De verwerping van de leiders en profeten van Israël
3
1 Toen zei ik:
 
Luister dan toch, hoofden van Jakob
en jullie, leiders van het huis van Israël!
Behoren jullie niet het recht te kennen?     
2 Zij haten het goede
en hebben het kwaad lief.
Zij stropen hun de huid af
en het vlees van hun botten.     
3 Ja, zij zijn het die het vlees van mijn volk eten,
hun de huid afstropen en hun botten breken.
Ze spreiden ze uit als in een pot op het vuur,
als vlees in een ketel.”   
 
4 “Dan zullen zij tot de HEERE roepen,
maar Hij zal hen niet antwoorden.
In die tijd zal Hij zijn aangezicht voor hen verbergen,
vanwege het kwaad van hun daden.”   
 
5 “Zo zegt de HEERE, tegen de profeten
die mijn volk misleiden,
die met hun tanden iets te bijten moeten hebben
en dan ‘Vrede!’ roepen,
maar tegen hem die hun niets in de mond geeft,
tegen hem heiligen zij een oorlog.       
6 Daarom zal het nacht voor jullie worden,
zonder visioen,
en het zal duister voor jullie worden,
zonder waarzeggerij.
De zon zal over de profeten ondergaan
en de dag zal boven hen zwart worden.   
7 De zieners zullen beschaamd staan,
de waarzeggers zullen schaamrood worden,
en zij zullen allen hun snor en baard bedekken,
omdat er geen antwoord van GOD komt.     
8 Maar ik ben vol kracht
van de Geest van de HEERE,
en van recht en van heldhaftigheid,
om Jakob zijn overtreding te verkondigen
en Israël zijn zonde.”
 
9 “Luister toch hiernaar,
hoofden van het huis van Jakob
en jullie leiders van het huis van Israël,
die een afkeer hebben van het recht
en alles wat recht is verdraaien,     
10 die Sion bouwen met bloed
en Jeruzalem met onrecht.     
11 Haar hoofden voeren rechtsgedingen
voor steekpenningen,
haar priesters onderwijzen voor loon
en haar profeten doen aan waarzeggerij
voor geld.
Op de HEERE steunen zij door te zeggen:
‘Is de HEERE niet in ons midden?
Ons zal geen kwaad overkomen.’     
12 Daarom zal Sion door jullie toedoen
als een akker omgeploegd worden,
Jeruzalem een puinhoop worden
en de berg van het Huis
tot offerhoogten.”