WOORDENLIJST HEBREEUWS (OT)

 



Deze woordenlijst is in bewerking. De onderstreping van het Strongnummer in de linkerkolom geeft aan dat de bewerking voltooid is.

Hieronder volgen belangrijke Hebreeuwse woorden met hun uitleg, overwegend ontleend aan de verklaringen van Gesenius en de bijbelcommentaren van K&D. 

H120

Adam

het Hebreeuws woord ‘mens’ is hetzelfde als de naam ‘Adam’ (‹H120›). De grammaticale wortel van dit Hebreeuwse woord en deze Hebreeuwse naam houdt verband met de betekenissen ‘rood’ en ‘bloed’. Men zou ook kunnen vertalen ‘de roodbloedige mens’, zoals een enkele Nederlandse vertaling doet. Deze naam is het woord voor ‘mens’ geworden. Het tekstverband bepaalt of wij met de eerste mens, Adam, te maken hebben, dan wel met ‘een mens’ of ‘de mens’, ‘de mensen’ of met ‘de mensheid’ of met ‘de man’ tegenover ‘de vrouw’. In het laatste geval, de tegenoverstelling van man en vrouw wordt een ander Hebreeuws woord gebruikt nl. אִישׁ (‹ʾīš - H376›) en אִשָּׁה (‹ʾiṧāh - H802›). De naam komt voor met lidwoord (‹הָאָדָם - hā-ʾādām›) en zonder lidwoord (‹אָדָם - ʾādām›).

H341

vijanden

het Hebreeuwse woord אֹיֵב (‹ʾoyēḇ - H341›) komt ruim 280 keer in het OT voor, waarvan 74 keer in het boek Psalmen. Dit betekent uiteraard dat ‘de vijand’ een belangrijk thema in het boek Psalmen is. De vijand is ten diepste de ‘antichrist’. Opnieuw brengt de Heilige Geest ons door de psalmist naar de eindtijd die gekenmerkt wordt door verdrukking, oordeel en het wonen in Sion. 

H376 

man, mannetje,

ieder, iedereen, elk

iemand, mens

het Hebreeuwse woord אִישׁ (‹ʾīš - H376›) betekent ‘man’ of ‘mens’. Het meervoud אִישִׁים komt slechts enkele keren voor, o.a. in Spr. 8:4. Het woord komt in 1436 verzen voor in het OT. De vrouwelijke vorm  אִשָּׁה  (‹ʾīṧāh - H802›) staat voor ‘vrouw’ als tegenovergesteld aan ‘man’ en komt in 686 verzen in het OT voor. Daarom betekent het ook ‘man’ en ‘vrouw’ als echtgenoot en echtgenote en zien wij de vrouwelijke variant ook terugkomen in de uitdrukking ‘het zaad van de vrouw’ in Gen. 3:15 en de mannelijke variant in de uitdrukking ‘het zaad van de mannen’ in 1 Sm. 1:11. Het woord ‘man’ wordt vaak gebruikt in de zin van een individu. In 1 Sm. 2:33 staat het woord voor de man in zijn kracht. Het woord ʾīš wordt ook gebruikt in de tegenoverstelling van mens en God (‹Job 9:32; 12:10; Jes. 7:13›) en die van mens en dier (‹Ex. 11:7›). In Gen. 7:2 wordt het woord gebruikt voor een exemplaar van een mannetjesdier. 

H410 

God

de Hebreeuwse naam אֵל (‹ʾĒl - H410›) voor God komt 245 keer in het OT voor, verspreid over 235 verzen: in 57 verzen vanaf Genesis tot aan 2 Samuël, in 55 verzen in Job en in 73 verzen in de psalmen en in 24 verzen in het boek Jesaja. Het de oude benaming voor God als de Schepper, tegenover de benaming ‘Elohim’ voor de God van het verbondsvolk. De eerste keer dat wij de naam ‘El’ tegenkomen is in Gen. 14:18 waar staat dat Melchizédek de Priester was van God, van ‘El’, de Allerhoogste. De benaming ‘El’ wordt in enkele gevallen, net als de benaming ‘Elohīm’ ook op afgoden toegepast (‹b.v. in Jes. 44:17 en Jes. 45:20›).  

H519

jongen

Het Hebreeuwse woord אָמָה (‹āmāh - H519 - 238 keer verdeeld over 221 verzen›) heeft als eerste betekenis ‘jongen’. De meervoudsvorm is אֲמָהֹת (‹ămāhot›). Het woord duidt op nederige ondergeschiktheid. Het kan betrekking hebben op een weduwe, ongetrouwde vrouw enz. De nadruk ligt vooral op de nederige dienstbaarheid, niet op het zinnelijk genot zoals dat het geval is bij het Hebreeuwse woord פִּילֶגֶשׁ (‹pīleg̱eš - H6370›), dat we vertalen met ‘bijvrouw’ of voor mannen als ‘vrijers’. Ook heeft het niet betrekking op het inwonen bij de man aan wie men zich ondergeschikt acht zoals dat het geval is met het Hebreeuwse woord שִׁפְחָה (‹šifḥāh - H8198›) dat als eerste betekenis heeft 'huisslavin' op wie je al je werkzaamheden kan afwentelen, zelfs de sexuele relatie met je eigen man (‹vergelijk Sara met Hagar›).  

H561 

uitspraak 

het mannelijke Hebreeuwse woord אֵמֶר (‹ʾēmer - H561›) betekent ‘uitspraak’ of ‘woord’. Het gaat hierbij om het 66666+gesproken woord, dat wat God of een mens spreekt. Het meervoud is אִמֲרוֹת (‹ʾimarōt›).    

H571

waarheid

het Hebreeuwse vrouwelijke zelfstandige naamwoord אֱמֶת (‹ʾemēt - H571›) betekent: ‘trouw’, ‘betrouwbaar’, ‘betrouwbaar’, ‘waar’, ‘waarachtig’. De grondgedachte is waarschijnlijk die van ‘vaststaan’, ‘stevigheid’.

H582, H583  

Enos, mens, mensen

man, mannen, bemanning, manschappen,

sterveling

het Hebreeuwse woord אֱנוֹשׁ (‹ʾenōš - H582›) staat voor de naam Enos (‹H583›), maar ook voor een gewoon zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘sterfelijke mens’ en het wordt meestal gebruikt in de zin van ‘de mensheid’ in algemene zin, maar zelden voor ‘de mens’ als eenling. Heel vaak komen wij het meervoud אֲנָשִׁים (‹ʾanašīm›) tegen voor ‘mannen’. Het woord houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H605›), dat ‘zwak zijn’ of: ‘ziek zijn’ betekent, dat is ‘menselijk zijn’ of: ‘sterveling zijn’. Het woord komt betrekkelijk veel voor in het boek Job. Het woord is in Dan. 7:13  onderdeel van de Naam: ‘Mensenzoon’, die betrekking heeft op de komende Christus, de Gezalfde.  In het totaal komt het woord 564 keer voor in het OT verdeeld over 520 verzen. 

H734

paden

het mannelijke zelfstandig naamwoord אֹרַח  (‹ʾoraḥ - H734›) betekent ‘pad’ of ‘weg’, zowel in letterlijke als figuurlijke zin. Het meervoud is אֹרְחוֹת (‹ʾorḥōt›). Het kan ook betekenen: ‘wijze’ of ‘regel’ zoals in Gen. 18:11 ‘naar de regel voor de vrouwen’ en in poëtische tekst kan het staan voor de reizigers, b.v. in Job 6:19. In de tekst van Ps. 35:4 ‘Maak mij uw paden bekend’, doelen de woorden op een levenswijze die naar Gods wil is.

H802

‘mannine’, vrouw, vrouwtje, ieder, elk

het Hebreeuwse woord אִשָּׁה (‹ʾīṧāh - vrouw, met als meervoud nāšīm - H802›) is de meest algemene aanduiding voor ‘vrouw’ in het OT. In Gen. 2:23 is het vertaald als ‘mannine’ om recht te doen aan de Hebreeuwse klankovereenkomst tussen het woord אִישׁ (‹ʾīš - H376 - man›) en het woord אִשָּׁה (‹ʾīṧāh - H802 - vrouw›)  Het woord komt 780 maal voor in het OT verspreid over 686 verzen.  

H868    H2181


hoerenloon

In Dt. 23:19 staat er het Hebreeuwse woord זוֹנָה dat is afgeleid van het werkwoord וֹנָה (‹H2181 - zonāh -  hoereren›). Het woord betekent ‘hoer’ en gecombineerd met het Hebreeuwse woord voor ‘loon’ אֶתְנַן (‹H868 - ętnan›) komen wij dus op ‘hoerenloon’, d.w.z geld of inkomsten van wereldse prostitutie, dus niet noodzakelijk verbonden aan een religieuze ‘cultus’ (‹zie vs. 18›). In Jes. 23:17, 18; Ez. 16:31, 34, 41; Hosea 9:1 treffen wij alleen het woord ‘ętnan’ aan als een verkorte vorm. Maar in Mi. 1:7 vinden wij weer de hele term ‘hoerenloon’, net als in Dt. 23:19.     

H954

beschaamd worden

het Hebreeuwse woord בּוֹשׁ (‹bōš - H954›) betekent ‘beschaamd zijn’ of ‘beschaamd worden’, ‘in de war zijn’, ‘in de war raken’, ‘in verwarring raken’, maar ook ‘teleurgesteld zijn’ of ‘teleurgesteld worden’, en soms ‘doorkruisen’, b.v. in de zin van het doorkruisen van iemands plannen (‹b.v. Ps. 14:6›). De Hiphil betekent ‘beschaamd maken’ of ‘beschamen’. De Pilel van het werkwoord betekent ‘uitstellen’ of ‘uitblijven’ of  ‘wachten’. De Hitpalel in Gen. 2:25 betekent ‘blozen’ of ‘beschaamd zijn’ of  ‘zich schamen’

H1330

maagd


H1331

maagdelijkheid

maagdenvliezen

[‘maagd’] - het Hebreeuwse woord בְּתוּלָה (‹bᵊtūlāh - H1330›) komt 50 keer voor in het OT en in dit vers voor het eerst. Het meervoud is  בְּתוּלוֹת (‹bᵊtūlōt›). Het woord betekent altijd ‘maagd’. De toevoeging hier en ook in Ri. 21:12 dat geen man met haar gemeenschap had gehad, komt ons voor als een nadruk en niet omdat het woord op zich niet duidelijk zou zijn. Het ermee verwante woord ‘bᵊtulim’ (‹H1331›), betekent ‘maagdelijkheid’ of zelfs ‘maagdenvliezen’. Dat het woord heel concreet op een ‘maagd’ duidt, wil niet zeggen dat het ook niet geestelijk of figuurlijk gebruikt kan worden. In Joël 1:8 wordt het volgens Arnold Fruchtenbaum gebruikt voor een weduwe, maar het lijkt eerder om een ondertrouwde vrouw te gaan, van wie de aanstaande man sterft voordat zij het huwelijk met elkaar ten volle hebben voltrokken, want hij sterft voordat zij elkaar hebben gekend, d.w.z. voordat zij met elkaar gemeenschap hebben gehad. In Gen. 24:16 en Ri. 21:12 wordt aan het woord toegevoegd ‘die geen man had gekend’ ofwel ‘met geen man gemeenschap had gehad’, maar een dergelijke toevoeging wil niet zeggen dat het woord op zichzelf niet heel specifiek ‘maagd’ zou betekenen. Overal in het OT heeft het woord zonder meer deze betekenis.   

H1368

held, sterke man

geweldig, heldhaftig,

geweldig man, geweldenaar, tiran

belangrijk, aanzienlijk ,

sterke kerel

het Hebreeuwse woord גִּבֹּר (‹ġiḃōr - H1368›) met als meervoud גִּבּוֺרִים (‹ġiḃōrīm›) staat in de meeste gevallen voor ‘helden’ of ‘sterke mannen’, maar het wordt b.v. in Ruth 2:1 ook gebruikt voor hebben van een geweldig vermogen en in 1 Kn. 11:28 duidt het om bekwaamheid: ‘een geweldig bekwaam man’ (‹גִּבּוֹר חָיִל›). Het kan ook gaan om een geweldig vermogend man. In Gen. 10:8, waar het in het enkelvoud staat, hebben we het ten aanzien van Nimrod vertaald als  ‘een geweldig (‹machthebber›)’ en in Ps. 52:3 als een ‘tiran’. In Jes. 3:2 en Ez. 39:20 staat het voor de held, de leider van de soldaten of strijders. Het woord wordt ook gebruikt voor de helden van David in 2 Sm. 23:8, 1 Kn. 1:8, 1 Kr. 11:26; 29:21. Die helden waren beslist leiders onder de strijders van David. In Jes. 9:5 en 10:21 staat het woord voor ‘machtig’ in de uitdrukking ‘machtige God’.  

H1760

neerstoten, omstoten, omduwen

het Hebreeuwse werkwoord דָּחָה (‹dāḥār - H1760›) doelt op een krachtige handeling in de vorm van harde stoot met als bedoeling de ander aan het wankelen te brengen en te laten vallen of hem te verdrijven. Het komt 10 keer in het OT voor waarvan 6 keer in de Psalmen, de eerste keer in Ps. 35:5 en de laatste keer in Jer. 23:12. 

H1790 


verdrukte

het woord (‹H1790›) komt 4 keer in het OT voor: Ps. 9:10; 10:18; 74:21 en in Spr. 26:28. Het werkwoord waar het mee verbonden is, betekent ‘verbrijzelen’ (‹H1794›). Andere voor deze psalmen kenmerkende ‘categorieën’ mensen zijn: 

(‹a›) de armen, die weinig bezitten - אֶבְיוֹן (‹H34›). Dit bijvoeglijk naamwoord komt 61 keer in het OT voor, waarvan 23 keer in de psalmen; 

(‹b›) de arme, geringe עָנִי (‹ʿānī - H6041›). Dit bijvoeglijk naamwoord komt 75 keer in het OT voor, waarvan 29 keer in de psalmen en heeft betrekking op hen die lijden door armoede en verdrukking;

(‹c›) het verwante naamwoord  עָנָו (‹ʿānāw - H6035›). dat staat voor arme, nederige, verdrukte komt 21 keer voor in het OT waarvan 12 keer in de psalmen.

H1818

bloed

het mannelijke zelfstandige naamwoord דָּם betekent ‘bloed’ (‹dām - H1818›). De meervoudsvorm die in Ps. 26:9 gebruikt wordt, is דָּמִים, ‘dāmīm’. Het woord is verwant aan het woord ‘adam’ voor de mens en aan de naam Edom, waarvan de bergen een rode tint hebben. Het woord kan ook betekenen ‘bloedvergieten’ zoals in Ps. 26:9.  In Gen. 49:11 en Dt. 32:14 vinden wij de uitdrukking ‘het bloed van de druif’, d.w.z. het ‘druivensap’ van de donkere druiven.

H1870 

wegen

het mannelijk zelfstandig naamwoord דֶּרֶךְ (‹dereḵ - H1870›) betekent ‘pad, reis, weg’. Het is afgeleid van het werkwoord דָּרַךְ (‹dāraḵ - wandelen, betreden - H1869›). Naast de letterlijke betekenis ‘pad’ of ‘weg’ (‹Gen. 3:24; Num. 22:23; 1Kn. 13:24›), reis langs een weg (‹Gen. 30:36; Ex. 5:3; 1 Sm. 15:18›) heeft het woord ‘dereḵ’ drie gedachten in zich: [1]. levensloop: karakter en context van het leven, duistere wegen (‹Spr. 2:13›), liefelijke wegen (‹Spr. 3:17›), wijze wegen (‹Spr. 6:6›), [2] gedrag in het leven: specifieke keuzen en gedragingen. B.v. in Gen. 18:19; Ps. 1:6; Spr. 3:6; Dt. 8:6; 2 Sm. 22:22; Jer. 5:4›), [3] de gevolgen van dat gedrag (‹onvermijdelijke bestemming›). Het begrip ‘levensstijl’ omvat wel de eerste twee punten, maar niet noodzakelijk de derde.  

H1902

higāyōn

[‘Laat de snaren klinken’] - het Hebreeuwse woord הִגָּיוֹן (‹higāyōn - H1902›) vinden wij ook in Ps. 92:4 als een aanduiding voor snarenspel. Het woord is afgeleid van het werkwoord הָגַה (‹hāg̱ah - H1897›) dat staat voor ‘grommen’, ‘kreunen’, ‘zuchten’, ‘spreken’ en in figuurlijke zin voor ‘zich bezinnen op’, ‘overdenken’, ‘murmelen’, ‘jammeren’, ‘grommen’ (‹van een leeuw›) en ‘het kirren van een duif’. Kortom een woord met een groot toepassingsgebied. 

H1942

begeerte, zondige begeerte,

afgrond, ondergang, verderf

het Hebreeuwse meervoudige woord הַוָּה (‹haẇāh - H1942›) heeft de betekenis van ‘menselijke zondige begeerte’, maar ook van ‘vernietiging’ of ‘ondergang’ of ‘verderf’ of ‘ramp’. In het tekstverband is o.i. ‘afgrond’ de juiste vertaalkeuze, omdat zo in combinatie met het woord ‘mond’ het beeld van huiveringwekkende diepte en daarmee van de ondergang zo duidelijk geschetst wordt.  

H1993

gonzen, brommen, grommen, koeren, woelen, bulderen, luidruchtig zijn, ruisen, druisen, tekeer gaan

het Hebreeuwse werkwoord is afgeleid van het werkwoord הָמָה (‹hāmāh - H1993›) dat als eerste betekenis heeft ‘gonzen’ zoals bijen gonzen. Het werkwoord wordt in het OT gebruikt voor:

[(‹1›)] - het brommen van de beer in Jes. 59:11, het grommen van de hond in Ps. 59:7, 15 en voor het op gelijke wijze grommen van de volken in Ps. 83:3 van het koeren van de tortelduif in Ez. 7:16. Het wordt ook gebruikt voor het kermen van een mens in Ps. 55:18, 77:1, dat dan weer vergeleken wordt met de geluiden die beren en duiven maken in Ez. 7:16 en Jes. 59:11. 

[(‹2›)] het geluid van de lier in Jes. 16:11 (‹vergelijk Jes. 14:11›) en het geluid van andere muziekinstrumenten in Jer. 48:36, het ruisen van de regen in 1 Kn. 18:41, het brullen en bulderen van de golven in Ps. 46:4, Jes. 51:15 en in Jer. 5:22, 31:35, 51:55 en  het geluid van een rumoerige of luidruchtige menigte in Ps. 46:7 (‹woelen van de volken›), 59:7, 83:3 (‹grommen van de volken›), Jes. 17:12 (‹bulderen of brullen van de zee›). Vergelijk ook de afgeleide poëtische vorm הֹמִיּוֹת voor ‘luidruchtigheid’ in Spr. 1:21 (‹H1993›) en הֹמֶה (‹H1993›) in Spr. 20:1 ‘wijn is een spotter, sterkedrank luidruchtig‘. Vergelijk Zach. 9:15. 

[(‹3›)] de innerlijke roerselen, de sterke en heftige gemoedsgesteldheden en gevoelens, b.v. in Ps. 42:6, 12 en in Jer. 4:19, 31:20 (‹vgl. Hgld. 5:4›). Deze innerlijke belevingswereld wordt soms poëtisch vergeleken met het geluid van muziekinstrumenten, zoals op sommige eilanden in de Pacific men ‘medelijden hebben’ wel aanduidt als ‘het blaffen van de ingewanden’. In Jes. 16:11 lezen wij: ‘mijn ingewanden gaan tekeer als een lier van Moab’ en in Jer. 48:36 lezen wij ‘Mijn hart zal als een fluit over Moab tekeergaan’. 

[(‹4›)] een mens die luidruchtig ronddwaalt door de onrust in zijn of haar geest, zoals de vreemde vrouw in Spr. 7:11 en Spr. 9:13. 

–Van dit werkwoord zijn afgeleid: Hamona (‹H1997›), de naam van de stad in het ‘Dal van de Rumoerige Menigte’ (‹mannelijk woord - H1995›), waar ook een stad zal zijn met de naam ‘Rumoerige Menigte’  (‹vrouwelijk woord - ‘Hamona’›), Dit dal is aan de oostzijde van de Dode Zeedal van waar Gog Magog zal plaatsvinden en de stad wordt genoemd in Ez. 39:16. 

H1995

menigte, overvloed, rumoer, gebulder, 

gebrul, tumult, lawaai, geruis, gedruis, geratel, pracht, weelde

het mannelijke Hebreeuwse woord הֲמוֹן (‹hāmōn - H1995 - meervoud הֲמֹנִים - hāmonīm›) komt 83 keer in 78 verzen in het OT voor en betekent meestal ‘menigte’, vooral in de zin van een ‘rumoerige menigte’. Denk aan het Engelse werkwoord ‘to hum’. Daarom kan het soms ook wel zonder meer vertaald worden als ‘tumult’ of ‘rumoer’. Het woord is afgeleid van het werkwoord הָמָה (‹hāmāh - H1993›) dat als eerste betekenis heeft ‘gonzen’ zoals bijen gonzen. 

Het woord ‘hāmōn’ wordt gebruikt voor het ruisen van de regen in 1 Kn. 18:41, voor gezang en zingen in Ez. 26:13, 33:3 en Dan. 10:6, voor een menigte volken in Gen. 17:4, 5 en voor vele volken in Jes. 17:12, voor vele vrouwen in 2 Kr. 11:23 en in het bijzonder voor een leger soldaten in Ri. 4:7, Dan. 11:11-13. Verder ook voor een overvloed van water in Jer. 10:13, voor innerlijke beroering in Jes. 63:15 en Jer. 51:16 en ten slotte voor weelde en rijkdom in Ps. 37:16 en Pred. 5:9 en Jes. 60:5. Een verwant woord is: Hamona (‹H1997›). 

H1997

Hamona, ‘Rumoerige’ 

Hamona (‹H1997›), de naam van de stad in het ‘Dal van de Rumoerige Menigte’ (‹mannelijk woord - H1995›), waar ook een stad zal zijn met de naam ‘Rumoerige Menigte’  (‹vrouwelijk woord - ‘Hamona’›), Dit dal is aan de oostzijde van de Dode Zee, waar Gog uit het land Magog (‹zie Ez. 38, 39›) begraven zal worden. De stad wordt genoemd in Ez. 39:16. Zie verder H1995. Het woord is in betekenis nauw verbonden met H1995. 

H1998

gedruis

het vrouwelijke Hebreeuwse woord הֶמְיַת (‹hemyāt - H1998›) komt alleen in Jes. 14:11 voor en is afgeleid van het werkwoord הָמָה (‹hāmāh - H1993›). Het woord is vertaald met ‘gedruis’, namelijk het gedruis van harpen. 

H2086 

hoogmoed 

het Hebreeuwse woord זֵד (‹zēd - H2086›) komt 13 keer in het OT voor, waarvan 8 keer in de psalmen, m.n in Ps. 119. Het woord houdt verband met ‘opgeblazenheid’, d.w.z. ‘hoogmoed’ en ‘trots’, en in het verlengde daarvan met ‘brutaliteit’ en ‘goddeloosheid’. Het meervoud is: זֵּדִים (‹zēdim›) . De Hebreeuwse wortel van het woord is verwant aan die van het Arabische werkwoord زَادَ (‹zāda›) dat staat voor ‘toenemen’, ‘groter worden’ enz.

H2195

grimmigheid, razernij, venijnigheid

het Hebreeuwse woord זַעַם (‹zaʿam - H2195›) is gewoonlijk vertaald als ‘grimmigheid’, maar in het tekstverband is in Daniël 8:19 gekozen voor ‘razernij’ en in Hosea 7:16 voor ‘venijnigheid’. In de psalmen komt het woord drie keer voor: Ps. 38:4; 78:49; Ps. 102:11. 

H2403

zonde

het Hebreeuwse woord חַטָּאָה (‹ḥattāʾāh - H2403›) is het vrouwelijk woord voor het mannelijke woord ‘zondaar’ חַטָּא (‹ḥattāʾ›). Dit vrouwelijke woord betekent gewoonlijk: ‘zonde’ of ‘fout’ of ‘misser’. Zonde wordt dan ook vaak uitgelegd als ‘het doel missen’, ‘falen’. Maar het woord kan ook betekenen ‘zondoffer’, b.v. in Lev.  6:18, 23, of ‘afgod’, d.w.z. dat het woord dan eigenlijk staat voor het voorwerp waarmee men zondigt, b.v. in Dt. 9:21, en tenslotte betekent de letterlijk uitdrukking ‘zondewater’ in Num. 8:7 juist het omgekeerde voor ons besef nl. ‘reinigingwater’ of ‘ontzondigingswater’. 

H2489

arme stakker

[‘arme stakker’] - het Hebreeuwse woord חֵלְכָא (‹ḥēlḵā - H2489›) komt 3 keer voor in Ps. 10:8, 10 en 1, maar verder nergens meer in het heel het OT. De afkomst en betekenis van het woord zijn niet zeker, maar vanuit het tekstverband komen vrijwel alle vertalingen (‹ook de LXX, Peshitta en de Targum›) tot een soortgelijke betekenis: de arme, de zwakke, het ongelukkige slachtoffer.

H2555

geweld

het Hebreeuwse woord חָמָס (‹hāmās̱ - H2555›) betekent ‘geweld’, of ‘gewelddadigheid’. Het wordt in het OT vrijwel steeds gebruikt in verband met zondig geweld.

H2623

trouwe vriend

het Hebreeuwse woord חָסִיד (‹ḥāṣīd - H2623›) komt in 25 verzen in de psalmen voor en verder alleen nog in 7 andere verzen in de het Oude Testament. Het woord wordt heel vaak vertaald als ‘trouw’ of ‘getrouwe’  en soms als ‘de Getrouwe’ in Ps. 16:10. Het woord doelt o.i. op een zeer intens beleefde en geleefde trouw. Er is sprake van een zeer diepe betrokkenheid op de persoon ten aanzien van wie men trouw is. Een trouwe vriend of een getrouwe is iemand die Gods liefdevolle trouw (‹en genade›) in zijn leven weerspiegelt. Dit wordt bij uitstek gezegd van de (‹hoge›)priester, die de priesterlijke zegen uitspreekt zoals door God bevolen in Num. 6:22-27 en daarom is het treffend als wij in Ps. 4:7 deze zegen letterlijk lezen. Ook de profeet is de trouwe vriend, maar ten diepste is er maar één Getrouwe en dat is Jezus Christus, de zoon van David. De NET Bible zegt: ‘Uit het tweede deel van het vers kan men afleiden dat David zichzelf ziet als de trouwe vriend!’ en dat is juist, maar ten diepste spreken de woorden over de ware David, Jezus Christus.  Het is verrassend dat de vrouwelijke variant van dit woord wordt gebruikt voor de ooievaar in b.v. Lev. 11:19 en Job 39:13. 

H2654

behagen, behagen hebben in

het Nederlandse werkwoord ‘behagen’ of ‘behagen hebben in’ is verwant aan het woord ‘behaaglijk’. Het heeft te maken met innerlijke blijdschap en vreugde, maar ook met goedkeuring in de zin van ‘goed vinden’ of ‘een diepe voldoening en vreugde beleven’. Het Hebreeuwse werkwoord חָפֵץ (‹ḥāfēṣ - H2654›) waar het de vertaling van is, komt in 17 verzen in de psalmen voor. Een moderner Nederlands werkwoord dat deze betekenis goed weergeeft, kennen wij niet. 

H2659

te schande worden

het Hebreeuwse werkwoord חַפֵר (‹hafēr - H2659 - blozen, zich schamen›) heeft als basisidee het verlies van zelfbehoud door vernedering, schaamte of verwarring. Het ligt dicht bij de wortel בּוֹשׁ In feite wordt het in veertien van de zeventien keer parallel aan בּוֹשׁ  gebruikt. Het werkwoord בּוֹשׁ wordt vaker gebruikt, wat suggereert dat חַפֵר vooral een woord van versterking is. 

H2891

rein zijn, reinigen

het Hebreeuwse woord טָהֵר (‹thr - H2891›) betekent ‘rein zijn’ of ‘reinigen’ of ‘rein maken’.

H3384

leren

het Hebreeuwse woord יָרָה (‹yārāh - H3384›) betekent ‘onderwijzen’, ‘leren’ d.w.z. in de zin van ‘iemand iets aanleren’, maar ook ‘tonen’ of  ‘(‹als›) lot aanwijzen’ en zelfs ‘besprenkelen’ (‹met regen›).  

H3444

redding

het Hebreeuwse woord יְשׁוּעָה (‹yᵊšūʿāh - H3444›) kan ook betekenen ‘bevrijding’ (‹2 Sm. 10:11›) of ‘overwinning’, ‘verlossing’ of ‘uitredding’ (‹1 Sm. 14:45; 2 Kr. 20:17›). De eerste betekenis is redding, uit nood en gevaar. Het Hebreeuwse woord komt in 45 verzen van de psalmen voor. Het woord is nauw verwant met de Naam van Jezus, de HEERE redt. Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden! Zie Mt. 1:21.   

H3526

wassen

het Hebreeuwse woord כָּבַס (‹kābaṣ - H3526›) is ‘wassen’ en letterlijk betekent het ‘trappen’, want het wassen gebeurde vaak met de voeten op het kledingstuk dat in het water lag.

H3559

[‘sterken’] - dit is grondbetekenis van het Hebreeuwse werkwoord כּוּן (‹kūn - H3559›) is ‘stevig staan’, ‘vast staan’. Omdat hier sprake is van de Hiphil van het werkwoord is de betekenis ‘vast doen staan’ ofwel ‘sterken’.  

H3603

[‘deksel’] - het Hebreeuwse woord ‘k̇ik̇ar’ (‹H3603›) wordt vaak gebruikt voor een rond object, m.n. voor een ‘talent goud, zilver, koper of ijzer’ (‹zie 1 Kr. 29:7›). De efa kan een ronde vorm gehad hebben en bijgevolg dus ook het deksel. 

H3637

te schande worden

het Hebreeuwse werkwoord כָּלָם (‹kālām - H3637 - te schande worden›) komt 38 keer in het OT voor. Het staat voor het gevoel van schande dat optreedt bij openbare vernedering. In dertig gevallen wordt de grammaticale wortel in parallel met het werkwoord בּוֹשׁ (‹bōš  - H954›) gebruikt, dat staat voor ‘zich schamen’. 



H3722

bedekken, verzoenen

Het Hebreeuwse werkwoord כָּפַר (‹kāfar - H3722›) komt 102 keer voor in het OT. De eerste betekenis ervan is ‘bedekken’ en in het verlengde hiervan ‘verzoenen’ of ‘verzoening doen (‹over›)’, of ‘gunstig stemmen’ (‹Gen. 32:21›). 

H3724

pek, zoengeld, gehucht of vlek, hennabloem

het Hebreeuwse woord כֹפֶר (‹kofer - H3724›), dat in 17 verzen in het OT voorkomt, heeft naar gelang het zinsverband verschillende betekenissen. De variant ‘kafar’ in 1 Sm. 6:18 duidt op ‘verspreid zijn’ (‹b.v. dorpen die verspreid liggen, in het Nederlands ook wel ‘gehuchten’ of: ‘vlekken’ genoemd›). Dat brengt ons bij de tweede betekenis nl. die van ‘pek’ in Gen. 6:14, immers pek wordt ook uitgesmeerd ter afdekking. Dat brengt ons vervolgens bij de betekenis ‘afdekken’ of: ‘verzoenen’, en zo bij ‘zoengeld’ (‹zie Ex. 21:30, 30:12 e.a.›). Het kan ook een betrekking hebben op een (‹verleidelijk›) geschenk (‹1 Sm. 12:3›), smeergeld (‹steekpenningen›) waarmee het onrecht wordt bedekt. Dit wordt o.a. in Num. 35:31 verboden, opdat een moordenaar niet vrij uit kan gaan. In Hooglied 1:14 en 4:13 heeft het betrekking op de ‘hennabloem’. 

H4229

uitwissen, wissen

het Hebreeuwse woord מָחָה (‹māḥah - H4229›) is ‘wissen’ of ‘uitwissen’.

H4294


tak, twijg, stok, staf, (volks)stam









H4296


bed, ligbed, mat,  rustbank, baar,

draagbed

Het Hebreeuwse mannelijke zelfstandige naamwoord |מַטֶּה| (‹mǎ̇ṭeh - H4294›) komt 251 keer in het OT voor, verdeeld over 205 verzen. Het meervoud is |מַטּוֺת| (‹matot›). Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |נָטָה| (‹nātāh - H5186›) dat 216 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 207 verzen en waarvan de eerste betekenis ‘uitstrekken’ is. Het woord ‘mǎ̇ṭeh’ betekent: [(‹1›)] ‘tak’ of ‘twijg’ b.v. in Ez. 19:11, [(‹2›)] ‘stok’ of ‘staf’ b.v. in Ex. 4:2, 4, 17 en in Num. 20:9. Dit woord is onderdeel van de term ‘de staf van Mozes’ die heel vaak in de Bijbel voorkomt, vooral in de boeken van Mozes. Ook is het woord onderdeel van de speciale uitdrukking in Lev. 26:26, Ps. 105:16, Ez. 4:16, 5:15, 14:13 ‘de broodstaf verbreken’ vertaald als ‘de broodvoorziening verbreken’ d.w.z. ‘hongersnood veroorzaken’, die teruggaat op het feit dat ‘brood’ in het Hebreeuws wordt aangeduid als ‘de steun van het hart’, in de zin van ‘de stok waarop je steunt’ en [(‹3›)] ‘stam’ in de zin van een volksstam, in het bijzonder en uitsluitend gebruikt voor de stammen van Israël in Num. 1:49, Joz. 13:29 en in de uitdrukking de leiders van de stammen in 1 Kn. 8:1. 

Het Hebreeuwse woord |מִטָּה| (‹miṭāh - H4296›) dat 19 keer voorkomt in het OT, verspreid over 19 verzen, is verwant aan dit woord en is ook afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘nātāh’. Het meervoud is |מִטּוֺת| (‹miṫōt›). Het woord ‘miṭāh’ kan ‘bed’ betekenen d.w.z. een ‘bank’ of ‘mat’ waar een mens zich op uitstrekt om te slapen of bij ziekte zoals in Gen. 47:31; 48:2; 49:33 en Ex.  7:28, of een ‘rustbank’ zoals in Amos 3:12; 6:4, of een ‘rustbank’ of ‘ligbed’ om bij een maaltijd aan te liggen zoals in Est. 1:6 en Ez. 23:41 en het kan ook een ‘baar’ zijn, d.w.z. een draagbed waarop een dode wordt weggedragen in 2 Sm. 3:31 of een draagbed als een soort koets in Hgld. 3:7. 

H4490


erfdeel

in het Hebreeuws staan er twee woorden nl. מְנָת (‹mᵊnāh - deel - H4490›) en חֵלֶק (‹ḥēleq - het toebedeelde: een stuk land, een deel van de buit, enz. - H2506›). Dit woord heeft iets met ‘gladheid’ of ‘afgerondheid’ te maken. In Jes. 57:6 lezen wij בְּחַלְּקֵי נַחַל חֶלְקֵךְ d.w.z. ‘bij de gladde (‹stenen›) van de beekdalen is je deel’. Het Nederlandse woord ‘gladde’ en het het Nederlandse woord ‘deel’ is in het Hebreeuws één en hetzelfde woord nl. het hiervoor genoemde ḥēleq (‹H2506›). Voor ons besef vertegenwoordigt het woord zoiets als: ‘het toegemeten deel’ of: ‘het afgemeten of afgebakende gebied’, of: ‘de afgeronde hoeveelheid’. In het Arabisch heeft de overeenkomstige woordstam حلق (‹ḥallaq - rondcirkelen›) van doen met ‘cirkelen’ en ‘rondjes maken’, vandaar dat wij komen op de betekenis ‘afgeronde’, en vandaar bij de betekenis ‘glad’, want wat afgerond is, is ontdaan van de uitstekende hoeken en is glad. 

H4503

gave, geschenk, offer

het Hebreeuwse woord מִנְחָה (‹minḥāh - H4503›) betekent allereerst ‘geschenk’ of ‘gave’ en vervolgens ook ‘offer’. Heel vaak staat het voor het ‘spijsoffer’ en soms voor het ‘avondoffer’.

H4687

gebod 

het vrouwelijke Hebreeuwse woord מִצְוַת (‹miṣwat - H4687›) betekent ‘gebod’. 



H4940

families

het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord |מִשְׁפָּחָה| (‹mišpāḥāh - H4940›) dat 304 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 224 verzen heeft als eerste betekenis ‘familie’.  Het meervoud is |מִשְׁפָּחוֹת| (‹mišpāḥōṯ›). De stammen van Israël bestonden uit diverse families en de families (‹H4940›) bestonden elk op hun beurt weer uit verschillenden ‘vaderhuizen’ (‹zie Num. 1:44; 2:2; 3:24, 30, 35; 4:22, 38; 17:17›). 

H4962 

mannen

het Hebreeuwse woord מַת (‹‘mat’ - meervoud ‘mtim’ of ‘mtīm’ - H4962›) komt in 21 verzen in het OT voor, altijd in het meervoud. In Dt. 2:34 staat het als ‘mannen’, naast ‘vrouwen’ en ‘kinderen’. In Job 11:11 komt het voor in de utdrukking ‘mannen van bedrog’. Regelmatig is het onderdeel van de uitdrukking ‘een handjevol mannen’ (‹מְתֵי מִסְפָּר - misᵊpār›). 

H5159


erfgoed

het woord נַחֲלָת (‹naḥalāt - H5159›) betekent ‘eigendom’, ‘bezit’ of ‘erfenis’. Het betreft een eigendom dat verworven wordt door een testament of als erfenis b.v. het land Kanaän (‹Num. 26:53-56; Ez. 48:29›), het deel dat God geeft aan zijn volk (‹Jes. 54:17›), of het bezit door een vader gegeven (‹Num. 27:8-9; Job. 42:15›). De Here Zelf is het deel en de erfenis van de Levieten die Hem dienen (‹Num. 18:20›). 

H5186

het Hebreeuwse werkwoord |נָטָה| (‹nātāh - H5186›) dat 216 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 207 verzen en waarvan de eerste betekenis ‘uitstrekken’ is. 

H5287

uitschudden,

afschudden, 

zichzelf uitschudden, uitgeschud of afgeschud worden

de Qal van het Hebreeuwse werkwoord komt 11 keer voor in het OT verdeeld over 9 verzen en het betekent ‘schudden’, in het bijzonder (‹1›)  uitschudden in Neh. 5:13, Jes. 33:9, 15 en (‹2›) ‘afschudden’ in Jes. 33:9 ‘Basan en Karmel schudden hun bladeren af’. In de Nif’al is de betekenis  (‹1›) ‘uitgeschud worden’, b.v. uit een land geschud worden in Job 38:13 en Ps. 109:23. Vergelijk het Arabische werkwoord انفَضَّ (‹VII›) en (‹2›) ‘zichzelf uitschudden’ of banden of touwen ‘van zich afschudden’ in Ri. 16:20. In de Piël betekent het ‘uitschudden’ b.v. in Ex. 14:27 ‘de HEERE schudde de Egyptenaren midden in zee (van zich) af’ en in Ps. 136:15 ‘GOD die Farao met zijn leger in de Wierzee stortte’, letterlijk ‘uitschudde’. In de Hitpaël betekent het gevolgd door het voorzetsel  מִנ   ‘zichzelf uitschudden ...’ in Jes. 52:2. 

H5288

jongetje, jongen, jongeman, jong

knecht, knecht

dienaar, manschappen






















H5291 

meisje, jonge vrouw,

dienstmeisje




H5292   

Naära

H5295   

Naäran, Naärata






H5290


H5296

Het Hebreeuwse mannelijke woord נַעַר (‹naʿar - H5288 - 238 keer verdeeld over 221 verzen›) heeft als eerste betekenis ‘jongen’. De meervoudsvorm is נְּעָרִים (‹nʿărīm›). Het woord wordt zowel gebruikt voor een pasgeborene, b.v. in Ex. 2:6, Ri. 13:5, 7, 1 Sm. 4:21, als voor een jongeman van rond de twintig jaar, b.v. in Gen. 34:19, 41:12 (‹vergelijk 37:2 en 41:2›), 2 Kn. 3:7, Jer. 1:6, 7. Het wordt soms nadrukkelijk gebruikt om te accentueren dat het om jongemannen gaat, kwetsbaarder en teerder dan volwassen en ervaren mannen b.v. in 1 Sm. 1:24 en 1 Sm. 30:17. Op andere plaatsen betekent het vooral ‘jongeman’ in de zin van een ‘knecht’ of ‘dienstknecht’ b.v. in Gen. 37:2, 2 Kn. 5:20, 8:4, Ex. 33:11, 2 Kn. 4:12. Het woord wordt ook gebruikt voor gewone soldaten, ‘manschappen’, vergelijkbaar met ʾīš (‹H376›), b.v. in 1 Kn. 20:15, 17, 19, 2 Kn. 19:6. Het wordt ook gebruikt voor de Israëlieten, als voor een jong volk in Hos. 11:1.

De mannelijke vorm staat in de vijf Wetsboeken 22 keer voor ‘jongevrouw’ wat kan worden afgeleid uit het feit dat de mannelijke vorm dan gecombineerd wordt met een vrouwelijke werkwoordsvorm: Gen. 24:14, 16, 28, 55; 34:3, 12, Dt. 22:15 enz. Dit geldt ook voor de mannelijke meervoudsvorm in Ruth 2:21 voor ‘jongevrouwen’ (‹vergelijk Ruth 2:8, 22, 23›) en in Job 1:19 voor ‘jongens en meisjes’.  In de Masoretische tekst staat in al die gevallen in de kantlijn de vrouwelijke vorm als de zogenaamde Ketiv. 

Dit verschijnsel om de mannelijke vorm te gebruiken voor zowel de mannelijke als vrouwelijke variant is ook eigen aan het Arabisch, waar b.v. ‘arūs’, ‘bruidegom’, gebruikt wordt voor ‘arūsaṯ’, bruid.  


De vrouwelijke variant נַעֲרָה (‹naʿărāh - H5291 - 62 keer verdeeld over 57 verzen›) heeft als eerste betekenis ‘meisje’ of ‘jonge vrouw’. De meervoudsvorm is נְעָרוֺת (‹nʿărōṯ›). Het woord staat voor 

–(‹1›) ‘meisje’, ‘jonge vrouw’ in Ri. 19:4 en volgende en in Esther 2:9, 13. Het wordt ook gebruikt voor .... in Ruth 2:6.  

–(‹2›) voor ‘dienares’ of ‘dienstmeisje’ b.v. in Spr. 9:3, 31:15, Ruth 2:8, 22 en Ruth 3:2.  

–(‹3›) de naam van (a) ‘Naära’ (‹H5292›), een jonge vrouw die drie keer voorkomt in 1 Kr. 4:5, 6  en (b) een stad ‘Naäran’ (‹H5295›) in het gebied van Efraïm genoemd in 1 Kr. 7:28 die gespeld als ‘Naärata’ (‹H5292›) ook voorkomt in Joz. 16:7. 



Beide woorden, de mannelijke variant (‹H5288›) en de vrouwelijke variant (‹H5291›), zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord נָעַר (‹nāʿar - H5287›) dat ‘schudden’, ‘afschudden’ en ‘uitschudden’ betekent. 

Een verwant mannelijk Hebreeuwse zelfst. naamwoord is |נֹעַר| (‹noʿar - H5290 - meervoud |נְּעֹורִים|›), dat staat voor ‘jeugd’ of ‘jeugdigheid’. We vinden het woord vier keer in het OT nl. in Job 33:25, 36:14, Ps. 88:16,  Spr. 29:21. 

Ook het vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord |נְעֹרֶת| ‹nʿoret - H5296›) in Ri. 16:9 en Jes. 1:31 is afgeleid van voornoemd werkwoord: het kaf dat wordt afgeschud of uitgeschud of verstrooid. 

H5542


Sela

het gaat mogelijk om een gebiedende wijs van het werkwoord סֶלָה (selāh - H5542›). Sommigen zien dit als een aanwijzing voor de muzikale uitvoering. Gesenius denkt dat het een oproep is tot een korte stilte, zoals bij muziek stukken wel gewoon is. Anderen denken dat het gaat om een aansporing om de stem te verheffen en de handen op te heffen, maar dat zou meer passen aan het begin van vers. Weer anderen zeggen dat er weinig tot niets over te zeggen valt.  

H5643

bescherming, bedekking, beschutting, schuilplaats

het Hebreeuwse woord סֵתֶר (‹ṣēter - H5643›)  betekent naar gelang het zinsverband ‘bedekking’ (‹Job 24:15›) , ‘bescherming’ (‹Dt. 32:38›), ‘scherm’ (‹Job 22:14›)  ‘beschutting’ (‹Ps. 18:12›) en ook ‘schuilplaats’ (‹Job 40:21›). De uitdrukkingen ‘in het verborgene’ (‹Dt. 27:24, 57›) of ‘in het geheim’ (‹Dt. 13:7›) of ‘stilletjes’ (‹Job 31:27›) berusten op hetzelfde Hebreeuwse woord.  

H5715

getuigenis 

het vrouwelijke Hebreeuwse woord עֵדוּת (‹ʿēdūt - H5715›) betekent ‘getuigenis’, ‘voorschrift’ of ‘waarschuwend teken’. Het meervoud עֵדְוֹת (‹ʿēdōt›) vinden wij o.a. in Dt. 4:45 en in 2 Kn. 17:15. Het woord is onderdeel van uitdrukkingen als de Kist van de Getuigenis o.a. in Ex. 25:22 (‹אֲרֹן הָעֵדֻת - ʾaron hā-ʿēdut›), de Tent van de Getuigenis o.a. in Num. 9:15 (‹אֹהֶל הָעֵדֻת - ʾohēl hā-ʿēdut›) en in de eenmalig voorkomende uitdrukking ‘een vaste instelling voor Israël’ in Ps. 122:4 (‹עֵדוּת לְיִשְׂרָאֵל - ʿēdūt l-yisra ̒ēl›).           

H5771

ongerechtigheid, kwaad

het Hebreeuwse woord עָוֹן (‹āwon - H5771›) is ‘ongerechtigheid’, ‘kwaad’. Het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord עָוָה (‹ʿāwāh - H5753›), dat ‘buigen’ of ‘verdraaien’ betekent. Afhankelijk van de afgeleide werkwoordsvorm kan het ook betekenen ‘pervers zijn’ of ‘zich pervers gedragen’, ‘krom maken’ of ‘verbuigen’ en ook ‘kronkelen’ (‹b.v. bij hevige pijn›). 

H5777

[‘loden’] - het Hebreeuwse woord עוֹפֶרֶת (‹ʿōfereṯ - H5777›) komt in 9 verzen in het OT voor. Het is verwant aan het Hebreeuwse werkwoord עָפַר (‹ʿafar - H6080›) dat alleen voorkomt in 2 Sm. 16:13 en ‘wit zijn’ of ‘grijs zijn’ betekent.  Dat stemt overeen met de kleur van lood. Van het voornoemde Hebreeuwse werkwoord is ook het Hebreeuwse woord עָפָר (‹ʿāfār - H6083›) afgeleid dat staat voor ‘stof’ (‹van de aarde›). Dit woord komt 110 keer in het OT voor.    

H6035

zachtmoedig

het Hebreeuwse mannelijke bijv. naamwoord עָנָו (‹ʿānāv - H6035›) betekent ‘zachtmoedig’. Het meer-voud is עֲנָוִים (‹ʿanāvīm - H6035›). Het is uiteraard verwant aan het woord ‘zachtmoedigheid’ (‹H6037›). Beide woorden zijn terug te voeren op het werkwoord עָנָה (‹ʿānāh - H6031›) dat staat voor ‘iemand onder druk zetten’ of voor ‘verdrukt worden’ of ‘verdrukt zijn’, naar gelang de vraag van welke afgeleide vorm van het werkwoord sprake is. 

H6145

vijand

het Hebreeuwse woord kan עָר (‹ʿār - vijand - H6145 in 1 Sm. 28:16, Ps. 9:6 en Ps. 139:20›) betekenen, maar ook ‘stad’ (‹van עִיר - ʿīr - H5892 - Num. 21:15; Dt. 2:9 en voluit als Ar-Moab in Num. 21:28 en Jes. 15:1 - H5892›). 

in Ps. 139:20 - de lezing van de Griekse LXX en de Aramese Peshitta luidt: ‘steden’. Maar hoewel het Hebreeuwse woord er wel op lijkt, is er toch zoveel anders, dat wij de voorkeur geven aan de zienswijze van de Targum, die als lezing ‘vijanden’ heeft. Overigens is het woord ook in 1 Sm. 28:16, Dan. 4:16 en Mi. 5:13  vertaald als ‘vijand’ en het past met zijn Aramese inslag uitstekend in deze psalm (‹K&D›). 

H6244

[‘dof geworden’] - het Hebreeuwse werkwoord עָשַׁשׁ (‹ʿāšaš - betekent ‘verslijten’, ‘dof worden’, ‘vervallen’ of ‘bezwijken’ naar gelang het tekstverband - H6244›). Het woord komt maar drie keer in het OT voor: Ps. 6:8; Ps. 31:10, 11.  

H6306

losprijs

het Hebreeuwse woord פִּדְיוֹם (‹pidyōm - H6306›) betekent ‘losprijs. Het komt 4 keer in de Bijbel voor nl. in Ex. 21:30, Num. 3:49, 51 en Ps. 49:9. 

H6370

bijvrouw, vrijer

Het Hebreeuwse woord פִּילֶגֶשׁ (‹pīleg̱eš - H6370›) komt 37 keer in het OT voor, verdeeld over 35 verzen. Het woord staat voor ‘bijvrouw’ of ‘concubine’. In Ez. 23:20 staat het voor ‘een vrijers’ en duidt het op mannen omdat het woord in het Hebreeuws eindigt met de mannelijke meervoudsvorm. K&D veronderstellen (‹in navolging van Kimchi›) dat het gaat om de vele leiders en hofdienaren in Babel en Egypte die vaak ‘eunuch’, d.w.z. ontmand waren. De beschrijving van de immoraliteit van deze mannen in Ez. 23:20 wordt wel bijzonder plastisch (‹zie ook Jer. 5:8›) beschreven, maar daarmee ook volkomen ontmaskerd. Het woord heeft daar betrekking op het feit dat Israël allereerst in geestelijke zin, verkeerde relaties onderhield met de naburige grootmachten wat het toegankelijk maakte voor afgodische invloeden. De woorden hebben in Ez. 23:20 allereerst betrekking op de eerder genoemde Egyptenaren, die bekend stonden als handelaren in paarden (‹zie ook Ez. 16:26 en Ez. 20:8 en Ez. 23:3›). 

Etymologisch gezien lijkt het woord vooral op genot te doelen en op het zinnestrelende karakter van de relatie.  

De Griekse woorden παλλαξ, παλακκισ en παλλακι zijn in klank en betekenis nauw  verbonden met het Hebreeuwse woord פִּילֶגֶשׁ (‹pīleg̱eš - H6370›) 

H6381

wonderen, 

wonderlijk zijn, 

het nakomen 

(‹van een belofte›)

het zelfst. nmw. ‘wonderen’ is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord פָּלָא (‹fālāʿ - H6381›) dat als hoofdbetekenis heeft ‘wonderlijk zijn’. Het komt 29 keer in een of andere vorm in het boek Psalmen voor. In het verlengde van de hoofdbetekenis is het woord soms ook vertaald als: ‘verheven zijn’ (‹Dt. 30:11›) of ‘ingewikkeld zijn’ (‹Dt. 17:8›) of ‘uitzonderlijk zijn’ (‹Dt. 28:59›).  In het boek Daniël is het in een negatieve betekenis vertaald als ‘opvallend’ in Dan. 8:5 en als ‘onthutsend’ in Dan. 11:36 en in 2 Sm. 13:2 is het vertaald als  ‘onvoorstelbaar’. De eerste keer dat het werkwoord in het OT voorkomt is in Gen. 18:14. In het totaal komt de woordvorm H6381 in 69 verzen in het OT voor. De Piel van het werkwoord houdt in 5 verzen verband met het ‘nakomen’ van een belofte nl. in Lev. 27:2; 22:2; Num. 15:3, 8 en Num. 6:2. Het onderscheidt zich van het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַם (‹šālam - H7999›) dat 17 keer in het OT voorkomt in de betekenis van het ‘nakomen’ van een belofte (‹zie hiervoor›).

H6471

[‘nu’] - het Hebreeuwse woord פַּעַם (‹paʿam - H6471›) betekent o.a. ‘aambeeld’ (‹Jes. 41:7›) en is afgeleid van een werkwoord dat ‘slaan’ betekent ofwel: ‘(‹ver›)treden’ of: ‘stappen’ met je voeten, waarbij elke voetstap gelijk staat met een ‘slag’. Omdat de voet en de hand vaak bij opmetingen werden gebruikt, heeft dit woord ook wel de betekenis van: ‘de voetstap’ of: ‘keer’ of: ‘maal’ (‹b.v. ‘éénmaal’›) gekregen. Iedere voetstap is immers: ‘1 keer’ of: ‘2 keer’ etc. In de grondtekst van dit vers staat dus eigenlijk: ‘deze keer been van mijn gebeente ...’ In het Nederlands is ‘nu’ (‹ofwel: ‘ditmaal’ of: ‘deze keer’›) een passende weergave van de betekenis in dit zinsverband. 

H6490

bevel

het vrouwelijke Hebreeuwse woord פִּקּוּד (‹piqūd - H6490›) betekent ‘bevel’.

H6581

zich uitbreiden,

uitspreiden

het Hebreeuwse werkwoord |פָּשָׂה| (‹pāšāh - H6581›) komt 22 keer in het OT voor verspreid over 18 verzen. Het betekent ‘zich uitbreiden’ of ‘uitspreiden’ en het woord wordt alleen gevonden in Lev. 13 en Lev. 14 i.v.m. melaatsheid.   

H6588

overtreding, opstandigheid, rebellie

het Hebreeuwse woord פֶּשַׁע (‹pešaʿ- H6588›) betekent overwegend: overtreding of opstandigheid. Het heeft een ernstiger klank dan het meer algemene woord ‘zonde’ (‹H2403›). Het bijbehorende  werkwoord is פָּשַׁע (‹pāšaʿ- H6586›): opstandig zijn, opstandig zijn, zich afkeren, overtreden, wegvallen of breken (‹b.v. een verbond breken›). 

H6593  H6594

vlas, vlaspit, linnen

de vrouwelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoorden |פִּשְׁתָּה| (‹pištāh - H6594›) en |פִּשְׁתֶּה| (‹pišteh - H6594›) met als meervoud |פִשְׁתִּים| (‹pištīm›) komen gezamenlijk 18 keer voor in het OT nl. in Ex. 9:31, Lev. 13 (5 keer), Dt. 22:11, Joz. 2:6, Ri. 15:14, Spr. 31:13, Jes. 19:9, Jes. 42:3, Jes. 43:17, Jer. 13:1, Ez. 40:3, 44:17, 18  en in Hos. 2:7 en 11. De meervoudsvorm betekent gewoonlijk ‘linnen’  en de enkelvoudsvorm betekent ‘vlas’ dat op de akker staat of ‘vlaspit’, d.w.z het lontje van linnen in een olielamp. In Hos. 2:7, 11 spreekt de HEERE God van ‘mijn linnen’. 

–In Joz. 2:6 vinden wij de eigenaardige Hebreeuwse uitdrukking ‘vlassen van de boom’. Gesenius meldt dat deze uitdrukking in de LXX, de Vulgata en Aramese Peshitta vertaald is als ‘vlasstengels’. In 1 Kn. 5:13 lezen wij dat de kleine hysopplant die in de muur groeit als een boom wordt aangemerkt, naast de grote ceder. Als we dan weten dat over zo’n klein plantje als over ‘hout’ of ‘een boom’ wordt gesproken, dan hoeven wij ook niet te aarzelen om vlas als een struikgewas te beschouwen. Dit de te meer als wij bij Plinius (‹’The Natural History›) lezen, dat er in Boven-Egypte bij Arabia een struikachtig gewas is dat door sommigen ‘gossypium’ wordt genoemd, maar door de meesten wordt gesproken van ‘xylon’ en de stof die ervan wordt gemaakt heet ‘xylina’ of ‘lina xylina’. De struik is klein en krijgt kleine vruchten die op noten met een baard lijken. Van binnen bevatten zij een zijdeachtige substantie, waarvan men het bezinksel gebruikt om garens te spinnen. Er is geen stof bekend dan die van deze garens is gemaakt, vanwege het uitgesproken wit en de zachtheid ervan en omdat de stof zo geschikt is voor kleding: de allerbeste kleding van de priesters in Egypte werd van deze stof gemaakt. Deze struik zou een verklaring kunnen zijn van de uitdrukking ‘vlassen van de boom’ die wij vertaald hebben als ‘vlas van de vlasbundels’, want vlas wordt vaak in bosjes met wortel en al uitgetrokken en ondersteboven opgehangen om te drogen. Misschien werden de struikjes ook omgekeerd opgehangen. 



H6862 

tegenstander, onderdrukker; benauwdheid

het Hebreeuwse woord צַר  (‹ṣar - H6862›) dat vertaald is met ‘benauwdheid’, komt 105 keer in het OT voor, verspreid over 102 verzen. Het kent naar gelang het zinsverband diverse vertalingen, o.a. heel vaak ‘tegenstander’ of ‘onderdrukker’, dat is de degene die je in benauwdheid brengt. Het woord komt in 104 verzen in de Bijbel voor en daarvan 38 keer in de Psalmen. 

H6869

benauwdheid, nood; rivale, tegenstandster

het Hebreeuwse vrouwelijke zelfstandige naamwoord צָרָה (‹ṣārāh -  H6869›) komt  73 keer in het OT voor, verspreid over 72 verzen. Het betekent: (1) verdrukking, benauwdheid, nood. Het verwijst naar een situatie of een tijd van extreem ongemak, benauwdheid om verschillende redenen. (2) rivaal, mededingster. Het verwijst naar een persoon die een bedreiging vormt of een bron van wanhoop is om verschillende redenen. Het gaat in het boek Psalmen en in de Profeten om de aangekondigde benauwdheid door Mozes Dt. 31:17, 21. Wij treffen het woord o.a. aan in Ps. 9:10; Ps. 10:1. Van de 73 keer dat het woord in het OT voorkomt, komt het 24 keer voor in de psalmen. In de Profeten wordt gesproken over de benauwdheid van Jakob Jer. 30:7. 

H7083

koker

het Hebreeuwse woord |קֶסֶת| (‹qeseṯ - H7083›) staat voor een koker met daarin de nodige schrijfmaterialen, mogelijk een pot of hoorn gevuld met inkt en een soort pen. Het Hebreeuwse vrwl. zelfst. nmw. komt alleen voor in Ez. 9:2, 3, 11.     

H7329

mager maken

[‘verteren’] - letterlijk: ‘mager maken’ (‹רָזָה - rāzāh - H7329›). Alleen in Jes. 17:4 en Zef. 2:11 en 

H7563

boosdoener

het Hebreeuwse woord רָשָׁע (‹rāšāʿ - H7563›) komt 263 keer voor in het OT, waarvan 82 keer in het boek Psalmen en 78 keer in Spreuken. De boosdoener staat pal tegenover de rechtvaardige, de ‘ṣaddîq’. Dit is degene die God liefheeft en Hem verwacht. In Psalm 1 staat de vergadering van de rechtvaardigen tegenover de kring van de boosdoeners. 

H7626

stok, staf, pijl, heersersstaf of scepter, stam

het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord |שֵׁבֶט| (‹sēveṭ - H7626›) komt 190 keer in het OT voor, verdeeld over 178 verzen. Het meervoud is |שְׁבָטִים| (‹svāṭīm›). Het woord heeft als eerste betekenis ‘stok’, een stok om mee te slaan en/of te tuchtigen (‹b.v. Ex. 21:20; Jes. 14:5; Spr. 10:13; 13:24; 22:8›), of een stok waarmee God zijn toorn doet voelen b.v. een ramp of een catastrofe (‹Job 9:44; 21:9; 37:13 Jes. 10:5; Jes. 11:4 te vergelijken met 2 Th. 2:8›), of een ‘herdersstaf’ (‹Lev. 27:32; Ps. 23:4; Ri. 5:14 - in het laatste geval worden de ‘schapen’ d.w.z. de ‘soldaten’ geteld als ze onder de staf van de herder of onder de staf van de legerleider doorlopen›), of een ‘scepter’ d.w.z. ‘heersersstaf’ (‹b.v. in Gen. 49:10; Num. 24:17; Ps. 45:7; Jes. 45:7; Jes. 14:5; Ez. 19:11, 14; Am. 1:5, 8; Zach. 10:11›).  

–Het woord wordt ook veel gebruikt voor een ‘stam’, want de stamleiders van Israël waren herkenbaar aan hun ‘stokken’ d.w.z. hun scepters. Zo staat het woord  b.v. ook voor ‘de twaalf stammen van Israël’ in Gen. 49:28. Ook in Ex. 28:21, Ri. 20:12 en 1 Sm. 9:21 is het vertaald als ‘stam’. In Ps. 74:2, Jer. 10:16, 51:19 staat het woord ‘sēveṭ’ voor ‘stam’ als onderdeel van de uitdrukking ‘de stam van uw erfdeel’. 

–In 2 Sm. 18:14 hebben wij het meervoudige woord ‘svāṭīm’ vertaald als ‘pijlen’. 

–De taalkundige wortel van het woord in het Hebreeuws is onzeker, zo niet onbekend. De overeenkomstige taalkundige wortel in het Arabisch heeft te maken met het werkwoord voor ‘sluik haar hebben’ d.w.z. ‘afhangend haar’ in tegenstelling tot ‘krullend haar’. Diverse andere afleidingen zijn verbonden met ‘weelderig zijn’ b.v. van takken (‹tierig welen›) maar ook met ‘overdekt zijn’, b.v. een overdekte straat of laan, maar ook een schoen, die je voet bedekt of afschermt. De bedekking en weelderigheid leiden tot aantrekkelijke en aangenaam voorkomen. In het Arabisch is een woord voor ‘stam’ ook het verbonden met deze taalkundige wortel, vooral in de Arabische uitdrukking ‘de stammen van Israël’ |||أَسْبَاطِ إِسْرَائِيل||| in Gen. 49:16 in de Arabische Bijbel. 

–Een later woord voor scepter’ is het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord |שַׁרְבִיט| (‹šārbīṭ - H8275›).

–De oude Chaldese of Aramese variant van het woord is |שְׁבַט| (‹šāvaṯ - H7625›) dat wij in Ezra 6:17 aantreffen. De Aramese variant van het woord in het NT van de Aramese Peshitta is te vinden in Heb. 1:8.  

H7843

verdelgen, vernietigen, verderven

het Hebreeuwse woord שָׁחַת (‹sāḥat - H7843›) betekent allereerst ‘verdelgen’ of ‘vernietigen’ of ‘verwoesten’ (‹Piel en Hiphil›). Soms wordt het in het tekstverband wel vertaald als ‘rüineren’, ‘toetakelen’, ‘verpletteren’, ’teisteren’ of ‘een slachtpartij aanrichten’. De Niphal en Hophal van het werkwoord hebben de betekenis van ‘verderven’ of  ‘bederven’. 

H7854

[‘De satan’] - ook in het Hebreeuws is het ‘de satan’ met het bepaalde lidwoord aan het zelfstandig naamwoord verbonden (‹H7854 - שָׂטָן - sātān›). Het woord betekent ‘tegenstander’. In het Grieks is dit het woord ‘diabolos’. Het Hebreeuwse woord ‘satan’ komt 27 keer voor in het OT, verdeeld over 23 verzen. In de volgende verzen staat het met het bepaalde lidwoord erbij en duidt het op de satan als de leider van alle gevallen engelen, de duivel, de oude slang: Job 1:6, 7, 8, 9, 12 en Job 2:1, 2, 3, 4, 6, 7 en Zach. 3:1, 2.

[‘satan’] - in het OT komt het woord 27 keer voor verdeeld over 23 verzen, waarbij het in 13 gevallen de satan, het hoofd van de gevallen engelen betreft. In het NT komt het woord 49 keer voor verdeeld over 45 verzen. 


[‘die ik aan de satan overgeleverd  heb’] - het woord ‘satan’, dat ‘tegenstander’ betekent, is niet een Grieks, maar een Semitisch woord. Hebreeuws en Aramees  zijn Semitische talen. In het Aramese NT van de Peshitta vinden wij 49 keer het woord ‘satana’ verdeeld over 45 verzen, terwijl het Aramese woord ‘akalqartsa’ (‹=duivel›) 20 keer voorkomt verdeeld over 20 verzen. 

–Het Aramese woord ‘satana’ in de Peshitta wordt in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR 35 keer weergegeven als ‘satan’ getranscribeerd en 14 keer vertaald als ‘diabolos’, terwijl het Aramese woord ‘akalqartsa’ in het Griekse NT in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR 19 keer wordt weergegeven als ‘diabolos’ en 1 keer, nl. in Lk. 13:16, als ‘satan’. 

–In het Griekse NT wordt het van oorsprong Semitische woord ‘satana’ 35 keer over 12 NT-ische boeken getranscribeerd als ‘satan’ en 14 keer vertaald als ‘diabolos’ (‹=duivel›). 

– In het OT komt het Hebreeuwse woord ‘satan’ 27 keer voor verdeeld over 23 verzen, waarbij het in 13 gevallen de satan, het hoofd van de gevallen engelen betreft, nl. in Job 1:6, 7, 8, 9, 12 en Job 2:1, 2, 3, 4, 6, 7 en  Zach. 3:1, 2.

H7999

vergelden, inlossen, vergoeden, het nakomen 

(‹van een belofte›)

het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַם (‹šālam - H7999›) komt in 113 verzen in het OT voor. De hoofdbetekenis is die van ‘vergelden’ of ‘vergoeden’ met in het verlengde daarvan ‘belonen’, ‘betalen’, ‘volbrengen’, ‘voltooien’, ‘uitvoeren’, ‘bëeindigen’ en soms ‘herstellen’ of ‘vrede sluiten’. In de volgende 17 verzen van het OT staat het werkwoord voor ‘het inlossen van een belofte’: Dt. 23:22; 2 Sm. 22:7; Job 22:7; Ps. 22:26; 50:14; 56:13; 61:9; 65:2; 66:13; 76:12; 116:14, 18; Pred. 5:3, 4; Jes. 19:21; Jona 2:10 en Nahum 2:1. In Jes. 42:19 staat er een deelwoord van de Pual van het werkwoord die vertaald is als ‘vertrouweling’, een vorm die qua betekenis verwant is met de Hophal van het werkwoord in Job 5:23 met als betekenis ‘in vrede leven met’.

H8130

mijn haters

het werkwoord שָׂנֵא (‹sānēʾ - H8130›) betekent ‘haten’ en heeft een breed semantisch veld van ‘achterstellen’ (‹bijvoorbeeld: Wie niet haat zijn vader of moeder, Lk. 14:26›), ‘benadelen’ (‹Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon, Spr. 13:24›), tot emotionele vijandschap (‹doodslag vanuit haat, Dt. 19:4›).

In de tegenstelling liefhebben – haten is er vaak het element van voorkeur en keuze (‹2 Sm. 19:6; Ps. 97:10; Amos 5:14-15›). Met de uitdrukking ‘met een volkomen haat, haat ik hen’ sluit de psalmist elke deur: er is niet de minste gezamenlijke grond te vinden tussen hem en zijn vijand. Dit komt ook elders in de psalmen voor: Ps. 26:5; Ps. 31:7; Ps. 101:2-4; Ps. 119:53, 104, 113, 128, 163. Verder wordt het haten in de psalmen gebruikt voor de tegenstander en die hem daarin navolgen: Ps. 5:5; Ps. 9:13; Ps. 11:5; Ps. 18:17, 40; Ps. 21:8; Ps. 25:19; Ps. 34:21 enz.  

H8198

huisslavin


het vrouwelijk Hebreeuwse woord שִׁפְחָה (‹šifḥāh - H8198›) dat 63 keer in het OT voorkomt verdeeld over 58 verzen, heeft als eerste betekenis ‘huisslavin’ op wie je al je werkzaamheden kan afwentelen, zelfs de sexuele relatie met je eigen man (‹vergelijk Sara met Hagar›). De meervoudsvorm is שְׁפָחוֺת (‹šifḥōṯ›). Het woord heeft betrekking op een 'huisslavin', een dienares die aan je huishouden verbonden is b.v. in Gen. 16:1: 29:24. Voor het verschil met אָמָה zie 1 Sm. 25:41 “Zie, uw huisslavin zal (uw) sloof zijn om de voeten van de dienaren van mijn heer te wassen.” 

H8275

scepter

het mannelijke Hebreeuwse zelfst. naamwoord |שַׁרְבִיט| (‹šārbīṭ - H8275›) dat 4 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 3 verzen heeft als eerste betekenis ‘scepter’ of ‘heersersstaf’. Het woord is van latere datum dan het veel gebruikelijkere oude woord |שֵׁבֶט| (‹šēbeṭ - H7626 - staf, stok, scepter, stam›) en in verband met die latere datum komen we het woord ‘šārbīṭ’ alleen 4 keer tegen in het boek Esther, dat stamt uit de tijd van de Perzische heerschappij (‹Esther 4:11; 5:2; 8:4›).  

H8311

misgroei

[‘’] - het Hebreeuwse woord  שָׂרוּעַ  (‹šār̄ūaʿ- H8311›) komt 3 keer in de Bijbel voor nl. in Lev. 21:18; 22:23 en in Jes. 28:20. Het woord houdt verband met uitgerekt zijn of heel lang zijn en zou verband houden met allerlei misvormingen en vergroeiingen van het lichaam b.v. hele lange oren of twaalf vingers en tenen (‹2 Sm. 21:20›) e.d.

H8324

belagen

de grondbetekenis van het Hebreeuwse woord שׁוֹרֵר (‹šōrēr - H8324›) zou men kunnen omschrijven als een voortdurend om iemand heentrekken en hem daarbij scherp in de gaten houden. Het motief van dit belagen is duidelijk zeer vijandig. Het woord komt alleen in het boek Psalmen voor nl. in Ps. 5:8; 27:11; 54:5; 56:3; 59:10.

H8389

תֹּאַר. KJV Translation Count — Total: 15x

The KJV translates Strong's H8389 in the following manner: form (3x), goodly (2x), beautiful (with H3303) (2x), favoured (2x), comely (1x), countenance (1x), fair (with H3303) (1x), goodly (with H2896) (1x), resembled (1x), visage (1x).  

Strong's Number H8389 matches the Hebrew תֹּאַר (tō'ar), which occurs 15 times in 15 verses in the WLC Hebrew.

H8438

worm,

karmozijnrood

Het meervoudige Hebreeuwse woord תּוֹלָעִים (‹tōlāʿīm - H8438›) dat hier vertaald is met ‘worm’, is op veel andere plaatsen vertaald met ‘karmozijnrood’ vanwege de felle rode kleurstof die het schildluiswormpje voortbrengt. Zie de noot bij. Ex. 25:4 en bij Ps. 22:7. 

H8451  

Wet

onderwijzing

Het Hebreeuwse woord תּוֹרָה (‹tōrāh - H8451›) betekent ‘onderwijzing’, ‘Wet’. Wij schrijven het met een hoofdletter waar het o.i. betrekking heeft op de Wet van Mozes. Het woord wordt ook gebruikt voor menselijke wetten. Typisch is ook de uitdrukking ‘het boek van de Wet’ of ‘de boekrol van de Wet’ in Joz. 1:8; 8:34; 2 Kn. 22:8, 11 en Neh. 8:3.  Het meervoud תּוֹרֹת (‹tōrōt›) vinden wij o.a. in Ex. 18:20 en Lev. 26:46. 

H8457

hoererij

[‘hoererij’] - in het Hebreeuws ‘hoererijen’. Het Hebreeuwse woord תַּזְנוּת (‹taznūṯ - H8457›) komt in 19 verzen in het OT voor en wel uitsluitend in het boek Ezechiël nl. 9 keer in Ez. 16 en 10 keer in Ez. 23, in alle gevallen in het meervoud. Dit woord heeft in Ezechïel betrekking op geestelijke hoererij, het vereren en aanbidden van afgoden.  

H8537

oprechtheid

het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord תֹּם (‹tōm - H8537›) betekent ‘volkomenheid’ of ‘volheid’ of ‘oprechtheid’ d.w.z. ‘volkomenheid’ b.v. van het hart. Het wijst ook op ‘onschuld’ en ‘eenvoud’.



Bronnen:

EBV bijbeltekst




Gesenius’ Hebrew and Chaldee Lexicon to the Old Testament Scriptures - Translated by Samuel Prideaux Tregelles., LL. D. - WM, B. Eerdmans Publishing Company - Grand Rapids, Michigan, 1949



Bewerking: 

redactie EBV - 15 maart 2022