WOORDENLIJST HEBREEUWS (OT)

 



Deze woordenlijst is in bewerking. 

Als het Strongnummer in het rood staat, dan is de verklaring bruikbaar, maar nog niet afgewerkt. Als het in het groen staat, dan is het bruikbaar en (redelijk of in hoge mate) afgewerkt

Hieronder volgen Hebreeuwse woorden met hun uitleg, overwegend ontleend aan de verklaringen van Gesenius en de Bijbelcommentaren van K&D en de manier van vertalen in de EBV

H47

machtige, machtigste

in sommige vertalingen vinden wij i.p.v. ‘de machtigste’ voor het Hebreeuwse woord אַבִּיר (‹abīr - H47›) de vertaling ‘de opziener’, omdat in het volgende hoofdstuk in 1 Sm. 22:9 staat, dat Doëg ‘opziener’ was van de dienaren van Saul. Maar het Hebreeuwse woord נִצָּב (‹niṣab -van nāṣab H5324›) wordt nergens toegepast op herders of veehoeders, zoals wij ook niet spreken van ‘presidenten of voorzitters van ezels en paarden’ e.d. Sommige commentaren verdedigen toch die zienswijze door te verwijzen naar 1 Kr. 27:29-31, maar het woord  dat daar gebruikt wordt is niet ‘opziener’, maar ‘overste’ שָׂרֵי הָרְכוּשׁ (‹ṣāre hā-rᵊkûs - ‘oversten over het bezit’›) en er zijn geen aanwijzingen dat Doëg een dergelijke positie had. 

H60 

Het Hebreeuwse mnl. znw. |אֵבֶל| (‹ebel - H60›)| betekent ‘rouw’ en komt 24 keer in het OT voor verdeeld over 22 verzen.

H86

[‘Knielen!’] - in het Hebreeuws staat het werkwoord אַבְרֵךְ in de geb. wijs enkelvoud (‹H86›). DIt werkwoord komen wij nergens anders in het OT tegen. Dit woord in de grondtekst is vrijwel afkomstig van het Tamazight (‹‘Berbers’›) van Noord-Afrika, aangezien er in Egypte tijden waren dat er sprake was van een grote invloed vanuit de westelijk gelegen gebieden waar men Tamazight sprak. In sommige Noordafrikaanse gebieden wordt de uitdrukking nog steeds gebruikt om een kameel te laten neerknielen of om mensen een zitplaats aan te wijzen. 

H113

[‘de Heer’] - dit is één van de weinige keren, dat deze aanspreektitel in de enkelvoudsvorm ‘ẖā-ʾādōn’ voor God wordt gebruikt en niet de meervoudige naam אֲדֹנָי (‹ʾāḏōnay - H113›) nl. in Ex. 23:17, Joz. 3:11, Jes. 19:4.  

H120

Adam

Het Hebreeuws woord ‘mens’ is hetzelfde als de naam ‘Adam’ (‹H120›). De grammaticale wortel van dit Hebreeuwse woord en deze Hebreeuwse naam houdt verband met de betekenissen ‘rood’ en ‘bloed’. Men zou ook kunnen vertalen ‘de roodbloedige mens’, zoals een enkele Nederlandse vertaling doet. Deze naam is het woord voor ‘mens’ geworden. Het tekstverband bepaalt of wij met de eerste mens, Adam, te maken hebben, dan wel met ‘een mens’ of ‘de mens’, ‘de mensen’ of met ‘de mensheid’ of met ‘de man’ tegenover ‘de vrouw’. In het laatste geval, de tegenoverstelling van man en vrouw wordt een ander Hebreeuws woord gebruikt nl. אִישׁ (‹ʾīš - H376›) en אִשָּׁה (‹ʾiṧāh - H802›). De naam komt voor met lidwoord (‹הָאָדָם - hā-ʾādām›) en zonder lidwoord (‹אָדָם - ʾādām›).

H124

[‘robijn’] - of: ‘een rode edelsteen’, omdat niet zeker is welke soort het hier betreft. De LXX heeft hier 'sardius' naar de Griekse benaming voor ‘robijn’.  Het CBSC stelt dat de robijn te hard was en daarom in de oudheid nauwelijks werd bewerkt en dat deze steen alleen ver weg, in Ceylon en Birma, te vinden was. De samenstellers van de CBSC geven daarom de voorkeur aan de ‘ondoorzichtige rode jaspis’ (‹'jaspis'›), een uit het Grieks voortkomende benaming voor een edelsteentype dat verschillende kleuren kan hebben of ‘carneool’ (‹ook een rode edelsteen›). De Hebreeuwse wortel van het woord is dezelfde als die van ‘Adam’ nl. (‹אֹדֶם (‹oḏem - H124›), een naam die ook kan worden weergegeven als de ‘roodbloedige mens’. De vertalingen lijken het er in ieder geval over eens te zijn, dat het een roodkleurige edelsteen was, conform de beschrijving van de Midrash, die de steen toedeelt aan de stam Ruben.  

H157

vriend


Het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. אָהַב (‹āhaḇ - H157›) betekent ‘geliefde’ of ‘beminde’ of ‘vriend’. In 2 Kr. 20:7,  Jes. 41:8 wordt Abraham de geliefde (‹vriend›) van God genoemd. 

H178

[‘dodenbezweerder’] - het Hebreeuwse woord אוֹב (‹H178 - ʾōḇ›) kan ook ‘fles’ betekenen’ en in de Septuaginta is het steeds vertaald met ‘buikspreker’, omdat buiksprekerij vanouds voor magische doeleinden werd gebruikt. De achterliggende gedachte van dit woord is dat de persoon door een demon bezeten is en in die gesteldheid de toekomst probeert te voorspellen en zich daarbij in verbinding stelt met de geesten van doden. De persoon werd als het ware tot een ‘medium’ tussen de wereld van de levenden en de doden. 

H202

H205

[‘[(man)]moedigheid’] - het Hebreeuwse meervoudige zelfst. nmw. |אוֹן| met als meervoud |אוֹנִים| (‹ʾōn - ʾōnīm - H202›) komt 12 keer in het OT, verdeeld over 12 verzen: Gen. 49:3; Dt. 21:7; Job 18:7, 12; 20:10; 40:16; Ps. 78:51; Ps. 105:36;  Spr. 11:7; Jes. 40: Hos. 12:4, 9. In alle gevallen heeft het te maken het begin van iets dat nog moet komen, zoals een kindje in de moederschoot nog moet komen of anders een pasgeborene, dat het vermogen in zich draagt een volwassen mens te worden. Maar het heeft niet alleen betrekking het mensenkind in een pril stadium, maar ook op ‘vermogen’ in materiële zin. Een man met vermogen kan oppervlakkig menselijk gezien alle kanten uit. Deze uitleg van het Hebreeuwse woord is niet  de gebruikelijke uitleg, maar lijkt wel op zijn plaats in alle 12 verzen, waarin het woord voorkomt. In principe is het woord moreel gezien neutraal, want het vermogen, de potentie, kan een positieve (‹morele›) strekking hebben, maar ook een negatieve. Voor de onderbouwing van deze uitleg is de in het Arabisch voorkomende, verwante grammaticale wortel relevant nl. |||أَوَنَ|||, ‘āwānā, en het daarvan afgeleide zelfst. nmw. |||اِيوَان|||, īwān, dat staat voor een ontvangstkamer, van waaruit een gang of een pad of een galerij of gaanderij die de bezoeker naar de salon leidt. De ontvangstkamer is het begin en mag je verwachten dat je in het grote vertrek komt met alles wat het te bieden heeft voor zijn gasten. In de drieletterige grammaticale wortel is de betekenis vervat van ‘het komende.

–Het verwante Hebreeuwse woord |אָוֶן| (‹aven - H205›) heeft o.i. dezelfde grondgedachte in zich, maar geeft uiting aan een reeks van afgeleide negatieve betekenissen. Dit woord is in de tekst dan ook vaak vertaald als ‘ongerechtigheid’, ‘onrecht’, ‘onheil’, ‘ramp’, ‘afgoderij’ e.d., allemaal zaken die tot niets leiden, want alle zonde en zondigheid leidt tot niets. Zo is ‘Beth-Aven’ het huis van onrecht of van ongerechtigheid of van rampspoed. Dit Hebreeuwse zelfst. nmw. komt 79 keer in het OT voor, verdeeld over 79 verzen.    

H231

[‘hysop’] - het Hebreeuwse woord אֵזוֹב (‹ēzōḇ - H231›) staat voor de hysop plant. Het is een lage struik die veel voorkomt in de Sinaïwoestijn. Men neemt aan dat het de geurige plant Origanum Maru L. of de Origanum Aegyptiacum betreft. De plant groeide ook op de muren van Jeruzalem (‹1 Kn. 4:33›).       

H306

[‘amethist’] - een violetkleurige kwartssteen. Het Hebreeuwse woord אַחְלָמָה (‹ʾaḥᵉlāmāẖ - H306›) houdt volgens Gesenius verband met het werkwoord ‘dromen’. De Midrash geeft een paarsrode wijntint als kleur aan en deelt de steen toe aan de stam Naftali.  

H337

het Hebreeuwse אִי (‹īy - H337›) in Pred. 4:10 en Pred. 10:16, een uitroep: ‘Wee!’. 

H339

eilanden, kustlanden

het Hebreeuwse woord אִי (‹ī - H339›) dat 36 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 35 verzen, kan zowel ‘eiland’ als ‘kustland’ betekenen. Voor de betekenis van ‘kustland’ pleiten Zef. 2:11 en  Jes. 23:2, 6 waar woord staat voor Foenicië. In Zef. 2:11 kan men het evt. ook met ‘eilanden’ vertalen (‹misschien zijn het wel de werelddelen die als grote eilanden in de oceanen liggen›), en in Jes. 23:2, 6 moeten we bedenken dat het over Tyrus gaat, dat een eilandje was voor de kust van Foenicië, maar ook een stad op het vasteland. Het is dus allerminst zeker dat het Hebreeuwse woord אִי (‹H339›) ook werkelijk ‘land’ of: ‘kustland’ kan betekenen, ook al is het heel gangbaar om het op veel plaatsen zo te vertalen. 

H341

vijanden

het Hebreeuwse woord אֹיֵב (‹ʾoyēḇ - H341›) komt ruim 280 keer in het OT voor, waarvan 74 keer in het boek Psalmen. Dit betekent uiteraard dat ‘de vijand’ een belangrijk thema in het boek Psalmen is. De vijand is ten diepste de ‘antichrist’. Opnieuw brengt de Heilige Geest ons door de psalmist naar de eindtijd die gekenmerkt wordt door verdrukking, oordeel en het wonen in Sion. 

H344

[‘[(scherpziende)] schreeuwer’] - het Hebreeuwse woord אַיָּה (‹ʾayāẖ - H344›), komt 3 keer in het OT voor nl. in Lev. 11:14, Dt. 14:13 en Job 28:17. Het woord duidt taalkundig gezien op een luidruchtige vogel. Misschien hangt de naam samen met het Hebreeuwse אִי (‹īy - H337›) in Pred. 4:10 en Pred. 10:16, een uitroep: ‘Wee!’. Uit Job 28:7 leren wij dat het dier een zeer scherpe blik heeft. Voor vertaalkeuzes, zoals ‘elke soort kiekendief’ of  ‘verschillende soorten buizerds’ of: ‘de valk met zijn soorten’ is eigenlijk onvoldoende zekerheid. De Septuaginta heeft ‘wouw’ (‹‘ικτινα’›) en de Vulgata heeft ‘gier’ (‹in het Latijn ‘vulturem’›). Vredenburg heeft ‘witte havik’.

H352

Het Hebreeuwse mannelijke znw. אַיִל (‹ayil - H352›) komt 196 keer voor in het OT, verdeeld over 171 verzen en heeft als eerste betekenis ‘ram’, maar in overdrachtelijk zin kan het staan voor een ‘steunbeer’ in bouwkundige zin, maar ook voor krachtige of belangrijke leiders.

H355

Het vrouwelijke Hebreeuwse znw. |אַיָּלָה| (‹aẏālāẖ - H355›) komt 8 keer in het OT voor verdeeld over 8 verzen:  Gen. 49:21; 2 Sm. 22:34; Job 39:1; Ps. 18:33; Ps. 19:9; Hgld. 2:7; 3:5; Hab. 3:19. Het woord betekent: ‘hinde’ of ‘vrouwtjeshert’.

H376 

man, mannetje,

ieder, iedereen, elk

iemand, mens

het Hebreeuwse woord אִישׁ (‹ʾīš - H376›) betekent ‘man’ of ‘mens’. Het meervoud אִישִׁים komt slechts enkele keren voor, o.a. in Spr. 8:4. Het woord komt in 1436 verzen voor in het OT. De vrouwelijke vorm  אִשָּׁה  (‹ʾīṧāh - H802›) staat voor ‘vrouw’ als tegenovergesteld aan ‘man’ en komt in 686 verzen in het OT voor. Daarom betekent het ook ‘man’ en ‘vrouw’ als echtgenoot en echtgenote en zien wij de vrouwelijke variant ook terugkomen in de uitdrukking ‘het zaad van de vrouw’ in Gen. 3:15 en de mannelijke variant in de uitdrukking ‘het zaad van de mannen’ in 1 Sm. 1:11. Het woord ‘man’ wordt vaak gebruikt in de zin van een individu. In 1 Sm. 2:33 staat het woord voor de man in zijn kracht. Het woord ʾīš wordt ook gebruikt in de tegenoverstelling van mens en God (‹Job 9:32; 12:10; Jes. 7:13›) en die van mens en dier (‹Ex. 11:7›). In Gen. 7:2 wordt het woord gebruikt voor een exemplaar van een mannetjesdier. 

H386 & H388

in 13 verzen in het OT

Spr. 13:15, Ex. 14:27, Dt. 21:4, Job 33:19, Ps. 74:15 en Amos 5:24,  

[‘ligt vast’] - in het Hebreeuws vinden we hier het woord אֵיתָן (‹H386 - ēyṯān›), waarvan door Gesenius als eerste betekenis wordt vermeld: ‘voortdurend’ (‹b.v. ‘voortdurende stromend water’›). Wij denken dat bedoeld wordt dat de trouweloze niet verandert, in tegenstelling tot de man met gezond verstand. De laatste kan tot inzicht komen en tot de erkenning komen dat de ingeslagen weg geen zegen brengt en daarom ervan afzien, maar de trouweloze kan niet trouw zijn aan iets of iemand. Hij zit ‘vast’ in zijn ontrouw. Hij is a.h.w. onbekeerlijk. Zie verder H386 in de Hebreeuwse woordenlijst. 


[‘Ethanim’] - in het Hebreeuws: אֵתָנִים‎ (‹ēṯānīm - H388›). Het is de naam voor de 7e maand, die gewoonlijk de maand Tishri of Tisjrie wordt genoemd תִּשְׁרֵי‎  (‹tishrēy›) of תִּשְׁרִי‎ (‹tishrī). Het is de maand tussen de nieuwe maan van oktober en die van november. Het is de eerste maand van het burgerlijk jaar en de zevende maand van het godsdienstige jaar, dat begint met de maand Abib of Nisan. Het verwante woord אֵיתָן (‹ʾēytān - H386›) komt voor in Ex. 14:27, Dt. 21:4, Job 33:19, Ps. 74:15 en Amos 5:24, en heeft als eerste betekenis  ‘voortdurend stromend, b.v. m.b.t. ‘wateren’ (‹Gesenius›).

–De naam Ethanim voor deze maand komt alleen in dit vers in de Bijbel voor. Na de Babylonische ballingschap wordt meestal de Babylonische naam Tishri gebruikt, van het Akkadische ‘tašrītu’ d.w.z. ‘begin’, van het werkwoord ‘šurrû’, dat is ‘beginnen’.  

–Edwin R. Thiele concludeert in zijn boek ‘The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings’, dat de koningen van het koninkrijk Juda de burgerlijke kalender aanhielden met Tishri als eerste maand, terwijl het noordelijk koninkrijk Israël het godsdienstig jaar aanhield met de maand Nisan of Abib als de eerste maand. 

–Jerobeam gebruikte dit Feest van de Inwijding van de Tempel ook om zijn nieuwe cultus met de gouden kalveren in Dan en Bet-El in te wijden. Zie 1 Kn. 12:32. 

H410 

God

de Hebreeuwse naam אֵל (‹ʾĒl - H410›) voor God komt 245 keer in het OT voor, verspreid over 235 verzen: in 57 verzen vanaf Genesis tot aan 2 Samuël, in 55 verzen in Job en in 73 verzen in de psalmen en in 24 verzen in het boek Jesaja. Het de oude benaming voor God als de Schepper, tegenover de benaming ‘Elohim’ voor de God van het verbondsvolk. De eerste keer dat wij de naam ‘El’ tegenkomen is in Gen. 14:18 waar staat dat Melchizédek de Priester was van God, van ‘El’, de Allerhoogste. De benaming ‘El’ wordt in enkele gevallen, net als de benaming ‘Elohīm’ ook op afgoden toegepast (‹b.v. in Jes. 44:17 en Jes. 45:20›).  

H430 

GOD


H433

God

[‘God ...’] - de naam ‘God’ is een Aramese vorm אֱלוֹהַ, ‘Elōẖa’, (‹H433›). Deze Aramese vorm komt uitzonderlijk veel voor in het boek Job, nl. in 41 verzen van de 56 verzen waarin deze naam in heel het OT voorkomt, wat voor de gedachte pleit dat Job in Hauran leefde, op Aramees grondgebied. Zie de Inleiding bij het boek Job. De naam ‘Elōẖa’ komt 4 keer voor in de Psalmen, 3 keer in het boek Daniël en nog een enkele keer in diverse andere boeken. De naam ‘Elōẖa’ komt eigenlijk niet voor in de tijd van het koninkrijk Israël en van de twee koninkrijken van Israël. 

H516

[‘Breng [(hem)] niet om!’] - deze vertaling is in overeenstemming met de Targum. Vroeger werd deze term wel onvertaald weergegeven als ‘al-ṫašḥeṯ’ (‹H516›). Volgens K&D was de lezing oorspronkelijk: ʿal al-ṫašḥeṯ  (‹op (‹de wijs van›) ‘al-ṫašḥeṯ›), maar het dubbele ‘al’ zou zijn gereduceerd tot één ‘al’, omdat het niet mooi klinkt. De term vinden wij in Ps. 57, 58, 59 en 75 en wordt in het algemeen opgevat als een aanduiding voor een bepaalde wijze van musiceren. Wij denken dat er ook verband is met de inhoud van de tekst van de psalm, want de teksten van de psalmen waarbij deze term voorkomt, hebben alle betrekking op benarde situaties (‹maar niet uitsluitend op de confrontatie met Saul in de spelonk›). 

–De uitdrukking ‘al-ṫašḥeṯ’ komt ook in Dt. 9:26 voor, waar Mozes voorbede doet voor zijn volk, dat God het niet vernietigt. Ook in 1 Sm. 26:9 komen de woorden voor: ‘Breng hem niet om!’, die door David tot Abisai gesproken worden om hem ervan af te houden koning Saul om te brengen. Het is duidelijk dat er een regelrecht verband is tussen de woorden in die teksten en de woorden ‘Breng (hem) niet om!’ in dit vers.  Ook de Targum vat het niettemin op als de woorden van David die zei dat de gezalfde van de HEERE niet omgebracht mocht worden. tenslotte is er ook een verband met Jes. 65:8 want ook daar dreigt een totale vernietiging van Israël, van Jakob, vanwege hun zonde en ongerechtigheid, maar het zal niet gebeuren, want zoals Mozes en David in de bres sprongen voor het volk, zo zal volgens Jes. 65:8-10 er Eén zijn die uit Jakob is voortgekomen die dat alles zal afwenden: Jezus Christus.

H519

jongen

Het Hebreeuwse woord אָמָה (‹āmāh - H519 - 238 keer verdeeld over 221 verzen›) heeft als eerste betekenis ‘dienstmeisje’ of ‘dienstmeid’. De meervoudsvorm is אֲמָהֹת (‹ămāhot›). Het woord duidt op nederige ondergeschiktheid. Het kan ook betrekking hebben op een weduwe, ongetrouwde vrouw enz. De nadruk ligt vooral op de nederige dienstbaarheid, niet op het zinnelijk genot zoals dat het geval is bij het Hebreeuwse woord פִּילֶגֶשׁ (‹pīleg̱eš - H6370›), dat we vertalen met ‘bijvrouw’ of voor mannen als ‘vrijers’. Ook heeft het niet betrekking op het inwonen bij de man aan wie men zich ondergeschikt acht zoals dat het geval is met het Hebreeuwse woord שִׁפְחָה (‹šifḥāh - H8198›) dat als eerste betekenis heeft 'huisslavin' op wie je al je werkzaamheden kan afwentelen, zelfs de sexuele relatie met je eigen man (‹vergelijk Sara met Hagar›).  

H523

volk

stam

Gen. 25:16 Num 25:15 Ps. 117:1   ‘ummah’. |אֻמָּה|

H524

[‘volkeren’] - het Hebreeuwse woord |לְאֻמִּים| (‹lᵉūmīm - H3816›) komt 36 keer in het OT voor (‹soms ook in het enkelvoud›), verdeeld over 31 verzen en vooral in de Psalmen en in Jesaja. Het enkelvoud vertalen we met ‘volk’ (‹4 keer nl. in Spr. 11:26; 14:28, 34; 24:24 en Jes. 51:4›)‚ en het meervoud met ‘volkeren’, zodat er enig onderscheid ontstaat ten opzichte van twee andere veel voorkomende woorden in de Bijbel voor ‘volk’ nl. |גּוֹי| (‹gōy - H1471›) en |עַם| (‹ʿam - H5971›). De Aramese variant |אֻמָּה| (‹ūmāẖ›) van het woord vinden wij onder H524. Deze vorm komt 8 keer voor verdeeld over 8 verzen nl. 1 keer in Ezra 4:10 en verder nog 7 keer in de Aramese hoofdstukken 1 t/m 7 van het boek Daniel en is vertaald als ‘natie’ 

H559

spreken over - Strongnr. H559

H561 

uitspraak 

het mannelijke Hebreeuwse woord אֵמֶר (‹ʾēmer - H561›) betekent ‘uitspraak’ of ‘woord’. Het gaat hierbij om het gesproken woord, dat wat God of een mens spreekt. Het meervoud is אִמֲרוֹת (‹ʾimarōt›).    

H571

waarheid

het Hebreeuwse vrouwelijke zelfstandige naamwoord אֱמֶת (‹ʾemēt - H571›) betekent: ‘trouw’, ‘betrouwbaar’, ‘betrouwbaar’, ‘waar’, ‘waarachtig’. De grondgedachte is waarschijnlijk die van ‘vaststaan’, ‘stevigheid’.

H577

[‘Och’] - het Hebreeuwse |אָנָּא| (‹ʾānāʾ - H577›) komt 13 keer in het OT voor, verdeeld over 12 verzen. Het wordt hoofdzakelijk gebruikt om de urgentie van van een verzoek of de ernst van een bepaalde situatie te benadrukken. Het wordt gebruiikt om het dringende verlangen naar vergeving aan te duiden in Gen. 50:17, het grote gewicht van de zonde in Ex. 32:31 en de ernst in het gebed van een smeekbede in 2 Kn. 20:3, Neh. 1:5 en Jona 1:14. 

H582, H583  

Enos, mens, mensen

man, mannen, bemanning, manschappen,

sterveling, sterfelijk mens

het Hebreeuwse woord אֱנוֹשׁ (‹ʾenōš - H582›) staat voor de naam Enos (‹H583›), maar ook voor een gewoon zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘sterfelijke mens’ en het wordt meestal gebruikt in de zin van ‘de mensheid’ in algemene zin, maar zelden voor ‘de mens’ als eenling. Heel vaak komen wij het meervoud אֲנָשִׁים (‹ʾanašīm›) tegen voor ‘mannen’. Het woord houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H605›), dat ‘zwak zijn’ of: ‘ziek zijn’ betekent, dat is ‘menselijk zijn’ of: ‘sterveling zijn’. Het woord komt betrekkelijk veel voor in het boek Job. Het woord is in Dan. 7:13  onderdeel van de Naam: ‘Mensenzoon’, die betrekking heeft op de komende Christus, de Gezalfde.  In het totaal komt het woord 564 keer voor in het OT verdeeld over 520 verzen. 

H599

[‘boze blazer’] - het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. אֲנָפָה (‹ăʾnāfāẖ - H601›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord אָנַףּ (‹āʾnaf - H599›) dat ‘boos zijn’ of ‘hard blazen’ betekent. Hierom wordt het zelfst. nmw. wel vertaald met ‘papegaai’ (‹b.v. in de Arabische Van Dycke vertaling›). De Septuaginta heeft ‘χαραδριον’, ‘charadrion’, dat wordt vertaald als ‘wulp’. In ieder geval is het een roofvogel die leeft aan de oever van de rivieren of in moerassen. Volgens Gesenius is het mogelijk de ‘strandloper’. De Vulgata heeft ook ‘charadrion’ net als de Septuaginta. Keil en Delitzsch kiezen voor ‘de reiger’, een keuze die samenhangt met het feit dat ze de naam tot een andere Hebreeuwse wortel herleiden (‹ten koste van één oorspronkelijke letter›) en de naam van de vogel duiden als ‘de struikachtige’ wat dan weer zou verwijzen naar de verenkuif die de reiger achterop zijn kop vertoond. Bovendien werd de reiger wel ‘de struik-ooievaar’ genoemd. Dit kenmerk ontbreekt bij ibissen, kraanvogels en flamingo’s. De meeste vertalingen kiezen daarom voor ‘reiger’. 

H601

[‘boze blazer’] - het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. אֲנָפָה (‹ăʾnāfāẖ - H601›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord אָנַףּ (‹āʾnaf - H599›) dat ‘boos zijn’ of ‘hard blazen’ betekent. Hierom wordt het zelfst. nmw. wel vertaald met ‘papegaai’ (‹b.v. in de Arabische Van Dycke vertaling›). De Septuaginta heeft ‘χαραδριον’, ‘charadrion’, dat wordt vertaald als ‘wulp’. In ieder geval is het een roofvogel die leeft aan de oever van de rivieren of in moerassen. Volgens Gesenius is het mogelijk de ‘strandloper’. De Vulgata heeft ook ‘charadrion’ net als de Septuaginta. Keil en Delitzsch kiezen voor ‘de reiger’, een keuze die samenhangt met het feit dat ze de naam tot een andere Hebreeuwse wortel herleiden (‹ten koste van één oorspronkelijke letter›) en de naam van de vogel duiden als ‘de struikachtige’ wat dan weer zou verwijzen naar de verenkuif die de reiger achterop zijn kop vertoond. Bovendien werd de reiger wel ‘de struik-ooievaar’ genoemd. Dit kenmerk ontbreekt bij ibissen, kraanvogels en flamingo’s. De meeste vertalingen kiezen daarom voor ‘reiger’. 

H602

[‘de gekko’] -  het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. אֲנָקָה (‹ănāqāẖ - H604›) is afgeleid van het hebreeuwse werkwoord אָנַק (ānaaq - H602), dat als eerste betekenis ‘diep ademen’ of: ‘kreunen’ heeft. Naar aanleiding hiervan denkt Bochart aan een type hagedis, dat een dergelijk geluid maakt. Rosenmüller wijst op de ‘lacerta gecko’, die veel voorkomt in Egypte en vooral ‘s nachts een apart geluid maakt, dat lijkt op het kwaken van kikkers. Leyrer denkt dat het woord doelt op alle vleesetende hagedissen. Anderen denken aan de ‘lacerta nilotica’, maar deze hagedis lijkt te groot om in een pot of in een schaal te kunnen vallen. Eigenaardig genoeg vertaald de Septuaginta met ‘spitsmuis’ (‹‘μυγάλη’›), ‘mugali’.

H603

Het Hebreeuwse vrouwelijke אֲנָקָה (‹ăʾnāqāẖ - H603›) komt 3 keer in het OT voor, nl. in Ps. 12:6, Ps. 102:20 en Mal. 2:13 en het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord  אָנַק (anaq - H602), dat als eerste betekenis ‘diep ademen’ of ‘kreunen’  heeft.  Wij hebben het vertaald als ‘gekerm’ of ‘kermen’of ‘gejammer’.

H604

[‘de gekko’] -  het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. אֲנָקָה (‹ănāqāẖ - H604›) is afgeleid van het hebreeuwse werkwoord אָנַק (anaq - H602), dat als eerste betekenis ‘diep ademen’ of: ‘kreunen’ heeft. Naar aanleiding hiervan denkt Bochart aan een type hagedis, dat een dergelijk geluid maakt. Rosenmüller wijst op de ‘lacerta gecko’, die veel voorkomt in Egypte en vooral ‘s nachts een apart geluid maakt, dat lijkt op het kwaken van kikkers. Leyrer denkt dat het woord doelt op alle vleesetende hagedissen. Anderen denken aan de ‘lacerta nilotica’, maar deze hagedis lijkt te groot om in een pot of in een schaal te kunnen vallen. Eigenaardig genoeg vertaald de Septuaginta met ‘spitsmuis’ (‹‘μυγάλη’›), ‘mugali’.

H622

[‘heeft weggenomen’] - het Hebreeuwse werkwoord אָסַף (‹ās̱af - H622›) betekent in beginsel ‘bijeenbrengen’, ‘oprapen’, ‘verzamelen’, ‘bijeenschrapen’ of: ‘toevoegen’. De taalkundige wortel van het woord vinden we ook terug in de naam Jozef in het volgende vers. De woorden van dit vers zouden we ook kunnen weergeven als ‘God heeft mijn smaad (‹tot zich›) weggenomen’. 

[‘genezen’] - letterlijk betekent het Hebreeuwse werkwoord אָסַף (‹ʾāsēf - H622›) ‘verzamelen’ of: ‘bijeenbrengen’ (‹b.v. vee in Gen. 29:7,8›), maar ook wel ‘opgenomen worden in een gemeenschap’ (‹b.v. van de gestorven voorvaderen, ofwel bij hen ‘te ruste gelegd worden’ b.v. in Gen. 35:29 en Gen. 49:29,33›). In dit vers wordt de melaatse Naäman door de profeet Elisa ontvangen en hersteld in de gemeenschap, waarvan een melaatse goeddeels is uitgesloten, en een dergelijk herstel kan alleen maar door genezing, vandaar dat wij voor de vertaling ‘genezen’ gekozen hebben.  Vergelijk Num. 12:14-15 over Mirjam die na haar genezing van de melaatsheid weer in de gemeenschap, in het legerkamp van Isräel hersteld werd: zij werd opnieuw ingevoegd in de rangen van het volk.  

H629

[‘voortvarendheid’] - het Hebreeuwse woord |אָסְפַּרְנָא| (‹ʾās̱parnāʾ - H629›) heeft de volgende betekenissen: ‘ijver’, ‘zorgvuldigheid’ of: ‘degelijkheid’. 

H646

 [‘[(priester)]tuniek’] - het Hebreeuwse woord אֵפוֹד (‹ēfōḏ - H646›) wordt vaak onvertaald gelaten. In Ex. 28:6-14 wordt deze tuniek, die over het blauwe overkleed valt, beschreven. 

H665

Het Hebreeuwse mnl. znw. |אֵפֶר| (‹ēfer - H665›) dat 22 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 22 verzen heeft als eerste betekenis ‘as’: de as van de vaars in Num. 19:9, 10, , de as die men over het hoofd strooit bij rouw in 2 Sam. 13:19, ‘neerzitten in stof en as’ in Job 42:6 resp. H6083 en H665, in de uitdrukking ‘ik ben stof en as’ in Gen 18:27 en Job 30:19, en in de uitdrukking ‘hij kleedde zich in zak en as’ in Esther 4:1, 3, ‘spreekwoorden van as’ d.w.z. ‘spreekwoorden van niets’ in Job 13:12, en vasten in zak en as in Dan. 9:3

H697

[toelichting] - van de Hebreeuwse namen van de in dit vers genoemde dieren is niet met zekerheid te zeggen, om welke dieren het gaat. Gezien het in het voorgaande vers genoemde algemene kenmerk van ‘springpoten’, denkt men overwegend aan sprinkhanen, maar ook wel aan ‘krekels’  en aan de ‘cicade’ of aan de ‘bladspringer’, een halfvleugelig insect. In deze vertaling is ervoor gekozen om de algemene aanduiding ‘sprinkhaan’ te  combineren met een aanduiding die berust op de taalkundige gegevens betreffende het Hebreeuwse woord. Wat betreft [de eerste soort] (‹aʾrbeh - H697›) lezen wij in de Bijbel  dat ze in zwermen het land kaal vreten (‹Ex. 10:13,19; Nahum 3:17, enz.›). Volgens Job 39:20 is het geluid dat het dier maakt afschrikwekkend. Het zou kunnen, dat het Griekse woord, dat in de Septuaginta staat nl. βρούχον (‹‘donder’›) hiermee verband houdt. In het algemeen denkt men, dat het hier gaat om de ‘gryllus migratorius’ of: ‘treksprinkhaan’. Volgens Niebuhr werd het dier in zijn tijd in Maskat en Baghdad nog steeds zo genoemd. Het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. אַרְבֶּה (‹aʾrbeh›) komt 24 keer in het OT voor, verdeeld over 21 verzen. Het Hebreeuwse woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָבָה (‹rābaẖ - H7235›) dat als eerste betekenis heeft ‘talrijk worden’ of: ‘talrijk zijn’ of ‘veel worden’ of ‘veel zijn’, dat b.v. te vinden is in Gen. 1:22, 28. Hierop is de vertaling ‘zwerm-sprinkhaan’ terug te voeren, want het woord ‘zwerm’ duidt op ‘talrijk zijn’ en is ook een kenmerkend woord in de Bijbel dat wordt genoemd in verband met dit dier.   

H713

[‘purperrode’] - of: ‘paarsrode’. Het Hebreeuwse woord אַרְגָּמָן (‹argāmān - H713›) staat voor ‘purperrood’. Ook deze kleur zou verband houden met een kleurstof die van een slak afkomstig was. Deze kleur houdt het midden tussen purperblauw en karmozijnrood.  

Hooglied 7:6 [‘purperrood’] - verschillende commentatoren menen dat het om een zeer donkere kleur ‘purper’ gaat, die vrijwel als zwart beschouwd kan worden met een roodachtig tintje er doorheen. De kleur wordt ook genoemd in Hgld. 3:10 voor de bekleding van de zitting van de draagkoets van Salomo. De ‘argaman’, zoals de klank van het woord voor deze kleur is, is mogelijk aankomstig van het Sanskrietishe woord ‘ragaman’, waarin ‘raga’ staat voor ‘rood’. De kleur אַרְגָּמָן (‹argaman - H713›) komt 38 keer in het OT voor verspreid over 38 verzen en de kleur wordt het meest gebruikt voor het middelste van de drie tentkleden die de Woning overdekten (‹zie Ex. 25:4 en Ex. 26:1›)en voor de priesterkleding: de tuniek, de gordel, het borstschild en de granaatappels aan de zoom van het priesterkleed. Verder is het vooal een kleur van het koninklijk hof. De kleurstof was volgens Ez. 27:7 van Elisa afkomstig, waarvan men wel denkt dat dat op Cyprus lag, een dagreis per boot van de Karmel af. 

–In ieder geval ziet Salomo het hoofd van zijn bruid als gehuld in heilige en koninklijke kleren, hij ziet in haar een priester-koningin. 

H727

[‘Kist’] - het Hebreeuwse woord ‘אָרוֹן’ (‹ʾārōn’ - H727›) staat voor een kist, schatkist of doodskist. Het woord komt 202 in het OT voor, verdeeld over 174 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord אָרָה (‹ʾārāẖ - H717›) dat ‘verzamelen’ of ‘bijeenbrengen’ betekent.  

–Traditioneel wordt het woord met ‘ark’ vertaald via het Latijnse woord ‘arca’, dat ook ‘kist’ of ‘kast’ betekent en in de Latijnse Bijbel (‹de zgn. Vulgata›) wordt gebruikt. Het is een ander Hebreeuwse woord תֵּבָה (‹ṯēḇāẖ - H8392›), dat zowel voor de ark van Noach (‹Gen. 6:14 e.v.›) als voor het rieten mandje van Mozes (‹Ex. 2:3,5›) wordt gebruikt, maar de betekenis van beide Hebreeuwse woorden is vrijwel gelijk. De ark van Noach bewaart een rechtvaardig man uit een zondige mensheid, de ark van Mozes (‹het rieten mandje›) bewaart een opkomend leider die het volk uit de slavernij zal verlossen voor een dreigende dood, terwijl wij in de Kist van het verbond waar het hier over gaat, de beide stenen tafelen van de Wet vinden, het ‘manna’ in een gouden kruikje en de staf van Aäron die gebloeid had (‹Heb. 9:4›). De Kist diende dus ter bewaring van een Wet op steen, van hemels brood voor elke dag en van het teken van ‘een man die Ik uitkiezen zal’ (‹Num. 17:5›).

Gen. 50:26

[‘kist’] - het Hebreeuws woord אֲרוֹן (‹ʾarōn - H727›) is dit hetzelfde woord dat in Exodus wordt vertaald met ‘Kist’ in de uitdrukkingen ‘de Kist van het Verbond’ of ‘de Kist van de Getuigenis’. Dat is de Kist (‹of ‘de Ark’›) waarin de tafelen van de Wet en de andere heilige voorwerpen waren opgeborgen. In dit vers is het de doodskist van Jozef die op Jozefs instructie (‹vs. 25›) werd meegenomen naar het beloofde land (‹Ex. 13:19; Joz. 24:32›). De doodskist heeft dus lange tijd in Egypte gestaan en heeft daarna de hele tocht door de woestijn van 40 jaar meegemaakt. Zie verder de noot bij Ex. 25:10. 

[‘Kist’] - het Hebreeuwse woord אֲרוֹן (‹ʾǎrōn - H727›) staat voor een kist, schatkist of doodskist. Het woord komt 202 keer in het OT voor, verdeeld over 174 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord אָרָה (‹ʾārāẖ - H717›) dat ‘verzamelen’ of ‘bijeenbrengen’ betekent.  

–Traditioneel wordt het woord met ‘ark’ vertaald via het Latijnse woord ‘arca’, dat ook ‘kist’ of ‘kast’ betekent en in de Latijnse Bijbel (‹de zgn. Vulgata›) wordt gebruikt.

–Er is een ander Hebreeuws woord תֵּבָה (‹ṯēḇāẖ - H8392›), dat zowel voor de ark van Noach (‹Gen. 6:14 e.v.›) als voor het rieten mandje van Mozes (‹Ex. 2:3,5›) wordt gebruikt. De taalkundige oorsprong van dit woord is niet bekend. 

–De betekenis van de Hebreeuwse woorden ʾǎrōn en ṯēḇāẖ is vrijwel gelijk. 

H734

paden

het mannelijke zelfstandig naamwoord אֹרַח  (‹ʾoraḥ - H734›) betekent ‘pad’ of ‘weg’, zowel in letterlijke als figuurlijke zin. Het meervoud is אֹרְחוֹת (‹ʾorḥōt›). Het kan ook betekenen: ‘wijze’ of ‘regel’ zoals in Gen. 18:11 ‘naar de regel voor de vrouwen’ en in poëtische tekst kan het staan voor de reizigers, b.v. in Job 6:19. In de tekst van Ps. 35:4 ‘Maak mij uw paden bekend’, doelen de woorden op een levenswijze die naar Gods wil is.

H750   H639

uiterst geduldig

[‘uiterst geduldig’] - of: ‘erg geduldig’ een combinatie van het woord ‘uitgespreid’ of ‘uitgestald’ met het meervoudige woord ‘neuzen’ of ‘boosheden’, אֶרֶךְ אַפַּיִם (‹ereḵ ʾaṗayīm - H750, H639›), dat dan vertaald kan worden als ‘langgerekt van neuzen’. De neus kan men in dit verband associëren met ‘briesen van boosheid’. De betekenis is dus dat God lang wacht voordat Hij boos wordt: Hij is uiterst geduldig. Traditioneel werd deze Hebreeuwse uitdrukking altijd vertaald met: ‘lankmoedig’. De uitdrukking komt in 13 verzen in het OT voor: Ex. 34:6, Num. 14:8, Neh. 9:17, Ps. 86:15, Ps. 103:8, Ps. 145:8, Spr. 14:29, Spr. 15:18, Spr. 16:32, Jer. 15:15, Joël 2:13, Jona 4:2 en Nahum 1:3. 

H779

[‘vervloeken’] - het Hebreeuwse werkwoord אָרַר (‹ʾārar - H779›) heeft overwegend de betekenis van ‘vloeken’ of: ‘vervloekt zijn’ naar gelang de afgeleide vorm van dit werkwoord. Het woord wordt ook gebruikt in Genesis waar God de aarde en de slang vervloekt.

H768

[‘de haas’] - het vrouwelijk Hebreeuwse woord אַרְנֶבֶת (arneḇeẖ - H768) komt in de Bijbel alleen in Lev. 11:6 en in Dt. 14:7 voor. In wetenschappelijke kringen (‹‘wetenschap’ in de beperkte moderne betekenis van dat woord›) was het lange tijd niet bekend, dat de haas een herkauwer is. Het dier is dan ook niet bij de groep van herkauwers ingedeeld. Hazen en konijnen eten een speciaal deel van hun ontlasting op en herkauwen het op die manier. Het gaat daarbij niet om de gewone keutels, maar om kleine vitaminerijke bolletjes, die direct na de afscheiding weer worden opgenomen, waarbij dan vitaminen door de spijsvertering vrijkomen. Dit proces heeft dezelfde functie als het herkauwen van koeien. De bloedsamenstelling van haasachtigen zou ook dichter bij die van hoefdieren staan dan bij die van knaagdieren. In hygiënisch opzicht blijkt de haas de pestbacil over te kunnen dragen en de gevaarlijke ziekte ‘tularemia’.  

H802

‘mannine’, vrouw, vrouwtje, ieder, elk

het Hebreeuwse woord אִשָּׁה (‹ʾīṧāh - vrouw, met als meervoud nāšīm - H802›) is de meest algemene aanduiding voor ‘vrouw’ in het OT. In Gen. 2:23 is het vertaald als ‘mannine’ om recht te doen aan de Hebreeuwse klankovereenkomst tussen het woord אִישׁ (‹ʾīš - H376 - man›) en het woord אִשָּׁה (‹ʾīṧāh - H802 - vrouw›)  Het woord komt 780 maal voor in het OT verspreid over 686 verzen. 

H814

[‘gave ... geschenken’] - waarschijnlijk gaat het hier om een soort schatting of belastingafdracht of wederdienst, vaak in natura. Het Hebreeuwse woord voor gave is |מִנְחָה| (‹minḥa - H4503›) en het woord dat wij hier als geschenken’ hebben vertaald, is |אֶשְׁכָּר| (‹eškār - H814›), hoewel daar gewoonlijk een ander Hebreeuws woord voor wordt gebruikt. Dit woord ‘eškār’ komt alleen nog in Ez. 27:15 voor, waar het gaat om een geschenken of ruilgoederen van ivoor- en ebbenhout. Het Hebreeuwse woord ‘ebbenhout’ komt ook alleen in Ez. 27:15 voor.    

H815

[‘tamarisk’] - omdat we in 1 Sm. 31:13 ‘tamarisk’ (‹H815›) vinden, maar in het parallelvers in 1 Kr. 10:12 ‘terpentijnboom’, twijfelt Gesenius of het Hebreeuwse woord (‹H815›) niet beter opgevat kan worden als een aanduiding voor een ‘grote boom’. Anderzijds bevestigd het Arabische آثل (‹āṯl›) de betekenis ‘tamarisk’. 

H842

geluksgodinnen

Het vrouweljke Hebreeuwse woord אֲשֵׁרָה (‹ʾăšēraẖ - H842›) met als meervoudsvorm אֲשֵׁרוֺת (‹ʾăšērōṯ›) betekent ‘geluk’. Het woord komt 40 keer in het OT voor verdeeld over 40 verzen, als eerste in Ex. 34:13. Dit woord is ook de naam voor de vrouw van de afgod Baäl. Deze godin ‘Ashera’ zou geluk en vruchtbaarheid brengen. Zij wordt ook wel ‘Astarte’ genoemd en is eigenlijk de Oosterse benaming voor Venus, de Romeinse geluksgodin. Het woord staat ook voor de vele afgodsbeelden van haar, de ‘ʾăšērōṯ’. Dat deze beelden van hout waren, kunnen wij afleiden uit het feit dat ze uit bomen gemaakt werden, omgehakt en verbrand konden worden (‹Dt. 16:21›). Het konden min of meer bewerkte boomstammen zijn, maar ook geheel afgewerkte afgodsbeelden (‹zie 2 Kn. 21:7›).  In de Engelse KJV wordt het vertaald als ‘groves’, d.w.z. ‘bomen’. 

H868    

H2181

hoerenloon

In Dt. 23:19 staat er het Hebreeuwse woord זוֹנָה dat is afgeleid van het werkwoord וֹנָה (‹H2181 - zonāẖ -  hoereren›). Het woord betekent ‘hoer’ en gecombineerd met het Hebreeuwse woord voor ‘loon’ אֶתְנַן (‹H868 - eṯnan›) komen wij dus op ‘hoerenloon’, d.w.z geld of inkomsten van wereldse prostitutie, dus niet noodzakelijk verbonden aan een religieuze ‘cultus’ (‹zie vs. 18›). In Jes. 23:17, 18; Ez. 16:31, 34, 41; Hosea 9:1 treffen wij alleen het woord ‘eṯnan’ aan als een verkorte vorm. Maar in Mi. 1:7 vinden wij weer de hele term ‘hoerenloon’, net als in Dt. 23:19.     

H874

[‘uit te leggen’] - het Hebreeuwse woord |בָּאַר| (‹bā’ar - H874›) kan ook ‘spitten’ of ‘graveren’ betekenen’. Het werkwoord komt 3 keer in het OT voor nl. in Dt. 1:5; Dt. 27:8 en in Hab. 2:2. 

H916

[‘bedoela’] - in het algemeen veronderstelt men dat het hier een geurige hars betreft (‹balsemhars of ‘bedellium’ - H916›). In Num. 11:7 wordt het hemelse ‘manna’ vergeleken met ‘korianderzaad’ en met ‘bedoela’. Enkelen (‹ook Gesenius in navolging van Bochart en de rabbijnen›) houden er rekening mee dat het manna mogelijk ook op kristal of op parels leek. Er is een verwante 4-letterige Hebreeuwse taalkundige wortel die te maken heeft met ‘uitstekend zijn’ of: ‘uitverkoren zijn’. De klank van het woord doet erg denken aan het Hebreeuwse woord voor maagd בְּתוּלָה (‹betulah›), maar ons is geen commentaar bekend dat hiermee een verband legt.  

H954

beschaamd worden

het Hebreeuwse woord בּוֹשׁ (‹bōš - H954›) betekent ‘beschaamd zijn’ of ‘beschaamd worden’, ‘in de war zijn’, ‘in de war raken’, ‘in verwarring raken’, maar ook ‘teleurgesteld zijn’ of ‘teleurgesteld worden’, en soms ‘doorkruisen’, b.v. in de zin van het doorkruisen van iemands plannen (‹b.v. Ps. 14:6›). De Hiphil betekent ‘beschaamd maken’ of ‘beschamen’. De Pilel van het werkwoord betekent ‘uitstellen’ of ‘uitblijven’ of  ‘wachten’. De Hitpalel in Gen. 2:25 betekent ‘blozen’ of ‘beschaamd zijn’ of  ‘zich schamen’

H970

[‘jongemannen’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. בָּחוּר (‹baḥur - H970›) komt 46 keer in het OT voor, verdeeld over 45 verzen. Het betekent ‘jongeman’, een man op de huwbare leeftijd. Het woord wordt geregeld gebruikt in combinatie met het woord ‘maagd’ als de aanduiding van mannen en vrouwen die de huwbare leeftijd hebben bereikt. Zie Dt. 32:25, Ri. 14:10, 1 Sm. 8:16, 2 Kr. 36:17, Ps. 78:63

H1187

[‘Baäl-Peor’] - dat is de ‘eigenaar van Peor’ (‹H1187›), de berg waarop Kamos, de god van de Moabieten, werd aanbeden. Israël was gelegerd aan de voet van deze berg (‹Num. 23:28›). De naam komt in de Bijbel alleen voor in samenhang met deze plaats en gebeurtenis.  

H1197

[‘wegvagen’] - het Hebreeuwse werkwoord בַעֵר (‹ḇaʿēr - H1197›) dient meestal te worden vertaald met ‘verbranden’ of: ‘in brand steken’ (‹Ex. 3:2, 3, 22:5, 35:3, Lev. 6:3, Num. 11:1, 3; Dt. 5:23, 9:15›), soms met ‘grazen’ of: ‘afgrazen’ (‹Ex. 22:4›) en soms met ‘wegdoen’ of ‘wegvagen’ (‹Dt. 26:13,14›) en in enkele gevallen betekent het ‘afgestompt zijn’, ‘bot’ of ‘stompzinnig’ of ‘wreed’ (‹Ps. 94:8; Jes. 19:11; Jer. 10:8, 14, 21; Ez. 21:36›). K&D en anderen zien de oorspronkelijke betekenis van het werkwoord als ‘wegvegen’. De identieke taalkundige wortel van dit Hebreeuwse woord in het Arabisch heeft eigenaardig genoeg de betekenis van ‘mest’, mogelijk omdat mest ook vaak wordt verbrand of weggeveegd.  

[‘deed ... weg’] - het Hebreeuwse werkwoord בָּעַר (‹ḇaʿēr - H1197›) dient meestal te worden vertaald met ‘verbranden’ of: ‘in brand steken’ (‹Ex. 3:2, 3, 22:5, 35:3, Lev. 6:3, Num. 11:1, 3; Dt. 5:23, 9:15›), soms met ‘grazen’ of: ‘afgrazen’ (‹Ex. 22:4›) en soms met ‘wegdoen’ of ‘wegvagen’ (‹Dt. 26:13,14›) en in enkele gevallen betekent het ‘afgestompt zijn’, ‘bot’ of ‘stompzinnig’ of ‘wreed’ (‹Ps. 94:8; Jes. 19:11; Jer. 10:8, 14, 21; Ez. 21:36›). K&D en anderen zien de oorspronkelijke betekenis van het werkwoord als ‘wegvegen’. De identieke taalkundige wortel van dit Hebreeuwse woord in het Arabisch heeft eigenaardig genoeg de betekenis van ‘mest’, mogelijk omdat mest ook vaak wordt verbrand of weggeveegd.  

[‘afgrazen’] - letterlijk: ‘opeten’ of: ‘afvreten’ (‹H1197›). In geval ‘vuur’ het onderwerp van het werkwoord is, zal men het vaak vertalen met ‘verteren’. 

Ook ‘kaal plukken’.

H1219

[‘versterkte’] - het bepaald lidwoord ontbreekt in het Hebreeuws. Dit kan worden verklaard uit de aard van het deelwoord בְּצוּרָה (‹ḃᵉṣūrāh›), dat afgeleid is van het Hebreeuwse werkwoord בָּצַר (‹bāṣar - H1219›), waarvan het lidwoord zelfs in proza weggelaten mag worden als er een bepaald zelfstandig naamwoord aan voorafgaat, in dit geval ‘Jeruzalem’, d.w.z. ‘de stad’. 

H1220

[‘goud[(mijn)]’] - letterlijker: ‘gouderts’, maar volgens K&D gaat het hier, net als in vs. 24, om gouderts dat zo uit de mijn komt. Dit Hebreeuwse woord בֶּצֶר (‹beṣer - H1220›) komt alleen in Job 22:25 in het OT voor. 

H1238

בָּקַק

H1254

het Hebreeuwse werkwoord בָּרָא (‹bārāʾ - H1254›) heeft als hoofdbetekenis ‘uithakken’ of ‘uitsnijden’ of ‘uitkerven’. Het werkwoord betekent ook vaak ‘scheppen’. Het komt in de Piël ook voor in Joz. 17:15, 18 als ‘kappen’, en in Ez. 23:47 als ‘neerhouwen’. Dit woord geeft aan dat Ezechiël op één of ander hard materiaal, mogelijk hout, zijn illustratie graveerde.  

H1261

[‘gevlekte’] - het Hebreeuwse woord בְּרֻדִּים (‹ḃᵊrūḋīm’ - H1261›) komt 4 keer voor in het OT, waarvan twee keer in Zach. (‹6:3, 6›) en twee keer in Gen. 31:10, 12, waar het gaat over gevlekte geitenbokken van de kudde in de geschiedenis van Jakob bij Laban.  

–In Zach. 1:8 vinden wij in de vertaling ook het woord ‘gevlekte’ voor de kleur van een deel van de paarden in het dal, maar in het Hebreeuws is daar sprake van een ander woord nl. שְׂרֻקִּים (‹sᵊrūq̇īm - H8320›), dat alleen nog voorkomt in Jes. 16:8, waar het betrekking heeft op de ranken van de wijnstok en onder het Strongnummer H8291 wordt gerangschikt. Een variant van datzelfde woord vinden in Jes. 5:2 en Jer. 2:21 (‹soreq›) en in Gen. 49:1 שֹּׂרֵקָה (‹sorēqāh›). Sommigen vatten het op als een felrode kleur, maar dat stemt niet overeen met de kleur van donkerrode druiven. Volgens Gesenius zou het ‘roodbruin’, ’voskleurig’ of een lelijke ‘geelbruine’ kleur (‹H8320›) kunnen zijn. In de LXX wordt de kleur als ποικίλοι (‹‘gevlekt’›) aangeduid, vast in een poging om dit vers in overeenstemming te brengen met Zach. 6:2, 3 waar deze kleur wel wordt aangeduid als ‘gevlekt’. De twee manieren (‹Zach. 1:8 en Zach. 6:2›) om deze kleur in het Hebreeuws aan te duiden geven aan dat de kleur ingewikkelder is en dat men die met verschillende termen kan omschrijven. We nemen aan dat dit paard hetzelfde is als het vale of gevlekte paard in Op. 6:8 en in Zach. 1:8.      

H1288

[‘je hebt God ... gelasterd’] - de Hebreeuwse zinsnede בֵּרַכְתָּ אֱלֹהִים וָמֶלֶךְ (‹ḇeraḵtā ęlohīm ḇā-męlęk›) zou normaliter vertaald moeten worden met: ‘Je zegende God en de koning’, maar kennelijk is hier sprake van een negatieve betekenis van het woord ‘ḇeraḵtā’ (‹H1288›), dat door taalkundigen in het tekstverband wordt opgevat als ‘vaarwel zeggen’ of: ‘vervloeken’ of: ‘lasteren’, als één van de mogelijke betekenissen van de Piël-vorm van het werkwoord. Dat hier zowel God als de koning worden genoemd, heeft ermee te maken dat men Nabot wil beschuldigen van de overtreding in Ex. 22:27 om hem op grond van Dt. 13:11 en 17:5 vervolgens te kunnen stenigen. 

H1303

[‘[(scherpe)] kiezelstenen’] - het Hebreeuwse mannelijke znw. |בַּרְקָן| (‹barqān -  H1303›) komt in het OT alleen voor in Ri. 8:7, 16. Het woord is verwant aan het woord voor ‘bliksem’ en Gesenius denkt daarom aan ‘vuurkeien’ die men onder een dorsslede aanbrengt om het graan te dorsen. We hebben een voorkeur voor de kleinere kiezelstenen, want anders zou de dorsslede wel erg gaan hobbelen.

H1304

[‘smaragd’] - een groene edelsteen, die als de edelste uit de beril-groep geldt. De naam komt via het Latijn uit het Perzisch. Ook wordt het Hebreeuwse woord wel met ‘karbonkel’ (‹een roodkleurige edelsteen›) vertaald. Maar omdat de bekende en gezaghebbende Romeinse geschiedschrijver Flavius Josephus de Hebreeuwse term בָרֶקֶת (‹ḇāreqeṯ - H1304›) heeft vertaald met ‘smaragdus emerald’, geven wij de voorkeur aan de vertaling ‘smaragd’. Het Hebreeuwse woord houdt verband met ‘donder’, maar ook met ‘schitteren’ of: ‘glimmen’.  De Midrash geeft rood-wit met zwarte strepen als kleur aan en deelt de steen toe aan de stam Levi.    

H1320

vlees

H1330

maagd


H1331

maagdelijkheid

maagdenvliezen

[‘maagd’] - het Hebreeuwse woord בְּתוּלָה (‹bᵊtūlāh - H1330›) komt 50 keer voor in het OT en in dit vers voor het eerst. Het meervoud is  בְּתוּלוֹת (‹bᵊtūlōt›). Het woord betekent altijd ‘maagd’. De toevoeging hier en ook in Ri. 21:12 dat geen man met haar gemeenschap had gehad, komt ons voor als een nadruk en niet omdat het woord op zich niet duidelijk zou zijn. Het ermee verwante woord ‘bᵊtulim’ (‹H1331›), betekent ‘maagdelijkheid’ of zelfs ‘maagdenvliezen’. Dat het woord heel concreet op een ‘maagd’ duidt, wil niet zeggen dat het ook niet geestelijk of figuurlijk gebruikt kan worden. In Joël 1:8 wordt het volgens Arnold Fruchtenbaum gebruikt voor een weduwe, maar het lijkt eerder om een ondertrouwde vrouw te gaan, van wie de aanstaande man sterft voordat zij het huwelijk met elkaar ten volle hebben voltrokken, want hij sterft voordat zij elkaar hebben gekend, d.w.z. voordat zij met elkaar gemeenschap hebben gehad. In Gen. 24:16 en Ri. 21:12 wordt aan het woord toegevoegd ‘die geen man had gekend’ ofwel ‘met geen man gemeenschap had gehad’, maar een dergelijke toevoeging wil niet zeggen dat het woord op zichzelf niet heel specifiek ‘maagd’ zou betekenen. Overal in het OT heeft het woord zonder meer deze betekenis.   

H1350

terugkopen, vrijkopen, loskopen, lossen, verlossen; verzoenen.


losser

het Hebreeuwse werkwoord גָּאַל  (‹gāʾal - H1350›) heeft in hoofdzaak 4 betekenissen nl.:

1. terugkopen, vrijkopen, loskopen, lossen, verzoenen van een stuk land b.v. in Lev. 25:25 en Ruth 4:4, een slaaf b.v. in Lev. 25:48, 49, een zaak die aan God is gewijd b.v. in Lev. 27:12, 15, 19, 20, 31. Het van dit werkwoord afgeleide deelwoord גֹּאֵל  (‹goʾēl - H1350›) staat voor ‘losser’. Deze term wordt vaak gebruikt voor God die zijn volk lost of verzoend, b.v. uit de slavernij in Egypte in Ex. 6:6 of uit de Babylonische (‹of een andere›) ballingschap in Jes. 43:1, 44:22, 48:20; 49:7 enz. De woorden in Job 19:25 zijn zeer bijzonder: ‘Ik weet: ‘Mijn Losser leeft en Hij zal als Laatste opstaan op het stof!’, waarmee Job, die waarschijnlijk leefde in de tijd dat Israël nog in Egypte was, getuigt van zijn opstandingsgeloof. 

Het is overigens belangrijk te beseffen dat het bij lossing altijd gaat om lossing door een daartoe gerechtigde naaste bloedverwant (‹Lev. 25:25, 49›). 

Het werkwoord wordt vaak gecombineerd met het Hebreeuwse voorzetsel ‘uit’, zoals in Ps. 72:4 waar wij lezen מִתּוֹךְ וּמֵחָמָס יִגְאַל נַפְשָׁם d.w.z. ‘Hij zal hun zielen uit verdrukking en geweld verlossen’ en in Ps. 106:10 lezen wij וַיִּגְאָלֵם מִיַּד אוֹיֵב, d.w.z. ‘Hij verloste hen uit de hand van de vijand’. De mannelijke meervoudsvorm גְּאוּלִים (‹gʾōlīm›) is een passieve vorm die staat voor ‘de verlosten’ of ‘de vrijgekochten’ b.v. in Jes. 35:9, 51:10 en in Job 19:25. Een speciale uitdrukking is גְּאוּלֵי יְהוָה de ‘vrijgekochten van GOD’ in Ps. 107:2. 

In Job 3:5 lezen wij hoe Job spreekt over zijn geboortedag. Hij zegt:  יִגְאָלֻהוּ חֹשֶׁךְ וְצַלְמָוֶת תִּשְׁכָּן עָלָיו עֲנָנָה d.w.z. ‘Mogen de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen’. Het woord ‘opeisen’ is hier het Hebreeuwse werkwoord ‘verzoenen’ of ‘lossen’ en in dit is een zeer speciaal geval, want Job spreekt eigenlijk uit dat de dusiternis en de schaduw van de dood zijn geboortedag maar weer moeten terugkopen, vrijkopen uit het land van de levenden en terugbrengen in de vergetelheid.  

2. geFollowed by D7; to require blood, i.e. to Num. 35:19, seq.; Deu. 19:6,12; Josh. 20:3; 2 Sa.

14:11; and without D77 Nu.35:12. 

3. gecombineerd met het Hebreeuwse woord (‹ ›) betekent het   Since both the right of redemption (No. 1) and the office of avenging, bloodshed (No. 2) belonged

to the nearest kinsman, bad denotes, near of kin, near relative, Num. 5:8; Lev.25:25; Ruth 3:12;

with art. >Ni " the nearest kinsman," Ruth 4:1. 6,8; compare 3:9, 12. The one next after him is

called >Nip Ruth 2:20; compare 4:4. PI. D'Ni relatives, 1Ki. 16:11. (So to the Hebrew 1$ i.e. near

kinsman, answers the Arab, it avenger of blood, and denotes both a friend, kinsman, and a pro

tector, avenger of blood.) 

4. omdat het zowel in het geval van lossing als in het geval van ‘bloedwraak’ gaat om het naaste familielid

(4) Since by the law of Moses it was also the office of the next of kin, when a man died without children,

to marry his widow (see D›', D?'); the verb ba is wiN quebsy%if he will marry thee by right of rela-

tionship, let him marry thee, but if he will not, will marry thee;" compare Tob.3:17.

NiMAL, pass. of Kal No. 1, to be redeemed, of a field and farm, Lev. 25:30; of consecrated things, Lev.

27:20, 27, 28, 33; of a slave, Lev. 25:54; reflex. to redeem oneself, ib., verse 49.

Derivatives 12N, D'21N7 and pr. n. 307!

H1351

גָּאַל 11 DIt Hebreeuwse werkwoord komt 11 keer in het OT voor, verdeeld over 9 verzen.  De eerste betekenis van het werkwoord is ‘bezoedelen’ of ‘bevuilen’ of ‘verontreinigen’.  De spelling van dit werkwoord is gelijk aan die van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘lossen’ onder H1350.

H1368

held, sterke man

geweldig, heldhaftig,

geweldig man, geweldenaar, tiran

belangrijk, aanzienlijk ,

sterke kerel

het Hebreeuwse woord גִּבֹּר (‹ġiḃōr - H1368›) met als meervoud גִּבּוֺרִים (‹ġiḃōrīm›) staat in de meeste gevallen voor ‘helden’ of ‘sterke mannen’, maar het wordt b.v. in Ruth 2:1 ook gebruikt voor hebben van een geweldig vermogen en in 1 Kn. 11:28 duidt het op bekwaamheid: ‘een geweldig bekwaam man’ (‹גִּבּוֹר חָיִל›). Het kan ook gaan om een geweldig vermogend man. In Gen. 10:8, waar het in het enkelvoud staat, hebben we het ten aanzien van Nimrod vertaald als  ‘een geweldig (‹machthebber›)’ en in Ps. 52:3 als een ‘tiran’. In Jes. 3:2 en Ez. 39:20 staat het voor de held, de leider van de soldaten of strijders. Het woord wordt ook gebruikt voor de helden van David in 2 Sm. 23:8, 1 Kn. 1:8, 1 Kr. 11:26; 29:21. Die helden waren beslist leiders onder de strijders van David. In Jes. 9:5 en 10:21 staat het woord voor ‘machtig’ in de uitdrukking ‘machtige God’.  

H1434

[‘koorden’] - of: ‘kwasten’ (‹zie ook Dt. 22:12›). Het Hebreeuwse woord גְּדִלִים (‹gᵉdilīm - H1434›) komt alleen op deze beide plaatsen in het OT voor. 

H1471

H5971 [‘dit volk is uw [(eigen)] volk!’] - in het Hebreeuws staan hier twee woorden die beide ‘volk’ betekenen. Het eerste is גּוֹי (‹gōy - H1471›), dat op diverse plaatsen wordt gebruikt voor de volken buiten Israël, maar ook wel voor Israël b.v. Israël is mijn heilig volk (‹Ex. 19:6›). Het tweede is עַם (‹ʿam- H5971›) en betekent ook ‘volk’, maar wordt vaak voor Israël gebruikt als volk van God. We hebben dat in dit vers expliciet gemaakt met de toevoeging ‘eigen’. 

H1481

als  vreemdeling verblijven

[‘Gersom’] - de Hebreeuwse naam |גֵּרְשֹׁם| (‹gēršom - H1647›) betekent ‘vreemdeling daar’ of ‘verdrevene’. De naam hangt samen met het Hebreeuwse werkwoord |גָּרַשׁ| (‹gāraš - H1644›) dat als eerste betekenis heeft: ‘wegjagen’ of ‘verdrijven’, want Mozes was als het ware weggejaagd uit Egypte. Maar de tekst laat ook zien dat Mozes bij de naamgeving van zijn zoon vooral een samenhang bedoelde met het Hebreeuwse mnl. znw. |גֵּר| (‹gēr - vreemdeling - H1616›), dat is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גּוּר| (‹gūr - H1481›), dat als eerste betekenis heeft ‘als vreemdeling ergens verblijven’, namelijk door van de weg af te wijken en ergens een verblijfplaats voor de nacht te zoeken. De uitleg van de betekenis van deze naam lezen wij ook in Ex. 18:2. De naam Gersom komt 8 keer in het OT voor. Alleen in 1 Kr. 5:7 staat er weliswaar de naam ‘Gersom’ met een ‘m’ als laatste letter, maar in werkelijkheid gaat het om ‘Gerson’ met een ‘n’ als laatste letter, de zoon van Levi, en in Ezra 8:2 gaat het om een zoon van Pinehas, in alle 6. andere gevallen gaat het om Gersom, de zoon van Mozes. We moeten deze naam niet verwarren met de naam Gerson met een ‘n’ i.p.v. een ‘m’ aan het eind (‹H1648›) die 17 keer in het OT voorkomt verdeeld over 17 verzen, ook al heeft die vrijwel dezelfde betekenis. Het woord ‘vreemdeling’ wordt in het OT vaak gecombineerd met het Hebreeuwse mnl. znw. |תּוֹשָׁב| (‹tōšāḇ - H8453›) dat ‘bijwoner’ betekent b.v. ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht’ in 1 Kr. 29:15. Dat woord komt 14 keer in het OT voor, verdeeld over 13 verzen

H1488

[‘het scheersel’] - het Hebreeuwse mnl. znm. |גֵּז| (‹gēz - H1488›) komt 4 keer voor in het OT en heeft 2 keer betrekking op de scheerwol van de schapen, het scheersel (‹Dt. 18;4, Job 31:20›), en 2 keer op het ‘maaisel’ van het gras (‹Ps. 72:6 en Amos 7:1›). Het neerdalen van de regen op gemaaid veld betekent voor de boer dat het gemaaide (‹gras›) weer kan gaan groeien en op zijn tijd weer een nieuwe oogst kan gaan opleveren. Het woord is verwant aan de woorden onder Strongnr. H1468 en H1491. 

H1491

H1468

[‘afgezonderd’] - in Ps. 71:6 treffen wij het deelwoord aan van het Hebreeuwse werkwoord |גָּזָה| (‹gāzāh - H1491›), dat alleen in deze psalm in het OT voorkomt. De eerste betekenis van dit werkwoord lijkt ‘afsnijden’ te zijn, nl. afsnijden van de navelstreng. In de Targum komt het verwante Aramese woord voor in de naam van de visarend in Lev. 11:13 en Dt.  14:12, in het Engels ‘osprey’, in het Aramees ‘bar gazā’ (‹בַר גּוֹזָא›), ‘zoon van degene die (‹zijn prooi d.w.z. vissen›) afzondert’ of ‘afsnijdt’ of ‘uittrekt’ met zijn zeer scherpe klauwen. In Ps. 71:6 kan het woord onmogelijk een negatieve betekenis hebben. De psalmist ziet God als degene die Hem al koestert als hij nog in baarmoeder is en als degene die hem, zoals een vroedvrouw die de navelstreng doorsnijdt, definitief losmaakt uit de fysieke gebondenheid aan en verbondenheid met de moeder en zich over hem ontfermt.  Een verwant woord is |גֵּז| (‹gēz - H1488›) dat in 4 verzen in het OT voorkomt nl. in Dt. 18:4 en in Job 31:20 voor het scheersel de schapen, de schapenwol, en in Ps. 72:6 en Amos 7:1 voor het maaisel van het veld. Beide woorden tonen inhoudelijk duidelijk een verband met de betekenis ‘afsnijden’. Het Hebreeuwse werkwoord |גּוּז| (‹gūz - H1468›) in Ps. 90:10 heeft als eerste betekenis ‘voorbijgaan’ of ‘doorbrengen’ (‹b.v. de tijd doorbrengen’›) en is ook verwant aan ‘gāzāh’ onder Strongnr. H1491.   

H1544

drolgod(en)

het mannelijke Hebreeuwse znw. גִּלּוּל (‹ġillūl - H1544 meervoud גִּלּוּלִים, ġillūlīm›) komt 48 keer voor in het OT verdeeld over 40 verzen De eerste keer dat wij het woord in het OT vinden is in Lev. 26:30. Het betekent ‘boomstam’, ‘houtblok’, in de zin van een rolbaar object. Het woord  is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord גָּלַל (‹ġālal - H1556›), dat als eerste betekenis ‘rollen’ heeft, waarbij te denken valt aan boomstammen of rotsstenen die naar een bepaalde plaats werden gerold om daar vervolgens overeind gezet te worden om als afgod dienst te doen. Het daarvan afgeleide znw. גָּלָל (‹ġālāl - H1557›) komt één keer in de Bijbel voor in 1 Kn. 14:10. Het is daar vertaald als ‘mest’, maar eigenlijk gaat het om mest in de vorm van ‘keutels’ of ‘drollen’. Het zijn ook ‘rolbare’ voorwerpen. De vertaling van het Hebreeuwse woord ‘ġillūlīm’ als ‘drolgoden’ combineert het idee van ‘rollen’ met dat van ‘mest’ en vormt zo ook een verachtelijke aanduiding voor de afgodische boomstammen of houtblokken die in Israël werden opgericht.  

H1556

rollen

het Hebreeuwse werkwoord גָּלַל (‹ġālal - H1556›) heeft als eerste betekenis ‘rollen’ heeft, waarbij te denken valt aan boomstammen of rotsstenen die naar een bepaalde plaats werden gerold om daar vervolgens overeind gezet te worden om als afgod (‹H1544›) dienst te doen. Het werkwoord komt 18 keer in het OT voor, verdeeld over 18 verzen. Het werkwoord wordt in de Niphal ook gebruikt voor het rollen van de golven in Amos 5:24 en het opgerold worden van de hemel in Jes. 34:4 en in de Pual vinden wij in Jes. 9:4 voor in bloed gerold worden. 

H1557

drol, keutel

Het daarvan afgeleide znw. גָּלָל (‹ġālāl - H1557›) komt één keer in de Bijbel voor in 1 Kn. 14:10. Het is daar vertaald als ‘mest’, maar eigenlijk gaat het om mest in de vorm van ‘keutels’ of ‘drollen’. Het zijn ook ‘rolbare’ voorwerpen.

H1563

Het Hebreeuwse werkwoord גָּלַם (‹ġālam - H1563›), waarvan dit woord is afgeleid, betekent ‘opgevouwen zijn’ of opgerold zijn’. Wij komen het alleen in 2 Kn. 2:8 tegen waar het duidt op het oprollen van de mantel van Elia. Ongetwijfeld gaat het hier om een aanduiding van het embryo, als een klein in elkaar gevouwen, opgerold mensje dat nog uitgerold of ontvouwen moet worden. Het Hebreeuwse woord duidt dus beslist niet op een vormeloos of ongevormd begin in de zin van ‘een nog niet mens zijn’, zoals sommigen menen. Laten wij denken aan de opgerolde mantel van Elia, die wel volledig mantel was. Maar omdat hij zo in elkaar gerold zit, kun je niet goed zien dat het een mantel is of hoe hij eruit ziet en in die zin kan men wel van ‘vormeloos’ spreken. Alleen door hem uit te rollen kom je erachter dat het om een mantel gaat. Mensen trekken wel eens verkeerde conclusies uit een bepaald woord in de Bijbel of een bepaalde vertaling ervan en zo heeft men hier wel ten onrechte beweerd dat het embryo in de baarmoeder volgens de Bijbel nog geen mens is. Het tegendeel is het geval. De Bijbel zegt juist wel dat het hier om een volledig mensenkind gaat, maar in zijn prille staat: zijn opgerolde begin.  

H1564



[‘opgerolde begin’] - vrij vertaald zouden wij kunnen zeggen, dat het hier gaat om het ‘prille begin’. In de Griekse LXX, de Septuaginta, is de lezing van deze woorden: 'ongevormde staat'. In de Hebreeuwse grondtekst van de Bijbel staat er het Hebreeuwse woord גֹּלֶם (‹ġolem - H1564›) dat alleen op deze plaats in het OT voorkomt. Het Hebreeuwse werkwoord גָּלַם (‹gālam - H1563›), waarvan dit woord is afgeleid, betekent ‘opgevouwen zijn’ of opgerold zijn’. Wij komen het alleen in 2 Kn. 2:8 tegen waar het duidt op het oprollen van de mantel van Elia. Ongetwijfeld gaat het hier om een aanduiding van het embryo, als een klein in elkaar gevouwen, opgerold mensje dat nog uitgerold of ontvouwen moet worden. Het Hebreeuwse woord duidt dus beslist niet op een vormeloos of ongevormd begin in de zin van ‘een nog niet mens zijn’, zoals sommigen menen. Laten wij denken aan de opgerolde mantel van Elia, die wel volledig mantel was. Maar omdat hij zo in elkaar gerold zit, kun je niet goed zien dat het een mantel is of hoe hij eruit ziet en in die zin kan men wel van ‘vormeloos’ spreken. Alleen door hem uit te rollen kom je erachter dat het om een mantel gaat. Mensen trekken wel eens verkeerde conclusies uit een bepaald woord in de Bijbel of een bepaalde vertaling ervan en zo heeft men hier wel ten onrechte beweerd dat het embryo in de baarmoeder volgens de Bijbel nog geen mens is. Het tegendeel is het geval. De Bijbel zegt juist wel dat het hier om een volledig mensenkind gaat, maar in zijn prille staat: zijn opgerolde begin.  

H1573

Het Hebreeuwse woord גֹמֶא (‹H1573›) komt vier keer voor in het OT nl. in Ex. 2:3 (‹rieten›), Job 8:11 (‹papyrus›), Jes. 18:2 (‹biezen›) en Jes. 35:7 (‹biezen›). Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord גָּמָא (‹H1572›)

H1576

[‘de verdienste’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. |גְּמוּל| (‹ġᵉmūl - H1576›), dat 19 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 17 verzen, heeft als  eerste betekenis ‘handeling’ of ‘daad’, maar dan vooral de som ervan in positieve of negatieve zin: ‘verdienste’. Het woord krijgt deze positieve of negatieve betekenis als gevolg van het zins- en tekstverband. Voorbeelden van het gebruik vinden wij in Ri. 19;16, Jes. 3:11, Jes. 35:4, Jes. 66:6,  Ps. 28:4, Ps. 103:2, Spr. 12:14, Joël 3:4, 7 en Ob. 1:15. Het kan gaan om een beloning, een vergoeding, maar ook een rechtmatige vergelding voor een verkeerde handeling of verkeerd gedrag: iemand zijn verdiende loon geven. Het kan. gaan om een weldaad of een misdaad of slechte daad. 

H1581

[‘kameel’] - het mannelijke Hebreeuwse woord גָּמָל (‹ġāmāl - H1581›) komt 54 keer in het OT voor verdeeld over 51 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord גָּמַל (‹ġāmal - H1580›) dat ‘goed doen’ of ‘belonen’ of ‘vergoeden’ betekent, maar ook ‘spenen’ b.v. in Jes. 11:8 of ‘rijp worden’ of ‘rijpen’ b.v. in Jes. 18:5.

–De kameel is geen hoefganger. Hij loopt op zijn voetzolen (‹lees in dit verband ook Lev. 11:26, 27›). Wel heeft hij aan één poot twee hoeven, of beter gezegd: nagels. Deze worden bij het lopen niet gebruikt. Eén en ander geldt ook voor de dromedaris. Dat is van belang om hier te noemen omdat de dromedaris (‹met één bult›) ‘de kameel van het Midden-Oosten’ is. De kameel met de twee bulten is vooral in Azië te vinden. In het Hebreeuws en Arabisch is er in de volksmond maar één woord voor beide dieren. 

H1580

[‘borstvoeding kreeg’] - het Hebreeuwse werkwoord גָּמַל (‹gamal - H1580›) komt 37 keer in het OT voor, verdeeld over 32 verzen. Het werkwoord kan ook neutraal ‘geven’ of: ‘tonen’ betekenen. In Jes. 28:9 vinden we het ook in het kader van borstvoeding, maar door het toegevoegde voorzetsel betekent het daar ‘spenen’. Zie de toelichting bij dat vers. Het spenen was waarschijnlijk een soort familiefeest net als bij de Hebreeën (‹Gen. 21:8›) en andere naties (‹zie Dougtaei Analecta ss . i. 22 e.v.›). De ceremonie werd waarschijnlijk geleid door de koningin in het paleis, want meteen daarop werd het jongetje opgenomen onder de koningskinderen en met hen opgevoed.

H1588

[‘hof’] - de letterlijke betekenis van dit Hebreeuwse woord is: ‘omheind gebied’ (‹H1588›). In de Griekse Septuaginta lezen wij hier het woord ‘paradijs’ in plaats van ‘hof’ of ‘tuin’. In het Nederlands spreekt men daarom van ‘het paradijs’. Ook vinden wij in diverse Bijbelvertalingen de uitdrukking: ‘hof van Eden’. Uit het vervolg van de tekst zou men ook kunnen afleiden dat het om een boomgaard ging met fruitbomen. 

H1616

[‘vreemdeling’] - letterlijk: ‘de vreemdeling’. Er zijn inwonende vreemdelingen (‹גֵּר צֶדֶק - ‘gēr ṣedeq’ - H1616, H6664›) die zich hebben laten besnijden en er zijn vreemdelingen die zich niet hebben laten besnijden (‹גֵּר תּוֹשָׁב - ‘gēr tōšāḇ’ - H1616, H8453›). 

H1624

opwekken, aanzetten tot, veroorzaken

H8409


Het Hebreeuwse werkwoord wordt vaak vertaald met ‘samenkomen’ of: ‘samenscholen’, waarbij men veronderstelt dat het om een afgeleide vorm gaat van het Hebreeuwse werkwoord גּוּר (‹‘ġūr’ - ‘verblijven’ - H1481›). Wij geven de voorkeur aan de betekenis ‘veroorzaken’ o.g.v. de LXX, de Targum,  K&D en de NET Bible. Het woord is in deze zienswijze afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord גָּרַה (‹ġārah - ‘opwekken’ of ‘aanzetten tot’ - H1624›), waarvan wij de imperfectum van de Hitpael aantreffen in Dt. 2:9, 24›). De Aramese variant van het Hebreeuwse werkwoord is גָּרֵא (ġāreʾ›) in de Targum. 

H1675

het Hebreeuwse werkwoord דָּאָה (dāʾāẖ - H1675), dat als eerste betekenis ‘vliegen’ heeft, vooral ‘snel vliegen’, komt 4 keer in het OT voor, verdeeld over 4 verzen.  

H1676

[‘de vliegensvlugge rover’] - het Hebreeuwse woord דָּאָה (‹H1676›) komt alleen voor in Lev. 11:14. Het duidt taalkundig gezien op een snel vliegende roofvogel. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord דָּאָה (dāʾāẖ - H1675), dat als eerste betekenis ‘vliegen’ heeft, vooral snel vliegen. DIt werkwoord lkomt 4 keer in het OT voor, verdeeld over 4 verzen. In vrijwel alle vertalingen doet men een poging de vogel te benoemen:  ‘rode wouw’ of  ‘wouw’ (‹naar de Vulgata - ‘milvum’›), of ‘gier’ (‹naar de Septuaginta - ‘γυπα’›) of  ‘buizerd’,  maar er is geen zekerheid.  Vredenburg vertaalt met ‘zwarte havik’. 

H1680

[‘bracht hun slechte praatjes over aan hun vader’] - de meningen zijn niet eensluidend over wat de Hebreeuwse tekst precies zegt. Anderen vertalen de tekst zo, dat het erop neerkomt dat Jozef een slecht verslag over hen uitbracht. Ook de Peshitta geeft het zo weer. Er zijn ook vertalingen die de broers allerlei slechte dingen onder elkaar laten zeggen, wat Jozef dan zou hebben doorgeven aan zijn vader. Ook zijn er vertalingen die de mensen in de omgeving allerlei slechte dingen over de broers aan Jozef laten zeggen, wat Jozef dan weer aan zijn vader zou hebben doorgegeven. De LXX zegt dat de zonen een slecht verslag over Jozef uitbrachten aan hun vader, maar die weergave wijkt af van de Masoretische grondtekst. Letterlijk staat er:  Jozef bracht hun slechte gepraat (‹of ‘hun slechte lasterpraat’›) naar hun vader’. Anders gezegd: ‘Jozef bracht de inhoud van wat zij zeiden over naar zijn vader’. Wat zij zeiden, wordt niet vermeld, behalve dan dat de inhoud ‘kwaad’’ of ‘slecht’ was, waaraan wij moeten toevoegen dat het Hebreeuwse woord ‘gepraat’ of ‘praatjes’ op zich ook al niet neutraal is, maar negatief is en wijst in de richting van ‘lasterpraat’. Het Hebreeuwse woord דִּבָּה (‹‘dibāẖ’ - H1681›) komt o.a. ook voor in Num. 13:32 en Num. 14:36 en Ps. 31:13 en Spr. 10:18. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord דָּבַב (‹dabab - H1680›), dat alleen in Hgld. 7:10 voorkom, waar het vertaald is als ‘in beroering brengen’ en als het over de lippen gaat, kan het ook ‘lasteren’ gaan betekenen (‹Gesenius en K&D in hun commentaar bij Hgld. 7:10›)

H1687

[‘binnen[(zaal)]’] - het Hebreeuwse woord דְּבִיר (‹dḇīr - H1687›) vinden we, behalve in Ps. 28:2, alleen in de boeken Koningen en Kronieken. In de psalm is het de plaats waarheen de psalmist zijn handen in het gebed uitstrekt. Het woord staat voor het Allerheiligste, ook wel het Heilige der Heiligen genoemd. Taalkundig gezien heeft het woord de betekenis van ‘wat achter is’, dus in dit verband is de vertaling ‘achter(‹zaal›)’ geschikt, maar omdat dat in het Nederlands ook de betekenis van ‘minder belangrijk’ kan oproepen, is gekozen voor de vertaling met ‘binnenzaal’. Vergelijk het Arabische دَبَرَ en de uitdrukking ‘mudbiran wa muqbilan’ (‹مُدْبِراً و مُقْبِلاً - ‘van achter en van voren’›).

H1696

spreken over - Strongnr. H1696

H1710

[‘overvloedig mogen wemelen’] - er is een relatie tussen het Hebreeuwse woord דָּגָה (‹dagāẖ - H1710›) voor ‘vis’ en het Hebreeuwse werkwoord דָּגַה (‹dāgaẖ - H1711›) voor ‘overvloedig zijn’ of: ‘overvloedig wemelen’, immers vissen kunnen in enorme grote scholen in de zeeën en wateren aangetroffen worden. De uitdrukking ‘overvloedig wemelen’ komen wij met dit werkwoord in de Bijbel alleen in dit vers tegen. Het woord heeft dezelfde letterstam als het Hebreeuwse woord voor ‘vis’.  



H1736

[‘liefdesappels’] - het is niet zeker welke planten hier worden bedoeld met het Hebreeuwse woord דוּדָאִים (‹‘ḏūḏāʾīm’ - H1736›), maar op gezag van de Septuaginta die dit weergeeft met ‘appels van de mandragora’, vertalen we hier met ‘liefdesappels’ omdat het planten betreft die - naar men veronderstelde - bij het gebruik een speciaal effect teweeg zouden kunnen brengen. De vertaling zou ook kunnen luiden ‘appels van de alruin’, de naam voor deze plant in het Nederlands. De wortels van deze plant doen, met enige fantasie, denken aan de gestalte van een man. In het Midden-Oosten is de plant ook bekend omdat ze ’s nachts licht geeft ofwel fluoresceert en heeft daarom de bijnaam ‘nachtlamp’. Aan deze plant en haar diverse onderdelen worden verschillende werkingen toegeschreven zoals de bevordering van de vruchtbaarheid van de vrouw, een kalmerende werking, een pijnstillende werking, een therapeutische werking bij reuma en astma, een hallucinogene werking, maar ook vergiftiging. 

H1738

[‘ongesteldheid’] - het Hebreeuwse woord דָּוָה (‹dāwāẖ - in dit vers als infinitief met ‘haar’ als vrwl. suffix 3e pers. enkv. - dōṯaẖ̇ - H1738›) is een infinitief en komt in het OT alleen in dit vers voor en betekent ‘zwakheid’ of ‘ongesteldheid’. In Lev. 15:33 en 20:18 wordt een verwant woord (‹H1739›) gebruikt voor een ongestelde vrouw en het woord wordt daar gekoppeld aan de bloedvloeiing bij de menstruatie. Het woord komt ook nog voor in Jes. 30:22 en in Klg. 1:13 en Klg. 5:17. In Klaagliederen is het vertaald in ze zin van ‘ziek zijn’ of ‘ziek’ of ‘mat worden’. 

H1739

zie H1738

H1744

[‘hop’] - het Hebreeuwse vrouwelije zelfst. nmw. דּוּכִיפַת (‹doḵifat - H1744›) wordt door Gesenius op taalkundige gronden in verband gebracht met een ‘auerhoen’ of ‘bergfazant’. Vredenburg noemt de ‘bergvalk. De meeste vertalingen kiezen voor ‘hop’ in navolging van de Septuaginta εποπα, ‘epopa’ en van de Vulgata (‹in het Latijn ‘opupam quoque’›).     

H1758

zie ook

....


H1760

neerstoten, omstoten, omduwen

het Hebreeuwse werkwoord דָּחָה (‹dāḥār - H1760›) doelt op een krachtige handeling in de vorm van harde stoot met als bedoeling de ander aan het wankelen te brengen en te laten vallen of hem te verdrijven. Het komt 10 keer in het OT voor waarvan 6 keer in de Psalmen, de eerste keer in Ps. 35:5 en de laatste keer in Jer. 23:12. 

H1772

[‘de snelle vlieger’] - het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. דַּיָּה (‹dāyāẖ̄’ - H1772›) dat alleen in Dt. 14:13 in het OT voorkomt, is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord דָּאָה (‹H1675›) dat ‘snel vliegen’ betekent. De Septuaginta laat deze naam weg, de Vulgata heeft ‘milvum’, een havikachtige vogel. Gesenius suggereert dat mogelijk sprake is van een variant van de eerste vogel in Lev. 11:14  דָּאָה (‹dāāʾẖ - H1676›), waarvan de middelste klank dan verdubbeld zou zijn en zo de naam van de derde vogel hier voorstelt, waarbij Gesenius denkt aan een wouw of valk, terwijl Bochart aan de zwarte gier denkt.

H1790 


verdrukte

het woord (‹H1790›) komt 4 keer in het OT voor: Ps. 9:10; 10:18; 74:21 en in Spr. 26:28. Het werkwoord waar het mee verbonden is, betekent ‘verbrijzelen’ (‹H1794›). Andere voor deze psalmen kenmerkende ‘categorieën’ mensen zijn: 

(‹a›) de armen, die weinig bezitten - אֶבְיוֹן (‹H34›). Dit bijvoeglijk naamwoord komt 61 keer in het OT voor, waarvan 23 keer in de psalmen; 

(‹b›) de arme, geringe עָנִי (‹ʿānī - H6041›). Dit bijvoeglijk naamwoord komt 75 keer in het OT voor, waarvan 29 keer in de psalmen en heeft betrekking op hen die lijden door armoede en verdrukking;

(‹c›) het verwante naamwoord  עָנָו (‹ʿānāw - H6035›). dat staat voor arme, nederige, verdrukte komt 21 keer voor in het OT waarvan 12 keer in de psalmen.

H1792, H1793

[‘verbrijzelden’] - het Hebreeuwse woord דַּכָּא (‹dakā - H1792, H1793›) dat vier keer, als zelfst. nmw. en als bijwoord, voorkomt in het OT (‹Ps. 34:19, Ps. 90:3 - 2 keer, Jes. 57:15›), heeft de betekenis van ‘verbrijzeld’ of verpulverd zijn’. 

H1818

bloed

het mannelijke zelfstandige naamwoord דָּם betekent ‘bloed’ (‹dām - H1818›). De meervoudsvorm die in Ps. 26:9 gebruikt wordt, is דָּמִים (‹dāmīm›). Het woord is verwant aan het woord ‘adam’ voor de mens en aan de naam Edom, waarvan de bergen een rode tint hebben. Het woord kan ook betekenen ‘bloedvergieten’ zoals in Ps. 26:9.  In Gen. 49:11 en Dt. 32:14 vinden wij de uitdrukking ‘het bloed van de druif’, d.w.z. het ‘druivensap’ van de donkere druiven. In Ps. 139:19 lezen wij over ‘mannen die bloedvergieten’, letterlijk ‘mannen van ’bloed’ (‹meervoud ‘dāmīm’›). 

H1831

[‘het sap [(van je pers)]’] - de letterlijke betekenis van het Hebreeuwse woord דֶּמַע is ‘traan’ (‹demaʿ - H1831›). Het komt in deze vorm alleen in dit vers voor in de Bijbel. Overdrachtelijk is het vocht dat wordt uitgeperst, vandaar onze vertaling met ‘sap’. 

H1856

[‘doorstoken’] - het Hebreeuwse werkwoord דָּקַר (‹dāqar - H1856›) betekent ‘doorsteken’, eventueel ‘doorboren’. Het werkwoord komt 11 keer in het OT voor. 

H1863

[‘distels’] - het Hebreeuwse mnl. znw. |דַּרְדַּר| (‹dardar - H1863›) komt alleen voor in Gen. 3:18 en in Hos. 10:8, in beide gevallen in de uitdrukking ‘dorens en distels’. Volgens Gesenius is het een weelderig groeiende, maar nutteloze plant. 

H1870 

(levens)pad,

weg, wegen, levensweg

het mannelijk zelfstandig naamwoord דֶּרֶךְ (‹dereḵ - H1870›) betekent ‘pad’, ‘reis’, ‘weg’. Het is afgeleid van het werkwoord דָּרַךְ (‹dāraḵ - wandelen, betreden - H1869›). Naast de letterlijke betekenis ‘pad’ of ‘weg’ (‹Gen. 3:24; Num. 22:23; 1Kn. 13:24›), reis langs een weg (‹Gen. 30:36; Ex. 5:3; 1 Sm. 15:18›) heeft het woord ‘dereḵ’ drie gedachten in zich: [1]. levensloop: karakter en context van het leven, duistere wegen (‹Spr. 2:13›), liefelijke wegen (‹Spr. 3:17›), wijze wegen (‹Spr. 6:6›), [2] gedrag in het leven, de levenswandel: specifieke keuzen en gedragingen. B.v. in Gen. 18:19; Ps. 1:6; Spr. 3:6; Dt. 8:6; 2 Sm. 22:22; Jer. 5:4›), [3] de gevolgen van dat gedrag (‹onvermijdelijke bestemming›). Het begrip ‘levensstijl’ omvat wel de eerste twee punten, maar niet noodzakelijk de derde.  

H1880

[‘vettigheid’] - het Hebreeuwse mnl. zelfst. nmw. |דֶּשֶׁן| (‹dešen - H1880›) komt 15 keer in het OT voor, verdeeld over 14 verzen en de eerste betekenis ervan is ‘vettigheid’ en de tweede betekenis is ‘as’, in het bijzonder de asresten van de offers, die door de priesters buiten de legerplaats moeten worden gebracht. 

H1892


Het Hebreeuwse mnl. znw. |הֶבֶל| (‹hebel - H1892›) komt 73 keer in het OT voor, verdeeld over 64 verzen. Het heeft als eerste betekenis ‘adem’, ‘ademtocht’, en vervolgens ‘nevel’ of ‘damp’, en in overdrachtelijke zin ‘leegheid’ of ‘nietigheid’ of ‘vergankelijkheid’ of ‘voorbijgaand’ zoals het vaak vertaald is in Prediker; ‘voorbijgaand van aard’. 

‘Hebel’ is ook de naam ‘Abel’, de naam van de zoon van Adam, die door zijn broer Kaïn werd vermoord. 

H1894

Ebbenhout is zwartgekleurd hout, dat zo zwaar is dat het in water zinkt. Ebbenbomen groeien onder meer op Ceylon en het hout ervan is duur, omdat de boom bijzonder langzaam groeit. Het Hebreeuwse woord |הֹבְן| (‹hoḇn - H1894›) komt alleen in Ez. 27:15 voor. 

H1902

higāyōn

[‘Laat de snaren klinken’] - het Hebreeuwse woord הִגָּיוֹן (‹higāyōn - H1902›) vinden wij ook in Ps. 92:4 als een aanduiding voor snarenspel. Het woord is afgeleid van het werkwoord הָגַה (‹hāg̱ah - H1897›) dat staat voor ‘grommen’, ‘kreunen’, ‘zuchten’, ‘spreken’ en in figuurlijke zin voor ‘zich bezinnen op’, ‘overdenken’, ‘murmelen’, ‘jammeren’, ‘grommen’ (‹van een leeuw›) en ‘het kirren van een duif’. Kortom een woord met een groot toepassingsgebied. 

H1942

begeerte, zondige begeerte,

afgrond, ondergang, verderf

het Hebreeuwse meervoudige woord הַוָּה (‹haẇāh - H1942›) heeft de betekenis van ‘menselijke zondige begeerte’, maar ook van ‘vernietiging’ of ‘ondergang’ of ‘verderf’ of ‘ramp’. In het tekstverband is o.i. ‘afgrond’ de juiste vertaalkeuze, omdat zo in combinatie met het woord ‘mond’ het beeld van huiveringwekkende diepte en daarmee van de ondergang zo duidelijk geschetst wordt.  



H1949

‘verwarring’ - het Hebreeuwse werkwoord |הוּם| (‹ẖūm - H1949›) komt 6 keer voor in het OT: Dt. 7:23 (‹God drijft de volken uit het beloofde land door ze in verwarring te brengen of door hen aan het beven te brengen›), Ruth 1:19 (Bethlehem raakt in rep en roer, de tijd is genaderd dat God zijn volk als bruid zal vrijkopen, dat is ten minste het grote onderwerp van Ruth›), 1 Sm. 4:5 (‹de ark wordt onder groot gejuich en grote beroering in de legerplaats van Israël gebracht›), 1 Kn. 1:45 (‹Jeruzalem is in rep en roer door het uitroepen van het koningschap van Salomo›), Ps. 55:3 (‹het hart van de verdrukte is een en al beroering door het lijden›) en Mi. 2:12 (‹de kudde, het volk van de HEERE zal in de eindtijd, als zij uit de volken verzoend wordt, een geweldige grote kudde vormen en haar geluid zal zeer indrukwekkend zijn, het zal gonzen van de mensen›). De eerste betekenis van het werkwoord is ‘in beweging zetten’, ‘in beroering brengen’. Dat kan een positieve of negatieve lading hebben. Het opvallende van het gebruik van dit woord in het OT is dat het steeds in verband met een grote gebeurtenis van Godswege verbonden is, met een heilsfeit of een onheilsfeit, een oordeel. 

H1974

[toelichting] - het Hebreeuwse woord הִלּוּל (‹ẖilūl - H1974›) komt alleen in Lev. 19:24 en in Ri. 9:27 voor. In Ri. 9:27 staat het woord in het meervoud nl. ‘lofprijzingen doen’ עשׂה הלּוּלים, wat wij vertaald hebben als  'zij zongen vreugdeliederen'. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord הָלַל (‹ẖālal - H1984›) dat ‘schitteren’ of ‘blinken’ of ‘weerkaatsen’ betekent. Door God te loven doe je Hem schitteren of maak je Hem schitterend. Het werkwoord komt 165 keer in het OT voor, verdeeld over 140 verzen. Het werkwoord vinden wij ook terug in de uitroep: ‘Hallelu-Jah’, ‘Geprezen zij GOD!’

H1980

[‘zijn [(hof)]plantage’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. naamwoord  מַטָּע (māṭaʿ- H1980›) betekent gewoonlijk ‘planten’ in de zin van actie van het planten of  ‘de plaats van het planten’, d.w.z. ‘planting’ of ‘plantage’. Het woord komt in 6 verzen in het OT voor nl. in Jes. 60:21; 61:3; Ez. 17:7; 31:4; 34:29 en in Mi. 1:9. Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk was zeer waarschijnlijk ook voorzien van fraaie tuinen en landschappen. 

H1984

[toelichting] - het Hebreeuwse woord הִלּוּל (‹ẖilūl - H1974›) komt alleen in Lev. 19:24 en in Ri. 9:27 voor. In Ri. 9:27 staat het woord in het meervoud nl. ‘lofprijzingen doen’ עשׂה הלּוּלים, wat wij vertaald hebben als  'zij zongen vreugdeliederen'. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord הָלַל (‹ẖālal - H1984›) dat ‘schitteren’ of ‘blinken’ of ‘weerkaatsen’ betekent. Door God te loven doe je Hem schitteren of maak je Hem schitterend. Het werkwoord komt 165 keer in het OT voor, verdeeld over 140 verzen. Het werkwoord vinden wij ook terug in de uitroep: ‘Hallelu-Jah’, ‘Geprezen zij GOD!’

H1993

gonzen, brommen, grommen, koeren, woelen, bulderen, luidruchtig zijn, ruisen, druisen, tekeer gaan

het Hebreeuwse werkwoord is afgeleid van het werkwoord הָמָה (‹hāmāẖ - H1993›) dat als eerste betekenis heeft ‘gonzen’ zoals bijen gonzen. Het werkwoord wordt in het OT gebruikt voor:

[(‹1›)] - het brommen van de beer in Jes. 59:11, het grommen van de hond in Ps. 59:7, 15 en voor het op gelijke wijze grommen van de volken in Ps. 83:3 van het koeren van de tortelduif in Ez. 7:16. Het wordt ook gebruikt voor het kermen van een mens in Ps. 55:18, 77:1, dat dan weer vergeleken wordt met de geluiden die beren en duiven maken in Ez. 7:16 en Jes. 59:11. 

[(‹2›)] het geluid van de lier in Jes. 16:11 (‹vergelijk Jes. 14:11›) en het geluid van andere muziekinstrumenten in Jer. 48:36, het ruisen van de regen in 1 Kn. 18:41, het brullen en bulderen van de golven in Ps. 46:4, Jes. 51:15 en in Jer. 5:22, 31:35, 51:55 en  het geluid van een rumoerige of luidruchtige menigte in Ps. 46:7 (‹woelen van de volken›), 59:7, 83:3 (‹grommen van de volken›), Jes. 17:12 (‹bulderen of brullen van de zee›). Vergelijk ook de afgeleide poëtische vorm הֹמִיּוֹת voor ‘luidruchtigheid’ in Spr. 1:21 (‹H1993›) en הֹמֶה (‹H1993›) in Spr. 20:1 ‘wijn is een spotter, sterkedrank luidruchtig‘. Vergelijk Zach. 9:15. 

[(‹3›)] de innerlijke roerselen, de sterke en heftige gemoedsgesteldheden en gevoelens, b.v. in Ps. 42:6, 12 en in Jer. 4:19, 31:20 (‹vgl. Hgld. 5:4›). Deze innerlijke belevingswereld wordt soms poëtisch vergeleken met het geluid van muziekinstrumenten, zoals op sommige eilanden in de Pacific men ‘medelijden hebben’ wel aanduidt als ‘het blaffen van de ingewanden’. In Jes. 16:11 lezen wij: ‘mijn ingewanden gaan tekeer als een lier van Moab’ en in Jer. 48:36 lezen wij ‘Mijn hart zal als een fluit over Moab tekeergaan’. 

[(‹4›)] een mens die luidruchtig ronddwaalt door de onrust in zijn of haar geest, zoals de vreemde vrouw in Spr. 7:11 en Spr. 9:13. 

–Van dit werkwoord zijn afgeleid: Hamona (‹H1997›), de naam van de stad in het ‘Dal van de Rumoerige Menigte’ (‹mannelijk woord - H1995›), waar ook een stad zal zijn met de naam ‘Rumoerige Menigte’  (‹vrouwelijk woord - ‘Hamona’›), Dit dal is aan de oostzijde van de Dode Zeedal van waar Gog Magog zal plaatsvinden en de stad wordt genoemd in Ez. 39:16. 

H1995

menigte, overvloed, rumoer, gebulder, 

gebrul, tumult, lawaai, geruis, gedruis, geratel, pracht, weelde

het mannelijke Hebreeuwse woord הֲמוֹן (‹hāmōn - H1995 - meervoud הֲמֹנִים - hāmonīm›) komt 83 keer in 78 verzen in het OT voor en betekent meestal ‘menigte’, vooral in de zin van een ‘rumoerige menigte’. Denk aan het Engelse werkwoord ‘to hum’. Daarom kan het soms ook wel zonder meer vertaald worden als ‘tumult’ of ‘rumoer’. Het woord is afgeleid van het werkwoord הָמָה (‹hāmāh - H1993›) dat als eerste betekenis heeft ‘gonzen’ zoals bijen gonzen. 

Het woord ‘hāmōn’ wordt gebruikt voor het ruisen van de regen in 1 Kn. 18:41, voor gezang en zingen in Ez. 26:13, 33:3 en Dan. 10:6, voor een menigte volken in Gen. 17:4, 5 en voor vele volken in Jes. 17:12, voor vele vrouwen in 2 Kr. 11:23 en in het bijzonder voor een leger soldaten in Ri. 4:7, Dan. 11:11-13. Verder ook voor een overvloed van water in Jer. 10:13, voor innerlijke beroering in Jes. 63:15 en Jer. 51:16 en ten slotte voor weelde en rijkdom in Ps. 37:16 en Pred. 5:9 en Jes. 60:5. Een verwant woord is: Hamona (‹H1997›). 

H1994


H1997

Hamona, ‘Rumoerige’ 

Hamona (‹H1997›), de naam van de stad in het ‘Dal van de Rumoerige Menigte’ (‹mannelijk woord - H1995›), waar ook een stad zal zijn met de naam ‘Rumoerige Menigte’  (‹vrouwelijk woord - ‘Hamona’›), Dit dal is aan de oostzijde van de Dode Zee, waar Gog uit het land Magog (‹zie Ez. 38, 39›) begraven zal worden. De stad wordt genoemd in Ez. 39:16. Zie verder H1995. Het woord is in betekenis nauw verbonden met H1995. 

H1998

gedruis

het vrouwelijke Hebreeuwse woord הֶמְיַת (‹hemyāt - H1998›) komt alleen in Jes. 14:11 voor en is afgeleid van het werkwoord הָמָה (‹hāmāh - H1993›). Het woord is vertaald met ‘gedruis’, namelijk het gedruis van harpen. 

H2061

[‘wolf’] - het Hebreeuws woord זְאֵב (‹zᵉʾēḇ - wolf - H2061›) komt in 7 verzen in het OT voor nl. in Gen. 49:27, Jes. 11:6, 65:25, Jer. 5:6, Ez. 22:27, Hab. 1:8 en in Zef. 3:3. 

H2070

Het Hebreeuwse woord voor ‘vlieg’ זְבוּב (‹zᵉḇūḇ - H2070›) vinden wij in het OT alleen in Pred. 10:2 en Jes. 7:18. 

H2077

[‘offergave’] - het Hebreeuwse woord קָרְבָּן (‹qārbān - H7133›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord קָרַב (‹qāraḇ’ - H7126›), dat ‘naderen’ als eeste betekenis. Het offer is dat waarmee je tot God nadert d.w.z. ‘een offergave’. Beide woorden komen vaak voor in het boek Leviticus. Een ander woord, dat wij met ‘offer’ vertalen is זֶבַח (‹zeḇaḥ - H2077›). Dit woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord זָבַח (‹zāḇaḥ - H2076›), dat als eerste betekenis ‘slachten’ heeft. Overigens treffen wij het Hebreeuwse woord ‘zeḇaḥ’ alleen als onderdeel aan van de uitdrukking ‘vredeoffer’, maar niet in ‘zondoffer’, ‘brandoffer’, ‘graanoffer’, ‘schuldoffer’ en ‘hefoffer’.     

H2086 

hoogmoed 

het Hebreeuwse woord זֵד (‹zēd - H2086›) komt 13 keer in het OT voor, waarvan 8 keer in de psalmen, m.n in Ps. 119. Het woord houdt verband met ‘opgeblazenheid’, d.w.z. ‘hoogmoed’ en ‘trots’, en in het verlengde daarvan met ‘brutaliteit’ en ‘goddeloosheid’. Het meervoud is: זֵּדִים (‹zēdim›) . De Hebreeuwse wortel van het woord is verwant aan die van het Arabische werkwoord زَادَ (‹zāda›) dat staat voor ‘toenemen’, ‘groter worden’ enz.

H2102

[[‘ziedend wordt’] - het Hebreeuwse werkwoord זוּד (‹zūḏ -  H2102›), heeft als eerste betekenis ‘koken’ of: ‘overkoken’. Een afgeleide vorm van het werkwoord heeft de betekenis van ‘zich verheffen’. Men dient hierbij dan te denken aan het beeld van het borrelende, kokende  water. Wij komen het woord ook tegen in Dt. 1:43 en Neh. 9:10,16, 29 waar het steeds gaat over een overmoedig handelen tegen Gods wil.   ‘ziedend wordt’] - het Hebreeuwse werkwoord זוּד (‹zūḏ -  H2102›), heeft als eerste betekenis ‘koken’ of: ‘overkoken’. Een afgeleide vorm van het werkwoord heeft de betekenis van ‘zich verheffen’. Men dient hierbij dan te denken aan het beeld van het borrelende, kokende  water. Wij komen het woord ook tegen in Dt. 1:43 en Neh. 9:10,16, 29 waar het steeds gaat over een overmoedig handelen tegen Gods wil.    

H2123

[‘wat beweegt’] - vaak wordt het Hebreeuwse mnl. znw. |זִיז| (‹zīz - H2123›) dat voorkomt in Ps. 50:11, Ps. 80:13 en Jes. 60:11 vertaald als ‘praal’, ‘luister’ of ‘pronk’ en soms als ‘wild’ of ‘wilde dieren’. Weer anderen (‹b.v. NET Bible›) vertalen met ‘insecten’, ‘sprinkhanen’ en ‘krekels’. K&D menen dat het woord afkomstig is van een werkwoord dat de betekenis heeft van ‘heen en weer gaan’ of: ‘heen en weer bewegen’. In het Aramees staat het woord voor insecten o.a. voor ‘spinnen’ (‹Jastrow›). In Ps. 80:14 slaat het woord op de grote en kleine dieren, die de wijnstok afvreten. In Jes. 60:11 kan men er echter onmogelijk wilde dieren of insecten inlezen, maar komt de grondbetekenis van het woord weer terug nl. ‘in beweging zijn’, ‘in beroering zijn’ en o.i. in Jes. 60:11 het ‘schuimen’ van het room van de eerste moedermelk. 

H2145

[‘jongetje’] - het Hebreeuwse mannelijke naamwoord זָכָר (‹zāḵār - H2145›) komt 81 keer in het OT voor verdeeld over 80 verzen en het betekent ‘mannelijk’, d.w.z. ‘iemand van het mannelijk geslacht’.  

H2154

[‘een schandelijke misdaad’] - het Hebreeuwse woord ‘זִמָּה’ (‹ziṁāẖ - H2154›) heeft betrekking op allerlei kwaad, maar in het tekstverband in het bijzonder op hoererij, verkrachting en incest. 

H2156 

[‘tak’] - het Hebreeuwse woord זְמוֹרָה (‹zᵊmōrāh - H2156›) staat voor een losse tak of stek van een plant. Het woord komt 5 keer voor in heel het OT nl. in Num. 13:23, Jes. 17:10, Ez. 8:17, 15:2 en in Nah. 2:2. De grammaticale wortel van het woord is verwant met die van de Hebreeuwse woorden voor ‘snoeien’ en ‘psalm’. Zie de noot bij Ps. 3:1. 

H2195

grimmigheid, razernij, venijnigheid

het Hebreeuwse woord זַעַם (‹zaʿam - H2195›) is gewoonlijk vertaald als ‘grimmigheid’, maar in het tekstverband is in Daniël 8:19 gekozen voor ‘razernij’ en in Hosea 7:16 voor ‘venijnigheid’. In de psalmen komt het woord drie keer voor: Ps. 38:4; 78:49; Ps. 102:11. 

H2203

[‘pek’] - het Hebreeuwse vrouwelijke znw. |זֶפֶת| (zefeṯ - H2203) komt in het OT alleen voor in Ex. 2:3 en in Jes. 34:9. Het woord betekent ‘pek’.

H2232

[‘zwanger is geworden’] - letterlijk: ‘zaad voortbrengt’. Het werkwoord is de Hiphil van het werkwoord ‘zaaien’ (‹זָרַע, zāraʿ - H2232›) en deze Hiphil komen wij in het OT alleen nog tegen in Gen. 1:11,12. Het woord heeft betrekking op de hele periode van de zwangerschap.  

H2236

[‘uitstrooien’] - het Hebreeuwse werkwoord זָרַק (‹zāraq -H2236›) komt 35 keer in hetOT voor, verdeeld over 33 verzen en de eerste betekenis van het werkwoord is ‘verstrooien’ of ‘uitstrooien’, b.v. in Ex. 9:8, 10, in 2 Kr. 34:4 en in Job 2:12 en vervolgens ook ‘spatten’ of ‘doen spatten’ of ‘uitstorten’ en ‘sprenkelen’. De laatste drie betekenissen zien we optreden in het verband met het optreden van de priester bij de offerdienst en het altaar b.v. in Ex. 24:6, 8; 29:16, 20, Lev. 1:5, 11. Wat betreft het uitstorten van bloed over het altaar, dient opgemerkt te worden dat dit altaar volgens de Wet overgoten of beter bespat diende te worden met het bloed van het offerdier (‹Lev. 1:5, 11, Lev. 3:2 e.a.›). Volgens de rabbijnse traditie diende dit zo te gebeuren, dat met twee ‘zwaaien’ alle vier de zijden van het altaar bespat werden, wat alleen bereikt kon worden door de schalen of sprengbekkens zo te zwaaien dat de hoeken van het altaar werden geraakt. De horens van het altaar werden ingesmeerd met bloed en niet besprenkeld. Zie ook het werkwoord ‘nāzāẖ’ onder H5137.

H2245

[ ‘heeft ... lief’] - de vorm van het Hebreeuwse werkwoord |חֹבֵב| (‹ḥōḇaḇ - H2245›) is het deelwoord van de Qal van dit Hebreeuwse werkwoord dat als eerste betekenis heeft ‘liefhebben’ of ‘houden van’. Deze vorm komt in de Bijbel alleen in Dt. 33:3 voor. Het werkwoord is verwant aan de meer gebruikelijke vormen onder H2244 en H2247.  

H2256

JOB 21:17 het Hebreeuwse woord חֲבָלִים (‹H2256›) staat heel vaak voor de meetsnoeren waarmee het land wordt verdeeld bij het werpen van het lot (‹vgl. Ps. 16:6›). Maar als het woord hier deze min of meer neutrale betekenis zou hebben dan zouden wij hier in het Hebreeuws ‘hun meetsnoeren’ of: ‘de meetsnoeren voor hen’ verwachten, maar dat is niet het geval. De LXX en de Vulgata vertalen met ‘smarten’ en worden daarin door tal van vertalingen gevolgd, maar in die betekenis wordt het Hebreeuwse woord alleen gebruikt voor de barensweeën waarvan hier geen sprake is. Men gaat er ook wel toe over om het woord in de grondtekst iets te wijzigen zodat men uitkomt bij de betekenis ‘gloeiende kolen’ zoals we die aantreffen in Spr. 26:21 en Jes. 44:12 en 54:16. 

–Anderen zoeken de vertaling in de richting van ‘bliksemschichten’ (‹Gesenius›), want de bliksemflitsen kan men zien als ‘koorden’ die God vanuit de hemel uitwerpt (‹zie Ps. 11:6›). K&D stellen ‘valstrikken’ als vertaling voor. Wij menen een middenweg gevonden te hebben door de meest voorkomende betekenis ‘meetsnoeren’ aante houden met de toevoeging ‘van hun noodlot’ (‹cursief›).  

H2284

[De vierde soort] wordt met een moeilijk herleidbaar Hebreeuws woord aangeduid (‹‘ḥāg̱āḇ’ - חָגָב - H2284›). Het woord komt ook voor in Num. 13:33, waar de spionnen worden beschreven als ‘hagabs’ (‹‘sprinkhanen’›) in vergelijking met de inwoners van het land. In 2 Kr. 7:13 staat dat deze dieren het land verslinden. De Septuaginta vertaalt met ‘akris’ (‹ἀκρίς›), dat ook nu nog ‘sprinkhaan’ betekent. Omdat de wortel van het Hebreeuwse woord mogelijk verband houdt met ‘afdekken’ (‹denk b.v. aan het Arabische woord ‘hijab’ voor de gezichtsbedekking van de vrouw. Deze sprinkhanen zouden de grond bedekken en daarom is gekozen voor ‘bedek-sprinkhaan’.      

H2287

[‘Feest ... vieren’] - het Hebreeuwse woord חָגַג (‹ḥāg̱ag̱ - H2287›) houdt verband met het in cirkels lopen ofwel dansen in een kring. Dit woord wordt het eerst door Mozes gebruikt in Ex. 5:1 als hij - in opdracht van God - aan Farao vraagt het volk te laten gaan om in de woestijn een feest voor de HEERE te mogen vieren.  

H2336

doorn of haak - חוֹחַ   zie H2397

H2341

[‘Havila’] - deze naam zou ‘cirkel’ betekenen of ‘uitgestrekte zandbank’ (‹H2341›). Men denkt gewoonlijk aan een gebied in oostelijke richting b.v. ‘India’, eventueel met inbegrip van het huidige Arabische schiereiland.  

H2386

[‘zwijn’] - het mannelijke Hebreeuwse woord חֲזִיר (‹ḥāzīr - H2386›) komt 7 keer in het OT voor verdeeld over 7 verzen. Het woord betekent ‘varken’, maar het duidt ook in meer algemene zin op ‘zwijnachtige’ dieren. De oorsprong van het woord is niet bekend. 

H2397

[‘sierspeld[(en)]’] - de sierspelden werden door de vrouwen gebruikt om kleding aan elkaar te spelden. De grondbetekenis van het mannelijke enkelvoudige Hebreeuwse woord חָח (‹ḥāḥ - H2397›), dat 8 keer in het OT voorkomt, is ‘doorn’, iets puntigs waarmee je ergens doorheen prikt. Het woord kan ook ‘neusring’ betekenen of gewoon ‘haak’ d.w.z. een haak die je in de neus kunt aanbrengen (‹Ez. 19:4,9›) of in de kaak (‹Ez. 29:4, 38:4›).      

H2403

zonde

het Hebreeuwse woord חַטָּאָה (‹ḥattāʾāh - H2403›) is het vrouwelijk woord voor het mannelijke woord ‘zondaar’ חַטָּא (‹ḥattāʾ›). Dit vrouwelijke woord betekent gewoonlijk: ‘zonde’ of ‘fout’ of ‘misser’. Zonde wordt dan ook vaak uitgelegd als ‘het doel missen’, ‘falen’. Maar het woord kan ook betekenen ‘zondoffer’, b.v. in Lev.  6:18, 23, of ‘afgod’, d.w.z. dat het woord dan eigenlijk staat voor het voorwerp waarmee men zondigt, b.v. in Dt. 9:21, en tenslotte betekent de letterlijk uitdrukking ‘zondewater’ in Num. 8:7 juist het omgekeerde voor ons besef nl. ‘reinigingwater’ of ‘ontzondigingswater’. 

H2326

[‘voorwal’] - het Hebreeuwse woord חֵיל, waarvan de korte vorm is חֵל (‹ḥēl - H2426›), heeft als eerste betekenis ‘leger’ of ‘menigte’ en als tweede betekenis  ‘verdedigingswal’ of ‘vestingswal’. Anderen geven de voorkeur aan ‘geul’ of ‘gracht’. K&D maken erop attent dat er voor בּחל in de parallelverzen in 2 Kn. 9:10, 2 Kn. 9:36-37  בּחלק staat, d.w.z. ‘op het veld’. Daarom is wel voorgesteld om het woordje חל in dit vers daaraan aan te passen. Maar dat is overbodig, want בּחלק, d.w.z. ‘op het land’ of ‘op de akker’ d.w.z. ‘op de stadsakker van Jizreël’, is niets anders dan een meer algemene aanduiding van dezelfde plaats. 

H2459

H2461

[‘vet’] - het Hebreeuwse mnl. zelfst. nmw. |חֶלֶב| (‹ḥeleḇ - H2459›) komt 92 keer in het OT voor, verdeeld over 64 verzen en de eerste betekenis ervan is ‘vet’, in het bijzonder het vet dat onderdeel is van de offers, zodat het woord vaak voorkomt in het boek Leviticus (‹Lev. 3:3, 4, 9, 10, 14, 17 enz.›), waarin de offers worden beschreven. Het woord is verwant aan het Hebreeuwse zelfst. nmw. |חָלָב| (‹ḥālāḇ - H2461›), dat ‘melk’ of ‘room’ betekent.  

H2467

[‘de wezel’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. חֹלֶד (‹ḥoleḏ - H2467›) komt alleen in Lev. 11:29 in het OT en staat hoogstwaarschijnlijk voor de ‘mol’, hoewel men ook wel meent dat het woord betrekking heeft op een wezel, die veel in Syrië en Israël voorkomt . Een enkele vertaling kiest voor ‘rat’.

H2470

[‘smeekte’] - het Hebreeuwse werkwoord חָלָה (‹ḥālāh - H2470›) betekent letterlijk: ‘aanraken’ of: ‘strelen’, d.w.z. ‘het aangezicht van God  strelen’ of anders gezegd ‘Hem vleien’. Het is door ons soms vertaald als ’gunstig stemmen’ en soms als ‘smeken’.     

H2476

[‘nederlaag’] - het Hebreeuwse woord חֲלוּשָׁה (‹ḥālūšāẖ - H2476›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָלַשׁ (‹ḥālaš - H2522›) betekent ‘op de knieën vallen’ (‹b.v. voor de overwinnaar om hem genade af te smeken›), of ‘zwak zijn’. Deze vorm komt alleen hier in de Bijbel voor. Gesenius geeft er zelfs de betekenis ‘slachting’ aan. 

H2485

fluit - khalil (met gaatjes)

H2486

[‘Er is geen sprake van ...’] - letterlijker: ‘het zij verre van uw dienaren’. Het Hebreeuwse woord חָלִילָה (‹ḥālīlāẖ - H2486›), zouden we ook kunnen vertalen met ‘Wee!’. De uitdrukking komt van het werkwoord חָלַל (‹ḥālal - H2490›) dat ‘doorboren’, ‘verwonden’ of ook ‘verkrachten’ of: ‘bezoedelen’ kan betekenen. In lijn met genoemde betekenissen kan de laatste zin dan zo worden weergegeven ‘Schande is het voor uw dienaren als zij zoiets zouden doen’. Het is een uitroep van afschuw (‹H2486›).  

H2489

arme stakker

[‘arme stakker’] - het Hebreeuwse woord חֵלְכָא (‹ḥēlḵā - H2489›) komt 3 keer voor in Ps. 10:8, 10 en 1, maar verder nergens meer in het heel het OT. De afkomst en betekenis van het woord zijn niet zeker, maar vanuit het tekstverband komen vrijwel alle vertalingen (‹ook de LXX, Peshitta en de Targum›) tot een soortgelijke betekenis: de arme, de zwakke, het ongelukkige slachtoffer.

H2490

חָלַל     Dit Hebreeuwse woord komt 143 keer in het OT voor, verdeeld over 132 verzen. De eerste betekenis is ‘doorboren’ of ‘verwonden’. 

H2498

[‘vervangen’] -  het Hebreeuwse werkwoord חָלַף (‹ḥālaf - H2498›), dat 28 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 27 verzen, heeft als eerste betekenis ‘voorbijgaan in een glijdende beweging’. Vandaar de betekenis ‘vervangen’ of ‘opvolgen’, van slecht naar goed of van goed naar slecht. Het werkwoord is op zich neutraal.         

H2506 ? H2507


erfdeel


[‘erfdeel’] - in het Hebreeuws staan er twee woorden nl. מְנָת (‹‘deel’ - H4490›) en חֵלֶק (‹ ‘het toebedeelde: een stuk land, een deel van de buit, enz. - H2506›). Dit woord heeft iets met ‘gladheid’ of ‘afgerondheid’ te maken. In Jes. 57:6 lezen wij בְּחַלְּקֵי נַחַל חֶלְקֵךְ d.w.z. ‘bij de gladde (‹stenen›) van de beekdalen is je deel’. Het Nederlandse woord ‘gladde’ en het het Nederlandse woord ‘deel’ is in het Hebreeuws één en hetzelfde woord nl. het hiervoor genoemde ḥēleq (‹H2506›). Voor ons besef vertegenwoordigt het woord zoiets als: ‘het toegemeten deel’ of: ‘het afgemeten of afgebakende gebied’, of: ‘de afgeronde hoeveelheid’. In het Arabisch heeft de overeenkomstige woordstam حلق van doen met ‘cirkelen’ en ‘rondjes maken’, vandaar dat wij komen op de betekenis ‘afgeronde’, en vandaar bij de betekenis ‘glad’, want wat afgerond is, is ontdaan van de uitstekende hoeken en is glad.  zie ook H5159

H2530

[‘begeerlijk’] - het Hebreeuwse woord נֶחְמָד (‹nehᵊ̣māḏ - H2530›), een deelwoord afgeleid van de Niphal van het werkwoord חָמַד (‹ḥāmaḏ›). Wij vinden het werkwoord in Ex. 20:17, waar het vertaald is met ‘begeren’ i.v.m. het verbod om het huis en de vrouw van je naaste te begeren. 

H2535

[‘zuiken voor de zonnegod’] - het Hebreeuwse woord חמּנים, dat in 8 verzen in het OT voorkomt, houdt verband met een verwant woord (‹H2535›) dat in Jes. 30:26 voor ‘zon’ staat, hoewel niet het gebruikelijke woord voor ‘zon’. Ook houdt het woord verband met een werkwoord (‹H2552›) dat ‘warm zijn’ of: ‘warm worden’ betekent. In het algemeen houdt men het erop dat het een soort zuil of afgodsbeeld was dat deel uitmaakte van de Kanaänitische verafgoding van de natuur ofwel gewijd  was aan Baäl, die ook wel gezien werd als heerser over de zon (‹de naam ‘baäl haman’ is bekend van Foenicische monumenten›), waarbij door sommigen ook een verband wordt gelegd met de Egyptische zonnegod Ammon, o.a. omdat de klank van die naam overeenkomt met de klank van dit Hebreeuwse woord dat ook op inscripties is teruggevonden. (‹K&D en Gesenius›). Er zijn echter ook vertalingen die i.p.v. ‘zuilen voor de zonnegod’ vertalen met ‘wierookaltaren’. 

H2546

[‘skink’] - of: ‘stinkhagedis’. Het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw.  חֹמֶט (‹ḥomeṭ - H2546›) komt alleen in Lev. 11:30 in het OT. In de Septuaginta is het vertaald met σαῦρα, ‘saura’ en in de Vulgata met  ‘lacerta’. Beide woorden duiden op een hagedisachtig dier. Nieuwere vertalingen komen met de vertaling ‘skink’ omdat het woord afgeleid zou zijn van een Hebreeuwse werkwoord, dat ‘stinken’ zou betekenen. In ieder geval betekent het verwante Arabische woord  خَمَّة’, ‘khammat’, doordringende stank’.  

H2553

[‘zonnegodzuilen’] - het Hebreeuwse mannelijke znw. חַמָּן (‹ḥamān - H2553 - meervoud חַמָּנִים - ḥamānīm›) komt 8 keer in het OT. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חַמָּן (‹ḥaṁān - H2535›) dat ‘warm zijn’ of: ‘warm worden’ betekent. In Jes. 30:26 staat het onder H2535 voor ‘de gloeiende’, d.w.z. ‘de zon’. Deze ‘ḥamānīm’, ‘zonnegodzuilen’ stonden blijkens 2 Kr. 33:4 op de afgodische altaren, waarbij het de vraag is of het een afgodische zuil of een afgodsbeeld was, een vraag die wij verder laten rusten. In ieder geval was de ‘ḥamān’ onderdeel van de Kanaänitische verafgoding van de natuur en van de zonnegod Baäl, die gezien werd als de heerser over de zon (‹de naam ‘baäl haman’ is bekend van Foenicische monumenten›), waarbij door sommigen ook een verband wordt gelegd met de Egyptische zonnegod Ammon, o.a. omdat de klank van die naam overeenkomt met de klank van dit Hebreeuwse woord dat ook op inscripties is teruggevonden. (‹K&D en Gesenius›).  Diverse keren vinden wij de vermelding van ‘zonnegodzuilen’ gecombineerd met de ‘geluksgodinnen’, d.w.z. de ‘asherim’, de godinnen van de vruchtbaarheid’.   

H2554

[‘de wreedaard’] - het Hebreeuwse woord תַּחְמָס (‹ṯaḥmās̱ - H8464›) houdt verband met het werkwoord חָמַס  (‹ḥāmas̱ - H2554›) dat ‘wreed handelen, onderdrukken’ betekent. Bochart denkt hierbij aan de mannetjesstruisvogel. K&D vinden dat niet erg waarschijnlijk, evenmin als ‘de uil’ omdat die later in deze opsomming zou worden genoemd (‹zie ‘doodsblazer’›) en ook ‘de zwaluw’ niet omdat die in Jer. 8:7 onder een andere naam voorkomt. K&D denken eerder aan de koekoek, die de eieren en jongen van andere vogels uit het nest stoot, om het dan als nest voor zichzelf te gebruiken.  Men vertaalt vaak met ‘nachtuil’ of een andere uilsoort, terwijl de King James vertaling ‘nachthavik’ heeft. De Septuaginta heeft ‘uil’ (‹‘γλαυκα’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘noctuam’›).   

H2555

geweld

het Hebreeuwse woord חָמָס (‹hāmās̱ - H2555›) betekent ‘geweld’, of ‘gewelddadigheid’. Het wordt in het OT vrijwel steeds gebruikt in verband met zondig geweld.

H2563

homer

De eerste keer dat het woord in het OT voorkomt, is in Gen. 11:3 waar het vertaalt is als ‘leem’. Vervolgens ook in Ex. 1:14. Ook in Job 4:19, 10:9, 13:12, 27:16 is het ook ‘leem’ en in Job 30:19 is het vertaald als ‘slijk’ en in Job  33:6, 38:14 … enz.

In Ex. 8:10 als ‘hoop’, want de dode kikkers werden op ‘hopen’ gelegd. 

[‘homer’] - de ‘homer’ (‹H2563›) is gelijk aan ‘de kor’ (‹Ez. 45:11,14›). Elk is 220 liter. Beide zijn maten voor vloeibare stoffen en voor vaste, droge stoffen. Eén ‘kor’ of één ‘homer’ is gelijk aan 10 bath in geval van vloeistof en aan 10 efa in geval van vaste stoffen. Het woord ‘homer’ houdt verband met het Hebreeuwse woord voor ‘ezel’ (‹H2563›) en wordt daarom ook wel opgevat als ‘een ezelslast’. Zie ook de  over ‘leem’ bij Gen. 11:3 en over ‘hopen’ bij Ex. 8:10. Het gaat er hier om hoeveel zaad je nodig hebt om het aan de HEERE beloofde stuk land in een bepaald jaar te bezaaien wat dan in een aantal ‘homer’ wordt uitgedrukt. De waarde van vijftig sjekel voor een homer sloeg dan op de periode van 50 jaar van jubeljaar tot jubeljaar, waarvan overigens het eerste jaar niet verhandelbaar was, aldus de Mishnah, zodat de jaarwaarde voor een homer neerkwam op 1/49 deel van 50 sjekel. (‹zie K&D›). Bij aflossing kwam er een vijfde deel bij, d.i. wezenlijk een kwart en zo was voor lossing maximaal 62 en één ½ sjekel nodig. (‹Vredenburg›).  

H2564

[‘teer’] - het mannelijke znw. חֵמָר (‹ḥēmār - H2564›) betekent ‘teer’ of ‘asfalt’. Het woord komt 3 keer in het OT voor nl. in Gen. 11:3, Gen. 14:10 en in Ex. 2:3 (‹het rieten mandje waarin Mozes op de Nijl dreef was ingesmeerd met teer en pek›). Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָמַר (‹ḥāmar - H2560›) dat als eerste betekenis ‘koken’ of ‘gisten’ heeft en als tweede betekenis ‘gloeien’ en in verband hiermee ‘rood zijn’. Het woord voor ‘teer’ heeft dezelfde grammaticale wortel als het Hebreeuwse woord ‘ezel’, waarschijnlijk i.v.m. de roodachtige tint, die sommige ezelsoorten hebben.

–De Dode Zee werd door de Romeinse geschiedschrijver ‘Lacus Asphaltitus’, d.w.z. ‘asfaltmeer’ genoemd. De Griek Strabo beschrijft hoe het asfalt in de Romeinse tijd werd gewonnen. In het Midden-Oosten waren al lang ondergrondse reservoirs met een teerachtige substantie die als fonteinen hun inhoud de lucht in konden spuiten. In de zon droogde het dan op. Dit materiaal werd gebruikt voor bouwwerken. Het Perzische woord ‘mum’ betekent ‘teer’ en men denkt dan ook dat de Egyptische ‘mummies’  in sommige tijden met ‘teer’ werden bewaard wat dan verband zou houden met de zwarte kleur van diverse mummies. Er zijn ook aanwijzingen dat teer uit gebieden als Babel en Kanaän naar Egypte werd gebracht en daar voor de scheepsbouw werd gebruikt. 

H2571

[‘gevechtsklaar’] - van het Hebreeuwse woord חֲמֻשִׁים (‹ḥamūsīm - H2571›) dat hier gebruikt wordt, is de betekenis moeilijk nauwkeurig vast te stellen. Het komt maar vier keer in de Bijbel voor. Taalkundig gezien zijn er twee mogelijke betekenissen, nl. (‹1›) moedigen, strijdbaren, oorlogszuchtigen en (‹2›) vijven of vijftigen. De Septuaginta maakte er van dat het volk optrok ‘in de vijfde generatie’. Eigentijdse vertalingen schrijven ‘klaar voor de strijd of ‘in gevechtsorde’ of: ‘gewapend’ of: ‘in harnas’ of: ‘in vijf geledingen’ of: ‘in groepen van vijftig’. Het woord komt alleen nog voor in Joz. 1:14; 4:12 en Ri. 7:11. Vertalingen die gaan in de richting van een getal ‘vijf’ of: ‘vijftig’ komen tot die keuze door de gelijkenis die het woord vertoont met het Hebreeuwse woord voor ‘vijf’ en ‘vijftig’. Taalkundig en ook met het oog op het tekstverband, lijkt een vertaling in de richting van de eerste mogelijkheid het meest aannemelijk. 

H2563

[‘homer’] - het Hebreeuwse woord חֹמֶר (‹homer - H2563›) komt 31 keer in het OT voor, verdeeld over 26 verzen. Het woord kent verschillende betekenissen nl. ‘schuim’ in de zee in Hab. 3:15, ‘klei’ of ‘leem’ voor de pottenbakker in Jes. 45:9 of voor een zegelafdruk zoals in Job 38:14, of voor het maken van stenen in Gen. 11:3 en ook staat het woord voor een maat voor vloeibare en vaste stoffen, die gelijk is aan de ‘kor’. Eén homer is 10 bath. Deze betekenis hangt smaen met de betekenis ‘een hoop’, zoals in Ex. 8:10 de dode kikkers in het land Egypte in hopen bij elkaar werden gelegd.  



H2587

genadig

Het Hebreeuwse bijv. nmw. woord חַנּוּן (‹ḥanūn - H2587›) komt 13 keer in het OT voor, verspreid over 13 verzen. Het betekent ‘genadig’ en komt in Ex. 34:6, 2 Kr. 30:9, Neh. 9:17, 31, Ps. 86:15, 103:8, 111:4, 112:4, 145:8, Joël 2:12 en Jona 4:2 voor in combinatie met het bijv. nmw. ‘barmhartig (‹H7349›). Eén keer komt het alleen voor, nl. in Ex. 22:26 en in Ps. 116:5 wordt het gecombineerd met het veel voorkomende bijv. naamwoord צַדִּיק ‘rechtvaardig’ (‹ṣadīq - H6662›). 

H2596

het Hebreeuwse werkwoord חָנַךְ (‹ḥānaḵ›)‚ dat 5 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen, heeft als eerste betekenis ‘oefenen’ of ‘inwijden’. Zie Dt. 20:5, 1 Kn. 8:63, 2 Kr. 7:5 en Spr. 22:6.

H2597

het Aramese vrouwelijke zelfst. nmw. חֲנֻכַּת (‹ḥanūkaṯ›‚ dat 4 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen, heeft als eerste betekenis ‘inwijding’: Ezra 6:16, 17 en Dan. 3:2, 3. In Jh. 7:33 wordt het Inwijdingsfeest van de Tempel ‘Chanoeka’ genoemd. In Jh. 10:22 wordt het Inwijdingsfeest van de Tempel ‘Ḥanūkaṯ’ genoemd, vaak geschreven als ‘Hannukah’ of ‘Chanoeka’ en in modern Hebreeuws is de schrijfwijze חֲנֻכָּה‎. Psalm 30 wordt beschouwd als het Lied van de Inwijding van de Tempel: שיר חנכת הבית.

H2598

het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. חֲנֻכַּת (‹ḥanūkaṯ›‚ dat 7 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen, heeft als eerste betekenis ‘inwijding’ en soms betekent het ook ‘inwijdingsoffer’: Num. 7:10, 11, 84, 88; 2 Kr. 7:9; Neh. 12:27 en Ps. 30:1. In Jh. 10:22 wordt het Inwijdingsfeest van de Tempel ‘Ḥanūkaṯ’ genoemd, vaak geschreven als ‘Hannukah’ of ‘Chanoeka’ en in modern Hebreeuws is de schrijfwijze חֲנֻכָּה‎. Psalm 30 wordt beschouwd als het Lied van de Inwijding van de Tempel: שיר חנכת הבית.

H2603

genadig zijn

Het Hebreeuwse werkwoord חָנַן (‹hānan - H2603›), dat 79 keer in het OT voorkomt, verspreid over 73 verzen, heeft als eerste betekenis ‘genadig zijn’ of ‘ontferming hebben over’. Het spreekt van een gunstige gezindheid tegenover de ander. De Hitpael van het werkwoord gecombineerd met het Hebreeuwse voorzetsel לְ leidt tot de betekenis ‘genade afsmeken’. 

H2610

H2613

חָנֵף - bezoedelen. Vergelijk ook H2613

H2616

liefdevol zijn, vriendelijk zijn

Het Hebreeuwse werkwoord חָסַד (‹ḥāsaḏ - H2616›) dat ‘vriendelijk zijn’ of ‘goed zijn’ voor iemand betekent.

H2617

liefdevolle trouw

Het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. חֶסֶד (‹ḥeseḏ - H2617›) betekent ‘liefdevolle trouw’ of ‘liefdevolle vriendschap’. Het woord komt 251 keer voor in het OT, verdeeld over 241 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָסַד (‹ḥāsaḏ - H2616›) dat ‘vriendelijk zijn’ of ‘goed zijn’ voor iemand betekent. In het verleden werd het woord vaak vertaald als ‘goedertierenheid’. Het woord staat ook diverse keren in het meervoud en is dan vertaald als ‘blijken van liefdevolle trouw’ of ‘tekenen van liefdevolle trouw’ (‹b.v. in Gen. 32:11, Ps. 25:6, Ps. 89:2, 50, Ps. 106:7, 43, Klg. 3:22, 32, Jes. 55:3 en Jes. 63:7›). Als in de tekst tegelijkertijd ook het Hebreeuwse woord voor ‘trouw’ apart voorkomt, dan is het woord meestal vertaald als ‘liefdevolle vriendschap’. Dit betreft ongeveer 33 verzen. Als het woord voor een persoon wordt gebruikt b.v. in Ps. 144:2 dan luidt de vertaling ‘mijn liefdevolle vriend’.  Het woord geeft uitdrukking aan het bijzondere persoonlijke, vriendschappelijke en trouwe karakter van de relatie en de innerlijke gesteldheid van de persoon. 

[‘schande’] - in het Hebreeuws vinden we hier hetzelfde mannelijke znw. woord חֶסֶד (‹ḥes̱eḏ - H2617›), dat wij overwegend vertaald hebben als ‘liefdevolle trouw’. Luther vertaalt het woord in dit vers met ‘bloedschande’. In Spr. 14:34 komt nog eens zo’n heel andere vertaling van het woord voor nl. ‘schandvlek’ (‹zie ook Spr. 25:10 waar we een variant - H2616 - van het Hebreeuwse woord vinden›): “Gerechtigheid verhoogt een volk, maar zonde is een schandvlek voor de volkeren.” Was het niet zo Adam en Eva zich voor elkaar schaamden, toen zij gezondigd hadden! Was er niet een geweldige schande over hun leven gekomen? Adam en Eva begonnen hun leven met een heilige intieme relatie met hun Schepper, maar door de zonde die ontstond uit een onheilige intimiteit met Gods tegenstander, verkeerde dat alles in zijn tegendeel: leefden zij eerst eervol tot Gods eer, nu was dat veranderd in schande. Misschien moeten wij zo ook die betekenisverandering begrijpen die wij bij dit woord 2 keer in de Bijbel aantreffen: een intieme verbinding met een ander aangaan die tegen Gods wil ingaat.  

H2620

schuilen bij

[‘schuilen’] - het Hebreeuwse werkwoord חָסַה (‹ḥasah - H2620›) betekent ‘zijn toevlucht zoeken (‹tot›)’ of ‘schuilen (‹bij›)’. B.v. ‘schuilen’ in de zin van schaduw zoeken bij een boom (‹Ri. 9:15›), of: ‘schuilen in Sion’ (‹Jes. 14:32›) en heel vaak ‘schuilen bij GOD, bij de HEERE’. In combinatie met het voorzetsel ב is de vertaling ‘vertrouwen op’  volgens Gesenius vaak de beste vertaalkeuze: ‘vertrouwen op GOD’. 

H2623

trouwe vriend

het Hebreeuwse woord חָסִיד (‹ḥāṣīd - H2623›) komt in 25 verzen in de psalmen voor en verder alleen nog in 7 andere verzen in de het Oude Testament. Het woord wordt heel vaak vertaald als ‘trouw’ of ‘getrouwe’  en soms als ‘de Getrouwe’ in Ps. 16:10. Het woord doelt o.i. op een zeer intens beleefde en geleefde trouw. Er is sprake van een zeer diepe betrokkenheid op de persoon ten aanzien van wie men trouw is. Een trouwe vriend of een getrouwe is iemand die Gods liefdevolle trouw (‹en genade›) in zijn leven weerspiegelt. Dit wordt bij uitstek gezegd van de (‹hoge›)priester, die de priesterlijke zegen uitspreekt zoals door God bevolen in Num. 6:22-27 en daarom is het treffend als wij in Ps. 4:7 deze zegen letterlijk lezen. Ook de profeet is de trouwe vriend, maar ten diepste is er maar één Getrouwe en dat is Jezus Christus, de zoon van David. De NET Bible zegt: ‘Uit het tweede deel van het vers kan men afleiden dat David zichzelf ziet als de trouwe vriend!’ en dat is juist, maar ten diepste spreken de woorden over de ware David, Jezus Christus.  Het is verrassend dat de vrouwelijke variant van dit woord wordt gebruikt voor de ooievaar in b.v. Lev. 11:19 en Job 39:13. 

H2623

Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָסַד (‹ḥās̱aḏ - H2623›) dat ‘trouw zijn’, ‘liefdevo zijn’ of ‘vroom zijn’ betekent. Men wijst erop dat de ooievaar zo trouw en zorgzaam is ten aanzien van de jongen. De vogel wordt in het totaal 6 keer in het OT  genoemd: Lev. 11:19, Dt. 14:18, Job 39:13, Ps. 104:17, Jer. 8:7 en in Zach 5:9.  

H2624

[‘ooievaar’] - het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. חֲסִידָה (‹ḥăs̄īd̄āẖ - H2624›) wordt meestal als ‘ooievaar’ vertaald, hoewel de Septuaginta ερωδιον, ‘erodion’ heeft en de Vulgata het Latijnse ’erodionem’. Beide woorden staan voor ‘reiger’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָסַד (‹ḥās̱aḏ - H2623›) dat ‘trouw zijn’, ‘liefdevo zijn’ of ‘vroom zijn’ betekent. Men wijst erop dat de ooievaar zo trouw en zorgzaam is ten aanzien van de jongen. De vogel wordt in het totaal 6 keer in het OT  genoemd: Lev. 11:19, Dt. 14:18, Job 39:13, Ps. 104:17, Jer. 8:7 en in Zach 5:9.  

H2654

behagen, behagen hebben in

probleem met H7521b. welgevallen

het Nederlandse werkwoord ‘behagen’ of ‘behagen hebben in’ is verwant aan het woord ‘behaaglijk’. Het heeft te maken met innerlijke blijdschap en vreugde, maar ook met goedkeuring in de zin van ‘goed vinden’ of ‘een diepe voldoening en vreugde beleven’. Het Hebreeuwse werkwoord חָפֵץ (‹ḥāfēṣ - H2654›) waar het de vertaling van is, komt in 17 verzen in de psalmen voor. Een moderner Nederlands werkwoord dat deze betekenis goed weergeeft, kennen wij niet. 

H2659

te schande worden

het Hebreeuwse werkwoord חַפֵר (‹hafēr - H2659 - blozen, zich schamen›) heeft als basisidee het verlies van zelfbehoud door vernedering, schaamte of verwarring. Het ligt dicht bij de wortel בּוֹשׁ In feite wordt het in veertien van de zeventien keer parallel aan בּוֹשׁ  gebruikt. Het werkwoord בּוֹשׁ wordt vaker gebruikt, wat suggereert dat חַפֵר vooral een woord van versterking is. 

H2669

[‘een vrijstaand huis’] - de Hebreeuwse uitdrukking בֵית הַחָפְשִׁית (‹bayt ha-ḥafšīt - H2669, H1004›) heeft diverse deskundigen doen denken aan een huis voor mensen die aan melaatsheid lijden. Maar anderen wijzen erop dat het Hebreeuwse woord ‘ha-ḥafṣim’ alleen maar gebruikt wordt in de zin van ‘de vrijen’. Om deze reden en omdat men het niet aannemelijk acht dat de koning samen met de melaatsen werd opgesloten, komt men op de gedachte dat het hier om een vrijstaand huis speciaal voor de koning en eventueel andere hoogwaardigheidsbekleders zou gaan die vrijgesteld waren van regeringstaken, dan wel afgezonderd van de samenleving leefden (‹Aquila en Kimchi›). 

H2671

pijl

חֵץ afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָצַץ (‹H2686›) dat snijden, scherp maken etc. betekent

H2686


  חָצַץ  Ri. 5:11 boogschutters מְחַצְצִים

H2689

bazuin

het Hebreeuwse zelfst. nmw.  חֲצוֹצְרָה (‹hasoṣrah - H2689 - bazuin›) he

H2728

[De derde soort] is de חַרְגֹּל (ḥargōl - H2728›) zou een ongevleugelde sprinkhaan zijn die zich ‘huppelend’ of: ‘galopperend’ zou voortbewegen. De vertaling van de Samaritaanse Pentateuch en de Septuaginta en de Vulgata (‹‘ὀφιομάχης’ en ‘ophiomachus’›)’ ondersteunen deze opvatting. In de Mishna (‹Shabb. vi. 10›) wordt gezegd dat het ei van de ‘ḥargōl’ soms in het oor werd gehangen als medicijn tegen oorpijn. Niebuhr schrijft dat er onder de sprinkhanen in Mesopotamië twee hele grote types waren die zich springend voortbewogen, maar geen vleugels hadden. We noemen deze soort daarom ‘spring-sprinkhaan’.    

H2742 

18 x in OT



H2782 werkwoord

12x in OT


H4173

dorsslede, andere wortel

3 x in OT

[‘scheidsmuur’] - het woord חָרוּץ (‹kharoets - H2742›)  komt 18 keer voor in het OT.  

Het woord ‘kharoets’ vinden wij in het OT als een aanduiding voor de ‘scherpe punten’ b.v. van een dorsslede of van ‘iets glinsterends’ en (‹waarschijnlijk in verband hiermee›) als een aanduiding van goud. Er zijn twee meervoudsvormen nl. (‹1›) een vrouwelijke vorm ‘kharoetsot’ die verbonden is met de betekenis van ‘dorsslede’ (‹die immers scherpe punten heeft›) b.v. in Joel 4:14 en Amos 1:3, en (‹2›) een mannelijke meervoudsvorm die gewoonlijk vertaald wordt met ‘vlijtigen’ b.v. in Spr. 10:4; 12:24, 27; 13:4; 21:5.  Wat is nu de gemeenschappelijke noemer in al die betekenissen? Wij denken aan de betekenis van ‘hakken met een houweel’ of misschien beter gezegd ‘beitelen’: goud delven, werken met de dorsslee of de uitwerking van de scherpe kammen van een krokodil en vlijtige arbeid (‹zoals een specht vlijtig met zijn snavel in de boom beitelt›), al deze dingen hebben iets in zich van dat 'beitelen'. Mogelijk is er een verband met de Arabische  wortel خرط (‹kharaṭa›), die verband houdt met  'pellen', 'schillen', 'het verwijderen van de bast van takken', 'afsnijden', 'in stukken hakken', maar ook met 'hard werken' en zelfs met ‘het gevormd worden voor het leven in een gemeenschap'.  

Keren wij nu terug naar het woord 'kharoets' in Daniel 9:25 dat meestal met: ‘muur’ of: ‘gracht’ wordt vertaald, dan stellen wij vast dat stadsmuren bij voorkeur door het maken van een geul of een afgraving aan de buitenzijde van de muren, nog hoger en moeilijker inneembaar waren voor de vijand. K&D zien in het woord een soort contrast met het ‘plein’. Het plein is ruim, terwijl het woord ‘kharoets’ er volgens hen op wijst dat het in zekere zin ook weer afgebakend is. Wij kiezen daarom voor de vertaling: ‘scheidsmuur’. Wij voelen ook wel wat voor de vertaling: ‘met plein en steeg’, maar als wij toch rekening willen houden met de mogelijkheid dat de betekenis van ‘prikkels’ of ‘scherpe punten’ sterk met dit woord verbonden is, - en dat zou niet zo vreemd zijn als wij hier lezen over benauwde tijden - , dan zouden wij kunnen zeggen: ‘met plein en prikkeldraad’. Het is ook voor de hand liggend om te denken aan de scheiding van de binnenhof van de Tempel en voorhof van de volken. Voor dit woord zie ook de noot bij Ex. 32:16.  

H2748

[‘magiërs’] - van het woord in de grondtekst חַרְטֹם (‹ḥarṭūm - H2748›) is de oorspronkelijke betekenis niet zeker, hoewel het duidelijk is dat het om mensen gaat die zich met geheimzinnige en duistere kunsten bezig hielden. Vredenburg meent dat de grondbetekenis van het woord ‘griffel’ is, d.w.z. de ‘pen’ waarmee deze mensen hun geheime teksten opschreven. In het Arabisch betekent het woord ‘slurf’ en we vinden dat terug in de naam Khartoem, de hoofdstad van Soedan, die op een landtong tussen twee rivieren ligt die er als een slurf uitziet. Overigens lijkt dit woord niet van Arabische oorsprong te zijn.  De drie basisletters van het woord (‹ḥ,r,ṭ›) doen wel denken aan Arabische woord voor ‘(‹land›)kaart’ of: ‘plattegrond’. ‘Iets in kaart brengen’ en ‘iets op schrift zetten’, het is aannemelijk om het in die richting te zoeken, maar zekerheid hebben we niet. 

H2751

[‘manden met wit brood’] - van het Hebreeuwse woord חֹרִי (‹ḥori - H2751›) is de betekenis niet helemaal zeker en sommigen vertalen ook met ‘gevlochten manden’. Opgravingen van kleitabletten bij Ebla rond 1975 hebben teksten aan het licht gebracht die een mogelijke betekenis van dit Hebreeuwse woord belichten nl. ‘gebakken koeken of broden van wit meel’. De tabletten uit het koninkrijk Ebla zouden van rond 2300 v. Chr. zijn. Het woord komt alleen hier in het OT voor. 

H2763

H2764

[‘zal worden afgezonderd [(ter vernietiging)]’] - het Hebreeuwse werkwoord  חָרַם (‹ḥārām’- H2763›) dat 52 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 48 verzen heeft als eerste betekenis ‘indrukken’ of: ‘afsluiten’ of: ‘opsluiten’ of: ‘samendrukken’. Het ervan afgeleide mannelijke zelfst. nmw. is חֵרֶם (‹ḥērem - H2064›), dat wat afgezonderd wordt, het object. Volgens Gesenius is de grondbetekenis van het Hebreeuwse werkwoord ‘het indrukken van de neus’ b.v. om bij een kameel of mens (‹een slaaf›) een ring door de neus aan te brengen en om daarmee de persoon of het dier onder controle te kunnen houden. De vergelijkbare Arabische taalkundige wortel (‹حَرَّمَ - ḥarrama›) heeft ook dezelfde betekenissen als de Hebreeuwse wortel. Een andere vergelijkbare Arabische wortel (‹خَرَمَ - kharama›) heeft de betekenis van ‘doorboren’ of ‘doorpriemen’, b.v. het doorpriemen van de oorlel voor een oorbel. Zie voor deze betekenis de noot bij Lev. 21:18. 

–Het hier gebruikte Hebreeuwse woord heeft in alle gevallen de betekenis van ‘iemand of iets volkomen afzonderen voor God’, meestal met het gevolg dat deze personen en zaken volkomen vernietigd moesten worden (‹zie b.v. Dt. 13:13-18 en de noot bij Lev. 27:29›), b.v. de buit (‹de bezittingen van de inwoners van een veroverde stad en de inwoners zelf›). De buit en de inwoners werden dan uitgeroeid, opdat geen mens deze voor zichzelf zou nemen. In dat tekstverband is het werkwoord dan meestal vertaald als  ‘afzonderen ter vernietiging’. Het geroofde is voor de mens ‘taboe’ en moet daarom worden weggedaan en uitgeroeid. Men vertaalt in een dergelijk geval ook wel: ‘de stad werd met de ban geslagen’. Men ka zeggen dat alles ‘taboe’ werd verklaard om voor jezelf te nemen.  



H2860

[‘schoonzoon’] - het Hebreeuwse woord חָתָן (‹ḥāṯān - H2860›) heeft te maken met het aangaan van relaties door het sluiten van een huwelijk tussen de familie van de bruidegom en de bruid. Het woord heeft ‘eigenaardig’ genoeg ook te maken met ‘besnijden’, wat dan een afgeleide betekenis is van de eerstgenoemde betekenis. Overigens wordt in het OT voor ‘besnijdenis’ en ‘besnijden’ een andere, meer letterlijke uitdrukking gebruikt nl. ‘milaẖ’ (‹H4135, H4139 en soms H5243›). 

H2876

[‘lijfwacht’] - letterlijk: ‘de slachters’ of: ‘executeurs’ (‹H2876›). Zie ook Klg. 2:21 en Ez. 21:15 i.v.m. deze betekenis. De overste van de lijfwacht had ook het toezicht op de staatsgevangenis (‹zie Gen. 40:3›). 

[‘hoofdman van de lijfwachten’] - letterlijk: ‘heer van de slachters’, een combinatie van twee Hebreeuwse termen die in de Hebreeuwse Woordenlijst worden verklaard resp. onder H7227 voor ‘raḇ’ en H2876 voor ‘tabāḥīm’. Deze uitdrukking vinden wij in 24 verzen in het OT en de term komt overeen met die in Gen. 37:25, waar wij lezen van ‘de overste van de lijfwachten’, opgebouwd uit H8269 voor ‘sar’, dat is ‘vorst’ of ‘prins’, gevolgd door H2876 voor ‘tabāḥīm’, dus: ‘de vorst van de slachters’, door ons vertaald als ‘overste van de lijfwachten’, een uitdrukking die 6 keer in het OT voorkomt, alleen in het ‘Egyptische’ deel van Genesis. 

H2883

[‘werd ... ondergeduwd’] - letterlijk ‘werden ondergeduwd’. Het Hebreeuwse werkwoord טָבַע (‹ṭāḇaʿ - H2883›) staat hier in de passieve vorm genaamd de Pual. De Qal of stam van het werkwoord betekent ‘zinken’ of ‘indrukken’, zoals men een stempel op klei drukt. 

H2891

rein zijn, reinigen

het Hebreeuwse werkwoord טָהֵר (‹thr - H2891›) betekent ‘rein zijn’ of ‘reinigen’ of ‘rein maken’.

H2916

modder

klei

modder |טִיט|      Het mnl. znw. komt 13 keer in het OT verdeeld over 12 verzen. 

H2975

[‘rivieren’] - het Hebreeuwse woord (‹H2975›) heeft in de enkelvoudsvorm gewoonlijk betrekking op de Nijl (‹zie de noot bij Gen. 41:1›). De hier voorkomende meervoudsvorm slaat op de Nijlarmen, de zijrivieren en kanalen die met de Nijl verbonden zijn.  

H2977

[‘Josia’] - voluit: ‘Jōši-Jāhū’, d.w.z. ‘die de HEERE geneest’ (‹H2977›). 

H3034

[‘belijden’] - het Hebreeuwse werkwoord יָדָה (yādāẖ - H3034) kan zowel ‘belijden’ als ‘danken’ of ‘loven’ betekenen naar gelang de afgeleide vorm van het werkwoord, het erbij gebruikte voorzetsel en het zinsverband.     

H3045

verkondigen - Strongnr. H3045 

H3050

[‘De HEER’] - de Hebreeuwse naam ‘Jah’ is de verkorte vorm van de naam JᵃHWᵉH nl. ‘Jāh’ (‹H3050›). Deze naam komt in 45 verzen in de Bijbel voor nl. in Ex. 15:2; 17:16 en dan voor het eerst weer in Ps. 68:5 en vervolgens nog 42 keer in het boek Psalmen, heel vaak als onderdeel van ‘Hallelu-Jah’, om tenslotte nog 3 keer voor te komen resp. in Jes. 12:2, 26:4 en Jes. 38:11. Buiten  het voorkomen van de korte naam in 45 verzen van het OT, is de verkorte Naam ‘Jah’ ook heel vaak onderdeel van een naam b.v. Hizkia, is ‘Hizki-Yah’ of ‘Hizki-Jahoe’.    

H3082

H3082 [‘Jonadab’] - letterlijk: ‘Jeho-Nadab’, dat is ‘De HEERE is welwillend’ of: ‘De HEERE is mild’ (‹H3082›). 

H3095

[‘diamant’] - het Hebreeuwse woord יָהֲלֹם (‹yāẖǎlom - H3095›) is verwant aan Het Hebreeuwse werkwoord הָלַם  (‹ẖālam - H1986›), dat ‘slaan’ of: ‘hameren’ betekent. Men leidt daaruit af, dat deze steen bijzonder hard was. De Midrash geeft deze steen een heldere tint (‹transparant›) als kleur en deelt de steen toe aan de stam Zebulon. 

H3104

jubel(hoorn), jubel(jaar)

[‘bij het langgerekt klinken van de jubel[(hoorn)]’] - letterlijk staat er in het Hebreeuws ‘als de jubel lang wordt aangehouden’. Het Hebreeuwse woord יוֹבֵל (‹jōḇēl - H3104›) duidt op het geluid van een hoorn of trompet. De uitdrukking is ook onderdeel van de term ‘jubeljaar’, die dus vrij letterlijk uit het Hebreeuws is overgenomen. In Joz. 6:5 vinden we de term ‘jubelhoorn’ en in 6:6 ‘sjofarim jubelim’, vertaald met ‘de jubelbazuinen’.  

H3127

H3126

[‘jonge twijgen’] - het Hebreeuwse vrwl. znm. |יוֹנֶקֶת| (‹yōneqeṯ - H3127›) komt 6 keer in het OT voor, verdeeld over 6 verzen nl. in Job 8:16; 14:7; 15:30; Ps. 80:12; Ez. 17:22; Hos. 14:7 en heeft als eerste betekenis ‘twijg’ of ‘jonge twijg’.  In Jes. 53:2 vinden wij |יוֹנֵק|, (‹yōnēq - H3126›)een tegenwoordig deelwoord van het werkwoord (‹yānaq - H3243›) dat als eerste betekenis ‘zuigen’ heeft en dat 32 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 30 verzen.

H3198

 [‘vrijgepleit’] - het vrouwelijke enkelvoudige deelwoord נֹכָחַת (‹nuḵāhat - H3198›) is afgeleid van de Niphal van het Hebreeuwse werkwoord יָכַח (‹yākaḥ - H3198›) dat 59 keer in het OT voorkomt, verspreid over 55 verzen. Dit werkwoord heeft  als eerste betekenis (‹de Qal›), ‘op de voorgrond zijn’, en in verband hiermee ‘in het zonlicht zijn’, ‘openbaar zijn’ of ‘manifest zijn’ of ‘verschijnen’. De Hiphil van dit werkwoord heeft als betekenis ‘argumenteren’, ‘bewijzen’ of: ‘redetwisten’, vooral in het openbaar zoals in een rechtszaak en kan in sommige gevallen ook vertaald wordt als ‘bestemmen’ nl. de bestemming van iemand bepalen door de gerechtelijke procedure: schuldig of onschuldige, naar de gevangenis of vrijlaten. De Niphal heeft betrekking op het onderwerp zijn van een openbaar debat, meestal in de zin van berecht worden, als in een rechtszaak waarbij de beklaagde en de verdediger voor de rechter staan, waarbij de zaak waar het omgaat van alle kanten wordt belicht en beargumenteerd ten einde tot een conclusie en uitspraak te komen: schuldig of onschuldig. Het lijkt erop dat het werkwoord ten aanzien van de uitslag neutraal is. In dit vers kan uit het zinsverband worden opgemaakt dat Sara door de gift voor de ogen van allen vrijgepleit is, want de gift geeft is het tegengestede van straf en boete, zodat wij weten dat Sara niet meer een voorwerp van een openbaar twistgesprek tussen twee partijen was, zij was ‘niet meer in opspraak’. De in dit vers voorkomende Niphal van het werkwoordkomt in het OT alleen voor in Gen. 20:16 en in Job 23:7 (‹waar het vrij algemeen vertaald wordt met ‘rechtvaardige’ of: ‘gerechtvaardigde’ d.w.z. ‘vrijgepleite’›). In Jes. 1:18 wordt een wederkerige vorm van de Niphal gebruikt, die de betekenis heeft van ‘een rechtsgeding met elkaar aangaan’. Dat is dan een heen en weer gaan van beschuldiging en verdediging, maar bij voorbaat staat niet vast of de uitslag schuldig of onschuldig zal zijn.  

H3250

1 keer in het OT in Job 40:2 vermanen of instrueren

H3563

[‘beker[(drager)]’] - het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. כּוֹס (‹kōs̱ - H3563›). komt 34 keer in het OT voor, verdeeld over 29 verzen en het betekent allereerst ‘beker’ of: ‘kop’ (‹in het Engels ‘cup’›). Bochart (‹1599- 1667›) komt daarom op het idee dat het mogelijk een pelikaan of aalscholver betreft omdat die een soort ‘voedselzak’ of: ‘beker’ onder de snavel hebben. Het Arabische woord voor ‘pelikaan’ is in lijn met deze gedachte, in die zin dat de naam vertaald zou kunnen worden met ‘krop’ of: ‘blaas’ zoals in ‘galblaas’. In het Nederlands vertaalt men niettemin vaak met ‘steenuil’,  waarschijnlijk omdat de Septuaginta  ‘ransuil’ (‹νυκτικορακα›) heeft en de Vulgata ‘kerkuil’ (‹in het Latijn ‘bubonem’›).    

H3244

 [‘[(doods)]blazer’] - het Hebreeuwse woord יַנְשׁוּף (‹yanšūf - H3244›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָשַׁף (‹nāšaf - H5398›), dat ‘blazen’ betekent b.v. ‘op de hoorn blazen’. Dit werkwoord komt twee keer in de Bijbel voor nl. in Ex. 15:10 (‹God blaast op de zee en de zee overdekte de Egyptenaren›) en Jes. 40:24 (‹God blaast op de regeerders van de aarde en zij verdorren›). In beide gevallen leidt het blazen tot de dood. De Septuaginta en Vulgata vertalen met ‘ibis’ (‹dat is ‘de Egyptische reiger’›), maar Gesenius suggereert een andere reiger dan wel één of andere kraanvogel, trompetvogel of roerdomp. De meeste vertalingen schrijven hier ‘uil’, ‘grote uil’ of: ‘ransuil’. Misschien ziet men er een nachtvogel in zoals de Engelse Companion Bible doet, in afwijking van uitleg van het Hebreeuwse woord door Gesenius.

H3284



VOGELS

[‘dochter van het geschreeuw’] - Bochart geeft als betekenis van de Hebreeuwse uitdrukking בַּת הַיַּעֲנָה  (‹baṯ ẖa-yăʿnāẖ - H3284›): ‘dochter van het geschreeuw’. Dat is in lijn met Job 30:28, 29 en Mi. 1:8. Bochart meent, dat deze uitdrukking slaat op het struisvogelwijfje en de volgende vogel in dit vers zou dan het mannetje zijn. Anderen denken aan het ei van de struisvogel. K&D menen dat de uitdrukking betrekking heeft op zowel het mannetje als het vrouwtje van de struisvogel. De Septuaginta heeft ‘struisvogel’ (‹‘οτρουθον’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘strutionem’›). Men kan ook vinden ‘de dochter van de gulzigaard’: de struisvogel eet stenen, metalen en zelfs glas. Het Arabische woord voor ‘struisvogel’ heeft veel overeenkomst met het Hebreeuwse woord. Veel vertalingen houden het op ‘uil’ (‹velduil, nachtuil, katuil›), terwijl een enkele voor de nachthavik kiest. Gesenius en ook K&D wijzen de vertaling met ‘uil’ beslist van de hand. Anderen zeggen dat de uitdrukking betekent ‘dochter van de wildernis’, maar de onderbouwing ontbreekt (‹mogelijk door Jes. 13:21; 34:13; 43:20 en Jer 50:39›). Overigens komt de volledige Hebreeuwse naam van deze vogel alleen nog voor in Dt. 14:15.

H3302

H4159

[‘wonderteken’] - het Hebreeuwse mnl. znw. |מוֹפֵת| (‹mōfeṯ - H4159›) komt 36 keer in het OT voor, verdeeld over 35 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |יָפָה| (‹yāfāẖ - H3302›), dat als eerste betekenis heeft ‘mooi zijn’ of ‘opvallend zijn’ of ‘opmerkelijk zijn’ en 7 keer in het OT voorkomt verdeeld over 7 verzen. 

H3323

[‘olie’] - de olijfolie die net geoogst was, wordt in het Hebreeuws |יִצְהָר| (‹H3323 - yiṣhār›) genoemd (‹Num. 18:12, Dt. 7:13, 11:14, 12:17 e.a.›). Letterlijk vertaald is dat ‘schijnend’. De verse olie glom natuurlijk ook. ‘Yiṣhār’ is dan ook het woord dat in dit vers wordt gebruikt, omdat het immers in dit visioen vers geperst uit de olijf komt. Voor het dagelijks gebruik bedoelde olie heette |שֶׁמֶן| (‹H8081 - šemen›). Volgens Ex. 27:20 en Lev. 24:2 moest de olie voor de kandelaar bereid worden van zuivere, gestoten olie en in Ex. 30:24 wordt die aangeduid met het woord |שֶׁמֶן זַיִת| (‹d.w.z. H8081 - šemen H2132 - ‘zayit'›). De olie die gebruikt werd voor lampen heet ‘šemen’ b.v. ‘šemen la-mā’ǒr’ (‹olie voor de lamp - Ex. 2:6, 35:8,28›) en ‘šęmęn ha-mā’ǒr (‹‘olie van de lamp’ - Ex. 35:14, 39:37, Num. 4:16›) en de zalfolie wordt genoemd ‘šemen ha-mišḥāh’ (‹Ex. 29:7, 30:25, 31:11, 35:15, 39:38, 40:9 en Lev. 8:10,20 e.a.›). 

–De onderscheiden benaming voor het vocht dat net geoogst is en het vocht dat voor gebruik is bestemd, komen we ook tegen bij het sap van de druiven. De nieuwe wijn heet altijd ‘tīrōš’ (‹Num. 18:12, Dt 7:13, 11:14, 14:23, 18:4, 28:51 en 2 Kr. 31:5, 32:28, Neh. 5:11, 10:39, 13:12, Hos. 2:9, 2:22, Joel 1:10, 2:19, 2:24, Jer. 31:12, Hag. 1:11›) en de wijn voor het gebruik heet ‘yayin’ (‹1 Kr. 12:40; 2 Kr. 2:14, 11:11, Spr. 21:17, Jer. 40:10›).  

H3326

[‘bedstee’] - of: ‘bedstede’, dat is een door betimmering afgesloten deel van een vertrek dat als slaapkamer dient, als ‘bedstee’ of ‘bedstede’, letterlijk is het ‘bedplaats’ want ‘stee’ of ‘stede’ betekent ‘plaats’. Het Hebreeuwse woord (‹H3326›) betekent soms ook gewoon ‘kamer’ of ‘vertrek’, maar uit het zinsverband is op te maken dat het hier om een ‘bedstee’ of ‘bedstede’ gaat. 

H3335

[‘die het ontwerpt ... te verwerkelijken’] - het Hebreeuwse werkwoord (‹H3335 - ‘vormen’›) zou volgens K&D meer een innerlijke werkzaamheid vertegenwoordigen, zoals een plan of een product uitdenken of ontwerpen, dan een uiterlijke werkzaamheid (‹vormen of vormgeven, eventueel boetseren›).

H3363

Het Hebreeuwse werkwoord יָקַע (‹yāqaʿ - hangen, bungelen, loszitten - H3363›) dat wij hier vertaald hebben met ‘ontzet raakte’ vinden wij in een causatieve vorm als ‘ophangen’ (‹2 Sm. 21:6, 9, 13›). Er zou ook een verband kunnen zijn met het Arabische werkwoord وقع (‹waqa’›), immers ‘ophangen’, kan ook betekenen ‘laten vallen’, b.v. als men een gehangene laat vallen en de strop de keel snoert. Hoe erg het gewricht er al met al aan toe was, is moeilijk te zeggen, maar wel maken we uit Gen. 32:33 op dat de zenuwpees getroffen was. 

H3384

leren

het Hebreeuwse woord יָרָה (‹yārāh - H3384›) betekent ‘onderwijzen’, ‘leren’ d.w.z. in de zin van ‘iemand iets aanleren’, maar ook ‘tonen’ of  ‘(‹als›) lot aanwijzen’ en zelfs ‘besprenkelen’ (‹met regen›).  

H3409

[‘zijde’] - het Hebreeuwse woord יָרֵךְ (‹yāreḵ - H3409›) komt 34 keer in het OT voor verdeeld over 32 verzen en het heeft als eerste betekenis ‘heup’. 

H3444

redding

het Hebreeuwse woord יְשׁוּעָה (‹yᵊšūʿāh - H3444›) kan ook betekenen ‘bevrijding’ (‹2 Sm. 10:11›) of ‘overwinning’, ‘verlossing’ of ‘uitredding’ (‹1 Sm. 14:45; 2 Kr. 20:17›). De eerste betekenis is redding, uit nood en gevaar. Het Hebreeuwse woord komt in 45 verzen van de psalmen voor. Het woord is nauw verwant met de Naam van Jezus, de HEERE redt. Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden! Zie Mt. 1:21.   

H3467

יָשַׁע   redden. 206 keer in het OT verdeeld over 198 verzen.

H3468

יֶשַׁע. redding   36 keer in het OT verdeeld ver 35 verzen.

H3471

[‘jaspis’] - een ondoorzichtige en fijnkristallijne variëteit van kwarts. De chemische samenstelling van jaspis is identiek aan die van agaat, vuursteen en hoornkiezel. De naam jaspis komt van het Griekse woord 'iaspis'. Jaspis betekent gespikkelde steen. De kleuren zijn variabel, van geel via rood en roodbruin tot groen. Jaspisstenen worden geslepen en gepolijst om in sieraden gezet te worden. Het Hebreeuwse woord יָשְׁפֵה (‹yāšfēẖ - H3471›) houdt volgens Gesenius verband met ‘glad zijn’ ofwel ‘gepolijst zijn’. De Midrash geeft een mengeling van alle  kleuren aan en kent de steen toe aan de stam Benjamin.  

H3499

[‘[(mijn)] opvolger ... machtig’] - vaak vindt men vertalingen die gaan in de richting van ‘de voornaamste in waardigheid en de voortreffelijkste in sterkte.’ Het Hebreeuwse woord יֶתֶר (‹yeṯer - H3499›) wordt vaak gebruikt voor ‘overblijfsel’. Ook staat het voor een tentkoord waarmee de tent gespannen wordt en volgens Gesenius kan het woord ook gebruikt worden voor het naar buiten hangen van een koord of touw ofwel het overhangen van b.v. een tentkleed. In de lijn van deze betekenissen en in de lijn van de eerdere omschrijvingen in dit vers, komen wij uit op de vertaling ‘opvolger’. In het volgende vers zien wij dat de zonde van Ruben ertoe leidt dat hij niet de opvolger zal zijn die hij had behoren te zijn (‹zie 1 Kr. 5:1›), de leider en de machtigste onder de stammen van Israël. De vertaling van de LXX loopt hier op vooruit door al in dit vers de laatste woorden weer te geven als ‘moeilijk te verdragen, hard en koppig’, maar die LXX-vertaling is niet conform de Hebreeuwse grondtekst. 

H3510

het Hebreeuwse werkwoord |כָּאַב| (‹ka’ab - H3510›) komt 8 keer in het OT voor, verdeeld over 8 verzen en de eerste betekenis is ‘pijn hebben’ of ‘pijn lijden’ (‹Gen. 34:25; Job 14:22; Ps. 69:30; Spr. 14:13›). Afgeleide werkwoordsvormen leveren betekenissen op als ‘pijnlijk’ (‹Job 5:18; Ez. 13:22; 28:24›) of ‘bederven’ (‹b.v. een stuk land met stenen bederven (‹2 Kn. 3:19›). 

H3515

[‘indrukwekkende’] - letterlijk: ‘zwaar’ (‹כָּבֵד - kāḇeḏ - H3515›). De wortel van het woord is verwant aan de woorden ‘lever’ (‹orgaan›) en ‘heerlijkheid’. 

H3519

[‘eer’] - letterlijk: ‘heerlijkheid’ of: ‘glorie’ of: ‘waardigheid’. Het Hebreeuwse woord כָּבוֹד (‹kāḇōḏ - H3519›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘zwaar zijn’. Daarom kan het woord ook ‘zwaarte’ betekenen. Ook is voor dit Hebreeuwse woord de juiste vertaling soms ‘lever’, misschien omdat het een zwaar orgaan is, maar mogelijk ook vanwege de belangrijkheid van het orgaan, dat ook wel gezien wordt als de bron van ons zielenleven (‹Ps. 16:9, 57:9 en 108:2›). Zie ook de noot bij Ps. 7:6.      

H3526

wassen

het Hebreeuwse woord כָּבַס (‹kābaṣ - H3526›) is ‘wassen’ en letterlijk betekent het ‘trappen’, want het wassen gebeurde vaak met de voeten op het kledingstuk dat in het water lag.

H3532

rammetje, mannelijke dier van de schapen, vaak van één jaar

[‘het lam’] - het Hebreeuwse woord |כֶּבֶשׂ| duidt op een mannetje, een rammetje (‹H3532›).  Het woord komt 107 keer voor in het OT, verdeeld over 100 verzen.

H3558

[‘[(zegel)]ringen’] - het Hebreeuwse woord טַבַּעַת (‹taḃaʿaṯ - H3558›) betekent allereerst zegelring (‹Gen. 41:42, Est. 3:10›), maar het wordt ook gebruikt voor ringen in algemene zin b.v. voor de ringen om de draagstokken van de Kist in te steken (‹Ex. 25:12›). Wij hebben de dubbele betekenis met de cursivering ingesloten. Het Hebreeuwse werkwoord טָבַע (‹ṯāḇaʿ - H2883›), waar het woord van is afgeleid, betekent ‘zinken’ of ‘een afdruk maken’ of ‘afdrukken’.  

H3559

[‘sterken’] - dit is grondbetekenis van het Hebreeuwse werkwoord כּוּן (‹kūn - H3559›) is ‘stevig staan’, ‘vast staan’. Omdat hier sprake is van de Hiphil van het werkwoord is de betekenis ‘vast doen staan’ ofwel ‘sterken’.  

Het Hebreeuwse werkwoord כּוּן (‹kūn - H3559›) heeft als eerste betekenis ‘rechtop staan’. Deze betekenis komt op één of andere manier in alle afgeleide vormen van het werkwoord terug: ‘overeind zetten’, ‘bevestigen’, ‘richten’, ‘aanstellen’ enz. Zie verder H3335 en H3559 in de Hebreeuwse Woordenlijst. 

H3564

[‘kor’] - de Hebreeuwse benaming כֹּר of כּוּר (‹kōr - H3564›) is in het Hebreeuws gangbaar geworden voor de ‘homer’. (‹zie 1 Kn. 5:2 en Ez. 45:14›). Deze was gelijk aan 10 ‘efa’ of 10 ‘bath’. 

H3583

kracht, sterkte

[‘muurhagedis’] - het Hebreeuwse woord mannelijke zelfst. nmw.  כֹּחַ (‹koḥa - H3581›) houdt verband met ‘kracht’ en ‘sterkte’. Het woord komt 127 keer in het OT voor, verdeeld over 121 verzen. Het betekent gewoonlijk ‘kracht’ of ‘sterkte’, maar omdat het hier om een kruipend der gaat, denken K&D aan een hagedis, die veel in muren voorkomt in Syrië en Israël. Anderen denken aan de ‘varaan’, een vrij grote hagedissoort. 

H3582

[‘wegvagen’] - het Hebreeuwse werkwoord כָּחַד (‹kāḥāḏ - H3582›) heeft als eerste betekenis ‘ontkennen’ of: ‘onteigenen’, maar ten diepste zou het betekenen ‘bedekken’ of: ‘insmeren’. Deze betekenissen zouden dan zijn uitgebreid richting ‘ontkennen’ en ‘onteigenen’ en ook wel ‘verbergen’. 

H3595

[‘podium’] - het Hebreeuwse woord |כִּיּוֹר| (‹‘kiyūr’ - H3595›) is in het Hebreeuws hetzelfde woord als het woord voor ‘wasvat’ (‹b.v. in 1 Kn. 7:43›) en het woord voor ‘haard’ (‹Zach. 12:6›). Het podium vormde een vierkante rechthoek van 2,5 bij 2,5 meter en het was ongeveer een anderhalve meter hoog, zodat de man dier erop stond zichtbaar was voor heel het volk.Het woord komt 23 keer in het OT voor, verdeeld over 20 verzen. Het is verwant aan het Hebreeuwse mannelijke znw. |כּוּר| (‹H3564›), dat ‘oven’ betekent. 

H3603

[‘deksel’] - het Hebreeuwse woord ‘k̇ik̇ar’ (‹H3603›) wordt vaak gebruikt voor een rond object, m.n. voor een ‘talent goud, zilver, koper of ijzer’ (‹zie 1 Kr. 29:7›). De efa kan een ronde vorm gehad hebben en bijgevolg dus ook het deksel. 

H3615

aan (hun) eind komen

[‘Zij zullen verdwijnen, in rook zullen zij opgaan’] - twee keer staat hier hetzelfde Hebreeuwse werkwoord כָּלָה (‹kālāẖ - H3615›), waarvan de meest letterlijke vertaling is: ‘zij zullen aan (‹hun›) eind komen’. Wij hebben gekozen voor ‘zij zullen verdwijnen’ en ‘zij zullen in rook opgaan’, want de dieren zullen geslacht worden en zoals de rook die van het vuur waarop zij bereid worden opstijgt, steeds dunner wordt en ten slotte verdwijnt, zo zullen ook de boosdoeners verdwijnen en in rook opgaan.  

H3635

[‘muggen’] - of: ‘muskieten’. Het Hebreeuwse woord is כִּנִּים (‹kinnīm - H3654›). Men heeft hierbij aan verschillende mogelijkheden gedacht: luizen, vlooien, vliegen, muggen, muskieten en teken. In de Samaritaanse Peshitta  en de Joodse Targum en ook bij Josephus (‹Ant. 2.14.3 - 2.300›) vinden we ‘luizen’ terwijl de Griekse Septuaginta en de Latijnse Vulgata het op ‘muggen’ houden. In het Nederlands zijn ‘mug’ en ‘muskiet’ erg verwant. Veel commentatoren denken aan een soort muskieten of muggen die veel voorkwamen in de Egyptische wateren. Hoe het ook zij, de diertjes kwamen uit het stof voort en waren een bron van ongemak en ergernis voor mens en dier. 

H3637

te schande worden

het Hebreeuwse werkwoord כָּלָם (‹kālām - H3637 - te schande worden›) komt 38 keer in het OT voor. Het staat voor het gevoel van schande dat optreedt bij openbare vernedering. In dertig gevallen wordt de grammaticale wortel in parallel met het werkwoord בּוֹשׁ (‹bōš  - H954›) gebruikt, dat staat voor ‘zich schamen’. 

H3649

[‘afgodspriesters’] - het Hebreeuwse woord הַכְּמָרִים  (‹ha-kᵉmārīm - H3649›) komt behalve in dit vers alleen nog voor in Hos. 10:5 en Zef. 1:4. Deze priesters waren niet de profeten van Baäl en ook niet de priesters van Baäl die reukoffers brachten aan Baäl, de zon enz., want die worden hier apart genoemd Ook waren het geen Levitische priesters, want die worden in Zef. 1:8,9 apart genoemd als ‘kohaniem’. Deze ‘kohaniem’ brachten als Levitische priesters reukoffers op de hoogten, terwijl ze zich onthielden van het brengen van offers aan God in de Tempel. Ze stonden meer in het hart van de afgoderij dan de ‘ha-kᵉmārīm’.  Blijkens dit vers waren de afgodspriesters (‹ha-kᵉmārīm›) priesters van niet-Levitische oorsprong die door de koningen van Juda waren aangesteld om ook reukoffers (‹wierook›) te brengen op de hoogten die verspreid door Juda te lagen. In Hos.10:5 zijn deze afgodspriesters (‹ha-kᵉmārīm›) betrokken in de dienst rondom het gouden kalf  in Samaria. Het waren geen afgodische priesters in de volle zin van het woord, maar priesters die zowel de HEERE als de Baäl dienden, waarbij de HEERE a.h.w. gedegradeerd werd tot een soort Baäl of afgod. De grondbetekenis van het woord ‘kᵉmārīm’ is onderwerp van discussie. Het woord ‘kᵉmārīm’ betekent in het Aramees ‘priesters’ en in het Hebreeuws ‘valse priesters’, waarschijnlijk afgeleid van een werkwoord voor ‘bijeenbrengen’ of: ‘volvoeren’ wat dan betrekking heeft op het brengen van een offer. Anderen menen dat het woord ‘ongelovig zijn’ of: ‘zwart zijn’ (‹in de zin van zwarte kunst›) zou betekenen, maar weer anderen wijzen die uitleg af.



H3658

lier - kinnor

H3698

[‘spelt’] - een tarweachtige graansoort. Het Hebreeuwse zelfst. nmw. כֻּסֶּמֶת (‹kūs̱emeṯ - H3698›) komt alleen nog in Jes. 28:25 en Ez. 4:9 voor. Het is niet zeker welk gewas het precies is geweest. Men neemt aan dat de gewassen nog jong waren en daarom nog soepel. Daarom werden ze niet door de hagel geknakt, maar neergeslagen.

H3713

het Hebreeuwse mnl. znw. |כְּפוֹר| (‹kafōr  - H3713›) komt 6 keer in het OT voor, verdeeld over 6 verzen. Het woord staat in 1 Kr. 28:17;  Ezra 1:10; 8:27 voor een ‘beker’ en dan zeer waarschijnlijk een beker die met een deksel is afgedekt.  De andere betekenis van het woord in  Ex. 16:14; Job 38:29; Ps. 147:16 is ‘rijp’ d..w.z de witte rijp die bij lichte vorst als een kleed over het landschap ligt. Het kale winterse landschap wordt voor het oog afgedekt met een verblindende schoonheid. Is het vreemd om te zeggen dat het oog verzoend wordt door deze bedekking en behagen schept in al dat rijp dat het doodse beeld van de natuur herschept met haar reine, witte kleed! Zo moet een zondig mens ook bekleed worden of verzoend worden met klederen van redding en met een mantel van gerechtigheid door Gods genade. Zie Jes. 61:10.

Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |כָּפַר| (‹kāfar  - H3722›), waarvan de eerste betekenis is ‘bedekken’ en in het verlengde hiervan ‘verzoenen’ of ‘verzoening doen (‹over›)’ of ‘gunstig stemmen’ (‹Gen. 32:21›).  Taalkundig 

H3722

bedekken, verzoenen

Het Hebreeuwse werkwoord כָּפַר (‹kāfar - H3722›) komt 102 keer voor in het OT. De eerste betekenis ervan is ‘bedekken’ en in het verlengde hiervan ‘verzoenen’ of ‘verzoening doen (‹over›)’ of ‘gunstig stemmen’ (‹Gen. 32:21›). 

H3724

pek, verzoengeld, 

zoenmiddel

smeergeld, 

dorp, gehucht 

of vlek, hennabloem

het Hebreeuwse mnl. znw. woord כֹפֶר (‹kofer - H3724›), dat 17 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 17 verzen, heeft naar gelang het zinsverband verschillende betekenissen. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord כָּפַר (‹kāfar - H3722›) dat 102 keer voorkomt in het OT. De eerste betekenis ervan is ‘bedekken’ en in het verlengde hiervan ‘verzoenen’ of ‘verzoening doen (‹over›)’ of ‘gunstig stemmen’ (‹Gen. 32:21›). 

Van het woord ‘kofer’ noemen wij de volgende betekenissen die allemaal te maken hebben met ‘bedekken’. 

- in Gen. 6:14 is het vertaald als ‘pek’, de pek waarmee de Ark van Noach werd bedekt en ingesmeerd;

- in Ex. 21:30, 30:12; Num. 35:31, 32; Job 36:18; Ps. 49:8; Spr. 13:8; 21:18; Jes. 43:3;   e.a. is het vertaald als ‘verzoengeld’ (‹bedekkingsgeld›) en in 1 Sm.12:3 en Amos 5:12 in negatieve zin als ‘smeergeld’ (‹steekpenningen›) waarmee het onrecht wordt bedekt. In Num. 35:31 wordt dit verboden, opdat een moordenaar niet vrij uit kan gaan; 

- in Spr. 6:35 is het een geschenk om iemand te winnen voor de eigen zaak, om iemand om te kopen;

- Job 33:24  is het vertaald als ‘verzoenmiddel’; 

- in Hooglied 1:14 en 4:13 heeft het betrekking op de ‘hennabloem’;

- in 1 Sm. 6:18 heeft het woord betrekking op ‘dorpen’ of ‘vlekken’ of ‘gehuchten’ die zonder muur, onbeschermd, in het landschap liggen en het bedekken zoals vlekken dat waarop zij zich bevinden, afdekken. 

H3727

Het Hebreeuwse vrwl. znmw. |כַּפֹּרֶת| (‹kiporet - H3727›) komt 26 keer in het OT voor, verdeeld over 22 verzen en het betekent ‘verzoendeksel’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord כָּפַר (‹kāfar - H3722›) dat 102 keer voorkomt in het OT. De eerste betekenis ervan is ‘bedekken’ en in het verlengde hiervan ‘verzoenen’ of ‘verzoening doen (‹over›)’ of ‘gunstig stemmen’ (‹Gen. 32:21›). 

H3733

[‘zadel’] - het Hebreeuwse woord |כַר| (‹ḵar - H3733›) staat eigenlijk voor ‘lam’ of voor ‘de weide’ waar de lammeren verblijven. Het kameelzadel op de rug van de kameel waarop de vrouwen gezeten waren, schudde bij het gaan erg heen en weer en deed mogelijk denken aan de manier waarop lammeren zich voortbewegen en springen (‹Gesenius›). Het woord komt 16 keer in het OT voor, verdeeld over 15 verzen.

–Volgens anderen was het een zadel dat bestond uit een aantal op elkaar gelegen kleden, bovenop de pakzadels met goederen, met daaromheen een mandachtige rand waardoor Rachel de terafim in het zadel kon leggen (‹NET Bible en K&D›). De vrouwen zaten dan a.h.w. als een lammetje in de weide, zacht en tegelijk beschermd door het mandje. K&D merken op dat het het kleed, waarop een ongestelde vrouw zat, onrein was, al was de Wet van Mozes nog niet gekomen  (‹Lev. 15:19›). Laban zal het misschien voor onmogelijk hebben gehouden dat Rachel de terafim onder haar onreinheid zou hebben weggestopt.  

H3766

[‘kromt zich’] - het Hebreeuwse werkwoord כָּרַע (‹kāraʿ - H3766›) komt 36 keer in het OT voor verdeeld over 32 verzen en heeft als hoofdbetekenis ‘buigen’ of ‘bukken’ en vaak wordt het werkwoord verbonden met ‘op de knieën neerbuigen’, soms wat vrij vertaald als ‘op de knieën neervallen’.   

H3804

[‘diadeem’] - het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. כֶּתֶר (‹keṯer - H3804›) komt 3 keer voor in het OT, alleen in het boek Esther: Est. 1:11; 2:17; 8:15. De diadeem omcirkelt het hoofd en is versierd. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord כְּתַר (‹kṯar - H3803›) dat 6 keer in het OT voorkomt nl. in Ri. 20:43; Job 36:2; Ps. 22:12; 142:7; Spr. 14:8; Hab. 1:4 heeft als eerste betekenis ‘omringen’ of ‘omcirkelen’. In afgeleide werkwoordsvormen komen wij de betekenissen ‘wachten’ en ‘kronen’ tegen. Het vrouwelijke zelfst. nmw. כֹּתֶרֶת (‹kotereṯ - H3805›) komt 24 keer in het OT voor, m.n. in 1 Kn. 7, 2 Kn. 25:17, 2 Kr. 4 en Jer. 52:22. Het betekent vrijwel steeds ‘kapiteel’, de bekroning van de zuilen van de Tempel of van een paleis.  

H3816

[‘volkeren’] - het Hebreeuwse woord |לְאֻמִּים| (‹lᵉūmīm - H3816›) komt 36 keer in het OT voor (‹soms ook in het enkelvoud›), verdeeld over 31 verzen en vooral in de Psalmen en in Jesaja. Het enkelvoud vertalen we met ‘volk’ (‹4 keer nl. in Spr. 11:26; 14:28, 34; 24:24 en Jes. 51:4›)‚ en het meervoud met ‘volkeren’, zodat er enig onderscheid ontstaat ten opzichte van twee andere veel voorkomende woorden in de Bijbel voor ‘volk’ nl. |גּוֹי| (‹gōy - H1471›) en |עַם| (‹ʿam - H5971›). De Aramese variant |אֻמָּה| (‹ūmāẖ›) van het woord vinden wij onder H524. Deze vorm komt 8 keer voor verdeeld over 8 verzen nl. 1 keer in Ezra 4:10 en verder nog 7 keer in de Aramese hoofdstukken 1 t/m 7 van het boek Daniel.

H3833

[‘leeuwen’] - het Hebreeuwse woord (‹H3833›) staat overal elders (‹in alle vertalingen›) voor ‘leeuwin’ (‹ook de Arabische variant van dit Hebreeuwse woord kent alleen de vrouwelijke vorm van dit woord |||لبوة||| (‹labwa›) met meervoud |||لبوات||| (‹labawāt›).›) In dit vers is het meervoud echter geconstrueerd als een mannelijk meervoud, maar o.i. kan dat een dichterlijke reden hebben om het beter te laten passen bij de klank van het Hebreeuwse woord voor ‘brandende fakkels’ dat een mannelijk meervoud heeft, eindigend op ‘īm’. Vrouwtjes zijn onder de leeuwen de ‘jagers’ (‹80% van de prooi wordt door de vrouwtjes buitgemaakt›). Als de ziel voor de psalmist als prooi voor meerdere leeuwen ligt, is het aannemelijker dat die leeuwen vrouwtjes zijn, want van de buit krijgt de mannetjesleeuw eerst te eten, en dan pas de vrouwtjes en welpen. Etymologisch gezien zijn er ook aanwijzingen dat de grammaticale wortel van het woord te maken heeft met ‘zogen’ of: ‘zuigen’ , maar ook met ‘melken’ of juist ‘melk aanbieden’. (‹Arabic Dictionary  - Steingass›), met dat voorbehoud dat die wortel weliswaar in het Arabisch voorkomt, maar het vervolgens altijd nog maar de vraag is in hoeverre dat ook van toepassing is voor het Hebreeuws. De Arabische Van Dycke vertaling vertaalt met ‘leeuwenwelpen’, d.w.z. jonge leeuwen die nog van de moeder afhankelijk zijn voor het zogen. Omdat het voor het begrip van dit vers niet zo relevant is, houden wij in de tekst ‘leeuwen’ aan.  

H3843

[‘koeken’] - mogelijk een soort pannenkoeken (‹H3843›) met een gezonde uitwerking op het lichaam.   

H3858

[‘geheimzinnige kunsten’] - het Hebreeuwse woord לַהַט (‹ḻaẖaṭ - H3858›) komen we alleen nog tegen in Gen. 3:24 waar het ‘vlammend’ betekent. We moeten dan ook denken aan ‘vuur spuwen’. Ongetwijfeld ging het hier om occulte, duistere praktijken. Men vertaalt ook wel met ‘bezweringen’. 

H3899

[‘spijs’] - het Hebreeuwse woord לֶחֶם (‹leḥem - H3899›) betekent gewoonlijk ‘brood’, maar kan ook een ruimere betekenis hebben nl. ‘voeding’, ‘spijs’ of ‘maaltijd’. Ook in Lev. 3:16. 

H3911

[‘hagedis’] - het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. לְטָאָה (‹lᵉṭāāʾẖ  - H3911›) komt alleen in Lev. 11:30 in het OT voor. In het algemeen vertaalt men met ‘hagedis’ zonder dat er zekerheid is over de oorsprong en de betekenis van het woord.

H3992

[‘kwaadaardige’] - het Hebreeuwse woord |מַמְאִיר| (‹kwaadaardig of bitter - H3992›) komt 4 keer in het OT voor nl. in Lev. 13:51, 52; 14:44 en in Ez. 28:24. De eerste betekenis is volgens Gesenius verbonden met ‘bitter zijn’ en met ‘pijn doen’.

H3937

een vreemde taal spreken

[‘met een vreemde taal’] - voor het volk van Jakob waren de Egyptenaren een volk met een vreemde, onbekende, barbaarse taal. Het Hebreeuwse werkwoord |לֹעֵז| (‹lāʿaz - H3937›) komt alleen in Ps. 114:1 in het OT voor en betekent ‘een vreemde taal spreken’. Het Hebreeuwse werkwoord is verwant aan het Arabische werkwoord |||لَغَزَ|||, ‘laġaza’, d.w.z. in raadsels spreken. 

H3958

[‘hyacintsteen’] - een halfedelsteen met een bruinachtige rode kleur. De betekenis en oorsprong van het Hebreeuwse woord לֶשֶׁם (‹lešem - H3958›) is onbekend. De Midrash geeft deze steen een blauwe kleur en deelt de steen toe aan de stam Dan.   

H3992

[‘kwaadaardige’] - het Hebreeuwse woord |מַמְאִיר| (‹kwaadaardig of bitter - H3992›) komt 4 keer in het OT voor nl. in Lev. 13:51, 52; 14:44 en in Ez. 28:24. De eerste betekenis is volgens Gesenius verbonden met ‘bitter zijn’ en ‘pijn doen’.  

H4060

[‘panelen’] - anderen (‹b.v. K&D›) denken aan ‘maten’, in die zin dat men denkt dat Ezechiël hier bedoelt dat alles gemeten was. Maar het Hebreeuwse meervoudige woord |מִדּוֹת| (‹middōṯ - H4060›) kan ook ‘kleden’ betekenen, een betekenis die hier mogelijk overdrachtelijk is toegepast, in de zin dat de wanden met houten panelen bekleed waren. Vanuit de overeenkomstige wortel in het Arabisch zou men kunnen denken aan ‘uitspreidingen’ of ‘bedekkingen’, net als vleugels. De Septuaginta heeft het woord onvertaald gelaten. Het vertaalkeuze ‘paneel’ of ‘bedekking’ lijkt ook beter aan te sluiten bij de tekst van de volgende verzen van 18-21 waarin beschreven wordt welke afbeeldingen op deze panelen worden aangebracht.

H4073

[‘spoedig’] - het vrouwelijke Hebreeuwse woord |מַדְחֵפָה| (‹maḏḥēfāẖ - H4073›), dat in het meervoud staat |מַדְחֵפֹה| ‹maḏḥēfōt›) komt alleen in dit vers in het OT voor. 

H4113

diepe waterstromen

Het Hebreeuwse vrouwelijke woord מַהֲמֹרָה (‹mahǎmorāh - enkelvoud - H4113›), dat alleen in Ps. 140:11 voorkomt met de meervoudsvorm מַהֲמֹרוֺת (‹mahǎmorōt›), vertaald als ‘kuilen’ of ‘putten’, maar de taalkundige wortel heeft zelfs in het Arabisch, het zusje van het Hebreeuws, ook de betekenis van ‘stromen’, zodat ‘diepe waterstromen’   Bovendien past de combinatie van vuur en water goed bij elkaar (‹vgl. Ps. 66:12›).  

H4135

besnijden

het Hebreeuwse werkwoord מוּל (‹‘mūl’ - H4135›) wordt in het OT hoofdzakelijk gebruikt in de betekenis van ‘besnijden’. Alleen in dit vers in het OT treffen we de Hitpalel van het werkwoord aan, waarvan de betekenis niet zeker is. De Hitpalel heeft vaak een reflexieve of wederkerige betekenis van de Pilel van het werkwoord. De Pilel van het werkwoord vinden wij in Ps. 90:6 en heeft daar de betekenis 'afsnijden'. De reflexieve betekenis zou dan kunnen zijn 'zich afsnijden' en de wederkerige betekenis 'elkaar snijden' of 'elkaar afsnijden'. In de Targum lijken de woorden ‘Spant hij’ opgevat te worden als ‘Spant God’, waarbij dan de boosdoeners in het tweede gedeelte van de zin 'in stukken worden gesneden'. De vraag is of we God als onderwerp mogen nemen, of dat het juist om de boosdoener gaat. Het laatste lijkt beter te passen bij het begin van het volgende vers, waarin ook sprake is van een ‘hij’, die duidelijk als een boosdoener in de tekst herkenbaar is. De Aramese vertaling van het OT (‹Peshitta›) zegt 'dat ze zijn als pijlschachten zonder punt', een vertaling die wij ook terugvinden bij K&D. Men vat 'besnijden' dan op als 'afsnijden aan de punt'. Bij deze zienswijze is het de boosdoener die de boog spant en de psalmist vraagt dan dat zijn pijlen afgestompt mogen zijn, d.w.z. geen kwade gevolgen zullen hebben. Deze zienswijze past beter in de samenhang van de tekst. 

–Tenslotte vermelden wij nog de werkwijze van de NET Bible die na een reeks van aanpassingen in de grondtekst op grond van een vermeende originele tekst (‹waar is daar het bewijs van?›) komen tot de volgende weergave van het hele tweede gedeelte van het vers 'dat ze mogen verwelken als gras'. Maar al die wijzigingen gaan ons te ver en zijn ook niet nodig.

H4159

H3302

[‘wonderteken’] - het Hebreeuwse mnl. znw. |מוֹפֵת| (‹mōfeṯ - H4159›) komt 36 keer in het OT voor, verdeeld over 35 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |יָפָה| (‹yāfāẖ - H3302›), dat als eerste betekenis heeft ‘mooi zijn’ of ‘opvallend zijn’ of ‘opmerkelijk zijn’ en 7 keer in het OT voorkomt verdeeld over 7 verzen. 

H4171

[‘omruilen’] -  het Hebreeuwse werkwoord מוּר (‹mūr - H4171›), dat 14 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 14 verzen, heeft als eerste betekenis ‘omruilen’. Zie b.v. Ps. 15:4 en Ps. 46:3. 

–De vraag is of er In Lev. 27:10 sprake is van een parallelisme tussen enerzijds ‘vervangen of omruilen’ en anderzijds ‘een goed voor een slecht of een slecht voor een goed (‹dier›)’.    

H4212

vuurtangen - mzammerot 5x

H4229

uitwissen, wissen

het Hebreeuwse woord מָחָה (‹māḥah - H4229›) is ‘wissen’ of ‘uitwissen’.  Ook merg

36 keer in 22 verzen

H4334

[‘in de vlakte’] - het Hebreeuwse woord |מִישׁוֹר| (‹mišōr - H4334 - vlakte›) komt 27 keer in het OT voor, verdeeld over 27 verzen. 

H4257

klaagzang

De Hebreeuwse term מָחֲלַת (‹māḥălaṯ - H4257›) wordt vaak onvertaald weergegeven als ‘Machalath’ omdat de betekenis van de term onzeker is. De term komt alleen voor in het opschrift van Ps. 53 en Ps. 88, waarvan de laatste beslist een psalm met een heel somber en droevig karakter is, die volgens de Joodse exegeten verbonden is met de val van Jeruzalem door de Babylonische heerser Nebukadnezar in 587 v. Chr., terwijl Ps. 53 profetisch gezien betrekking zou hebben op de verwoesting van de stad door de Romeinen (‹70 n. Chr.›).  Het Hebreeuwse woord wordt in verband gebracht met het woord מַחֲלֶה (‹maḥǎleẖ - H4245 - ziekte›) in Ex. 15:26, dat in het totaal 6 keer in het OT voorkomt. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָלָה (‹ḥālāẖ - H2470 - ziek zijn, zwak zijn›). K&D stellen voor dat de betekenis van de uitdrukking gezocht moet worden in de richting van ‘op een sombere wijs’ of ‘op een droevige toon’. Gesenius denkt eerder aan een muziekinstrument, een harp, maar K&D wijzen die betekenis resoluut van de hand en benadrukken dat ‘māḥălaṯ’ semantisch gezien verbonden is met ܚܰܠܳܐ (‹ḥalaʾ›), het Aramese woord voor ‘azijn’ en dus voor ‘zuur’  als staande tegenover ‘bitter’ (‹מַר - mar - H4751›). 

H4272

het Hebreeuwse werkwoord |מָחַץ| (‹māḥaṣ - H4272›) komt 14 keer in het OT voor, verdeeld over 14 verzen en het heeft als eerste betekenis ‘verbrijzelen’ of ‘verpletteren’ of ‘dooreenschudden’, evt. ‘slaan’, maar dan vernietigend.

H4285

duisternis

duistere (plaatsen)

[‘de duistere plaatsen’] - een verwijzing naar de ‘hades’, dat is het dodenrijk of de ‘sheol’. Het hier gebruikte Hebreeuwse woord |מַחְשָׁךְ| (‹maḥšāḵ - H4285›) komt 7 keer in het OT voor nl. in Ps.  74:20; 88:7, 19; 143:3, Jes. 29:15; 42:16; Klg. 3:6. In Ps. 74:20, Ps. 88:7, Ps. 143:3 en in Klg. 3:6 staat het woord voor de ‘hades’ of ‘de sheol’.    

H4294


tak, twijg, stok, staf, (volks)stam









H4296


bed, ligbed, mat,  rustbank, baar,

draagbed

Het Hebreeuwse mannelijke zelfstandige naamwoord מַטֶּה (‹maṭeẖ - H4294›) komt 251 keer in het OT voor, verdeeld over 205 verzen. Het meervoud is מַטּוֺת (‹matōṯ›). Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָטָה (‹nātāẖ - H5186›) dat 216 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 207 verzen en waarvan de eerste betekenis ‘uitstrekken’ is. Het woord ‘maṭeẖ’ betekent: [(‹1›)] ‘tak’ of ‘twijg’ b.v. in Ez. 19:11, [(‹2›)] ‘stok’ of ‘staf’ b.v. in Ex. 4:2, 4, 17 en in Num. 20:9. Dit woord is onderdeel van de term ‘de staf van Mozes’ die heel vaak in de Bijbel voorkomt, vooral in de boeken van Mozes. Ook is het woord onderdeel van de speciale uitdrukking in Lev. 26:26, Ps. 105:16, Ez. 4:16, 5:15, 14:13 ‘de broodstaf verbreken’ vertaald als ‘de broodvoorziening verbreken’ d.w.z. ‘hongersnood veroorzaken’, die teruggaat op het feit dat ‘brood’ in het Hebreeuws wordt aangeduid als ‘de steun van het hart’, in de zin van ‘de stok waarop je steunt’ en [(‹3›)] ‘stam’ in de zin van een volksstam, in het bijzonder en uitsluitend gebruikt voor de stammen van Israël in Num. 1:49, Joz. 13:29 en in de uitdrukking de leiders van de stammen in 1 Kn. 8:1. 

–Het Hebreeuwse woord מִטָּה (‹miṭāẖ - H4296›) dat 19 keer voorkomt in het OT, verspreid over 19 verzen, is verwant aan dit woord en is ook afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָטָה (‹‘nātāẖ’ - H5186›). Het meervoud is מִטּוֺת (‹miṫōṯ›). Het woord ‘miṭāẖ’ kan ‘bed’ betekenen d.w.z. een ‘bank’ of ‘mat’ waar een mens zich op uitstrekt om te slapen of bij ziekte zoals in Gen. 47:31; 48:2; 49:33 en Ex.  7:28, of een ‘rustbank’ zoals in Amos 3:12; 6:4, of een ‘rustbank’ of ‘ligbed’ om bij een maaltijd op te liggen zoals in Est. 1:6 en Ez. 23:41 en het kan ook een ‘baar’ zijn, d.w.z. een draagbed waarop een dode wordt weggedragen in 2 Sm. 3:31 of een draagbed als een soort koets in Hgld. 3:7. 

H4302

H5193

[‘door Mij geplant’] - het Hebreeuwse mnl. zelfst. nmw. |מַטָּע| (‹maṯāʿ - H4302›) komt 6 keer in het OT voor nl. in Jes. 60:2; 61:3; Ez. 17:7; 31:4; 34:39 en in Mi. 1:6. De letterlijk betekenis is: ‘planting’, ‘plant’ of ‘plantage’. In Jes. 60:2 is de Ketiv ‘zijn planting’ terwijl de Qere luidt: ‘mijn planting. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |נָטַע| (‹nāṯaʿ - H5193›) dat 59 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 55 verzen en als eerste betekenis heeft: ‘rechtop zetten’ en als afgeleide betekenis ‘planten’ of ‘opzetten’ (‹b.v. in Dan. 11:45 ‘een tent opzetten’›) of ‘vastzetten’ of b.v. in Pred. 12:11. 

H4370

[‘onderbroeken’] - het Hebreeuwse woord |מִכְנָס| (‹miḵnās - H4370›) dat in het OT alleen voorkomt in Ex. 28:42; 39:28; Lev. 6:3; 16:4; Ez. 44:18, staat in het Hebreeuws altijd in het meervoud. Het duidt op de windsels of wikkels waarmee het naakte lichaam werd afgedekt. Het zou zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |כָּמַס| (‹kāmas̱ - H3647›) waarvan de eerste betekenis is ‘verbergen’.  

H4380

[‘messen’] - de betekenis van het Hebreeuwse woord מְכֵרָה (‹mᵉkērāẖ - mv.: mᵉḵērōṯ - H4380›) is onzeker, waardoor men ook wel op ‘zwaarden’ uitkomt of neutraal vertaalt als ‘wapens’. Heel afwijkende vertalingen zijn ‘huwelijksfeesten’, ‘woningen’, ‘raadgevingen’ of: ‘koopwaar’. In alle gevallen is een verband aanwezig met de gebeurtenissen in Gen. 34. We hebben gekozen voor ‘messen’ omdat het werkwoord waarvan het is afgeleid, in Ex. 4:25 voor ‘besnijdenis’ wordt gebruikt (‹hoewel het niet het gangbare woord voor ‘besnijden’ is›). Het woord wordt ook gebruikt voor het ‘snijden van een verbond’ en voor ‘uitroeien’ in de zin van ‘afsnijden’ of: ‘wegsnijden’. Simeon en Levi zullen bij hun wraak over wat Dina was aangedaan, ongetwijfeld messen of zwaarden hebben gebruikt. (‹zie Gen. 34›). 

H4387

[‘Inscriptie met slotwoord’] - de precieze betekenis van de Hebreeuwse term ‘miḵṫām’ (‹H4387›) is niet zeker. Wij komen de term ook tegen in Ps. 56, Ps. 57  en Ps. 58-60. Gesenius, Halot en Delitzsch achten ‘inscriptie’ de meest waarschijnlijke betekenis, conform de LXX en de Targum van Ps. 16. K&D voegen daaraan toe dat de psalmen met deze aanduiding vaak enkele kernachtige of typerende uitspraken bevatten (‹b.v. Ps. 16:2; 58:12 en 60:8›) en soms refreinachtige herhalingen (‹b.v. Ps. 56:5, 12›) en o.i. komen de psalmen met dit opschrift altijd tot een soort conclusie of slotgedachte. In de moderne Hebreeuwse dichtkunst staat de term bovendien voor ‘een epigram’ of: ‘puntdicht’. K&D leggen verder nog verband met Jes. 38:9 e.v. waar, aan het begin van het lied van Hizkia, het woord ‘miḵtaḇ’ (‹=geschrift›) staat. Zij suggereren dat beide termen mogelijk identiek zijn.

–Dat de term zoiets als ‘een verborgenheid’ zou betekenen naar een Arabische term ‘machtoem’ voor een tot dan toe onbekend lied achten K&D niet aannemelijk. Ook de opvatting dat de term op een andere wijze door de Masoreten van klinkers had moeten worden voorzien, zodanig dat de betekenis zou zijn ‘van goud’ (‹vaak vertaald met ‘een kleinood’ of: ‘een gouden kleinood’›), is onvoldoende onderbouwd om als een degelijke oplossing te bieden. 

H4385

[‘gegraveerd’] - het Hebreeuwse woord חָרוּת (‹ḥārūṯ - H4385›) is mannelijk enkelvoudig passief deelwoord van de Qal van het Hebreeuwse werkwoord חָרַת (‹ḥārāṯ - H2801›) dat ‘graven’ of ‘graveren’ betekent. Het komt alleen in Ex. 32:16 in het OT voor. De Arabische variant is خَرَتَ (‹ḵarata›) dat ‘doorboren’ betekent. In Jer. 17:1 vinden wij een verwant woord nl. חָרוּשׁ (‹ḥārūš›) dat is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord חָרַשׁ (‹ḥāraš - H2790›) dat ‘graveren’, maar ook ‘ploegen’ kan betekenen. In Dan. 9:25 vinden wij het woord |ְחָרוּץ (‹ḥārūṣ - H2742›), dat is afgeleid van het werkwoord חָרַץ (‹ḥāraṣ - H2782›) dat ‘beslissen’ of ‘snijden’ of ‘scherpen’ of ‘scherp maken’ en zelfs ‘verminken’ kan betekenen. 

H4387

[‘Een kernachtige inscriptie’] - de precieze betekenis van de Hebreeuwse term ‘miḵṫām’ (‹H4387›) is niet zeker. Wij komen de term ook tegen in Ps. 56, Ps. 57  en Ps. 58-60. Gesenius, Halot en Delitzsch achten ‘inscriptie’ de meest waarschijnlijke betekenis, conform de LXX en de Targum van Ps. 16. K&D voegen daaraan toe dat de psalmen met deze aanduiding vaak enkele kernachtige of typerende uitspraken bevatten (‹b.v. Ps. 16:2; 58:12 en 60:8›) en soms refreinachtige herhalingen (‹b.v. Ps. 56:5, 12›). In de moderne Hebreeuwse dichtkunst staat de term bovendien voor ‘een epigram’ of: ‘puntdicht’. K&D leggen verder nog verband met Jes. 38:9 e.v. waar, aan het begin van het lied van Hizkia, het woord ‘miḵtav’ (‹=geschrift›) staat. Zij suggereren dat beide termen mogelijk identiek zijn. 

–Dat de term zoiets als ‘een verborgenheid’ zou betekenen naar een Arabische term ‘machtoem’ voor een tot dan toe onbekend lied achten K&D niet aannemelijk. Ook de opvatting dat de term op een andere wijze door de Masoreten van klinkers had moeten worden voorzien, zodanig dat de betekenis zou zijn ‘van goud’ (‹vaak vertaald met ‘een kleinood’ of: ‘een gouden kleinood’›), is onvoldoende onderbouwd om als een degelijke oplossing te bieden. 

H4390

het Hebreeuwse werkwoord מָלֵא (‹maleʾ - H4390›) heeft als eerste betekenis ‘vullen’ en als tweede betekenis ‘inwijden’ of ‘wijden’ of ‘aanstellen’. Het komt 250 keer in het OT voor, verspreid over 242 verzen. 

H4394

het Hebreeuwse woord מִלֻּאִים (‹milūʾīm - H4394›)‚ dat 15 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 15 verzen heeft als eerste betekenis ‘vullingen’. Het woord woordt gebruik in de zin van ‘stenen van vullingen’ of ‘vulstenen’, d.w.z. ‘stenen die aan het borstschild bevestigd moeten worden’. Ook wordt het woord gebruikt voor ‘wijding’, d.w.z. ‘het iemand in zijn functie aanstellen’, b.v. een priester. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord מָלֵא (‹maleʾ - H4390›) dat als eerste betekenis ‘vullen’ heeft en als twee betekenis ‘inwijden’ of ‘wijden’ of ‘aanstellen’. 

H4395

[‘volheid [(van je oogst)]’] - het Hebreeuwse woord מְלֵאָה (‹mᵉlēʾāẖ - H4395›) komt alleen nog voor in Num 18:27 en Dt. 22:9, waar de samenhang van dit woord met ‘oogst’ ook naar voren komt, hoewel de eerste taalkundige betekenis die opkomt, ‘volheid’, of ‘overvloed’ is.  





H4411

[‘nachtverblijf’] - het Hebreeuwse woord מָלוֹן (‹malōn’ - H4411›) is gerelateerd aan het Hebreeuwse werkwoord לוּן (‹lōn - H3885›) dat op zijn beurt weer gerelateerd is aan het Hebreeuwse woord voor ‘nacht’, waarbij de ‘n’ de plaats heeft ingenomen van de slot-‘l’ wat volgens Gesenius niet ongewoon is. 

H4498

toevlucht, vluchtweg, de plaats waarheen men vlucht ... 8x in het OT verdeeld over 8 verzen  |מָנוֹס| - afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |מָנוֹס| (‹H5127›)

H4490


erfdeel

in het Hebreeuws staan er twee woorden nl. מְנָת (‹mᵊnāh - deel - H4490›) en חֵלֶק (‹ḥēleq - het toebedeelde: een stuk land, een deel van de buit, enz. - H2506›). Dit woord heeft iets met ‘gladheid’ of ‘afgerondheid’ te maken. In Jes. 57:6 lezen wij בְּחַלְּקֵי נַחַל חֶלְקֵךְ d.w.z. ‘bij de gladde (‹stenen›) van de beekdalen is je deel’. Het Nederlandse woord ‘gladde’ en het het Nederlandse woord ‘deel’ is in het Hebreeuws één en hetzelfde woord nl. het hiervoor genoemde ḥēleq (‹H2506›). Voor ons besef vertegenwoordigt het woord zoiets als: ‘het toegemeten deel’ of: ‘het afgemeten of afgebakende gebied’, of: ‘de afgeronde hoeveelheid’. In het Arabisch heeft de overeenkomstige woordstam حلق (‹ḥallaq - rondcirkelen›) van doen met ‘cirkelen’ en ‘rondjes maken’, vandaar dat wij komen op de betekenis ‘afgeronde’, en vandaar bij de betekenis ‘glad’, want wat afgerond is, is ontdaan van de uitstekende hoeken en is glad. 

H4503

gave, geschenk, offer

[‘[(spijs)]offer’] - men vertaalt hier ook wel ‘graanoffer’, maar het Hebreeuwse woord מִנְחַת (‹minḥaṯ - H4503›) kan ook betrekking hebben op een offergave bestaande uit dieren. Met dit woord wordt zowel het offer van Kaïn als het offer van Abel aangeduid (‹Gen. 4:4, 5›). Ook de gave van Jakob aan zijn broer Ezau, bestaande uit een grote kudde vee, wordt met dit woord aangeduid (‹Gen. 33:10›) en ook het geschenk van Jakob, dat zijn zonen moesten meenemen voor Farao, dat uit allerlei voedingswaren bestond (‹Gen. 43:11›). ‘Spijs’ is niet een alledaags Nederlands woord, maar mogelijk toch het meest geschikt om een offer van fijn meel aangemengd met olie, waarvoor het woord vaak wordt gebruikt, mee aan te duiden. 

H4517

castagnet

H4533

[‘bedekking’] - het mannelijke Hebreeuwse woord מַסְוֶה (‹masweẖ - H4533›) kan duiden op een doek of  een andere bedekking, maar daarover is geen zekerheid. Het woord komt alleen voor in Ex. 34:33, 34. 

H4535

[‘om beurten’] - het Hebreeuwse woord מַסָּח (‹massāḥ - H4535›) komt alleen hier in de Bijbel voor. De betekenis is onzeker. Er zijn vertalingen die het weergeven als ‘ter verdediging’ of: ‘ter bewaking’ en anderen menen ‘om de beurt’ of: ‘om beurten’.  Het woord komt nergens anders in de Bijbel voor en het is niet zeker van welk werkwoord het is afgeleid. 

H4550

[‘om van plaats tot plaats te reizen’] - het Hebreeuwse werkwoord מַסַּע (‹maṡaʿ - H4550›) betekent ‘met opbrekingen reizen vanuit de woestijn ...’. Het Hebreeuwse woord vestigt de aandacht op het opbreken van de tenten aan het begin van de reis en het weer opzetten van de tenten bij de volgende legerplaats.  

H4560

H4604

H4603

[‘ontrouw werd’] - in het Hebreeuws staat er eerst het werkwoord |מְסָר| (‹msār - H4560›) in de infinitief of onbepaalde wijs, dat letterlijk: ‘afscheiden’ of ‘zich afscheiden’ betekent. Het komt erop neer dat zij zich losmaakten van de HEERE. Het werkwoord wordt gevolgd door het mnl. znw. |מַעַל| (‹maʿal - H4604 - zie ook  H4603›) dat ‘ontrouw’ of ‘overtreding’ betekent en ook voorkomt in Num. 5:6, 2 Kr. 36:14 en Ez. 14:13.  



H4565

Het mannelijk Hebreeuwse woord |מִסְתָּר| (‹mis̱tār - H4565›) komt 10 keer voor in het OT verdeeld over 10 verzen. De eerste betekenis van het woord is ‘een verborgen plaats’ of ‘een geheime plaats’, een plaats die bedekt of afgeschermd is, zodat men die plaats niet kan zien en ook niet of er zich daar iemand of iets  verbergt. 

H4581

toevlucht

burcht

vesting

מָעוֹז toevlucht of burcht of vesting 37 keer in 35 verzen

H4583

woning

מָעוֹן - 17 keer in 17 verzen in het OT o.a. in Ps. 71:3

H4585

[‘Woning’] - het Hebreeuwse woord |מְעוֹנָה| (‹mʿōnāẖ - H4585›) vinden wij in het OT vooral als het hol van de leeuw (‹b.v. Ps.104:22, Hgld. 4:8 en Amos 3:4›). Omdat het hol van de leeuw ons voorkomt als een vaste verblijfplaats, denken wij hierbij eerder aan de Tempel dan aan de tabernakel. Leeuwen in de bergen, gebruiken rotsholen of rotsformaties om hun welpen in te verzorgen.

H4656

[‘vreselijk beeld’] - het was mogelijk een obscene afbeelding van de ‘geluksgodin’ of ‘asjera’. De betekenis van het vrouwelijke Hebreeuwse woord מִפְלֶצֶת (‹mifleṣeṯ - H4656›), dat alleen voorkomt in 1 Kn. 15:13 en in de paralleltekst in 2 Kr. 15:16 is omstreden. Het is mogelijk afgegeleid van het Hebreeuwse werkwoord פָּלַץ (‹fālaṣ - H6426›) dat in de Hitpaël in Job 9:6 te vinden is en vertaald is als ‘beven’. K&D leggen een taalkundig verband met een Hebreeuws werkwoord met dezelfde wortel, dat ‘vrees of schrik aanjagen’ betekent. Hetzelfde werkwoord wordt door Jastrow geduid als ‘gespleten worden’ b.v. het splijten van de grond bij een aardbeving. De diverse betekenissen sluiten elkaar niet uit, maar hebben eerder veel gemeenschappelijk. 

H4687

gebod 

het vrouwelijke Hebreeuwse woord מִצְוָה (‹miṣwāh - H4687›) betekent ‘gebod’. 

H4679

H4679 [‘de rotsvestingen’] - Gesenius geeft als eerste betekenis van het Hebreeuwse woord |מְצַד| (‹mᵉṣaḏ - H4679›) aan dat het gaat om een soort uitkijkpost en schuilplaats voor een jager, b.v. op de top van een berg. De tweede betekenis is die van een vesting of een kasteel in de bergen. 

H4744

[‘bijeenkomst’] - het Hebreeuwse woord מִקְרָא (‹miqrāʾ - H4744›) heeft drie aspecten: (‹1›) het oproepen tot een bijeenkomst middels een bazuin of trompetachtig blaasintrument dat volgens Gesenius wsl. niet hoornvormig maar recht was (‹Num. 10:2›), (‹2›) de bijeenkomst zelf en (‹3›) het voorlezen ofwel het doorgeven van Gods woord (‹Neh. 8:8›). De wortel van het Hebreeuwse woord houdt verband met het werkwoord ‘samenkomen’ (‹qārā - H7122›) en het werkwoord ‘voorlezen of ‘oproepen’ (‹qᵉra - H7123›), die beide dezelfde letters hebben, maar licht verschillen in de klinkers.   

H4817

 

Het  Hebreeuwse mnl. znw. enkv. |מֶרְכָּב| komt alleen voor in Lev. 15:9,  1 Kn. 5:6 en in Hgld. 3:10.  De eerste betekenis van het woord is ‘zadel’ (‹op een rijdier›)of ‘zitting’ (‹van een bank in een koets›), dat waar je op ‘zit’. In 1 Kn. 5:6 staat het voor ‘strijdwagens’ of ‘rijtuigen’, waarschijnlijk voor strijders met wellicht een soort bankje om op te zitten. Zie ook H4818, H7392 en H7393.

H4818

Het  Hebreeuwse vrwl. znw. enkv. |מֶרְכָּבָה| komt 44 keer in het OT voor, verdeeld over 41 verzen. De eerste betekenis is ‘wagen’ of ‘rijtuig. Zie ook H4817,

Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |רָכַב| (‹rāḵaḇ - H7392›) dat als eerste betekenis ‘rijden’ heeft b.v. rijden op een paard. Het Hebreeuwse werkwoord komt 78 keer voor in het OT, verdeeld over 75 verzen en de eerste betekenis ervan is ‘berijden’ of ‘rijden’. 

Het Hebreeuwse mnl. znw. enkv. |רֶכֶב| (‹reḵeḇ - H7393›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord en het betekent ‘ruiter’, ‘ruiters’, ‘cavalerie’ . Dit woord komt 120 keer in het OT voor, verdeeld over 104 verzen. In Dt. 24:6 en 1 Sm. 11:21 is het de bovenste molensteen, die de onderste molensteen ‘berijdt’, of daarop is gezeteld. 

H4901

Het Hebreeuwse mannelijke znw. woord מֶשֶׁךְ (‹mešeḵ - H4901›) is verwant aan het werkwoord מָשַׁךְ (‹mašaḵ - H4901›), dat als eerste betekenis ‘trekken’ of ‘slepen’ heeft, waarmee dan uitdrukkingen samenhangen als: ‘de boog spannen’ en ‘zaad uitzaaien’ (‹d.w.z zaad uit de zaadbuidel halen›) en ‘water putten’ (‹d.w.z. water uit de trekken›). Het mannelijke znw. ‘mešeḵ’ staat in Ps. 126:6 voor een houder of een vat of een buidel, waarin het zaad gedragen wordt. In Job 28:18 lezen wij over ‘het bezit van wijsheid’, wat wij als in een houder aan wijsheid met ons meedragen. Het woord ‘mešeḵ’ komt in het OT alleen voor in Job 28:18 en in Ps. 126:6.



H4904

[‘huwelijksbed’] - het Hebreeuwse woord  מִשְׁכָּב (‹mišḵāḇ - H4904›) heeft een meervoudsvorm maar wordt in die meervoudsvorm ook wel gebruikt voor ‘het liggen bij een vrouw’ (‹Lev. 18:22›). Hoewel het woord in het enkelvoud gewoon voor ‘bed’ of: ‘slaapbank staat, vinden we in deze meervoudsvorm en in het zinsverband toch aanleiding om te vertalen met ‘huwelijksbed’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord שָׁכַב (‹šākaḇ - H7901›), dat ‘liggen’ of ‘neerliggen’ betekent. 

H4905

overdenking

[‘overdenking’] - in veel vertalingen vinden we de term ‘onderwijzing’ voor het Hebreeuwse woord מַשְׂכִּיל (‹maskīl - H4905›) dat vijftien keer voorkomt in het OT nl. als (onderdeel van) de titel van Ps. 32, 42, 44, 45,  47, 52-55, 74, 78, 88, 89, 104 en 142. Het woord is afgeleid van een werkwoord שָׂכַל (‹sāḵal -  H7919›), dat ‘kijken naar’ of: ‘onderzoeken’ of: ‘wijs zijn’ of: ‘verstandig zijn’ kan betekenen, maar niet ‘onderwijzen’. Vandaar dat wij K&D volgen in hun opvatting dat het om ‘een overdenking’ gaat. Deze keus wordt bovendien ingegeven door het feit dat van de dertien psalmen eigenlijk alleen Ps. 32 en 78 als ‘onderwijzende’ psalmen kunnen worden beschouwd en ook door het feit dat wij de causatieve vorm van het werkwoord alleen aantreffen in Ps. 32:8 en Spr. 21:11 waar het gaat om de OT tekst van voor de ballingschap. Pas later komt die causatieve vorm meer in gebruik in de boeken Kronieken, Daniël en Nehemia. Verder wordt Ps. 45 in de aanhef ook ‘een liefdeslied’ genoemd en in Ps. 142 ‘een gebed’. Deze beide aanduidingen laten zich slecht verenigen met de idee van een ‘onderwijzing’. In Ps. 42:8 is het woord de accusatief van het object en daarom is de betekenis ‘onderwijzing’ niet passend, maar wel de betekenis: ‘weloverwogen’ of: ‘zorgvuldig samengesteld’. In 2 Kr. 30:22 worden de Levieten הַמַּשְׂכִּילִים (‹‘ha-ṁaskīlīm’ - H7922›) genoemd, d.w.z. het waren ‘mensen die inzicht hadden in ...’. Ook in Ps. 41:2; 106:7 en Spr. 16:20 treffen wij dit woord aan in de betekenis aan van ‘overdenken’, ‘voorzichtig zijn’ of: ‘verstandig zijn’. (‹K&D›).  

H4910

moshel / heerser ook ww.

H4940

families

het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord מִשְׁפָּחָה (‹mišpāḥāh - H4940›) dat 304 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 224 verzen heeft als eerste betekenis ‘familie’.  Het meervoud is מִשְׁפָּחוֹת (‹mišpāḥōṯ›). De stammen van Israël bestonden uit diverse families en de families (‹H4940›) bestonden elk op hun beurt weer uit verschillenden ‘vaderhuizen’ (‹zie Num. 1:44; 2:2; 3:24, 30, 35; 4:22, 38; 17:17›). 

H4941

[‘het voorkomen’] - het Hebreeuwse mnl. znw. woord מִשְׁפָּט (‹mišp̄aṭ - H4941›) komt 424 keer in het OT voor, verdeeld over 406 verzen. Het heeft diverse betekenissen en vertalingen zoals ‘recht’, ‘rechtsverordening’, ‘wetsregel’ of: ‘rechtsregel’ of: ‘oordeel’, ‘vonnis’ en soms ook ‘straf’. Soms betekent het ook ‘maat’ of: ‘afmeting’. In dit tekstverband zouden die laatste woorden niet passen en is ‘voorkomen’ een passender vertaling. In politietermen zouden we kunnen zeggen ‘Wat is het signalement van de man ...?’ 

H4951

[‘heerschappij’] - het Hebreeuwse zelfst. nmw. מִשְׂרָה (‹misrāẖ - H4951›) wordt alleen gebruikt in Jes. 9:1, 6 met betrekking tot de heerschappij van de Messias, Jezus Christus. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord שָׂרָה (‹sārāẖ - strijden- H8280›), dat slechts twee keer in het OT voorkomt en wel alleen in verband met Jakob in Gen. 32:28 en in Hosea 12:3, waar we lezen over Jakobs worsteling met God en God zegt dat Jakob met GOD streed en hij vervolgens Isräel genoemd werd, een naam waarin wij dit werkwoord ook terugvinden als een 3e pers. enkv. ‘isra’, ‘hij strijdt’.  

–Het meest gebruikte Hebreeuwse woord voor ‘heerschappij’ is מֶמְשָׁלָה (‹memšālāẖ - H4475›) dat 17 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 17 verzen en afgeleid is van het werkwoord מָשַׁל (‹māšal - H4910›) dat 81 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 74 verzen.   

–Het Aramese zelfst. nmw. שָׁלְטָן (‹heerschappij - H7985›) komt 14 keer in Daniël voor, verspreid over 9 verzen. Het is afgeleid van het Aramese werkwoord   (‹7 keer in Daniël - H7981›) dat overeenstemt met het Aramese werkwoord שָׁלַט (‹H7980 - 8 keer in het OT›).   


H4953

fluit (Aramees)

H4960

מִשְׁתֶּה 0  nishteh - feestmaaltijd, buffet, drinkgelag, eten en drinken Ezra 3:7 -  huewlijskfeest Simson, drank Jer. 51:39 en Dan. 1:10

H4962 

mannen

het Hebreeuwse woord מַת (‹‘mat’ - meervoud ‘mtim’ of ‘mtīm’ - H4962›) komt in 21 verzen in het OT voor, altijd in het meervoud. In Dt. 2:34 staat het als ‘mannen’, naast ‘vrouwen’ en ‘kinderen’. In Job 11:11 komt het voor in de utdrukking ‘mannen van bedrog’. Regelmatig is het onderdeel van de uitdrukking ‘een handjevol mannen’ (‹מְתֵי מִסְפָּר - misᵊpār›). 

H5002

Het Hebreeuwse zelfst. nmw. |נְאֻם| (‹nʿūm - H5002›) komt 376 keer in het OT voor, verdeeld over 358 verzen. Het is afgeleid van |נָאַם| (‹nāʿam - H5001›) dat alleen in Jer. 23:31 in het OT voorkomt, met als eerste betekenis ‘mompelen’, ‘murmureren’, spreken met een lage stem en het woord bijzonder veel gebruikt voor het spreken van God in de vorm ‘nʿūm’. Heel vaak komen wij het tegen in de uitdrukking: ‘Zo spreekt mijnn Heer, de HEERE’, in Ezechiël alleen al in 85 verzen. Zie ook Gen. 22:16, Num. 14:28, 24:3-4, 15-16; 1 Sm. 2:30 enz. 

H5034

Van het Hebreeuwse werkwoord נָבֵל (‹nāḇēl - H5034›) is  de eerste betekenis ‘verwelken’, ‘zwak worden’ of ‘slap worden’ is. Andere betekenissen zijn ‘flauw vallen’ of ‘dwaas zijn’ of ‘dwaas handelen’. 

H5035

harp - nebel

H5038

[‘kadavers’] - het Hebreewse vrouwelijke woord נְבֵלָה (‹nᵉḇēlāẖ - H5038›) komt 48 keer in het OT voor verdeeld over 41 verzen. Het betekent ‘kadavers’ of ‘lijken’. In het Hebreeuws staat het woord in het enkelvoud. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָבֵל (nāḇēl - H5034), waarvan de eerste betekenis ‘verwelken’, ‘zwak worden’ of ‘slap worden’ is. Andere betekenissen zijn ‘flauw vallen’ of ‘dwaas zijn’ of ‘dwaas handelen’. 

H5042

verkondigen - Strongnr. H5042

H5046

verkondigen - Strongnr. H5046

H5061

[‘de aandoening’] - het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord נֶגַע (‹negeʿ - H5061›) komt 78 keer voor in het OT verdeeld over 62 verzen. Het betekent ‘slag’ of ‘ramp’ of ‘aandoening’. Hier heeft het betrekking op een huidaandoening. Het woord heeft niet alleen betrekking op de ziekte en op de plaats waar die zich voordoet (‹zie Lev. 13:3, 13:29-32, 13:42 e.a.›), maar ook op de persoon die de ziekte heeft of op het voorwerp dat erdoor is aangetast (‹b.v. in Lev. 13:4, 13:12,  13, 31, 50, 55›). In Gen. 12:17 en Ex. 11:1 (‹de 10e plaag over Egypte›), is het Hebreeuwse woord vertaald als ‘plaag’. Een ander woord dat vaak als plaag wordt vertaald, vinden we onder H5063 נֶגֶף (‹neg̱ef›).       

H5065

slavendrijvers, onderdrukkers. נָגַשׂ

H5079

[‘afzondering’] - het Hebreeuwse zelfst. nmw. נִדָּה (‹nidāẖ - H5079›) komt 29 keer in het OT voor verdeeld over 24 verzen. Het woord betekent ‘afzondering’, in het bijzonder in verband rituele onreinheid. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָדַד (‹nāḏaḏ - H5074›), waarvan de eerste betekenis ‘vloeien’ is. Het woord ‘nidāẖ’ dus ‘dat wat zal vloeien’. De uitdrukking verwijst naar de menstruatie van de vrouw en de ermee verbonden rituele onreinheid.    ̄De middeleeuwse Bijbelcommentator Abraham ibn Ezra schrijft dat het woord ‘nidāẖ’ verband houdt met de uitdrukking ‘mᵉnadēḵem’ מְנַדֵּיכֶם, die staat voor ‘hen die uitgeworpen zijn’. 

H5088

het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. נֶדֶר komt 60 keer in het OT voor verdeeld over 57 verzen. Het heeft als eerste betekenis ‘belofte’.

H5087

het Hebreeuwse mannelijke werkwoord נָדַר komt 31 keer in het OT voor verdeeld over 28 verzen. Het heeft als eerste betekenis ‘beloven’.

H5095

[‘voorzag’] - de betekenis van het Hebreeuws werkwoord נָהַל (‹nāẖal - H5095›) is ‘leiden’ of: ‘begeleiden’ op een zorgzame manier’ b.v. schapen weiden of naar een drinkplaats leiden, zwakken op een ezel begeleiden e.d. In het zinsverband hebben we hier gekozen voor de vertaling ‘voorzien van’. 

H5115

[‘ik prijs Hem’] - het Hebreeuwse werkwoord נָוָה (‹nāwāẖ - H5115›), komt alleen nog in Hab. 2:5 voor, waar het vertaald is met ‘tot rust komen’. De betekenis van het werkwoord is nauw verbonden met de betekenis van ‘een woning bereiden’, d.w.z. ‘rust bieden’, ‘je thuis voelen’ of: ‘je op je gemak voelen’. In dit vers is sprake van een Hiphil van het werkwoord d.w.z. ‘(‹iem.›) op zijn gemak stellen’ of: ‘(‹iem.›) zich thuis doen voelen’. Overdrachtelijk is dat dan ‘(‹iem.›) prijzen of loven’.   

H5130

[‘heen en weer te bewegen’] - het Hebreeuwse werkwoord נוּף (‹nūf - H5130›) komt 37 keer in het OT voor, verdeeld over 35 verzen en het heeft als eerste betekenis ‘heen en weer bewegen’, waarbij het ‘heen’ vaak in meerdere of mindere mate opwaarts was. Volgens K&D heeft de uitdrukking betrekking op een ceremonie waarbij de priester het offer op de handen van de offeraar legde en de priester zelf zijn handen onder die van de offeraar hield, waarbij ze dan samen een beweging maakten in opwaartse richting naar het altaar (‹dat is naar God toe ter overhandiging›) en weer terug (‹naar de offeraar toe als teken, dat hij het uit Gods hand terugontving als een geschenk van God voor zijn dienaren, de priesters›). Het Hebreeuwse woord תְּנוּפָה (‹tᵉnūfāẖ - H8573›) is hiervan afgeleid en komt 30 keer in het OT voor, verdeeld over 28 verzen. De eerste betekenis is ‘dat wat heen en weer bewogen wordt’, d.w.z. het ‘beweegoffer’, maar het heen en weer zwaaien kan op ook betrekking hebben op het dreigende heen en weer zwaaien van de handen of armen, zoals in Jes. 19:16 en Jes. 30:32.

H5137

[‘besprenkelen’] - het Hebreeuwse werkwoord נָזָה (‹nāzāẖ - H5137›) komt 24 keer in het OT voor, verspreid over 22 verzen. De eerste betekenis ervan is ‘springen’ of ‘opspringen’ b.v. van vreugde in Jes. 52:15. Het werkwoord wordt ook gebruikt voor ‘spatten’ b.v. in Jes. 53:3 en 2 Kn. 9:33 en voor ‘sprenkelen’ of ‘besprenkelen’ b.v. in Ex. 29:21, Lev. 4:6, 17. De priester kan ook bloed doen opspatten langs de wanden en hoeken van het altaar, hoewel hiervoor ook een ander Hebreeuws werkwoord wordt gebruikt nl. ‘zaraq’ (‹H2236›), dat naast ‘spatten’ ook kan betekenen ‘uitstorten’ en soms ook ‘sprenkelen’. 

H5139

[‘[(met een krans)] ... is afgezonderd’] - letterlijk: “op de kruin van de ‘nāzīr’ van zijn broers”. Het woord ‘nāzīr’ נָזִיר (‹H5139›) heeft de betekenis van ‘gewijd zijn’ en ‘afgezonderd zijn van’, maar ook is het ‘de drager van een wijding(‹skrans›)’ of ‘de drager van de krans van de hogepriester’ (‹Ex. 39:30›). Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָזַר (H5144) dat als eerste betekenis heeft ‘zich afzonderen’. en had in die zin een speciale haardracht of haarkrans en we we noemen hem dan ook ‘degene die (‹met een krans›) is afgezonderd’. Zie ook de noot bij Num. 6:2 en Ri. 13:5. 

[‘kroonprinsen’] - letterlijk: ‘kransen’. Naar de klank van het Hebreeuwse woord נְזִרִים (‹nᵉzirīm - H5139 - in Amos 2:12 vinden wij deze meervoudsvorm zonder persoonssuffix; het enkelvoud is ‘nāzīr’ נָזִיר›) zien wij in andere Nederlandse Bijbelvertalingen dit woord, dat veel voorkomt in Num. 6, vaak vertaald als ‘nazireeër’, maar dat is meer een transliteratie naar de klank van het woord, dan een vertaling. Het woord is afkomstig van het Hebreeuwse werkwoord נָזַר (‹nāzar - H5144›) dat 10 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 10 verzen, o.a. 2 keer in Leviticus en 4 keer in Numeri 6. Het werkwoord heeft als eerste betekenis ’zich afzonderen’ of ‘zich onthouden van’ b.v. van wijn en sterkedrank. 

–Het woord ‘nazir’ en ‘nezirim’ in dit vers heeft betrekking op ‘aanzienlijken’ om ‘mannen met een erekrans’ op het hoofd, zoals een Romeinse keizer een krans op zijn hoofd had. In Numeri 6 gaat het om mensen die op een speciale manier met een krans afgezonderd waren of gewijd waren voor de dienst aan God. De ‘nazireeër’ was herkenbaar aan zijn haardracht, immers hij mocht zijn haar niet (‹laten›) knippen of afsnijden. Simson was zo’n Nazireeër. Vanaf zijn geboorte was hij door God geroepen als ‘nazireeër’, als ‘een man met een (‹gewijde haar›)krans’ op zijn hoofd.  Het haar moest blijven groeien zolang de belofte van de man die die belofte had ‘afgelegd’ van kracht was (‹zie Numeri 6›). Wij zien dat de apostel Paulus ook onder zo’n belofte stond (‹zie Hd. 18:18›). Zie verder ook het verwante woord ‘nezer’ H5145 in de Hebreeuwse woordenlijst. 

Richteren 13:5 de noot hieronder en de noot bij Num. 6:2

[‘want de jongen zal ... dragen’] - het gaat hier om het zgn. ‘nazireeërschap’, dat inhield dat de jongen volkomen aan God gewijd zou zijn in verband met een belofte. De hiermee verbonden verplichtingen waren dat hij (‹1›) zijn haar moest laten groeien (‹de wijdingskrans›), (‹2›) geen wijn en sterke drank mocht drinken en (‹3›) niets onreins mocht eten en normaal gesproken ook dat hij (‹4›) geen lijk mocht aanraken (‹zie Ri. 13:7 en vgl. Num. 6›). De vierde verplichting wordt Simson niet opgelegd, in ieder geval wordt er geen melding van gemaakt. Omdat Simson later een kadaver van een leeuw aanraakt, zonder dat dat zijn kracht aantastte, lijkt het erop dat het gewone verbod voor de nazireeër om een lijk aan te raken in geval van Simson inderdaad niet van toepassing was. Of het moet zo zijn, dat het ongeschoren, ongeknipte haar het meest essentiële was van deze wijding, zoals wij zouden kunnen afleiden uit 1 Sm. 1:11 waar wij lezen van Hanna, die in haar gebed haar nog ongeboren zoon als ‘nazireeër’ bij de HEERE brengt, een zoon die dus nazireeër werd op grond van een belofte van zijn moeder, niet op grond van een van hem zelf uitgaande belofte (‹zoals de apostel Paulus, zie Hd. 18:8 en Hd. 21:15-26›). Vervolgens werd Simson ‘nazireeër’ op grond van een belofte die van God uitging (‹zie de noot bij Ri. 13:5›) nl. dat ‘hij zal beginnen om Israël uit de hand van de Filistijnen te verlossen’. Hoewel Simson niet zelf de belofte had afgelegd, maar God, werd hij wel medeverantwoordelijk gesteld, want Simson zou ‘het gereedschap’ van de belofte worden, de drager van de wijdingskrans (‹K&D›). Ook de moeder van Simson moest zich tijdens haar zwangerschap van de jongen ook onthouden van sterkedrank en van onrein voedsel.  

–Zoals de belofte van de wijdingskrans, de nazireeërbelofte, op Simson rustte, zo rustte die ook op de stam van Jozef volgens de zegeningen van Jakob (‹Gen. 49:26›) en volgens de zegeningen van Mozes (‹Dt. 33:16›), aldus R. de Vaux (‹‘Hoe het Oude  Israël leefde’ - deel II, pg. 404, J.J. Romen & Zn., 1962›), en o.i. rustte die wijdingskrans ook op het leven van Johannes de Doper die vanaf de moederschoot - volgens Gods aankondiging - geen wijn en sterke drank zou drinken, maar sprinkhanen (‹dit was een rein dier -  Lev. 11:22›) en wilde honing als voedsel had (‹Lk. 1:15; Mt. 3:4; Mk. 1:6›). 




H5141

[‘ringen voor oor en neus’] - het Hebreeuwse woord נֶזֶם (‹nezem - H5141›), dat 17 keer in het OT voorkomt betekent overwegend oorring (‹b.v. Gen. 24:22,30,47; Ri. 8:24,25,26›), maar in ook neusring b.v. in Ez. 16:12. 

H5144

[‘afzonderen van’] - het Hebreeuwse werkwoord נָזַר (‹nāzar - H5144›) komt 10 keer in het OT voor en houdt verband met ‘rein bewaren’ ofwel ‘zich beschermen voor onreinheid’ of ‘zich onthouden van wijn en sterke drank’ ofwel ‘ongerept zijn’ of ‘onaangeraakt zijn’. De achterliggende gedachte is de toewijding aan God. Het nauw verwante Hebreeuwse woord נָזִיר (‹nāzīr - H5139›) komt 16 keer in het OT voor en staat o.a. voor de persoon die zich met zijn wijding(‹skrans›) afzondert tot hij zijn belofte heeft volbracht, maar het woord wordt in Lev. 25:5, 11 ook gebruikt  voor het snoeien van een ongerepte (‹wijnstok›). 

H5145

krans

[‘de heilige wijdingskrans’] - Ex. 29:6, zie ook vs. 30 van dit hoofdstuk en Lev. 8:9. Op de heilige wijdingskrans was de gouden plaat bevestigd, zoals beschreven in Ex. 28:36. 

Het Hebreeuwse woord נֵזֶר (‹nēzer - H5145›) is afgeleid van het werkwoord נָזַר (‹nāzar - H5144›) dat als eerste betekenis heeft ‘zich afzonderen’. Afgeleide betekenissen zijn ‘zich onthouden van’ en ‘zich toewijden aan’. We hebben het woord ‘nēzer’ vertaald als ‘krans’ en op andere plaatsen met ‘haarkrans’ waar het duidt op het nazireeërschap, dat verbonden is met een periode van toewijding aan God (‹zie Num. 6:4-21›). In Jer. 7:29 wordt het woord vertaald met het ‘hoofdhaar’ van de vrouw Jeruzalem. Het afscheren van het hoofdhaar wordt in dat vers in verband gebracht met ontrouw aan God. In alle drie verbanden heeft het woord te maken met een (‹haar›)krans of (‹haar›)dracht als teken van toewijding of van heiliging aan God. Wat betreft de geestelijke betekenis kan men zich de vraag stellen of Paulus, als hij in 1 Kor. 11:1-15  over de vrouw spreekt, mogelijk aan dit woord en aan deze gedeelten uit het OT heeft gedacht. 

de krans van de zalfolie in Lev. 21:12

Ps. 132:18

[toelichting] - hier vinden wij een beeld dat sterk aan de hogepriester doet denken, want de woorden krans’ of: ‘kroon’ (‹H5145›) vinden wij ook bij de priester en het woord ‘bloeien’ (‹H6692›) is verwant aan het woord ‘bloesemplaat’ (‹H6731›) die onderdeel is van de priesterlijk krans. Dit moeten wij o.i. opvatten als een profetische blik op een koning-priesterschap, een combinatie van twee ambten die in het OT van elkaar gescheiden waren. Zo wist David dat hij als koning niet voor altijd op afstand van het priesterschap zou blijven en dat het Huis van de HEERE geen gesloten plaats voor hem en zijn nakomelingen zou blijven. De Hebreeuwse woord dat hier staat voor ‘schitteren’ en ‘bloeien’ heeft ook een nauwe taalkundige verwantschap met de Hebreeuwse woorden voor ‘gebedskwasten’ of ‘franjes’ die a.h.w. als kleine bloesempjes aan de zomen van zijn kleed hingen (‹H6734›) en voor ‘bloesembleem’ of ‘bloesemplaat’ op het hoofd van de hogepriesters (‹H6731). Wij kunnen wel zeggen dat alles aan de hogepriester diende te bloeien en te schitteren, zo heerlijk was zijn bediening. 

H5159


erfgoed

het woord נַחֲלָת (‹naḥălāt - H5159›) betekent ‘eigendom’, ‘bezit’ of ‘erfenis’. Het betreft een eigendom dat verworven wordt door een testament of als erfenis b.v. het land Kanaän (‹Num. 26:53-56; Ez. 48:29›), het deel dat God geeft aan zijn volk (‹Jes. 54:17›), of het bezit door een vader gegeven (‹Num. 27:8-9; Job. 42:15›). De Here Zelf is het deel en de erfenis van de Levieten die Hem dienen (‹Num. 18:20›). Zie ook H2506.

H5172

[‘de toekomst voorspellen’] - het Hebreeuwse werkwoord נָחַשׁ (‹nāḥaš - H5172›) heeft als eerste betekenis ‘fluisteren’ of ‘sissen’ en komt 11 keer in het OT voor, verdeeld over 9 verzen. Het zou kunnen slaan op het voorspellen van de toekomst ‘gebaseerd’ op het observeren van slangen, want het mannelijke zelfst. nmw. ‘slang’, נָחָשׁ (‹nāḥāš - H5175›), dat 31 keer voorkomt in het OT, verdeeld over 28 verzen, is in het Hebreeuws verwant aan dit werkwoord ‘fluisteren’ en daarom wordt ook wel gedacht aan bezweringen. Het woord komt voor in Gen. 30:27 en Gen. 44:5, 15. In deze laatste twee verzen gaat het over Jozefs buitengewone inzicht en over zijn gave om in de toekomst te kunnen zien.   

H5175

[‘de toekomst voorspellen’] - het Hebreeuwse werkwoord נָחַשׁ (‹nāḥaš - H5172›) heeft als eerste betekenis ‘fluisteren’ of ‘sissen’ en komt 11 keer in het OT voor, verdeeld over 9 verzen. Het zou kunnen slaan op het voorspellen van de toekomst ‘gebaseerd’ op het observeren van slangen, want het mannelijke zelfst. nmw. ‘slang’, נָחָשׁ (‹nāḥāš - H5175›), dat 31 keer voorkomt in het OT, verdeeld over 28 verzen, is in het Hebreeuws verwant aan dit werkwoord ‘fluisteren’ en daarom wordt ook wel gedacht aan bezweringen. Het woord komt voor in Gen. 30:27 en Gen. 44:5, 15. In deze laatste twee verzen gaat het over Jozefs buitengewone inzicht en over zijn gave om in de toekomst te kunnen zien.   

H5178

[‘koper’] - er zijn veel meningen over de betekenis van het Hebreeuwse woord |נְחֹשֶׁת| (‹nḥūšeṯ - H5178›) in dit vers. De gangbare betekenis is ‘koper’, maar er zijn aanwijzingen dat met dit woord ook enkele andere betekenissen verbonden zijn. In Jer. 6:28 treffen we het woord aan naast ‘ijzer’, in een opsomming van zonde en verdorvenheid van het volk, waarbij het moeilijk anders kan dat de woorden ‘koper en ijzer’ wijzen op de zondigheid en verdorvenheid van het volk. Het zijn geen edele metalen, zoals zilver en goud. Ze kunnen allebei roesten. Koper kwam niet in de Tempel voor, alleen buiten de Tempel als grondstof voor het altaar en de bijbehorende gereedschappen. De aan een paal opgehangen koperen slang in de woestijn in Num. 21:1-8, was een beeld van de zondige mens, de oude mens die in Jezus Christus aan het kruis genageld zou worden. Engelse vertalingen vertalen het woord ‘koper’ in dit vers wel met ‘vuiligheid’. Er zijn een reeks varianten die alle in dezelfde richting wijzen. Opmerkelijk is de opvatting van de rabbijnen die menen dat ‘koper’ staat voor de onderbuik van de vrouw en het hele beeld opvatten als een aanduiding van buitensporige wellust en van het zich daar voortdurend aan overgegeven en dat nog wel met vele verschillende personen, zodat Jarchi ertoe komt om er een uitdrukking voor geslachtsziekte in te zien. Sommige commentaren en vertalingen vatten het woord wel op als een aanduiding voor geld.      [‘hoererij’] - in het Hebreeuws ‘hoererijen’. Zie H8457 in de Hebreeuwse Woordenlijst.      [‘drolgoden’] - zie H1544.

H5186

het Hebreeuwse werkwoord נָטָה (‹nātāh - H5186›) dat 216 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 207 verzen en waarvan de eerste betekenis ‘uitstrekken’ is. 

H5236

[toelichting] - het spreken van de HEERE lijkt een voortzetting te zijn van zijn woorden in vs. 1-28.  Nadat eerst gesteld is dat alle zonen van een vreemdeling (‹het Hebreeuwse woord נֵכָר - nēḵār’, H5236, is het meest algemene woord voor vreemdeling›) niet van het Voorbijgaansoffer mogen eten, komen in dit gedeelte vier soorten ‘vreemdelingen’ onder het volk Israël aan de orde: de slaaf (‹H5650›), de huurling (‹H7916›), de bijwoner (‹H8453›) en de vreemdeling (‹H1616›). Van de laatste twee categoriëen hebben de vreemdelingen enige rechten en bovendien staan zij dichter bij de Israëliet. Het woord komt ruim 80 keer in de Bijbel voor, terwijl het woord ‘bijwoner’ maar 13 keer in het OT  voorkomt. Verder komen wij diverse keren tegen ‘jullie zijn vreemdelingen en bijwoners geweest ...’.  

H5237

vreemdeling

נָכְרִי 

H5251

[‘teken’] - in Num. 21:8, 9 staat het Hebreeuwse woord (‹H5251›) voor een rechtopstaande paal. In Ps. 60:6 en bij de profeten is het vaak ‘een banier’. Het is een teken, net zoals het hijsen van b.v. een rode vlag op het strand een signaal is dat het gevaarlijk is om te zwemmen. 

H5287

uitschudden,

afschudden, 

zichzelf uitschudden, uitgeschud of afgeschud worden

de Qal van het Hebreeuwse werkwoord komt 11 keer voor in het OT verdeeld over 9 verzen en het betekent ‘schudden’, in het bijzonder (‹1›)  uitschudden in Neh. 5:13, Jes. 33:9, 15 en (‹2›) ‘afschudden’ in Jes. 33:9 ‘Basan en Karmel schudden hun bladeren af’. In de Nif’al is de betekenis  (‹1›) ‘uitgeschud worden’, b.v. uit een land geschud worden in Job 38:13 en Ps. 109:23. Vergelijk het Arabische werkwoord انفَضَّ (‹VII›) en (‹2›) ‘zichzelf uitschudden’ of banden of touwen ‘van zich afschudden’ in Ri. 16:20. In de Piël betekent het ‘uitschudden’ b.v. in Ex. 14:27 ‘de HEERE schudde de Egyptenaren midden in zee (van zich) af’ en in Ps. 136:15 ‘GOD die Farao met zijn leger in de Wierzee stortte’, letterlijk ‘uitschudde’. In de Hitpaël betekent het gevolgd door het voorzetsel  מִנ   ‘zichzelf uitschudden ...’ in Jes. 52:2. 

H5288

jongetje, jongen, jongeman, jong

knecht, knecht

dienaar, manschappen














H5290




H5291 

meisje, jonge vrouw,

dienstmeisje




H5292   

Naära

H5295   

Naäran, Naärata









H5296

Het Hebreeuwse mannelijke woord נַעַר (‹naʿar - H5288 - 238 keer verdeeld over 221 verzen›) heeft als eerste betekenis ‘jongen’. De meervoudsvorm is נְּעָרִים (‹nʿărīm›). Het woord wordt zowel gebruikt voor een pasgeborene, b.v. in Ex. 2:6, Ri. 13:5, 7, 1 Sm. 4:21, als voor een jongeman van rond de twintig jaar, b.v. in Gen. 34:19, 41:12 (‹vergelijk 37:2 en 41:2›), 2 Kn. 3:7, Jer. 1:6, 7. Het wordt soms nadrukkelijk gebruikt om te accentueren dat het om jongemannen gaat, kwetsbaarder en teerder dan volwassen en ervaren mannen b.v. in 1 Sm. 1:24 en 1 Sm. 30:17. Op andere plaatsen betekent het vooral ‘jongeman’ in de zin van een ‘knecht’ of ‘dienstknecht’ b.v. in Gen. 37:1, 2 Kn. 5:20, 8:4, Ex. 33:11, 2 Kn. 4:12. Het woord wordt ook gebruikt voor gewone soldaten, ‘manschappen’, vergelijkbaar met ʾīš (‹H376›), b.v. in 1 Kn. 20:15, 17, 19, 2 Kn. 19:6. Het wordt ook gebruikt voor de Israëlieten, als voor een jong volk in Hos. 11:1.

De mannelijke vorm staat in de vijf Wetsboeken 22 keer voor ‘jongevrouw’ wat kan worden afgeleid uit het feit dat de mannelijke vorm dan gecombineerd wordt met een vrouwelijke werkwoordsvorm: Gen. 24:14, 16, 28, 55; 34:3, 12, Dt. 22:15 enz. Dit geldt ook voor de mannelijke meervoudsvorm in Ruth 2:21 voor ‘jongevrouwen’ (‹vergelijk Ruth 2:8, 22, 23›) en in Job 1:19 voor ‘jongens en meisjes’.  In de Masoretische tekst staat in al die gevallen in de kantlijn de vrouwelijke vorm als de zogenaamde Ketiv. 

Dit verschijnsel om de mannelijke vorm te gebruiken voor zowel de mannelijke als vrouwelijke variant is ook eigen aan het Arabisch, waar b.v. ‘arūs’, ‘bruidegom’, gebruikt wordt voor ‘arūsaṯ’, bruid.  

Een verwant mannelijk Hebreeuwse zelfst. naamwoord is נֹעַר (‹noʿar - H5290 - meervoud נְּעֹורִים), dat staat voor ‘jeugd’ of ‘jeugdigheid’. We vinden het woord vier keer in het OT nl. in Job 33:25, 36:14, Ps. 88:16,  Spr. 29:21. 

De vrouwelijke variant נַעֲרָה (‹naʿărāh - H5291 - 62 keer verdeeld over 57 verzen›) heeft als eerste betekenis ‘meisje’ of ‘jonge vrouw’. De meervoudsvorm is נְעָרוֺת (‹nʿărōṯ›). Het woord staat voor 

–(‹1›) ‘meisje’, ‘jonge vrouw’ in Ri. 19:4 en volgende en in Esther 2:9, 13. Het wordt ook gebruikt voor .... in Ruth 2:6.  

–(‹2›) voor ‘dienares’ of ‘dienstmeisje’ b.v. in Spr. 9:3, 31:15, Ruth 2:8, 22 en Ruth 3:2.  

–(‹3›) de naam van (a) ‘Naära’ (‹H5292›), een jonge vrouw die drie keer voorkomt in 1 Kr. 4:5, 6  en (b) een stad ‘Naäran’ (‹H5295›) in het gebied van Efraïm genoemd in 1 Kr. 7:28 die gespeld als ‘Naärata’ (‹H5292›) ook voorkomt in Joz. 16:7. 


Beide woorden, de mannelijke variant (‹H5288›) en de vrouwelijke variant (‹H5291›), zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָעַר (‹nāʿar - H5287›) dat ‘schudden’, ‘afschudden’ en ‘uitschudden’ betekent. 

Ook het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord נְעֹרֶת ‹nʿoret - H5296›) in Ri. 16:9 en Jes. 1:31 is afgeleid van voornoemd werkwoord: het kaf dat wordt afgeschud of uitgeschud of verstrooid. 



H5306

[‘karbonkel’] - in feite is de betekenis van het Hebreeuwse woord נֹפֶךְ (‹nofeḵ - H5306›) niet bekend. De Septuaginta schrijft άνθραξ (‹anthraz - karbonkel›) . In het algemeen wordt gedacht aan een rode kleur, die in het zonlicht opvlamt zoals een brandende kool (‹Theophrastus 'On Stones' 300 v. Chr.›).  De Hebreeuwse naam komt ook voor in Ez. 28:13 en de Griekse naam komt ook voor in Op. 4:3 en Op. 21:20 van het Griekse Nieuwe Testament. De Midrash geeft blauwachtig groen als kleur aan en deelt de steen toe aan de stam Juda.    

H5310

[‘verbrijzelen’] - het Hebreeuwse werkwoord נָפַץ (‹H5310›) betekent in Ps. 2:9, 137:9 en in Jes. 27:9 ‘verbrijzelen’ of ‘verbrijzelen’. Dit is de hoofdbetekenis van het woord. Daarvan zijn de betekenissen als ‘verstrooien’ en ‘verpulveren’ in afgeleid 

H5315

uit Lev. 22:4 [‘ziel’] - het Hebreeuwse woord נֶפֶשׁ (‹nefeš›) heeft diverse betekenissen. Tot de eerste betekenissen van dit woord behoren ‘adem’ en ‘ziel’. Of het om de ziel van een levende of van een dode gaat, hangt allereerst af van wat er in het Hebreeuws staat. Zo staat er in Gen. 1:20 נֶפֶשׁ חַיָּה, ‘nefeš ḥaẏāẖ’, dat is ‘levende ziel’ en in Num. 6:6 staat er נֶפֶשׁ מֵת, ‘nefeš mēṯ’, dat is ‘de ziel van een dode’, niet een ‘dode ziel’, want een ziel is niet ‘dood’, maar is van een dode of gestorvene. Hier staat er in de Hebreeuwse tekst niet expliciet bij of het om een levende ziel gaat of om een ziel van een dode en dus moet dat uit het tekstverband worden afgeleid. Uit Num. 19:11, 13, 18, 22 kunnen wij opmaken dat de ziel, of zo men wil het lichaam, van een gestorvene, onrein is en onrein maakt. Dat is wat wij hier lezen dat ‘de ziel’ iemand anders, die die andere ziel aanraakt, onrein maakt. De ene ziel is dus de levende en de andere ziel is die van de gestorvene, maar dat staat er niet expliciet, maar moet je door het lezen en nadenken over het Woord van God leren begrijpen. 

H5322

[‘de havik’] - het Hebreeuwse woord נֵץ  (‹naṣ - H5322›) komt 4 keer voor in het OT. In Gen. 40:10 betekent het ‘bloesem’ of ‘bloem’, in Lev. 11:16 en Dt. 14:15 en in Job 39:26 is het ‘de havik’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָצַץ (nasas - H5340), dat ‘schitteren’, ‘glinsteren’ of ‘vliegen’ kan betekenen, dat alleen in Ez. 1:7 in het OT voorkomyt. De Septuaginta en Vulgata vertalen resp. met ιερακα (‹Grieks voor ‘havik’›) en ‘accipter’ (‹Latijn voor ‘havik’ of ‘sperwer’›).  De havik kan zeer hoog vliegen. In Job 39:26 wordt van deze vogel gezegd, dat deze vogel opstijgt om dan zijn vleugels zuidwaarts uit te spreiden, wat haviken inderdaad doen. 

H5337

ontrukken, wegrukken, 

plunderen,

gespaard worden, beroven,

afnemen, 

ontzetten, bevrijden, 

weggrissen

Het Hebreeuwse werkwoord  נָצַל (‹H5337›) komt 213 keer in het OT voor verdeeld over 194 verzen en heeft als eerste betekenis ‘wegrukken’, ‘ontrukken’, ‘wegnemen’ of ‘weggrissen’, ‘ontzetten’. Naar gelang de afgeleide werkwoordsvorm (‹Niphal, Piel, Hiphil, Hophal›) en naar gelang het zinsverband komen ook andere betekenissen naar voren of verschijnen er vertalingen die sterk te maken hebben met het zinsverband. Zo lezen wij in 2 Kn. 19:11 lezen wij: ‘Zou jij dan gespaard worden?’. En in 2 Sm. 14:6 vinden wij de betekenis ‘tussenbeide komen’ in de zin: ‘Er was niemand om tussenbeide te komen.’ Letterlijk: ‘er was niemand om te ontrukken tussen hen’. In 1 Sm. 30:22 vinden wij de betekenis ‘(‹her›)overen’ in de zinsnede: ‘Omdat zij niet met ons meegegaan zijn, zullen wij hen niets geven van de buit, die wij (op hen her)overd hebben.’ 

H5340

[‘de havik’] - het Hebreeuwse woord נֵץ  (‹naṣ - H5322›) komt 4 keer voor in het OT. In Gen. 40:10 betekent het ‘bloesem’ of ‘bloem’, in Lev. 11:16 en Dt. 14:15 en in Job 39:26 is het ‘de havik’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָצַץ (nasas - H5340), dat ‘schitteren’, ‘glinsteren’ of ‘vliegen’ kan betekenen, dat alleen in Ez. 1:7 in het OT voorkomyt. De Septuaginta en Vulgata vertalen resp. met ιερακα (‹Grieks voor ‘havik’›) en ‘accipter’ (‹Latijn voor ‘havik’ of ‘sperwer’›).  De havik kan zeer hoog vliegen. In Job 39:26 wordt van deze vogel gezegd, dat deze vogel opstijgt om dan zijn vleugels zuidwaarts uit te spreiden, wat haviken inderdaad doen. 

H5345

[‘je vrouwen[(schare)]’] - het Hebreeuwse woord נֶקֶב (‹nāqaḇ - H5345›), met als meervoud נֶקֶבים (‹nēqēḇīm›) wordt in bijna alle vertalingen vertaald als ‘fluiten’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָקַב (‹nāqaḇ›), dat als eerste betekenis ‘uithollen’ of ‘uitgraven’ heeft. Naar gelang de aard van de afgeleide werkwoordsvorm kan het ook ‘doorboren’ of ‘bij de naam roepen’ of ‘onderscheiden’ of ‘apart zetten’ en zelfs ‘vervloeken’ betekenen. K&D wijzen er echter op dat het woord in dit vers een mannelijke meervoudsvorm is van het Hebreeuwse woord voor ‘vrouwelijk’, naar analogie van ‘nāṣīm’ (‹vrouwen›) en ‘pilagṣīm’ (‹bijvrouwen›) en de keuze van het woord נְקָבֶיךָ houdt verband met het voorkomen ervan in Gen. 1:27, bij de schepping van de mens, waar wij lezen dat God de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen heeft.  

H5347

vrouwelijk נְקֵבָה (‹nqēḇāh - H5347›)

H5401

[‘onderwerpen’] - het Hebreeuwse werkwoord נָשַׁק (‹nāšaq - H5401›) betekent ‘kussen’, maar kan ook ‘aaneenvoegen’ of: ‘ordenen’ betekenen of daarvan afgeleid ‘gewapend zijn’ d.w.z. de wapens worden aan het lichaam gevoegd, het zwaard wordt aangegord. Wat betreft de betekenis  ‘kussen’, moeten we volgens Vredenburg denken aan de kus die onderdanen in sommige landen aan een heerser of leider op zijn hand of voet geven als blijk van onderdanigheid en respect. Er is anderzijds in de andere betekenis van ‘aaneenvoegen’ voldoende reden om hier te vertalen met ‘onderwerpen’. Het volk voegt zich naar het bevel van de heerser. 

H5402

[‘wapentuig’] - het Hebreeuwse woord נֶשֶׁק (‹nešeq - H5402›) komt 10 keer in het OT voor en betekent ‘wapens’ of ‘wapentuig’.

H5404

[‘arend’] - het Hebreeuwse woord נֶשֶׁר (nešer - H5404) komt 26 keer in het OT voor, verdeeld over 26 verzen. De woorden ‘arend’ en ‘adelaar’ zijn synoniem. Men vertaalt het woord ook wel als ‘gier’ (‹b.v. in Job 39:27, Spr. 30:17 en Mi. 1:16; zie ook Mt. 24:28›). Ps. 103:5 zegt ‘zodat je jeugd zich vernieuwt als die van een adelaar’. De adelaar vernieuwt geregeld zijn verenkleed, net als de slang zijn huid. De Septuaginta vertaalt met adelaar of arend (‹‘αετον’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘aquilam’›). Bij de jacht vliegen de gieren wel achter de arend aan, want die hebben een scherper zicht. Zie de noot bij Mt. 24:28.  

H5419

[‘Nathan-Melech’] - dat is ‘degene die de koning heeft aangesteld’ (‹Gesenius›) (‹H5419›). Van hem is verder niets bekend. K&D suggereren dat hij misschien de bouwer of oprichter van de bijgebouwen was.       

H5429

[‘maat ... maten’] - het Hebreeuwse woord סְאָה (‹sʾāh - H5429›) voor maat, staat volgens de rabbijnse overlevering voor een derde efa (‹Gesenius›). 

H5443

luit

H5475

[‘samenzwering’] - het Hebreeuwse woord סוֹד (‹s̱ōḏ - H5475›) kan ook ‘vertrouwelijke samenkomst’ betekenen of ‘intiem of geheim overleg’ zonder een negatieve lading, maar in dit vers geeft het zinsverband wel aanleiding tot die negatieve betekenis en daarom is gekozen voor ‘samenzwering’.  

H5493

afnemen, van de weg afgaan.   301 keer in het OT, verdeeld over 283 verzen.

H5520

[‘loofhut’] - de hier gebruikte vorm van het Hebreeuwse mnl. znw. woord ‘loofhut’ (‹H5520mnl. znw.  |סֹךְ|, s̱oḵ, onder Strongnr. H5520›) komt slechts 4 keer voor in het OT (‹Ps. 10:9; 27:5 en Jer. 25:38›). Verder is er nog een variant (‹H7900›) in Pred. 2:6 met een ‘sin’ i.p.v. een ‘samech’ aan het begin. Het Hebreeuwse woord onder H5521 komt het meest voor als onderdeel van het woord ‘Loofhuttenfeest’. 

H5521

H5523

H5526

[‘Sukkot’] - dat is ‘loofhutten’ ofwel ‘hutten van takken’ (‹van het enkelvoudige Hebreeuwse vrwl znw. |סֻכָּה| s̱ūkkāẖ - H5521 met als verwant mnl. znw. |סֹךְ|, s̱oḵ, onder Strongnr. H5520 in Ps. 10:9, Ps. 27:5, Ps. 76:2 en Jer. 25:38›). Het woord komt 31 keer in het OT voor in de betekenis van ‘loofhutten’, verdeeld over 29 verzen en het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |סָכַךְ| (‹s̱āḵaḵ - H5526›), dat 24 keer in het OT voorkomt verdeeld over 24 verzen en dat als eerste betekenis heeft ‘vlechten’ of ‘dooreenweven’, m.n. in verband met takken, zodat men al doende een soort omheining, afscherming of beschutting maakt. Het meervoud (‹s̄ūkkōṯ - ook van H5521›) zal later ook gebruikt worden voor het zgn. ‘Loofhuttenfeest’ ter herinnering aan het feit dat Israël na de uittocht uit Egypte tijdens de reis door de woestijn in loofhutten woonde.  

–De plaatsnaam Sukkot waarvan hier sprake is, heeft dezelfde spelling, maar valt onder Strongnr. H5523 en deze plaatsnaam komt 18 keer voor in het OT, verdeeld over 16 verzen. Overigens moeten wij de plaats Sukkot aan de oostzijde van de Jordaan niet verwarren met de plaats Sukkot in Egypte in Ex. 12:37, 13:20; Num. 33:5, 6. 

H5541

–Het volgende Hebreeuwse mnl. znw. mv. |סַלּוֹנִים| (‹s̱alōnīm - H5544›) komt in het OT allen voor in Ez. 2:6 en in Ez. 28:24, maar in het Aramese NT komen diverse keren ook woorden voor die van dezelfde taalkundige stam ‘s̱l’ zijn afgeleid, b.v. ‘verwerpen’ in Mk. 7:13. De Aramese Targum vertaalt beide woorden in Ez. 2:6 als volgt: ‘want zij zijn opstandig en hard tegen jou’. Gesenius verdedigt de betekenis ‘doren’ of ‘stekel’ van ‘s̱alōnīm’ en in Ez.28:24 lijkt die betekenis naast het Hebreeuwse woord |קוֹץ| (‹qoṣ  H6975›) beslist passend. Het woord zou afgeleid zijn van het Hebreeuwse werkwoord |סָלָה| (‹salah - H5541›) dat vier keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen: Job 28:16, 19; Ps. 119:118 en Klg. 1:15 en als eerste betekenis heeft ‘oplichten’ of ‘optillen’ en overdrachtelijk ‘gering achten’ of ‘verachten’ en dus ‘verwerpen’. Wij krijgen de indruk dat het woord ‘s̱alōnīm’ in dit vers overdrachtelijke gebruikt is, zoals wij zeggen: ‘hij zet zijn stekels op’, d.w.z. hij gaat ertegen in d.w.z. hij wijst het af of verwerpt het. Raadselachtig blijft het voorkomen van de ‘n’ als derde letter ‘sln’, waarvoor wij bij de commentatoren geen verklaring vinden. 

H5542


Sela

het gaat mogelijk om een gebiedende wijs van het werkwoord סֶלָה (selāh - H5542›). Sommigen zien dit als een aanwijzing voor de muzikale uitvoering. Gesenius denkt dat het een oproep is tot een korte stilte, zoals bij muziek stukken wel gewoon is. Anderen denken dat het gaat om een aansporing om de stem te verheffen en de handen op te heffen, maar dat zou meer passen aan het begin van vers. Weer anderen zeggen dat er weinig tot niets over te zeggen valt.  

H5544

[‘die opstandig zijn en die hun stekels opzetten’] - het Hebreeuwse mnl. znw. mv. |סָרָבִים| (‹s̱ārāḇīm - H5621 - opstandelingen›) dat wij hebben vertaald met ‘opstandig zijn’, komt alleen in Ez. 2:6 in het OT voor. De Arabische Van Dycke vertaling geeft als betekenis ‘stug zijn’ of: ‘verhard zijn’ (‹letterlijk: ‘gestold’ of: ‘bevroren’›). De vertaling ‘opstandigen’ is in lijn met de Peshitta, de LXX en de opvatting van Gesenius van dit woord in Ez. 2:6. 

–Het volgende Hebreeuwse mnl. znw. mv. |סַלּוֹנִים| (‹s̱alōnīm - H5544›) komt in het OT allen voor in Ez. 2:6 en in Ez. 28:24, maar in het Aramese NT komen diverse keren ook woorden voor die van dezelfde taalkundige stam ‘s̱l’ zijn afgeleid, b.v. ‘verwerpen’ in Mk. 7:13. De Aramese Targum vertaalt beide woorden in Ez. 2:6 als volgt: ‘want zij zijn opstandig en hard tegen jou’. Gesenius verdedigt de betekenis ‘doren’ of ‘stekel’ van ‘s̱alōnīm’ en in Ez.28:24 lijkt die betekenis naast het Hebreeuwse woord |קוֹץ| (‹qoṣ  H6975›) beslist passend. Het woord zou afgeleid zijn van het Hebreeuwse werkwoord |סָלָה| (‹salah - H5541›) dat vier keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen: Job 28:16, 19; Ps. 119:118 en Klg. 1:15 en als eerste betekenis heeft ‘oplichten’ of ‘optillen’ en overdrachtelijk ‘gering achten’ of ‘verachten’ en dus ‘verwerpen’. Wij krijgen de indruk dat het woord ‘s̱alōnīm’ in dit vers overdrachtelijke gebruikt is, zoals wij zeggen: ‘hij zet zijn stekels op’, d.w.z. hij gaat ertegen in d.w.z. hij wijst het af of verwerpt het. Raadselachtig blijft het voorkomen van de ‘n’ als derde letter ‘sln’, waarvoor wij bij de commentatoren geen verklaring vinden. 

H5556

[De tweede soort] (‹סָלְעָם - ‘s̱ālʿām’ - H5556›) houdt men op basis van de Targum en de Talmoed voor een groter type sprinkhaan, dat erg vraatzuchtig is. De Septuaginta heeft ‘attakus’ (‹ἀττάκης›) en de Vulgata ‘attacus’ (‹Latijn voor een type vlinders›), maar voor deze benaming lijkt onvoldoende grond. Dit Hebreeuwse woord is verwant aan het Hebreeuwse woord סֶלַע voor ‘rots’ (‹s̱elaʿ - H5553›), b.v. ‘God is mijn rots’ (‹Ri. 15:8,11 en 1 Sm. 23:25›). Hiervan hebben wij de vertaling ‘rots-sprinkhaan’ van afgeleid. .       

H5564

[‘belegeren’] - het Hebreeuwse werkwoord סָמַךְ (‹H5564 - s̱āmaḵ›) betekent gewoonlijk ‘steunen op’ of: ‘leunen op’. In Ps. 88:8 heeft het de betekenis van ‘hevig drukken op’. In dit vers is het overdrachtelijk vertaald als ‘belegeren’. 

H5575

[‘blindheid’] - het Hebreeuwse woord dat hier voor ‘blindheid’ staat nl. סַנְוֵר (‹ṣanver - H5575›) vinden we in de Bijbel alleen nog in 2 Kn. 6:18 en zou volgens K&D wijzen op een ‘mentale blindheid’ waarbij men wel kan zien, maar de oriëntatie zoek is ofwel men ziet van allerlei, maar het klopt niet met de werkelijkheid, en men ziet voorwerpen maar op de verkeerde plaats. Dit was dan de straf voor hun morele blindheid, een voorteken van het komende oordeel. Het gewone en veelvoorkomende woord voor blindheid is עִוֵּר (‹`ivver - H5787›). 

H5596

[‘schurftig maken’] - het Hebreeuwse werkwoord סָפַח (‹sāfaḥ - H5596›), dat 6 keer in het OT voorkomt, heeft meestal de betekenis van ‘bij elkaar komen’, ‘voegen’ of: ‘uitbreiden’. In Leviticus 13 en 14 waar het gaat over melaatsheid, heeft het de betekenis van ‘een zwelling van de huid’. In dit vers gaat het om de Piël van het werkwoord, een afgeleide vorm, die verband houdt met ‘kaal worden’ of: ‘haaruitval hebben’ als het over het hoofdhaar gaat, maar als het over drinken gaat kan het ook betekenen ‘uitgieten’. Niet alle vormen van schurft leiden tot haaruitval, maar bij bepaalde vormen zou het wel kunnen voorkomen, als wij de medische informatie goed begrijpen. 

In sommige verzen is sprake van  een homoniem werkwoord: op. dezelfde wijze geschreven, maar met een andere betekenis.  In 1 Sm. 26:9 is de Hitpaël van dit werkwoord te vinden, in ob. 30:7 de Pual en in Jes. 14:1 de Niphal. 

H5601

[‘saffier’] - het Hebreeuwse woord   סַפִּיר (‹ṣāfīr - H5601 - uitspraak ‘saffier’›) staat voor een kostbare edelsteen. Het gaat om een transparant blauw mineraalgesteente en het wordt over het algemeen geclassificeerd als één van de meest waardevolle edelstenen. De Midrash geeft blauw als kleur aan en deelt de steen toe aan de stam Issaschar.  

H5608

[‘verkondig’] - het Hebreeuwse werkwoord |סָפַר| (‹s̱āfar - H5608›) kan naar gelang de aard van de afgeleide vorm de volgende betekenissen hebben: ‘krabben’, ‘schrapen’, ‘polijsten’, ‘graveren’ (‹van letters›), ‘monsteren, inschrijven (‹van soldaten›)’, ‘tellen’, ‘vertellen’, ‘verkondigen’, ‘spreken’, ‘verteld worden’, ‘verkondigd worden’. 



H5621

[‘die opstandig zijn en die hun stekels opzetten’] - het Hebreeuwse mnl. znw. mv. |סָרָבִים| (‹s̱ārāḇīm - H5621 - opstandelingen›) dat wij hebben vertaald met ‘opstandig zijn’, komt alleen in Ez. 2:6 in het OT voor. De Arabische Van Dycke vertaling geeft als betekenis ‘stug zijn’ of: ‘verhard zijn’ (‹letterlijk: ‘gestold’ of: ‘bevroren’›). De vertaling ‘opstandigen’ is in lijn met de Peshitta, de LXX en de opvatting van Gesenius van dit woord in Ez. 2:6. 

–Het volgende Hebreeuwse mnl. znw. mv. |סַלּוֹנִים| (‹s̱alōnīm - H5544›) komt in het OT allen voor in Ez. 2:6 en in Ez. 28:24, maar in het Aramese NT komen diverse keren ook woorden voor die van dezelfde taalkundige stam ‘s̱l’ zijn afgeleid, b.v. ‘verwerpen’ in Mk. 7:13. De Aramese Targum vertaalt beide woorden in Ez. 2:6 als volgt: ‘want zij zijn opstandig en hard tegen jou’. Gesenius verdedigt de betekenis ‘doren’ of ‘stekel’ van ‘s̱alōnīm’ en in Ez.28:24 lijkt die betekenis naast het Hebreeuwse woord |קוֹץ| (‹qoṣ  H6975›) beslist passend. Het woord zou afgeleid zijn van het Hebreeuwse werkwoord |סָלָה| (‹salah - H5541›) dat vier keer in het OT voorkomt, verdeeld over 4 verzen: Job 28:16, 19; Ps. 119:118 en Klg. 1:15 en als eerste betekenis heeft ‘oplichten’ of ‘optillen’ en overdrachtelijk ‘gering achten’ of ‘verachten’ en dus ‘verwerpen’. Wij krijgen de indruk dat het woord ‘s̱alōnīm’ in dit vers overdrachtelijke gebruikt is, zoals wij zeggen: ‘hij zet zijn stekels op’, d.w.z. hij gaat ertegen in d.w.z. hij wijst het af of verwerpt het. Raadselachtig blijft het voorkomen van de ‘n’ als derde letter ‘sln’, waarvoor wij bij de commentatoren geen verklaring vinden. 

H5643

bescherming, bedekking, beschutting, schuilplaats

het Hebreeuwse woord סֵתֶר (‹ṣēter - H5643›)  betekent naar gelang het zinsverband ‘bedekking’ (‹Job 24:15›), ‘bescherming’ (‹Dt. 32:38›), ‘scherm’ (‹Job 22:14›)  ‘beschutting’ (‹Ps. 18:12›) en ook ‘schuilplaats’ (‹Job 40:21›). De uitdrukkingen ‘in het verborgene’ (‹Dt. 27:24, 57›) of ‘in het geheim’ (‹Dt. 13:7; Jer. 38:16›) of ‘stilletjes’ (‹Job 31:27›) berusten op hetzelfde Hebreeuwse woord, dat 36 keer voorkomt in OT verdeeld over 36 verzen.  

H5689

[‘[(pan)]fluit’] - dit is een rieten fluit. Het Hebreeuwse werkwoord met dezelfde stam (‹H5689›) komen we o.a. tegen in Jer. 4:30 en Ez. 23:5, 7, 9. Het heeft meestal de betekenis van ‘beminnen’, ‘verliefd zijn’, met nadruk op het sensuele. De grondbetekenis van het werkwoord is ‘ademen’ of ‘uitblazen’. We komen in het OT nog een ander woord voor fluit tegen nl. in 1 Sm. 10:5 (‹zie de noot bij dat vers›). 

H5695

kalf

H5707

[‘gemeente’] - het Hebreeuwse woord עֵדָה (‹ʿēdāẖ - H5712›) komt 149 keer in het OT voor, verdeeld over 140 verzen en heeft als eerste betekenis ‘de afgesproken bijeenkomst’. Het wordt veel gebruikt voor de voltallige bijeenkomst van de gemeente van Israël. Het woord is verwant aan het Hebreeuwse woord עֵד (H5707), dat ‘getuige’ of ‘getuigenis’, d.w.z. ‘wat getuigt’ betekent en 70 keer verspreid over 69 verzen in het OT voorkomt. 

H5712

[‘gemeente’] - het Hebreeuwse woord עֵדָה (‹ʿēdāẖ - H5712›) komt 149 keer in het OT voor, verdeeld over 140 verzen en heeft als eerste betekenis ‘de afgesproken bijeenkomst’. Het wordt veel gebruikt voor de voltallige bijeenkomst van de gemeente van Israël. Het woord is verwant aan het Hebreeuwse woord עֵד (H5707), dat ‘getuige’ of ‘getuigenis’, d.w.z. ‘wat getuigt’ betekent en 70 keer verspreid over 69 verzen in het OT voorkomt. De Hebreeuwse woorden עֵדָה (‹ʿēdāẖ - H5712›) en קָהָל (qāẖāl - H6951) zijn volgens Ellicott vrijwel verwisselbaar.      

H5715

getuigenis 

het vrouwelijke Hebreeuwse woord עֵדוּת (‹ʿēdūt - H5715›) betekent ‘getuigenis’, ‘voorschrift’ of ‘waarschuwend teken’. Het meervoud עֵדְוֹת (‹ʿēdōt›) vinden wij o.a. in Dt. 4:45 en in 2 Kn. 17:15. Het woord is onderdeel van uitdrukkingen als de Kist van de Getuigenis o.a. in Ex. 25:22 (‹אֲרֹן הָעֵדֻת - ʾaron hā-ʿēdut›), de Tent van de Getuigenis o.a. in Num. 9:15 (‹אֹהֶל הָעֵדֻת - ʾohēl hā-ʿēdut›) en in de eenmalig voorkomende uitdrukking ‘een vaste instelling voor Israël’ in Ps. 122:4 (‹עֵדוּת לְיִשְׂרָאֵל - ʿēdūt l-yisra ̒ēl›).         

[‘voor de Getuigenis’] - letterlijk: ‘voor de aangezichten van de Getuigenis’. Het Hebreeuwse woord עֵדוּת (‹ʿēdōṯ - H5715›) betekent ‘getuigenis’ en in veel gevallen verwijst dit woord naar de Kist (‹ofwel de ‘Ark’›), in het bijzonder naar de Wet die in de vorm van twee stenen tafelen in de Kist lag. Dat roept wel vragen op omdat tot hiertoe nog geen enkele melding van de Woning (‹ofwel ‘de Tabernakel’›) en zijn voorwerpen is gemaakt. Dat komt pas bij de berg Sinaï, later in het boek Exodus. Uit het volgende vers blijkt dat dit gedeelte ook het karakter van een terugblik heeft, immers het kijkt terug over de veertig jaren in de woestijn. Het woord Getuigenis wordt met een hoofdletter weergegeven als het slaat op de twee met de Wet beschreven tafelen, die in de Kist lagen. In de overige gevallen (‹o.a. heel vaak in de Psalmen waar het woord in het meervoud staat›) zullen wij het met een kleine letter schrijven b.v. ‘uw getuigenissen’.   

H5731

[‘Eden’] - dat is ‘genot’ (‹H5731›). Eden was dus een plaats waar men kon genieten naar Gods wil. 

H5739

[‘kudden’]- het Hebreeuwse woord עֲדָרִים (‹‘ederim’ - H5739›), dat hier gebruikt wordt voor de kudden van Jakob, wordt ook gebruikt in de uitdrukking ‘de kudde van JaHWeH’, dat is Gods volk Israël. Zie Jer. 13:17.       

H5748

fluit - (pan)fluit

H5771

ongerechtigheid, kwaad

het Hebreeuwse woord עָוֹן (‹āwon - H5771›) betekent ‘ongerechtigheid’, ‘kwaad’, en soms ook ‘schuld’ of ‘straf’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עָוָה (‹ʿāwāh - H5753›), dat ‘buigen’ of ‘verdraaien’ betekent. Afhankelijk van de afgeleide werkwoordsvorm kan het ook betekenen ‘pervers zijn’ of ‘zich pervers gedragen’, ‘krom maken’ of ‘verbuigen’ en ook ‘kronkelen’ (‹b.v. bij hevige pijn›). 

H5772

[‘huwelijkse gemeenschap’] - het Hebreeuwse woord עוֹנָה (‹ʿōnāẖ - H5772›) komt alleen in Ex. 21:10 in het OT voor, maar we komen het ook tegen in de Talmoed waar het betrekking heeft op de huwelijkse plichten en rechten (‹denk ook aan 1 Kor. 7:3›). Soms wordt het woord wel vertaald met ‘woning’, maar ook al is het voorzien in een woning een belangrijk onderdeel van de huwelijkse plichten van een man, toch kan de term in dit vers niet tot dat aspect worden beperkt. Zeer zeker kan de term te maken hebben met het vaststellen van vaste tijden en gelegenheden die de man diende te respecteren om elk van de vrouwen haar deel van het huwelijksleven te geven (‹zie de noot bij Gen. 30:15›). 

H5777

loden

Het Hebreeuwse woord עוֹפֶרֶת (‹ʿōfereṯ - H5777›) komt in 9 verzen in het OT voor. Het is verwant aan het Hebreeuwse werkwoord עָפַר (‹ʿafar - H6080›) dat alleen voorkomt in 2 Sm. 16:13 en ‘wit zijn’ of ‘grijs zijn’ betekent.  Dat stemt overeen met de kleur van lood. Van het voornoemde Hebreeuwse werkwoord is ook het Hebreeuwse woord עָפָר (‹ʿāfār - H6083›) afgeleid dat staat voor ‘stof’ (‹van de aarde›). Dit woord komt 110 keer in het OT voor.    

H5782

warm maken, ‘verhitten’ Het Aramese woord …. zie verder H6145 en H6146

H5795

[‘geiten’] - het vrouwelijke Hebreeuwse znw. עֵז (‹ʿēz - H5795›)  komt 74 keer voor in het OT verdeeld over 74 verzen. Het staat gewoonlijk voor een vrouwtjesgeit, maar bij een jonge geit kan het ook een mannetje, d.w.z. een geitenbokje, zijn. Zie ook Gen. 31:38 en Ex. 12:5 en Lev. 4:23.  

H5797

het Hebreeuwse werkwoord עָזַז (ʿazaz - H5810) dat ‘sterk zijn’ of ‘machtig zijn’ betekent, van waar weer het zelfst. nmw.  עֹז (ʿuz - H5797) afkomstig is, dat ‘macht’ of ‘kracht’ betekent.

H5810

het Hebreeuwse werkwoord עָזַז (‹ʿāzaz - H5810›) dat ‘sterk zijn’ of ‘machtig zijn’ betekent, van waar weer het zelfst. nmw.  עֹז (‹ʿuz - H5797›) afkomstig is, dat ‘macht’ of ‘kracht’ betekent.

H5822


zeearend


VOGELS

het Hebreeuwse woord עָזְנִיָּה (‹ʿāzniyāẖ - H5822›) komt alleen in Lev. 11:13 en in Dt. 14:12 voor en is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עָזַז (‹ʿāzaz - H5810›) dat ‘sterk zijn’ of ‘machtig zijn’ betekent, van waar weer het zelfst. nmw.  עֹז (‹ʿuz - H5797›) afkomstig is, dat ‘macht’ of ‘kracht’ betekent. In de wetenschappelijke terminologie heet deze roofvogel ‘Haliaeetus albicilla’.  Het is de grootste Europese arend, een roofvogel, die in kustgebieden leeft. De zeearend wordt ook wel als broedvogel in Nederland aangetroffen. Andere vertaalkeuzes zijn ‘monniksgier’ of: ‘zwarte gier’. De Septuaginta heeft ‘visarend’ (‹‘αλιαιετον’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘alietum’›). De visarend (‹55cm›) is een stuk kleiner dan de zeearend (‹90 cm›) en de laatste wordt ook wel ‘vliegende deur’ genoemd. Vredenburg vertaalt het woord als ‘zwarte arend’.  

H5838

[‘Azarja’] - deze naam (‹H5838›) bestaat uit twee delen nl. (‹1›) het Hebreeuwse werkwoord voor ‘helpen’ עָזַר (‹ʿāzar - H5826›) en (‹2›) de Hebreeuwse verkorte naam van de HEERE (‹JᵃhWᵉH›) nl. יָה (‹Jᵃh›) die wij in onze vertaling weergeven als ‘HEER’ of als ‘Jah’ b.v. in de uitroep ‘Hallelu-Jah’.  In het OT zijn er zo’n 22 personen met de naam Azarja en de naam behoort daarom tot de meest voorkomende namen in het OT.

H5847

[‘de vleermuis’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. woord עֲטַלֵּף (‹ʾaṭalēf - H5847›) wordt door alle vertalingen als ‘vleermuis’ weergegeven. In de Septuaginta heet hij νυκτεριδα, ‘nukterida’ en in de Latijnse Vulgata ‘vespertilionem’. Dit Hebreeuwse woord komt in het OT drie keer voor: Lev. 11:19, Dt. 14:18 en Jes. 2:20.

H5892

Het heeft als eerste betekenis  ‘tegenstander’ of ‘vijand’, maar via een andere grammaticale wortel kan het ook staan voor ‘stad’ (‹van עִיר - ʿīr - H5892 - Num. 21:15; Dt. 2:9 en voluit als Ar-Moab in Num. 21:28 en Jes. 15:1›). Naar onze mening is ook in Mi. 5:10 de betekenis ‘steden’, in afwijking van anderen. 

H5869

[‘ogen’] - het Hebreeuwse woord voor ‘oog’, kan ook ‘waterbron’ betekenen (‹H5869›). Het woord komt 75 keer in het boek Genesis voor, waarvan 42 keer in Genesis 17-35 waar de geschiedenis van Izak beschreven staat. Er is zeker wat te zeggen voor een speciale plaats van dit woord in het leven van Izak. We denken niet alleen aan zijn blindheid, maar ook aan het bijzondere moment toen hij Rebekka voor het eerst zag en aan de conflicten tussen zijn herders en die van Abimelech over de waterputten in Gen. 26. (‹voor een verder bestudering zie Karolien Vermeulen - JHS - ISSN 1203-1542, Vol. 9, Art. 22 ‘To see or not to see’›). 

H5909

[‘de muis’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. עַכְבָּר  (‹ʿaḵbār - H5909›) komt 6 keer in het OT en het betekent ‘muis’, volgens Gesenius in het bijzonder ‘een veldmuis’. Deze opvatting word ondersteund door de Septuaginta en de Talmoed en is in 1 Sm. 6:5 terug te vinden in de samenstelling ‘veld-muis’. Anderen kiezen wel voor ‘rat’.    

H5959

[‘jonge vrouw’] - het Hebreeuwse woord  עַלְמָה  (‹ʿalmāẖ - H5959›) heeft in het OT altijd betrekking op een ongehuwde vrouw, een maagd. Daarnaast is er ook een Hebreeuws woord בְּתוּלָה (‹bᵉtūlāẖ - H1330›) dat expliciet ‘maagd’ betekent. 

H5971

[‘dit volk is uw [(eigen)] volk!’] - in het Hebreeuws staan hier twee woorden die beide ‘volk’ betekenen. Het eerste is גּוֹי (‹gōy - H1471›), dat op diverse plaatsen wordt gebruikt voor de volken buiten Israël, maar ook wel voor Israël b.v. Israël is mijn heilig volk (‹Ex. 19:6›). Het tweede is עַם (‹ʿam- H5971›) en betekent ook ‘volk’, maar wordt vaak voor Israël gebruikt als volk van God. We hebben dat in dit vers expliciet gemaakt met de toevoeging ‘eigen’. 

H6035

zachtmoedig, verdrukt, ellendig

Het Hebreeuwse mannelijke bijv. naamwoord עָנָו (‹ʿānāv - H6035›) betekent ‘zachtmoedig’. Het meervoud is עֲנָוִים (‹ʿanāvīm - H6035›). Het is uiteraard verwant aan het woord ‘zachtmoedigheid’ (‹H6037›). Beide woorden zijn terug te voeren op het werkwoord עָנָה (‹ʿānāh - H6031›) dat staat voor ‘iemand onder druk zetten’ of voor ‘verdrukt worden’ of ‘verdrukt zijn’, naar gelang de vraag van welke afgeleide vorm van het werkwoord sprake is. In plaats van ‘zachtmoedig’ is het woord soms ook vertaald als ‘verdrukt’ en zelfs een keer als ‘ellendig’. In Numeri 12:3 is het de vraag of Mozes daar beschreven worden als een ‘zachtmoedig man’, of als een ‘verdrukt man’. Wij denken dathij daar beschreven wordt als de meest zachtmoedige man op aarde, maar dat kan alleen gezegd worden als hij ook de meest verdrukte man was, want in de verdrukkingen treedt het karakter juist naarvoren. 



H6049

[‘occultisme’] - over de grammaticale wortel (‹ʿānān - H6049 - עָנָן›) van het Hebreeuwse woord תְעוֹנֵנוּ (‹tᵉʿōnēnū›) wordt verschillende gedacht. Sommigen zien een verband met het Hebreeuwse woord voor ‘wolk’ en vatten het dan op als naar de wolken kijken om de toekomst te voorspellen en om waarzeggerij te bedrijven, maar anderen (‹o.a. Gesenius›) menen dat de Qal van het ermee verbonden Hebreeuwse werkwoord ‘bedekken’ betekent en komen zo uit op het doen van dingen die verborgen zijn en vandaar op ‘geheime kunsten’ of: ‘duistere praktijken’ en ‘occultisme’. Weer anderen (‹o.a. K&D›) menen dat het woord qua structuur en betekenis verwan is aan het Hebreeuwse woord voor ‘oog’ en vatten het woord op als ‘iemand betoveren met het boze oog’.   

H6076 

H6077

[‘Ofel[(heuvel)]’] - de naam ‘Ofel’ (‹H6077›) betekent ‘heuvel’ en in feite staat er dus ‘heuvelheuvel’, dubbelop’. Wij gebruiken deze combinatie alleen voor de ‘Ofel’, de heuvel waarom de stad van David met het koninklijke paleis gebouwd was, terwijl wij in alle andere gevallen gewoon vertalen met ‘heuvel’. De ‘Ofel’ is daarmee tot een eigennaam geworden voor die heuvel van de stad van David die ten zuiden van de Tempelberg ligt en lagergelegen is. De koningen van Israël moesten daarom altijd omhoog lopen naar de Tempel. De benaming ‘Ofelheuvel’ komt 6 keer in het OT voor nl. in 2 Kr. 27:3, 2 Kr. 33:14; Neh. 3:26, 27; Neh. 11:21 en Jes. 32:14. Verder komt het woord nog in 9 verzen voor, vertaald als ‘heuvel’ (‹H6076›). 

H6083

stof

Het Hebreeuwse mnl. znw. |עָפָר| (‹ʾāfār - H6083›) komt 110 keer in het OT voor, verdeeld over 103 verzen en de eerste betekenis van het woord is ‘stof’ of ‘aarde’ of ‘klei’.

H6091

[‘afgodsbeelden’] - het Hebreeuwse woord |עָצָב| (‹ʿāṣāḇ - H6091›) dat 17 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 17 verzen betekent ‘afgod’ b.v. in 1 Sm. 31:9; 2 Sm. 5:21 en in Hos. 4:17. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |עָצַב| (‹āṣaḇ - H6087›) dat ‘krenken’, ‘pijn doen’ of: ‘kwetsen’ betekent. Met de afgodsbeelden krenkten zij de HEERE. 

H6133

[‘nakomelingen’] - letterlijk: ‘spruit’ of ‘nazaat’. Het Hebreeuwse mannelijke znw. עֵקֶר (‹ʿeqer - H6133›) komt alleen behalve in dit vers alleen nohg in 1 Kr. 2:27 in het OT voor als de naam van een zoon van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël: Eker (‹H6134›). . 

H6145

(Hebreeuws)

tegenstander, vijand


H6146

(Aramees)

tegenstander, vijand

Het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. עָר (‹ʿār - tegenstander, vijand - H6145 in 1 Sm. 28:16, Ps. 9:7 en Ps. 139:20, Jes. 14:21, Mi. 5:13 en de Aramese variant H6146 in Dan. 4:16 - 6 keer in het OT›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עוּר (‹ʿūr - H5782›) dat ‘opwekken, prikkelen, warm maken of verhitten’ betekent. Het komt in totaal 80 keer voor in het OT, verspreid over 65 verzen. Het heeft als eerste betekenis  ‘tegenstander’ of ‘vijand’, maar via een andere grammaticale wortel kan het ook staan voor ‘stad’ (‹van עִיר - ʿīr - H5892 - Num. 21:15; Dt. 2:9 en voluit als Ar-Moab in Num. 21:28 en Jes. 15:1›). Naar onze mening is ook in Mi. 5:10 de betekenis ‘steden’, in afwijking van anderen. 

In 1 Sm. 28:16 is het uit het tekstverband duidelijk dat het om de tegenstander gaat. Het woord komt met inbegrip van zijn Aramese variant 7 keer in het OT voor en moet onderscheiden worden van het Hebreeuwse woord צַר (‹ṣar - H6862›) voor ‘tegenstander’ en het woord ‘tegenstander’ dat van het Hebreeuwse werkwoord קוּם (‹qūm - H6965 - ‘opstaan’›) is afgeleid.  

In Ps. 139:20 luidt de lezing van de Griekse LXX en van de Aramese Peshitta van het OT ‘steden’. Maar hoewel het Hebreeuwse woord in dat vers wel lijkt op het Hebreeuwse woord ‘steden’, is er toch zoveel anders, dat K&D er de voorkeur geven om de zienswijze van de Targum te volgen en te vertalen met ‘vijanden’. Hetzelfde woord is in 1 Sm. 28:16, Dan. 4:16 en Mi. 5:13 ook vertaald als ‘vijand’ en het past met zijn Aramese inslag uitstekend in deze psalm (‹K&D›). 

H6150

[‘alle soorten van de raaf’] - letterlijk: ‘iedere raaf naar zijn soort’. Het Hebreeuwse woord עֹרֵב (‹ʿorēḇ - H6158›) komt 10 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen. De Septuaginta heeft ‘kraai’ (‹‘κορακα’›) en de Vulgata heeft ‘raaf’ (‹in het Latijn ‘corvini’›), maar ‘raaf’is de meest gekozen vertaling. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עָרַב (‹ʿāraḇ - H6150›), dat als eerste betekenis ‘donker worden’ heeft of in samenhang daarmee ‘vertrekken’ of ‘weggaan’, ‘afwezig zijn’.  Dit werkwoord komt in 3 verzen in het OT voor: Ri. 19:9, 1 Sm. 17:16 en Jes. 24:11. 

H6157

[‘zwermen ongedierte’] - het Hebreeuwse woord עָרֹב (‹ʿāroḇ - H6157›) betekent letterlijk: ‘een mengeling’ of: ‘mengsel’. Aangezien uit het verband duidelijk wordt dat het om een soort ongedierte gaat - en dan nog wel uitzonderlijk veel - hebben wij gekozen voor de uitdrukking ‘zwermen ongedierte’. Het woord komt alleen nog voor in Ps. 78:45 en Ps. 105:31. Veel is nagedacht over de aard van het ongedierte. Men heeft gedacht aan steekvliegen, hondsvliegen die bloed zuigen, Egyptische vliegen (‹Jes. 7:18›), kevers, die van alles opvreten en aan kakkerlakken. De  één vindt dit en de ander vindt dat meer aannemelijk, maar het feit blijft, dat het Hebreeuws en het zinsverband onvoldoende aanknopingspunten geven voor een duidelijke conclusie. 

H6158



raaf


VOGELS

[‘alle soorten van de raaf’] - letterlijk: ‘iedere raaf naar zijn soort’. Het Hebreeuwse woord עֹרֵב (‹ʿorēḇ - H6158›) komt 10 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen. De Septuaginta heeft ‘kraai’ (‹‘κορακα’›) en de Vulgata heeft ‘raaf’ (‹in het Latijn ‘corvini’›), maar ‘raaf’is de meest gekozen vertaling. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עָרַב (‹ʿāraḇ - H6150›), dat als eerste betekenis ‘donker worden’ heeft of in samenhang daarmee ‘vertrekken’ of ‘weggaan’, ‘afwezig zijn’. Dit werkwoord komt in 3 verzen in het OT voor: Ri. 19:9, 1 Sm. 17:16 en Jes. 24:11. 

H6160

vlakten

[‘vlakten’] - wij kunnen het Hebreeuwse woord עֲרָבוֹת (‹ʿǎrābōṯ - H6160›) niet beschouwen als de naam van één van de zeven hemelen, zoals de Targum en de Talmoed doen (‹B. Chagiga 12b›), (‹met het oog op vs. 34 van deze psalm›), maar wij moeten de term begrijpen in lijn met Jes. 40:3 waar het woord in een zin met gelijke strekking in het enkelvoud voorkomt. Waarschijnlijk is dit een verwijzing naar de vlakten van Moab, want de weg naar Medeba, waar de Aramese huursoldaten van de Ammonieten gelegerd waren (‹1 Kr. 19:7›), leidde door deze vlakten (‹ǎrābōṯ›). Ook de weg naar Rabbath Ammon (‹2 Sm.10:8›), en dat is van belang, omdat de strijd tussen David en de Ammonieten als achtergrond van deze psalm moet worden gezien (‹K&D›). Voor ‘de vlakten van Moab’zie Num. 22:1; 26:3, 63; 31:12; 33:48, 49, 50; 35:1, 13; Dt. 34:1, 8; Joz. 13:32. 

H6174

[‘naakt’] - in het Hebreeuws klinkt dit woord (‹H6174›) bijna hetzelfde als het woord ‘sluwste’ in Gen. 3:1 en beide woorden houden verband met hetzelfde werkwoord dat zowel ‘sluw zijn’ als ‘naakt zijn’ kan betekenen. Het Nederlandse woord ‘glad’ helpt misschien om het Hebreeuws hier beter aan te voelen, als wij denken aan ‘een gladde rakker’ (‹een slim, listig iemand›) en ‘gladde schedel’ (‹‘een kaal of naakt hoofd›). 

H6175

H6191


[‘sluwste’] - het Hebreeuwse woord עָרוּם (‹ʿārūm’ - H6175›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord  עָרַם  (‹ʿāram’ - H6191›) dat als eerste betekenis ‘naakt maken’ of ‘naakt zijn’ of ‘onbedekt zijn’ heeft. De onovergankelijk betekenis is ‘brutaal zijn’ of ‘kwaadaardig zijn’, d.w.z. ‘de slechte gezindheid tonen’. De tweede betekenis van het werkwoord is ‘sluw zijn’. De afgeleide werkwoordsvorm, de Hiphil, betekent ‘sluwe of gemene (‹dingen›) bedenken’ b.v. in Ps. 83:4. De derde betekenis van het werkwoord is ‘sluw handelen’, zoals in 1 Sm. 23:22, en Spr. 15:5; 19:25. 

H6185

[‘kinderloos’] - het Hebreeuwse woord voor ‘kinderloos’ (‹H6185›) is nauw verwant aan het woord ‘naaktheid’. Beiden hebben dezelfde wortel.

H6205

[‘donkere wolk’] - het Hebreeuwse woord עֲרָפֶל (‹H6205 - ʾǎrāfel›) komt 15 keer in het OT voor. Als eerste in Ex. 20:21. Gesenius beschouwt het als een samentrekking van twee Hebreeuwse woorden. Het eerste woord is het werkwoord עָרַף (‹H6201 - ʾāraf›), dat ‘druppelen’ betekent en in het OT alleen voorkomt in Dt. 32:2 en 33:20. Het tweede woord is het werkwoord ‘donker zijn’ (‹אָפַל - ʾāfal›), waarvan in het Lexicon van Gesenius enkele afgeleide vormen voorkomen nl. ‘aartsdonker’ (‹H651 - ʾāfēl›) b.v. in Amos 5:20 en ‘donkerheid’ (‹H652 - ofel›) en ‘dikke duisternis’ (‹אֲפֵלָה - H653 - ʾǎfēlāẖ - Ex. 10:22›). Mogelijk is ‘ʾǎrāfel’ een soort combinatie van ‘ʾāraf’ en ‘ʾāfal’.  

H6244

dof geworden

Het Hebreeuwse werkwoord עָשַׁשׁ (‹ʿāšaš - betekent ‘verslijten’, ‘dof worden’, ‘vervallen’ of ‘bezwijken’ naar gelang het tekstverband - H6244›). Het woord komt maar drie keer in het OT voor: Ps. 6:8; Ps. 31:10, 11.  

H6245

H6247

H6250

[‘zijn plannen’] - het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. עֶשְׁתֹּנוֹת (‹ʿešṯonōṯ - H6250›) komt alleen in dit vers in het OT voor en het betekent ‘plannen’ of ‘gedachten’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עָשַׁת (‹‘āšaṯ - H6245›), dat twee keer in het OT voorkomt, nl. in Jer. 5:28 waar men het gewoonlijk met ‘glanzen’ vertaalt en in Jona 1:6 waar het vertaald wordt met ‘denken’. In Hgld. 5:14 komt nog een verwant zelfstandig naamwoord voor עֶשֶׁת (‹ʿešeṯ - H6247›) dat gewoonlijk wordt vertaald als ‘glanzend’ (‹’glanzend ivoor’›). We kunnen geen verklaring vinden waarom er twee zulke uiteenlopende betekenissen in één taalkundige wortel voorkomen. Er is wel een ongewoon Arabisch woord voor ‘goud’ dat qua klank enigszins aan deze wortel doet denken nl. عَسْجَد (‹‘asjad›). Mogelijk zijn er twee identieke wortels met elk een eigen betekenis. 

H6250

[‘zijn plannen’] - het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. |עֶשְׁתֹּנוֹת| (‹ʿešṯonōṯ - H6250›) komt alleen in dit vers in het OT voor en het betekent ‘plannen’ of ‘gedachten’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |עָשַׁת| (‹‘āšaṯ - H6245›), dat twee keer in het OT voorkomt, nl. in Jer. 5:28 waar men het gewoonlijk met ‘glanzen’ vertaalt en in Jona 1:6 waar het vertaald wordt met ‘denken’. In Hgld. 5:14 komt nog een verwant zelfstandig naamwoord voor |עֶשֶׁת| (‹ʿešeṯ - H6247›) dat gewoonlijk wordt vertaald als ‘glanzend’ (‹’glanzend ivoor’›). We kunnen geen verklaring vinden waarom er twee zulke uiteenlopende betekenissen in één taalkundige wortel voorkomen. Er is wel een ongewoon Arabisch woord voor ‘goud’ dat qua klank enigszins aan deze wortel doet denken nl. |||عَسْجَد||| (‹ʿasjad›). Mogelijk zijn er twee identieke wortels met elk een eigen betekenis. 

H6251

kostelijk, geliefd

Het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord עַשְׁתְּרָה (‹ʿaštᵉrāẖ - H6251 - meervoud עַשְׁתְּרֹת - ʿaštᵉrōṯ›) komt 4 keer in het meervoud in het OT voor nl. in  Dt. 7:13, Dt. 28:4, 18, 51. Het wordt vertaald als ‘kostelijke lammetjes’ van de schapen en de geiten, want het is een soort troetelnaam voor hun jongen. Het woord is verwant aan het Hebreeuwse woord voor de ‘Astartes’ (‹H6252›), de afgodische zuilen of beelden, en ook aan de naam ‘Astarte’ voor de godin van de Sidoniërs (‹H6253›), die wij 3 keer in het OT aantreffen.

H6252

Het meervoudige vrouwelijke Hebreeuwse znw. עַשְׁתָּרוֹת (‹ʿaštārōṯ›) valt onder H6252 en komt in het totaal 12 keer in het OT voor, nl. 6 keer als de plaatsnaam ‘Ashtarot’ in Dt. 1:4; Joz. 9:10; 13:12, 31; 1 Kr. 6:56 - voluit Ashterot-Karnaïm, waar mogelijk een tempel stond voor Astarte, de vrouwelijke maangodin van de Kanaänieten (‹zie Gen. 14:5›) - en 6 keer als ‘de Astartes’ nl. in Ri. 2;13; 10:6; 1 Sm. 7:3, 4; 12:10; 31:10. Het Hebreeuwse woord ‘ʿašṫoreṯ’ is de vrouwelijke enkelvoudsvorm van het voornoemde ‘ʿaštārōṯ’ en valt onder Strongnummer H6253.  

De oorsprong van het enkelvoudige woord ‘ʿašṯoreṯ’ en het meervoud ‘ʿaštārōṯ’ is hoogstwaarschijnlijk het Perzische woord ‘ishtar’, of ‘ishter’ (‹zie de naam Esther›), dat ‘ster’, betekent en dat het synoniem zou zijn van het woord Ἀστροάρχη, dat staat voor de sterrenkoningin van het Sabeïsme (‹zie  Ges. Thes. pp. 1083-4; Movers, p. 606; en Miller, ut sup.›).  

H6253


Het vrouwelijke Hebreeuwse woord עַשְׁתֹּרֶת (‹ʿašṫoreṯ - H6253›) met als meervoud עַשְׁתָּרוֹת (‹ʿaštārōṯ›) komt 4 keer in het enkelvoud voor in het OT, nl. in 1 Kn. 11:5, 33 en in 2 Kn. 23:13 en wel als volgt: ‘Astoret, de godin van de Sidoniërs’ in 1 Koningen en ‘Astoret, de gruwelijke afgod van de Sidoniërs’ in 2 Koningen.  Astoret is de leidende vrouwelijke maangodin van de Kanaänitische stammen, vergelijkbaar met de Griekse godin Aphrodite, waarvan de tempel beschreven wordt in Herod. i. 105. Zonder de relatie met de Sidoniërs en dus met de stad Sidon, komt het Hebreeuwse enkelvoudige znw. niet in het OT voor en het meervoudige Hebreeuwse znm. komt nooit in OT voor in combinatie met de godin van de Sidonïers. 

H6260

Het mannelijke Hebreeuwse woord עַתּוּד (‹ʿatuḏ - H6260›) komt 29 keer in het OT voor, verdeeld over 29 verzen en de eerste betekenis van het woord is ‘geitenbok’. 

Zie ook H6842.

H6304

[‘loskoop[(som)]’] - of: ‘losprijs’, ‘losgeld’ of  ‘verzoeningsgeld’ (‹H6304›). Het is de eerste keer dat dit woord hier in het Oude Testament voorkomt. Verder komt het nog drie keer voor nl. in Ps. 111:9, 130:7 en Jes. 50:2. Het is een voorzegging van het ‘Pascha’ of: ‘Voorbijgaansoffer’, dat op zijn beurt weer de voorzegging is van het Lam van God, Jezus Christus. Het woordje ‘som’ ofwel ‘prijs’ is toegevoegd omdat de lossing of loskoop of verlossing altijd gebaseerd is op een prijs. Overigens wordt dit woord vaak ‘weg vertaald’ en spreekt men ervan dat God een scheiding aanbracht tussen zijn volk en het volk van Farao. Het is belangrijk te beseffen dat Christus al vóór de grondlegging van de wereld het geslachte Lam van God is (‹Op. 13:8›). 

H6306

losprijs

het Hebreeuwse woord פִּדְיוֹם (‹pidyōm - H6306›) betekent ‘losprijs. Het komt 4 keer in de Bijbel voor nl. in Ex. 21:30, Num. 3:49, 51 en Ps. 49:9. 

H6309

[‘vet’] - het Hebreeuwse woord פֶּדֶר (‹feḏer - H6309›) vinden wij slechts 3 keer in het OT nl. in Lev. 1:8, 12 en in Lev. 8:20. 

H6327

[‘zij zitten hem op de hielen’] - letterlijk: ‘zij verstrooien hem aan de voeten’. Het is de Hiphil van het Hebreeuwse werkwoord פּוּץ (‹pūṣ - H6327›). De eerste betekenis van de Qal van dit werkwoord is ‘breken’ of ‘verbrijzelen’. 

H6341

פַּח val

H6351

פָּחַח alleen in Jes. 41:22   1 keer in het OT

H6348

[‘lichtvaardig’] - het Hebreeuwse werkwoord waarvan dit woord is afgeleid betekent ‘koken’ of: ‘overkoken’ (‹פָּחַז - fāhaz - H6348›). In overdrachtelijke zin is sprake van eigenmachtig profeteren, zonder heilige ingetogenheid, ongeremd, impulsief.  

H6357

[‘topaas’] -  de naam ‘topaas’ komt uit het Grieks. Van het Hebreeuwse woord פִּטְדָה (‹fiṭḏāẖ - H6357›) toont de wortel verwantschap met het Arabische woord voor zilver. Hoewel van oorsprong kleurloos krijgt de topaas door onzuivere bestanddelen vaak toch een kleuring. Als typische kleuren gelden wijnrood of strogeel. In het boek Job 28:19 staat dat hij in Ethiopië gevonden werd en volgens de geschiedschrijver Plinius ook wel op een eiland in de Wierzee (‹of: Rode Zee›). Men heeft een enkele keer ook wel vertaald met ‘chrysoliet’, een groene halfedelsteen die bij het slijpen een gouden kleur krijgt. De meeste vertalingen houden het op ‘topaas’. De Midrash geeft als kleur groen aan en deelt de steen toe aan de stam Simeon.  

H6368

roet

Het Hebreeuwse mnl. znw. |פִּיחַ| (‹piha - H6368›) komt slechts 2 keer in het OT voor nl. in Ex. 9:8, 10 en het betekent ‘roet’ of ‘as’. 

H6370

bijvrouw, vrijer

Het Hebreeuwse woord פִּילֶגֶשׁ (‹pīleg̱eš - H6370›) komt 37 keer in het OT voor, verdeeld over 35 verzen. Het woord staat voor ‘bijvrouw’ of ‘concubine’. In Ez. 23:20 staat het voor ‘vrijers’ en duidt het op mannen omdat het woord in het Hebreeuws eindigt met de mannelijke meervoudsvorm. K&D veronderstellen (‹in navolging van Kimchi›) dat het gaat om de vele leiders en hofdienaren in Babel en Egypte die vaak ‘eunuch’, d.w.z. ontmand waren. De beschrijving van de immoraliteit van deze mannen in Ez. 23:20 wordt wel bijzonder plastisch (‹zie ook Jer. 5:8›) beschreven, maar daarmee ook volkomen ontmaskerd. Het woord heeft daar betrekking op het feit dat Israël allereerst in geestelijke zin, verkeerde relaties onderhield met de naburige grootmachten wat het toegankelijk maakte voor afgodische invloeden. De woorden hebben in Ez. 23:20 allereerst betrekking op de eerder genoemde Egyptenaren, die bekend stonden als handelaren in paarden (‹zie ook Ez. 16:26 en Ez. 20:8 en Ez. 23:3›). 

Etymologisch gezien lijkt het woord vooral op genot te doelen en op het zinnestrelende karakter van de relatie.  

De Griekse woorden παλλαξ, παλακκισ en παλλακι zijn in klank en betekenis nauw  verbonden met het Hebreeuwse woord פִּילֶגֶשׁ (‹pīleg̱eš - H6370›) 

Ez. 23:20 [‘hun vrijers’] - dit is de enige plaats waar het Hebreeuwse woord |פִּילֶגֶשׁ| voor ‘bijvrouwen’ (‹H6370›) niet als ‘bijvrouw’ vertaald kan worden, zoals dat wel kan op alle overige plaatsen in het OT. In het totaal komt het woord 37 keer voor, verdeeld over 35 verzen. Hier in Ezechiël is het de laatste keer. Het woord eindigt in het Hebreeuws met de mannelijke meervoudsvorm, wat erop wijst dat het om mannen gaat. K&D veronderstellen (‹in navolging van Kimchi›) dat het gaat om de vele leiders in Babel en Egypte die vaak ‘eunuch’ waren, de Babylonisch hofdienaren. De beschrijving van de immoraliteit wordt wel bijzonder plastisch beschreven (‹zie ook Jer. 5:8›), maar daarmee ook volkomen ontmaskerd. Het woord heeft hier betrekking op het feit dat Israël allereerst in geestelijke zin, verkeerde relaties onderhield met de naburige grootmachten wat het toegankelijk maakte voor afgodische invloeden. De woorden hebben hier allereerst betrekking op de in het vorige vers genoemde Egyptenaren, die bekend stonden als handelaren in paarden (‹zie ook Ez. 16:26 en Ez. 20:8 en Ez. 23:3›).

H6373

te schande worden

[‘te schande worden’] - het Hebreeuwse werkwoord כָּלָם (‹kalam - H3637 - te schande worden›) komt 38 keer in het OT voor. Het staat voor het gevoel van schande dat optreedt bij openbare vernedering. In dertig gevallen wordt de grammaticale wortel in parallel met het werkwoord בּוֹשׁ (‹H954›) gebruikt, dat staat voor ‘zich schamen’. 

H6381

wonderen, 

wonderlijk zijn, 

het nakomen 

(‹van een belofte›)

het zelfst. nmw. ‘wonderen’ is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord פָּלָא (‹pālāʿ - H6381›) dat als hoofdbetekenis heeft ‘wonderlijk zijn’. Het komt 29 keer in een of andere vorm in het boek Psalmen voor. In het verlengde van de hoofdbetekenis is het woord soms ook vertaald als: ‘verheven zijn’ (‹Dt. 30:11›) of ‘ingewikkeld zijn’ (‹Dt. 17:8›) of ‘uitzonderlijk zijn’ (‹Dt. 28:59›).  In het boek Daniël is het in een negatieve betekenis vertaald als ‘opvallend’ in Dan. 8:5 en als ‘onthutsend’ in Dan. 11:36 en in 2 Sm. 13:2 is het vertaald als  ‘onvoorstelbaar’. De eerste keer dat het werkwoord in het OT voorkomt is in Gen. 18:14. In het totaal komt de woordvorm H6381 in 69 verzen in het OT voor. De Piel van het werkwoord houdt in 5 verzen verband met het ‘nakomen’ van een belofte nl. in Lev. 27:2; 22:2; Num. 15:3, 8 en Num. 6:2. Het onderscheidt zich van het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַם (‹šālam - H7999›) dat 17 keer in het OT voorkomt in de betekenis van het ‘nakomen’ van een belofte (‹zie hiervoor›).

H6403

ontglippen ontsnappen, doen ontkomen, 

bevrijden


het Hebreeuwse werkwoord פָּלַט (‹pālaṭ - H6403›) dat 25 keer in het OT voorkomt verspreid over 23 verzen heeft als eerste betekenis: ‘glad zijn’, ‘glibberig zijn’, en in verband daarmee betekent het werkwoord ook ‘ontsnappen’, ’ontglippen’, ‘ontvluchten’ en ‘ontkomen’. 

De Piel van het werkwoord heeft als eerste betekenis ‘doen ontkomen’, of ‘bevrijden’ b.v. In Ps. 18:3; 40:81. Deze Piel wordt gecombineerd met het voorzetsel ‘uit’, d.w.z. מנ, in Ps. 17:13, 18:49. In Ps. 71:4 staat er in het Hebreeuws ‘uit de hand van …’. In Ps. 18:3 en Ps. 22:2 komt het mannelijke, enkelvoudige deelwoord van de Piel voor in de betekenis van ‘bevrijder’, hij die doet ontkomen. 

De tweede betekenis van de Piel vinden wij in Job 21:10 namelijk ‘bevallen’, dat wil in het zinsverband zeggen ‘kalven’, d.w.z. ‘doen ontsnappen aan de baarmoeder’. 

Ten slotte heeft de Hiphil van het werkwoord de betekenis van ‘in veiligheid brengen’ in Mi.  6:14 en in Jes. 5:29.

H6446

H6461

statig gewaad met lange mouwen

Het Hebreeuwse mannelijke znw. enkelvoud פַּס (‹pas̱ - H6446›) heeft als eerste betekenis ‘extremiteit’ of ‘uiterste’, d.w.z. ‘de voetzool’ of ‘(‹de vingertop van›) de hand’. De afgeleide betekenis is dan ‘een gewaad met lange mouwen’, dat reikt tot aan de handen en de polsen en de enkels bedekt. Tamar de zus van Absalom  droeg ook zo’n gewaad. Het woord komt 5 keer in het OT voor. Zie Gen. 37:3, 23, 32; Sm. 13:18, 19. Ook de Peshitta spreekt van een gewaad met lange mouwen. Het Hebreeuwse woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord פָּסַס (pās̱as̱ - H6461), waarvan de eerste betekenis is ‘ophouden’, ‘eindigen’, ‘aflopen’ of ‘verdwijnen’. DIt werkwoord komt alleen in Ps. 12:1 voor.

H6460

harp - Aramees

H6471

[‘nu’] - het Hebreeuwse woord פַּעַם (‹paʿam - H6471›) betekent o.a. ‘aambeeld’ (‹Jes. 41:7›) en is afgeleid van een werkwoord dat ‘slaan’ betekent ofwel: ‘(‹ver›)treden’ of: ‘stappen’ met je voeten, waarbij elke voetstap gelijk staat met een ‘slag’. Omdat de voet en de hand vaak bij opmetingen werden gebruikt, heeft dit woord ook wel de betekenis van: ‘de voetstap’ of: ‘keer’ of: ‘maal’ (‹b.v. ‘éénmaal’›) gekregen. Iedere voetstap is immers: ‘1 keer’ of: ‘2 keer’ etc. In de grondtekst van dit vers staat dus eigenlijk: ‘deze keer been van mijn gebeente ...’ In het Nederlands is ‘nu’ (‹ofwel: ‘ditmaal’ of: ‘deze keer’›) een passende weergave van de betekenis in dit zinsverband. 

H6475

Ez. 2: 8.  het Hebreeuwse werkwoord פָּצָה (‹pāṣāẖ - H6475›) komt 15 keer in het OT voor en betekent ‘opensperren’ (‹zie Gen. 4:11, Num. 16:30, Dt. 11:6 en Ps. 22:14›). Het kan ook betrekking hebben op het nadrukkelijk uitspreken van een belofte (‹Dt. 11:35, 36; Ps. 66:14›), maar ook op het hoogmoedig uiten van loze woorden zoals dat door Elihu aan Job wordt toegeschreven (‹Job 35:16›). Als laatste komt ook de betekenis voor van ‘wegrukken’ of: ‘ontrukken aan’ (‹Ps. 144:7, 10, 11›).

H6485

[‘stelde ... bij hen aan’] - het Hebreeuwse werkwoord פָּקַד (‹pāqad - H6485› staat hier in de 3e pers. enkv. van de Qal zonder een bijbehorend voorzetsel. Zodoende betekent het werkwoord hier niet ‘aangesteld zijn over’, zoals sommige vertalingen de tekst weergeven, maar eerder ‘gesteld naast’ anderen om toezicht te houden of te zorgen, zoals hier het geval is. 

H6490

bevel

het vrouwelijke Hebreeuwse woord פִּקּוּד (‹piqūd - H6490›) betekent ‘bevel’.



H6498

H6498 [‘kolokwinten’] - een soort komkommerachtige planten (‹citrulus colocynthis›) met kogelronde, zeer bittere en darmzuiverende vruchten ter grote van een sinaasappel, zogenaamde kolokwintappels (‹H6498›). Men heeft ook wel gedacht aan wilde komkommers (‹b.v. Gesenius›), omdat de vruchten bij licht drukken a.h.w. openbarsten wat overeenstemt met de betekenis van het Hebreeuwse woord waarin de betekenis ‘openbarsten’ duidelijk terug te vinden is. K&D geven de voorkeur aan ‘kolokwint’ omdat de kenmerken van de vrucht overeenstemmen met de kenmerken van de soep zoals die in deze verzen beschreven wordt en omdat de vorm van de kolokwintappel veel geschikter is voor de versiering van de zuilen die elders in de Bijbel genoemd worden (‹zie 1 Kn. 6:18, 7:24›). Toch zijn anderen van mening dat het hier om een wilde wijnplant gaat vanwege het Hebreeuwse woord ‘gefen’ wat wij gewoonlijk als ‘wijnstok’ hebben vertaald, maar hier als ‘slingerplant’. 

H6499

[‘jonge stier’] - het Hebreeuwse woord פַּר (‹par - H6499›). Het Nederlandse woord ‘var’ klinkt ongeveer net als het Hebreeuwse woord. In het Nederlands heet een jonge koe die nog niet drachtig is geweest ‘vaars’.  119 keer in hhet OT.

H6503

[‘bijgebouwen’] - deze bijgebouwen, פַּרְוָרִים (‹parwarim - H6503›), zouden aan de westzijde of achterzijde van het Tempelcomplex hebben gestaan, in de voorhof, bij de Poort van Shalleket, bij de weg die vanuit het westen omhoog loopt naar de Tempel (‹zie 1 Kr. 26:16 en 1 Kr. 26:18›). De betekenis van het woord is niet zeker. Misschien staat het voor een soort open tuinhuis (‹Gesenius›) of voor een aparte plaats of een apart complex: een mini-stadje of voorstadje. Volgens K&D is het woord פּרבּר in 1 Kr. 26:18 hetzelfde woord.  

H6510

vaars, jonge koe

H6518

[‘zijn strijders in de voorste linies’] - de commentatoren weten niet goed raad met het Hebreeuwse woord |פָּרָז| (‹H6518›), dat alleen voorkomt in Hab. 3:1 en taalkundig verwant is aan de Hebreeuwse woorden onder H6519 en H6521. O.i. heeft de gemeenschappelijke taalkundige wortel van die 3 woorden als betekenis ‘uitsteken’ en daarom ‘opvallen’ of ‘open liggen’ of ‘onderscheiden zijn’ en zelfs in negatieve zin ‘uitgescheiden zijn: ‘het schorriemorrie’, of ‘het uitschot’. In dit geval denken wij dat het om vijandelijke strijders gaat die in de strijd voorop lopen en dus de kop uitsteken, want ze kunnen als eertse omkomen, maar ze kunnen ook als eertsen doorbreken. Daarom is de gedachte aan leiders’ bij dit woord o.i. ook niet geheel misplaatst, zoals sommigen menen. 

H6519

Het Hebreeuwse vrwl.. znw. |פְּרָזָה| komt in 3 verzen in het OT voor nl. in Est. 9:19, Ez. 38:11 en Zach. 2:8. Het woord staat voor niet ommuurde steden of woonplaatsen, plaatsen die onbeschermd op het platteland liggen. Zij steken als het ware de kop uit in het landschap in tegenstelling tot ommuurde steden, die zich a.h.w. verbergen en afsluiten. Zie H6518. De Hebreeuwse uitdrukking |פְּרָזוֹת| (‹prāzōt - uitgestrekte openliggende gebieden - H6519›) komt in een iets andere vorm nog twee keer voor in het OT nl. in Est. 9:19 (‹pᵉrāzīm - mannelijke meervoudsvorm›) en in Ez. 38:11 |אֶרֶץ פְּרָזוֹת| (‹ereṣ pᵉrāzōt - land vmet niet ommuurde woonplaatsen - met een vrouwelijke meervoudsvorm net als in dit vers›). De bewoners van deze dorpen en steden zijn de ‘pᵉrāzīm’ die staan tegenover de bewoners van de ommuurde steden (‹Dt. 3:5, 1 Sm. 6:18, Est. 9:19 ›). Zie H6521. 

Wat ons betreft, is de betekenis van het woord verbonden met de betekenis van het Arabische werkwoord ‘faraza’ (‹فَرَزَ›), waarbij men moet weten dat de f-klank’ in het Hebreeuws vaak verhard tot een p-klank’ terwijl dat in het Arabisch niet het geval is. Het werkwoord betekent o.a. ‘scheiden’ of ‘afscheiden’, ‘isoleren’, maar ook ‘onderscheiden’ of ‘uitscheiden’ Het afgeleide woord ‘mufrazat’ betekent zelfs ‘uitwerpselen’. Maar het kan ook ‘afscheiden’ in positieve zin betekenen in de zin van ‘selecteren’ of ‘uitverkiezen’ en zo komt ook de betekenis van ‘leider’ in beeld, nl. iemand die zich onderscheidt, iemand die in de voorste gelederen is b.v. in Hab. 3:1. Ma

–In modern Hebreeuws komt de betekenis van een leider nog steeds voor in ‘paraz’ is de taalkundige wortel ook verbonden met ‘overdrijven’, d.w.z. ‘opvallen’ door verder te gaan  dan het gewone.

H6520 

Het Hebreeuwse mnl. znw. enkv. |פְּרָזוֹן| komt in het OT alleen voor in Ri. 5:7, 11 en is verwant in betekenis aan het woord ‘pārāz’ onder H6518  en het heeft dezelfde taalkundig wortel ‘frz’ of ‘prz’ als  H6519 en H6521. De betekenis van het woord is ‘leider’, iemand die zich onderscheidt, die eruit springt. 

H6521

Het Hebreeuwse mnl. znw. |פְּרָזִי| staat in Dt. 3:5 en 1 Sm. 6:18 in het enkelvoud en heeft het als tegenpool het Hebreeuwse mnl. znw. enkv. ‘stad’. In Est. 9:19 staat het woord in het meervoud |הַפְּרָזִים| , o.i. omdat het in het tekstverband gekoppeld is aan het mnl. znw. mv. ‘Joden’. Het gaat om plattelandssteden of dorpen zonder muren, niet ommuurde woonplaatsen. 

H6524

[‘bloeien’] - het Hebreeuwse werkwoord |פָּרַח| (‹fāraḥ - H6524›) komt 36 keer voor in het OT, verdeeld over 33 verzen. De eerste betekenis van dit werkwoord is ‘openbarsten’, ‘uitbreken’, ‘uitspruiten’ en vervolgens ‘bloeien’.  

H6531

Het Hebreeuwse mnl. znw. |פֶּרֶךְ| (‹pereḵ›) komt in 6 verzen in het OT voor nl. in E. 1:13, 14, Lev. 25:43, 46, 53 en in Ez, 34:4. De hoofdbetekenis van het woord is ‘bruutheid’ of ‘onderdrukking’ of ‘tirannie’. 

H6532

Het Hebreeuwse vrwl.. znw. |פָּרֹכֶת| (‹parokeṯ - H6536›) komt in 25 keer in het OT voor, verdeeld over 23 verzen. Altijd heeft dit woord de betekenis van ‘voorhangsel’, nl. het voorhangsel dat scheiding maakt tussen het Heilig en het Allerheiligste. Zie Ex. 26:31, 33, 35 enz. en verder ook in Leviticus en Numeri, maar buiten de 5 boeken van de Wet alleen 1 keer in 2 Kr. 3:14. Het woord hangt grammaticaal gezien samen met  het Hebreeuwse mnl. znw. |פֶּרֶךְ| (‹pereḵ›), maar dat geeft nog geen zicht op de grondbetekenis van het woord. Als we naar het Arabische |||فَرَقَ||| gaan dan komen wij uit op de betekenis ‘scheiding maken’ of ‘uiteenjagen’ of ‘verstrooien’ of ’in diggelen slaan’ of ‘versplinteren’ en er is ook een variant met de betekenis ‘angstig of bevreesd zijn’. Duidelijk is in ieder geval dat het ‘voorhangsel’ scheiding maakt en dat de Nederlandse uitdrukking ‘verdeel en heers’ erop wijst dat er ook negatieve kant aan het verdelen kan zitten.  

H6536

Het Hebreeuwse werkwoord |פָּרַס| (‹pāras̱ - H6536›) komt 14 keer in het OT voor, verdeeld over 12 verzen. De eerste betekenis van het werkwoord is ‘breken’ of ‘klieven’ of ‘verdelen’, b.v. in stukken verdelen. 

H6538

[‘lammergier’] - het Hebreeuwse woord פֶּרֶס (‹peres - H6538›) komt alleen in Lev. 11:13 en Dt. 14:12 in het OT voor. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord פָּרַס (‹pāras̱ - H6536›) dat als eerste betekenis ‘doorbreken’, ‘doorklieven’ of ‘in tweeën delen’ heeft. De meeste vertalingen kiezen voor ‘de lammergier’ of een andere gier. Bochart noemt ‘zeearend’ als een andere mogelijkheid in zijn Latijnse  boekwerk Hierozoicon uit 1794, en Vredenburg stemt met deze mogelijkheid in, maar hij kiest als vertaling ‘de beenbreker’. De Septuaginta heeft ‘vale gier’ (‹‘γρυπα’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘grypem’›).   


–Sommige vertalingen lezen ‘lendenen’ i.p.v. ‘schoot’, maar o.i. betekent de Aramese uitdrukking ||||ܕ݁ܟ݂ܰܪܣܳܟ݂|||| (‹d-karsāẖ›): ‘van je schoot’ of: ‘van je onderbuik’, hoewel men ook wel vertaald: ‘van je lendenen’. Deze laatste vertaling treffen we gewoonlijk ook aan in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR. 

H6544

[‘nalaten’] - de grondbetekenis van het Hebreeuwse werkwoord פָּרַע (‹pāraʿ - H6544›) is: ‘loslaten’. 

H6547

 [‘farao’] - de naam ‘farao’ (‹פַרְעֹה - H6547›)komt 268 keer voor in het OT, verdeeld over 230 verzen. In het NT komt het woord 5 keer voor. Volgens Gesenius komt het woord uit het Koptisch, dat is de taal van Egypte, waarbij hij zich baseert op Flavius Josephus, de Joodse geschiedschrijver uit de Romeinse tijd (Antiquities viii. 6, § 2). In het Koptisch wordt het woord geschreven als ‘pouro’, dat ‘koning’ betekent (‹zie ook Hd.7:10›). Dit Egyptische woord is afgeleid van het Koptische werkwoord ‘ouro’ dat staat voor ‘regeren’. De toevoeging ‘p’ voor ‘ouro’ houdt verband met het feit dat het woord mannelijk is nl. ‘koning’, terwijl het vrouwelijke woord ‘koningin’ vooraf wordt gegaan door een ‘t’, dus ‘touro, terwijl het woord voor ‘koninkrijk’, de ‘m’-klank aan het begin heeft, dus ‘metouro’: ‘heerschappij’ of ‘regering’ (‹zie Jablonskii Opuscc. ed. te Water, i. 374. Scholz, Gram. Egypt., p. 12, 14; en de opmerkingen over de orthografie van deze naam in de antieke inscripties in Johann Gottfried Ludwig Kosegarten, De Prisca, Egyptiorum Literatura, p.17). Dit Koptische woord lijkt door de Hebreeën echter zodanig veranderd te zijn, dat het eerder lijkt dat het van Foenisch-Semitische oorsprong is en in verband hiermee eerder ‘prins’ zou betekenen. 

H6555

[‘niet in aantal toenemen’] - letterlijk: ‘doorbreken’ of: ‘uitbreken’. Dit moet in het zinsverband worden opgevat als ‘zich uitbreiden’, net als in Ex. 1:12 en Gen. 28:14. Het Hebreeuwse werkwoord |פָּרַץ| (‹fāraṣ - H6555›) komt 49 keer in het OT voor verdeeld over 48 verzen. De eerste betekenis is ‘breken’, ‘verpulveren’, ‘verstrooien’ en zo ook ‘uitspreiden’ en ‘uitbreiden’ 

H6581

zich uitbreiden,

uitspreiden

[‘zich ... uitgebreid’] - het Hebreeuwse werkwoord פָּשָׂה (‹pāsāẖ - H6581›) komt 22 keer in het OT voor verspreid over 18 verzen. Het betekent ‘zich uitbreiden’ of ‘uitspreiden’ en het woord wordt alleen gevonden in Lev. 13 en Lev. 14 i.v.m. melaatsheid. 

H6588

overtreding, opstandigheid, rebellie

het Hebreeuwse woord פֶּשַׁע (‹pešaʿ- H6588›) betekent overwegend: overtreding of opstandigheid. Het heeft een ernstiger klank dan het meer algemene woord ‘zonde’ (‹H2403›). Het bijbehorende  werkwoord is פָּשַׁע (‹pāšaʿ- H6586›): opstandig zijn, opstandig zijn, zich afkeren, overtreden, wegvallen of breken (‹b.v. een verbond breken›). 

H6593  H6594

vlas, vlaspit, linnen

de vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoorden פִּשְׁתָּה (‹pištāh - H6594›) en פִּשְׁתֶּה (‹pišteh - H6594›) met als meervoud פִשְׁתִּים (‹pištīm›) komen gezamenlijk 18 keer voor in het OT nl. in Ex. 9:31, Lev. 13 (5 keer), Dt. 22:11, Joz. 2:6, Ri. 15:14, Spr. 31:13, Jes. 19:9, Jes. 42:3, Jes. 43:17, Jer. 13:1, Ez. 40:3, 44:17, 18  en in Hos. 2:7 en 11. De meervoudsvorm betekent gewoonlijk ‘linnen’  en de enkelvoudsvorm betekent ‘vlas’ dat op de akker staat of ‘vlaspit’, d.w.z het lontje van linnen in een olielamp. In Hos. 2:7, 11 spreekt de HEERE God van ‘mijn linnen’. 

–In Joz. 2:6 vinden wij de eigenaardige Hebreeuwse uitdrukking ‘vlassen van de boom’. Gesenius meldt dat deze uitdrukking in de LXX, de Vulgata en Aramese Peshitta vertaald is als ‘vlasstengels’. In 1 Kn. 5:13 lezen wij dat de kleine hysopplant die in de muur groeit als een boom wordt aangemerkt, naast de grote ceder. Als we dan weten dat over zo’n klein plantje als over ‘hout’ of ‘een boom’ wordt gesproken, dan hoeven wij ook niet te aarzelen om vlas als een struikgewas te beschouwen. Dit de te meer als wij bij Plinius (‹’The Natural History›) lezen, dat er in Boven-Egypte bij Arabia een struikachtig gewas is dat door sommigen ‘gossypium’ wordt genoemd, maar door de meesten wordt gesproken van ‘xylon’ en de stof die ervan wordt gemaakt heet ‘xylina’ of ‘lina xylina’. De struik is klein en krijgt kleine vruchten die op noten met een baard lijken. Van binnen bevatten zij een zijdeachtige substantie, waarvan men het bezinksel gebruikt om garens te spinnen. Er is geen stof bekend dan die van deze garens is gemaakt, vanwege het uitgesproken wit en de zachtheid ervan en omdat de stof zo geschikt is voor kleding: de allerbeste kleding van de priesters in Egypte werd van deze stof gemaakt. Deze struik zou een verklaring kunnen zijn van de uitdrukking ‘vlassen van de boom’ die wij vertaald hebben als ‘vlas van de vlasbundels’, want vlas wordt vaak in bosjes met wortel en al uitgetrokken en ondersteboven opgehangen om te drogen. Misschien werden de struikjes ook omgekeerd opgehangen. 

H6604

[‘Petor’] - de plaats Pethor (‹H6604 - ‘dromenuitlegger’ of ‘waarzegger’ of ‘iemand die dingen, woorden of gezichten, uitbrengt›) wordt 2 keer in de Bijbel genoemd, nl. in Num. 22:5 en in Dt.23:5. Deze plaats wordt geïdentificeerd met de Assyrische plaats Pitru, die ongeveer 12,5 mijl ten zuiden van Karkemish ligt. 

H6632

[‘de schildpad’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. צָב  (‹ṣāḇ - H6632›) komt in 3 verzen in het OT voor nl. in Lev. 11:29, Num. 7:3 en in Jes. 66:20. Het is niet bekend van welk Hebreeuws werkwoord het is afgeleid. K&D, Gesenius en NET Bible zien er ‘een type hagedis’ in. De Septuaginta vertaalt ‘krokodil’. Anderen kiezen voor ‘pad’, dan wel voor ‘schildpad’. Het woord komt ook voor in Num. 7:3 en Jes. 66:20 waar het op een soort overdekte draagstoel of huifkar duidt. Dit en het feit dat het verwante Arabische werkwoord verband houdt met ‘veilig afdekken’, doet inderdaad denken aan de schildpad. Het verwante Arabische zelfst. nmw. betekent echter weer ‘hagedis’. 

H6633

het werkwoord צָבָא (‹H6633 - ṣābāʾ›) dat ‘naar buiten komen’ of ‘uitspruiten’ betekent en verwant is aan het Arabisch werkwoord صَبَأَ (‹ṣabaʾa›). 

H6635

[‘met heel hun legermacht’] - of: ‘met heel hun heerschappij’ of: ‘met heel hun legermacht’ (‹b.v. in Jes. 45:12›). Het Hebreeuwse zelfst. naamwoord צָבָא (‹ṣābāʾ - H6635›) is afgeleid van het werkwoord צָבָא (‹H6633 - ṣābāʾ›) dat ‘naar buiten komen’ of ‘uitspruiten’ betekent en verwant is aan het Arabisch werkwoord صَبَأَ (‹ṣabaʾa›). 

–Het zelfstandig naamwoord ‘legermacht’ en zijn meervoud ‘legermachten’, ook wel vertaald als ‘leger’ en als ‘strijd’, komt in 463 verzen van het OT voor. In 247 verzen is dit woord in de meervoudsvorm onderdeel van de uitdrukking ‘de HEERE van de legermachten’. De eerste keer treffen wij die Naam aan in 1 Sm. 1:3. In 29 verzen in het OT is het woord onderdeel van de uitdrukking ‘legerbevelhebber’. 

H6662

het bijv. naamwoord צַדִּיק ‘rechtvaardig’ (‹ṣadīq - H6662›). dat 206 keer in het OT voorkomt, verspreid over 197 verzen.

H6672

[‘licht’] - dit is de eerste betekenis van het Hebreeuwse woord צֹהַר (‹ṣō·har - H6672›) volgens Gesenius en Delitzsch. Zij onderbouwen hun mening door erop te wijzen dat de meervoudsvorm van dit woord ‘middag’ in de letterlijk zin van het woord betekent, dus ‘midden op de dag’ wanneer het volop licht is (‹b.v. in Gen. 43:16, 25; Dt. 28:29›). Een Arabisch woord met een overeenkomstige klankstructuur bevestigt deze zienswijze. De meervoudsvorm zouden we eventueel kunnen vertalen met ‘op klaarlichte dag’. In Gen. 8:6 waar de ark vastzit op de berg Ararat en Noach een raaf de aarde wil laten verkennen, wordt in plaats van het woord ‘licht(‹opening›)’ het woord חַלּוֹן (‹ḥallōn - H2474›) gebruikt, dat ‘venster’ betekent.

H6692

Het Hebreeuwse werkwoord צוּץ (‹ṩuṣ - H6692›) komt 9 keer in het OT voor en betekent ‘bloeien’, ‘schijnen’ en ‘glanzen’ en in Hgld. 2:9 houdt het verband met ‘een blik werpen’, d.w.z. kijken op een manier waarbij de ogen a.h.w. oplichten, schijnen. De Hiphil van het werkwoord betekent ‘doen schijnen’ of ‘doen glanzen’ of ‘doen bloeien’. De Hiphil komt voor in Hgld. 2:9, Ps. 132:18, 72:16, 90:6, 103:15. Zie ook H6731 en H6732.

H6697

rots

Het Hebreeuwse werkwoord צוּר komt 67 keer voor in het OT verdeeld over 65 verzen. De eerste betekenis is ‘rots’. 

H6706

[‘de zonovergoten plaatsen’] - de betekenis van het Hebreeuwse woord is niet zeker. Men verbindt het Hebreeuwse woord met |צְחִיחַ| (‹ṣᵉḥīḥa - H6706›), dat voor de eerste keer in Neh. 4:7 voorkomt in de Ketiv in een meervoudsvorm |בַּצְּחִיחִים|, maar in het enkelvoud ook in Ez. 24:7, 8 en in Ez. 26:4, 17 waar het betrekking heeft op een ‘kale’ rots: onbeschermd, blootgesteld aan de zon. In de Strongnummers wordt het enkelvoudige woord |צְחִיחִי| (‹ṣᵉḥīḥī - H6708›) ook vermeld met een overeenkomstige betekenis. 

H6708

[‘de zonovergoten plaatsen’] - de betekenis van het Hebreeuwse woord is niet zeker. Men verbindt het Hebreeuwse woord met |צְחִיחַ| (‹ṣᵉḥīḥa - H6706›), dat voor de eerste keer in Neh. 4:7 voorkomt in de Ketiv in een meervoudsvorm |בַּצְּחִיחִים|, maar in het enkelvoud ook in Ez. 24:7, 8 en in Ez. 26:4, 17 waar het betrekking heeft op een ‘kale’ rots: onbeschermd, blootgesteld aan de zon. In de Strongnummers wordt het enkelvoudige woord |צְחִיחִי| (‹ṣᵉḥīḥī - H6708›) ook vermeld met een overeenkomstige betekenis. 

H6711

[(liefdes)]pret had’] - het Hebreeuwse woord |מְצַחֵק| (‹mᵉṣaḥēq - H6711›) van de wortel |צָחַק| (‹ṣāḥaq- lachen›) vormt een woordspeling op de naam Izak (‹‘hij lachte’ - H3327›). Omdat Abimelech uit het gedrag van Izak kan afleiden dat Rebekka wel zijn vrouw moet zijn, hebben wij een enigszins vrije vertaling gekozen. 

H6726

[‘Sion’] - de Hebreeuwse naam |צִיּוֹן| (‹ṣiẏōn - H6726›) voor de Tempelberg en de bijbehorende stad Jeruzalem, de dochter van Sion, komt 153 keer in het OT voor, verdeeld over 153 verzen. In de Psalmen komt de naam alleen al in 40 verzen voor. In het NT komt de naam precies 7 keer in 7 verzen voor en dat spreekt van een wezenlijke, onverbrekelijke verbondenheid van God met deze plaats. In Heb. 12:22 wordt op een bijzondere manier van deze plaats tot de Joodse gelovigen gesproken: ‘Jullie zijn echter genaderd tot de berg Sion en tot de Stad van de levende GOD, tot het Jeruzalem dat in de hemelen is en tot de bijeenkomst van tienduizenden engelen …’

De betekenis van de naam zou zijn ‘een zonnige plaats’ of ‘een zonnige berg’ (‹Gesenius›). Maar ook meent men wel een dorre plaats of streek of zelfs een zon geblakerde plaats, zoals het vrijwel gelijke woord |צָיוֹן| (‹šāyōn - H6724›) in Jes. 25:5 en Jes. 32:2.  

Deze naam ‘Sion’ moet niet overigens niet verward worden met de Hebreeuwse naam |שִׁיאֹן| (‹H7866 - šīʾon›) van een stadje in het gebied van Issaschar in de buurt van de berg Taboren ook niet met de bijnaam Siyon (‹|שִׂיאֹן| - H7865 - siyōn›) voor de berg Hermon (‹Dt. 4:48›). 

H6731















H6732



Het Hebreeuwse woord ַצִּיץ (‹ṣīṣ - H6731›) betekent ‘bloesem’ of ‘bloem’, maar men denkt ook wel aan ‘iets glanzends’ of ‘iets dat schijnt’. In de Bijbel treffen wij het woord in 15 verzen aan met de volgende betekenisssen: (‹1›) voor de bloesemplaat, die de hogepriester op zijn tulband vastbindt als hij de dienst doet in Gods Heiligdom, waarbij het woord ‘plaat’ is toegevoegd, omdat men kennelijk op deze bloesem als op een zegelring kan graveren (‹Ex. 28:36-38; Ex. 39:30; Lev. 8:9›), (‹2›) voor de amandelbloesems aan de staf van Aäron (‹Num. 17:23›), (‹3›) voor de bloemen op de binnenwanden en op de deuren van de door Salomo gebouwde Tempel (‹zie 1 Kn. 6:18, 29, 32, 35›), (‹4›) als beeld van het vergankelijke mensenleven (‹zie Job 14:2; Ps. 103:15, Jes. 40:6-9›), (‹5›) als bloemen die afvallen van de kroon van de dronkaards van Efraïm (‹Jes. 28:1›), (‹6›) in Jer. 48:9 wordt het woord bij uitzondering vertaald met ‘vleugels’ (‹‘geef vleugels aan Moab’›) naar de Targum van Ps. 139:9 en de geschriften van de rabbijnen aldus K&D. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord צוּץ (‹ṣūṣ - H6692›) dat 9 keer in het OT voorkomt en ‘bloeien’, ‘schijnen’ en ‘glanzen’ betekent en in Hgld. 2:9 houdt het verband met ‘een blik werpen’, d.w.z. kijken op een manier waarbij de ogen a.h.w. oplichten, schijnen.

Eén keer is er een stadje met de Hebreeuwse naam הַצִּיץ (‹ha-ṣīṣ›), vertaald als Ziz (‹2 Kr. 20:16›), maar die naam valt onder Strongnummer H6732.  

H6763

[‘één van zijn zijden’] - in de Griekse Septuaginta lezen wij: ‘één van zijn ribben’. Het Hebreeuwse woord צֵלָע (‹ṣēlāʾ - H6763›) vinden wij in het OT alleen in de betekenis van ‘zijde’ of: ‘kant’ of: ‘flank’, maar het zou volgens sommigen ook ‘rib’ betekenen, maar nergens in het OT treffen wij het woord aan met die anatomische betekenis. K&D vinden in het meervoud een reden om te kiezen voor de vertaling ‘rib’. WIj menen dat ‘zijde’ beter past bij de uitroep van Adam: ‘Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees’. Het Hebreeuwse woord is een vrouwelijk meervoud en geen tweevoud, wat in eerste instantie doet denken aan ‘ribben’, maar als wij beseffen dat een mens eigenlijk ook vier zijden heeft nl. een linker-, een rechter-, een voor- en een achterzijde, dan zijn menselijke ‘zijden’ dus ook meervoudig net als de ribben meervoudig zijn.  

[toelichting] - het Hebreeuwse woord |צְלָעִים| (‹ṣᵊlāʾīm - H6763›) betekent eigenlijk ‘zijde’ of: ‘rib’ (‹b.v. Gen. 2:21›). In dit vers is het vertaald met ‘randen’, maar vaak wordt het woord vertaald met de ‘bladen’ (‹in het Engels ‘leaves’›) of ook wel ‘deurvleugels’. Men denkt dan dat beide deuren elk twee bladen (‹horizontaal dan wel verticaal›) hadden, die draaibaar waren, d.w.z. een ‘rondje’ konden maken. Deze gedachte is echter geforceerd, omdat men hierbij het Hebreeuwse woord |קְלָעִים| (‹qᵊlāʾīm - H7050›), dat verderop in het vers voorkomt, als een verschrijving opvat van het Hebreeuwse woord voor ‘zijden’ of ‘ribben’. Bij de eerste letter zou dan van een schrijffout sprake zijn. Dit lijkt ons onjuist, omdat het Hebreeuwse woord dat hier staat, in het OT voorkomt als een ‘slinger’ voor stenen, een soort katapult dus, en als ‘zeil’ of ‘gordijn’. De wortel van het woord, als wij afgaan op de overeenkomstige wortel in het Arabisch (‹waar wij onder de afgeleide woordvormen ook ‘katapult’ of ‘slinger’ en ‘zeil’, maar ook ‘steengroeve’ tegenkomen›), heeft o.i. te maken met de idee van ‘uitrukken’ of ‘uittrekken’. De ‘slinger’ en ‘de steengroeve’ zijn dan de plaatsen van waaruit stenen ‘uit worden gerukt’. Deze plaatsen zijn als een holte of als een kom en daarin ligt ook iets gemeenschappelijks met een zeil, dat aan de windzijde ook hol trekt als de wind erin blaast. Het is moeilijker om een samenhang te zien met de betekenis ‘gordijn’, maar wij menen dat de strekking in dit vers heel goed zou kunnen zijn dat de beide deuren bij het smalle raakvlak tussen de beide deuren elk een onderscheiden ‘ronding’ hadden (‹de term |גְּלִילִים| komt twee keer voor in het Hebreeuws van dit vers. In Est. 1:6 en Hgld. 5:14 is het woord vertaald als ‘ringen’ waarin ook weer ‘het rond zijn’ wordt teruggevonden. Aan de eerstgenoemde deur was de ronding aan het raakvlak o.i. bolvormig en aan de laatstgenoemde deur was die komvormig (‹vgl. het kommetje van de katapult›), waardoor beide deuren goed ineensloten. De breedte van beide deuren was 5 el met inbegrip van de deurposten, wat betekent dat elke deur waarschijnlijk 2 el ofwel ongeveer 1 meter breed was. 

H6735

gezant, weeën, … 

H6738

[‘schaduw’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. |צֵל| (‹ṣēl - H6738›) komt 49 keer in het OT voor, verdeeld over 47 verzen. De eerste betekenis van het woord is ‘schaduw’, b.v. in 2 Kn. 20:9-11, Jes. 4:6, Jes. 38:8 en Ps. 80:10. Deze schaduw geeft koelte en beschermt voor de hitte. Daarom wordt het woord ‘schaduw’ ook wel overdrachtelijk gebruikt in de zin van ‘bescherming’ en ‘bewaring’ zoals in Gen. 19:8, Ri. 9:15, Ps. 17:8; 36:7; 57:1; 63:7; 91:1; 121:5. Zo kan b.v. de wijsheid blijkens Pred. 7:12 beschermen. De schaduw is ook een beeld van de vluchtigheid en van de korte duur van het leven in 1 Kr. 29:15, Ps. 102:11; 109:23; 144:4. 

H6767

cimbaal -tsiltsal

H6833

[‘Zippora’] - de Hebreeuwse naam |צִפֹּרָה| (‹ṣipporāẖ - H6855›) betekent ‘vogel’ of ‘vogeltje’ en deze Hebreeuwse naam komt slechts 3 keer in het OT voor nl. in Ex. 2:21; 4:25; 18:2. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |צָפַר| (‹ṣāfar - H6852›), dat volgens Gesenius als eerste betekenis ‘cirkelen’ heeft of ‘rondjes draaien’ of ‘omkeren’ of ‘in het rond dansen’ of ‘dansen in een kring’, terwijl het Arabische zusje ‘fluiten’ of ‘tsjilpen’ als eerste betekenis heeft. Dit werkwoord komt in het OT alleen voor in Ri. 7:3, waar het betrekking heeft op het vertrek van de mannen uit het gebergte Gilead of Gilboa. Bij het afdalen van de bergen liep men vast in cirkelend bewegingen en langs kronkelige bergweggetjes. De meningen over de betekenis van dit woord lopen overigens uiteen. Voor |צִפּוֹר| (‹ṣifōr›), de mannelijke variant van dit woord, zie H6833. 

H6842

Het mannelijke Hebreeuwse woord צָפִיר (‹sāfīr - H6842›) komt 6 keer in het OT voor, verdeeld over 5 verzen en de eerste betekenis van het woord is ‘geitenbok’.  De Aramese versie van dit woord vinden wij onder H6841. 

Zie ook H6260.



H6862 

tegenstander, onderdrukker; benauwdheid

het Hebreeuwse woord צַר  (‹ṣar - H6862›) dat vertaald is met ‘benauwdheid’, komt 105 keer in het OT voor, verspreid over 102 verzen. Het kent naar gelang het zinsverband diverse vertalingen, o.a. heel vaak ‘tegenstander’ of ‘onderdrukker’, dat is de degene die je in benauwdheid brengt. Het woord komt in 104 verzen in de Bijbel voor en daarvan 38 keer in de Psalmen. 

H6864

Het Hebreeuwse woord |צֹר| (‹ṣor - H6846›) vinden wij in het OT  alleen in Ex. 4:25 en Ez. 3:9.  Het is in beide verzen vertaald als ‘stenen dolkmes’. Het moet ongetwijfeld zeer scherp geweest zijn, dun en ook zeer hard, want hoe had het anders door Zippora gebruikt kunnen worden voor een besnijdenis.  Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |צוּר| (‹H6696›) dat als eerste betekenis heeft ‘samendrukken’ of ‘belegeren’ of ‘samenbinden’ en vervolgens ook ‘benauwen’ of ‘verdrukken’, maar Gesenius  noemt ook de betekenis ‘snijden’ of ‘drukken’ met een mes. 

H6869

benauwdheid, nood; rivale, tegenstandster

het Hebreeuwse vrouwelijke zelfstandige naamwoord צָרָה (‹ṣārāh -  H6869›) komt  73 keer in het OT voor, verspreid over 72 verzen. Het betekent: (1) verdrukking, benauwdheid, nood. Het verwijst naar een situatie of een tijd van extreem ongemak, benauwdheid om verschillende redenen. (2) rivaal, mededingster. Het verwijst naar een persoon die een bedreiging vormt of een bron van wanhoop is om verschillende redenen. Het gaat in het boek Psalmen en in de Profeten om de aangekondigde benauwdheid door Mozes Dt. 31:17, 21. Wij treffen het woord o.a. aan in Ps. 9:10; Ps. 10:1. Van de 73 keer dat het woord in het OT voorkomt, komt het 24 keer voor in de psalmen. In de Profeten wordt gesproken over de benauwdheid van Jakob Jer. 30:7. 

H6883

[‘melaatsheid’] - het Hebreeuwse woord צָרָעַת (‹ṣārāʿaṯ - H6883›) komt 35 keer voor in het OT verdeeld over 33 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord צָרַע (‹ṣāraʿ - H6879›) dat ‘neerslaan’ of: ‘geselen’ betekent. De ziekte is als ׳een slag van God׳ en het heeft in de Bijbel altijd betrekking op ‘de witte melaatsheid’ of: ‘witte lepra’ die in het Arabisch البَرْص (‹al-baraṣ›) wordt genoemd. Gesenius koppelt het woord liever aan een ander Hebreeuws werkwoord סָפַח (‹s̱āfaḥ - H5596›) dat als eerste betekenis ‘uitgieten’ heeft of ‘stromen’, terwijl de Piel betekent ‘doen stromen’ of ‘doen uitvallen’ of ‘kaal maken’. 

H6893

[‘kotser’] - het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. קָאַת (‹qāāʾṯ - H6893›), dat 5 keer in het OT voorkomt nl. in Lev. 11:18, Dt. 14:17, Ps. 102:6, Jes. 34:11 en Zef. 2:14, betekent mogelijk ‘de aalscholver’. Er enige gelijkenis met het Arabische woord voor ‘aalscholver’ nl. (‹‘الْقُوقُ’, ‘qūq’ of ‘قاق الماء’ - qāq al-mā’›). 

H6915

[‘boog’] - het Hebreeuwse werkwoord קָדַד (‹qāḏaḏ - H6915›) komt 15 keer voor in het OT, verdeeld over 15 verzen en heeft als eerste betekenis ‘aankleven’ en als tweede betekenis ‘buigen’ uit eerbied en ontzag, voor God of voor een voornaam iemand of een gezagsdrager. 

H6945

[‘gewijde schandknapen’] - het Hebreeuwse woord קָדֵשׁ (‹H6945 - qādeṣ›) is de mannelijke prostitué die zijn lichaam in religieuze rituelen aanbood. Het woord heeft dezelfde wortel als het woord ‘gewijde hoer’ en heeft als grondbetekenis ‘heilig zijn’.  

H6951

[‘vergadering’] - het Hebreeuwse woord קָהָל (qāẖāl - H6951) komt 123 keer in het OT voor, verdeeld over 116 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord קָהַל (‹qāhal - H6950›) dat als eerste betekenis ‘samenroepen voor een bijeenkomst’ heeft. De Hebreeuwse woorden עֵדָה (‹ʿēdāẖ - H5712›) en קָהָל (qāẖāl - H6951) zijn volgens Ellicott vrijwel verwisselbaar.  

H6963

[‘donderslagen’] - het  Hebreeuwse woord קֹלֹת (‹qoloṯ - H6963›) betekent allereerst ‘stemmen’ of: ‘geluiden’. In samenhang met ‘bliksemen’ is de vertaling van ‘donderslagen’ voor de hand liggend. Taalkundig zou men nog wel kunnen aanvoeren dat er ook een specifiek Hebreeuws woord voor ‘donder’ is (‹H7482›), maar in Ps. 104:7 vinden we de uitdrukking ‘de stem van uw donder’ wat dan toch weer pleit voor de vertaling ‘donderslagen’ of: ‘donderstemmen’ in dit vers. Het hele beeld dat in vs. 16 en 18 wordt beschreven, doet sterk denken aan het tafereel in Gen. 15:17 waar God met Abraham een verbond sluit. De woorden ‘rook’, ‘vuur’ of: ‘brandend’ en ‘oven’ (‹weliswaar in Gen. 15:17 een ander Hebreeuws woord dan in Ex. 19:18, maar toch betekenen beide woorden ‘oven’›) komen in beide gedeelten voor en ook is er in beide gevallen sprake van duisternis, al was die afkomstig van de nacht en hier bij de Sinaï van een zware wolk.  Zie verder ook de noot bij Gen. 15:17.  

H6973

[‘zij een afkeer kregen van’] - of: ‘diepe vrees kregen voor’. De Hebreeuwse klank avn het Hebreeuwse werkwoord קוּץ (‹qōṣ - H6973›) doet denken aan het Nederlandse woord ‘kotsen’, dat mogelijk uit het Jiddisch komt, hoewel etymologische woordenboeken het herleiden naar 15e eeuws vroeg nieuw Hoogduits. Het Hebreeuwse werkwoord komt 9 keer in het OT voor, verdeeld over 9 verzen. 

H6975

H6976

het Hebreeuwse mnl. znw. |קוֹץ| (‹qos - H6975›) komt 14 keer voor in het OT, verdeeld over 14 verzen en de eerste betekenis is ‘doorn’. 

Het is ook de eigennaam Koz, of  Ha-Koz (‹met lidwoord›) van een mannelijke Israëliet in 1 Kr. 4:8; 24:10; Ezra 2:61; Neh. 3:4, 21; 7:63  onder H6976. 

[‘dorens’] - het woord ‘doornenkrans’ in Mk. 15:17 en Jh. 19:2, 5 is wordt in het Aramees van de Peshitta het woord ||||ܟ݂ܽܘܒ݁ܶܐ|||| ofwel |כוּבֵּא| (‹kōbēʾ›) voor ‘dorens’ gebruikt dat wij ook hier in Gen. 3:18 terugvinden in de Aramese Peshitta in het verslag van de zondeval. God zegt daar dat de aarde dorens en distels zal voortbrengen, zodat Adam die zwoegende zal moeten bewerken. In het woord ‘doornenkrans’ zien we a.h.w een zinnebeeld dat Jezus Christus al de gevolgen, ofwel ‘de straf’, voor de zonde op Zich nam aan het kruis. Deze kwam op zijn hoofd neer. Zie de noot bij Mt. 27:29. 

H6979

[‘van [(het)] omverhalen van [(de)] muur’] - in het Hebreeuws klinkt dit ook poëtisch: ‘mᵉqarqar qir’. Het Hebreeuwse werkwoord voor ‘omverhalen’ is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord קוּר (‹qur - H6979›) voor ‘graven’. Het is dus een fundamenteel omverhalen, tot op het fundament of tot op de bodem toe. 

H7030

luit qatrus 

H7043

[‘lasteren’] - het Hebreeuwse woord  קָלַל  (‹qālal - H7043›) - heeft naar gelang de afgeleide werkwoordsvorm diverse betekenissen zoals: licht maken, verminderen, minder worden, afnemen, kleineren, minachten, verachten, vernederen en soms ook, zoals hier (‹in de Piël vorm van het werkwoord›) lasteren of zelfs vervloeken (‹Gesenius›).      

H7070

[‘kalmoes’] - een rietachtige moerasplant uit de familie van de aronskelken, waarvan de aromatische wortelstok ook wel als geneesmiddel wordt gebruikt.  Het woord komt van het Latijnse ‘calamus’ en het Griekse ‘kalamos’, dat staat voor ‘riet’ of: ‘halm’. Op andere plaatsen in de Bijbel wordt het Hebreeuwse woord קָנֶה (‹qāneẖ - H7070›) vertaald als ‘riet’ of: ‘halm’, naar gelang de samenhang. De toevoeging ‘geurig’ leidt tot de keuze voor ‘kalmoes’, maar ‘geurig riet’ is ook mogelijk.  



H7083

koker

het Hebreeuwse woord קֶסֶת (‹qeseṯ - H7083›) staat voor een koker met daarin de nodige schrijfmaterialen, mogelijk een pot of hoorn gevuld met inkt en een soort pen. Het Hebreeuwse vrwl. zelfst. nmw. komt alleen voor in Ez. 9:2, 3, 11.     

H7102

H7114

[‘takken’] - het Hebreeuwse woord |קָצִיר| (‹qasir - H7105›) komt 54 keer in het OT voor, verdeeld over 49 verzen. De hoofdbetekenis van dit Hebreeuwse mnl. znw. woord is ‘oogst’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |קָצַר| (‹qāṣar - H7114›) dat ‘oogsten’ betekent, maar letterlijk is het ook ‘inkorten’ of ‘kortmaken’, want het staande koren wordt ‘gekortwiekt’. De betekenis ‘takken’ vinden wij alleen in Job 14:9; 18:16; 29:19; Ps. 80:12; Jes. 17:11, in het totaal 5 keer. Net als het graan, zijn ook takken geschikt om ‘gekort’ of afgesneden te worden.  

H7115

[‘omdat ze moedeloos waren geworden’] - letterlijk: ‘door hun kortheid van geest’. Het Hebreeuwse woord dat hier als ‘kortheid’ wordt vertaald (‹H7115, H7307›), komt alleen in dit vers in de Bijbel voor. De uitdrukking zou ook vertaald kunnen worden als ‘ongeduld’ of mogelijk als ‘geestelijke nood’. 

H7126

[‘offergave’] - het Hebreeuwse woord קָרְבָּן (‹qārbān - H7133›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord קָרַב (‹qāraḇ’ - H7126›), dat ‘naderen’ als eeste betekenis. Het offer is dat waarmee je tot God nadert d.w.z. ‘een offergave’. Beide woorden komen vaak voor in het boek Leviticus. Een ander woord, dat wij met ‘offer’ vertalen is זֶבַח (‹zeḇaḥ - H2077›). Dit woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord זָבַח (‹zāḇaḥ - H2076›), dat als eerste betekenis ‘slachten’ heeft. Overigens treffen wij het Hebreeuwse woord ‘zeḇaḥ’ alleen als onderdeel aan van de uitdrukking ‘vredeoffer’, maar niet in ‘zondoffer’, ‘brandoffer’, ‘graanoffer’, ‘schuldoffer’ en ‘hefoffer’.     

H7133

[‘offergave’] - het Hebreeuwse woord קָרְבָּן (‹qārbān - H7133›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord קָרַב (‹qāraḇ’ - H7126›), dat ‘naderen’ als eeste betekenis. Het offer is dat waarmee je tot God nadert d.w.z. ‘een offergave’. Beide woorden komen vaak voor in het boek Leviticus. Een ander woord, dat wij met ‘offer’ vertalen is זֶבַח (‹zeḇaḥ - H2077›). Dit woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord זָבַח (‹zāḇaḥ - H2076›), dat als eerste betekenis ‘slachten’ heeft. Overigens treffen wij het Hebreeuwse woord ‘zeḇaḥ’ alleen als onderdeel aan van de uitdrukking ‘vredeoffer’, maar niet in ‘zondoffer’, ‘brandoffer’, ‘graanoffer’, ‘schuldoffer’ en ‘hefoffer’.     

H7161

hoorn

H7162

hoorn (Aramees)

H7163

[‘Keren-Happuch’] - de naam ‘Keren-Happuch’ (‹H7163›) betekent ‘hoorn van verf’ en is terug te voeren op 2 Hebreeuwse woorden: קֶרֶן (‹qeren - ’hoorn’ - H7161›) en פּוּךְ (‹pūḵ - oogzwartsel, maar de grondbetekenis zou van doen hebben met het heen en weer bewegen van het zeewier in de zee waarvan dit oogzwartsel afkomstig was en aan onttrokken werd - H6320›).  Deze vrouw was net als de andere dochters van Job  beeldschoon. Het oogzwartsel van de vrouw in het Midden-Oosten wordt beschouwd als een belangrijk middel om haar schoonheid te accentueren, zie b.v. Izebel in 2 Kn. 9:13. 

H7200

[‘de ziener’] - het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. רָאָה (‹rāāʾẖ - H7201›) komt alleen in Dt. 14:13 in het OT voor. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָאָה  (‹rāāʾẖ - H7200›), dat 1314 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 1206 verzen en dat als eerste betekenis ‘zien’ heeft. De Septuaginta heeft slechts twee vogels in dit vers waarvan de eerste γυπα, dat is een gier. De Vulgata heeft ‘ixon’ (‹een vogel met een ringstaart b.v. een kiekendief of een jonge steenarend›). De eerste vogel in het parallelvers in Lev. 11:14 komt qua schrijfwijze  דָּאָה (‹dāāʾẖ - H1676›) erg dichtbij dit woord en sommigen denken daarom dat hier sprake is van een verschrijving die hier aangepast zou moeten worden, maar daarvoor is geen bewijs, want veel dierennamen in deze passages zijn moeilijk te duiden. Andere Nederlandse vertalingen luiden ‘wouw’ of ‘rode wouw’, ‘buizerd’ of: ‘raffelgier’ en zijn waarschijnlijk afgeleid uit de Septuaginta en uit de Vulgata, die hier de eerste vogel uit Lev. 11:14 aanhouden.

H7201

[‘de ziener’] - het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. רָאָה (‹rāāʾẖ - H7201›) komt alleen in Dt. 14:13 in het OT voor. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָאָה  (‹rāāʾẖ - H7200›), dat 1314 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 1206 verzen en dat als eerste betekenis ‘zien’ heeft. De Septuaginta heeft slechts twee vogels in dit vers waarvan de eerste γυπα, dat is een gier. De Vulgata heeft ‘ixon’ (‹een vogel met een ringstaart b.v. een kiekendief of een jonge steenarend›). De eerste vogel in het parallelvers in Lev. 11:14 komt qua schrijfwijze  דָּאָה (‹dāāʾẖ - H1676›) erg dichtbij dit woord en sommigen denken daarom dat hier sprake is van een verschrijving die hier aangepast zou moeten worden, maar daarvoor is geen bewijs, want veel dierennamen in deze passages zijn moeilijk te duiden. Andere Nederlandse vertalingen luiden ‘wouw’ of ‘rode wouw’, ‘buizerd’ of: ‘raffelgier’ en zijn waarschijnlijk afgeleid uit de Septuaginta en uit de Vulgata, die hier de eerste vogel uit Lev. 11:14 aanhouden.

H7214

[‘spiesbok’] - van de spiesbok zijn er verschillende soorten. Het gaat waarschijnlijk om de witte Arabische oryx (‹Oryx leucoryx›) die twee lange dunne horens heeft en hoewel momenteel een bedreigde diersoort, nog steeds voorkomt in de Negev woestijn en vroeger veel voorkwam in heel het Midden-Oosten. Het is kennelijk ontembaar en leeft in de woestijngebieden in. De dieren leven in een los groepsverband en de mannetjes vaak alleen.in een groot gebied dat overlapt met gebied van de vrouwtjeskudde die tussen de 5-30 vrouwtjes telt met gewoonlijk één vrouwtjesdier als de leidster. De Hebreeuwse naam is ook nu nog ‘rēm laban’ (‹|ראם לבן|›). Het Hebreeuwse woord komt in 9 verzen in het OT voor (‹Num. 23:22; 24:8; Dt. 33:17; Job 39:9, 10; Ps. 22:22; 29:6; 92:11; Jes. 34:7›). Het woord is vaak vertaald als ‘woudos’, ‘eenhoorn’ (‹hoewel het dier in de Bijbel meer horens heeft›) of ‘buffel’.  

H7219

Het Hebreeuwse woord |רֹאשׁ| heeft diverse betekenissen o.a. ‘hoofd’, ‘begin’ ....

[‘giftig kruid’] - letterlijk: ‘het giftige kruid’. In Dt. 32:32 is het gespeld als |רוֹשׁ|, i.p.v. als |רֹאשׁ| (‹H7219›).  

H7225

[‘het begin’] - het Hebreeuwse woord רֵאשִׁית (‹rēʾšīṯ - H7225›) kan ook staan voor ‘eerste’ of voor ‘eersteling’ van de oogst. 

H7231

[‘tienduizend’] - hoewel het Hebreeuwse woord רְבָבָה (‹rᵉḇāḇāẖ - H7233›) gewoonlijk met ‘tienduizend’ wordt vertaald, zou men ook kunnen vertalen met ‘een grote menigte’. Dit woord komt 18 keer in het OT voor, verdeeld over 16 verzen. Soms staat het in het meervoud b.v. in 1 Sm. 18:8. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָבַב (rāḇaḇ - H7231) dat. 13 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 13 verzen en als eerste betekenis heeft: ‘veel worden’ of ‘veel zijn’.   

H7233

[‘tienduizend’] - hoewel het Hebreeuwse woord רְבָבָה (‹rᵉḇāḇāẖ - H7233›) gewoonlijk met ‘tienduizend’ wordt vertaald, zou men ook kunnen vertalen met ‘een grote menigte’. Dit woord komt 18 keer in het OT voor, verdeeld over 16 verzen. Soms staat het in het meervoud b.v. in 1 Sm. 18:8. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָבַב (rāḇaḇ - H7231) dat. 13 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 13 verzen en als eerste betekenis heeft: ‘veel worden’ of ‘veel zijn’.   

H7270

[‘spionnen’] - het Hebreeuwse (‹H7270›) woord is afgeleid van het werkwoord voor ‘lopen’ of: ‘te voet gaan’. Spionnen waren dus mannen die te voet rondtrokken en zo alles goed konden opnemen. We kunnen ook denken aan ‘sluipen’. 

H7285

Het vrouwelijke Hebreeuwse znw. |רֶגֶשׁ| (‹regeš›) komt 2 keer in het OT voor nl. Ps. 55:15 en Ps. 64:3. Het betekent ‘menigte’ of ‘roerige menigte’.

H7287

[‘graaide’] - het werkwoord |רָדָה| (‹H7287›) betekent ‘vertreden’. Letterlijk staat er ‘hij vertrad de honing naar zijn handen’. Het is ook een uitdrukking voor ‘onderwerpen aan’ of ‘heersen over’. 

H7298

[‘[(water)]goten’] - het Hebreeuwse woord רַהַט - רְהָטִים (‹raẖaṭ - raẖaṭīm - H7298›) komt vier keer in de Bijbel voor en betekent in Ex. 2:16 ‘goot’ en in Hgld. 7:5 ‘haarvlecht’. 

H7311

Het Hebreeuwse werkwoord רוּם (‹H7311›) dat in de infinitief van Hiphil staat, komt 193 in het OT voor, verdeeld over 184 verzen, heeft als eerste betekenis van de Qal: ‘zichzelf verheffen’, ‘zich verhogen’ of ‘oprijzen’. De Hiphil staat voor ‘verhogen’. Zie Strongnummer H7311 in de. Hebreeuwse Woordenlijst. 

H7323

[brak ... af’] - sommigen menen dat het werkwoord dat hier staat zou afgeleid zijn van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘rennen’ (‹רוּץ - H7323›), maar K&D wijzen op het werkwoord רצץ dat ‘verpulveren’ of: ‘verbrijzelen’ of: ‘afbreken’ betekent. 

H7329

mager maken

[‘verteren’] - letterlijk: ‘mager maken’ (‹רָזָה - rāzāh - H7329›). Alleen in Jes. 17:4 en Zef. 2:11 en 

H7353

Rachel of ooilam - 4 keer in 4 verzen Gen. 31:38, Gen. 32:14, Hgld. 6:6 en Jes. 53:7.

H7339

Het Hebreeuwse woord ‘rahub’ kan betekenen ‘straat, maar ook plein of open ruimte bij de stadspoort voor de rechtszittingen en in Ezra 10:9 is het het plein van het Huis van God, d.w.z. het Tempelplein.

H7349

barmhartig

Het Hebreeuwse bijv. nmw. רַחוּם (‹raḥūm - H7349›) komt 13 keer voor in het OT verspreid over 13 verzen. Het woord wordt alleen voor God gebruikt en gewoonlijk gecombineerd met het woord חַנּוּן (‹ḥanūn - H2587›) dat genadig betekent, en komt in Ex. 34:6, 2 Kr. 30:9, Neh. 9:17, 31, Ps. 86:15, 103:8, 111:4, 112:4, 145:8, Joël 2:12 en Jona 4:2 voor in combinatie met het bijv. nmw. ‘barmhartig (‹H7349›).  In Dt. 4:31 staat het alleen ‘een barmhartig God’ en ook in Ps. 78:38 ‘Hij was barmhartig’. Het bijv. nmw. is afgeleid van het werkwoord רָחַם (‹rāḥam - H7355›) dat ‘barmhartig zijn’ betekent’ 

H7355

barmhartig zijn

 het werkwoord רָחַם (‹rāḥam - H7355›) 

H7356

barmhartigheid


H7360

[‘koesteraar’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. רָחָם (rāḥām - H7360 ) komt in het OT alleen voor in Lev. 11:18 en in Dt. 14:17. Volgens Bochart is het de Egyptische gier die haar jongen zo bijzonder koestert. De Septuaginta heeft ‘κυκνον’, dat is ‘zwaan’ en de Vulgata heeft ‘cycnum’, dat is ook ‘zwaan’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָחַם (rāḥam - H7355) dat ‘liefhebben’ en ‘koesteren’ als eerste betekenis heeft en waarvan ook het Hebreeuwse woord voor ‘liefde’ en ‘barmhartigheid’ is afgeleid. 

H7392

Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |רָכַב| (‹rāḵaḇ - H7392›) dat als eerste betekenis ‘rijden’ heeft b.v. rijden op een paard. Het Hebreeuwse werkwoord komt 78 keer voor in het OT, verdeeld over 75 verzen en de eerste betekenis ervan is ‘berijden’ of ‘rijden’. Zie ook H4817 en H4818 en  H7393.

H7393

Het Hebreeuwse mnl. znw. enkv. |רֶכֶב| (‹reḵeḇ - H7393›) is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |רָכַב| (‹rāḵaḇ - H7392›) en het betekent ‘ruiter’, ‘ruiters’, ‘cavalerie’ . Dit woord komt 120 keer in het OT voor, verdeeld over 104 verzen. In Dt. 24:6 en 1 Sm. 11:21 is het de bovenste molensteen, die de onderste molensteen ‘berijdt’, of daarop is gezeteld. Zie ook H4817 en H4818 en  H7392.

H7442

jubelen - Strongnr. H7442 

H7453

vriend

H7464

Het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. רֵעַ (‹rēʿā - H7453›) betekent ‘vriend’ of ‘metgezel’. Het woord komt 189 keer voor in het OT, verdeeld over 173 verzen. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָעָה (‹rāʿāh - H7462›) dat ‘weiden’, ’hoeden’ of  ‘voeden’ betekent. 

Het vrouwelijk Hebreeuwse zelfst. nmw. רֵעָה (‹rāʿāh - H7462›) betekent ‘vriendin’ of ‘metgezellin’. Het woord komt 3 keer voor in het OT, verdeeld over 3 verzen: Ri. 11:37, 38 en Ps. 45:15.  

H7467

[‘Rehuël’] - de naam ‘Rehuël’ (‹רְעוּאֵל - rᵉʿūʾēl - H7467›) betekent ‘vriend van God’. Hij was waarschijnlijk dezelfde persoon als Jethro (‹יִתְרוֹ - yiṯrō - ‘zijn overvloed’ - H3503›). Zie Ex. 3:1. In Num. 10:29 wordt de zoon van Jethro ‘Hobab’ (‹חֹבָב - ḥoḇāḇ - H2246›) genoemd. Maar deze Hobab wordt in Ri. 1:16 en 4:11 in veel vertalingen ‘schoonvader’ van Mozes genoemd, terwijl andere vertalingen hetzelfde Hebreeuwse woord met ‘zwager’ vertalen. De betekenis van de wortel van het Hebreeuwse woord is ‘familierelaties aangaan’ (‹Gesenius›) en in verband daarmee ‘besnijden’ (‹zie de noot bij Ex. 4:25›), waarbij dan ‘zwager’ een afgeleid naamwoord is. Wij hebben dan ook wat betreft ‘Hobab’ voor de vertaling ‘zwager’ gekozen. 



H7493

Het Hebreeuwse werkwoord רָעַשׁ (‹rāʿaš - H7493›) dat 30 keer in het OT voorkomt en als eerste betekenis ‘schudden’ of ‘beven’ heeft. De Hiphil van het werkwoord betekent ‘doen beven’ of ‘doen trillen’ en kan daarom ook betrekking hebben op ‘angst aanjagen’.  Pg. 775 Gesenius Hebrew and Chaldee Lexicon (GHCL)

H7494

aardbeving, beving, bevend, het trillen, het geklepper, gedreun,

strijdgewoel,

Het Hebreeuwse mannelijke zelfst. naamwoord רַעַשׁ (‹raʿaš - H7494›) komt 17 keer in het OT voor, waarvan 5 keer in het boek Ezechiël. In Ez. 3:12 hebben wij het woord vertaald met ‘gedreun’, in Ez. 3:13 met ‘dreunen’, in Ez. 12:18 is de vertaling ‘bevend’, in Ez. 37:17 ‘beving’ en in Ez. 38:19, 1 Kn. 19:11, Amos 1:1 en in Zach.14:5. is de vertaling ‘aardbeving’, in Job 41:21 is het ‘het trillen’ van de speer,  in Jer. 37:3 ‘het geklepper’ van de hoeven van de paarden en in Nahum 3:2 is het ‘ratelen’ van de wielen de strijdwagens. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord רָעַשׁ (‹rāʿaš - H7493›) dat 30 keer in het OT voorkomt en als eerste betekenis ‘schudden’ of ‘beven’ heeft.  

H7496

[‘De schimmen’] - het Hebreeuwse woord (‹H7496›) komt 8 keer in het OT voor en is identiek aan het Hebreeuwse woord voor Refaïeten (‹H7497›), dat 24 keer in het OT voorkomt en een eigennaam is (‹zie de noot bij Gen. 14:5›). Van sommige vertalingen luidt de lezing: ‘de gestorvenen’, maar dat is niet de betekenis van dit Hebreeuwse woord.    

H7543

[‘de[‘de zalfbereider’] - het Hebreeuwse werkwoord רָקַח (‹rāqaḥ - H7543›) betekent ‘kruidig maken’, in het bijzonder kruiden fijn malen of stampen om daarmee zalf te kruiden. Het werkwoord komt in 8 verzen in de Bijbel voor. Het van dit werkwoord afgeleide mannelijke deelwoord רֹקֵחַ (‹roqēḥa›) van de Qal in Ex. 30:25, 35 betekent ‘zalfbereider’. In Ex. 30:25, 1 Kr. 9:30 en 2 Kr. 16:14 vinden wij het van dit werkwoord afgeleide vrouwelijke zelfst. nmw. מִרְקַחַת (‹mirqaḥaṯ›), dat staat voor ‘kruidenmengsel’ of ‘kruidenmix’. Een van dit werkwoord afgeleid zelfst. nmw. is רֹקַח (‹roqaḥ - H7545›) voor ‘zalf’ in Ex. 30:25, 35. In Hooglied 8:2 vinden wij het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. רֶקַח (‹reqaḥ - H7544›) dat ‘gekruid’ betekent, nl. ‘gekruide wijn’.  zalfbereider’] - het Hebreeuwse werkwoord רָקַח (‹rāqaḥ - H7543›) betekent ‘kruidig maken’, in het bijzonder kruiden fijn malen of stampen om daarmee zalf kruidig te maken. Het werkwoord komt in 8 verzen in de Bijbel voor. Het van dit werkwoord afgeleide deelwoord רֹקֵחַ (‹roqēḥa›) van de Qal in Ex. 30:25, 35 betekent ‘zalfbereider’. Een van dit werkwoord afgeleide zelfst. nmw. is רֹקַח (‹roqaḥ - H7545›) voor ‘zalf’ in Ex. 30:25, 35. In Hooglied 8:2 vinden wij het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. רֶקַח (‹reqaḥ - H7544›) dat ‘gekruid’ betekent, nl. ‘gekruide wijn’. 

H7563

boosdoener

het Hebreeuwse woord רָשָׁע (‹rāšāʿ - H7563›) komt 263 keer voor in het OT, waarvan 82 keer in het boek Psalmen en 78 keer in Spreuken. De boosdoener staat pal tegenover de rechtvaardige, de ‘ṣaddîq’. Dit is degene die God liefheeft en Hem verwacht. In Psalm 1 staat de vergadering van de rechtvaardigen tegenover de kring van de boosdoeners. 

H7585

[‘het dodenrijk’] - het Hebreeuwse woord שְׁאֹל (‹sᵉʾōl’ - H7585›). 

H7574

H7573

bremstruik

binden

inspannen

[‘een bremstruik’] - letterlijk: ‘één bremstruik’. Het Hebreeuwse woord |רֶתֶם| (‹retem - H7574›) komt in 4 verzen in het OT voor: 1 Kn. 19:4, 5, Job 30:4 en Ps. 120:4 en het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |רָתַם| (‹rāṯam - H7573) dat alleen in Mi. 1:13 in het OT voorkomt en als betekenis heeft ‘binden’ of ‘inspannen’, b.v. van de paarden voor de wagen of in een afgeleide werkwoordsvorm ‘een draad om de vinger winden of binden’. Het is ons niet duidelijk wat de relatie is tussen het werkwoord en de plant. Volgens Gesenius gaat het om de jeneverbesstruik, de ‘juniper’, preciezer gezegd de ‘bezemstruik’, of ‘spartium junceum’. Uit Ps. 120:4 weten wij dat de houtskool van deze plant geschikt was om op de punten van pijlen te doen, omdat de houtskool bijzonder fel kon branden en lange tijd zijn hitte behield. De brandende pijlen kwamen dus goed van pas bij de belegering van een stad. 

H7601

rest 25 verzen



H7607

[‘lichaam’] - het Hebreeuwse mnl. znw. woord |שְׁאֵר| (‹ṣʾēr - H7607›) komt 16 keer in het OT voor, verdeeld over 16 verzen. Twee keer is het onderdeel van de term ‘bloedverwant’ (‹Lev. 18:6, 25:49›). In Lev. 18:12, 13; 20:19; 21:2; 25:49; Num. 27:11 is het ‘verwant’, b.v. van de vader of moeder. In Ex. 21:10 staat het woord voor voeding of voedsel, zoals |לֶחֶם| (‹leḥem - H3899›) enerzijds voor brood zou staat, maar ook voor voeding in ruimere zin. Het woord ‘ṣʾēr’ lijkt verwant te zijn aan het Hebreeuwse woord |שָׁרִירִים| (‹šārīrīm - H8306 - enkelvoud - שָׁרִיר ›) voor ‘spieren’ en ‘zenuwen’ en met het Hebreeuwse woord |שֹׁר| (‹šor - H8270›) voor ‘levensader’ d.w.z. ‘navelstreng’ in Spr. 3:8 en Ez. 16:4. K&D denken om die reden dat het Hebreeuwse woord ‘ṣʾēr’ dat wij hier met ‘lichaam’ hebben vertaald, vooral duidt op het lichaam in zijn samengesteldheid uit botten, zenuwen en spieren, terwijl het Hebreeuwse woord |בָּשָׂר| (‹bāsār - H1320›) het lichaam vooral in zijn uiterlijke gedaante als met vel overtrokken zou aanduiden en niet zozeer de inwendige anatomische structuur van het lichaam. Het woord ‘bāsār’ wordt overwegend vertaald als ‘vlees’ (‹Ps. 73:26; Ps. 78:20, 27; Spr. 5:11; 11:17; Jer. 51:35; Mi. 3:2, 3›). Het woord ‘bāsār’ wijst steeds op de zonde waaraan de mens schuldig is en waardoor mens en dier getroffen zijn en sterfelijk zijn. en waardoor heel de schepping aan de vergankelijkheid onderworpen is. 

H7611

overblijfsel van ISra¨´l, van Jakob enz.

H7618

[‘agaat’] - een doorzichtige, maar soms ook doorzichtige variëteit van kwarts en een subvariëteit van chalcedoon. De chemische structuur van agaat is identiek aan jaspis, vuursteen en hoornkies en wordt vaak samen met opaal gevonden. De kleurrijke, gestreepte specimens worden gebruikt als halfedelsteen. Het Hebreeuwse woord שְׁבוֹ (‹ṣᵉḇō - H7618›) is verwant aan twee werkwoorden die resp. ‘verdelen in vlammen’ of: ‘verdelen in stromen’ en ‘vlammen’ betekenen.  Het Nederlandse woord komt van het Griekse αγαθος (‹agathos›) en betekent ‘de goede’. De kleur kan lichtblauw, grijs, maar ook groen zijn. De Midrash geeft grijs als kleur aan en deelt de steen toe aan de stam Gad.  

H7623

roemen - Strongnr. H7623

H7626

stok, staf, pijl, heersersstaf of scepter, stam

het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord שֵׁבֶט (‹šēḇeṭ - H7626›) komt 190 keer in het OT voor, verdeeld over 178 verzen. Het meervoud is שְׁבָטִים (‹šḇāṭīm›). Het woord heeft als eerste betekenis ‘stok’, een stok om mee te slaan en/of te tuchtigen (‹b.v. Ex. 21:20; Jes. 14:5; Spr. 10:13; 13:24; 22:8›), of een stok waarmee God zijn toorn doet voelen b.v. een ramp of een catastrofe (‹Job 9:44; 21:9; 37:13 Jes. 10:5; Jes. 11:4 te vergelijken met 2 Th. 2:8›), of een ‘herdersstaf’ (‹Lev. 27:32; Ps. 23:4; Ri. 5:14 - in het laatste geval worden de ‘schapen’ d.w.z. de ‘soldaten’ geteld als ze onder de staf van de herder of onder de staf van de legerleider doorlopen›), of een ‘scepter’ d.w.z. een ‘heersersstaf’ (‹b.v. in Gen. 49:10; Num. 24:17; Ps. 45:7; Jes. 45:7; Jes. 14:5; Ez. 19:11, 14; Am. 1:5, 8; Zach. 10:11›).  

Het woord wordt ook veel gebruikt voor een ‘stam’, want de stamleiders van Israël waren herkenbaar aan hun ‘stokken’ d.w.z. hun scepters. Zo staat het woord  b.v. ook voor ‘de twaalf stammen van Israël’ in Gen. 49:28. Ook in Ex. 28:21, Ri. 20:12 en 1 Sm. 9:21 is het vertaald als ‘stam’. In Ps. 74:2, Jer. 10:16, 51:19 staat het woord ‘šēḇeṭ’ voor ‘stam’ als onderdeel van de uitdrukking ‘de stam van uw erfdeel’. 

In 2 Sm. 18:14 hebben wij het meervoudige woord ‘šᵉḇāṭīm’ vertaald als ‘pijlen’.

De taalkundige wortel van het woord in het Hebreeuws is onzeker, zo niet onbekend. De overeenkomstige taalkundige wortel in het Arabisch heeft te maken met het werkwoord voor ‘sluik haar hebben’ d.w.z. ‘afhangend haar’ in tegenstelling tot ‘krullend haar’. Diverse andere afleidingen zijn verbonden met ‘weelderig zijn’ b.v. van takken (‹die tierig welen›) maar ook met ‘overdekt zijn’, b.v. een overdekte straat of laan, maar ook een schoen, die je voet bedekt of afschermt. De bedekking en weelderigheid leiden tot de idee van een aantrekkelijk en aangenaam voorkomen. In het Arabisch is een woord voor ‘stam’ ook het verbonden met deze taalkundige wortel, vooral in de Arabische uitdrukking ‘de stammen van Israël’ أَسْبَاطِ إِسْرَائِيل in Gen. 49:16 in de Arabische Bijbel. 

–Een later woord voor ‘scepter’ is het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord שַׁרְבִיט (‹šārḇīṭ - H8275›).

–De oude Chaldese of Aramese variant van het woord is שְׁבַט (‹šᵉḇaṯ - H7625›) dat wij in Ezra 6:17 aantreffen. De Aramese variant van het woord in het NT van de Aramese Peshitta is te vinden in Heb. 1:8.  

H7661

H7660

[‘duizeligheid’] - letterlijk: ‘de duizeligheid’. Het Hebreeuwse woord |שָׁבָץ| (‹šāḇāṣ - H7661›) dat we met ‘duizeligheid’ hebben vertaald, komt alleen in 2 Sm. 1:9 in het OT voor. De rabbijnen menen dat het woord ‘kramp’ betekent.. De achtergrond zou dan zijn dat Saul helemaal verstijfd is door kramp tengevolge van een val en door een verwonding die hij in de strijd heeft opgelopen (‹vs. 10›). Het Hebreeuwse werkwoord waar het van is afgeleid is |שָׁבַץ| (‹šāḇāṣ - H7660›) dat alleen in Ex. 28:20, 39 voorkomt. We hebben de indruk dat het gaat om een   soort weefsel dat losjes om het lichaam zit en houdertjes voor de edelstenen op het borstschild die mogelijk niet heel erg knellen. Deze gedachte komt op naar aanleiding van het Arabische woord ||سَبَغ||, dat betekent ‘lang en wijd zijn’. Een daarvan afgeleid woord betekent ‘een lange en soepele jurk’.  

H7673

[‘zul je rusten’] - het Hebreeuwse werkwoord שָׁבַת (‹šāḇaṯ - H7673›) is verwant aan het woord ‘sabbat’ en is ook op te vatten als ‘stoppen’ of: ‘ermee ophouden’. Het Hebreeuwse woord voor ‘rust krijgen’ is een ander woord.

H7656

[‘Seba’] - dat is ‘zeven’ of: ‘eed’ (‹H7656›).   

H7686

dwalen, afdwalen

  שָׁגָה

H7693

שָׁגַל Het werkwoord komt 4 keer in het OT voor, verdeeld over 4 verzen: Dt. 28:30, Jes. 13:16, Jer. 3:2 en Zach. 14:2.  De eerste betekenis van het werkwoord is ‘liggen bij een vrouw’. De betekenis van de Niphal in Jes. 13:16 en Zach. 14:2 is ‘verkracht worden’.  

H7693

[‘waar ben jij niet geschonden?’] - dit is de weergave van de Ketiv. Het werkwoord |שָׁגַל| (‹šāgal - H7693›) komt 4 keer in het OT voor en is 3 keer vertaald met ‘verkrachten’ en alleen in dit vers met ‘schenden’. De meeste vertalingen volgen de Qere van de Masoreten, net als elders (‹nl. in Dt. 28:30, Jes. 13:16 en Zach. 14:2›), die betekent ‘slapen met’ of ‘beslapen’, waarvan men aanneemt dat de Masoreten dat een meer eufemistische uitdrukking vonden voor zo’n schokkende daad. Het woord ‘geschonden’ wordt hier gebruikt voor geestelijke onzedelijkheid ten gevolge van afgoderij. Bij gevolg spreekt men van geestelijke hoererij. Wat betreft het langs de weg zitten, zie ook Gen. 38:14 en Spr. 7:12. Dit beeld stemt overeen met het feit dat men afgodische altaren bouwde op de hoeken van de straten en bij de poorten: 2 Kn. 23:8; Ez. 16:25. 

H7701


H7713

[‘panelen’] - het hier gebruikte Hebreeuwse woord שְׂדֵרֹת (‹sᵉdērōt’ - H7713›) komt maar vier keer voor in het OT. Eén keer in de zin van ‘latten’ of ‘panelen’ (‹1 Kn. 6:9›), drie keer in de zin van ‘een aaneengesloten kordon van soldaten’ (‹2 Kn. 11:9, 15; 2 Kr. 23:14›). De betekenis van het woord is uit het tekstverband afgeleid, omdat de oorspronkelijke betekenis onbekend is. Tegenwoordig is het ook de naam van een stad in Zuid-Israël in de nabijheid van de noordzijde van de Gaza strip. De stad is bekend om zijn brede lanen en boulevards met veel groen beplanting. 

H7716

Het mannelijke Hebreeuwse znmw. שֶׂה (‹H7716›) staat voor een lam van de schapen of van de geiten, ofwel voor een stuk kleinvee. Het woord komt 47 keer in het OT voor, verdeeld over 39 verzen.

H7718

[‘berilstenen’] - het Hebreeuwse woord אַבְנֵי־שֹׁהַם (‹ʾaḇnēy-soẖam - H7718›) wordt door anderen wel vertaald als ‘onyx stenen’ of ‘chrysopraastenen’.    

H7742

[‘om te knielen’] - de Hebreeuwse uitdrukking לָשׂוּחַ (‹lā-sōaḥ - H7742›) komt alleen in Gen. 24:63 in het OT voor. De meeste commentaren vatten de letterlijke betekenis op als ‘mediteren’ (‹ook de LXX›) en breiden dat uit naar ‘bidden’. De meest nabijgelegen taalkundige wortel in het Aramees betekent ‘neerzinken’ of: ‘neerdalen’ of: ‘wegsmelten’. Al met al is de indruk dat Izak nederig tot God nadert, ongetwijfeld ook in verband met zijn a.s. huwelijk, want de missie van Abrahams dienaar zal hem niet zijn ontgaan. De Aramese Peshitta zegt overigens dat Izak een wandeling ging maken in het veld. De tekst van de Peshitta lijkt zijn uitgangspunt te hebben in een andere opvatting ten aanzien van de taalkundige wortel van het Hebreeuws. De precieze betekenis van het Hebreeuwse woord blijft al met al onzeker. 

H7776

[‘jakhalzen’] - het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. שׁוּעָלִים (‹šūʿālīm - H7776›) wordt vaak vertaald met ‘vossen’, maar de vraag is of dat de juiste vertaling is. Het woord komt 7 keer in het OT voor, verdeeld over 6 verzen. De Nederlandse naam ‘jakhals’ (‹Engels ‘jackal’›) is volgens K&D afkomstig uit het Perzisch. Jakhalzen werden in voorbije eeuwen nog in grote aantallen aangetroffen in Gaza, Jaffa en Galilea (‹zie Rosenmüller, Bibl. Althk. iv. 2, pg. 155 e.v.›). Maar ook nu worden nog duizenden jakhalzen in Israël aangetroffen. Jonge jakhalzen zouden makkelijk te vangen zijn en leven in groepen, terwijl een vos meer solitair is en niet makkelijk te vangen is. Het bezwaar tegen de veronderstelling dat het hier om jakhalzen zou gaan, is dat er in de Bijbel een ander woord is, dat voor ‘jakhalzen’ staat nl. תַּנִּים (‹tannīm›) dat in 14 verzen in het OT voorkomt, als eerste in Job 30:29. Vermeldenswaard is dat het Arabische woord شعلة (‹šuʿlat›)dat ‘fakkel’ betekent erg veel verwantschap toont met het Hebreeuwse woord שׁוּעָלִים (‹šūʿālīm - H7776›) dat in dit vers staat voor ‘jakhalzen’.    

H7779

verbrijzelen

[‘overweldig mij’] - het Hebreeuwse woord (‹H7779›) komt in het OT alleen voor in Gen. 3:15 (‹verbrijzelen›) en Job 9:17 (‹vermorzelen›).

H7782

‘ramshoorn’] - in het Hebreeuws ‘sjofar’ (‹H7782›), dat is ‘hoorn’. Het woord komt 72 keer in het OT voor, verdeeld over 63 verzen. Er zijn vier verschillende tonen die op de ramshoorn worden geblazen nl. (‹1›) de ‘tekia’, een lang gelijkmatig blazen, (‹2›) de ‘sjiwariem’, drie onderbroken klanken die samen net zo lang klinken als een tekia, (‹3›) de ‘terua’, een snelle opeenvolging van negen staccato klanken die samen net zo lang zijn als een tekia, (‹4›) de ‘tekia gdola’, een enkele lange toon die zo lang mogelijk wordt aangehouden. Deskundigen hebben ontdekt dat de klank van de sjofar frequenties heeft die geen enkele trompet of trombone kan voortbrengen. 

H7794

sur - stier



H7812

[‘neerknielen’] - het Hebreeuwse werkwoord שָׁחָה (‹šāḥāẖ - H7812›) komt 172 keer in het NT voor verdeeld over 166 verzen en het betekent, naar gelang de afgeleide vorm van het werkwoord, ‘diep buigen’ of ‘neerknielen’ of ‘neerbuigen’ uit eerbied, onderdanigheid of voor aanbidding. 

H7827

[‘geurige schelp[(en)]’] - het Hebreeuwse woord שְׁחֵלֶת (‹sᵉḥēleṯ - H7827›) komt alleen hier in de Bijbel voor. De wortel van het woord houdt verband met ‘pellen’ of: ‘schillen’. Men vermoed dat het een schelpdragend weekdier betreft, dat bij verbranding een aangename geur verspreidt.    

H7828

[‘de meeuw’] - het Hebreeuwse woord  שַׁחַף (‹šaḥaf - H7828›) houdt volgens Gesenius verband met ‘gepeld zijn’ vanwege het gladde uiterlijk van de meeuw. Het woord komt 13 keer in het OT voor, verdeeld over 14 verzen. De Septuaginta heeft ‘meeuw’ (‹‘λαρον’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘larus’›). De Arabische aanduiding van ‘meeuw’ vertoont gelijkenis met het Hebreeuwse woord.  

H7843

verdelgen, vernietigen, verderven

het Hebreeuwse woord שָׁחַת (‹sāḥat - H7843›) betekent allereerst ‘verdelgen’ of ‘vernietigen’ of ‘verwoesten’ (‹Piel en Hiphil›). Soms wordt het in het tekstverband wel vertaald als ‘ruïneren’, ‘toetakelen’, ‘verpletteren’, ’teisteren’ of ‘een slachtpartij aanrichten’. De Niphal en Hophal van het werkwoord hebben de betekenis van ‘verderven’ of  ‘bederven’. 

H7845

graf, grafput

[‘het graf’] - ofwel ‘de grafput’, want het Hebreeuwse woord הַשָּׁחַת (‹H7845›), dat in het OT voor het eerst in het boek Job opduikt, betekent ‘put’ en niet ‘verderf’ zoals het vaak wordt vertaald (‹zie Gesenius›). Maar hoe zou je in de put of het graf kunnen neerdalen zonder dat het lichaam aan bederf onderhevig zou zijn, zoals de NT-ische invulling van de tekst uit Ps. 16:10 en Ps. 49:10 ons laat zien in Hd. 2:27 en Hd. 13:35. 

–In de Targum wordt de tekst van dit vers als volgt weergegeven: ‘dat hij het oordeel van de hel niet zou zien’. 

H7848

H7851 (plaatsnaam)

[‘acaciahout’] en Sittim (in 6 verzen) - het Hebreeuwse enkelvoudige zelfst. nmw. |שִׁטָּה| (‹šṯāẖ - H7848›) betekent ‘acacia’ of ‘acaciahout’ of ‘sittimhout’, want het Hebreeuwse meervoud |שִׁטִּים| klinkt als ‘šittīm’. In het algemeen wordt aangenomen, dat het om acaciahout gaat, dat donkerder en harder is dan eikenhout en daarom moeilijk te bewerken is. De Egyptenaren in de oudheid gebruikten het voor de klampen (‹of ‘krammen’›) waarmee zij hun mummiekisten dichtmaakten en voor de bouw van hun boten. De grillige acaciaboom groeit alle kanten uit en draagt dorens. De boom komt veel voor in de Sinaïwoestijn. Het woord komt 28 keer in het OT voor verdeeld over 28 verzen.

H7853

aanklagen

[‘klagen zij mij aan’] - in het Hebreeuwse werkwoord herkennen wij de klank van de naam ’satan’, waarvan de betekenis ‘tegenstander’ is. Het Hebreeuwse werkwoord ||שָׂטַן|| (‹šāṯan - H7853›) komt 6 keer voor in het OT, waarvan 3 keer in deze psalm, nl. in vs. 4, 20 en 29, verder in Ps. 38:20, Ps. 71:13 en Zach. 3:1. Het woord ‘satan’ is hier uiteraard van afgeleid. Zie de noot bij Ps. 109:6. 

H7854

satan

engel

tegenstander

[‘De satan’] -[‘een tegenstander’] - het Hebreeuwse mnl. znw. woord ‘satan’ (‹H7854 - |שָׂטָן| - šāṯān›) komt 27 keer voor in het OT, verdeeld over 23 verzen. Het woord heeft betrekking op (‹1›) de satan in 1 Kr. 21;1, Job 1:6, 7, 8, 9, 12, Job 2:1, 2, 3, 4, 6, 7 en Zach. 3:1, 2, als de leider van alle gevallen engelen, de duivel, de oude slang, in welke gevallen het altijd met het bep. lidw. in de tekst staat  (‹2›) een engel (‹Num. 22:22, 32›) en (‹3›) mensen, vaak vertaald als ‘tegenstander’ of ‘aanklager’ in het bijzonder in een juridische situatie  (‹1 Sm. 29:4; 2 Sm. 19:22; 1 Kn. 5:4; 1 Kn. 11:14, 23, 25; Ps. 109:6›). 


[‘die ik aan de satan overgeleverd  heb’] - het woord ‘satan’, dat ‘tegenstander’ betekent, is niet een Grieks, maar een Semitisch woord. Hebreeuws en Aramees  zijn Semitische talen. In het Aramese NT van de Peshitta vinden wij 49 keer het woord ‘satana’ verdeeld over 45 verzen, terwijl het Aramese woord ‘akalqartsa’ (‹=duivel›) 20 keer voorkomt verdeeld over 20 verzen. 

–Het Aramese woord ‘satana’ in de Peshitta wordt in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR 35 keer weergegeven als ‘satan’ getranscribeerd en 14 keer vertaald als ‘diabolos’, terwijl het Aramese woord ‘akalqartsa’ in het Griekse NT in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR 19 keer wordt weergegeven als ‘diabolos’ en 1 keer, nl. in Lk. 13:16, als ‘satan’. 

–In het Griekse NT wordt het van oorsprong Semitische woord ‘satana’ 35 keer over 12 NT-ische boeken getranscribeerd als ‘satan’ en 14 keer vertaald als ‘diabolos’ (‹=duivel›). 

– In het OT komt het Hebreeuwse woord ‘satan’ 27 keer voor verdeeld over 23 verzen, waarbij het in 13 gevallen de satan, het hoofd van de gevallen engelen betreft, nl. in Job 1:6, 7, 8, 9, 12 en Job 2:1, 2, 3, 4, 6, 7 en  Zach. 3:1, 2.

H7860

שֹׁטֵר voorman 25 verzen - gecontroleerd

H7878

bekendmaken - Strongnr. H7878

H7879

H7880

[‘mijn klacht’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. |שִׂיחַ| (‹sīyaḥ - H7879›) heeft gewoonlijk betrekking hebben op innerlijke strijd en zorgen. Het komt 14 keer in het OT voor, verdeeld over 14 verzen. In Gen. 2:5; 21:13 en Job 30:4, 7 staat het woord voor een struik onder Strongnr. H7880, in 2 Kn. 9:11 voor ‘gezwets’ of ‘gezeur’ of ‘gemekker’ en in Job 7:13, 9:27, 10:1,  21:4, 23:2 en Ps. 55:3, 64:2, 102:1, 142:3 en Spr. 23:29 voor ‘een klacht’ of ‘geklaag’ en 1 Sm. 1:16 voor een ‘smart’ en in 1 Kn. 18:27 en Ps. 104:23 voor ‘in gedachten verzonken zijn’, ‘een overdenking’. 

H7896

H7898

[‘dorens en distels’] - de combinatie van het Hebreeuwse  woord |שָׁמִיר| (‹šāmīr  - H8068›) met het Hebreeuwse mnl. znw. |שָׁיִת| (‹šāyit - H7898›) die 7 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 7 verzen vinden wij alleen in het boek Jesaja. In Jesaja wordt het woord ‘šāmīr’ 1 keer nl. in Jes. 32:13 gecombineerd met het woord |qos| voor ‘dorens’ tot een uitdrukking die wij vertaald hebben als ‘een stekelige doornenstruik’ en 3 keer is het woord vertaald als ‘spijker’ nl. in Jer. 17:1, Ez. 3:9 en Zach. 7:12.  is afgeleid van het werkwoord |שִׁית| (‹šīṯ - H7896›) dat als eerste betekenis heeft ‘zetten’ of ‘plaatsen’. 

H7899

Het Hebreeuwse woord |שֵׂךְ| (‹sēḵ - H7899›) komt alleen voor in Num. 33:55 en het betekent ‘doorn’ of ‘dorens’ (‹collectivium›). Het woord is taalkundig waarschijnlijk verbonden met het Arabische |||شَوْكٌ||| (‹šawk›) voor ‘doorn’. 

H7901

Het Hebreeuwse werkwoord שָׁכַב (‹šākaḇ - H7901›), dat ‘liggen’ of ‘neerliggen’ betekent. 

[‘huwelijksbed’] - het Hebreeuwse woord  מִשְׁכָּב (‹mišḵāḇ - H4904›) heeft een meervoudsvorm maar wordt in die meervoudsvorm ook wel gebruikt voor ‘het liggen bij een vrouw’ (‹Lev. 18:22›). Hoewel het woord in het enkelvoud gewoon voor ‘bed’ of: ‘slaapbank staat, vinden we in deze meervoudsvorm en in het zinsverband toch aanleiding om te vertalen met ‘huwelijksbed’.

H7916

[‘dagloner’] - een knecht, een arbeider, iemand die voor geld bij je werkt, maar geen deel uitmaakt van het gezin, de familie of de stam (‹H7916›). 

H7958

[‘kwakkels’] - het Hebreeuwse woord שְׂלָו (‹ṧᵉlāw - H7958›) wordt in de LXX vertaald als ὀρτυγομήτρα, ‘ortugomitra’ d.w.z. ‘kwartels’. Volgens K&D zien de Arabieren hier een soort patrijs in die in grote getale werd aangetroffen in Arabië, Israël en Syrië. De vogels vliegen zo dicht op elkaar dat Arabische jongelui er met een stok wel drie tegelijk neersloegen. Het zijn trekvogels die in het voorjaar opkomen zetten vanuit de binnenlanden van Afrika en met de wind mee naar het noorden vliegen en in de herfst terugkomen, waarbij ze vaak uitgeput op de grond neervallen waardoor ze een makkelijke prooi vormen. De vertaling van de LXX en de met het Hebreeuws overeenstemmende benaming in het Arabisch 

nl. السَّلْوَى, ‘salwa’ voor ‘kwartels ‘vormen belangrijke aanwijzingen dat deze ‘kwakkels’ inderdaad een soort ‘kwartelachtige’ vogels zijn geweest. Uiteraard gaat het bij het verschijnen van deze vogels niet om een alledaags natuurverschijnsel, maar om een bijzondere ingreep van God in de door Hem bestuurde natuurverschijnselen.     

H7989

[‘de heerser’] - het Hebreeuwse שַּׁלִּיט (‹šalīṭ - H7989›) was mogelijk de titel waarmee Jozef als heerser werd aangesproken. We vinden het woord maar vier keer in het OT (‹Pred. 7:19, 8:8, 10:5›). 

H7991

[‘de elite van zijn manschappen’] - wat betreft het woord ‘elite’ gaat het om het Hebreeuwse woord שָׁלִשִׁם (‹šālišīm - H7991›), dat kan staan voor hoge officieren (‹b.v. 3e rangs, maar dan op te vatten als de hoogste rang›) of voor een bepaalde elite of selectie met hoge kwalificaties (‹‘het beste van het beste’›), maar ook zag men er wel een strijdwagen in voor drie man (‹menner, schilddrager en strijder›). Vondsten van afbeeldingen van oude Egyptische strijdwagens laten gewoonlijk 1- of 2-mans wagens zien. Omdat de basisletters van het Hebreeuwse woord een verwantschap hebben met het getal 3 of 30, zien wij die getalswaarden in de vertalingen terugkomen. In 1 Sm. 18:6 is het woord vertaald als ‘een driesnarig instrument’ en in Spr. 22:20 wordt het wel vertaald als ‘dertig’ (‹b.v. in de World English Bible›). In Spr. 22:20 wordt het door anderen overigens weer vertaald als ‘voortreffelijkheden’, wat meer in lijn is met de vertaling van dit vers. 

Ps. 80:6 [‘in overvloed’] - de lezing van de Griekse LXX  luidt: ‘in een maat’, soms vertaald als ‘in een maatbeker’ en soms ‘in grote mate’. De lezing van de Targum van de Psalmen luidt: ‘drie keer zoveel’. Deze vertaling komt voort uit het feit dat het Hebreeuwse woord (‹H7991›) veel overeenkomst vertoont met het Hebreeuwse telwoord ‘drie’. Het wordt door de samenstellers van de Targum kennelijk opgevat als een drievoudige hoeveelheid, d.w.z. een grote hoeveelheid. Zie o.a. de noot bij Ex. 14:7. 

 H7993

[‘[(water)]valler’] - het mannelijke Hebreeuwse zelfst. nmw. שָׁלָךְ (‹šālāk - H7994›), dat in het OT alleen in Lev. 11:17 voorkomt, is taalkundig verbonden met het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַךְ (‹šālaḵ - H7993›) dat ‘werpen’ of ‘gooien’ of ‘zenden’ betekent en 125 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 121 verzen. De vogel zou zich naar beneden gooien bij een stroomversnelling in een rivier om vissen te vangen. Vaak wordt het woord vertaald als ‘aalscholver’, soms met ‘visarend’ of ‘visuil’. De idee van ‘stroomversnelling’ komt uit de Septuaginta, waar men vertaalt met ‘καταρρακτην’ (‹‘katarraktin’›), dat is ‘waterval’ of: ‘stroomversnelling’. De Vulgata heeft in het Latijn ‘mergulus’ staan, wat men vertaalt als ‘aalscholver’ of: ‘pelikaan’.    

H7999

vergelden, inlossen, vergoeden, het nakomen 

(‹van een belofte›)

het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַם (‹šālam - H7999›) komt in 113 verzen in het OT voor. De hoofdbetekenis is die van ‘vergelden’ of ‘vergoeden’ met in het verlengde daarvan ‘belonen’, ‘betalen’, ‘volbrengen’, ‘voltooien’, ‘uitvoeren’, ‘bëeindigen’ en soms ‘herstellen’ of ‘vrede sluiten’. In de volgende 17 verzen van het OT staat het werkwoord voor ‘het inlossen van een belofte’: Dt. 23:22; 2 Sm. 22:7; Job 22:7; Ps. 22:26; 50:14; 56:13; 61:9; 65:2; 66:13; 76:12; 116:14, 18; Pred. 5:3, 4; Jes. 19:21; Jona 2:10 en Nahum 2:1. 

In Jes. 42:19 staat er een deelwoord van de Pual van het werkwoord, dat vertaald is als ‘vertrouweling’, een vorm die qua betekenis verwant is met de Hophal van het werkwoord in Job 5:23 met als betekenis ‘in vrede leven met’.

H8047










H8048





H8049




H8054



H8092


het Hebreeuwse vrouwelijke zelfstandige naamwoord שַׁמָּה (‹H8047›) dat 39 keer in het OT voorkomt, betekent ‘verwoesting’ of ‘woestheid’ en is vaak vertaald als ‘een woest gebied’ of ‘een woeste streek’ of ‘een woeste plaats’ of ‘een woestenij’. In een enkel geval is in het zinsverband gekozen voor ‘woestheid’.  In enkele gevallen is ook gekozen voor de vertaling ‘een vreselijke puinhoop’. 

Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord שָׁמֵם (‹H8074›) dat als eerste betekenis ‘verwoest zijn’ heeft. Het komt 92 keer voor in het OT in de Qal, de stam van het werkwoord, of in een afgeleide vorm van het werkwoord. 

In Gen. 36:13, 17 en in 1 Kr. 1:37 vinden we de met dit woord verband houdende naam ‘Samma’ voor een zoon van Rehuël. In 1 Sm. 16:9 en 1 Sm. 17:13 vinden wij deze naam ook voor een zoon van Isaï. Deze Samma was dus een broer van David. In 2 Sm. 23:11, 33 is het de naam van ‘Samma, de zoon van Age, de Harariet’ en in 2 Sm. 23:25  is de naam van ‘Samma, de Harodiet’.   

Alleen in 1 Kr. 27:8 vinden wij de naam ‘Samhuth, de Jizrahiet’ (‹H8049›), d.w.z. dat hij uit de familie van Zerach, de zoon van Juda stamde, zoals we lezen in 1  Kr. 2:4, 6.  De Zerahieten worden ook in 1 Kr. 27:11, 13 genoemd. 

In 1 Kr. 11:27 wordt de onder H8048 genoemde ‘Samma, de Harodiet’ iets anders genoemd nl. ‘Sammoth, de Harodiet’ onder H8054.  

‘Samma’ de broer van David wordt in 1 Kr. 2:13, 1 Kr. 20:7 ‘Simea’ genoemd

In 1 Kr. 3:5 is sprake van een zoon van David genaamd Simea, verwekt bij Bath-Sua ofwel Bathseba. 

In 1 Kr. 6:15 is sprake van een Leviet, een Merariet, genaamd Simea. 

Dezelfde naam ‘staat in 1 Kr. 6:24 voor een Leviet, de vader van Berechja, de vader van Asaf.

H8068

[‘dorens en distels’] - de combinatie van het Hebreeuwse  woord |שָׁמִיר| (‹šāmīr  - H8068›) met het Hebreeuwse mnl. znw. |שָׁיִת| (‹šāyit - H7898›) die 7 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 7 verzen vinden wij alleen in het boek Jesaja. In Jesaja wordt het woord ‘šāmīr’ 1 keer nl. in Jes. 32:13 gecombineerd met het woord |qos| voor ‘dorens’ tot een uitdrukking die wij vertaald hebben als ‘een stekelige doornenstruik’ en 3 keer is het woord vertaald als ‘spijker’ nl. in Jer. 17:1, Ez. 3:9 en Zach. 7:12.  is afgeleid van het werkwoord |שִׁית| (‹šīṯ - H7896›) dat als eerste betekenis heeft ‘zetten’ of ‘plaatsen’. 

H8071

kleren

het Hebreeuwse  שִׂמְלָה (‹šimlāẖ - H7999›) komt in 28 verzen in het OT voor. De hoofdbetekenis is die van ‘kleren’.  Het is vooral een kledingstuk dat je over de andere kleding heendraagt, bij voorbeeld om ‘s nachts in te slapen zoals in Dt. 22:17.

H8077

het Hebreeuwse woord שְׁמָמָה (‹H8077›) dat 58 keer in het OT voorkomt, betekent ‘verwoesting’ of ‘woestheid’ en is vaak vertaald als ‘een woest gebied’ of ‘een woeste streek’ of ‘een woeste plaats’ of ‘een woestenij’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord שָׁמֵם (‹H8077›) dat als eerste betekenis ‘verwoest zijn’ heeft. Het komt slechts 2 keer voor in het OT nl. in Jer. 12:1 en in Dan. 9:17.  

H8081

olie


H8104

bewaren

waken

[‘de bewaarder’] - het Hebreeuwse werkwoord |שָׁמַר} (‹samar - H8104›) komt in diverse vormen in deze psalm voor nl. in vs. 1, 3, 4, 5, 7 (‹2 keer›) en 8, in het totaal 7 keer. Daarom is God als de bewaarder van Israël de hoofdpersoon in deze psalm 121.

H8107

[‘[(in ere)] gehouden te worden’] - het Hebreeuwse woord שִׁמֻּרִים (‹šīmūrīm  H8107›) komt in de hier gebruikte vorm alleen in dit vers in de Bijbel voor. Het werkwoord, waar het van afgeleid is en dat veel in de Bijbel voorkomt, heeft de betekenis van ‘bewaken’, ‘waken over’ en zelfs ‘verwachten’. Maar ook is het ‘onderhouden’ of: ‘zich houden aan’, naar gelang het tekstverband en de vorm van het weerkwoord. Over de betekenis van deze nacht schrijven K&D: “This same night is (‹consecrated›) to the Lord as a preservation for all children of Israel in their families. Because Jehovah had preserved the children of Israel that night from the destroyer, it was to be holy to them, i.e., to be kept by them in all future ages to the glory of the Lord, as a preservation.” 

H8130

mijn haters

het werkwoord שָׂנֵא (‹sānēʾ - H8130›) betekent ‘haten’ en heeft een breed semantisch veld van ‘achterstellen’ (‹bijvoorbeeld: Wie niet haat zijn vader of moeder, Lk. 14:26›), ‘benadelen’ (‹Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon, Spr. 13:24›), tot emotionele vijandschap (‹doodslag vanuit haat, Dt. 19:4›).

In de tegenstelling liefhebben – haten is er vaak het element van voorkeur en keuze (‹2 Sm. 19:6; Ps. 97:10; Amos 5:14-15›). Met de uitdrukking ‘met een volkomen haat, haat ik hen’ sluit de psalmist elke deur: er is niet de minste gezamenlijke grond te vinden tussen hem en zijn vijand. Dit komt ook elders in de psalmen voor: Ps. 26:5; Ps. 31:7; Ps. 101:2-4; Ps. 119:53, 104, 113, 128, 163. Verder wordt het haten in de psalmen gebruikt voor de tegenstander en die hem daarin navolgen: Ps. 5:5; Ps. 9:13; Ps. 11:5; Ps. 18:17, 40; Ps. 21:8; Ps. 25:19; Ps. 34:21 enz.  

H8163

harig - bok - שָׂעִיר

H8165

[‘Seïr’] - dat is ‘harig’ of: ‘ruig’ (‹H8165›), zowel duidend op Ezaus voorkomen als op de beboste en ruige bergen van Edom. In Gen. 36:6 zien we dat dit het gebied van Ezau werd. Ezau was dus in Edom gaan wonen, tegenover zijn broeder wsl. in de buurt van Ishmaël (‹zie Gen. 16;12 en Gen. 28:9›), ten zuidoosten van Kanaän (‹Gen. 23:19, 25:18›). 

H8198

huisslavin


[‘slavinnen’] - het vrouwelijk Hebreeuwse zelfst. nmw. שִׁפְחָה (‹šifḥāẖ - H8198›) dat 63 keer in het OT voorkomt verdeeld over 58 verzen. Het woord komt 26 keer voor in Genesis, vooral voor Hagar en voor de Zilpa en Bilha de bijvrouwen van Jakob. Het heeft als eerste betekenis ‘slavin’, in de zin van iemand die zeer ondergeschikt is en op wie je al je werkzaamheden kan afwentelen, zelfs de sexuele relatie met je eigen man (‹vergelijk Sara met Hagar›). De meervoudsvorm is שְׁפָחוֺת (‹šᵉfḥāẖ̣ōṯ›). Het woord heeft betrekking op een '(‹huis›)slavin', een dienares die aan je huishouden verbonden is b.v. in Gen. 16:1: 29:24. Voor het verschil met אָמָה zie 1 Sm. 25:41 “Zie, uw huisslavin zal (‹uw›) slavin zijn om de voeten van de dienaren van mijn heer te wassen.” Het woord is verwant aan het Hebreeuwse woord מִשְׁפָּחָה (‹mišfāḥāẖ - H4940›), dat ‘soort’ of ‘stam’ of ‘familie’ kna betekenen.

H8227

[‘de klipdas’] - het mannelijke Hebreeuwse woord שָׁפָן (‹šāfān - H8227›) komt 34 keer in het OT voor, verdeeld over 34 verzen. Vaak is het woord met ‘konijn’ vertaald, maar tegenwoordig neemt men in het algemeen aan, dat hier de klipdas wordt bedoeld en wel de ‘hyrax syriacus’. Wat voor de haas geldt (‹zie de noot bij Lev. 11:6›), geldt ook voor de klipdas. Bovendien heeft hij twee blinde darmen. De functie van de tweede is onbekend, maar het is een zeer bijzonder verschijnsel. 

H8246

[‘amandel’] - het Hebreeuwse woord voor ‘amandelbloesems’ (‹מְשֻׁקָּדִים - mᵉšūqāḏīm - H8246›) heeft de betekenis van ‘zonder slaap zijn’, d.w.z. ‘de wacht houden’ of  ‘waakzaam zijn’. Zie ook de noot bij Gen. 30:37.    

H8256

[‘vijgenbomen’] - het Hebreeuwse vrouwelijke znw. |שָׁקָם| (‹šaqam - meervoud: šiqmūṯ - H8256›) staat hoogstwaarschijnlijk voor de ‘Ficus Sycomorus’, ofwel de Egyptische vijgenboom. Het Egyptische district Fayum werd in het oude Egypte het district van de sycamore genoemd. Het woord komt 7 keer in het OT voor verdeeld over 7 verzen: 1 Kn. 10:27, 1 Kr. 27:28, 2 Kr. 1:15, 2 Kr. 9:27, Ps. 78:47, Jes. 9:10 en Amos 7:14.

H8269

vorst, overste, bevelhebber, leider

gecheckt - rif en nl - het Hebreeuwse zelfst. nmw. שַׂר (‹sar - H8269›) komt 421 keer in het OT voor, verspreid over 368 verzen. Het is afgeleid van het Hebreeeuwse werkwoord  שָׂרַר (‹sārar - H8323›) dat slechts in 4 verzen in het OT voorkomt nl. Num. 16:13,  Est. 1:22, Spr. 8:16, Jes. 32:1 en ‘heersen als prins’ of ‘regeren’ betekent. 

H8269 [‘hofdienaar’] - letterlijk: ‘een ontmande’ of: ‘eunuch’ (‹H8269›). Veel voorname dienaren waren ook ontmand, maar het woord werd ook in algemene zin voor de hofdienaren gebruikt. Potifar was immers getrouwd, zo argumenteert men. Niettemin wordt dit woord in de Peshitta, de LXX en de Vulgata consequent met ‘eunuch’ of: ‘ontmande (‹dienaar›)’ vertaald, zij het dat Gesenius er t.a.v. de Peshitta bij opmerkt dat het daar gebruikte Aramese woord feitelijk ‘getrouwe’ betekent. Ontmanden werden als heel trouwe dienaren beschouwd in het Midden-Oosten. Zie ook de noot bij Daniël 1:3.

H8275

scepter

het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord שַׁרְבִיט (‹šārbīṭ - H8275›) dat 4 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 3 verzen heeft als eerste betekenis ‘scepter’ of ‘heersersstaf’. Het woord is van latere datum dan het veel gebruikelijkere oude woord שֵׁבֶט (‹šēbeṭ - H7626 - staf, stok, scepter, stam›) en in verband met die latere datum komen we het woord ‘šārbīṭ’ alleen 4 keer tegen in het boek Esther, dat stamt uit de tijd van de Perzische heerschappij (‹Esther 4:11; 5:2; 8:4›).  

H8277

[‘Safan’] - dat is ‘klipdas’ (‹H8227›). 

H8300

Het Hebreeuwse mnl. znw. enkv. |שָׂרִיד| (‹šāraḏ - H8300›) komt 29 keer in het OT voor, verdeeld over 28 verzen. Het woord betekent ‘overlevende’ of ‘ontkomene’ of ‘ontsnapte’, ‘vluchteling’. Vaak. is het woord vertaald als ‘overlevende’. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |שָׂרַד| (‹šāraḏ - H8277) dat alleen in Joz. 10:20 voorkomt en dat als eerste betekenis ‘vluchten’ heeft. 

Sarid is ook de naam van de gelijknamige stad in Joz. 19:10, 12. 

H8311

misgroei

[‘misgroei’] - het Hebreeuwse woord  שָׂרוּעַ  (‹sārūʿa - H8311›) komt 3 keer in de Bijbel voor nl. in Lev. 21:18; 22:23 en in Jes. 28:20. Het woord houdt verband met uitgerekt zijn of heel lang zijn en zou verband houden met allerlei misvormingen en vergroeiingen van het lichaam b.v. hele lange oren of twaalf vingers en tenen (‹2 Sm. 21:20›) e.d.

H8324

belagen

de grondbetekenis van het Hebreeuwse woord שׁוֹרֵר (‹šōrēr - H8324›) zou men kunnen omschrijven als een voortdurend om iemand heentrekken en hem daarbij scherp in de gaten houden. Het motief van dit belagen is duidelijk zeer vijandig. Het woord komt alleen in het boek Psalmen voor nl. in Ps. 5:8; 27:11; 54:5; 56:3; 59:10.

H8354

שָׁתָה - drinken - zie ook H4960

H8366

[‘die het tegen de muur doet’] - letterlijk: ‘die tegen de muur pist’ (‹H8366›). Uiteraard doelt David hiermee op de mannen. Mogelijk is de uitdrukking nog extra vernederend als het zo zou zijn, dat deze speciaal op het gedrag van jongens betrekking zou hebben die geen fatsoen geleerd hebben, zoals Gesenious meent De zinsnede komen we alleen 6 keer in het OT tegen waar sprake is van het ombrengen van alle leden van een familie, tot op de laatste man toe (‹1 Sm. 25:22, 1 Kn. 14:10, 16:11, 21:21 en 2 Kn. 9:8›). De uitdrukking verwijst niet naar honden zoals Ephraem Syrus, Juda ben Karish en anderen menen, ook niet naar de laagste maatschappelijke klasse, zoals o.a. Winer en Maurer menen, en evenmin naar kleine jongens zoals de Dieu, Gesenius en anderen veronderstellen, maar, zoals wij kunnen afleiden uit de verklarende bijzin in 1 Kn. 14:10, 21:21 en 2 Kn. 9:8, naar allen van het mannelijk geslacht (‹zie Bochart, Hieroz. i. pg. 776 e.v., en Rödiger over Ges. Thes. pg. 1397-8›).  

H8371

zetten, plaatsen

[‘leggen zij zich te ruste’] - over het Hebreeuwse woord שַׁתּוּ (‹‘šaṫū’ - H8371›) bestaat verschil van inzicht. In het algemeen wordt de hier gebruikte vorm herleid naar het werkwoord ‘zetten’ of ‘plaatsen’ (‹H7896›), maar men verschilt van gedachten over de aard van de werkwoordsvorm. Velen menen dat de betekenis is: ‘men zet hen’, waarbij het onderwerp van het werkwoord dan duistere hogere machten zijn, terwijl K&D, die wij in onze vertaling volgen, teruggrijpend op Ben-Asher, menen dat er sprake is van een soort passieve’ betekenis nl. ‘zij zetten zichzelf’ of: ‘zij leggen zichzelf neer’ of: ‘zij worden neergezet’ of: ‘zij worden neergelegd’. De schapen zijn dan het onderwerp van het werkwoord. Vgl. het gebruik van het werkwoord in Ps. 3:7, Hos. 6:11 en Jes. 22:7. We zien hier dan de tegenstelling tussen de ‘goede herder’ van Psalm 23 en de slechte herder, de dood, in deze psalm.    

H8379

[‘toppen’] - de betekenis van het Hebreeuwse woord תַּאֲוָה (‹ṯăʾvāẖ - H8379›) dat in het OT alleen in dit vers voorkomt is onzeker. Uitgaand van het werkwoord תָּאָה (‹ṯāʾāẖ - markeren - H8376›) menen Gesenius en Delitzsch dat het ‘grenzen’ of: ‘uiterste grenzen’ betekent. Daarvan leiden wij de vertaling ‘toppen’ af. Een andere mogelijkheid die bij ons opkomt is ‘schuilplaatsen’ n.a.v. een verwante Arabische taalkundige wortel أوي (‹awiya›), dat is ‘een schuilplaats zoeken’.

H8389

[‘aantrekkelijke’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. תֹאַר (‹toʿar - H8389›). Het betekent: ‘welgevormd’ of ‘mooi’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord תָּאַר (‹tāʿar - H8388›) dat ‘markeren’ of ‘tekenen’ betekent. Vaak het uitzetten of markeren van een grens.  

תֹּאַר. KJV Translation Count — Total: 15x

The KJV translates Strong's H8389 in the following manner: form (3x), goodly (2x), beautiful (with H3303) (2x), favoured (2x), comely (1x), countenance (1x), fair (with H3303) (1x), goodly (with H2896) (1x), resembled (1x), visage (1x).  

Strong's Number H8389 matches the Hebrew תֹּאַר (tō'ar), which occurs 15 times in 15 verses in the WLC Hebrew.

H8392

[‘ark’] - letterlijk: ‘kist’, immers het was een kistvormige boot.  Het Hebreeuwse vrwl. znw. תֵּבָה (‹ṯēḇāẖ - H8392›), dat hier voor ark staat, wordt ook gebruikt in verband met het rieten mandje waarin het kindje Mozes te vondeling werd gelegd aan de Nijloever (‹zie Ex. 2:3,5›). De traditionele term ‘ark’ in verband met de Kist die in het allerheiligste (‹of ‘het heilige der heiligen’›) stond in de Woning ofwel in de Tabernakel, gaat terug op een ander Hebreeuws woord met een vergelijkbare betekenis (‹zie de noot bij Ex. 25:10›).  

[‘rieten kistje’] - of ‘biezen mandje’ of ‘biezen kistje’ (‹tēḇaṯ - H8392, gomeʾ - H1573›). In het Hebreeuws wordt hetzelfde woord voor de kistvormige ark van Noach gebruikt. Het rieten mandje kan er heel goed als een klein kistje uit hebben gezien. Zie ook de noot bij Gen. 6:14. De gebruikte rietsoort is papyrus, ook in Jes. 18:2. Mogelijk dat het woord ‘ṯēḇāẖ’ verband met het Arabisch werkwoord |||تَابَ||| (‹tāba›) dat staat voor ‘berouw hebben’ en ‘zich bekeren’ en ‘terugkeren tot God’, maar die verbinding wodt in het algemeen niet gelegd.

Het Hebreeuwse woord voor ‘de Kist van de Getuigenis’, vaak ook vertaald met ‘Ark van de Getuigenis’, is een ander woord nl. אֲרֹן הָעֵדֻת (‹ʾărōn ẖā-ʿēḏūṯ - H727›). Dit woord ‘kist’ is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord אָרָה (‹ʾārāẖ - H717›) dat ‘verzamelen’ of: ‘bijeenbrengen’ betekent.  

[‘ark’] - letterlijk: ‘kist’, immers het was een kistvormige boot. Het Hebreeuwse woord תֵּבָה (‹ṯēḇāẖ - H8392›) betekent ‘kist’ of ‘koffer’ of ‘ark’ en het wordt ook gebruikt in verband met het rieten kistje waarin het kindje Mozes te vondeling werd gelegd aan de Nijloever (‹zie Ex. 2:3, 5›). Het Hebreeuwse woord komt 28 keer voor in het OT verdeeld over 25 verzen (‹23 keer voor ‘ark’ en 2 keer voor ‘kistje’›). Zowel de ‘ark’ als het rieten kistje van Mozes moesten met pek worden ingesmeerd opdat het water niet naarbinnen zou dringen. 

–De traditionele term ‘Ark’ in verband met de ‘Kist van het Verbond’, die in het Allerheiligste (‹of ‘het Heilige der heiligen’›) van de Woning, ook wel Tabernakel genoemd, gaat terug op het Latijnse woord ‘arca’, dat in de Latijnse Vulgata wordt gebruikt voor de ark van Noach en voor het rieten kistje van Mozes. Voor het Hebreeuws woord ‘Kist’ in de uitdrukking ‘de Kist van het Verbond, zie H727 in de Hebreeuwse Woordenlijst.   

H8394

inzicht,

verstand

Het Hebreeuwse woord תָּבוּן (‹H8394›) 

H8414

[‘leeg’] - het Hebreeuwse mannelijke zelfst. nmw. |תֹהוּ| (‹toẖū - H8414›) komt 20 keer voor in het OT verdeeld over 19 verzen in het OT voor en de herkomst van het woord is onbekend, maar er is grote consensus dat het woord als eerste betekenis ‘leegheid’ of ‘leeg’ (‹Gen. 1:2; Job 6:18; Jes. 29:21; 34:11; 40:17; 40:23; 41:29; 44:9; 45:18  Jer. 4:23›) heeft en als eerstvolgende betekenis ‘verlaten zijn’ (‹Dt. 32:10; Job 12:24; 26:7; Ps. 107:40; Jes. 24:10›)  . Men zou daar iets ‘negatiefs’ in kunnen lezen als dat het nog ‘onbestemd’ daar lag, maar dat is niet moreel gezien niet negatief, maar Gods plan moest nog gestalte krijgen, dit was nog maar het prille begin en allesbehalve de voltooiing en de volmaaktheid, ook al was het goed in Gods ogen.  Andere vertalingen: ‘tevergeefs’ (‹Jes. 45:19; 49:4›) of ‘niets’ of ‘nietszeggende’  of ‘geklets’ (‹1 Sm. 12:21; Jes. 59:4›). 

H8415

[‘over de bruisende [(wateren)]’] - letterlijk: ‘over de gezichten van de het bruisen’. Het Hebreeuwse woord voor ‘bruisende (‹wateren›)’ (‹H8415›) komt in 35 verzen in het OT voor steeds in verband met wateren als een niet expliciete, maar impliciete betekenis van het woord (‹b.v. in Job 3:30 en Pred. 8:27›), vandaar ‘bruisende [(wateren)]’. Het woord is heel oud. Het is ook aangetroffen op de kleitabletten in Ebla (‹Noord-Syrië›), die dateren van ongeveer 2300 v. Chr. Het zelfstandige naamwoord is afgeleid van het werkwoord |הוּם| (‹ẖūm - H1949›), dat 6 keer in het OT voorkomt nl. Dt. 7:23, Ruth 1:19, 1 Sm. 4:5, 1 Kn. 1:45, Ps. 55:2 en Mi. 2:12. De eerste betekenis van dit werkwoord is ‘in beweging zetten’ of ‘in beroering brengen’ of ‘in beroering raken of zijn’ of ‘gonzen’ (‹b.v. in Ruth 1:19›).  Zie ook H1993 in 32 verzen 34 keer en H2000 in 14 verzen 16 keer en H1949 in 5 verzen 6 keer.

H8438

worm,

karmozijnrood

Het meervoudige Hebreeuwse woord תּוֹלָעִים (‹tōlāʿīm - H8438›) dat hier vertaald is met ‘worm’, is op veel andere plaatsen vertaald met ‘karmozijnrood’ vanwege de felle rode kleurstof die het schildluiswormpje voortbrengt. 

Ex. 25:4 

 [‘scharlakenrode’] - het Hebreeuwse woord תּוֹלָע (‹tōlāʿ - H8438›) heeft waarschijnlijk als grondbetekenis ‘lang zijn’ of uitgestrekt’ of ‘uitgerekt zijn, vandaar de afgeleide betekenis ‘worm’. Het Nederlandse woord ‘scharlaken’ is afgeleid van het Perzische ‘saqerlāt’ (‹Arabisch: ‘siqillāt’›) dat staat voor een fijne wollen stof met een hoogrode kleur. De kleurstof die deze kleur vertegenwoordigt, komt voort uit een luis met een wormvormige gedaante, de zgn. ‘kermes’ of ‘schildluis’ die aangetroffen wordt op zgn. ‘kermeseiken’. De ‘cochenilleluis’ is een Zuid- en Middenamerikaanse variant van de ‘schildluis’, die een iets andere, maar vergelijkbare tint rood oplevert, nl. ‘karmijn’ of ‘cochenille’. Deze variant zou de kleurstof van de ‘kermes’ of ‘schildluis’ rond 1600 verdrongen hebben. Het Hebreeuwse woord שָׁנִי (‹šanī - H8144›) staat voor helderrood. Beide woorden samen staan dus voor ‘scharlakenrood’. De heldere rode kleur is afkomstig van een kleurstof van de ‘kermes’, de ‘schildluis’, een halfvleugelig insect. Dit diertje komt voor op de takken en bladeren van een bepaald soort eik (‹de altijd groene kermeseik›). Er zijn ronde, ovale en langgerekte varianten van het diertje. Rond april zetten de vrouwelijke schildluizen zich vast op de eik als rode bessen ter grootte van een rozijn. Nadat zij voldoende voedsel aan de boom onttrokken hebben, worden de eieren gelegd en sterft het diertje en laat een onuitwisbare rode plek achter. Het verdroogde lichaam beschermt nu de eieren. Door het fijnmaken van de verdroogde lichamen wordt een rode verfstof verkregen. De kleur karmozijn is een donkerder tint rood dan scharlaken en komt slechts 4 keer voor in het OT. Deze kleur wordt in de tekst aangeduid als ‘karmozijnrood’ (‹H3758›). Zie ook de noot bij Ps. 22:7. 

Ps. 22:7. 

het is in het Hebreeuws grammaticaal gezien de vrouwelijke vorm van dit diertje, dat eigenlijk een ‘schildluis’ is. Het is het vrouwtje dat moet sterven om vrucht voort te kunnen brengen. Er blijft dan een scharlakenrode stof achter bij het sterven die kostbaar en onuitwisbaar is (‹zie de noot bij Ex. 25:4 ten aanzien van ‘scharlakenrood’›) De woorden erachter ‘en geen man’ krijgen een dubbele lading, namelijk: (‹a›) dat de ‘ik’ zich niet als een mens beschouwt maar als een klein schildluisje en (‹b›) zich bovendien als wormvrouwtje ziet, terwijl hij eigenlijk mannelijk is. Dat laatste contrast wordt niet zo scherp verwoord, omdat het woord voor ‘man’ hier niet bij uitstek het Hebreeuwse woord voor ‘man’ is om ‘mannelijk’ tegenover ‘vrouwelijk’ te zetten, maar dat neemt niet weg dat er wel ‘man’ staat, ook al kun je het lezen als ‘mens’. Lees ook Jes. 52:14 als profetische tekst over het lijden van Jezus Christus, dat nodig was om vrucht voort te brengen, want daarover lezen wij in de slotverzen van deze psalm. Deze psalm is bijzonder profetisch over de bedoelingen van Jezus’ lijden en sterven. (‹lees b.v. 1 Jh. 4:9›). Als wij weten dat de kleur van scharlaken bloedrood is, dat scharlaken heel kostbaar en bovendien onuitwisbaar is, dan geeft dat ons bijzonder veel te denken over het voor altijd reinigende bloed van Jezus Christus, van ‘Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden verlost heeft door zijn bloed’ (‹Op. 1:5›).  

H8443

[‘torenhoge’] - het Hebreeuwse woord |תּוֹעָפוֹת| (‹tōʿāfōṯ - H8443›) is een meervoudig vrouwelijk zelfst. nmw. dat 4 keer in het OT voorkomt en 2 keer is vertaald met ‘horens’, nl. ‘de horens van een buffel’ (‹Num. 23:22; 24;8›) en 2 keer met ‘torenhoog’ (‹Job 22:25; Ps. 95:4›) en dus 1 keer als ‘bergen’. Het gemeenschappelijke is het hoog verheven zijn. In alle gevallen wijst het woord op Gods macht. 

H8446

Het Hebreeuwse werkwoord תּוּר (‹tūr - H8446›) komt 23 keer voor in het OT, verdeeld over 21 verzen. Het werkwoord heeft als eerste betekenis ‘rondreizen’, ‘verkennen’ of  ‘onderzoeken’ of ‘verspieden’. 

H8451  

Wet

onderwijzing

Het Hebreeuwse woord תּוֹרָה (‹tōrāh - H8451›) betekent ‘onderwijzing’, ‘Wet’. Wij schrijven het met een hoofdletter waar het o.i. betrekking heeft op de Wet van Mozes. Het woord wordt ook gebruikt voor menselijke wetten. Typisch is ook de uitdrukking ‘het boek van de Wet’ of ‘de boekrol van de Wet’ in Joz. 1:8; 8:34; 2 Kn. 22:8, 11 en Neh. 8:3.  Het meervoud תּוֹרֹת (‹tōrōt›) vinden wij o.a. in Ex. 18:20 en Lev. 26:46. 

H8453

[‘bijwoner’] - dit is iemand die bij een ander volk woont, een vreemdeling (‹H8453›). Uit het Bijbels gebruik van het woord, concluderen we dat het echt om iemand gaat die in het land woont als vreemdeling. Het is dus niet iemand die voortdurend rondtrekt. Abraham was een bijwoner onder de Kanaänieten en Lot onder de bewoners van Sodom en Gomorra.

H8457

hoererij

[‘hoererij’] - in het Hebreeuws ‘hoererijen’. Het Hebreeuwse woord תַּזְנוּת (‹taznūṯ - H8457›) komt in 19 verzen in het OT voor en wel uitsluitend in het boek Ezechiël nl. 9 keer in Ez. 16 en 10 keer in Ez. 23, in alle gevallen in het meervoud. Dit woord heeft in Ezechïel betrekking op geestelijke hoererij, het vereren en aanbidden van afgoden.  

H8464

[‘de wreedaard’] - het Hebreeuwse woord תַּחְמָס (‹ṯaḥmās̱ - H8464›) houdt verband met het werkwoord חָמַס  (‹ḥāmas̱ - H2554›) dat ‘wreed handelen, onderdrukken’ betekent. Bochart denkt hierbij aan de mannetjesstruisvogel. K&D vinden dat niet erg waarschijnlijk, evenmin als ‘de uil’ omdat die later in deze opsomming zou worden genoemd (‹zie ‘doodsblazer’›) en ook ‘de zwaluw’ niet omdat die in Jer. 8:7 onder een andere naam voorkomt. K&D denken eerder aan de koekoek, die de eieren en jongen van andere vogels uit het nest stoot, om het dan als nest voor zichzelf te gebruiken.  Men vertaalt vaak met ‘nachtuil’ of een andere uilsoort, terwijl de King James vertaling ‘nachthavik’ heeft. De Septuaginta heeft ‘uil’ (‹‘γλαυκα’›) en de Vulgata ook (‹in het Latijn ‘noctuam’›).  Deze vogel wordt alleen genoemd in Lev. 11:16 en in Dt. 14:15.  

H8476

[‘dolfijnenhuiden’] - of ‘tachasvellen’. Het Hebreeuwse woord תַּחַשׁ (‹ṯaḥaš - H8476›) wordt door de Joodse Talmoed opgevat als betrekking hebbend op een das of op een dasachtig dier zoals de wezel. Volgens Gesenius, in zijn gezaghebbende Lexicon van het Bijbels Hebreeuws, zou het ook op een dolfijn of op een dolfijnachtig dier, zoals een zeehond of zeerob kunnen slaan. In Ez. 16:10 staat dat er schoeisel voor vrouwen van werd gemaakt. Zeehondenhuiden dienen nog steeds voor het maken van schoenen. Het verwante Arabische woord staat tot op de dag van vandaag voor ‘dolfijn’.   

H8492

[‘nieuwe wijn’] - in het Hebreeuws תִירֹשׁ (‹tīroš - H8492›). Het woord komt 38 keer in het OT voor. Dit is wijn van pas geoogste druiven en heeft een zeer gering alcohol percentage. Daarom vinden we ‘nieuwe wijn’ nooit in het OT in verband met dronkenschap. De volle wijn is יַיִן (‹yayin - H3196›). Dit woord vinden we in 138 verzen in het OT. We komen het o.a. tegen in de geschiedenis van de dronkenschap van Noach  (‹Gen. 9:21›). In Ps. 75:8 wordt deze term ook gebruikt in verband met Gods toorn, maar ook in Gen. 14:18 waar Melchizédek brood en wijn aan Abraham brengt. In Hos. 4:1 en Mi. 6:15 komen de beide termen in één vers tegelijk voor.

[‘nieuwe wijn’] - of: ‘most’. Het Hebreeuwse woord |תִּירוֹשׁ|  (‹tīrōš - H8492›) is verwant met het Hebreeuwse werkwoord voor ‘onteigenen’ of: ‘onterven’ of: ‘bezit nemen van’ |יָרַשׁ| (‹yāraš - H3432›). De toepassing van dit begrip op nieuwe wijn houdt verband met het feit dat de alcoholhoudende nieuwe wijn de werking van ons verstand overneemt en de gebruiker in een nieuwe toestand brengt. De werking van het verstand verandert door de werking van de wijn. (‹Gesenius›). 

H8504

[‘purperblauwe’] - het Hebreeuwse woord תְּכֵלֶת (‹tᵉḵēleṯ - H8504›) staat voor een schelpdier met ceruleumblauwe schelp waaruit een ‘blauwpurperen’ kleurstof wordt gewonnen. Sommige deskundigen nemen aan dat in de tijd van de uittocht uit Egypte de kleurstof van dit schelpdier afkomstig was dat veelvuldig in de Middellandse Zee voorkwam. Men spreekt dan ook wel van de ‘zeeslak’. Het woord ‘purper’ komt van het Latijnse ‘purpura’ en van het Griekse ‘porphura’ dat voor ‘purperslak’ staat. Deze slak levert een donkerpaarse kleurstof op die naar hem is vernoemd. De kleur purper is nauw verbonden met koninklijke kledij en staatsiegewaden en wordt ook wel gezien als de kleur die staat voor overvloed.   

H8522

[‘pijlkoker’] - het Hebreeuwse woord תְּלִי (‹tᵉlī - H8522›) staat voor iets wat je omhangt. Sommigen menen dat het ook een zwaardhouder had kunnen zijn. 

H8535

[‘rustig’] - de eerste betekenis van dit woord in het Hebreeuws is ‘volmaakt’ of: ‘oprecht’ (‹H8535›), maar het woord kan in het zinsverband ook gelezen worden als ‘goed’ of: ‘goedig’ of: ‘rustig’

H8537

oprechtheid

het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord תֹּם (‹tōm - H8537›) betekent ‘volkomenheid’ of ‘volheid’ of ‘oprechtheid’ d.w.z. ‘volkomenheid’ b.v. van het hart. Het wijst ook op ‘onschuld’ en ‘eenvoud’.

H8453

[‘uit de bijwoners’] - het Hebreeuwse woord תּוֹשָׁב (‹tōšāḇ - H8453›) betekent ‘bijwoner’. Het woord komt 14 keer in het OT voor, verdeeld over 13 verzen. Sommige vertalingen geven als vertaling ‘inwoners’, maar die vertaling wijkt dan af van alle andere keren dat het woord in het OT voorkomt en wel vertaald wordt als ‘bijwoner’. Sommige vertalingen volgen de LXX, de Griekse Septuaginta, waarvan de lezing luidt: ‘uit Tisbe in Gilead’, maar wij houden vast aan de Masoretische tekst. 

H8569

[‘jullie zullen weten dat Ik afstand [(van jullie)] genomen heb’] - letterlijk zou het Hebreeuws betekenen ‘jullie zullen weten mijn verwijdering’ of ‘mijn vervreemding’ of ‘mijn afwezigheid’. Het Hebreeuwse woord (‹|תְּנוּאָה| - tnūʾāẖ - H8569›) komt alleen nog voor in Job  33:10 in het meervoud en de ermee samenhangende werkwoordsvorm (‹H5106›) komt voor in Num 30:5. 

H8573

[‘heen en weer te bewegen’] - het Hebreeuwse werkwoord נוּף (‹nūf - H5130›) komt 37 keer in het OT voor, verdeeld over 35 verzen en het heeft als eerste betekenis ‘heen en weer bewegen’, waarbij het ‘heen’ vaak in meerdere of mindere mate opwaarts was. Volgens K&D heeft de uitdrukking betrekking op een ceremonie waarbij de priester het offer op de handen van de offeraar legde en de priester zelf zijn handen onder die van de offeraar hield, waarbij ze dan samen een beweging maakten in opwaartse richting naar het altaar (‹dat is naar God toe ter overhandiging›) en weer terug (‹naar de offeraar toe als teken, dat hij het uit Gods hand terugontving als een geschenk van God voor zijn dienaren, de priesters›). Het Hebreeuwse woord תְּנוּפָה (‹tᵉnūfāẖ - H8573›) is hiervan afgeleid en komt 30 keer in het OT voor, verdeeld over 28 verzen. De eerste betekenis is ‘dat wat heen en weer bewogen wordt’, d.w.z. het ‘beweegoffer’, maar het heen en weer zwaaien kan op ook betrekking hebben op het dreigende heen en weer zwaaien van de handen of armen, zoals in Jes. 19:16 en Jes. 30:32.

H8577

[‘draakachtig beest’] - het Hebreeuwse woord |תַנִּין| (‹H8577 - ‘tannīn’ met als meervoud ‘tannīnīm’›) staat voor grote (‹zee›)dieren (‹Gen. 1:21›). Niet alle ‘tanninim’ blijken in de zee te leven, zoals wij ook in dit vers zien. Men suggereert ook wel dat het een krokodil was. De vertaling met ‘slang is in overeenstemming met Ex. 7:15, waar het gewone Hebreeuwse woord voor slang staat. De vertaling ‘krokodil’ is wel passend voor Egypte, maar de vraag is of dat dier hier wordt bedoeld. Wij hebben al met al gekozen voor ‘een draakachtig beest’, dat echter in Ex. 7:15 ook ‘slang’ wordt genoemd, maar hoe die slang eruit zag en wat voor soort dier dat werkelijk was, is moeilijk te zeggen. Er zijn ontdekkingen gedaan die erop wijzen dat ook na de zondvloed, nog steeds grote reptielachtige dieren, draakachtige dieren, voorkwamen. Reptielen blijken hun leven lang door te groeien. Als ze lang leven, worden ze dus heel groot. Vredenburg schrijft ‘watergedrocht’. In de zondeval werd ook de dierenwereld meegesleept en wat ‘een zeedier’ was, werd zo in zekere zin ‘een zeemonster’ of: ‘een watergedrocht’ of: ‘een draakachtig dier’. In Job 41 wordt melding gemaakt van de Leviathan, die volgens Jes. 27:1 een draakachtig dier (‹‘tannin’›) was, dat als zeemonster wordt aangeduid. Hij wordt overigens ook ‘slang’ genoemd, maar dat is mogelijk in verband met zijn uiterlijke gelijkenis en niet een aanduiding van zijn soort.  

H8580

[‘lelijke brieser’] - het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. תִּנְשֶׁמֶת (‹ṯinšemeṯ - H8580›) komt 3 keer in het OT voor, nl. in Lev. 11:18, 30 en Dt. 14:16. Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָשַׁם (‹nāšam - H5395›), dat alleen in Jes. 42:14 voorkomt en dat ‘hijgen’ of: ‘uitblazen’ kan betekenen en in afgeleide vormen ook ‘vertrappen’. In Lev. 11:30 hebben wij het zelfst. nmw. woord ‘ṯinsāmeṯ’, net iets anders gespeld dan in Lev. 11:18 vertaald met ‘kameleon’. Zichzelf opblazen is een typisch kenmerk van de kameleon, die zijn buik urenlang opgeblazen kan houden. De Septuaginta heeft als vertaling  ‘πορφυριωνα’ (‹porphirion - dat is ooievaar›) en de Vulgata in het Latijn ‘cycnum’, dat is ‘zwaan’, maar als men er rekening mee houdt dat in de Vulgata de 1e en 3e vogel zijn omgewisseld dan heeft de Vulgata ook ‘porphyrion’, net als de Septuaginta.

[‘kameleon’] - in Lev. 11:18 komt hetzelfde Hebreeuwse woord הַתִּנְשָׁמֶת (‹tinṣāmęt - H8580›) met iets andere klinkers voor dat we als ‘de lelijke brieser’ hebben vertaald. Men denkt hierbij ook wel aan zichzelf opblazen, een typisch kenmerk van de kameleon, die zijn buik urenlang opgeblazen kan houden. K&D, Gesenius en de NET Bible kiezen voor ‘de kameleon’. Anderen kiezen voor ‘de mol’. 

H8596

tamboerijn - tuf

H8615

[‘Tofet’] - de betekenis van deze naam is niet zeker (‹H8612›). De naam komt in het OT voor in Jer. 7:31, 32, 19:6, 11, 12, 13, 14. De grondbetekenis zou zijn ‘een plaats waar men op spuwt’ (‹vgl. Job 17:6 - H8611 - en Jes. 30:33 - H8613›). Gesenius suggereert dat de naam zou staan voor ‘plaats waar men de doden verbrand’ of voor ‘begraafplaats’. De rabbijnen zouden de naam ook opvatten als een verwijzing naar de hel, de plaats van vuur. We denken dat er taalkundig het meest te zeggen is voor de eerste betekenis, maar anderzijds was de vreselijke praktijk om daar kinderen voor de afgoden door het vuur te laten oversteken, dan wel aan hen te offeren, een helse en satanische activiteit, die mogelijk in de tweede betekenis van het woord doorklinkt.   

H8643

[‘gejuich’] - het Hebreeuwse woord תְרוּעָה (‹tᵊrū‘āh - H8643›) heeft als eerste betekenis ‘een luid geluid maken’ en naar gelang het zinsverband kan het woord b.v. met ‘geschal’ of: ‘gejuich’ of met ‘luid roepen’ vertaald worden.

H8641

[‘heffingsgave’] - het Hebreeuwse woord תְּרוּמָה (‹tᵉrūmāẖ - H8641›) zou men ook met ‘offergave’ kunnen vertalen, maar omdat het Hebreeuwse woord ‘heffen’ of: ‘opheffen’ betekent, vertaalt men het in het algemeen als ‘hefoffer’ of: ‘heffingsgave’, d.w.z. men neemt iets van het eigen bezit om dat a.h.w. op te heffen naar God en het zo aan God te geven. 

H8658, H8659

Ex. 28:17-20 de diverse stenen in het borstschild. Gebruik de noten bij de verzen.


[‘chrysoliet’] - Ex. 28:20 in het Hebreeuws staat er het woord תַּרְשִׁישׁ (‹taršīš - H8658, H8659›). Het woord heeft volgens Gesenius diverse betekenissen. 

–Ten eerste is het de aanduiding voor de stad ‘Tartessos’ in Spanje, die soms ook ‘Tarsion’ wordt genoemd. Deze stad is gelegen tussen de beide mondingen van de rivier de Baetis, de tegenwoordige Guadalquivir rivier. De naam van de stad komt 28 keer in het OT voor, verdeeld over 24 verzen. Vanaf deze plaats werden zilver, ijzer, tin en lood naar Tyrus gebracht (‹zie Diod. Sic., v. 35 - 38. Strab. iii. pag. 148 ; Casaub.›), Jer. 10:9; Ez. 27:12, 25. Zie Bochart, in Geogr. Sacra, lib. ili. cap. 7, pg. 165 e.v.; J. D. Michaëlis, Spicileg. Geogr. Hebr. Extera, i. pg. 82-103; en G. G. Bredovii Disqui. Histor. fasc. i. pg. 260 - 803. Vergelijk Gesenius’ Commentaar op Jesaja 23:1, over ‘de schepen van Tarsis’, een term die deels terecht is want het waren schepen die ofwel van Tyrus naar Tarsis gezonden werden dan wel vandaar terugkeerden, Jes. 23:1, 6; 60:9, maar deels was het ook een algemene term voor grote vrachtschepen die naar andere landen voeren, zoals in Jes. 2:16, Ps. 48:8. Zie ook 1 Kn. 10:22 (‹vergelijk 1 Kn. 9:28›); 22:49. De term wordt ook gebruikt voor de schepen die naar Ofir gingen, hoewel de schrijver van Kronieken dit gebruik niet lijkt te kennen of het niet wil erkennen: zie 2 Kr. 9:21; 20:36, 37. O.i. doet de Kroniekenschrijver er goed aan om ‘schepen van Tarsis’ ook schepen van Tarsis te laten zijn. Ook is het twijfelachtig of we in deze schepen in Jes. 2:16 en Ps. 48:8 iets anders zouden moeten zien dan schepen uit Tarsis, zoals Gesenius meent.

–Ten tweede staat het woord ‘taršīš’ voor een edelsteen die zijn naam aan deze stad ontleent, net zoals de Bijbel spreekt van ‘goud van Ofir’ in Ex. 28:30, 39:13, Ez. 1:16, 10:9, 28:13, Hgld. 5:14 en Dan. 10:6, zo moeten we deze edelsteen ook opvatten als ‘de steen van Tarsis’. Het is een groene halfedelsteen, die bij het slijpen een goudglans krijgt. K&D houden het op een goudgele kleur. Anderen menen een olijfolieachtige kleur, die we kunnen beschouwen als een mengeling van goudgeel en groen. Men vertaalt ook wel met ‘turkoois’ of ‘beril’. De Midrash geeft blauwgroen als kleur aan in Ex. 28:20 waar het gaat over het borstschild van de hogepriester en kent de steen toe aan de stam Aser. Het is de 10e steen die in de opsomming in Ex. 28:17-20.   

Waarschijnlijk is dit dezelfde steen als de ‘chrysopraas’ in Op. 21:20, waar deze net als in Ex. 28:17-20 op de 10e plaats staat, maar ‘chrysoliet’ wordt genoemd. 

–Ten derde staat ‘taršīš’ in Est. 1:14 en in 1 Kr. 7:10 voor de naam van een Perzische prins.



Bronnen:

EBV bijbeltekst




Gesenius’ Hebrew and Chaldee Lexicon to the Old Testament Scriptures - Translated by Samuel Prideaux Tregelles., LL. D. - WM, B. Eerdmans Publishing Company - Grand Rapids, Michigan, 1949



Bewerking: 

redactie EBV - 1 juni 2024