jezus Christus’ wil! Als mensen zich in water laten onderdompelen in een rivier, een meer, in de zee of in een doopbad, dan getuigen zij daarmee voor God en mensen dat zij niet meer van deze wereld zijn, maar van God. Talrijk zijn de getuigenissen van en over mensen die om deze reden genegeerd, gehoond, gespot, met de rug aangekeken, uit de familie en uit de gemeenschap gestoten, geslagen, gemarteld of gedood zijn.
Maar ook voor hen geldt de bovenstaande belofte en veel meer, zoals bij voorbeeld deze belofte aan de gemeente van Jezus Christus in Smyrna, het tegenwoordige Izmir. “Als de wereld jullie haat, weten jullie dat zij Mij eerder gehaat heeft dan jullie. Als jullie van de wereld waren, zou de wereld liefhebben wat van haar is. Maar jullie zijn niet van de wereld, maar Ik heb jullie uit de wereld uitgekozen, daarom haat de wereld jullie.” (Johannes 15:18-19)
Een kleine woordstudie
In het Oude Testament zijn er drie werkwoorden die men wel in verband brengt met het Nieuwtestamentische woord ‘dopen’, in het Aramees ‘ʾamad’ en in het Grieks ‘baptizō’. Het gaat om:
(‹1›) ‘spatten’ of ‘uitstorten’ - זָרַק (‹zāraq - H2236›) - vaak door middel van een beker of schaal,
(‹2›) een iets fijnere vorm van ‘spatten’ nl. ‘sprenkelen’ - נָזָה (‹nāzāẖ - H5137›) - meestal met de vinger. Het is werkwoord is één keer vertaald is als ‘doen opspringen’, namelijk in Jesaja 52:15, en eigenlijk is dat de oorspronkelijke betekenis van het woord.
(‹3›) ‘dompelen’ of ‘onderdompelen’ of ‘dopen’, - טָבַל (‹tāḇal, uitgesproken als ‘taval’ - H2881›) - dat in alle gevallen betrekking heeft op een volledig onderdompelen of indompelen, en ook gebruikt wordt voor het 7 keer onderdompelen of dopen van Naäman in de Jordaan (‹2 Koningen 5:14›), het mooiste voorbeeld uit het OT met betrekking tot ons onderwerp van de waterdoop. Het is dan ook geen wonder dat dit woord door christenen in Israël in de van dit werkwoord afgeleide vorm ‘tᵉḇīlāẖ’ - טְבִילָה - gebruikt wordt voor de waterdoop. Zo kan men spreken van ‘tevilah mashiach’ (‹christelijke doop›, van ‘tevilah ger’ (‹doop van de vreemdeling›) en ‘tevilah mayim’ (‹waterdoop›). Altijd wordt dit onder de Joden opgevat als een volledige onderdompeling, in overeenstemming met het gebruik van het werkwoord ‘tāḇal’ in het OT. In Leviticus 4:6, 16, 17, 51 en in Numeri 9:18 komen de werkwoorden ‘nāzāẖ’ en ‘tāḇal’ beide voor, zodat men het verschil in betekenis goed kan zien. Men verandert bij deze ‘tevilah’, deze doop, van onrein naar rein.
Wat betreft de uitdrukking ‘onderdompelen’ in Mk. 7:4, 8 en in Hebreeën 9:10, die afgeleid is van het Aramese werkwoord ‘ʾamad’ (‹of het Griekse werkwoord ‘baptizō’›), moet gezegd worden dat dat Aramese woord qua vorm licht verschilt van het Aramese woord voor ‘doop’ (‹ook in het Griekse is er een licht verschil tussen beide woorden›), ook al zijn beide woorden afgeleid van hetzelfde Aramese werkwoord. Het is uit de tekst niet direct duidelijk, waarop de uitdrukking in Heb. 9:10 betrekking heeft, maar in de Joodse traditie is sprake van allerlei ‘wassingen’ of vormen van onderdompelen. We hebben al gezien dat de ‘mikvah’ er één van is. In Markus 7:4 lezen wij: ‘En wanneer zij van de markt komen, eten zij niet voordat zij (‹de handen in water›) ondergedompeld hebben. En zo zijn er vele andere dingen die zij aangenomen hebben om zich eraan te houden, zoals het onderdompelen van bekers, kannen, koperen voorwerpen en van bedden.’
Het met water wassen van de handen wordt in het Jodendom tot op de dag van vandaag נְטִילַת יָדַיִם (‹nᵉtīlaṯ yāḏayim›) genoemd en heeft een parallelle uitdrukking in נְטִילַת לוּלָב (‹nᵉtīlaṯ lūlāḇ - ‘netilat lulav’›), die betrekking heeft op het opheffen van de palmtakken op het Loofhuttenfeest, een gewoonte die teruggaat op Nehemia 8:15, waar de Joden opgeroepen worden om palmtakken van de bergen op te halen om er loofhutten van te maken voor de viering van het Loofhuttenfeest. Men moest die takken natuurlijk opheffen, net zoals men de beker moet opheffen voor het wassen van de handen volgens het Joodse ritueel, want dat moet beslist met behulp van een beker of waterkan van waaruit men het water over de handen giet. Van besprenkelen is geen sprake. Het woord ‘nᵉtīlaṯ’ is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָטַל (‹nāṯal - H5190›) dat 4 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen: 2 Samuël 24:12, Jesaja 40:50; 63:9 en Klaagliederen 3:28. De eerste betekenis van het werkwoord is ‘optillen’ of ‘leggen op’ (‹b.v. een last op de schouders - in dat geval wordt het werkwoord gecombineerd met het voorzetsel ‘op’ zoals in Klaagliederen 3:28 - נָטַל עָלָיו›). Van dit taalkundige onderzoekje leren wij dat wat in het Aramees ‘onderdompelen van handen’ en ‘onderdompelen van allerlei voorwerpen is, in het Hebreeuws ’het opheffen van een beker of van een kan met water’ is om voorwerpen of handen mee te reinigen of af te wassen.
De doop van Charles Spurgeon

de doop van Spurgeon
Op veertienjarige leeftijd werd Charles Haddon Spurgeon naar een anglicaanse school gestuurd: St. Augustine’s College in Maidstone, Kent. Hij blonk uit op school. Ironisch genoeg was het juist op die Anglicaanse school – tijdens een les over de catechismus van de Church of England – dat de jonge Spurgeon overtuigd raakte van de doop op geloof. Toen hij veertig jaar later op deze gebeurtenis terugblikte, schreef Spurgeon: “Toen ik later christen werd, werd ik ook baptist. Het is aan de catechismus van de Church of England te danken dat ik baptist ben.”
Op school kreeg Spurgeon de opdracht om passages op te zoeken die ontkenden dat geloof en bekering aan de doop vooraf moesten gaan. Dit was de leer zoals die was verwoord in het Anglicaanse “Book of Common Prayer”. Spurgeons leraar wilde aantonen dat de leer van de Anglicaanse kerk op dit punt superieur was aan die van de zgn. ‘congregationalisten’. Dit kwam voort uit het feit dat Spurgeon was besprenkeld door zijn grootvader, die een ‘dissenter’ was, een niet-conformist. Congregationalisten vereisten geen peetouders die als getuigen optraden, terwijl anglicanen dat wel deden. Spurgeons leraar betoogde dan ook dat de Anglicaanse praktijk meer in overeenstemming was met de Schrift, aangezien de peetouders namens de zuigeling beloften van geloof en bekering aflegden.
De opzet werkte echter averechts: Spurgeon kwam tot de conclusie dat zowel de Church of England als de congregationalisten het bij het verkeerde eind hadden wat betreft de doop. Spurgeon kon geen bijbelteksten vinden die ontkenden dat geloof en bekering aan de doop vooraf moesten gaan. Dit stond haaks op de opvattingen van zijn vader en grootvader. Maar hij was evenmin overtuigd door het argument van zijn leraar dat de aanwezigheid van een peetouder de anglicaanse praktijk rechtvaardigde. In plaats daarvan nam Spurgeon, die op dat moment nog niet tot bekering was gekomen, zich voor: “Als goddelijke genade ooit verandering in mij zou brengen, zou ik me laten dopen” als gelovige, door middel van onderdompeling. Zo week Spurgeon af van de overtuigingen van zijn voorouders.
Spurgeon zou dit voornemen op 3 mei 1850 in de praktijk brengen, en nog wel op de verjaardag van zijn moeder. In het voorjaar van dat jaar verbleef Spurgeon op school in Newmarket en onderhield een briefwisseling met zijn ouders. Op 6 januari 1850 kwam hij tot geloof in Christus en begon na te denken over de doop. Zijn autobiografie bevat zes brieven die voorafgaand aan zijn doop zijn geschreven. Iin vijf daarvan wordt op de een of andere manier over de doop gesproken. De strekking van die brieven is tweeledig: het overbrengen van zijn persoonlijke overtuiging inzake de geloofsdoop en het vragen om de zegen van zijn ouders om naar die overtuiging te handelen.
Uit diezelfde periode zijn ook Spurgeons dagboeknotities van april tot en met juni bewaard gebleven. In het dagboek zijn de verwijzingen naar de doop naar verhouding veel schaarser: in de zevenentwintig aantekeningen tot aan zijn doop noemt hij dat hij serieus over de doop nadacht, dat hij een brief van zijn voorganger Cantlow ontving, een opmerking van zijn vader, zijn verwachtingsvolle uitkijken naar de doop, en een uitbundige notitie op de dag van de doop zelf. Dit alles werpt licht op Spurgeons gedachten in deze fase van zijn leven. Hoewel de brieven blijk geven van de spanningen in de familie om Spurgeons afwijken van zijn religieuze opvoeding, verraden de dagboeknotities geen innerlijke worsteling rondom de doop. Anders gezegd, Spurgeon leek zijn keuze wat betreft de doop al gemaakt te hebben en zocht nu naar een manier om zijn overtuiging in praktijk te brengen en tegelijkertijd zijn vader en moeder te eren (Efeziërs 6:2).
Dit brengt ons bij de doop zelf. Michael Reeves beschrijft de gebeurtenissen van die dag bondig, voor een goed deel Spurgeons eigen mond: “Omdat hij in Newmarket, waar hij in die tijd woonde, geen dichterbij gelegen Baptistengemeente kon vinden, regelde Spurgeon dat hij door onderdompeling gedoopt zou worden in de rivier de Lark, op zo’n dertien kilometer afstand. Spurgeon nam een dag vrij van zijn werk en bracht enkele uren door in gebed en toewijding aan God, voordat hij begon met zijn vreugdevolle wandeling naar Isleham, een tocht van dertien kilometer die twee tot drie uur in beslag nam. Samen met de voorganger die Cantlow, heette, die de doop zou bedienen, liep Spurgeon naar de veerplaats van Isleham aan de rivier de Lark. Spurgeon prees de gelovigen van Isleham, omdat zij “niet waren vervallen tot onderdompeling binnenshuis in een bad, vervaardigd door mensenhanden, maar gebruikmaakten van het ruimere doopvont dat de stromende rivier bood.” Deze rivier deed dienst als ‘doopvont’ voor maar liefst vijf gemeenten, verspreid over een afstand van ongeveer 13 kilometer. De voorganger, Spurgeon en twee vrouwen vonden de plek die het meest geschikt was, waar de bodem stevig was en het water rustig stroomde. Voorafgaand aan de doop vond een dienst plaats, maar Spurgeon vermeldt daar geen bijzonderheden over; hij schrijft daarover dat “elke herinnering daaraan uit mijn geheugen is gewist.” Hij herinnert zich echter wel de weersomstandigheden van die dag: er stond een gure wind en het was niet bepaald warm ...
Het was een heerlijke dag voor Spurgeon. Hij herinnert zich dat er toeschouwers waren op beide oevers, op de veerboot en in andere boten. Hij zegt dat het heelal mocht meekijken, want hij schaamde zich er niet voor om de Heer Jezus te volgen in de doop en “mijzelf te kenbaar te maken als volgeling van het Lam.” Hij vervolgt: “Mijn schroom werd weggewassen, die schroom dreef met de rivier mee de zee in en moet door de vissen zijn verslonden, want sindsdien heb ik nooit meer iets dergelijks gevoeld. De doop maakte ook mijn tong los, en sindsdien is die nooit meer stil geweest.”
Spurgeon zou inderdaad zijn leven lang grote vrijmoedigheid aan de dag leggen en groeide vanaf dat moment uit tot een machtige verkondiger van het Evangelie.
Alle 82 NT-ische Bijbelverzen over de doop en over dopen in volgorde
De naam van Johannes de Doper is in deze lijst niet meegenomen! De naam komt in 18 verzen in het NT voor.
- Mt. 3:6 - en zij werden door hem gedoopt in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden.
- Mt. 3:7 - Toen hij velen van de Farizeeën en Sadduceeën zag komen om gedoopt te worden, zei hij tegen hen: Adderengebroed, wie heeft jullie voorgehouden dat jullie aan de komende toorn kunnen ontvluchten?’
- Mt. 3:11 - Ik doop jullie in water tot bekering, maar Hij die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben niet waardig om zijn sandalen te dragen. Hij zal jullie dopen in de Heilige Geest en in vuur.
- Mt. 3:13 - Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden.
- Mt. 3:14 - Maar Johannes weigerde het Hem en zei: “Ik heb nodig door U gedoopt te worden! Hoe kunt U dan naar mij toe komen?”
- Mt. 3:16 - Nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij onmiddellijk omhoog … (‹Dit gaat over de doop tot bekering van Johannes de Doper›)
– Mt. 20:22 - Jezus antwoordde en zei: “Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken, die Ik zal drinken, kunnen jullie gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt zal worden?” Zij zeiden tegen Hem: “Dat kunnen wij!”
- Mt. 20:23 - Hij zei tegen hen: “Mijn beker zullen jullie wel drinken en met de doop waarmee Ik gedoopt wordt, zullen jullie gedoopt worden, maar wat betreft jullie zitten aan mijn rechter- en aan mijn linkerhand, dat is niet aan Mij om te geven, maar het is voor hen voor wie het bereid is door mijn Vader.”
- Mt. 21:25 - De doop van Johannes, vanwaar was die? Uit de hemel of uit de mensen?” Zij overlegden met elkaar en zeiden: “Als wij zeggen: ‘Uit de hemel!’, dan zal Hij zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’
- Mt. 28:19 - Ga heen, onderwijs alle volken en doop hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest ...
- Mk. 1:4 - ... zo doopte Johannes in de woestijn en hij predikte de doop tot bekering en vergeving van zonden.
- Mk. 1:5 - Zij lieten zich door hem dopen in de Jordaan. (‹Dit gaat over de doop tot bekering van Johannes de Doper›)
- Mk. 1:5 - Ik heb jullie gedoopt in water, maar Hij zal jullie dopen in de Heilige Geest.”
- Mk. 7:4 - En wanneer zij van de markt komen, eten zij niet voordat zij de handen in water gedompeld hebben. En (zo) zijn er vele andere dingen die zij aangenomen hebben om zich eraan te houden, zoals het onderdompelen van bekers, kannen, koperen voorwerpen en van bedden.
- Mk. 7:8 - Want jullie verwaarlozen het gebod van GOD, terwijl jullie vasthouden aan de traditie van de mensen, zoals het onderdompelen van bekers en kannen en tal van dat soort dingen.”
- Mk. 10:38 - Maar Hij zei tegen hen: “Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die Ik zal drinken, en met de doop gedoopt worden waarmee Ik gedoopt zal worden?”
- Mk. 10:39 - Zij zeiden tegen Hem: “Wij kunnen het!” Jezus zei tegen hen: “De beker die Ik drink, zullen jullie wel drinken en met de doop waarmee Ik gedoopt wordt, zullen jullie gedoopt worden ...
- Mk. 16:16 - Wie gelooft en gedoopt is, zal leven, maar wie niet gelooft, is veroordeeld.
- Lk. 3:3 - Hij kwam in heel de gebied van de Jordaanstreek, terwijl hij de doop van bekering tot vergeving van zonden predikte ...
- Lk. 3:7 - Tegen de menigten die naar hem toe kwamen om gedoopt te worden, zei hij: “Adderengebroed, wie heeft jullie ertoe aangezet om de komende toorn te ontvluchten?
- Lk. 3:12 - Er kwamen ook belastinginners om gedoopt te worden. Zij zeiden tegen Hem: “Meester, wat moeten wij doen?”
- Lk. 3:18 - nam Johannes het woord en zei tegen hen: “Zie, ik doop jullie wel in water, maar Hij die na Mij komt, is sterker dan ik, Hij voor Wie ik (het) niet waard ben om (zelfs maar) de riemen van zijn sandalen los te maken, Hij zal jullie dopen in de Heilige Geest en in vuur.
- Lk. 3:21 - Toen (Johannes) heel het volk gedoopt had, doopte hij ook Jezus, en terwijl Deze bad, werd de hemel geopend ...
- Lk. 7:29 - Al het volk dat naar Hem luisterde, en ook de belastinginners, getuigden van de rechtvaardigheid van GOD, omdat zij met de doop van Johannes gedoopt waren.
- Lk. 7:30 - Maar de Farizeeën en de Schriftgeleerden verwierpen de raad van GOD wat betreft henzelf, omdat zij zich niet door hem hadden laten dopen.
- Lk. 12:50 - Maar Ik heb een doop waarmee Ik gedoopt zal worden, en Ik sta onder grote druk, totdat het is volbracht is.
- Lk. 20:4 - De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?”
- Jh. 1:25 - en zij vroegen hem: “Waarom doop jij dan als je de Christus niet bent en niet Elia en (ook) niet de profeet?”
- Jh. 1:26 - Johannes antwoordde en zei tegen hen: “Ik doop in water, maar in jullie midden staat Hij, die jullie niet kennen.
- Jh. 1:28 - Deze dingen gebeurden in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.
- Jh. 1:31 - Ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, ben ik gekomen om te dopen in water.”
- Jh. 1:33 - Ik kende Hem niet, maar Hij die mij gezonden heeft om in water te dopen, zei tegen mij: ‘Op wie je de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, die is het die met de Heilige Geest doopt.’
- Jh. 3:22 - Hierna kwam Jezus met zijn discipelen naar het gebied van Judea en Hij verbleef daar met hen en doopte.
(‹Dit gaat over de doop tot bekering van Johannes de Doper›, die door Jezus discipelen ook werd bediend)
- Jh. 3:23 - Ook Johannes doopte in Enon, vlak bij Salim, omdat daar veel water was. Zij kwamen daarheen en werden gedoopt ...
- Jh. 3:26 - Zij kwamen bij Johannes en zeiden tegen hem: “Onze meester, Hij die bij u was aan de overkant van de Jordaan, over Wie u getuigd hebt, zie, Hij doopt nu ook en allen komen bij Hem.”
- Jh. 4:1 - Jezus wist dat de Farizeeën gehoord hadden dat Hij veel discipelen maakte en meer doopte dan Johannes,
- Jh. 4:1 - hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar zijn discipelen -
- Jh. 10:40 - Hij ging naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst gedoopt had, en daar bleef Hij.
- Hd. 1:5 - Want Johannes doopte in water, maar jullie zullen niet veel dagen hierna in de Heilige Geest gedoopt worden.”
- Hd. 1:22- … te beginnen bij de doop van Johannes tot op de dag dat Hij van ons werd opgenomen, met ons getuige zal zijn van zijn opstanding.”
- Hd. 2:38 - Simeon zei tegen hen: “Bekeer je en laat ieder van jullie gedoopt worden in de Naam van de HEERE Jezus tot vergeving van zonden, en jullie zullen de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want de belofte is voor jullie en voor jullie kinderen en voor allen die ver weg zijn, die GOD roepen zal.” En met veel andere woorden getuigde hij aan hen en hij drong er bij hen op aan, terwijl hij zei: “Word gered uit dit ontaarde geslacht!”
- Hd. 2:41- Onder hen waren mensen die bereidwillig zijn woord aannamen en gedoopt werden. Op die dag werden er ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.
- Hd. 8:12 - Maar toen zij Filippus geloofden, die het Goede Nieuws van het Koninkrijk van GOD verkondigde in de Naam van onze Here Jezus Christus, werden zij gedoopt, zowel de mannen als de vrouwen.
- Hd. 8:13 - Ook Simon zelf kwam tot geloof en werd gedoopt en sloot zich bij Filippus aan. Toen hij de tekenen en de grote wonderen zag die door hem werden gedaan, was hij verbaasd en verbijsterd.
- Hd. 8:16 - want Die was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van onze Here Jezus.
- Hd. 8:36 - En terwijl zij over de weg voortgingen, kwamen zij bij een plaats waar water was en de hofdienaar zei: “Zie, daar is water. Wat is er tegen dat ik gedoopt word?”
- Hd. 8:38 - Hij gaf opdracht om de wagen te stoppen en zij daalden beiden in het water af en Filippus doopte de hofdienaar.
-Hd. 9:18 - Onmiddellijk vielen als het ware de schellen van zijn ogen en zijn ogen werden geopend. Hij stond op en werd gedoopt. (Paulus ontvangt de waterdoop in de Naam van Jezus Christus).
- Hd. 10:37 - Jullie weten dat het Woord, dat heel Judea bereikt heeft, van Galilea uitging na de doop die Johannes predikte,
- Hd. 10:47 - “Kan iemand het water tegenhouden, zodat zij niet gedoopt zouden worden? Want zie, zij hebben net als wij de Heilige Geest ontvangen!”
- Hd. 10:48 - Hij gebood hun om zich te laten dopen in de Naam van onze Here Jezus Christus en zij vroegen hem om (nog) enkele dagen bij hen te blijven.
- Hd. 11:16 - Ik werd herinnerd aan het woord van onze Heer, toen Hij zei: ‘Johannes doopte met water, maar jullie zullen met de Heilige Geest gedoopt worden.’
- Hd. 13:24 - Hij zond Johannes om voor zijn komst aan heel het volk Israël de doop van bekering te prediken.
- Hd. 16:15 - Zij en haar huisgenoten werden gedoopt en zij smeekte ons en zei: “Als jullie er werkelijk vertrouwen in hebben dat ik in onze Heer geloof, kom dan en verblijf in mijn huis!” En zij drong er heel erg bij ons op aan. (‹Lydia, de purperverkoopster uit Tyatira die in Filippi in Macedonië gedoopt werd›)
- Hd. 16:22 - Op dat nachtelijk uur nam hij hen mee, waste hun wonden en onmiddellijk werden hij en al zijn huisgenoten gedoopt. (‹De gevangenbewaarder in Filippi›).
- Hd. 16:33 - Hij liet zichzelf terstond dopen.
- Hd. 18:8 - Velen van de Corinthiërs lieten zich dopen.
- Hd. 18:25 - Hij was onderwezen in de Weg van de HEERE en vurig van geest, en Hij sprak en onderwees heel grondig over Jezus, hoewel Hij alleen bekend was met de doop van Johannes.
- Hd. 19:3 - Toen zei hij tegen hen: “Waarmee zijn jullie dan gedoopt?” Zij zeiden: “Met de doop van Johannes!”
- Hd. 19:4 - Daarop zei Paulus tegen hen: “Johannes doopte het volk met de doop van bekering. Hij zei hen dat zij moesten geloven in Hem die na hem komen zou, dat is Jezus Christus.”
- Hd. 19:5 - Toen zij deze dingen gehoord hadden, werden zij gedoopt in de Naam van onze Here Jezus Christus.
- Hd. 22:16 En nu, waarom aarzel je nog? Sta op, laat je dopen en wordt gereinigd van je zonden, terwijl je zijn Naam aanroept!’
- Rm. 6:3 - Of weten jullie niet dat degenen van ons die in Jezus Christus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?
- Rm . 6:4 - Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.
- 1 Kor. 1:13 - Is Christus in stukken gedeeld? Of is Paulus voor jullie gekruisigd? Of zijn jullie in de naam van Paulus gedoopt?
- 1 Kor. 1:14 - Ik dank mijn GOD, dat ik niemand van jullie gedoopt heb, behalve Krispus en Gajus,
- 1 Kor. 1:15 - zodat niemand kan zeggen dat ik in mijn naam gedoopt heb.
- 1 Kor. 1:16 - Ik heb ook het huis(gezin) van Stefanus gedoopt, maar verder weet ik niet of ik nog iemand anders heb gedoopt.
- 1 Kor. 1:17 - Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Goede Nieuws te verkondigen, niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet krachteloos zou worden.
- 1 Kor. 10:2 - en allen werden door Mozes gedoopt in de wolk en in de zee,
- 1 Kor. 12:13 - Want ook wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Arameeërs, hetzij slaven, hetzij vrijen, en wij allen hebben (van) één Geest gedronken.
- 1 Kor. 15:29 - Wat moeten anders degenen doen die voor de doden gedoopt worden, als de doden niet opstaan? Waarom zouden zij nog voor de doden gedoopt worden?
- Gal. 3:27 - Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed.
- Ef. 4:5 - Want de HEERE is Eén, en het geloof is één, en de doop is één,
- Kol. 2: 12 - Jullie zijn met Hem begraven in de doop, en daardoor zijn jullie ook met Hem opgestaan, omdat jullie geloofd hebben in de kracht van GOD, die Hem uit het verblijf van de doden heeft opgewekt.
- Heb. 6:2 - voor de leer van de doop, de handoplegging, de opstanding uit het verblijf van de doden en het eeuwig oordeel?
- Heb. 9:10 - Het ging alleen over voedsel en drank en over verschillende manieren van onderdompelen in water, het waren geboden betreffende het vleselijke, die golden tot de tijd van het herstel van de gerechtigheid.
- Heb. 10:32 - Denk daarom terug aan de eerste dagen waarin jullie gedoopt werden, en een zware strijd te verduren hadden onder smaad en verdrukking.
- 1 Pt. 3:21 - Naar dat voorbeeld zijn ook jullie gered door de doop - die niet plaatsvindt wanneer jullie het lichaam van vuil wassen, maar wanneer jullie GOD met een zuiver geweten belijden - en door de opstanding van Jezus Christus ...
|
Bron: |
Evangelische Bijbelvertaling Studiebijbel (EBV-S) |
|
|
https://www.spurgeon.org/blog/a-seal-of-consecration-spurgeons-account-of-his-own-baptism |
|
Datum |
14 juli 2026 |