HEBREEUWSE NAMENLIJST
© www.evangelischebijbelvertaling.nl
1 JULI 2026
|
Deze NAMENlijst is in bewerking. Als het Strongnummer in het rood staat, dan is de verklaring nog niet afgewerkt. Als het Strongnummer in het groen staat, dan is het bruikbaar. Als het Strongnummer in het groen onderstreept staat, is het goed bruikbaar, en als er een asterix * achter het Strongnummer staat, dan is het afgewerkt en klaar. |
|
|
Hieronder volgen belangrijke Hebreeuwse namen met de betekenis ervan. De uitleg is in hoofdzaak ontleend aan het Lexixon van Gesenius en de OT-ische bijbelcommentaren van K&D. |
|
|
H5 Abagta |
[‘Abagta’] - de naam |אֲבַגְתָא| (‹Abag̱ṯā - H5›) komt in de Bijbel alleen voor in Esther 1:10 als de naam van één van de 7 hofdienaren van de Perzische koning Ahasveros. De naam is van Perzische afkomst en de betekenis is volgens Gesenius waarschijnlijk afgeleid van het Sanskriet en betekent dan ‘door het geluk gegeven’. De naam zou verwant zijn aan de naam ‘Bigta’ (‹Big̱ṯā - H903›). |
|
H38 Abiam |
[‘Abiam’] - de naam Abiam (‹H38›) komt 4 keer in het OT voor in 1 Kn. 14:31 en 1 Kn. 5:1, 7, 8. In 2 Kr. 13 wordt hij Abia genoemd. Hij is van de zoon van Rehabeam uit zijn huwelijk met Maächa, een vrouw die waarschijnlijk abusievelijk ‘Micha-Jahu’ wordt genoemd in 2 Kr. 13:2. Zie de noot bij 2 Kr. 13:2. |
|
H40 Abimelech |
[‘Abimelech’] - de naam staat voor ‘mijn vader de koning’ (‹H40›). |
|
H49 Abisag |
[‘Abisag’] - de naam (‹H49›) betekent ‘vader van dwaling’ (‹Gesenius›) of ‘mijn vader dwaalt’. |
|
H67 Abel-Mitsraïm |
[‘Abel-Mitsraïm’] - dat is ‘rouw van de Egyptenaren’ (‹H67›). |
|
H71* Abana, Amana |
De Hebreeuwse eigennaam |אֲבָנָה| (‹ʾǎḇānāẖ - H71›), Abana, komt alleen voor in 2 Kn. 5:12 als de Qere, en men legt de betekenis wel uit als ‘de steenachtige’. Men veronderstelt dat de Ketiv |אֲמָנָה| (‹ʾǎmānāẖ - H549›) die wij ook aantreffen in Hgld. 4:8 hiermee in wezen overeenkomt, d.w.z. het zou gaan om één en dezelfde berg. De naam houdt verband het woord ‘Amen’, d.w.z met ‘trouw’, ‘waarachtigheid’, ‘geloofwaardigheid’, ‘vastheid’, ‘zekerheid’ en ‘veiligheid’. –De Amana is de beroemde rivier van Damascus, waarvan de uitspraak ‘Abana’ is geworden, en die ontspringt op het Anti-Libanon gebergte, en die volgens 1 Kr. 5:12 ook ‘Amana’ werd genoemd. Deze berg ligt ongeveer 30 km ten noorden van de oorsprong van de Parpar op het meest zuidoostelijke deel van de Hermon ligt. Tegenwoordig is daar de bron van wat nu de Barada rivier heet. Winckler (‹rond 1892›) was de eerste geleerde die suggereerde dat de berg Amana mogelijk dezelfde is als de berg Ammananu waarnaar op inscripties van Tiglath-Pileser III, de vorst van Assyrië (‹H8407›) wordt verwezen. Deze gedachte vindt bijval onder meer eigentijdse geleerden. –Een andere belangrijke rivier van Damascus is de rivier ‘Parpar’ (‹zie H6554›). –De rivieren ‘Abana’, of ‘Amana’, en ‘Parpar’ heten tegenwoordig resp. de Barada rivier, ’de koele rivier’ of ‘koude rivier’ die door Damascus stroomt, en de El-Awaj rivier, dat is ‘de kronkelende rivier’, die ontspringt op het meest zuidoostelijke deel van de Hermon, en die al kronkelend door de streek ten zuiden van Damascus stroomt en uitmondt in ‘Buhairat al-Hijanah’, ‘het meer van de kronkelige (‹rivier›)’, ten zuiden van de stad. Beide rivieren, de Amana en de Parpar, worden in 2 Kn. 5:12 genoemd. –De bergen ‘Senir’ en ‘Amana’ worden ook genoemd in het apocriefe boek Jubileeën, waarin wordt vermeld dat beide bergen deel uitmaken van het erfdeel van Sem of Shem (‹Gen. 5:32; 10:21 - H8035›) en Arfachsad (‹Gen. 10:22 - H775›). |
|
H76 Abel-Mizraïm |
[‘Abel-Mizraïm’] - dat is ‘rouw van de Egyptenaren’ (‹H67›). |
|
H85 Abraham |
[‘Abraham’] - deze naam (‹H85›) wordt in dit vers verklaard als |’אַב־הֲמוֹן גּוֹיִם’| - (‹av-hamon goyim›), waarvan de eerste twee woorden zouden zijn samengetrokken tot ‘Abraham’. Een andere verklaring zoekt het in de samenvoeging van ‘ab’ (‹vader›) met het Arabische woord |||رُهامٌ||| (‹‘ruham’ = menigte›), wat voor ons een meer navolgbare combinatie oplevert, waarbij we moeten beseffen dat Arabisch net als Hebreeuws een Semitische taal is en er dus veel verbanden zijn tussen beide talen. |
|
H87 Abram |
[‘Abram’] - dat is ‘vader van verhevenheid’ of: ‘verheven vader’ (‹H87›), maar volgens Rashie betekent de naam ‘vader van Aram’. In Gen. 25:20 wordt Laban, de Arameeër genoemd en Paddan-Aram (‹‘vlakte van Aram’›). noemt Abraham zijn land, maar niet zijn geboorteland. |
|
H94* Agur |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |אָגוּר| (‹ʾāgūr - H94›) komt alleen voor in Spr. 30:1 en betekent ‘bijeengebracht’ of: ‘bijeengekomen’ of ‘verzameld’. Grammaticaal gezien is de naam een passief deelwoord van het Hebreeuwse werkwoord |אָגַר| (‹ʾāgar - H103›), dat 3 keer in het OT voorkomt: Dt. 38:39, Spr. 6:8, 10:5, en dat ‘verzamelen’ of ‘bijeenbrengen’ betekent. De naam wordt gezien als een soort andere naam voor Salomo. |
|
H112* Ieddo |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam ‘Ieddo’, |אִדּוֹ| (‹ʾido - H112›) komt alleen voor in Ezra 8:17. De naam betekent ‘Ik zal Hem prijzen’. Het is de naam van het hoofd van de plaats Chasifa. |
|
H126 Adama |
[‘Adama’] - dat is ‘rode grond’ (‹H126›). |
|
H138 Adonia |
[‘Adonia’] - letterlijk: ‘Adoni-Jahoe’, waarbij ‘Jahoe’ voor de verkorte naam van de HEERE staat. De naam betekent ‘Mijn Heer is de HEERE’ (‹H138›). Zie 2 Sm. 3:4. De naam staat in het Hebreeuws voluit geschreven door heel dit hoofdstuk heen. |
|
H141* Adoniram |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |אֲדֹנִירָם| (‹ʾaḏonīram - H141›) komt alleen voor in 1 Kn. 4:6 en en 1 Kn. 5:28. Het is wsl. dezelfde persoon als |אֲדֹרָם| (‹ʿaḏorām - H151›) in 2 Sm. 20:24; 1 Kn. 12:18 en als |הֲדוֹרָם| in 2 Kr. 10:18 waar de naam ‘Hadoram’ om die reden in de vertaling is omgebogen naar ‘Adoram’. In Gen. 10:27; 1 Kr. 1:21 vinden wij de naam ‘Hadoram’ als een afstammeling van Joktan, de zoon van Heber (‹ẖaḏōrām - H1913›). In 1 Kr. 18:10 lezen wij nog over een Adoram, de zoon van Toï. |
|
H151* Adoram |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |אֲדֹנִירָם| (‹ʾaḏonīram - H141›) komt alleen voor in 1 Kn. 4:6 en en 1 Kn. 5:28. Het is wsl. dezelfde persoon als |אֲדֹרָם| (‹ʿaḏorām - H151›) in 2 Sm. 20:24; 1 Kn. 12:18 en als |הֲדוֹרָם| in 2 Kr. 10:18 waar de naam ‘Hadoram’ om die reden in de vertaling is omgebogen naar ‘Adoram’. In Gen. 10:27; 1 Kr. 1:21 vinden wij de naam ‘Hadoram’ als een afstammeling van Joktan, de zoon van Heber (‹ẖaḏōrām - H1913›). In 1 Kr. 18:10 lezen wij nog over een Adoram, de zoon van Toï. |
|
H161 Ohad |
[‘Ohad’] - dat is ‘één zijn’ of: ‘verenigd zijn’ (‹H161›). |
|
H173 Aholibama |
[‘Aholibama’] - de naam Aholibama (‹‘tent van de hoogte’ of ‘tenthoogte’ - H173›), de dochter van de Heviet Zibeon, komt 7 keer in Genesis 36 voor, verdeeld over 6 verzen en de naam komt nog 1 keer voor in 1 Kr. 1:40 als de naam van een mannelijk stamhoofd van Edom. |
|
H175 Aäron |
[‘Aäron’] - de betekenis van de naam |אַהֲרֹן| (‹ʾaẖaron - H175›), dat is Aäron, is niet zeker. Men denkt aan ‘lichtbrenger’ omdat de naam verband lijkt te houden met het Hebreeuwse werkwoord voor ‘licht geven’. Men denkt ook wel aan ‘bergachtig’ en zelfs aan ‘brenger van de dood’. Maar het blijft bij vermoedens. De naam komt 347 keer voor in het OT, verdeeld over 328 verzen. –De klank van de naam doet ook denken aan het Hebreeuwse woord |אֲרוֹן| (‹H727›) voor de Kist van het Verbond (‹Ex. 25:10›), voor offerkist (‹2 Kn. 12:10›) en voor de doodskist waarin Jozef meegenomen werd naar het land Kanaän (‹Gen. 50:26›). Het Hebreeuwse woord voor de ark van Noach (‹Gen. 6:10›) en voor het rieten mandje of kistje waarin Mozes in de Nijl werd gelegd (‹Ex. 2:3›) is een ander woord nl. ‘tēḇaṯ’ (‹H8392›) . De ark en het rieten kistje moesten tegen het water beschermd worden door pek. De Kist van het Verbond, de offerkist en de doodskist hoefden niet waterbestendig te zijn in fysieke zin, maar de Kist van het Verbond moest wel ‘door’ de Jordaan, die symbolisch staat voor de doodsrivier en ook de kist waarin het lichaam van Jozef was opgebaard moest ook door die rivier heen. |
|
H195 Ulai |
[‘de rivier Ulai’] - de rivier de Ulai |אוּלָי| (‹ʾūlāy - H195›) wordt in het OT alleen genoemd in Daniël 8:2 en16. Het mnl. Hebreeuwse znw. |אוּבָל| (‹ʾūḇal - H180›) komt alleen voor in Daniël 8:2 en 3. Het is mogelijjk afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |יָבַל| (‹yāḇal - H2986›‚ dat staat voor ‘krachtig stromen’, waarvan ook het woord voor de zondvloed ‘mabūl’ is afgeleid. Hiervan is het mnl. Hebr. znw. |יָבָל| (yāḇāl - waterstroom - H2988) afgeleid, dat alleen in Jes. 30:25 en Jes. 44:4 voorkomt, en in betekenis gelijk is aan het woord ‘ʾūḇal’, en dus staat voor een rivier. De combinatie van beide woorden ʾūḇal en ʾūlāy in dit vers klink poëtisch. |
|
H210* Ufaz |
De mnl. Hebreeuwse eigennaam |אוּפָז| (‹ʾūfāz - H210›) in Jer. 10:9 en in Dan. 10:5, met de ermee verbonden uiutdrukking ‘goud uit Ufaz’ of ‘goud van Ufaz’, is mogelijk een variant van de naam ‘Ofir’ en van de uitdrukking ‘goud van Ofir’ (‹H211›). Ook de Targum identificeert Ufaz met Ofir. Ofir ligt ongetwijfeld oostelijk van de Middenoosten regio, mogelijk kwam het uit de nu lege mijnen op het Arabische schiereiland of uit India. Jemen in het zuiden van het schiereiland heeft altijd nauwe handelsbetrekkingen met de westkust van India gehad. De meningen verschillen. |
|
H211* Ofir |
De mnl. Hebreeuwse naam |אוֹפִר| (‹Ofir - H211›) komt 12 keer in het het OT voor nl. in Gen. 10:29, 1 Kn 9:28; 10:11 (‹2 keer›); 22:48; 1 Kr 1:23, 29:4; 2 Kr. 8:18; 9:10; Job 22:24; 28:16; Ps. 45:9; Jes. 13:12. –De handelsvloot van Salomo nam uit Ofir ook sandelhout en kostbaar gesteente mee (‹1 Kn. 10:11; 2 Kr. 9:10›). Als we mogen aannemen dat het de vloot van Tarsis was die goud uit Ofir haalde, dan kunnen we in 1 Kn. 10:22 daarover het volgende lezen: ‘Eens in de drie jaar kwam deze vloot van Tarsis goud en zilver, ivoor, apen en pauwen brengen.’ Een synoniem van de naam ‘Ofir’ is mogelijk ‘Ufaz’ in Jer. 10:9 en Dan. 10:5. Zie Ufaz, H210. |
|
H244* Hachila |
De Hebreeuwse eigennaam |חֲכִילָה| (‹ḥaḵīlāẖ - H2444›) komt 3 keer in het OT voor, verdeeld over 3 verzen nl. 1 Sm. 23:19; 26:1, 3. Het gaat altijd om de heuvel van Hachila, eigenlijk van ‘de duisternis’, want altijd gaat het woord vergezeld van het bep. lidw. Nergens is te vinden of dit woord mnl. dan wel vrwl. is. |
|
H271 Ahaz |
[‘Ahaz’] - ‘hij heeft gegrepen’ of: ‘hij heeft genomen’ (‹H271›). |
|
H274 Ahazia |
[‘Ahazia’] - de Hebreeuwse naam |אֲחַזְיָהוּ| betekent ‘De HEERE houdt hem vast’ (‹ʾaḥaz-yāhū - H274›) |
|
H276 Ahuzzat |
[‘Ahuzzat’] - de naam staat voor ‘bezit’ of: ‘bezitting’ (‹H276›). |
|
H281* Ahia |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam Achia, voluit - Achi-Yahoe (‹|אֲחִיָּהוּ| - ʿăḥiyāẖū›) - en verkort (‹|אֲחִיָּה| - ʿăḥiyāẖ - H218›) komt 24 keer voor in het OT, verdeeld over 23 verzen: 1 Sm. 14:3, 18; 1 Kn. 4:3; 11:29, 30; 12:15; 14:2, 4 (‹2x›), 5, 6, 18; 15:27, 29, 33; 21:22; 2 Kn. 9:9; 1 Kr. 2:25; 8:7; 11:36; 26:20; 2 Kr. 9:29; 10:15; Neh. 10:26. Het betreft een priester, de zoon van Achitub, in 1 Sm. 14:3, 18, een schrijver in 1 Kn. 4:3; de profeet Achia, de Siloniet, d.w.z. de profeet uit Silo, in 1 Kn. 11:29, 30; 12:15; 14:2, 4, 5, 6, 18; 29; 2 Kr. 9:19; 10:15; de vader van koning Baësa in 1 Kn. 15:27, 33; 21:22 en 2 Kn. 9:9, de (klein)zoon van Hezron of mogelijk de vrwl. eigennaam van de moeder van de 4 voorgaande namen in 1 Kr. 2:25, een man van Aser in 1 Kr. 7:34, de zoon van Ehud, uit Benjamin in 1 Kr. 8:7, één van Davids helden, genaamd Achia, de Peloniet in 1 Kr. 11:36, een Leviet in de tijd van David of een verschrijving voor ‘hun broeders’ in 1 Kr. 26:20, een hoofd onder Nehemia in Neh. 10:27. Wat betreft 1 Kr. 5:15 merken wij op dat de naam ‘Achia’ in dat vers in het Hebreeuws niet wordt voorafgegaan door het voegwoord. Dit is ongewoon en daarom concluderen sommige commentatoren dat er 4 zonen zijn, en dat Achia een verschrijving is voor ‘Machia’, een vrwl. eigennaam> Dat is aannemelijk, omdat in vs. 26, het volgende vers, de 2e vrouw van Jerahmeël wordt genoemd nl. Atara, en dan mag men veronderstellen dat de eerste vrouw ook vermeld behoort te worden. In 1 Kr. 26:20 nemen vele vertalers aan dat er sprake is van een verschrijving, en dat het niet om de naam ‘Achia’ gaat, maar om het Hebreeuwse voor ‘hun broeders, de Levieten’. |
|
H329 Atad |
[‘Atad’] - dat is ‘doornstruik’ (‹H329›), vgl. Ri. 9:14,15 en Ps. 58:10. Lees ook vs. 11. |
|
H348 Izebel |
[‘Izebel’] - de naam betekent volgens Gesenius ‘een vrouw die geen buitenechtelijke relatie heeft’, een ‘kuise vrouw’ (‹H348›). Inderdaad vinden wij nergens in de Bijbel dat Izebel ontrouw was in haar huwelijk. In haar geestelijke wandel was ze ook zeer trouw, maar niet aan de God van Israël, maar aan de Baäl van de Sidoniërs, die door de Farizeeën later zou worden aangeduid als Beëlzebul, de overste van de demonen, ook toen zij godslasterlijk van Jezus spraken, dat hij de boze geesten uitdreef door Beëlzebul (‹Mk.3:22, Mt. 12:22-37›). Men denkt wel dat de naam Izebel een afkorting is van Baäl-Zebel (‹|בעלאזבל|›), een Foenicische naam die zou betekenen ‘Baäl heeft verheerlijkt’ (‹Brown-Driver-Briggs - BDB Bible Dictionary›), terwijl ‘Zebul’ eerder een passieve vorm lijkt te zijn: ‘is verheerlijkt’ of: ‘wordt verheerlijkt’. Zie ook de noot bij Gen. 30:20 over de naam Zebulon. |
|
H356 Elon |
[‘Elon’] - ‘terebint’ of ‘terpentijnboom’ (‹H356›). |
|
H358 .... |
1 Kn. 4:9 - 1x ‘terpentijnboom van het huis van genade of van gunst. |אֵילוֹן בֵּית חָנָן| |
|
H359 Elot |
[‘Elot’] - de naam |אֵילוֹת| (‹eylōṯ - H359›) staat voor het tegenwoordige Eilat aan de noordelijke punt van de Golf van Aqaba. Deze naam komt 8 keer voor. in het OT, verdeeld over 6 verzen. Soms wordt de naam ook geschreven. als אֵילַת (‹eylat - H359›) n.l. in Dt. 2:8 en in 2 Kn. 14:22 |
|
H362 Elim |
[‘Elim’] - de Hebreeuwse naam |אֵילִם| (‹ēlīm - H362›) staat waarschijnlijk voor de ‘bomen’ die daar groeiden. |
|
H378 Ish-Boshet |
De naam ‘Ish-Boshet’ betekent ‘man van schaamte’ (‹H378›). Mogelijk was hij dezelfde als Esbaäl (‹H792›) in 1 Kr. 8:33 en 1 Kr. 9:39. De naam ‘Ish-Boshet’ komt 22 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen. De eerste keer in 2 Sm.2:8. |
|
H425* Ela |
H425 - |אֵלָה| (‹ʾeylāẖ›) staat 15 keer voor de naam ‘Ela’. De naam komt 16 keer voor verdeeld over 15 verzen: Gen. 36:41 en 1 Kr. 1:52, een stamhoofd van Edom, 1 Sm. 17:2, 19; 21:9, het dal van Ela waar David met Goliat streed, 1 Kn. 16:6, 8, 13, 14, de zoon Baësa de koning van Israël, 2 Kn. 15:30; 17:1; 18:1, 9, de vader van koning Hosea van Israël; 1 Kr. 4:15, een zoon van Kaleb (2x›) en 1 Kr. 9:8, een zoon van Uzzi, een Benjaminiet.. |
|
H452 Elia |
[‘EIia’] - letterlijk: ‘Eli-Jahoe’. Ook vs. 2. De betekenis van de naam is ‘mijn GOD is de HEERE’, ofwel ‘mijn GOD is JaHWeH’ (‹H452›). |
|
H469 Elzafan |
[‘Elzafan’] - dat is ‘wie door God wordt beschermd’ (‹H469›). |
|
H499 Eleazar |
[‘Eleazar’] - dat is ‘die God helpt’ of: ‘die God als helper heeft’ (‹H499›) |
|
H472 Eliseba |
[‘Eliseba’] - de naam ‘Eliseba’ (‹H472›), betekent: ‘God is mijn eed’ of ‘die bij God zweert’. |
|
H474 Elisua |
Elisua 2 verzen |
|
H476 Elishama |
Elishama |
|
H495 Ellasar |
[‘Ellasar’] - de locatie van dit gebied of deze plaats is niet zeker. Men denkt wel aan de stad Larsa en het gebied van Zuid-Babylonië. Weer anderen denken juist aan Artemita in Noord-Babylonië en zelfs is er opvatting dat het om een plaats op Cyprus zou gaan. De betekenis van de naam is niet zeker, mogelijk ‘God tuchtigt’ (‹H495›). — |
|
H499 Eleazar |
[‘Eleazar’] - dat is ‘die God helpt’ of: ‘die God als helper heeft’ (‹H499›) |
|
H511 Elkana |
[‘Elkana’] - dat is ‘die door God geschapen is’ (‹H511›). Jones meent dat de betekenis is ‘God heeft verzoend’. De NOBSE Study Bible Name List komt met ‘God heeft in bezit gehad’ (‹H511›). |
|
H558 Amazia |
[‘Amazia’] - voluit: ‘Amaṣ-Jāhū’ (‹H558›). |
|
H567 Amoriet |
[‘Amoriet’] - voor meer info, zie H567 in de Hebreeuwse Namenlijst. [‘Kanaäniet’] - voor meer info, zie H3669 in de Hebreeuwse Namenlijst. [‘Girgasiet’] - voor meer info, zie H1622 in de Hebreeuwse Namenlijst. [‘Jebusiet’] - voor meer info, zie H2983 in de Hebreeuwse Namenlijst. |
|
H569 Amrafel |
[‘Amrafel’] - dit betekent mogelijk ‘een bevel dat werd uitgevaardigd’ (‹H569›). |
|
H573 Amittai |
[‘Amittai’] - de naam betekent ‘mijn waarheid’ (‹H573›). |
|
H617 Assir |
[‘Assir’] - dat is ‘gevangene’ (‹H617›) |
|
H621 Asnat |
[‘Asnath’] - deze naam betekent mogelijk ‘zij die van Neith is’ (‹H621›). Neith was een Egyptische godin. |
|
H622 Jozef |
[‘Jozef’] - de naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |אָסַף| (‹āsaf - H622›). Zie de noot bij Gen. 30:23. De naam betekent ‘hij voegt toe’ en in Ps. 81:6 vinden we hem geschreven als ‘Jah-(‹J›)osef’ d.w.z. ‘Hij voegt toe’, maar tegelijk is dit ook een vervoeging van de Hiphil vorm van het werkwoord ‘āsaf’. In de naam Jozef klinkt het verlangen naar een tweede kind door, maar ook de herinnering dat God haar smaad heeft weggenomen. Het leven van Jozef is in zekere zin ook een illustratie van zijn naam, want zoals er voor Rachel na Jozef nog een tweede zoon kwam, zo kenmerkte ook Jozefs leven zich door toevoeging, verdubbeling: hij had 2 dromen (‹Gen. 37›), hij legde 2 dromen uit in de gevangenis (‹Gen. 40›) en 2 dromen van Farao (‹Gen. 41›), zijn broers maken 2 reizen om hem te zien, en hij wordt 2 keer gevangen genomen (‹door zijn broers en door de overste van de lijfwacht en in beide gevallen blijft een mantel achter›) en hij krijgt 2 zonen in Israël (‹Efraïm en Manasse›) die in zijn plaats tot de stammen van Israël gerekend werden en zo kreeg hij een dubbel erfdeel in het land (‹ten koste van Levi›). |
|
H461 Eliëzer |
[‘Eliëzer’] - de naam Eliëzer betekent ‘die God als Helper heeft’ (‹H461›). |
|
H513 Eltolad |
Eltolad |
|
H588 Anacharat |
Anacharat |
|
H635** Ester |
De Hebreeuwse naam |אֶסְתֵּר| (‹es̱tēr - H635›) komt 55 keer in het OT voor, verdeeld over 45 verzen, alle in het boek Ester. De naam betekent ‘ster’ (‹H635›) en is van Perzische oorsprong. Vanuit het Hebreeuws doet de klank van de naam denken aan de betekenis ‘verborgen’ of: ‘geheim’. De Joodse naam van Ester is ‘Hadassa’, d.w.z. ‘mirte-vrouw’ (‹H1919, H1918›). Deze vrouw stijgt onder de naam Ester, dat is ‘ster’, tot grote hoogte op als koningin van de volken. De verborgen identiteit van deze koningin is Joods, zij is uit het Israël, waaruit de Messias naar het vlees zou voortkomen (‹Num. 24:17; Mt. 2:2›). |
|
H672 Efrata |
[‘Efratha’] - dat is ‘vruchtbaar’ of: ‘vruchtbaarheid (‹H672›). De naam komt van dezelfde wortel als de naam ‘Efraïm’, de zoon van Jozef. Deze wortel is het werkwoord |פָּרָה| (‹parah - H6509›), dat ‘vrucht dragen’ of: ‘vruchtbaar zijn’ betekent. Het wordt toegepast op planten (‹Jes. 32:12›), dieren en mensen (‹Gen. 8:17, Ex. 23:30›). Het woord ‘vrucht’ (‹Gen. 1:12›) is hier vanaf geleid. |
|
H709 Argob |
[‘Argob’] - dat is ‘een hoop van stenen’ (‹H709›). Deze naam vinden we 5 keer in het OT, nl. in Dt. 3:4, 13, 14, 1 Kn. 4:13 en in 2 Kn. 15:25. Alleen in het laatste vers verwijst het naar een persoon. In de vier eerste Schriftplaatsen verwijst het naar het gebied Argob (‹Gesenius›). |
|
H792 Esh-Baäl |
Esh-Baäl in 2 verzen Zie ook H378 in 1 Sm. 2:8 |
|
H804* Assur, Assyrië |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |אַשּׁוּר| (‹ʾašūr - H804›) komt 151 keer voor in het OT, verdeeld over 138 verzen. In de boeken Gen. t/m Deuteronomium is de naam vertaald als ‘Assur’, in slechts 6 verzen, waarbij wij opmerken dat de naam in het geheel niet in het boek Deuteronomium voorkomt. In alle overige gevallen, met uitzondering van 1 Kr. 1:17 dat teruggaat op Genesis, is de naam vertaald als ‘Assyrië’. De naam Assyrië komt 41 keer voor in het boek Jesaja, die profeteer in de dagen van Assyrische koningen Tiglat-Pileser en Sanherib. Assyrië moet niet verward worden met het huidige Syrië. Het gebied van Syrië komt veel meer overeen met het Bijbelse Aram, terwijl de term ‘Assur’ of ‘Assyrië’ doelt op het gebied dat nu het uiterste noorden van Irak vormt, ten noorden van Mosul. In het algemeen neemt men aan dat de betekenis van deze naam ‘stap’ of: ‘schrede’ is b.v. in Job 31:7 (‹H838›). |
|
H812 Eskol |
[‘Eskol’] - dat is ‘vet’ of: ‘kracht’ (‹H812›). |
|
H813 Askenaz |
[‘Askenaz’] - de naam Askenaz. (‹H813›) bestaat vlg. het Jones' Dictionary of Old Testament Proper Names uit drie delen: (‹1›) het Hebreeuwse woord ‘esh’ dat ‘vuur’ betekent, (‹2›) het Hebreeuwse woordje ‘ke’ dat ‘als’ of: ‘zoals’ betekent en (‹3›) het Hebreeuwse werkwoord ‘naza’ (‹H1335 en H1336›). ‘Naza’ (‹H1335›) betekent ‘sprenkelen’ of: ‘spatten’, dit in verband met het sprenkelen van bloed ter reiniging van de zonde en ‘naza’ (‹H1336›) betekent ‘springen’ of: ‘bespringen’. Het komt erop neer dat de naam in de oren van een Hebreeuws sprekend gehoor heeft geklonken als ‘vuur als vonken’ of: ‘fonkelend vuur’. |
|
H836 Aser |
[‘Aser’] - dat is ‘gelukkig’ (‹H836›). |
|
H847 Estaol |
Estaol |
|
H851 Estemo Estemoa |
Estemo 1x en Estemoa 5x |
|
H856 Et-Baäl |
[‘Et-Baäl’] - de naam betekent ‘hij die bij Baäl is’ (‹H856›). Dit is de naam van de koning van de Sidoniërs als de vertegenwoordiger van Baäl, die alleen in 1 Kn. 16:31 voorkomt. |
|
H863 Ittai |
Ittai - 7 verzen |
|
H864 Etam |
Etam |
|
H882 Beëri |
[‘Beëri’] - d.w.z. ‘mijn put’ (‹H882›). |
|
H884 Ber-Seba |
[‘Ber-Seba’] - d.w.z. ‘bron van de eed’ of: ‘bron van de zeven(‹voudige eed›)’ (‹H884›). Zie ook Gen. 26:33 waar het over de stad gaat. Archeologisch onderzoek door Robinson rond 1840 bracht 2 grotere en 5 kleinere putten aan het licht. |
|
H886 Beërotiet |
Beërotiet - 5 verzen |
|
H903 Bigta |
[‘Bigta’] - de naam |בִּגְתָא| (‹Big̱ṯā - H903›) waarschijnlijk dezelfde als de naam ‘Bigtan’ in Ester 2:21 en ‘Bigtana’ in Ester 6:2. Het gaat waarschijnlijk om de Perzische naam ‘Bagdana’, d.w.z. ‘geschenk van God’, net als de Griekse naam ‘Theodorus’. Gesenius vermeldt dat de naam ‘tuin’ of ‘tuinier’ of ‘tuinman’ betekent. Maar onder de naam ‘Abagta’ merkt hij op dat die naam verwant is aan de naam ‘Bigta’ en als betekenis heeft ‘door het geluk gegeven’. |
|
H963 Betanië |
Betanië - Aramese naam, die 11 keer in het NT van de Peshitta voorkomt, verdeeld over 11 verzen. [‘Betanië’] - dat is ‘huis van vijgen’ (‹H8384›), hoewel in andere bronnen het woord wordt verklaard als ‘huis van ellende’, of ‘huis van verdruktheid of armoe’. Het Hebreeuwse woord voor ‘arm’ is ‘ʿānî’. |
|
H964 Biz-joteja |
Biz-Joteja |
|
H967 Bet-Fage |
Bet-Fage - Aramese naam |
|
H1004 Bet-Haggan |
[‘Bet-Haggan’] - dat is ‘huis van de tuin’ (‹H1004, H1588›) 2 Kn. 9:27 ‘huis van de hoftuin’ |
|
H1007 Bet-Aven |
[‘Bet-Aven’] - dat is ‘huis van ongerechtigheid’ of: ‘huis van ledigheid’ (‹H1007›). Deze naam komt 7 keer voor in het OT: Joz. 7:2; 18:12; 1 Sm. 13:5; 14:23; Hos. 4:15; 5:8: 10:5. In Hos. 10:8 komt de naam verkort voor als ‘Aven’ en ook in Ez. 30:17. |
|
H1008 Bet-El |
[‘Bet-El’] - dat is ‘huis van God’ (‹H1008›). |
|
H1009 Bet-Arbel |
Bet-Arbel 1 x Hos. 10:14 |
|
H1011 Bet-Biri |
Bet-Biri - 1x 1 Kr. 4:31 |בֵּית בִּרְאִי| - huis van mijn schepping |
|
H1012 Bet-Bara |
Bet-Bara 2 x in Ri. 7:24 |
|
H1013 Bet-Gader |
Bet-Gader 1x 1 Kr. 2:51 |בֵּית־גָּדֵר| - huis van de muur |
|
H1016 Bet-Dagon |
Bet-Dagon 2 x |
|
H1018 Bet-Hazaël |
Bet-Hazael 1 x Mi. 1:11 house firm of root (Gesenius) |
|
H1020 Bet-Jesimot |
[‘Bet-Jesimot’] - dat is ‘huis van de woestenij’ (‹H1020›). Zie ook Num. 33:49, Joz. 12:3, 13:20. |
|
H1021* Bet-Cherem |
De Hebreeuwse eigennaam |בֵּית הַכֶּרֶם| (‹bēyṯ ẖa-kerem - H1021›) komt 2 keer in het OT voor nl. in Neh. 3:14 en in Jer. 6:1. De naam betekent ‘huis van de wijngaard’. Het was mogelijk een plaats ten zuidwesten van Jeruzalem, die tegenwoordig ‘Ramat Rachel’ wordt genoemd, hoewel die eerder ten zuiden dan ten zuidwesten van de stad lijkt te liggen. Anderen menen dat het de wijk Ein-Cherem of Ein-Kerem, |עין כרם| (‹ʿēyn kerem›), dat betekent ‘bron van de wijngaard’, is aan de zuidwestkant van het tegenwoordige district Jeruzalem, dat in de kerkelijke traditie beschouwd wordt als de geboorteplaats van Johannes de Doper, omdat Maria toen ze zwanger geworden was uit de Heilige Geest naar een plaats in het bergland van Juda reisde, naar haar verwante, Elisabet, de vrouw van de hogepriester Zacharia (‹Lk. 1:39›). Als dit juist zou zijn, dan is het opmerkelijk dat deze Nazireeër, man van de wijdingskrans (‹Lk. 1:15›), die dus geen vrucht van de wijnstok mocht drinken, juist in zo’n omgeving geboren zou zijn. –Weer anderen menen dat Bet-Cherem in de buurt van Tekoa lag, maar volgens Jer. 6:1 werd in Tekoa op de ramshoorn geblazen, terwijl men in Bet-Cherem een rookwolk liet opstijgen om het Juda te waarschuwen voor de komst van de legers uit Babel. |
|
H1024 Bet-ha-Marchabot |
Bet-ha-Marchabot of Bet-Marchabot 2 x |
|
H1025 Bet-Emek |
Bet-Emek Joz. 19:27 |
|
H1026 Bet-Araba |
Bet-Araba |
|
H1027 Bet-Araba |
Bet-Haram |
|
H1029 Bet-SItta |
Bet-Sitta - Ri. 7:22 |בֵּית הַשִּׁטָּה| ‘huis van de acacia’ |
|
H1030 Bet-Semiet |
Bet-Semiet 2x Jozua, de Bet-Semiet |
|
H1031 Bet-Hogla |
Bet-Hogla |
|
H1032 Bet-Horon |
Bet-Horon |
|
H1033 Bet-Kar |
Bet-Kar 1x 1 Sm. 7:11 -’huis van de weide’ of ‘huis van het weiden’ ‘Kar’ is ook ‘een vetgemest lam’ (H3733) |
|
H1034 Bet-Lebaot |
Bet-Lebaot 1x Joz. 19:6 |
|
H1038 Bet-Maächa |
Bet-Maächa 2x 2 Sm. 20:14, 15. ‘huis van Maächa - een stadje aan de voet van de Hermon |בֵּית מַעֲכָה| - |
|
H1039 Bet-Nimra |
Bet-Nimra. |
|
H1041 Bet-Azmavet |
Bet-Azmavet - 1 x Neh. 7:28 - huis van de kracht van de dood? |
|
H1042 Bet-Anot |
Bet-Anot |
|
H1043 Bet-Anat |
Bet-Anat, 1x Joz. 19:38 en Ri. 1:33 (2x) |
|
H1046 Bet-Palet |
Bet-Palet |
|
H1047 Bet-Peor |
[‘Bet-Peor’] - de Hebreeuwse naam |בֵּית פְּעוֹר| (‹bēyt-pᵉʿōr - H1047›) komt 4 keer voor in OT, verdeeld over 4 verzen nl. Dt. 3:29, 4:46, 34:6 en Joz. 13:20. De betekenis van de naam is ‘huis van de kloof’. Het was een tempel gewijd aan de afgod van de Moabieten, genaamd ‘Kamos’ (‹H3645›). Het woord ‘peor’ (‹H6465›) betekent ‘kloof’ of ‘diepte. |
|
H1048 Bet-Pazzez |
Bet-Pazzez 2 x |
|
H1049 Bet-Zur |
Bet-Zur 4 x |
|
H1050 Bet-Rechob |
Bet-Rechob 2 x Ri. 18:28 en 2 Sm. 10:6 |
|
H1051 Bet-Rafa |
Bet-Rafa - 1x 1 Kr. 4:12 |בֵּית רָפָא| |
|
H1052 Bet-Sean |
Bet-Sean 9 x over 8 verzen |
|
H1053* Bet-Semes |
De Hebreeuwse eigennaam |בֵּית שֶׁמֶשׁ| (‹Bēyṯ-Šemeš - H1053›) komt 42 keer in het OT voor, verdeeld over 19 verzen: Joz. 15:10; 19:22; 19:38; 21:16; Ri. 1:33; 1:33; 1 Sm. 6:9; 12, 13, 15, 19, 20; 1 Kn. 4:9; 2 Kn. 14:11, 13; 1 Kr. 6:59; 2 Kr. 25:21, 23; 28:18; Jer, 43:13. De naam betekent ‘huis van de zon’ –Het betreft allereerst een stad in het grensgebied tussen Juda, Dan en Felesjet, vervolgens is het ook een stad van de stam Naftali in Joz. 19:38 en Ri. 1:33 en ten slotte is het ook een stad van de stam Issaschar in Joz. 19:22. |
|
H1054 Bet-Tappuah |
Bet-Tappuah 1 x Joz. 15:53 |
|
H1064 Bechorat |
Bechorat 1 Sm. 9:1 |
|
H1096 Beltsazar |
[‘Beltsazar’] - dat is ‘de prins van Bel’ (‹H1096›), waarbij Bel de naam van de afgod van Babel is. |
|
H1106 Bela |
[‘Bela’] - dat is ‘verwoesting’ of: ‘vernietiging’ (‹Ps. 52:6›) of ‘het verslondene’ (‹Jer. 51:44›) (‹H1106›). |
|
H1109* Bileam |
De uit twee componenten bestaande naam |בִּלְעָם| betekent volgens Gesenius ‘niet van het volk’ (‹bilʿām - H1109 - mogelijk samengesteld uit H1077 en H5971›). Het is de naam van de profeet Bileam, de zoon van Beor (‹H1160 - ‘brandend’ of ‘fakkel’›) , zoals hij 11 keer wordt genoemd. Hij woonde in Pethor (‹H6604 - ‘dromenuitlegger’ of ‘waarzegger’ of ‘iemand die dingen, woorden of gezichten, uitbrengt›), een plaats die 2 keer in de Bijbel wordt genoemd. Deze plaats wordt geïdentificeerd met de Assyrische plaats Pitru, die ongeveer 12,5 mijl ten zuiden van Karkemish ligt. Bileam blijkt een valse profeet te zijn, want hoewel hij keer op keer Gods Woord doorgeeft, blijkt hij zoals zijn naam al zegt, in zijn hart niet veel met de God van het volk Israël op te hebben, want hij helpt de Moabieten en de Midianieten om het volk Israël in de afgoderij en in de hoererij te storten (‹zie Num. 22:7›). Daarom is Bileam volgens Dt. 13:1-5 een valse profeet en moet hij ter dood gebracht worden, omdat hij nadat zijn woord is uitgekomen of is uitgesproken, meehelpt om het volk Israël in de afgoderij en in de hoererij te storten. Wij lezen dan ook in Num. 31:8 en in Joz. 13:22 dat de Israëlieten hem uiteindelijk doden. Bovendien worden wij in Num. 25:3, 5, Dt. 4:3, Ps. 106:28, Hosea 9:10 herinnert aan de zonde van Israël in verband met Baäl-Peor. –De naam Bileam komt 61 keer in de Bijbel voor verdeeld over 57 verzen. Alleen al in Numeri komt de naam 49 keer voor, als eerste in Num. 22:5. De naam Bileam is in enkele verzen onderdeel van de plaatsnaam Jibleam, |יִבְלְעָם| (‹yiḇlᵉʿām - H2991 - ‘hij verslindt het volk’ samengesteld uit H1104 en H5971›), een plaats in Manasse nl. in Joz. 17:11, Ri. 1:17, 2 Kn. 9:17 en 1 Kr. 6:55. Het is o.i. ook mogelijk om in het eerste deel van de naam Bileam de betekenis te zien van |בָּלַע| (‹bālaʿ - ‘verslinden’ - H1104›) en zo uit te komen op ‘hij verslond het volk’. K&D verdedigen deze laatste uitleg van de naam. |
|
H1126 |
[‘Ben-Oni’] - dat is ‘zoon van mijn pijn’ (‹H1126›). |
|
H1141* Benaja |
De mnl. Hebreeuwse eigennaam |בְּנָיָ֫הוּ| (‹bnā-yāẖū - verkort |בְּנָיָה| bnā-yāẖ - H1141›), komt 42 keer voor in het OT, verdeeld over 41 verzen. De uitgang ‘yāẖū’ staat voor de verkorte Hebreeuwse naam van de HEERE. De naam betekent ‘die de HEERE heeft gebouwd’ of: ‘die door de HEERE werd gebouwd’ (‹H1141›). Het gaat om: (‹1›) Davids leider van de lijfgarde en de ijlboden, aangeduid als ‘de zoon van Jehojada’ nl. in 2 Sm. 8:18; 20:23; 23:20, 22; 1 Kn. 1:8, 10, 26, 32, 36, 38, 44; 1 Kn. 2:25, 29, 30 (‹2 x›); 1 Kn. 2:34, 35, 46; 4:4; 1 Kr. 11:22, 24; 18:17; 27:5, 6; 1 Kr. 27:34; 1 Kr. 11:22; –(‹2›) één van de dertig mannen van David: 2 Sm. 23:30; 1 Kr. 11:31; 27:14, nl. Benaja, de Piratoniet; –(‹3›) een man uit de stam Simeon: 1 Kr. 4:36; –(‹4›) Levieten: a. 1 Kr. 15:18, 20, 24; 1 Kr. 16:5; b. 2 Kr. 31:13, c. 2 Kr. 20:14; –(‹5›) een priester: 1 Kr. 16:6; –(‹6›) Israëlieten: a. Ezra 10:25; b. Ezra 10:30; c. Ezra 10:35; d. Ezra 10:43; e. Ezekiel 11:1, 13. |
|
H1144 Benjamin |
[‘Benjamin’] - dat is ‘zoon van mijn rechterhand’ (‹door sommigen opgevat als ‘zoon van Rachel’ die Jakobs rechterhand was›) of ‘zoon van mijn geluk’ (‹H1144›). Ook wordt de naam door Rashie uitgelegd als ‘zoon van het zuiden’ (‹immers alle andere zonen waren noordelijker geboren›). Andere menen ‘zoon van mijn kracht’ (‹i.t.t. smart›) of ‘zoon van mijn oude dag’, waarvoor een letter ‘n’ wordt opgeofferd voor een letter ‘m’. Al met al lijkt ‘zoon van mijn rechterhand’ de meest passende en juiste weergave. |
|
H1160 Beor |
[‘Beor’] - dat is ‘lamp’ of: ‘fakkel’ (‹H1160›). In Dt. 36:32 is het de vader van Bela, die leefde lang voordat de intocht van het volk Israël in het beloofde land plaatsvond, omdat hij de eerste is van 8 elkaar opvolgende Edomitische koningen in Gen. 36. De laatste van de 8 koningen was mogelijk nog in leven toen Mozes stierf. –In Num. 22:5 en Dt. 23:5 is Beor de vader van Bileam. De uitdrukking ‘zoon van Beor’ komt in 10 verzen in het OT voor, waarvan 8 verzen op de valse profeet Bileam betrekking hebben. In twee verzen nl. in Gen. 36:32 en in 1 Kr. 1:43 gaat het over Bela, die in Edom regeerde. De naam van Bileam, de zoon van Beor, komt ook nog 1 keer in het NT voor nl. in 2 Pt. 2:15. |
|
H1162 Boaz |
[‘Boaz’] - de naam (‹H1162›) bestaat eigenlijk niet in het Hebreeuws. Boaz was een zoon van Salmon en Rachab en had via de Kanaänitische familie uit Jericho mogelijk een wat ongewone naam gekregen. Hoewel sommigen de naam herleiden tot een Semitische wortel die de betekenis van ‘vluchtigheid’ of ‘vergankelijkheid’ heeft, is de meest aannemelijk verklaring van de naam, dat die is samengesteld uit twee delen en betekent ‘in Hem (‹1e deel›) kracht (‹2e deel›)’. Verschillende commentatoren (‹Thenius, K&D›) nemen de namen van de twee zuilen samen en komen dan tot ‘Hij bevestigt in kracht’ of ‘Hij doet staan in kracht’ of ‘Hij richt op in kracht’. |
|
H1176 Baäl-Zebub |
[‘Baäl-Zebub’] - deze naam betekent ‘heer van de vliegen’ (‹H1176›). Dit is de naam van de god van Ekron, die 4 keer in het OT voorkomt, alleen in dit hoofdstuk nl. in 2 Kn. 1:2, 3, 6 en 16. Het Hebreeuwse woord voor ‘vlieg’ |זְבוּב| (‹zᵉḇūḇ - H2070›) vinden wij in het OT alleen in Pred. 10:2 en Jes. 7:18. |
|
H1186 Baäl-Meon |
[‘Baäl-Meon’] - dat is ‘heer van de woning’ (‹H1186›). Zie ook Num. 32:38, Joz. 13:7 (‹Beth-Baäl Meon›) en 1 Kr. 5:8, Jer. 48:23. |
|
H1109 Bileam |
[‘Bileam’] - de uit twee componenten bestaande naam |בִּלְעָם| betekent volgens Gesenius ‘niet van het volk’ (‹bilʿām - H1109 - mogelijk samengesteld uit H1077 en H5971›). Het is de naam van de profeet Bileam, de zoon van Beor (‹H1160 - ‘brandend’ of ‘fakkel’›) , zoals hij 11 keer wordt genoemd, uit de plaats Pethor (‹H6604 - ‘dromenuitlegger’ of ‘waarzegger’ of ‘iemand die dingen, woorden of gezichten, uitbrengt›), die 2 keer wordt genoemd. Deze plaats wordt geïdentificeerd met de Assyrische plaats Pitru, die ongeveer 12,5 mijl ten zuiden van Karkemish. Bileam blijkt een valse profeet te zijn, want hoewel hij keer op keer Gods Woord doorgeeft, blijkt hij zoals zijn naam al zegt, in zijn hart niet veel met de God van het volk Israël op te hebben, want hij helpt de Moabieten en de Midianieten om het volk Israël in de afgoderij en in de hoererij te storten (‹zie Num. 22:7›). Daarom is Bileam volgens Dt. 13:1-5 een valse profeet en moet hij ter dood gebracht worden, omdat hij nadat zijn woord is uitgekomen of is uitgesproken, meehelpt om het volk Israël in de afgoderij en in de hoererij te storten. Wij lezen dan ook in Num. 31:8 en in Joz. 13:22 dat de Israëlieten hem uiteindelijk doden. Bovendien worden wij in Num. 25:3, 5, Dt. 4:3, Ps. 106:28, Hosea 9:10 herinnert aan de zonde van Israël in verband met Baäl-Peor. –De naam Bileam komt in de Bijbel 61 keer voor verdeeld over 57 verzen. Alleen in Numeri komt de naam 49 keer voor. De naam Bileam is in enkele verzen onderdeel van de plaatsnaam Jibleam, |יִבְלְעָם| (‹yiḇlᵉʿām - H2991 - ‘hij verslindt het volk’ samengesteld uit H1104 en H5971›), een plaats in Manasse nl. in Joz. 17:11, Ri. 1:17, 2 Kn. 9:17 en 1 Kr. 6:55. Het is o.i. ook mogelijk om in het eerste deel van de naam Bileam de betekenis te zien van |בָּלַע| (‹bālaʿ - ‘verslinden’ - H1104›) en zo uit te komen op ‘hij verslond het volk’. |
|
H1170 Baäl-Berit |
Baäl-Berit 2 x in Ri. 8:33 en Ri. 9:4 |
|
H1175 Beälot |
Beälot |
|
H1176 Baäl-Zebub |
[‘Baäl-Zebub’] - deze naam betekent ‘heer van de vliegen’ (‹H1176›). Dit is de naam van de god van Ekron, die 4 keer in het OT voorkomt, alleen in dit hoofdstuk nl. in 2 Kn. 1:2, 3, 6 en 16. Het Hebreeuwse woord voor ‘vlieg’ |זְבוּב| (‹zᵉḇūḇ - H2070›) vinden wij in het OT alleen in Pred. 10:2 en Jes. 7:18. |
|
H1188 Baäl-Perazim |
Baäl-Perazim - Heer van doorbraken, 4 keer in 2 verzen: 2 Sm. 5:20, 1 Kr. 14:11. |
|
H1191 Baälat |
Baälat 3 x |
|
H1192 Baälat-Beër |
Baälat-Beër Joz. 19:8 [‘Baälat-Beër’] - deze plaats (‹H1192›) heet kortweg Baäl in 1 Kr. 4:33 en is waarschijnlijk dezelfde plaats als Bealoth in Joz. 15:24. |
|
H1197 Tav-era |
[‘Tav’era’] - dat is ‘brandend’. De klank van deze naam komt in het tweede deel van de zin direct weer terug in het Hebreeuwse ‘bāʿarāẖ’, ‘was ontbrand’. Ook in vs. 1 van dit hoofdstuk lezen wij |וַתִּבְעַר| d.w.z. ‘wa-tiḇʿar’ d.w.z. ‘en het ontbrandde’, d.w.z. het vuur van de HEERE. Het gaat om het Hebreeuwse werkwoord |בָּעַר| (‹bāʿar - H1197›) dat 94 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 90 verzen. |
|
H1203 |
Beëstera |
|
H1218 Bozkat |
Bozkat 2 x |
|
H1223 H1224 |
De Hebreeuwse naam |בָּצְרָה| (‹Bosrah - H1223, H1224›) is de naam van de hoofdstad van Edom, die 9 keer in het OT genoemd wordt nl. in Gen. 36:33; Jes. 34:6; 63:1; Jer. 48:24; 49:13, 22, Amos 1:12 en Mi. 2:12, 13 en geschreven wordt als ‘Bozra’. Er zijn vertalingen zoals de Griekse LXX, de Aramese Peshitta, de Arabische Van Dycke, de Engelse NET Bible en ook de Targum, die het Hebreeuwse woord in Mi. 2:12 opvatten als een stal of een schapenkooi. Veel andere vertalingen kiezen echter consequent voor ‘Bozra’. Qua spelling is er geen verschil in het Hebreeuws en waarom de Targum en de LXX voor ‘schapenkooi’ of ‘stal’ kiezen in afwijking van de 8 andere keren dat men bij exact hetzelfde Hebreeuwse woord vertaald als ‘Bozra’ zijn ons niet bekend. Voor de strekking van de betekenis van het vers is deze kwestie verder ook niet zo belangrijk. Uit de uitdrukking ‘als de schapen van Bozra’ in Jes. 24:6 leiden we af dat het aantal schapen in Bozra in Edom erg groot was. In Jesaja gaat het om een grote slachting van het volk van Edom, afgebeeld als een slachting van het overvloedige kleinvee. Voor Bozra zie: Gen. 36:33; Jes. 34:6; 63:1; Jer. 48:24; 49:13, 22, Amos 1:12 en Mi. 2:12, 13. |
|
H1260 Bered |
[‘Bered’] - dat is ‘hagel’ (‹H1260›). |
|
H1268 Berotai |
Berotai 2 Sm. 8:8 - Berota Ez. 47:16 |
|
H1273 Barhumiet |
Barhumiet |
|
H1298 Bera |
[‘Bera’] - deze naam betekent misschien ‘in slechtheid’ of: ‘zoon van het kwaad’ (‹H1298›). |
|
H1306 Birsa |
[‘Birsa’] - deze naam betekent mogelijk ‘in ongerechtigheid’ of: ‘zoon van ongerechtigheid’ (‹H1306›). |
|
H1315 Basmat |
[‘Basmat’] - d.w.z. ‘welriekend’ of: ‘parfum’ (‹H1315›). |
|
H1328 Betuël |
Betuël - de mannelijke Hebreeuwse naam komt 10 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen. De eerste keer in Gen. 22:22, de 9e keer in Gen. 28:5 en de 10e en laatste keer in 1 Kr. 4:30. |בְּתוּאֵל| De naam betekent: ‘het wachten van God’ |
|
H1329 Betul |
Betul - Joz. 19:14 |
|
H1338 Bitron |
[‘Bitronravijn’] - het Hebreeuwse woord |הַבִּתְרוֹן| (‹ha-b·biṯrōn - H1338›) komt alleen in dit vers in de Bijbel voor. Het zou zijn afgeleid van het werkwoord |בָּתַר| (‹batar›) dat ‘verdelen’ of: ‘doorsnijden’ betekent. Volgens K&D gaat het om de eigennaam van een gebied (‹niet van een stad›), dat als kenmerk heeft dat het landschap in tweeën is gedeeld ofwel doorsneden is (‹zie ook Hgld. 2:17›). Men komt dan al vlug uit op de idee van een ravijn die uit de Vlakte van de Jordaan naar Mahanaïm zou leiden. Er is ook een opvatting als zou de uitdrukking betekenen ‘zij liepen heel de ochtend door’ (‹W.R. Arnold›), maar deze vertaling vindt weinig acceptatie, ook niet in de NET Bible, waar deze opvatting kort wordt besproken. |
|
H1339 Bat-Seba |
[‘Bat-Seba’] - deze naam betekent ‘dochter van een eed’ (‹H1339›). De naam komt 22 keer in het OT voor verdeeld ver 11 verzen. |בַּת־שֶׁבַע| |
|
H1403 |
[‘de man Gabriël’] - dat is: ‘de man van God’ (‹H1403›). Dus er staat letterlijk: ‘de man Man-van-God’. In het Hebreeuws is het eerste woord ‘man’ (‹‘īš’ - H376›) het algemene woord dat ook kan staan voor ‘mens’, terwijl het tweede woord ‘Man’ (‹geḇer - H1397›) duidt op de man in zijn mannelijkheid, eventueel ‘de dappere held’. Voor beide woorden zie Strongnummer H376 en H1397 in de Hebreeuwse Woordenlijst. |
|
H1410 Gad |
[‘Gad’] - de Hebreeuwse klank van deze naam (‹H1410›) is terug te vinden in de klank van de Hebreeuwse woorden voor ‘bende’ en ‘aanvallen’ in het eerste deel van het vers en ook in het Hebreeuwse woord voor ‘(‹op de hielen›) zitten’ d.w.z. ‘achtervolgen’ in het tweede deel van dit vers. In het Nederlands komt deze woordspeling niet tot uitdrukking. |
|
H1436 Gedal-Jahoe |
Gedal-Jahoe |
|
H1439* Gideon |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |גִּדְעוֹן| (‹giḏʿōn - H1439›), Gideon, komt 39 keer in het OT voor, verdeeld over 37 verzen, en staat steeds voor de naam van de richter Gideon, de Abiëzriet, zoals hij nader wordt aangeduid. Hij is dus een afstammeling van Abiëzer. De naam ‘Gideon’ komen we alleen tegen in Ri. 6-8. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גָּדַע| (‹gāḏaʿ - H1438›) dat 22 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 22 verzen: Dt. 7:5; 12:3; Ri. 21:6; 1 Sm. 2:31; 2 Kr. 14:2; 31:1; 34:4, 7; Ps. 75:11; 107:16; Jes. 9:9; 10:33; 14:12; 15:2; 22:25; 45:2; 48:25; 50:23; Klg. 2:3; Ez. 6:6; Amos:3:14; Zach. 11:10, 14. Het heeft als eerste betekenis ‘hakken’, ‘afhakken’, ‘neerhakken’ of ‘neerhouwen’. |
|
H1450 Gederot |
Gederot 2x |
|
H1453 Gederotaïm |
Gederotaïm 1 x |
|
H1470 |
De Hebreeuwse eigennaam |גּוֹזָן| (‹gōzan - H1470›) komt in 5 verzen in het OT voor nl. in 2 Kn. 17:6; 18:11; 19:12; 1 Kr. 5:26 en in Jes. 37:12. Drie keer is uitdrukkelijk sprake van ‘de rivier van Gozan’ nl. 2 Kn. 17:6; 18:11 en 1 Kr. 5:26, en twee keer van een plaats, waarschijnlijk aan de rivier de Gozan nl. in 2 Kn. 19:12 en Jes. 37:12. De naam zou mogelijk staan voor de betekenis ‘steengroeve’ (‹Gesenius›). |
|
H1521* Gihon |
Men heeft wel gedacht dat de Gihon (‹|גִּיחוֹן| - gīḥōn - H1521›) een andere naam was voor de Nijl (‹o.a. Flavius Josephus›). De in Egypte samengestelde Griekse vertaling van het OT, de Septuaginta (‹LXX›), heeft hier echter niet met ‘Nijl’ vertaald en ook de Aramese Peshitta niet. Beide vertalingen houden vast aan de naam ‘Gihon’ in Gen. 2:13. De naam Gihon staat niet alleen voor de tweede rivier in Gen. 2, maar ook 5 keer voor de bron Gihon en de daaruit opspringende wateren van Gihon, aan de oostzijde van de stad van David, bij het dal van Kidron n l. in 1 Kn. 1:33, 38, 45; 2 Kr. 32:30; 33:14. De naam Gihon is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גִּיחַ| (‹gīḥa - H1518›) of |גּוּחַ| (‹gūḥa - H1518›), dat als eerste betekenis heeft: ‘uitbreken’, ‘uitbarsten’ of ‘gutsen’, en dat in 6 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 6 verzen: Ri. 20:33, Job 38:8; 40:23; Ps. 22:9; Ez. 32:2, Mi. 4:10. |
|
H1527 Ginat |
H1527 2 x Ginat 1 Kn. 16:22 |
|
H1553 Gelilot |
Gelilot 1 x Joz. 18:17 |
|
H1555 Goliat |
Goliat - 5 x |
|
H1567 Gilead |
[‘Gilead’] - dat is Hebreeuws voor ‘steenhoop van de getuigenis’ (‹H1567›). |
|
H1568 Gomer |
Gomer is een mnl. Hebreeuwse eigennaam en de naam betekent: ‘volmaakt’ of: ‘compleet’ (‹H1586›). De naam komt 6 keer in het OT voor nl. in Gen 10:2, 3; 1 Kr. 1:5, 6; Ez. 38:6 en Hos 1:3. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גָּמַר| (‹gāmar - H1584›) dat vijf keer in het OT voorkomt en wel in Ps. 12:2; 77:9; 138:8; 7:10; 57:3. Het werkwoord heeft als eerste betekenis ‘voltooien’ of: ‘afmaken’, maar het kan ook betekenen ‘plotseling stoppen’ of: ‘tot stilstand komen’. Gomer komt in Gen. 10:2 voor onder de zonen van Jafet. Men denkt wel dat de naam van Gomer en zijn nakomelingen verbonden is met de Kimmeriërs, die ook wel in verband wordt gebracht met de Krim. |
|
H1586 Gomer |
Gomer is een mnl. Hebreeuwse eigennaam en de naam betekent: ‘volmaakt’ of: ‘compleet’ (‹H1586›). De naam komt 6 keer in het OT voor nl. in Gen 10:2, 3; 1 Kr. 1:5, 6; Ez. 38:6 en Hos 1:3. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גָּמַר| (‹gāmar - H1584›) dat vijf keer in het OT voorkomt en wel in Ps. 12:2; 77:9; 138:8; 7:10; 57:3. Het werkwoord heeft als eerste betekenis ‘voltooien’ of: ‘afmaken’, maar kan ook verband houden met ‘plotseling stoppen’ of: ‘tot stilstand komen’. Gomer komt in Gen. 10:2 voor onder de zonen van Jafet. Men denkt wel dat de naam van Gomer en zijn nakomelingen verbonden is met de Kimmeriërs, die ook wel in verband wordt gebracht met de Krim. |
|
H1592 Genubat |
Genubat slechts 2x nl. in 1 Kn. 11:20 |
|
|
|
|
H1622 Girgasiet |
[‘Girgasiet’] - voor meer info, zie H1622 in de Hebreeuwse Namenlijst. [‘Jebusiet’] - voor meer info, zie H2983 in de Hebreeuwse Namenlijst. |
|
H1639 Ekroniet |
[‘Ekronieten’] - een inwoner van de stad Ekron (‹H6139›). De Hebreeuwse naam is afgeleid van de naam van de stad |עֶקְרוֹן| (‹ʿeqrōn - H6138›) die 22 keer in het OT voorkomt, verspreid over 22 verzen. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |עָקַר| (‹ʿāqar - H6131›) dat ‘ontwortelen’ of ‘uitrukken’ betekent. De Niphal van het werkwoord vinden wij in Zef. 2:4 met als betekenis ‘ontworteld worden’. De Piël van het werkwoord komen wij tegen in Joz. 12:6, 9, 2 Sm. 8:4, 1 Kr. 18:4 en staat voor het doorsnijden van de pezen van de paarden. De betekenis van de naam ‘Ekron’ is bijgevolg ‘uitroeiing’ of ‘verdelging’ of ‘ontworteling’. Het is één van de vijf noordelijke steden van de Filistijnen. De stad werd bij de inname van het land onder Jozua eerst toegewezen aan de stam Juda (‹zie Joz. 15:45›) en later aan de Danieten (‹zie Joz. 19:43›). |
|
H1642 Gerar |
[‘Gerar’] - dat is ‘verblijfplaats voor gasten’ (‹H1642›). |
|
H1647* Gersom |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |גֵּרְשֹׁם| (‹gēršom - H1647›) betekent ‘vreemdeling daar(ginds)’ of ‘verdrevene’. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גָּרַשׁ| (‹gāraš - H1644›) dat als eerste betekenis heeft: ‘wegjagen’ of ‘verdrijven’, want Mozes was als het ware weggejaagd uit Egypte. Maar de tekst laat ook zien dat Mozes bij de naamgeving van zijn zoon vooral een samenhang op het oog had met het Hebreeuwse mnl. znw. |גֵּר| (‹gēr - vreemdeling - H1616›), dat is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |גּוּר| (‹gūr - H1481›), dat als eerste betekenis heeft ‘als vreemdeling ergens verblijven’, namelijk door van de weg af te wijken en ergens een verblijfplaats voor de nacht te zoeken. Deze uitleg van de betekenis van de naam ‘Gersom’ lezen wij ook in Ex. 18:2. De naam Gersom komt formeel gezien, d.w.z. afgaand op de letterlijke Hebreeuwse schrijfwijze van de naam, 14 keer voor in het OT: Ex. 2:22; 18:3: Ri. 18:30 (‹de zoon van Manasse›); 1 Kr. 6:1, 2, 5, 28, 47, 56; 1 Kr. 15:7 (‹in 1 Kr. 6 en ook in 1 Kr. 15:7 staat er in het Hebreeuws letterlijk steeds ‘Gersom’, maar het moet zijn ‘Gerson’ - met ‘n’ tweepoot - de zoon van Levi›); 23:15, 16; 26:24; Ezra 8:2 (‹Gersom, een zoon van Pinehas›). In Ex. 2:22; 18:3; 1 Kr. 23:15, 16; 26:24 gaat het vijf keer om Gersom, de zoon van Mozes. De nakomelingen van de beide zonen van Mozes nl. Gersom en Eliëzer, werden tot de Levieten gerekend, maar niet tot de Aäronieten, die allen tot het priesterlijke geslacht uit de Levieten behoorden, met Aäron en zijn opvolgers als hogepriester onder hen. De Aäronieten waren dus een zeer speciale groep onder de Levieten. Mozes vertegenwoordigde het Goddelijke leiderschap, maar niet op grond van geboorte, maar op grond van Hem die hem riep, de HEERE GOD. Daarmee vertegenwoordigt Mozes een zeer bijzonder leiderschap onder het volk, dat niet zoals de latere koningen berustte op de wil van het volk dat een koning wilde, maar op de wil en roeping van GOD. Mozes had de zorg voor heel het Huis, de Woning, de Tent in de woestijn, maar Jezus is de bouwmeester over heel het huis. Zie de vergelijk tussen beiden in Heb. 3:1-6. We moeten de naam ‘Gersom’ met een ‘m’ aan het eind niet verwarren met de naam Gerson met een ‘n’ aan het eind (‹H1648›), die 17 keer in het OT voorkomt verdeeld over 17 verzen, ook al heeft die vrijwel dezelfde betekenis. |
|
H1648* Gerson |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |גֵּרְשׁוֹן| (‹gēršōn - H1648›) komt 17 keer in het OT voor, verdeeld over 17 verzen: Gen. 46:11; Ex. 6:16, 17; Num. 3:17, 18, 21, 3:25; 4:22, 38, 41; 7:7; 10:17; 26:57; Joz. 21:6, 21:27; 1 Kr. 6:1; 23:6. Deze Gerson is de oudste zoon van Levi, naast Kehat, de tweede, en Merari, de derde en laatste, want in Ex. 6:16 lezen wij dat dit de volgorde van hun geboorte is. De naam ‘Gerson’ betekent ‘vreemdeling’ of ‘banneling’ of ‘verbannene’. Deze Leviet Gerson, moeten wij niet verwarren met Gersom (‹H1647›), de zoon van Mozes. De betekenis van beide namen is overigens vrijwel hetzelfde. De naam hangt samen met het Hebreeuwse werkwoord |גָּרַשׁ| (‹gāraš - H1644›) dat als eerste betekenis heeft: ‘wegjagen’ of ‘verdrijven’. Voor de naam Gersom zie H1647. |
|
H1662 Gat-Hefer |
Gat-Hefer |
|
H1664 Gittaïm |
[‘Gittaïm’] - dat is ‘twee wijnpersen’ (‹H1664›). 2 Sm. 4:3 |
|
H1667 Gat-Rimmon |
Gat-Rimmon |
|
H1689 Diblat |
De eigennaam ‘Diblat’ is ingedeeld onder Strongnr. H1689. De naam komt alleen voor in Ez. 6:14. Volgens Gesenius is sprake van een minimale misspelling en zou er moeten staan ‘hā-Riḇlāẖ’ (‹|הָרִבְלָה| b.v. in Num. 34:11 of ‘Riḇlāẖ’ |רִבְלָתָה| zoals o.a. in 2 Kn. 25:20 en Jer. 39:5›). Beide spellingen van de naam komen voor (‹met en zonder ‘tav’›), een plaats in het noorden van Israël. Hiëronymus van Stridon, die de Vulgata samenstelde, was een van de eersten die deze mening was toegedaan. K&D menen dat er geen sprake van een dergelijke misspelling kan zijn, omdat alle oude manuscripten en Bijbeluitgaven deze spelling hebben, maar ook omdat Ribla, zoals genoemd in 2 Kn. 23:33, niet in het noorden van Israël lag, maar veel noordelijker aan de andere kant van de grens, namelijk in het land Hamat. Bovendien is de plaats Ribla in Num. 34:11 een plaats aan de oostelijke grens van Israël (‹aan de noordzijde van het meer van Gennesaret Lk. 5:1›). Deze aan de oostelijke grens gelegen plaats kan uiteraard niet dienen als aanduiding voor de noordelijke grens van Israël zoals sommige commentatoren menen. Kortom: de ligging van de woestijn Diblat is niet bekend. Diblat 1x in 1 Ez.. 6:14 |
|
H1705 Dobrat |
Dobrat 3 x |
|
|
|
|
H1708 Dabbaset |
Dabbaset |
|
H1712 |
[‘Dagon’] - de naam |דָּגוֹן| (‹dāgōn - H1712›) Dagon komt 9 keer in het OT voor, verdeeld over 9 verzen. Het is de afgod van de Filistijnen en de naam ‘Dagon’ betekent ‘grote vis’. |
|
H1835 |
[‘Dan’] - deze naam betekent ‘rechter’ (‹H1835›) en de klank van deze naam worden direct herhaald in het werkwoord ‘rechtspreken’ dat op de naam volgt. |
|
H1838 Dinhaba |
[‘Dinhaba’] - de naam van deze Edomitische stad betekent volgens Gesenius ‘plaats van plunderaars’ of ‘rovershol’ (‹H1838›), maar . In de Aramese Peshitta is de naam ‘Dayhaḇ’. |
|
H1840 Daniël |
‘Daniël’] - de naam Daniël (‹H1840›) komt in 71 verzen in het OT voor en in 2 verzen in het NT. Er zijn 3 personen in de Bijbel met deze naam: (‹1›) de eerste zoon van David, die ook wel Chileab wordt genoemd (‹zie 1 Kr. 3:1 en 2 Sm. 3:3›), (‹2›) de schrijver van het boek Daniël, in 65 van de 71 verzen in het OT, (‹3›) een persoon onder de tweede groep ballingen die terugkeerden (‹Ezra 8:2›), (‹4›) in Nehemia 10:7 is ook sprake van een Daniël, waarvan het niet zeker is of hij dezelfde is als die in Ezra 8:2. –In Ez. 28:3 wordt de naam ook genoemd, maar zonder de ‘yod’, dus ‘Danel’, maar het is vrijwel uitgesloten dat het een andere persoon zou zijn dan de schrijver van het boek Daniël. De naam heeft twee delen nl. ‘dan̄i’, dat is ‘mijn rechter’ en ‘ēl’ is ‘God’. Deze naam (‹H1840›) betekent dan ook ‘God is mijn rechter’, of, wanneer men de naam opvat als een bezitsconstructie, ‘rechter van God’ (‹Gesenius & Jones›). |
|
H1885 Datan |
[‘Datan’] |
|
H1886 Dotan |
[‘Dotan’] - de eerste keer letterlijk: ‘Ḏoṯāynāh’ en vervolgens ‘Ḏoṯān’ (‹H1886›), twee varianten van dezelfde naam. Vgl. Efron in 1 Kr. 13:19 met Efrajin. Dothan ligt iets ten noorden van Samaria. De naam komt uit het Chaldees en betekent ‘twee putten’. |
|
H1893 |
[‘Abel’] - deze naam betekent ‘adem’, ‘mist’, ‘damp’, ‘vergankelijkheid’ (‹H1893›). Het voortijdige einde van deze tweede zoon van Adam en Eva klinkt in deze naam door. |
|
H1904 Hagar |
[‘Hagar’] - De naam הָגָר (‹hāg̱ār - H1904›) betekent ‘vlucht’ volgens Gesenius, maar men meent ook wel dat ‘ha’ aan het begin van de naam een lidwoord is en zo komt men uit op ‘de zwerver’ of ‘de bijwoner’. Ten slotte lijkt het ook mogelijk dat er een verband is met het min of meer gelijkvormige Arabische werkwoord |||حَجَرَ||| (‹ḥajara - ‘de toegang ontzeggen’, ‘verbieden’, ‘onder voogdij plaatsen’›), waarbij wij denken aan de woorden uit Galaten 4:1-7›), maar via het Arabisch is het ook mogelijk om te denken aan de betekenis ‘steen’ of ‘versteend’, wat de herinnering oproept aan de tafelen van de Wet op steen (‹Exodus 24:12›), maar ook aan de woorden over een hart van steen tegenover een hart van vlees uit Jeremia 31:33 en Ezechiël 11:19, 36:26. De naam komt 12 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen, de eerste keer in Genesis 16:1. |
|
H1909 Hadad-Ezer |
[‘Hadad-Ezer’] - de naam betekent ‘degene die Hadad helpt’, d.w.z. ‘degene die door Hadad geholpen wordt’ ofwel ‘Hadad is mijn hulp’ (‹H1909›). |
|
H1913* Hadoram |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |אֲדֹנִירָם| (‹ʾaḏonīram - H141›) komt alleen voor in 1 Kn. 4:6 en en 1 Kn. 5:28. Het is wsl. dezelfde persoon als |אֲדֹרָם| (‹ʿaḏorām - H151›) in 2 Sm. 20:24; 1 Kn. 12:18 en als |הֲדוֹרָם| in 2 Kr. 10:18 waar de naam ‘Hadoram’ om die reden in de vertaling is omgebogen naar ‘Adoram’. In Gen. 10:27; 1 Kr. 1:21 vinden wij de naam ‘Hadoram’ als een afstammeling van Joktan, de zoon van Heber (‹ẖaḏōrām - H1913›). In 1 Kr. 18:10 lezen wij nog over een Adoram, de zoon van Toï. |
|
H1919** Hadassa |
De Hebreeuwse eigennaam |הֲדַסָּה| (‹H1919›), die alleen in Ester 2:7 voorkomt in het OT, betekent ‘mirte’ (‹H1918›), een plant die 6 keer wordt genoemd in het OT, waarvan 3 keer in Zacharia, nl. als de man die tussen de mirten staat. Het is de naam van een struik uit het Middellandse zeegebied. Het is de naam van een Joodse vrouw, die onder de naam Ester (‹H635›) koningin over de volken werd. De mirte, ‘Hadassa’, ‘mirte-vrouw’, is een beeld van het Israël dat overleeft en opbloeit in donkere en benauwde tijden. |
|
H1928 Hadad-Ezer |
|
|
H1954 Hosea |
De Hebreeuwse naam |הוֹשֵׁעַ| ‘Hosea’ betekent ‘redding’ of ‘welzijn’ (‹hūšeʿa - H1954›). in Num. 13:8, 16 is het de oorspronkelijke naam van Jozua, de zoon van Nun, in 2 Kn. 15:30; 17:1 e.v.; 18:1 e.v. is het de naam van de koning van Israël, de zoon van koning Ela, en in Hos. 1:1, 2 is het de naam van de profeet, Hosea, de zoon van Bëeri, de schrijver van het boek Hosea. De naam komt 16 keer in het OT voor, verdeeld over 15 verzen. |
|
H2061 Zeëb |
De mannelijke Hebreeuwse naam |זְאֵב| (‹Zeëb - H2062›) betekent ‘wolf’ en komt als naam 3 keer in het OT voor nl. in Ri. 7:25, Ri. 8:3 en in Ps. 83:12. |
|
H2065 mooi geschenk |
[‘mooi geschenk’] - letterlijk: ‘goed geschenk’, in het bijzonder ‘een bruidsschat’ (‹|זֵבֶד| - zēḇeḏ - H2065›), het geschenk van de bruidegom voor de bruid. Het woord komt alleen in dit vers in het OT voor, hoewel vele namen in het OT wel opgebouwd zijn uit dezelfde taalkundige wortel van dit woord b.v. Elzabad, Jehozabad, Jozabad, Zabad, Zabbud, Zabdi, Zabdiel, Zabud, Zebadiah, Zebedee and Zebidah, maar niet Zebulon. |
|
H2071 Zabud |
De naam Zabud komt alleen in 1 Kn. 4:5 voor. De naam betekent ‘gegeven’, d.w.z. ‘door God gegeven’ (‹H2071›). |
|
H2074 Zebulon |
[‘Zebulon’] - in het Theological Wordbook of the Old Testament (‹TWOT›) vermeldt dat er in het Akkadisch een woord ‘zubullu’ is dat ook ‘bruidsschat’ betekent. Het lijkt erop dat op één of andere manier het woord ‘zebed’ (‹bruidsgift›) en het werkwoord ‘zabal’ (‹’verheerlijken’ of ‘eren’›) in de naam Zebulon (‹H2074›) met elkaar verbonden worden. Het Hebreeuwse werkwoord |זבל| (‹zabal›) betekent ‘verheerlijken’ of: ‘eren’. In het OT wordt dit werkwoord echter alleen in dit vers gebruikt en we zijn daarom aangewezen op de in het OT aanwezige afgeleide vormen van dit woord m.n. het woord ‘zebul’ dat ‘woning’ betekent. (‹zie 1 Kn. 8:13, Ps. 49:14, Jes. 63:15 en Hab. 3:11. Het laatste vers houdt mogelijk verband met de gebeurtenissen in Joz. 10:12›). Door het woord ‘woning’ te verbinden met de betekenis van het werkwoord ‘zabal’ (‹verheerlijken of eren›) komen we uit op ‘heerlijke woning’ of: ‘verheerlijkte woning’ als betekenis van de naam Zebulon. Zie ook de noot bij 1 Kn. 16:31 over de naam Izebel. |
|
H2099 Ziv |
[‘Ziv’] - dit wil zeggen ‘pracht’ (‹H2099›), nl. de pracht van de opbloeiende natuur in deze tweede maand van het Joodse religieuze jaar. De rabbijnen brengen het ook wel in verband met de glans van de nieuwe maan van April tot Mei. |
|
H2120 Zohelet |
Zohelet 1 x 1 Kn. 1:9. |זֹּחֶלֶת| slang |
|
H2147 Zichri |
[‘Zichri’] - dat is ‘gedenkwaardig’ of: ‘beroemd’ (‹H2147›). |
|
H2148 Zacharia |
[‘Zacharia’] - voluit: ‘Zᵉḵar-Jāẖū’ (‹H2148›). De naam betekent ‘aan wie God denkt’. |
|
H2051* Vedan |
De Hebreeuwse eigennaam |וְדָן| (‹vᵉḏān - H2051›) komt alleen voor in Ez. 27:19. Sommige vertalingen maken er ‘Dedan’ van maar dat klopt niet met de grondtekst. De KJV vertaalt ‘En Dan ...’, maar een dergelijk voorafgaan van het voegwoord aan de naam komt in heel dit hoofdstuk niet voor en daarom lijkt die vertaling niet juist. Vedan kan vergeleken worden met Waheb of Vaheb in Num. 21:14. Beide komen maar éénmaal in het OT voor. Movers suggereert dat het de stad Aden in Jemen is (‹Movers, pg. 302›). |
|
H2156 tak |
Het Hebreeuwse woord voor ‘tak’ |הַזְּמוֹרָה| (‹ha-żmōrāẖ - H2156›) komt behalve in dit vers alleen nog op vier andere plaatsen in de Bijbel voor. In Num. 13:23 is het een tak waaraan druiven hangen, in Jes. 17:10 zijn het ook stekken of takken. In Ez. 15:2 is het o.i. een tak van een boom in het bos die afgesneden of afgerukt is, en tenslotte in Nah. 2:3 is het een wilde tak. Meer en meer vertalingen kiezen er voor om neutraal het woord ‘tak’ te gebruiken en niet meer het vroeger gebruikelijke woord ‘wijnrank’. Een tak is gewoonlijk een afgesneden of gesnoeide tak, die geënt kan worden. De wortel van het Hebreeuwse werkwoord heeft onmiskenbaar te maken met ‘afsnijden’ of ‘snoeien’ (‹zie H2168 in Lev. 25:3, 4 en Jes. 5:6 en zie ook H4212 voor het vijf keer in het OT voorkomende woord ‘vuurtang’›). |
|
H2216 |
[‘Zerubbabel’] - de naam |זְרֻבָּבֶל| (‹zrūbāḇel - H2216›) betekent waarschijnlijk ‘gezaaid in Babel’, d.w.z. ‘geboren in Babel’ |זְרוּעַ בָּבֶל| (‹zrūʾa bāḇel›). De naam is een samenstelling van |זָרַב| (H2215) en |בָּבֶל| (H894). De naam komt 21 keer in het OT voor. Zerubbabel is dezelfde persoon als Sesbazzar (‹H8339›) in Ezra 1:8, 11 en die als betekenis heeft ‘aanbidder van vuur’ en die dus duidelijk zijn Babylonische naam is. |
|
H2249* Khabor |
De Hebreeuwse eigennaam ‘Khabor’ (‹|חָבוֹר| - ḥābōr - H2249›) komt 3 keer in het OT voor nl. 2 Kn. 17:16, 2 Kn. 18:11 en 1 Kr. 5:26. De betekenis van de naam is ‘verbinden’ of ‘samenvoegen’. Deze rivier die nu als lint door het landschap kronkelt ten noorden en ten zuiden van Hasaka, heet tegenwoordig de Khaboer. Het was het gebied van de ballingschap van de noordelijke 10 stammen van Israël ook zo heette. De huidige rivier de Khaboer in noordoost Syrië ontvangt bij de stad Hasaka extra water uit de rivier Jaghjagh (‹Arabisch |||نهر جقجق|||›), waardoor de Khaboer een grote bijdrage levert aan de hoeveelheid water van de Eufraat. Tot voor kort lagen er zo’n 35 dorpen aan deze rivier die hoofdzakelijk door Assyrische christenen bewoond werden. In de plaatsen langs de Khaboer rivier zijn bij archeologische onderzoekingen resten gevonden die wijzen op de vroegere aanwezigheid van Joden in deze plaatsen. De rivier Khaboer ontspringt bij Ra’s al-Ayn in het huidige Turkije, dichtbij Diyarbakir, en hij mondt uit in de rivier de Eufraat bij Circesium, het tegenwoordige al-Busayra ten zuidoosten van Deir-Zor in Syrië. Gezien al het voorgaande is het aannemelijk dat de Israëlieten van de noordelijke tien stammen door Assyrië in dit gebied werden ondergebracht. De naam ‘Khabor’ mag niet verward worden met de rivier de Kebar in het boek Ezechiël, dat voornamelijk over de Babylonische ballingschap van het zuidelijke 2-stammenrijk van Juda en Benjamin gaat (‹zie Ez. 1:1›). Overigens menen diverse geleerden vooral op grond van de tekst in 1 Kr. 5:26 dat ‘Khabor’ een plaatsnaam is en niet de naam van een rivier. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |חָבַר| (‹ḥāḇar - H2266›) dat 29 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 25 verzen. |
|
H2275 |
[‘Hebron’] - dat is ‘verbonden zijn’ of: ‘samenvoeging’ (‹H2275›). |
|
H2291 |
[‘Haggit’] - de vrwl. Hebreeuwse eigennaam |חַגִּית| (‹ḥagīt - H2294›) komt 5 keer in het OT voor nl. in 2 Sm. 3:4, 1 Kn. 1:5, 11; 2:13 en in 1 Kr. 3:2. De betekenis van de naam is ‘feestelijk’. Het is de naam van de vrouw van David die haar zoon Adonia aan David heeft gebaard. De mnl. variant van deze naam is |חַגִּי|, Haggi, (ḥagī - H2291), die alleen in Gen. 46:16 en Num. 26:15 in het OT voorkomt en betrekking heeft op een zoon van Gad. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |חָגַג| (ḥāg̱ag̱ - H2287), dat 16 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 14 verzen. De eerste betekenis van dit werkwoord is ‘dansen’ of ‘feesten’ of ‘feestvieren’. |
|
H2294 |
[‘Haggit’] - de vrwl. Hebreeuwse eigennaam |חַגִּית| (‹ḥagīt - H2294›) komt 5 keer in het OT voor nl. in 2 Sm. 3:4, 1 Kn. 1:5, 11; 2:13 en in 1 Kr. 3:2. De betekenis van de naam is ‘feestelijk’. Het is de naam van de vrouw van David die haar zoon Adonia aan David heeft gebaard. De mnl. variant van deze naam is |חַגִּי|, Haggi, (ḥagī - H2291), die alleen in Gen. 46:16 en Num. 26:15 in het OT voorkomt en betrekking heeft op een zoon van Gad. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |חָגַג| (ḥāg̱ag̱ - H2287), dat 16 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 14 verzen. De eerste betekenis van dit werkwoord is ‘dansen’ of ‘feesten’ of ‘feestvieren’. |
|
H2313* Hiddekel |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |חִדֶּקֶל|, Hiddekel (‹ḥideqel - H2313›) komt alleen voor in Gen. 2:14 en in Dan. 10:4. De betekenis van deze Hebreeuwse naam is ‘woest’ of ‘heftig’ of ‘snel’ of ‘verraderlijk’ (‹H2313›). Het is de naam van de rivier de ‘Tigris’, die in Turkije ontspringt en door het noorden van Syrïe en Irak loopt om vervolgens uit te monden in de Perzische Golf. In sommige talen komt deze naam in klank heel dicht bij de naam ‘Hiddekel’, maar in het Arabisch luidt de naam Dajla’, wat betekent de ‘bedrieglijke’ of ‘verraderlijke’. In het Arabisch is de naam van de antichrist, de ‘dajjāl’, taalkundig gezien verwant aan de naam van deze rivier. Ten zuiden van de rivier de Tigris loopt de rivier de Eufraat, en het gebied tussen beide rivier in heet ‘Tweestromenland, ofwel het land tussen twee rivieren: ’Mesopotamië’. |
|
H2341* Havila |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |חֲוִילָה| (‹hawīlāẖ - H2341›) betekent ‘cirkel’ of ‘uitgestrekte zandbank’ (‹H2341›). De naam komt in 7 verzen in de Bijbel voor: Gen. 2:11; 10:7, 29; 25:18; 1 Sm. 15:7; 1 Kr. 1:9, 23;. 1:23, Men denkt gewoonlijk aan een gebied in oostelijke richting b.v. ‘India’, eventueel met inbegrip van het huidige Arabische schiereiland, b.v. Jemen en Oman. In het tegenwoordige Saoedi-Arabië is een heel oude goudmijn genaamd ‘Mahd ad-dhahab’ (‹|||مَـهـد الـذّهـب|||›), d.w.z. ‘de wieg van het goud’, die zo men meent al in de 30e eeuw v. Chr. in gebruik was. Toch geldt voor alle geografische aanduidingen van voor de zondeval, dat wij er heel voorzichtig mee moeten omgaan, want de zondvloed (‹Gen. 6-9›) en de deling van de aarde in de dagen van Peleg (‹Gen. 10:25›) hebben de ordening van de aarde met haar wateren geweldig veranderd. Dat geldt ook voor alle nog volgende namen van gebieden of landen en rivieren in het scheppingsverhaal in Gen. 1 en 2. –De naam Havila komt voor onder de zonen van Kush in Gen. 10:7, 1 Kr. 1:9 en onder de zonen van Joktan in Gen. 10:26-29, 1 Kr. 1:23. Ook komt de naam Havila voor in Gen. 25:18 en 1 Sm. 15:7 als een regio nl. het gebied van de Amalekieten, de aartsvijanden van Israël, de regio van Havila tot Sur, tegenover Egypte. Deze positionering van het land komt neer op een positionering op het heel het Arabische schiereiland. De Amalekieten, afstammelingen van Edom, woonden van Sur in het noorden of ten noorden van het Arabische schiereiland tot aan het land Havila in het zuiden. Jemen werd vroeger Teman genoemd en volgens sommige Bijbelgeleerden, strekte Edom zich feitelijk uit vanaf het gebergte Seïr aan de oostzijde van de Jordaan ten zuiden van de Dode Zee tot aan Jemen, het gebied tegenover Egypte. –Men kan het Arabische schiereiland ook beschouwen als ‘een zandbank omcirkeld door water’, maar de huidige geografie is niet meer de geografie van vóór de zondeval en van vóór de zondvloed (‹Gen. 6-9›) en vóór de deling van de aarde in de dagen van Peleg (‹Gen. 10:25›). |
|
H2369 H2368 |
[‘Hotam’] - de Hebreeuwse mannelijke eigennaam |חוֹתָם| (‹hotam - H2369›) komt 2 keer in het OT voor nl. in 1 Kr. 1:32 en 1 Kr. 11:44. De betekenis van de naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |חָתַם| (‹ḥāṯam - H2856›) dat 27 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 24 verzen en als eerste betekenis ‘verzegelen’ of ‘een zegel zetten’ heeft. De naam ‘Hotam’ betekent dan ook ‘zegel’ of ‘zegelring (‹zie ook H2368 - 14 keer verdeeld over 13 verzen in het OT›). |
|
|
|
|
H2396 |
[‘Hizkia’] - eigenlijk: ‘Ḥizki-Jāẖū’. Deze naam betekent ‘de HEER is mijn kracht’ (‹H2396›). Gesenius echter duidt de betekenis als ‘de macht van de HEER’. |
|
H2494 |
[‘Chelem’] - d.w.z. ‘droom’ (‹H2494›). Het is kennelijk een andere naam voor Cheldai, genoemd in vs. 10. |
|
H2520 |
Helkat |
|
H2521 |
[‘Chelkat-ha-Zurim’] - letterlijk: ‘veld van de zwaarden’ (‹H2521›). Waarschijnlijk duidt het woord ‘zwaarden’ op een soort dolken van steen, omdat de wortel van het woord verband houdt met ‘rots’ en ‘steen’, maar ook met ‘scherp zijn’ (‹Gesenius›). |
|
H2526 |
[‘Cham’] - dat is ‘heet’ of: ‘warm’ (‹H2526›). |
|
H2544 |
[‘Hemor’] - het Hebreeuwse woord |חֲמוֹר| (‹hamōr - H2544›) betekent ‘ezel’. |
|
H2574 |
Hamat |
|
H2575 |
Hammat 1x |
|
H2576 |
Hammot-Dor 1 x |
|
H2578 |
Hamat-Zoba |
|
H2581 |
[‘Chen’] - d.w.z. ‘genade’ (‹H2581›). K&D menen dat de naam verwijst naar de gastvrije houding van Josia, de zoon van Zefanja (‹die in vs. 10 genoemd wordt›), om de mannen uit Babel in zijn huis te ontvangen. |
|
H2585 |
[‘Henoch’] - dat is ‘toegewijde’ of: ‘ingewijde’ (‹H2585›). Het woord houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H2596›), dat ‘inwijden’ of: ‘toewijden’ of: ‘aanstellen’ betekent. K&D menen dat de naam verband houdt met de plannen van Kaïn om herstel in zijn eigen leven te brengen en zich daaraan toe te wijden. De bouw van de stad zou dan dienen om het eigen bestaan vorm te geven en men kan hier terecht een vorm van opstandigheid tegenover God inzien omdat God juist opdracht had gegeven om zich over de aarde te verspreiden (‹Gen.1:28›). |
|
|
[‘Hanoch’] - zie ‘Henoch’ bij Gen. 4:17 (‹H2585›) |
|
H2596 |
Het woord houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H2596›), dat ‘inwijden’ of: ‘toewijden’ of: ‘aanstellen’ betekent. |
|
H2352, H2356 H2752 |
Het Hebreeuwse woord חוֹר (‹H2352 en H2356›) staat voor ‘grot’. De hiervan afgeleide naam ‘Horiet’, met als meervoud ‘Horieten’, betekent ‘grotbewoner’ (‹H2752›). Het volk woonde in het bergland met zijn steile hellingen en vele grotten, dat later Edom zou heten (‹zie Dt. 2:12, 22›) en dat gelegen is ten oosten van de zgn. ‘Arabah’, de Vlakte die loopt van de zuidelijke uitloper van de Dode Zee tot aan Eilat. Het bekende Petra, het vroegere Sela’a, de hoofdstad van Edom in de Wady Musa (‹de beek van Mozes›) laat zien hoe passend deze naam was, want deze stad is volledig in noot Neh. 12:26de rotsen gebouwd en verscholen. |
|
H2601* Hanameël |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |חֲנַמְאֵל| (‹ḥănam-ēl - H2601›) komt in 4 verzen in het OT voor, en wel alleen in het boek Jeremia: Jer. 32:7; 8, 9, 12. De naam betekent ‘die God in genade gegeven geeft’. Hanameël is de neef van Jeremia, van wie Jeremia het veld in Ananatot kocht voor de belegering van Jeruzalem. Jeremia had voor dit veld het recht van lossing (‹Jer. 32:6-12›). |
|
H2608 Hanan-Jah |
[‘Hanan-Jah’] - deze naam (‹H2608›) bestaat uit twee delen nl. ‘Hij was genadig’ of ‘Hij ontfermde zich’ en de uitgang ‘Jah’, de verkorte vorm ‘HEER’ van HEERE’ (‹Jahweh›). De naam betekent dan ook ‘door God begenadigde’ of:‘over wie de HEER zich ontfermt’. In Jer. 28:1 vinden wij een valse profeet, een tijdgenoot van Jeremia, met dezelfde naam. [‘Misaël’] - deze naam (‹H4332›) komen we in het OT ook tegen als één van de zonen van Uzziël (‹Ex. 6:22 en Lev. 10:4›) en bij een terugkerende balling (‹Neh. 8:4›). De naam heeft drie delen nl. ‘wie’ (‹‘mi’›) en ‘als’ (‹sa’›) en ‘God’ (‹‘el’›) en de naam betekent dus ‘Wie is als God!’ |
|
H2615 Hannaton |
Hannaton - Joz. 19:14 |
|
H2688 Hazezon-Tamar |
[‘Hazezon-Tamar’] - de naam betekenent ‘het snoeien van de palm’ (‹H2688›). Volgens 2 Kr. 20:2 is dit de plaats En-Gedi (‹H5872›). Men meent wel dat dit dezelfde plaats is als Tamar (‹H8559›) in Ez. 47:19 en Ez. 48:28, maar het lijkt juister om Tamar aan de zuidzijde van de Dode Zee te situeren, terwijl En-Gedi halverwege de westzijde van de Dode Zee ligt. |
|
H2696 Hezron |
[‘Hezron’] - dat is ‘omringd door een muur’ of: ‘ingesloten’ (‹H2696›). |
|
H2698 Hazerot |
[‘Hazerot’] - dat betekent ‘nederzetting’ of: ‘vestigingsplaats’ (‹H2698›). In de naam zit de betekenis van ‘afgeschermd zijn’, dus zou het neerkomen op een nederzetting met een omheining. De naam komt 5 keer in het OT voor, verdeeld over 5 verzen, 4 keer in Numeri en 1 keer in Dt. 1:1. |
|
H2700 Hazarmavet |
Hazarmavet 2 x |
|
H2722 Horeb |
[‘Horeb’] - sommigen nemen aan dat de Hebreeuwse naam |חֹרֵב| (‹horeḇ - H2722›), die 17 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 17 verzen, voor de naam van een bergketen staat, waarvan de berg Sinaï deel uitmaakt. Anderen menen dat de Horeb de berg was, die noordelijk ten opzichte van de voet van de berg Sinaï lag. De betekenis van de naam is ‘droog’ of ‘verlaten’ of ’verwoest’. |
|
H2768* Hermon |
De Hebreeuwse eigennaam |חֶרְמוֹן| (‹ḥermon - H2768›) komt 13 keer in het OT voor, verdeeld over 13 verzen: Dt. 3:8, 9; 4:48; Joz. 11:3, 17; Joz. 12:1, 5; 13:5, 11; 1 Kr. 5:23; Ps. 89:12; 133:3; Hgld. 4:8. In Ri. 3:3 komt de naam ook voor als onderdeel van de naam Baäl-Hermon onder Strongnr. H1179 en in Ps. 42:7 in een meervoudsvorm onder Strongnr. H2769, vertaald als ‘de bergen van de Hermon’. In Dt. 4:48 lezen wij dat de berg Hermon dezelfde is als de berg Siyon (‹H7865›), terwijl de berg in Dt. 3:8 Hermon Sirjon wordt genoemd. Maar deze berg in de Anti-Libanon is niet dezelfde als de berg Sion, de berg die oorspronkelijk de vestiging van de Jebusieten was, maar die door David werd ingenomen en de Tempelberg werd, de berg Sion (‹2 Sm. 5:7 enz. - H6726›), en het is ook niet de berg Shiyon in Joz. 9:19, die in de nabijheid van de berg Tabor ligt. De betekenis van de naam Hermon is niet zeker. Gesenius geeft geen verklaring. Antoine Augustin Calmet meent dat het betekent ‘volkomen afgezonderd voor God’, ofwel ter vernietiging ofwel ter heiliging (‹H2768›). Voor verdere overdenking van deze betekenis geeft hij Lk. 21:5 (‹de gewijde gaven›) en Rom. 9:3 waarbij Paulus in zijn hart heel ver gaat ten behoeve van zijn broeders. De berg Hermon is eigenlijk een klein gebergte met 3 toppen. Daarom lezen wij in Ps. 42:7 ‘harmonim’, een mannelijke meervoudsvorm voor ‘hermon’. Ook worden in 1 Kr. 5:23 drie onderscheiden ‘bergen’ of ‘gedeelten’ van de berg Hermon genoemd nl. ‘Baäl-Hermon’, ‘Senir’ en ‘Hermon’. Deze driedeling is voor ons wat onlogisch als wij in Dt. 3:9 lezen dat zowel Senir als Hermon Sirjon ook aanduidingen blijken te zijn voor het totaal van de 3 bergen. Ten slotte vestigen wij er de aandacht op, dat de berg of het gebergte Hermon mogelijk de locatie is waar de HEERE Jezus Christus verheerlijkt werd (‹Mt. 17:1-13›), terwijl de veel lagere Olijfberg zeer waarschijnlijk de locatie is geweest waar Hij gekruisigd is, en Hij zich vernederde tot de dood aan dat kruis, want dat was buiten de stad, buiten de legerplaats. De Joden beschouwden Jeruzalem als de legerplaats of het legerkamp, en buiten het kamp betekent in de Joodse traditie ongeveer 1,2 km buiten de stad Jeruzalem. Daar moet zijn lichaam dus ook in het graf zijn gelegd, want dat gebeurde dichtbij de plaats van het kruis. |
|
H2800 Haroset-ha-Gojim |
Haroset-ha-Gojim 3 x in Ri. 4:2, 13, 16. |
|
H2843 Husatiet |
Husatiet - 5 verzen |
|
H2850 Hethiet |
[‘Hethiet[(en)]’] - er zijn opgravingen gedaan in Bogazkoy in Turkije (‹Anatolië›) waarbij resten van de stad Hattusa zijn aangetroffen, dat ooit de hoofdstad van het rijk van de Hethieten was, Zij heersten in Anatolië en Noord-Syrië. Ze zouden al rond 1700 v. Chr. in het gebied zijn gaan wonen. Bij de archeologische vondsten, zijn ruim 10.000 beschreven klei-tabletten aangetroffen. De stad Hattusa zou rond 1190 v. Chr. zijn verwoest. De naam van dit volk valt onder Strongnummer H2850. Zie de Hebreeuwse Namenlijst. |
|
H2856 Hotam |
[‘Hotam’] - de Hebreeuwse mannelijke eigennaam |חוֹתָם| (‹hotam - H2369›) komt 2 keer in het OT voor nl. in 1 Kr. 1:32 en 1 Kr. 11:44. De betekenis van de naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |חָתַם| (‹ḥāṯam - H2856›) dat 27 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 24 verzen en als eerste betekenis ‘verzegelen’ of ‘een zegel zetten’ heeft. De naam ‘Hotam’ betekent dan ook ‘zegel’ of ‘zegelring (‹zie ook H2368 - 14 keer verdeeld over 13 verzen in het OT›). |
|
H2875 Tebah |
Tebah (‹H2875›), Gaham (‹H1514›), Tahas (‹H8477›) |
|
H2888 Tabbat |
Tabbat |
|
H2955 Tafat |
[‘Tafat’] - H2955. 1x in 1 Kn. 4:11 |
|
H2970 Jaäzan-Jahoe |
Jaäzan-Jahoe |
|
H2977* Josia |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |יֹאשִׁיָּה|, voluit |יֹאשִׁיָּהוּ|, ‘Jōši-Jāhū’, d.w.z. ‘die de HEERE geneest’ (‹H2977›), komt 54 keer voor in het OT, verdeeld over 48 verzen. In alle gevallen gaat het om Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, behalve in Zach. 6:10, waar sprake is van Josia, de zoon van Zefanja. De naam van koning Josia komt ook twee keer voor in het NT in Mt. 1:10, 11. |
|
H2983 Jebusiet |
[‘Jebusiet’] - voor meer info, zie H2983 in de Hebreeuwse Namenlijst. |
|
|
|
|
H2989* Jabal |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |יָבָל|, (‹yāḇāl - H2989›), die alleen in Gen. 4:20 voorkomt, betekent ‘rivier’ of ‘waterstroom’, of ‘hij brengt voort’ (‹K&D›). Zie ook ‘Jubal’ (‹yūḇal - H3106›). |
|
H2999 Jabbok |
[‘Jabbok’] - dat is ‘zich ontledigen’, ‘zich uitgieten’ (‹H2999›). Er is in het Hebreeuws ook een klankovereenkomst met het woord ‘worstelen’ in Gen. 32:34, 35. |
|
H3026 Jegar-Sahaduta |
[‘Jegar-Sahaduta’] - dat is Aramees voor ‘steenhoop van de getuigenis’ (‹H3026›). Deze woorden zijn het oudste bewijs voor het feit dat in Mesopotamië in de tijd van de aartsvaders Aramees of Chaldees gesproken werd en Hebreeuws in Kanaän, aldus K&D. Het Hebreeuws zou dus wel eens de oorspronkelijke taal van Kanäan geweest kunnen zijn. |
|
H3038 Jedutun |
Jedutun - |יְדוּתוּן| deze naam komt 20 keer voor in het OT, verdeeld over 14 verzen. De betekenis van de mannelijke naam is ‘de lovende’ of ‘de prijzende’. Alleen in 1 Kr 16:38 is de spelling ‘Jeditun’ en betreft het ook een andere persoon. [‘Jeditun’] - de spelling verschilt met één letter van Jedutun in vs. 41, 42. Het gaat om twee verschillende personen nl. (‹a›) Jeditun, de vader van Obed-Edom, die behoorde tot de Korachieten (‹zie 1 Kr. 26:4›) en (‹b›) Jedutun (‹dat is dezelfde als Ethan›) de leider van de zang en muziek naast Asaf en Heman, die behoorde tot de Merarieten (‹zie de noot bij 1 Kr. 25:1›). In 1 Kr. 26:4-8 vinden we dat het aantal poortwachters dat tot de zonen van Obed-Edom behoort, tweeënzestig bedraagt, wat niet overeenstemt met het aantal ‘achtenzestig’ van dit vers. Er blijft zo onzekerheid wat hier precies aan de hand is. [‘Onder leiding van Jedutun’] - of: ‘op de wijze van’. Wij komen de naam Jedutun in de psalmen tegen in Ps. 39:1, Ps. 62:1 en Ps. 77:1. De uitdrukking ‘Voor Jeddutun’ of ‘Op Jedutun’, de laatste vertaald als ‘onder leiding van Jedutun’ komen wij ook tegen in 1 Kr. 16:38 en Neh. 11:17 en wel als ‘Jeditun’ en altijd met de Qere ‘Jedutun’ erachter, die makkelijker uit te spreken is en die alleen in Ps. 62:1 in de grondtekst staat. De vormen komen resp. van |ידוּת| en |ידית| (‹Jedut en Jedit›). Het is de naam van één van de drie koorleiders van David naast Asaf en Heman (‹zie 1 Kr. 16:41, 2 Kr. 5:12; 35:15, Ps. 25:1›) en het gaat ongetwijfeld om dezelfde persoon als Ethan, de zoon van Kusaja in 1 Kr. 15:17, een naam die veranderd wordt na de maatregelen in Gibeon (‹zie 1 Kr. 16:38, 41, 42›). Hij is de persoon aan wie het lied werd gegeven om er de muziek voor te maken. Het feit dat wij in Ps. 62:1 en Ps. 77:1 het voorzetsel |על| (‹ʿal›) i.p.v. |ל| (‹le/li›) wordt gevonden, is hier niet mee in tegenspraak. Het eerste voorzetsel (‹ʿal›) wordt gebruikt wanneer hem wordt opgedragen om de voordracht van de psalm te verzorgen. Het voorzetsel (‹le/li›) wordt gebruikt wanneer de psalm hem wordt gegeven om er de muziek bij te maken of anders ten behoeve van de uitvoering zonder dat hij daarbij de uitvoering zelf leidt (‹K&D›) |
|
H3041 Jedid-Jah |
[‘Jedid-Jah’] - dat is ‘de geliefde van JᵃHWᵉH’ (‹H3041›). |
|
H3059 Joahaz |
[‘Joahaz’] - voluit: ‘Jᵉho-Āḥāz’ (‹H3059›). |
|
H3060 Joas |
[‘Joas’] - letterlijk: ‘Jaho-As’. De naam betekent waarschijnlijk ‘door God gegeven’ (‹H3060›). Soms ook kortweg ‘Joas’ (‹H3101›) genoemd. In 2 Kn. 13:10 lezen wij, dat tegen het eind van zijn regering in het noordelijke 10-stammenrijk van Israël ook een Joas (‹ook wel ‘Jaho-As’ genoemd›) koning werd. De beide koningen regeren enige jaren tegelijkertijd, de een in het twee-stammenrijk en de andere in het noordelijke 10-stammenrijk. |
|
H3063 Judda |
[‘Juda’] - in het Hebreeuws klinkt de naam als ‘Jahoeda’ d.w.z. ‘God zij gedankt’ of: ‘God zij geprezen’ (‹H3063›). De naam bestaat uit twee componenten nl. (‹1›) de naam van de Heere ‘Jah’ en (‹2›) het werkwoord ‘danken’ of: ‘prijzen’ dat ook de betekenis kan hebben van ‘zonde belijden’ (‹zie de noot bij Lev. 16:21›). Als we de letter ‘d’ uit de naam halen, blijven de letters van de naam van de HEERE over: JᵃHWᵉH. |
|
H3077 Jehojada |
[‘Jehojada’] - letterlijk: ‘Jaho-Yada’ (‹H3077›) d.w.z ‘de HEERE kent (‹hem›)’. Gesenius ‘Degene voor wie de HEERE zorgt’. |
|
H3079 Jojakim |
[‘Jojakim’] - letterlijk: ‘Jaho-Jakim’. De naam betekent: ‘Die de HEERE doet opstaan’ of ‘die de HEERE overeind doet staan’ of ‘die de HEERE rechtop zet’ (‹H3079›). |
|
H3082 Jonadab |
[‘Jonadab’] - letterlijk: ‘Jeho-Nadab’, dat is ‘De HEERE is welwillend’ of: ‘De HEERE is mild’ (‹H3082›). |
|
H3083 Jonatan |
Jonatan |
|
H3088 Joram |
[‘Joram’] - letterlijk: ‘Jehō-Rām’ d.w.z. ‘De HEERE is verheven’ (‹H3088›). |
|
H3089 Joseba |
[‘Joseba’] - voluit: ‘Jahoe-Sheba’ met als betekenis ‘de HEERE heeft gezworen’ of: ‘die bij de HEERE gezworen heeft’ (‹H3089›). In 2 Kr. 22:11 staat de naam in het Hebreeuws iets anders gespeld (‹H3090›). |
|
H3091* Jozua Josua (in Haggaï en Zacharia) |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |יְהוֹשֻׁעַ| of |יְהוֹשׁוּעַ| (‹yᵉẖōšūʿa - H3091›) komt 218 keer voor in het OT, verdeeld over 199 verzen. De korte variant van deze naam is Jesua onder H3442. In 186 verzen is de in het Hebreeuws lang geschreven naam vertaald als Jozua, en staat hij voor Jozua de zoon van Nun, de trouwe metgezel van Mozes en de leider van de verovering van het land Kanaän, nl. 7 keer in Ex., 11 keer in Num., 8 keer in Dt., 151 keer in Jozua, 6 keer in Richteren en verder nog in 1 Kn. 16:34; 2 Kn. 23:8; 1 Kr. 7:27. (In Jozua 8:19 is de naam van Jozua, nl. de zoon van Nun, één keer voor de leesbaarheid ingevoegd). In 2 verzen gaat het om Jozua, de Bet-Semiet, nl. in 1 Sm. 6:14, 18. In Dt. 32:44 wordt deze Jozua één keer Hosea, de zoon van Nun genoemd In 11 verzen is de naam vertaald als ‘Josua’, nl. Josua, de zoon van Jozadak, in Haggaï 1:1, 12, 14; 2:2, 4; Zach. 3:1, 3, 6, 8, 9; 6:11. (In Zach. 3:2 is de naam nog eens toegevoegd voor de leesbaarheid). In de boeken Ezra en Nehemia is de naam ‘Josua’ in het Hebreeuws kort geschreven onder Strongnr. H3442. |
|
H3096 Jahza |
Jahza 9 x |
|
H3106 Jubal |
De naam Jubal, |יוּבָל| (‹yūḇal - H3106›), die alleen in Gen. 4:21 voorkomt, is de naam van hem die de vader is van allen die op de lier en fluit spelen (‹Gen. 4:21›). Hij is ook de broer van Jabal |יָבָל| (‹yāḇāl - H3106›) , die in tenten woonde en veekudde had (‹Gen. 4:20›). Beiden zijn zonen van Lamech door zijn vrouw Ada. Volgens Gesenius betekent de naam ‘rivier’ of: ‘vochtig land’, maar het zou ook ‘geluid’ of: ‘klank’ (‹H3106›) kunnen betekenen volgens K&D. –Beide namen zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |יָבַל| (‹yāḇāl - H2989›) dat 18 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 18 verzen. Het werkwoord betekent allereerst (‹in de Qal›) ‘stromen’, of ‘vloeien’ in het bijzonder ‘krachtig’ of zelfs nog sterker ‘met geweldige kracht stromen’, zodat het woord ‘vloed’, |מַבּוּל| (‹mabūl - H3999›), ervan is afgeleid. Maar kennelijk wordt die betekenis ook overdrachtelijk gebruikt voor de wind, de storm en het blazen op blaasinstrumenten zoals de lier en de fluit. |
|
H3115 Jochebed |
[‘Jochebed’] - dat is ‘de HEERE is heerlijkheid’ of: ‘degene van wie de heerlijkheid in de HEERE is’ (‹H3115›). |
|
H3120* Javan |
De Hebreeuwse eigennaam |יָוָן| (jāvān - H3120) komt 11 keer in het OT voor, verdeeld over 11 verzen: Gen. 10:2, 4; 1 Kr. 1:5, 7; Jes. 66:19; Ez. 27:13, 19; Dan. 8:21; 10:20; 11:2; Zach. 9:13. De naam staat voor ‘Jannia’, ofwel ‘Ionië’, d.w.z. het gebied dat destijds onderdeel van Griekenland was, maar nu het westen van Turkije is en gelegen is aan de Aegeïsche Zee. De naam heeft enige klankovereenkomst met de Griekse benaming ‘Ionië’ voor Griekenland. In Joël 4:6 komen wij de uitdrukking ‘de zonen van de Javanieten’ tegen. Zie hiervoor H3125. |
|
H3125* (‹de zonen van›) de Javanieten |
Het Hebreeuwse woord |יְוָנִי| (‹yᵉvānīy - H3125›) komt alleen voor in Joël 4:6. Het staat in de meervoudsvorm |בְנֵי הַיְּוָנִים|, d.w.z ‘de zonen van de Javanieten’. Voor ‘Javan’ zie H3120. |
|
H3157 Jizreël |
[‘Jizreël’] - de naam betekent: ‘God zal verstrooien’ of: ‘God zaait’, ofwel ‘de arm van God’ (‹H3157›). |
|
H3169 Hizkia |
[‘Hizkia’] - voluit: ‘Jehizki-Jahoe’. De naam betekent ‘God heeft mij sterk gemaakt’ (‹H3169›). |
|
H3193 Jotbata |
Jotbata 3x Num. 32: 33:33, 34 en Dt. 10:7 |
|
H3198 Jahat |
Jahat 7 x in OT over 7 verzen 1 Kr. 4:2; 6:5, 28; 1 Kr. 23:10, 11; 24:22; 2 Kr. 34:12 |
|
H3199 Jachin |
[‘Jachin’] - dat is ‘die door God wordt gesterkt’ of: ‘God bevestigt’ (‹H3199›). |
|
|
|
|
H3203 Jecholia |
[‘Jecholia’] - letterlijk: ‘Yᵉḥāl-Jᵃhū’ (‹H3203›), dat is ‘De HEERE betoont zich sterk’ (‹Gesenius›). De BDB Theological Dictionary geeft de betekenis ‘De HEERE is bekwaam geweest’, maar NOBSE geeft als betekenis ‘De HEERE is bekwaam’ of: ‘De HEERE is (‹ertoe›) in staat’ |
|
H3223 Jemuël |
[‘Jemuël’] - dat is ‘dag van God’ (‹H3223›). |
|
H3226 Jamin |
[‘Jamin’] - dat is ‘rechterhand ’ (‹H3226›). |
|
|
|
|
H3317 Jiftah-EL |
Jiftah-El |
|
H3412 Jarmut |
Jarmut 7 verzen |
|
H3269 Jaäzi-Jahoe |
[‘Jaäzi-Jahoe’] - d.w.z. ‘aan wie de HEER kracht of troost geeft’ (‹H3269›). –De naam van Jaäzi-Jahoe komt hier eigenlijk uit het niets aanzetten en stelt vele commentatoren voor vragen. Men denkt wel dat de verzen 26 en 27 latere invoegingen zijn. In 1 Kr. 6:29 lezen we over een nakomeling van Mahli die Uzza H5810›) heet, een naam die taalkundig gezien wel wat overeenkomst heeft met ‘Jaäzi-Jahoe’, maar we kennen geen commentaar dat deze mogelijkheid bespreekt. |
|
H3296 Jaäre-Oregim |
[‘Jaäre-Oregim’] - in het parallelvers in 1 Kr. 20:5 ‘Jaïr’. In dat vers wordt gesproken van ‘de broer van Goliath’. Dat is de reden waarom we hier tussen haakjes ‘de broer van’ invoegen (‹K&D›). De naam is een samenstelling van 2 woorden nl. ‘wouden van wevers’ (‹H3296›). |
|
H3300 Jaäsi-El |
[‘Jaäsi-El’] - de mannelijke Hebreeuwse naam |יַעֲשִׂיאֵל| (‹yaʿasīʾēl - H3300›) komt 2 keer in het OT voor nl. in 2 Kr. 11:47 en in 1 Kr. 27:21. De naam betekent: ‘degene die God gemaakt heeft’, d.w.z ‘degene die door God gemaakt is’. |
|
H3315 Jafet |
[‘Jafet’] - dat is ‘wijd verspreid’ of: ‘geopend’ (‹H3315›). |
|
H3324 Amram |
[‘Amram’] - dat is ‘verheven volk’ of: ‘volk van de Verhevene’ (‹H6019›). [‘Jizhar’] - dat is ‘glimmende olie’ (‹H3324›). |
|
H3355* Joktan |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |יָקְטָן| (‹yāqṯān - H3355›), Joktan, komt 6 keer in het OT voor, verdeeld over 6 verzen: Gen. 10:25, 26, 29; 1 Kr. 1:19, 20, 23. De naam betekent ‘klein’ en is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |קָטֹן| (‹qāton - H6994›), dat ‘klein zijn’ betekent. Joktan was de jongste van de twee nakomelingen van Heber: Peleg en Joktan, over wie wij lezen in Gen. 10:25. |
|
H3442* Josua Jesua |
De korte Hebreeuwse mnl. eigennaam |יֵשׁוּעַ| (‹yēšūʿa - H3442›) komt 30 keer voor in het OT, verdeeld over 30 verzen: 1 Kr. 24:11; 2 Kr. 31:15; Ezra 2:2, 6, 36, 40; 3:2, 8, 9; 4:3; 5:2; 8:33; 10:18; Neh 3:19; 7:7, 11, 39, 43; 8:7, 17; 9:4, 5; 10:10; 11:26; 12:1, 7, 8, 10, 24, 26. In 11 verzen betreft het de naam van Josua, de zoon van Jozadak: Ezra 2:2; 3:2, 8; 4:3; 5:2; 10:18; Neh. 7:7; 12:1, 7, 10, 26. In Neh. 12:1, 7, 10, 26 vinden wij de naam ‘Josua’ zonder de toevoeging ‘de zoon van Jozadak’. In voornoemde verzen vinden wij de korte naam van Josua naast de naam van Zerubbabel in de volgende 7 verzen: Ezra 2:2; 3:2, 8; 4:3; 5:2; Neh. 7:7; 12:1. De spelling ‘Josua’ wordt in de EBV voor deze hogepriester aangehouden om hem te onderscheiden van alle anderen met dezelfde Hebreeuwse naam, die in de EBV in die gevallen echter wordt weergegeven als ‘Jesua’. In 1 vers nl. Neh. 8:17 betreft het de korte naam van Jozua, de zoon Nun, die Israël het land Kanaän binnenleidde, die echter in het Hebreeuws hetzelfde wordt gespeld als de voornoemde Josua, de zoon van Jozadak en als de verschillende mannen die met de naam Jesua worden aangeduid. In 18 verzen betreft het de naam Jesua, die wij 10 keer in het OT aantreffen: (‹1›) in 1 vers nl. in 1 Kr. 24:11, gaat het om een priester die leider is van één van de 24 priesterafdelingen, (‹2›) in 7 verzen gaat het om diverse priesters: 2 Kr. 31:15; Ezra 2:6, 36; 7:11, 39; Neh. 8:7; 11:26 (‹3›) in 10 verzen staat de naam (‹a›). voor een Leviet nl. in Ezra 8:33; Neh. 3:19, (‹b›) voor de Levieten Jesua en Kadmiël, die drie keer als zonen van Juda ofwel van Hodeva ofwel van Hodavja worden aangeduid, nl. in Ezra 2:40; 3:9; Neh. 7:43; 9:4, 5; 10:10; 12:8, en (‹c›) in Neh. 12:24 staat de naam voor een zoon van Kadmiël, die Jesua heet. De lange Hebreeuwse mnl. eigennaam |יְהוֹשֻׁעַ| vinden wij onder H3091. |
|
H3449 Jissi-Jah |
[‘Jissi-Jah’] - de mannelijke Hebreeuwse naam |יִשִּׁיָּה| (‹yišši-yāẖ - H3449›) betekent ‘aan wie de HEER leent’. De naam komt 7 keer in het OT voor verdeeld over 6 verzen nl. in 1 Kr. 7:3; 12:7; 23:20; 24:21, 25 (‹2x›); Ezra 10:31. |
|
H3355 Joktan |
[‘Joktan’] - dat is ‘klein’ (‹H3355›). |
|
H3371 Jokteël |
[‘Jokteël’] - de naam betekent: ‘door God onderworpen’ (‹H3371›). De naam komt verder alleen nog voor in Joz. 15:38. |
|
H3382 Jered |
[‘Jered’] - dat is ‘afstammeling’ (‹H3382›). Het woord houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H3381›), dat o.a. ‘neerdalen’ of in figuurlijke zin ‘afstammen’ betekent. |
|
H3406 |
[‘Jerimot’] - de naam betekent ‘hoogten’ of ‘hoge plaatsen’ (‹H3406›). |
|
H3478 Israël |
[‘Israël’] - dat is ‘God strijdt’ of: ‘hij strijdt met God’ (‹H3478›). Zie ook Gen. 35:10 en Hos. 12:4, 5. Dit was de nieuwe naam die Jakob van God ontving nadat hij met de Engel van de HEERE bij de rivier de Jabbok geworsteld had. Zie Gen. 32:28. Israël is tegelijk de naam voor heel het volk dat uit de 12 zonen van Israël voortkwam. |
|
H3485 Issaschar |
[‘Issaschar’] - deze naam betekent ‘hij brengt beloning’ of: ‘hij is loon’ (‹H3485›), afhankelijk van hoe men de twee delen waaruit de naam opgebouwd is, kiest. De naam wordt meestal met een ‘dagesh chazaq’ in de eerste letter ‘shin’ geschreven, wat duidt op een dubbele ‘sh’ klank (‹in de Nederlandse Bijbeltekst een dubbele ‘s’›), maar soms wordt de ‘dagesh chazaq’ door de Masoreten weggelaten. |
|
H3492 Jattir |
Jattir |
|
H3494 Jitla |
Jitla |
|
H3500 Jeter |
Jeter |
|
H3497 Jitnan |
Jitnan |
|
H3503 Jetro |
Jetro |
|
H3519 Ikabod |
[‘Ikabod’] - de mnl. Hebreeuwse eigennaam ‘Ikabod’ komt in het OT alleen voor in 1 Sm. 4:21 en in 1 Sm. 14:3. De naam is een samenstelling van twee Hebreeuwse woorden nl. het woord ‘heerlijkheid’ (‹kabod - H3519›) en het Hebreeuwse bijwoord |אִי| (‹ʾī - H336›) dat in het OT alleen Job 22:30 voorkomt en ‘niet’ betekent’, maar taalkundig gezien kan het ook betrekking hebben op land dat zich zichtbaar aan de zee onttrekt, zoals een ‘eiland’ of ‘de kust’. |
|
H3566 H3567 |
De naam ‘Kores’ betekende mogelijk ‘zon’, dat is tenminste de betekenis die de Grieken aan deze naam gaven. Er zijn ook pogingen gedaan tot een andere uitleg. Sommigen menen dat de naam van Elamitische oorsprong is, maar Dan. 6:29 spreekt duidelijk van ‘Daniël, de Pers’ en daarom is die uitleg van de naam eigenlijk uitgesloten. De naam |כּוֹרֶשׁ| (‹koreš - H3566›) komt 15 keer in het OT voor in de Hebreeuwse tekst, verdeeld over 13 verzen. In het boek Danïel vinden wij nog 8 keer de Aramese variant |כּוֹרֶשׁ| (‹koreš - H3567›) verdeeld over 6 verzen, zodat de naam in het totaal 21 keer in het OT voorkomt. |
|
|
|
|
H3568 |
[‘Kusj’] - het koninkrijk van Kush is het gebied van Ethiopië dat aanvankelijk vooral in het noorden van het huidige Soedan (‹Nubië›) was gesitueerd. in de Septuagint staat hier ‘Ethiopië. Vaak is gedacht dat de naam ‘zwart’ betekende, maar daarvoor is geen enkele aanwijzing. De betekenis van de naam is eigenlijk onbekend (‹H3568›). |
|
H3569 Kusjiet |
Kusjiet |
|
H3570 Kusji |
Kusji |
|
H3571 |
Kusjitische - 2x in Num. 12:1 |
|
H3572 Kusjan |
Kusjan Hab. 3:7 |
|
H3573 Kusjan-Risjataïm |
Kusjan-Risjataïm 2x Ri. 3:8, 10 |
|
H3630 Chiljon |
[‘Chiljon’] - de naam betekent ‘wegkwijnen’ (‹H3630›) en komt alleen 3 keer in het OT voor nl. in Ruth 1:2, 5 en Ruth 4:9. De naam is verbonden met het Hebreeuwse woord voor ‘vernieting’ |כִּלָּיוֹן| (‹kilāyōn - H3631›) dat alleen in Dt. 28:65 en Jes. 10:12 in het OT voorkomt en afgeleid is van het Hebreeuwse werkwoord |כָּלָה| (‹kālāẖ - H3615›)‚ dat 205 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 195 verzen en als eerste betekenis heeft ‘voltooien’ of ‘bëeindigen’, maar ook kan betekenen ‘een einde maken aan’, d.w.z. vernietigen’, naar gelang de afgeleide vorm van het werkwoord en het zinsverband. |
|
H3645 Kamos |
[‘Kamos’] - de naam |כְּמוֹשׁ| (‹kamos - H3645›) komt 9 keer voor in het OT, verdeeld over 8 verzen. De betekenis van de naam is volgens Gesenius mogelijk ‘onderdrukker’ of ‘overwinnaar’. |
|
H3669 Kanaäniet |
[‘Kanaäniet’] - voor meer info, zie H3669 in de Hebreeuwse Namenlijst. |
|
H3694 Chesullot |
Chesullot |
|
H3695 Kasluchiet |
[‘Kasluchieten’] - de naam ‘Kasluchieten’ (‹H3695›) komt alleen voor in Gen. 10:14 en in 1 Kr. 1:12. De betekenis van de naam is onbekend. De naam staat voor een afstammeling van Mitsraïm, één van de nakomelingen van Cham, de zoon van Noach, volgens Gen. 10:6. |
|
H3731 Kaftor |
De naam ‘Kaftor’ (‹H3731›) komt drie keer in het OT voor nl. in Dt. 2:23, Jer. 47:4 en Am. 9:7. Zie H3732. Zie ook H3730 in de Hebreeuwse woordenlijst. |
|
H3732 Kaftoriet(en) |
Het mnl. Hebreeuwse bv. nmw. enkv. |כַּפְתֹּרִי| (‹kaftoriy - H3732›) met als meervoud |כַּפְתֹּרִים| (‹kaftoriyīm ›) komt 3 keer voor in het OT nl. in Gen 10:14, Dt. 2:23 en 1 Kr. 2:12. Het is de naam van het volk de Kaftorieten die uit Kaftor komen. De naam |כַּפְתֹּר| (‹kaftor - H3731›) komt ook drie keer voor nl. in Dt. 2:23, Jer. 47:4 en Amos 9:7. In Dt. 2:23 en in Amos 9:7 wordt er melding van gemaakt dat de Kaftorieten uit Kaftor komen, dat in Jer. 47:4 een eiland wordt genoemd, in andere vertalingen een kustland. In de (westerse) christenheid ziet men in Kaftor het eiland Kreta, zonder dat daar bewijs voor is. In de Joodse traditie is het Pelusium, 30 km. ten zuidoosten van het tegenwoordige Port Saïd, een eilandje dicht voor de kust van Egypte. Het is geografische gezien veel voor de hand liggender dat met Kaftor op deze locatie wordt gedoeld. –De naam ‘Kaftorieten’ wordt in het OT van de Peshitta, dat waarschijnlijk rond het eind van de 1e eeuw n. Chr. tot stand kwam, in Gen. 10:14 als ‘Qapodoqia’ vertaald, naar een plaats in Egypte genaamd ‘Kapudka’, zoals de Targums de naam weergeven of ook wel ‘Qaputkia’ zoals Maimonides de naam weergeeft. Maimonides meent dat het gaat om de plaats Damietta aan de noordkust van Egypte (‹ten westen van het hiervoor genoemde Pelusium›), wat natuurlijk een zekere aantrekkelijkheid heeft, omdat tot nu toe de binding tussen Egypte en Gaza (‹het vroegere gebied van de Kaftorieten en Filistijnen›) nog steeds levendig is en vooral omdat Egypte en Gaza aan elkaar grenzen. –Overigens moet men in ‘Qapodoqia’ niet ‘Cappadocië’ zien. John Gill waarschuwt voor deze misvatting. We merken op dat dit vers de Kaftorieten onderscheidt van de Filistijnen, maar dat wel beide groepen afkomstig zijn van zonen van Mitsraïm, dat is Egypte. -Zie ook H3730 in de Hebreeuwse woordenlijst. |
|
H3752 Charkas |
[‘Charkas’] - de naam |כַּרְכַּס| (‹ḵarkas̱ - H3752›) is waarschijnlijk van Perzische oorsprong en betekent ‘arend’ of ‘adelaar’. De naam komt in de Bijbel alleen voor in Est. 1:10 als de naam van de één van de 7 hofdienaren van koning Ahasveros. |
|
H3756 Karmi |
[‘Karmi’] - dat is ‘mijn wijngaard’ of: ‘wijngaardenier’ (‹H3756›). |
|
H3777 e.a. Chesed |
[‘Chesed’] - Chesed (‹H3777›) was niet de vader van de ‘Chasdim’ (‹de Chaldeeën›), want die waren ouder dan Chesed. In het gunstigste geval was hij één van de stichters van een tak van de Chaldeeën, mogelijk degenen die de kamelen van Job stalen (‹vlg. Knobel, Job 1:17›). Van de overige namen was Bethuël (‹H1328›) niet de stichter van een stam, maar de vader van Laban en Rebekka (‹Gen. 25:20›). De andere namen (‹Hazo - H2375, Pildas - H6394, Jidlaf - H3044›) komen we niet meer tegen, behalve de naam Maächa in Gen. 22:24, van wie waarschijnlijk de Maächieten (‹in Dt. 3:14 en Joz. 12;5›) in het land Maächa, een klein Arabisch koninkrijk in de tijd van David (‹2 Sm. 10:6, 2 Sm. 10:8, 1 Kr. 19:6›), hun naam ontvingen, maar Maächa komt ook vaak voor als de naam van een persoon (‹1 Kn. 2:39, 1 Kr. 11:43, 1 Kr. 27:16›). |
|
H3778 Chaldeeën |
‘Chaldeeën’] - in het Hebreeuws staat de naam (‹H3778›) geschreven als ‘Kasdiem’. De Web Bible Encyclopedia suggereert dat er verwarring is ontstaan tussen de naam Chaldeeën (‹een volk dat langs de kust van de Perzische Golf zou hebben gewoond›) en de Kassieten. De laatste naam zou dan een juistere weergave zijn van het Hebreeuwse ‘Kasdiem’, het volk van de stad Ur en ook de bewoners van Babel en het Babylonische rijk. Anderen menen dat in de loop van de tijd een letterwisseling heeft plaatsgevonden (‹zoals men dat in veel woorden van Akkadische talen heeft opgemerkt›) zodat de benaming ‘het land van Kasdi’ (‹mogelijk de oorspronkelijke naam›), veranderde in de naam ‘land van Kaldu’ welke laatste naam te vinden is in een tekst van Ashurnasirpal van de 9e eeuw voor Chr. (‹zie o.a. ‘A Babylonian Perspective on Sennacherib and his Grand Vizier’ door Damien Mackey en de Jewish Virtual Library›). Deze letterwisseling lijkt ons een meer aannemelijke verklaring voor het verschil in klank tussen het Hebreeuwse ‘Kasdim’ en de gebruikelijke vertaling daarvan als Chaldeeën. De zojuist genoemde relatie tussen de naam Arfachshad en de naam ‘Chaldeeën’ is echter niet zeker. De naam ‘Kasdiem’ wordt ook wel in verband gebracht met Chesed in Gen. 22:22, een zoon van Nahor. Omdat het huidige Chaldees erg verwant is aan het Aramees is deze veronderstelling zeker niet uitgesloten. In ieder geval leefden de ‘Kasdiem’ of: ‘Chaldeeën in Ur (‹zie Gen. 11:31›), een stad in Mesopotamië en in andere delen van dat gebied, het latere Assyrië en Babylonië, dat is globaal het huidige Noord-Irak. Gesenius meent dat de namen ‘Chaldeeën’ en ‘Kasdiem’ mogelijk allebei afkomen van een andere oorspronkelijker naam nl. ‘Koerd’ en ‘Koerden’ (‹in het Hebreeuws zou dat klinken als ‘Koerdiem’›), die inderdaad nog steeds in het Noorden van Irak wonen alsmede in de aangrenzende gebieden in Turkije, Iran en Syrië. Wat echter tegen de suggestie van Gesenius pleit, is dat het Koedisch een Indo-Germaanse taal is, terwijl het Chaldees duidelijk een Semitische taal is en daarbinnen onder het Aramees valt. |
|
H3810 Lo-Debar |
[‘Lo-Debar’] - dat is ‘geen weide’ of: ‘zonder weide’ (‹H3810›) |
|
H3812 Lea |
De Hebreeuwse vrwl. eigennaam |לֵאָה| (‹lēʾāẖ - H3812›) komt 34 keer in het OT voor, verdeeld over 32 verzen. Het is de naam van de eerste vrouw van Jakob en de laatste keer dat de naam voorkomt is in Ruth 4:11. Alle andere 32 verzen waarin de naam voorkomt, maken deel uit van het boek Genesis. De eerste keer dat de naam in de Bijbel voorkomt is Gen. 29:16 en in Gen. 29:17 lezen wij dat haar ogen ‘flets’ waren, d.w.z. ‘mat’ of ‘uitgeput’. De naam ‘Lea’ is dan ook afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |לָאָה| (‹lā’āẖ - H3811›), dat als belangrijke betekenissen ‘uitgeput zijn’ of ‘bezorgd zijn’ heeft. |
|
H3815* Laël |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |לָאֵל| (‹lā’ēl - H3815›) betekent ‘behorend bij God’. De naam komt alleen voor in Num. 3:24. De naam heeft volgens K&D dezelfde in betekenis als de meer poëtisch gespelde naam ‘Lemuël’ (‹H3927›) in Spr. 31:1. |
|
H3819 Lo-Ruchama |
[‘Lo-Ruchama’] - d.w.z. ‘geen ontferming’ of: ‘geen barmhartigheid’ (‹H3819›). |
|
H3822 Lebaot |
Lebaot |
|
H3845 Libni |
[‘Libni’] - dat is ‘wit’ (‹H3845›). |
|
H3870 Luz |
[‘Luz’] - gewoonlijk wordt de betekenis van de naam geduid als ‘amandelboom’ of: ‘amandel’ (‹H3870›). Maar omdat de naam van een werkwoord ‘luz’ komt dat ‘afwijken’ betekent en vaak in een negatieve betekenis in de Bijbel voorkomt (‹b.v als zich afkeren van de wijsheid. Spr. 3:21, 4:21 of in de zin van iemand die afwijkt van de rechte weg in Spr. 3:32, 14:2; in Spr. 4:24 vinden een afgeleid woord dat ‘afwijken’ of: ‘verdraaien betekent›), zou het ook kunnen zijn dat de naam staat voor een ‘perverse’ plaats of bevolking. Als dat zo zou zijn, is het des te opmerkelijker dat Jakob de naam van die plaats in Bet-El veranderde. |
|
H3876 Lot |
[‘Lot’] - de naam betekent ‘sluier’ of: ‘bedekking’ (‹H3876›) en hij staat met die naam a.h.w. voor een zinnebeeld van de volken die door hun ongeloof God niet kunnen zien (‹Rom. 11:7 en Zach. 12:10›). Zie ook 1 Kor. 3:4 voor verdere overdenking. |
|
H3882 Leviatan |
[‘Leviathan’] - deze naam (‹H3882›) komt 6 keer in het OT voor, verdeeld over 5 verzen: Job 3:8, 40:25, Ps. 74:14, 104:26 en Jes. 27:1 (‹2 x›). De naam staat voor een veelkoppig (‹zie Ps. 74:13, 14›) zeemonster dat vijandig is tegenover God. In Job 40:25-41:26 vinden wij de beschrijving van de Leviathan, voorafgegaan door de beschrijving van de ‘behemot’, dat beest. Beide beesten zijn synoniem en in Job 41:26 is dit beest ‘de koning van alle trotse dieren’, de koning die achter Egypte heerst. In Ps. 74: is de Leviathan verstrengeld met Egypte dat Israël achtervolgde en daarbij omkwam in de zee. In de eindtijd zal er ook een veelkoppig beest uit de zee opkomen, waarin alle macht van de satan zich zal concentreren. |
|
H3927 Lemuël |
de Hebreeuwse eigennaam |לְמוּאֵל| (‹lmūʾēl - H3927›) komt alleen voor in Spr. 31:1, 4. De naam betekent volgens K&D ‘aan God gewijd’, waarbij |לְמוּ|, ‘lmū’, een poëtische vorm is voor |לְ|, d.w.z. ‘voor’ of ‘aan’, waarna volgt |ּאֵל|, ‘ēl’, d.w.z. ‘God’. Deze uitleg wordt ondersteund door de verkorte vorm |לָאֵל| (‹lā’ēl - H3815›) in Num. 3:24 (‹zie Olshausen § 277d.›). |
|
H3929 Lamech |
[‘Lamech’] - dat betekent mogelijk ‘krachtige’ (‹H3929›). Maar er is ook een uitleg die de naam uitsplitst in het voorzetsel ‘voor’ en daarachter ‘de nederige’, dus ‘voor de nederige’. |
|
H4023 Megiddo |
De Hebreeuwse naam ‘Megiddo’ of ‘Megiddon’ in het OT (‹H4023›) betekent volgens Gesenius ‘plaats van menigten’, maar zeker is die betekenis niet. Anderen verdedigen de betekenis van ‘binnenvalllen’ of ‘snijden’, maar mogelijk verwart men in dit geval de betekenis met die van het werkwoord |גָּדַע| (‹H1438 o.a. in Jes. 10:34›), dat ‘hakken’, ‘afhakken’, ‘omhakken’ of ‘doorhakken’ betekent, en waarvan o.a. de naam Gideon is afgeleid. Het verwondert dat men geen verband legt met het Hebreeuwse woord |מֶגֶד| (‹H4022›) voor kostbaarheden, heerlijkheden of heerlijke vruchten b.v. in Dt. 33:13 en Hgld. 4:13, 16; 7:14. De overeenkomstige Arabische grammaticale wortel brengt ons bij het werkwoord |||مَجَدَ|||, ‘majada’, d.w.z. ‘heerlijk zijn’ en ‘majjada’, d.w.z, ‘verheerlijken’, ‘prijzen’. –De lezingen van de Latijnse Vulgata en van de Griekse LXX luiden ook ‘Megiddo’ en niet ‘Megiddon’. De kortere lezing van het woord stemt ook overeen met het OT in Joz. 12:21; 17:11; Ri. 1:27; 5:19; 1 Kn. 4:12; 9:15; 2 Kn. 9:27; 23:29, 30; 1 Kr. 7:29; 2 Kr. 35:22. Alleen in Zach, 12:11, na de terugkeer uit Babel vinden wij de spelling ‘Megiddon’, maar daarbij is het niet zeker dat dit dezelfde locatie is als die van Megiddo, hoewel alle 10 OT-ische plaatsen onder H4023 vallen. In het NT vinden we alleen ‘Megiddo’, en dat in slechts één vers nl. Op. 16:16. [‘Megiddo’] - of: ‘Megiddoe’. Dit is de lezing van de Aramese Peshitta en van de Griekse MHT. De lezing van de Griekse NA28 en TR luidt: ‘Armageddon’ of ‘Har-Mageddon’, dat is ‘de berg van Megiddo’. Het is apart dat de Griekse tekst ook over de Hebreeuwse naam spreekt, maar dan ‘Har-Megid(‹d›)on’ als de Hebreeuwse naam aangeeft, soms met een enkele ‘d’ (‹MHT, NA28›), soms met een dubbele ‘d’ (‹TR›). |
|
H4036 Magor-Missasib |
[‘Magor-Missabib’] - dat is ‘terreur rondom’ (‹Gesenius›) (‹H4036›). |
|
H4074* Madai, Medië; de Meden |
De mnl. meervoudige Hebreeuwse eigennaam |מָדַי| (‹māḏay - H4074›) komt 16 keer voor in het OT, verdeeld over 16 verzen: Gen. 10:2; 2 Kn. 17:6; 18:11; 1 Kr. 1:5; Est. 1:3, 14, 18, 19; 10:2; Jes. 13:17; 21:2; Jer. 25:25; 51:11, 28; Dan. 8:20; 9:1. Het enkelvoud is |מָדִי| (‹māḏī›). Dit is de Bijbelse naam van Medië, het land van de Meden. De betekenis van de naam is onzeker. Meestal wordt gedacht aan ‘het midden’ of ‘in het midden’. |
|
H4080 Midian |
[‘Midian’] - er is geen zekerheid over de betekenis van de naam ‘Midian’ (‹H4080›), maar mogelijk zou deze staan voor ‘wedijver’ of: ‘strijd’. In Gen. 25:2 lezen we over Midian, de zoon van Abraham en Ketura. In het algemeen wordt aangenomen dat zijn woongebied zich uitstrekte van het oosten van de Sinaïwoestijn tot voorbij de Golf van Aqaba tot aan het gebied van Moab en zelfs tot op het nabijgelegen Arabische schiereiland. Zie Ex. 3:1, 18:5, Num. 25:15, Ri. 6 en 8. In Gen. 37:24-27, Ri. 7:12 en Ex. 8:22, 24 lezen wij, dat zij met de Ismaëlieten in verband worden gebracht, maar op andere plaatsen juist weer niet. Zie in dit verband Gen. 25:2, 4:12-18 over de dromedarissen van Midian en Jes. 60:6 en Ri. 7 en 8 over de Midiansdag. Mozes schoonvader is Jethro, de priester van Midian. Men neemt aan dat Midianieten een scala van afgoden dienden, waaronder Baäl-Peor en Astarte, de koningin van de hemel. |
|
H4111 Mahalal-EL |
[‘Mahalal-El’] - deze naam betekent ‘lof van God’ (‹H4111›). |
|
H4122* Maher Sjalal, Chasj Baz |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |מַהֵר שָׁלָל חָשׁ בַּז| (‹maẖēr šalal, ḥaš baz - H4122›), Maher Sjalal, Chasj Baz, komt alleen voor in Jes. 8:1, 3. De betekenis van de naam is ‘Haastig buit, spoedig roof’. Deze eigennaam is afgeleid van de Hebreeuwse werkwoorden |מַהֵר| (‹maẖēr - H4118›), |שָׁלָל| (‹šālāl - H7998›), |חוּשׁ| (‹ḥūš - H2363›) en |בַּז| (‹baz - H957›). Maher Sjalal, Chasj Baz is de zoon van de profeet Jesaja. De uitleg van de naam vinden wij in Jes. 8:4 ‘Want voordat de jongen zal kunnen roepen: ‘Mijn vader!’, of: ‘Mijn moeder!’, zal men de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria wegdragen onder toezicht van de koning van Assyrië.’ |
|
H4158 Mafaät |
Mafaät 4 x |
|
H4162 Moza |
de Hebreeuwse jongensnaam ‘Moza’ (‹H4162›). 5x |
|
H4187 Musi |
[‘Musi’] - dat is ‘getest of getoetst door God’. Volgens Gesenius is de naam voluit waarschijnlijk ‘Musi-Jah’ (‹H4187›). |
|
H4232 Mechujaël |
[‘Mechujaël’] - dat is ‘door God geslagen’ (‹H4232›). |
|
H4248 Machlon |
[‘Machlon’] - de naam ‘Machlon’ betekent ‘zieke’ of ‘zieke man’ (‹H4248›). Deze naam komt 4 keer in het OT voor, alleen in het boek Ruth 1:5, 2; 4:9, 10. De naam is afgeleid van Hebreeuwse werkwoord |חָלָה| (‹H2470›) dat 75 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 73 verzen. Machlon is in het leven van Ruth het beeld van de gekruisigde Jood Jezus, want door Machlon wordt deze Moabitische vrouw verbonden met haar Joodse man uit Bethlehem, die wat het uiterlijk als een afvallige leeft, want door de hongersnood was hij buiten het land dat God aan zijn volk gegeven had, terechtgekomen. Innerlijk was hij naar wij aannemen een goede Jood, want hoe zou Ruth anders een liefde hebben kunnen opvatten voor het Joodse volk en zijn God (‹zie Ruth 1:›). Het is heel wonderlijk dat wij in Jes. 53:10 lezen ‘Hij heeft Hem ziekgemaakt’ (‹H2470›). God maakte zijn Zoon Jezus ziek, als een zondaar, toen Hij Hem aan het kruis de straf voor de zonde van de wereld liet dragen. En dat werkwoord ‘ziek zijn’ is taalkundig gezien nauw verbonden met de naam Machlon en dat is geen toeval, maar leiding van Gods Heilige Geest bij het totstandkomen van zijn Woord. |
|
H4249 Mahli |
[‘Mahli’] - dat is ‘ziek’ (‹H4249›). |
|
H4256/H5555? |
[‘Sela’a-ha-Machlekot’] - de betekenis van deze naam is niet zeker. Misschien betekent het ‘rots van de verdelingen’ of: ‘rots van de ontsnappingen’ (‹H5553 - ‘rots’; H4256 - ‘verdelingen’ of ‘splitsingen’; of ‘ontglippen’ misschien ‘ontsnappen; H5555 - de gecombineerde naam ‘rots van de ontsnappingen’. Deze plaats wordt wel geïdentificeerd met Petra, dat is Sel of Sela’a, bekend op zijn verborgen ligging tussen rotsformaties›). De stad Petra, zoals wij die nu kennen door de archeologische vondsten, werd later in de 4e eeuw gebouwd door de Nabateeërs, maar ongetwijfeld had Edom daarvoor haar eigen bouwwerken. |
|
H4258 Mahalt |
Mahalat 2 x in het OT |
|
H4259 Meholatiet |
Meholatiet - 1 Sm. 18:19 en 2 Sm. .. |
|
H4314 Mee-Zahab |
[‘Mee-Zahab’] - dat is ‘goudwater’ of: ‘goudvijver’ (‹H4314›). |
|
H4317 Michaël |
[‘Michaël’] - de naam van de engel (‹H4317›), ‘Wie is als U!’ (‹zie Ex. 15:11 en Ps. 89:7›) komt 3 keer voor in het OT (‹in Dan. 10:13 als één van de voornaamste vorsten, in Dan. 10:21 als ‘jullie vorst’ en in Dan. 12:1 als ‘de grote vorst’, die de zonen van het volk van Daniël, d.w.z. Israël, terzijde staat›) en 2 keer in het NT (‹in Judas 1:9 als ‘hoofd van de engelen’ en in Op. 12:7 als ‘Michaël en zijn engelen’›). Deze Michaël komt de Engel van de HEERE te hulp. Maar in Dan. 11:1 komt de Engel van de HEERE Michaël te hulp. Michaël is de engel die op de bres staat voor Israël (‹Dan. 10:21›). Hij is één van de voornaamsten onder de vorsten in de hemelse gewesten. In de eindtijd concentreert de strijd zich om Israël en daarom vinden wij Michaël ook genoemd in Op. 12:7 en Judas 1:9. |
|
H4318 Micha H4319 H4320 H4321 Micha-Jahoe H4322 |
[‘Micha’] - de korte naam ‘Micha’ (‹H4318›) is een korte vorm van de naam |מִיכָיְהוּ| ‘Micha-Jahoe’. De lange naam betekent ‘Wie is als de HEERE’ (‹H4321›). [‘Micha-Jahoe’] - de naam betekent ‘Wie is als de HEER?’ (‹H4321›). In het Hebreeuws staat deze naam |מִיכָיְהוּ| alleen voluit in Ri. 17:1, 4. De overige 17 keer dat de naam voorkomt in Ri. 17, 18, staat er kortweg ‘Micha’, |מִיכָה|. In Jer. 36:11 is sprake van een defecte spelling onder H4319. [‘Micha’] - de korte naam ‘Micha’ in 2 Sm. 9:12 is een korte vorm van de naam |מִיכָיְהוּ| ‘Micha-Jahoe’. Deze lange naam betekent ‘Wie is als de HEERE’ (‹H4318›). [‘Micha-Jahoe’] - de naam betekent ‘Wie is als de HEER?’ (‹H4321›). In het Hebreeuws staat deze naam |מִיכָיְהוּ| steeds voluit in 1 Kn. 22. [‘Micha-Jahoe’] - de korte naam ‘Micha’ is een korte vorm van de naam |מִיכָיְהוּ| ‘Micha-Jahoe’. Deze lange naam betekent ‘Wie is als de HEERE’ (‹H4318›) en wordt hoofdzakelijk in 2 Kr. 18 gebruikt, behalve in 2 Kr. 18:14 vinden wij de korte naam. In het parallelhoofdstuk in 1 Kn. 22 wordt uitsluitend de lange naam gebruikt. [‘Micha-Yahoe’] - in 2 Kr. 13:2 zie H4321, maar het is ongetwijfeld een unieke variant voor Micha-Jahoe. Zie H4321 [‘Micha-Jahoe’] - in 2 Kr. 17:7 zie H4322, maar de naam is o.i. wezenlijk gelijk aan de naam ‘Micha-Jahoe’ onder H4321. Micha-Jah komt 3 keer in. het OT voor nl. in 2 Kn. 22:12, Neh. 12::35, 41 en in Jer. 26:18 onder H4320, maar in Jer. 26:18 is de Qere ‘Micha’ H4318 |
|
H4332 Misaël |
[‘Misaël’] - dat is ‘wie is zoals God is?’ (‹H4332›). |
|
H4471* Mamre |
Het Hebreeuwse mnl. znw. eigennaam |מַמְרֵא| (‹mamrē - H4471›) komt 10 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen, alleen in het boek Genesis: Gen 13:18; 14:13; 14:24; 18:1; 23:17; 23:19; 25:9; 35:27; 49:30; 50:13. De naam betekent ‘kracht’ of ‘vetheid’. In Gen. 14:13, 24 is het naam van een Amoriet die met Abraham een verbond gesloten had. Verder is de naam onderdeel van de uitdrukking ‘de terebinten van Mamre’ of anders is ‘Mamre’ kortweg de naam van de plaats waar die bomen stonden. |
|
H4506 Manahat |
Manahat |
|
H4511 Minnit |
Minnit 2 x |
|
H4532* Massah |
De Hebreeuwse plaatsnaam |מַסָּה|, (‹maṣāẖ - H4532›) ‘Massah’, komt 5 keer in het OT voor, verdeeld over 5 verzen: Ex. 17:7; Dt. 6:16; 9:22; 33:8; Ps. 95:8. De naam betekent ‘beproeving’ of ‘verzoeking’ of ‘test’ en de naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |נָסַה| (‹nāsaẖ - H3532›). |
|
|
|
|
H4602 Maächatiet |
[‘Maächatieten’] - letterlijk staat er de Maächatiet (‹H4602›), d.w.z. een man uit Maächa. De naam Maächa komt 23 keer voor in het OT, verdeeld over 23 verzen. De plaatsnaam betekent ‘onderdrukking’ (‹H4601›). |
|
H4638 Maärat |
Maärat |
|
H4648 Mefiboset |
[‘Mefiboset’] - deze naam in 2 Sm. 4:4 (‹H4648›) zou betekenen ‘die schaamte vernietigd’ of: ‘die de afgod vernietigd’ (‹Gesenius›). Maar in 1 Kr. 8:34 en 1 Kr. 9:40 wordt hij genoemd Meribbaäl (‹‘bestrijder van Baäl’ of: ‘Baäl twist’›), net zoals Ish-Boseth ook Esh-Baäl, dat is ‘man van Baäl’ wordt genoemd (‹zie 2 Sm. 2:8›). Voor het overige van zijn geschiedenis zie 2 Sm. 9:1-13, 2 Sm. 16:1 en 2 Sm. 19:25. |
|
H4681* Motza |
De Hebreeuwse plaatsnaam |מֹצָה| (‹moṣāẖ - H4681›) van de stad ‘Motza’ in het gebied van Benjamin, ten westen van Jeruzalem, komt alleen voor in Joz. 18:26 en betekent mogelijk ‘fontein’ (‹Gesenius›). Deze naam wordt hetzelfde gespeld als de Hebreeuwse jongensnaam, die wij voor het onderscheid anders geschreven hebben nl. als ‘Moza’ (‹H4162›). De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |מָצָה| (‹māṣāẖ - H4680›) dat 7 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 7 verzen en als eerste betekenis heeft ‘zuigen’ of ‘uitzuigen’. In de Tempelperiode werden de wilgentakken voor het Loofhuttenfeest van deze plaats meegenomen naar de Tempel. |
|
H4693 Egypte |
[‘Egypte’] - het Hebreeuwse woord |מָצוֹר| (‹māṣōr - H4693›) komt 4 keer voor in het OT, verdeeld over 4 verzen. In sommige vertalingen (‹o.a. de Engelse King James Version, maar b.v. niet in de zeer gedegen Arabische Van Dycke vertaling›) vinden in Jes. 19:6 en Mi. 7:12 de vertaling ‘belegerde plaatsen’. Het Hebreeuwse woord is echter een heel weing voorkomende benaming voor Egypte (‹K&D en Gesenius›), in het bijzonder voor het noordelijke deel het zgn. Beneden-Egypte (‹‘beneden’ omdat de Nijl van hoog naar laag stroomt en dus het zuiden - Boven-Egypte of Opper-Egypte - hoger lag dan het noorden, dat Beneden-Egypte of Neder-Egypte wordt genoemd. Dat dit inderdaad de juiste betekenis van het woord is, blijkt o.a. uit de drie basisletters van het Hebreeuwse woord, die overeenkomen met de basisletters van de gewone benaming voor Egypte en verder uit het tekstverband. Men denkt wel dat deze vorm een enkelvoud is van het meervoud of tweevoud ‘Mitsraïm’ dat als de gewone benaming voor Egypte wordt gebruikt (‹H4714›) , met als gedachte dat Egypte een samenstelling is van twee delen zoals hiervoor beschreven. Anderen brengen dit woord in verband met het Egyptische woord voor ‘koninkrijk’ in de zin van een omgrensd, beschermd gebied. Het Oud-Egyptische woord voor ‘koninkrijk’ heeft duidelijk een sterke klankovereenkomst met het hier voorkomende woord ‘māṣōr’. |
|
H4709 Mizpa |
[‘Mizpa’] - dat is ‘wachttoren’ of: ‘uitkijkpost’ (‹H4709›). Het woord is tegelijkertijd een woordspeling op het woord ‘gedenkzuil’ in Gen. 31:45 dat qua klank erg op Mizpa lijkt. |
|
H4714 Mitsraïm, Egypte |
Egypte of de naam van Mitsraïm 639 keer in het OT, verdeeld over 573 verzen. Zie ook H4693. |
|
|
|
|
H4809 Meriba |
[‘Meriba’] - dat is ‘ruzie’ of: ‘twist’ (‹H4809›). |
|
|
|
|
H4850* Merataïm |
De Hebreeuwse eigennaam |מְרָתַיִם| (‹mᵉrāṯayim - H4850›), Merataïm, komt alleen voor in Jer. 50:21. De naam betekent ‘dubbele opstandigheid’) en staat voor het opstandige karakter van Babel, de plaats waar in de vroegste tijden de toren van Babel verrees als uiting van rebellie tegen God (‹Gen. 11›), en waarheen Juda en Benjamin rond 586 v. Chr zouden worden weggevoerd en waar in de laatste dagen de zonde tot aan de hemel zal reiken (‹Op. 18:5›). Twee keer is het opstandig tegen God, in het begin en aan het eind vlak voor de terugkomst van Jezus Christus. |
|
H4854* Massa |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |מַשָּׂא| (‹masāʾ - H4854›), Massa, voor een zoon van Ismaël in Gen. 25:14 en in 1 Kr. 1:30. Voor de betekenis zie H4853 van de Hebreeuwse Woordenlijst. De naam ‘Massa’ moet overigens niet verward worden met |מַסָּה| (‹masah - H4532›), het ‘Massah’ in de woestijn of de wildernis, dat meestal samen met ‘Meriba’ wordt genoemd. |
|
H4847 Merari |
[‘Merari’] - dat is ‘bitter’ of: ‘ongelukkig’ (‹H4847›). |
|
H4871, H4872 Mozes |
[‘Mozes’] - als de naam |מֹשֶׁה| (‹mošeẖ - H4872›) op zijn Egyptisch wordt verklaard, dan is ‘gered uit het water’ de meest aannemelijke betekenis. In zijn Hebreeuwse variant klinkt het als ‘die uittrekt’ of: ‘die verlost’ of: ‘die uitgetrokken wordt’ of: ‘die gered wordt’. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |מָשָׁה| (‹māšāẖ - H4871›), dat ‘uittrekken’ betekent. De naam is bijzonder toepasselijk als wij bedenken dat de volwassen Mozes het volk Israël door de zee liet trekken en zo het volk uit de zee trok en aan de hand van de Egyptenaren ontrukte. Mozes was hier Gods uitverkoren instrument. |
|
H4967 Metusaël |
[‘Metusaël’] - de naam betekent ‘man van God’ (‹H4967›). Volgens K&D betekent de naam: ‘man van gebed’. |
|
H4968 Methusakach |
[‘Methusalach’] - dat is ‘man van de speer’ (‹Gesenius›) of ‘man, hij wordt gestuurd’ of: ‘man met een zending’ (‹H4968›). Omdat de Hebreeuwse aanduiding voor ‘man’ (‹H4962›) onderdeel van de naam is en taalkundig nauw verbonden is met ‘dood’ en ‘sterven’ geven sommigen de naam ook wel weer met ‘hij is dood, hij zal worden gezonden’. In de laatste betekenis is mogelijk de profetie verborgen met betrekking tot de komende zondvloed, want Methusalach stierf in het jaar van de vloed. De naam houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H7973›), dat ‘zenden’ of: ‘sturen’ betekent. Zie de noot bij Gen. 34:30. |
|
H4981 Mitniet |
De Hebreeuwse mannelijke naam |הַמִּתְנִי| (‹ha-ṁiṯnī - H4981›) ‘de Mitniet’ komt slechts 1 keer in het OT voor nl. in 1 Kr. 11:43. De betekenis is mogelijk die van ‘slank’, ‘dun’ en dus mogelijk iemand die zich snel voortbeweegt: een hardloper of krijger te voet of snelbode. |
|
H5019 Nebukadnezar |
[‘Nebukadnezar’] - ook wel ‘Nebukadrezar’ (‹H5019 - zie Jer. 21:2, 7; Jer. 22:25 e.a.›). In het Grieks geschreven als ||Ναβουχοδονόσορ|| (‹in de LXX›), ||Ναβουχοδονόσορος|| (‹in Beros. in Jos. c. Ap. i. 20, 21›) en ||Ναβοκοδρόσορος|| (‹bij Strabo, xv. 1, 6›). Op Perzische pijlvormige inscripties in Bisutun vond men ‘Nabhukudracara’ (‹dat volgens Oppert is samengesteld uit de naam van God, Nabhu ofwel Nebo en het Arabische ‘qadr’ (‹d.w.z ‘kracht’›) en ‘zar’ of: ‘sar’ voor ‘vorst’›). Voor de verschillende vormen van de naam zie M. v. Niebuhr, Geschichte. pg. 41, 42›). Nebukadnezar was de zoon van Nabopolassar, de oprichter van het Chaldeese koningshuis en hij regeerde volgens Berosus (‹Jos. l.c.›), Alex. Polyh. (‹Eusebii Chr. arm. i. pg. 44, 45›), en de Canon van Ptol., 43 jaar van 605 tot 562 v. Chr. (‹uit K&D›). |
|
H5045 |
[‘Zuiderland’] - dat is gezien het tekstverband ‘de Negev’, het gebied ten zuiden van Juda. Op zich betekent het woord gewoon ‘zuiden’ (‹H5045›) en wordt ook als zodanig vertaald als het niet op de Negev betrekking heeft. |
|
H5121 Najot |
Najot - 5 verzen |
|
H5146 Noach |
[‘Noach’] - deze Hebreeuwse naam betekent ‘rust’ of: ‘troost’ (‹H5146›). Dit vinden we terug in de uitleg van de naam in ditzelfde vers “Deze zal ons troosten over het werk en de pijn aan onze handen vanwege de aarde die door de HEERE vervloekt is!” . In Genesis vinden we diverse woordspelingen op deze naam en haar betekenis b.v.in Gen. 8:4 waar men a.h.w. hoort ‘de ark noach-te ... op de bergen van Ararat’, d.w.z. ‘de ark rustte ... op de bergen ...’. |
|
H5152 Nahor |
[‘Nahor’] - dat is ‘snuiven’, ‘diep ademhalen’ (‹H5152›). |
|
H5180 Nehustan H5172 |
[‘Nehustan’] - de naam betekent ‘koperen slang’ (‹H5180›), waarbij de betekenissen ‘slang’ en ‘koper’ als het ware qua betekenis samengesmolten zijn tot één woord, want de taalkundige wortel van beide woorden is hetzelfde en gaat terug op het werkwoord |נָחַשׁ| (‹nāhaš - de toekomst voorspellen - H5172›) dat we in Genesis vooral tegenkomen in verband met de gave van Jozef om in de toekomst te zien (‹Gen. 44:5, 15›). |
|
H5200 Netofatiet |
[Netofatiet] - het Hebreeuwse mannelijke bv. nmw. |נְטוֹפָתִי| komt 10 keer in het OT voor, verdeeld over 10 verzen. In 2 verzen, Ezra 2:22 en Neh. 7:26, vinden wij de plaatsnaam ‘Netofa’ als een vrwl. znw. |
|
H5279 Naäma |
De vrwl. eigennaam |נַעֲמָה| (‹na’amāẖ - H5279›), Naäma, betekent: ‘liefelijk’, of: ‘aangenaam’. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |נַעַם| (‹naʿam - H5277›). De naam komt 5 keer in het OT voor: Gen 4:22, Joz. 15:41, 1 Kn 14:21, 31 en 2 Kr. 12:13. |
|
H5298 Nefeg |
[‘Nefeg’] - dat is ‘spruit’ of: ‘jonge tak’ (‹H5298›). |
|
H5321 Naftali |
[‘Naftali’] - dat is ‘mijn worsteling’ (‹H5321›). |
|
H5416 Natan |
Natan - 42 x in 39 verzen in het OT |
|
H5418 Netan-Jah |
Netan-Jah |
|
H5419 Natan-Melech |
De naam Natan-Melechdat betekent: ‘degene die de koning heeft aangesteld’ of ‘gegeven heeft’ (‹Gesenius›). Van hem is verder niets bekend. K&D suggereren dat hij misschien de bouwer of oprichter van de bijgebouwen was. De naam komt alleen voor in 2 Kn. 23:11. |
|
H5467 Sodom |
Sodom archeologische onderzoeken bevestigen dat Sodom en Gomorra langs het zuidelijke deel van de Dode Zee gesitueerd waren, ofwel ten zuidwesten, dan wel ten zuidoosten van de zee. Zoar zou bij de meest zuidoostelijke uitloper ervan hebben gelegen. De vluchtroute van Lot zou zo’n 30-40 kilometer hebben bedragen. Men heeft vastgesteld dat het zuidelijke deel van de zee niet dieper dan 5-6 meter is en men neemt aan dat dit de valleivlakte van Siddim was (‹Gen. 14:3›). Het noordelijk deel van de Dode Zee is daarentegen 300-400 meter diep en dit was waarschijnlijk een meer dat er in de tijd van Lot al was, terwijl de vlakte van Siddim met de verwoesting zou zijn ondergelopen. |
|
H5488* Wierzee, riet |
Het Hebreeuwse vrwl. znw. |סוּף| (‹suf - H5488›) komt 28 keer in het OT voor, verdeeld over 28 verzen De eerste keer vinden wij het woord in Ex. 2:3, 5 vertaald als ‘riet’. Het kistje met het kindje Mozes lag in het riet. In Dt. 1:1 staat het voor de plaatsnaam ‘Suf’ (‹H5489›) en de resterende 25 keer is het onderdeel van de naam ‘Wierzee’, die naar de betekenis van de Griekse naam ||θάλασσα Ἐρυθρἀ|| (‹‘eruthra thalassa’›) vaak aangeduid wordt als de ‘Rode Zee’. In het Hebreeuws is de naam ‘Wierzee’ samengesteld uit het woord |סוּף| voor ‘wier’ of ‘riet’ en het woordje |יַם| voor ‘zee’ (‹H3220›). Het is aannemelijk dat deze zee rijk was aan wier, dat vast ook op de kusten aanspoelde. –In ouder Nederlands zegt men ‘Schelfzee’, omdat ‘schelf’ ook ‘riet’ betekent. Traditioneel neemt men aan dat het hier om de wateren tussen Egypte en de Sinaïwoestijn gaat. –De naam ‘Rode Zee’ sloeg vroeger ook op de wateren die we nu kennen als het Suezkanaal, de Golf van Aqaba en ook op de Perzische of Arabische Golf tussen Saoedi-Arabië en Iran. Hoewel men traditioneel aanneemt dat de doortocht door de Rode Zee (‹d.w.z. het gebied van het tegenwoordige Suezkanaal›) plaatsvond, denkt men ook wel aan andere zeeën of meren b.v. aan het meer van Menzaleh dat noordelijker gelegen is, en ook zijn er velen die menen dat de overtocht plaats vond door de Golf van Aqabah bij Nuweiba. In Ex. 16:1 staat dat Israël op de 15e van de 2e maand sinds de uittocht uit Egypte in de woestijn Sin kwam op weg naar de berg Sinaï. Dat is sinds de nacht van de 14e op de 15e Abib na precies een maand. Met een dagmars van rond de 20-25 kilometer per dag lijkt zelfs de plaats Nuweiba aan de Golf van Aqaba goed haalbaar voor zo’n massa volk (‹2-3 miljoen mensen, alle leeftijden en geslachten meegerekend›). |
|
H5489* Suf |
De Hebreeuwse vrwl. eigennaam |סוּף| (‹sūf - H5489›) komt alleen in Dt. 1:1 voor en de naam betekent ‘wier’, ‘zeewier’. Dit woord is onderdeel van de Hebreeuwse naam ‘Wierzee’. Zie H5488 en H3220. |
|
H5512 Sin |
[‘Sin’] - de Hebreeuwse naam |סִין| (‹Sīn - H5512›) betekent ‘klei’. Het is de naam van de wildernis tussen Elim en Sinaï, maar ook van een stad in oostelijk Egypte. |
|
H5523 Sukkot |
[‘Sukkot’] - dat is ‘loofhutten’ ofwel ‘hutten van takken’ (‹van het enkelvoudige Hebreeuwse vrwl znw. |סֻכָּה| s̱ūkkāẖ - H5521 met als verwant mnl. znw. |סֹךְ|, s̱oḵ, onder Strongnr. H5520 in Ps. 10:9, Ps. 27:5, Ps. 76:2 en Jer. 25:38›). Het woord komt 31 keer in het OT voor in de betekenis van ‘loofhutten’, verdeeld over 29 verzen en het is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |סָכַךְ| (‹s̱āḵaḵ - H5526›), dat 24 keer in het OT voorkomt verdeeld over 24 verzen en dat als eerste betekenis heeft ‘vlechten’ of ‘dooreenweven’, m.n. in verband met takken, zodat men al doende een soort omheining, afscherming of beschutting maakt. Het meervoud (‹s̄ūkkōṯ - ook van H5521›) zal later ook gebruikt worden voor het zgn. ‘Loofhuttenfeest’ ter herinnering aan het feit dat Israël na de uittocht uit Egypte tijdens de reis door de woestijn in loofhutten woonde. –De plaatsnaam Sukkot waarvan hier sprake is, heeft dezelfde spelling, maar valt onder Strongnr. H5523 en deze plaatsnaam komt 18 keer voor in het OT, verdeeld over 16 verzen. Overigens moeten wij de plaats Sukkot aan de oostzijde van de Jordaan niet verwarren met de plaats Sukkot in Egypte in Ex. 12:37, 13:20; Num. 33:5, 6. |
|
H5542 Sinaï |
[‘Sinaï’] - de Hebreeuwse naam |סִינָי| (‹Sīnāy - H5542›) betekent ‘stekelig’. Het is de naam van de berg waar Mozes de Wet ontving. In het Arabisch spreekt men van ‘de berg van Mozes’. |
|
H5544 Sela |
[‘Sela] - de Hebreeuwse naam |סֶּלַע| (‹selaʿ - H5554›) betekent rots en waarschijnlijk was deze plaats het huidige Petra, een in de bergen verscholen stad in het gebied ten oosten van de Jordaan ergens halverwege tussen de zuidelijke punt van de Dode Zee en de Golf van Eilat, later de voornaamste stad van het rijk Nabatea (‹168 v. Chr. tot 106 n Chr.›) dat Edom van zijn plaats verdrong, zodat Idumea (‹=Edom›) ten westen van de zuidelijke helft van de Dode Zee kwam te liggen. Maar oorspronkelijk was Edom vooral het gebied ten zuiden van de Dode Zee tot aan de Golf van Eilat met inbegrip van Sela’a, het gebied waar Esau woonde en de berg Seïr lag, op de oostelijke over van de Jordaan. De Edomieten hadden volgens 1 Esdras 4:45 meegeholpen om de Tempel van Salomo te verwoesten door die in brand te steken terwijl de Chaldeeën deze stad innamen. |
|
H5555 Sela’a-ha-Machlekot |
[‘Sela’a-ha-Machlekot’] - de betekenis van deze naam is niet zeker. Misschien betekent het ‘rots van de verdelingen’ of: ‘rots van de ontsnappingen’ (‹H5553 - ‘rots’; H4256 - ‘verdelingen’ of ‘splitsingen’; of ‘ontglippen’ misschien ‘ontsnappen; H5555 - de gecombineerde naam ‘rots van de ontsnappingen’. Deze plaats wordt wel geïdentificeerd met Petra, dat is Sel of Sela’a, bekend op zijn verborgen ligging tussen rotsformaties›). De stad Petra, zoals wij die nu kennen door de archeologische vondsten, werd later in de 4e eeuw gebouwd door de Nabateeërs, maar ongetwijfeld had Edom daarvoor haar eigen bouwwerken. |
|
H5616 Sefarviet |
Sefarvieten - 1 keer 2 Kn. 17:31 |
|
H5617 Sefarvaïm |
Sefarvaïm - 1 keer 2 Kn. 17:31 |
|
H5630 pantser |
|
|
H5639 Setur |
Setur 1x Num. 13:13 |
|
H5644 Sitri |
[‘Sithri’] - dat is ‘mijn bescherming is de HEERE’. De naam is voluit waarschijnlijk ‘Sithri-Jah’ (‹H5644›). |
|
H5677 Heber |
[‘Heber’] - dat is ‘het gebied aan de overkant’ (‹H5677›). |
|
H5698* Egla |
De Hebreeuwse vrouwelijke naam |עֶגְלָה| komt alleen voor in 2 Sm. 3:5 en in 1 Kr. 3:3 (‹Egla, de vrouw van David›). De naam betekent ‘kalf’, een vrouwelijk dier (‹H5696›). |
|
H5711 Ada |
[‘Ada’] - dat is ‘sieraad’ of: ‘schoonheid’ (‹H5711›). In Gen. 4:19 is zij de vrouw van Lamech, maar ook de vrouw van Ezau draagt deze naam (‹Gen. 36:2, 4. Zie ook Gen. 26:34, 35›) |
|
H5714* Iddo |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam ‘Iddo’ - |עִדּוֹ| (‹ʿidō - H5714›) - komt 11 keer voor in het OT, verdeeld over 10 verzen: 1 Kn. 4:14 - vader van Achinadab; 1 Kr. 6:6 - zoon van Joah; 2 Kr. 9:29 - de ziener Jedi, dat is Iddo; 2 Kr. 12:15 - Iddo, de ziener; 13:22 - Iddo, de profeet; Ezra 5:1; 6:14; Ezra 8:17 - Iddo, het hoofd; Neh. 12:4 - een priester; 16; Zach. 1:1, 7 - twee keer Iddo, de vader van de profeet Zacharia. De naam betekent ‘zijn getuige’. In 2 Kr. 9:29 valt de naam Jedi formeel gezien onder H3260. |
|
H5723 Aditaïm |
Aditaïm |
|
H5731 Eden |
Het Hebreeuwse mnl. znw. |עֵדֶן| (‹ēḏen - H5731›), Eden, dat 16 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 15 verzen, heeft als eerste betekenis ‘genot’, en vervolgens is het ook de naam van de hof van Eden (‹Gen. 2:8, 10, 15; 3:23, 24; 4:16; Jes. 51:3; Ez. 28:13; 31:9, 16, 18; 36:35; Joël 2:3›). Eden was de plaats waar men kon genieten naar Gods wil. De naam ‘Eden’ is ook de naam van een Levitische priester uit de zonen van Gerson (‹2 Kr. 29:12; 31:15›) en van een plaats in Mesopotamië (‹2 Kn. 19:12; Jes. 37:12 en Ez. 27:23›). |
|
H5761 Avvieten |
- de naam ‘Avvieten’ vinden wij alleen in Dt. 2:23, Joz. 13:3 en Joz. 18:23. De betekenis van de naam is ‘zij die in verlaten plaatsen wonen’ (‹H5761›). In Joz. 3:3 lezen wij dat de Avvieten tijdens Jozua nog in het gebied van Gaza woonden. Als dat inderdaad zo was, dan zouden de Avvieten dus pas later door de Kaftorieten zijn uitgeroeid en spreekt Deuteronomium in Dt. 2:23 over wat nog zou gebeuren. –Sommige menen een verband te zien met de plaats Avva in Babel genoemd in 2 Kn. 17:24. De Avvieten zouden daarheen zijn getrokken, toen zij door de Kaftorieten uit Gaza werden uitgeroeid. Gezien hun afkomst uit Gaza, zouden de Babyloniërs gemeend hebben, dat ze daar wel zo ongeveer op hun plaats zouden zijn. Dat in Joz. 18:23 ook Avvieten in het gebied van Benjamin worden genoemd, betekent mogelijk dat zij in die tijd (‹deels›) naar dat gebied zouden zijn uitgeweken. |
|
H5804 Gaza |
[‘Gaza’] - oorspronkelijk luidt de naam eigenlijk ‘Ɛazza’ (‹in het Arabisch «غزّة» en de naam betekent ‘versterkte’ of: ‘sterke stad’ (‹H5804›). |
|
H5816 Uzziël |
[‘Uzziël’] - dat is ‘kracht van God’ (‹H5816›). |
|
H5818 Uzzia |
De naam Uzzia luidt voluit: ‘Uzzi-Jahoe’ (‹H5818›). De naam betekent ‘de HEERE is mijn kracht’ of: ‘de HEERE is mijn sterkte’. In de familieregisters in 1 Kr. 3 vinden we deze naam als ‘Ahazia’. In 2 Kn. 15:1-7 wordt deze koning Azarja genoemd. |
|
H5826 Azarja |
[‘Azarja’] - deze naam (‹H5838›) bestaat uit twee delen nl. (‹1›) het Hebreeuwse werkwoord voor ‘helpen’ |עָזַר| (‹ʿāzar - H5826›) en (‹2›) de Hebreeuwse verkorte naam van de HEERE (‹JᵃhWᵉH›) nl. |יָה| (‹Jᵃh›) die wij in onze vertaling weergeven als ‘HEER’ of als ‘Jah’ b.v. in de uitroep ‘Hallelu-Jah’. In het OT zijn er zo’n 22 personen met de naam Azarja en de naam behoort daarom tot de meest voorkomende namen in het OT. |
|
H5838* (Hebreeuws) H5839* (Aramees) Azar-Jah, Azar-Jahoe |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |עֲזַרְיָה| of |עֲזַרְיָהוּ| (‹ʿǎzarjāẖ - ʿǎzarjāẖū - H5838›), Azar-Jah of Azar-Jahoe, komt 48 keer voor in het OT, verdeeld over 44 verzen. De naam bestaat uit twee delen nl. (‹1›) het Hebreeuwse werkwoord voor ‘helpen’ |עָזַר| (‹ʿāzar - H5826›) en (‹2›) de Hebreeuwse verkorte naam van de HEERE (‹JᵃhWᵉH›) nl. |יָה| (‹Jᵃh - H3050›) die wij in onze vertaling weergeven als ‘HEER’ of als ‘Jah’ b.v. in de uitroep ‘Hallelu-Jah’. De betekenis van de naam is ‘die de HEER helpt’, d.w.z. die door de HEER geholpen wordt. In het OT zijn er zo’n 21 personen met de naam Azar-Jah en de naam behoort daarom tot de meest voorkomende namen in het OT. In 2 Kn. 15:1-7 gaat het over Azar-Jah, de koning van Juda, die in 2 Kr.26:1-15 koning Uzzia, voluit Uzzia-Jahoe, wordt genoemd, en die 52 jr. regeerde in Jeruzalem. 1. een zoon van Zadok, die hogepriester was gedurende de regering van Salomo (1 Kn. 4:2). 2. een zoon van Natan, een dienaar onder koning Salomo (1 Kn. 4:5). 3. een zoon van Amazia, koning van Juda, genaamd Azar-Jah in 2 Kn. 15:6 en Uzzia in 2 Kn. 15:13 (2 Kn. 14:21; 15:1, 6, 7, 8, 17, 23, 27; 1 Kr. 3:12), 4. een achterkleinzoon van Juda en Tamar, de zoon van Etan (1 Kr. 2:8). 5. een kleinzoon van Obed en zoon van Jehu (1 Kr. 2:38). 6. een zoon van hogepriester Achimaäz tijdens de regering van Rehabeam (1 Kr. 5:35). 7. een zoon van priester Johanan die dienst deed in de Tempel van Salomo (1 Kr. 5:36, 37). 8. een zoon van priester Hilkia (1 Kr. 5:39, 40; 9:11). 9. een Kehatiet in de tijd van David, een zoon van Zefanja (1 Kr. 6:21) 10. een zoon van Oded (2 Kr. 15:1). 11. twee zonen van Josafat nl. Azar-Jah en Azar-Jahoe (2 Kr. 21:2). 12. mogelijk als een andere naam van Ahazia, de koning van Juda (2 Kr. 22:6). 13. een overste over honderd, een zoon van Jehoram, die zich aansloot bij de hogepriester Jehojada (2 Kr. 23:1). 14. een overste over honderd, een zoon van Obed, die zich aansloot bij de hogepriester Jehojada (2 Kr. 23:1). 15. Azar-Jah, een hogepriester tijdens de regering van koning Uzzia (2 Kr. 26:17, 20). 16. een zoon van een Johanan tijdens de regering van koning Achaz, een hoofd van de zonen van Efraïm (2 Kr. 28:12). 17. een zoon van Jehaleël, een Merariet, tijdens de regering van koning Hizkia (2 Kr. 29:12) 18. een hoofdpriester tijdens de regering van koning Hizkia (2 Kr. 31:10, 13). 19. een zoon van de priester Hilkia (Ezra 7:1). 20. een zoon van Merajot (Ezra 7:3). 21. een zoon van Maäseja, een Leviet, die met Zerubbabel mee terugkwam uit de ballingschap in Babel (Neh. 3:23, 24; 7:7; 8:7; 10:3; 12:33 - onder voorbehoud, want wij durven niet met zekerheid zeggen dat het in alle gevallen Azar-Jah, de zoon van Maäseja betreft) 22. een zoon van Hosaja, één van de mannen die zich tegen Jeremia keerden (Jeremia 43:2). 23. Azar-Jah, één van de drie vrienden van Daniël, die door de Nebukadnezar Abed-Nego werd genoemd (Dan. 1:7, 11, 19; 2:17 (H5839) |
|
H5854 Bet-Joab |
Bet-Joab - 1x 1 Kr. 2:54 |עַטְרוֹת בֵּית יוֹאָב| ‘de kronen van het huis van Joab’ |
|
H5857 Bet-EL |
[‘Bet-El’] - deze naam betekent ‘huis van God’ (‹H1008›). [‘Ai’] - deze naam betekent ‘puinhoop’ of ‘ruïne’ (‹H5857›). |
|
H5867 Kedor-Laomer |
[‘Kedor-Laomer’] - deze naam betekent mogelijk ‘een handvol schoven’ (‹H3540›). — [‘Elam’] - het gebied in het zuidwesten van het huidige Iran langs de Perzische Golf. De naam houdt waarschijnlijk verband met ‘eeuwigheid’ (‹H5867›). |
|
H5875 En-ha-Qore |
En-ha-Qore |
|
H5880 En-Mispat |
[‘En-Mispat’] - dat is ‘bron van het oordeel’ (‹H5880›). |
|
H5891 Efa |
[‘Efa’] - (‹H5891›). [‘Efer’] - (‹H6081›). [‘Henoch’] - zie de noot bij Gen. 4:17. [‘Abida’] - (‹H28›) [‘Eldaä’] - (‹H420›). [‘Scheba’] - dat is ‘zeven’ of: ‘eed’ (‹H7614›). [‘Dedan’] - de betekenis van de naam is onduidelijk (‹H1719›). [‘Aschurieten’] - de naam ‘Aschur’ betekent ‘een stap’ of: ‘een trede’. Anderen menen dat de naam ‘vlakte’ betekent (‹H805›). Zie de noot bij 2 Sm. 2:9. [‘Letusieten’] - dat is ‘bewerkt met de hamer’ of: ‘scherp gemaakt’ (‹H3912›). [‘Leümmieten’] - dat is ‘volken’ (‹H3817›). [‘Zimran’] - men herleid de naam wel tot drie Hebreeuwse werkwoordsvormen en komt zo tot drie mogelijke betekenissen nl. (‹1›) muzikant, (‹2›) snoeier (‹van bomen›) en (‹3›) man van het bergschaap (‹H2175›). [‘Joksan’] - dat is ‘iemand die strikken legt’ of: ‘een vogelvanger’ (‹H3370›). [‘Medan’] - dat is ‘strijd’ of: ‘twist’ of: ‘onenigheid’ (‹H4091›). [‘Midian’] - dat is ook ‘strijd’ of: ‘twist’ of: ‘onenigheid’ (‹H4080›). [‘Jisbak’] - dat is ‘hij laat achter’ of: ‘hij laat los’ (‹H3435›). [‘Suah’] - de meningen lopen uiteen: vollgens Gesenius ‘put’ (‹H7744›), volgens anderen ‘edel’ en weer anderen ‘uitroep’ of: ‘weelde’ . [‘Nabajoth’] - (‹H5032›). [‘Kedar’] - (‹H6938›). [‘Adbeël’] - (‹H110›). [‘Mibsam’] - (‹H4017›). [‘Misma’] - dat is ‘het gehoorde’ of: ‘verslag’ (‹H4927›). [‘Duma’] - dat is ‘stilte’ of: ‘plaats van stilte’ (‹H1746›). [‘Massa’] - dat is ‘het drage’ of: ‘de (‹draag›)last (‹H4854›). [‘Hadar’] - dat is ‘sieraad’ of: ‘kamerling’ (‹H2316›). [‘Tema’] - ‘woestijn’ of: ‘wildernis’ (‹H8485›), een gebied in het noorden van het Arabische scheireiland. [‘Jetur’] - dat is ‘omheining’ (‹H3195›). [‘Nafis’] - dat is ‘verfrissing’ of: ‘verkwikking’ (‹H5305›) [‘Kedma] - dat is ‘oostwaarts’ (‹H6929›). [‘Havila’] - er zijn verschillende opvattingen over de betekenis van deze naam: (‹1›) ‘cirkel’, (‹2›) ‘voortbrengen, baren met beven’ en ‘slaperig dorpje’ of: ‘krachteloze openbaring’ (‹H2341›). [‘Sur’] - dat is ‘muur’ (‹H7793›). [‘Paddan-Aram’] - dat is de vruchtbare vlakte van Aram (‹H6307›). [‘Pallu’] - ‘een aanzienlijk man’ of: ‘een man van aanzien’ (‹H6396›). [‘Hezron’] - ‘de ommuurde’ (‹H2696›). [‘Karmi’] - ‘mijn wijngaard’ of: ‘mijn wijngaardenier’ (‹Gesenius›) (‹H3756›). |
|
H5897 Iras |
[‘Irad’] - de naam ‘Irad’ (‹H5897›) is ve |
|
H5911 |
De mnl. Hebreeuwse naam ‘Achor’ (‹ahor - H5911›)komt 5 keer in het OT voor nl. in Joz. 7:24, 26; 15:7; Jes. 65:10 en Hosea 2:15. De naam ‘Achar’ (‹H5917›) komt slechts 1 keer in het OT voor nl. in 1 Kr. 2:7 als een andere naam voor Achan, mogelijk door een verschrijving. Niettemin komt zo ook de verbinding van deze man in zicht met het dal van Achor. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |עָכַר| (‹ʿāḵar - H5916›). |
|
H5917 Achar |
Zie H5910. |
|
H5991 Ammichur |
[‘Ammichur’] - zie H5991. |
|
H6019 Amran |
[‘Amram’] - dat is ‘verheven volk’ of: ‘volk van de Verhevene’ (‹H6019›). |
|
H6063 Aner |
[‘Aner’] - de betekenis van de naam is niet zeker, misschien ‘jongen’ of: ‘jongeman’ (‹H6063›). |
|
H6067 Anat |
Anat 2x. Ri. 3:31 en Ri. 5:6 |
|
H6076, H6077 |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |עֹפֶל|, ‘Ofel’ (‹ofel - H6077›) betekent ‘heuvel’. Als het gaat om de heuvel waarop de stad van David is gebouwd, dan staat er in de Bijbeltekst ‘Ofelheuvel’, ook al is dat dubbelop. Wij gebruiken deze uitdrukking alleen voor de heuvel waarop de stad van David met het koninklijke paleis was gebouwd, terwijl wij in alle andere gevallen gewoon vertalen met ‘heuvel’. De ‘Ofel’ is tot een eigennaam geworden voor de heuvel van de stad van David die ten zuiden van de Tempelberg ligt en lager gelegen is dan de Tempel. De koningen van Israël moesten vanaf die heuvel altijd omhoog lopen naar de Tempel. De benaming ‘Ofelheuvel’ komt 6 keer in het OT voor nl. in 2 Kr. 27:3, 2 Kr. 33:14; Neh. 3:26, 27; Neh. 11:21 en Jes. 32:14. Verder komt het woord nog in 8 verzen voor onder Strongnr. H6076 en is in die gevallen vertaald als ‘gezwellen’ (‹de eerste betekenis ‘heuvel’ wordt overdrachtelijk gebruikt en de Masoreten voorzien het woord van de Qere |טְחֹרִים| - tᵉḥōrīm›) in Dt. 28:27, 1 Sm. 5:6, 9, 12; 6:4, 5 en als ‘heuvelrug’ in 2 Kn. 5:24 en als ‘heuvel’ in Mi. 4:8. |
|
H6119 |
[‘hiel’] - in het Hebreeuws is er een woordspeling tussen het Hebreeuwse woord voor ‘hiel’ (‹|עָקֵב| - ʿaqeḇ - H6119›) en de naam Jakob (‹|יַעֲקֹב| - Yaʿaqoḇ - H3290›), die men heel letterlijk kan weergeven met ‘hielhouder’, maar in gewoon Nederlands zeggen wij: ‘hielenlichter’, omdat Jakob bij de geboorte de hiel van zijn broer Ezau vasthield. Hierin schuilt ook het idee van verraderlijkheid omdat een aanval op de hiel van achteren komt. |
|
H6134* Eker |
Het Hebreeuwse mnl. znw. |עֵקֶר| (‹ʿēqer - H6133›) komt in het OT alleen voor in Lev. 25:47 en het betekent ‘telg’ of ‘spruit’ of ‘nazaat’. In 1 Kr. 2:27 is komt het voor als de eigennaam van een zoon van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël: Eker, onder H6134. |
|
H6138, H6139 Ekron H6131 ww. |
[‘Ekronieten’] - een inwoner van de stad Ekron (‹H6139›). De Hebreeuwse naam is afgeleid van de naam van de stad |עֶקְרוֹן| (‹ʿeqrōn - H6138›) die 22 keer in het OT voorkomt, verspreid over 22 verzen. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |עָקַר| (‹ʿāqar - H6131›) dat ‘ontwortelen’ of ‘uitrukken’ betekent. De Niphal van het werkwoord vinden wij in Zef. 2:4 met als betekenis ‘ontworteld worden’. De Piël van het werkwoord komen wij tegen in Joz. 12:6, 9, 2 Sm. 8:4, 1 Kr. 18:4 en staat voor het doorsnijden van de pezen van de paarden. De betekenis van de naam ‘Ekron’ is bijgevolg ‘uitroeiing’ of ‘verdelging’ of. ‘ontworteling’. Het is één van de vijf noordelijke steden van de Filistijnen. De stad werd bij de inname van het land onder Jozua eerst toegewezen aan de stam Juda (‹zie Joz. 15:45›) en later aan de Danieten (‹zie Joz. 19:43›). |
|
H6164 Arbatiet |
Arbatiet 2 x |
|
H6215 |
[‘Ezau’] - deze naam (‹H6215›) betekent ‘rossig’ of: ‘ruig’. De naam kan worden gezien als een aanduiding van zijn wilde en zinnelijke karakter. Anderen zien het meer als een teken van mannelijkheid en volgens Vredenburg zou de naam de betekenis hebben van ‘een erg ontwikkeld persoon’, omdat het haar werd beschouwd als een mantel, die een man waardigheid geeft. |
|
H6230 Esek |
[‘Esek’] - dat is ‘twist’ of: ‘onenigheid’ (‹H6230›). |
|
H6255 Asterot-Karnaïm |
[‘Asterot-Karnaïm’] - voor de betekenis van deze plaatsnaam (‹H6255›) zie de noot bij Dt. 1:4, waar deze plaatsnaam verkort voorkomt als Astharoth (‹H6252›). Alleen in dit vers in het OT komt deze tweedelige-naam voor, elders alleen ‘Asteroth’. |
|
H6271 Atalja |
Atalja - ‘Atal-Jah’ d.w.z. ‘die de HEERE leed aandoet’ of: ‘die de HEERE kwetst’ |עֲתַלְיָהוּ| (‹H6271›). Volgens het BDB Theological Dictionary zou de naam herleidbaar zijn tot de Assyrische taalkundige wortel |עתל| die de betekenis ‘verheven zijn’ of: ‘verheven worden’ heeft. Alfred Jones in zijn Dictionary of Old Testament Names meent dat de betekenis herleidbaar is tot een Arabische taalkundige wortel die betekent ‘gewelddadig handelen’ en hij komt tot de betekenis ‘van de HEERE afgenomen’. Het bekende Arabische woordenboek van H. Wehr geeft een afgeleide vorm van het werkwoord nl. |||مُعَطِّل||| met als betekenis ‘one who denies God all attributes’, wat toch wel opmerkelijk is gezien het karakter van Atalja. De mannelijke variant van deze naam nl. ‘Atalja’ vinden we terug in 1 Kr. 8:26 en Ezra 8:7. De naam komt 17 keer in het OT voor, verdeeld over 17 verzen. |
|
H6278 Et-Kazin |
Et-Kazin Joz. 19:13 |
|
H6317 Putiël |
[‘Putiël’] - dat is ‘door God gekweld’ of: ‘door God bedroefd’ (‹H6317›). |
|
H6367 Pi-Hachirot |
Pi-Hachirot |
|
H6369 Pichol |
[‘Pichol’] - dat is ‘mond van allen’, d.w.z. de man met zeggenschap over al de manschappen, de opperbevelhebber (‹H6369›). |
|
H6372 Pinehas |
H6372 [‘Pinehas’] - dat is ‘mond van koper’ (‹H6372›). |
|
H6373* Pison |
De Hebreeuwse eigennaam |פִּישׁוֹן| ‘Pison’, betekent ‘overvloeiend’, ‘overstromend’ of ‘die (‹water›) uitstort’ (‹H6373›). De naam Pison komt in de Bijbel alleen voor in Gen. 2:11. De beroemde Romeinse geschiedschrijver Plinius dacht dat het de rivier de Ganges was, anderen menen de rivier de Indus, maar als Havila het zuiden van het Arabische schiereiland zou zijn (‹zie Havila - H2341›), dan moet het een rivier zijn geweest om dat gebied heen. |
|
|
|
|
H6389 Peleg |
[‘Peleg’] - dat is ‘splitsing’ of: ‘verdeling’ (‹H6389›). |
|
H6396 Pallu |
H6396 [‘Pallu’] - dat is ‘voornaam’ of: ‘aanzienlijk’ (‹H6396›). |
|
H6410 Pelat-Jah |
[‘Pelat-Jah’] - de mannelijke Hebreeuwse naam |פְּלַטְיָה| (‹plaṯjāẖ - H6410›) komt 5 keer in het OT voor, verdeeld over 5 verzen. De naam betekent: ‘die de HEER doet ontkomen’, anders gezegd ‘degene die door de HEER gered wordt’. |
|
H6429 Filisjet |
De Hebreeuwse naam |פְּלֶשֶׁת| (‹pēlēšeṯ - H6429›) klinkt als ‘Pelesjet’ en komt 8 keer in het OT voor, verdeeld over 8 verzen: Ex. 15:14, Ps. 60:10, Ps. 83:8; Ps. 87:4; Ps. 108:10; Jes. 14:29, 31; Joël 4:4. De inwoners van dit land zijn de Filistijnen (‹zie H6430 bij Gen. 10:14›). Het gaat om het gebied van de huidige Gazastrook, dat pas veel later door de Romeinse geschiedschrijver Josephus als Palestina werd aangeduid. Anderen gebruiken de naam Palestina voor heel het gebied van Israël, maar het is een opgelegde naam. In bronnen uit het Midden-Oosten komt de naam ‘Palestina’ en de naam ‘Palestijnen’ niet voor tot in de 19e eeuw, aldus sommige deskundigen. |
|
H6430 Filistijn(en) |
De Filistijnen hebben in de Bijbel als hun Hebreeuwse naam |פְּלִשְׁתִּי| (‹plišṯī - plišṯīm - H6430›). De naam komt 289 keer in het OT voor, verdeeld over 244 verzen en wordt in de tekst geschreven met een ‘f’, dus ‘Filistijn’ en ‘Filistijnen’, maar de ‘f’ wordt in de uitsprak verhard toot een ‘p’ omdat de letter met een dagesh wordt geschreven, dus zegt men: ‘Pelestim’. Deze naam betekent ‘vreemdeling’ of ‘zwerver’ volgens Gesenius. De naam van het land schrijven wij als Filisjet, in het Hebreeuws als |פְּלֶשֶׁת| (‹pēlēšeṯ - H6429 - zie de noot bij Ex. 15:14›). –De verzachting van de ‘p’ naar een ‘f’ is een lange traditie in Nederlandse Bijbelvertalingen. Als wij de ‘p’ gehandhaafd zouden hebben, dan zou meteen duidelijk zijn dat de klank van de naam veel gemeenschappelijks heeft met de naam van de ‘Palestijnen’ in deze dagen. Wel een opmerking daarbij, want hoewel de eerste letter van de naam in het Hebreeuws als een ‘p’ klinkt, klinkt die in het Arabisch als een ‘f’ en zegt men in het Arabisch ‘Falastiniyyin’. –Uit Gen. 10:14 blijkt in ieder geval duidelijk dat de Filistijnen nakomelingen zijn van Mitsraïm (‹Egypte›) en wel van de Kasluchieten. De Filistijnen woonden aanvankelijk in Gerar (‹zie ook Gen. 21:31 waar wij lezen dat Abraham daar als vreemdeling verbleef, hij was dus beslist geen Filistijn›), later genoemd Filisjet, d.w.z. Filistea, waarvan het tegenwoordige Gaza slechts een deel is. |
|
H6431 Pelet |
Pelet 2 x in resp Num. 16:1 en 1 Kr. 2:33 |
|
H6439 Pniël |
[‘Pniël’] - dat is ‘Gods gezicht’ of: ‘Gods aangezicht’ (‹H6439›). |
|
H6465 Peor |
[‘Peor’] - de naam |פְּעוֹר| (‹Peʿōr - H6465›) komt 5 keer voor in het OT, verdeeld over 4 verzen: Num. 23:28, 25:18, 31:16 en Joz. 22:17. De naam betekent ‘diepte’ of ‘kloof’ en heeft betrekking op de plaats, waarop Kamos, de god van de Moabieten, werd aanbeden. Kamos was dus de ‘heer van de kloof’, dat is Baäl-Peor. Gewoonlijk ziet men in Peor een berg, maar de betekenis van het woord zet daar een vraagteken bij. Was het misschien een kloof of diepte tussen bergen in, een ravijn, waar ment vanuit de tempel ‘Bet-Peor’ op uitkeek? In de verering van Kamos dienden vrouwen als prostitués. Israël was gelegerd aan de voet van deze berg (‹Num. 23:28›). De naam komt in de Bijbel alleen voor in samenhang met deze plaats en gebeurtenis. [‘op’] - letterlijk: ‘op de gezichten van’. |
|
H6492* Remal-Jahoe |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |רְמַלְיָהוּ| (‹rᵉmalyāẖū - H7425›), Remal-Jahoe, komt 13 keer voor in het OT: 2 Kn. 15:25, 27, 30, 32, 37; 16:1, 5; 2 Kr. 28:6; Jes. 7:1, 4, 5, 9; 8:6. De betekenis van de naam is volgens Gesenius ‘die door de HEER is getooid’, maar net als sommige andere suggesties over de betekenis van deze naam, lijken ze geen van alle werkelijk onderbouwd te kunnen worden en wij moeten concluderen dat de betekenis van de naam in feite onbekend is. Remal-Jahoe is de koning over het noordelijke 10-stammenrijk van Israël die een verbond aangaat met Rezin van Aram om Jeruzalem aan te vallen. Wij lezen in 2 Kn. 15:27 dat Remal-Jahoe de vader van Pekah is, die na hem koning zou worden. |
|
H6554* Parpar |
De Hebreeuwse eigennaam |פַּרְפַּר| (‹parpar - H6554›), ‘Parpar’, houdt vermoedelijk verband met ‘snel’ (‹Gesenius›) en ‘vlug’, want de rivier schiet met grote vaart vanaf het gebergte al kronkelende het landschap in. Het Arabische werkwoord |||فَرْفَرَ||| (‹farfara›) betekent ‘schudden’ of ‘trillen’, maar ook ‘kronkelen’ of ‘stuiptrekken’. De rivier de Parpar is kronkelig. De rivier de Parpar is kronkelig en heet tegenwoordig ook El-Awaj, dat is ‘de kronkelige’. |
|
H6557 Perez |
[‘Perez’] - de Hebreeuwse naam |פֶּרֶץ| komt 15 keer in het NT voor, verdeeld over 13 verzen. De betekenis van de naam is ‘doorbraak’ (‹H6557›). Omdat de naam Perez, en niet die van Zerah, onderdeel is van de stamboom van Jezus Christus in Matteüs 1:1-17, zien velen een gelijkenis met de geboorte van de tweeling Jakob en Ezau, want Jakob greep Ezau bij de hiel bij de geboorte en ook bij hen vond er een verwisseling plaats van het eerstegeboorterecht: bij Perez en Zerah tijdens de geboorte, bij Jakob en Ezau doordat Ezau zijn eerstgeboorterecht verachtte en het aan zijn broer Jakob verkocht. Zo werden zowel Jakob als Perez opgenomen in de geboortelijn van Christus. Dit is terug te vinden in de woorden van de profeet Micha in Micha 2:12, 13. |
|
H6560 Perez-Uzza |
[‘Perez-Uzza’] - dat is ‘breuk van Uzza’ of misschien ‘de aanslag op Uzza’ (‹H6560›). |
|
H6578 Eufraat |
[‘Eufraat’] - dit is één van de weinige namen die we echt anders schrijven dan de Statenvertaling, die deze naam weergeeft als ‘Frath’. De naam ‘Eufraat’ is een Griekse weergave van de oorspronkelijke Hebreeuwse naam ‘Frat’, die ‘vruchtbaar’ of: ‘vruchtbaarmakend’ betekent (‹H6578›). De Griekse toevoeging ‘eu’ staat voor ‘goed’, dus een ‘goede vruchtbare of vruchtbaarmakende rivier’. Anderen menen dat de naam betekent: ‘een goed overvloeiende of overstromende rivier’, een naam die dan zou samenhangen met de gunstige invloed van de overvloeiende wateren op de landbouwgronden langs de oevers. |
|
H6583 Pashur |
[‘Pashur’] - dat is ‘welzijn’ (‹Gesenius›) of miss |
|
H6602 Petuël |
[‘Petuël’] - d.w.z. ‘de openhartigheid van de HEERE’ of: ‘de rechtschapenheid van de HEERE’ (‹H6602›). De naam komt alleen voor in Joël 1:1.. |
|
H6619 Pitom |
[‘Pitom’] - letterlijk zou dit betekenen ‘nauwe door bergen omgeven plaats’ (‹H6619›). Een andere interpretatie van de naam is ‘huis van Tum’, waarbij Tum de Egyptische zonnegod is. De naam ‘Tum’ zou een relatie hebben met volmaakt zijn. De naam Pitom zou dan ‘huis van de volmaakte’ of: ‘volmaakt huis’ kunnen betekenen. |
|
H6636 Zeboïm |
[‘Zeboïm’] - dat is ‘gazelles’ of: ‘hyena’s’ (‹Gesenius›) - zie ook Hos. 11:8 (‹H6636›). De betekenis van ‘hyena’s’ is twijfelachtig omdat, als deze dieren ooit al in de Bijbel voorkomen, dat in Jes. 13:22, 34:14 en Jer. 50:39 moet zijn en daar is het een heel ander woord. Eerder betekent het ‘gazelles’ of: ‘schoonheden’ of zelfs ‘bulten’. Nog een andere opvatting is dat het woord ‘garnizoensstad’ betekent (‹Jones' Dictionary of Old Testament Proper Names›). |
|
H6645 Zibja |
[‘Zibja’] - de naam ‘Zibja’ vinden wij alleen in 2 Kn. 12:2 en in het parallelvers in 2 Kr. 24:1. De vrouwelijke naam |צִבְיָה| betekent ‘gazelle’ (‹ṣiḇyāẖ - H6645›). |
|
H6648 |
zie H6649 |
|
H6649 Zibeon |
[‘Zibeon] - de naam |צִבְעוֹן| (‹ṣiḇʿōn - H6649 - צִבְעוֹן›) komt 8 keer in het OT voor, verdeeld over 7 verzen. In Ri. 5:30 komt de naam drie keer niet als naam voor, maar als een bijv. nmw. met de betekenis ‘veelkleurig’ of ‘kleurig’ onder H6648. Dat vers in Richteren is het enige in heel het OT waar dat woord voorkomt en dat is dan gelijk de betekenis van de naam. Zibeon is volgens Gen. 36:24 de vader van Aja en Ana. Ana ontdekte de warmwaterbronnen toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde. We zien dus drie generaties nl. (1) Zibeon, (2) Ana, (3) Aholibama, zodat Aholibama de kleindochter van Zibeon is. Daarom hebben wij voor de duidelijkheid ‘klein’ aan het Nederlands woord ‘dochter’ toegevoegd. |
|
H6636 |
[‘Zeboïm’] - het Hebreeuwse woord |צְבֹאיִם| (‹ṣbōʾyim - H6636›) betekent ‘gazelles’ of: ‘hyena’s’. Zie ook Hos. 11:8 (‹H6636›). De betekenis van ‘hyena’s’ is twijfelachtig omdat als deze dieren in de Bijbel voorkomen, dat wel moet zijn in Jes. 13:22, 34:14 en Jer. 50:39, terwijl daar sprake is van een heel ander woord. Eerder betekent het ‘gazelles’ of: ‘schoonheden’ of zelfs ‘bulten’. |
|
H6714 Zohar |
[‘Zohar’] - dat is volgens Gesenius ‘witheid’, maar anderen denken aan ‘geelbruin’ (‹H6714›). |
|
H6741 Zilla |
[‘Zilla’] - dat is ‘schaduw’ (‹H6741›). |
|
H6811 Zaïr |
[‘Zaïr’] - een ons onbekende plaats in het land Moab. De naam ‘Zaïr’ betekent ‘klein’ (‹H6811›). Deze stad is in ieder geval niet Zoar zoals sommigen hebben gesuggereerd, omdat die plaats in Moab ligt, en ook Seïr is vrijwel uitgesloten. De stadsnaam ‘Zaïr’ komt alleen in 2 Kn. 8:21 voor in het OT. |
|
H6820 Zoar |
[‘Zoar’] - de betekenis van de naam |צֹעַר| is: ‘geringe’ of: ‘kleine’ (‹ṣoʿar - H6820›). De naam komt 10 keer in het OT voor, verspreid over 9 verzen. Het plaatsje lag dus niet ver van Sodom en Gomorra, waarvan wij lezen dat deze plaatsen in de Jordaanstreek lagen. De vraag is alleen: lagen Sodom, Gomorra en Zoar in de Jordaanstreek ten zuiden van de Dode Zee of aan de noordzijde ervan waar de Jordaan de Dode Zee instroomt. De meningen hierover verschillen incl. de meningen van archeologen en andere onderzoekers. Op grond van Dt. 34:3, Jes. 15:5 en Jes. 48:34 is er het meeste voor te zeggen dat de plaats aan de noordzijde van de Dode Zee lag en hoogstwaarschijnlijk aan de oostelijke kant van de Jordaan, want er is geen aanwijzing uit de Bijbel dat Sodom en Gomorra in het beloofde land, binnen het land Kanäan In Gen 14:10 lezen wij dat de vallei van Siddim onderdeel van het gebied uitmaakte en dat er veel teerputten of asfaltputten waren. |
|
H6846 Zefanja |
[‘Zefanja’] - d.w.z. ‘die de HEER verborgen heeft’ (‹H6846›). |
|
H6847 Zafnat-Paäneah |
[‘Zafnat-Paäneah’] - in de oude Koptische taal van Egypte zou dit ‘wereldredder’ betekenen als we afgaan op de weergave van deze naam (‹H6847›) in de Septuaginta. De geschiedschrijver Flavius Josephus meent, afgaand op de ‘Hebreeuwse’ klank van de naam, dat deze naam betekent: ‘onthuller van geheimen’ of: ‘de man aan wie geheimen worden onthuld’. Ook in de Peshitta van het OT wordt de naam zo opgevat. |
|
H6855 Zippora |
[‘Zippora’] - de Hebreeuwse naam |צִפֹּרָה| (‹ṣipporāẖ - H6855›) betekent ‘vogel’ of ‘vogeltje’ en deze Hebreeuwse naam komt slechts 3 keer in het OT voor nl. in Ex. 2:21; 4:25; 18:2. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |צָפַר| (‹ṣāfar - H6852›), dat volgens Gesenius als eerste betekenis ‘cirkelen’ heeft of ‘rondjes draaien’ of ‘omkeren’ of ‘in het rond dansen’ of ‘dansen in een kring’, terwijl het Arabische zusje ‘fluiten’ of ‘tsjilpen’ als eerste betekenis heeft. Dit werkwoord komt in het OT alleen voor in Ri. 7:3, waar het betrekking heeft op het vertrek van de mannen uit het gebergte Gilead of Gilboa. Bij het afdalen van de bergen liep men vast in cirkelend bewegingen en langs kronkelige bergweggetjes. De meningen over de betekenis van dit woord lopen overigens uiteen. Voor |צִפּוֹר| (‹ṣifōr›), de mannelijke variant van dit woord, zie H6833. |
|
H6859 Zefata |
Zefata 1x 2 Kr. 14:9 |
|
H6868 Zeredata |
Zeredata |
|
H6882 Zoraïet, Zoriet |
Zoraïeten en Zorieten 3x in 3 verzen |
|
H6886 |
[‘Sarfat’] - of: ‘Zarfath’. De naam vinden we in 1 Kn. 17:9, 10 en Ob. 1:20 (‹H6886›) en in Lk. 4:26 (‹G4558›). De betekenis van het woord is: ‘smeltoven’, een plaats waar metalen gelouterd worden. Er is ongetwijfeld ook een relatie met het woord ‘serafs’, dat staat voor vurige engelen. |
|
H6891 |
Zarthan |
|
H6914 |
[‘Kibrot-ha-Taäva’] - dat betekent ‘graven van begeerte’ of: ‘graven van lust’ (‹H6914›). 5 x verdeeld over 5 verzen |
|
H6932 |
Kedemot |
|
H6935 |
[‘de Kadmoniet[(en)]’] - zIe de Hebreeuwse Namenlijst onder H6935. |
|
H6939* Kidron |
De naam ‘Kidron’, |קִדְרוֹן| (‹qidrōn - H6939›) betekent ‘donker’ of ‘duister’, maar het woord wordt ook wel opgevat als ‘troebel’ met betrekking tot water. Het is de naam van de beek Kidron die 9 keer in het OT voorkomt en 1 keer in het NT: 2 Sm. 15:23; 1 Kn. 2:37; 15:13; 23:4, 6, 12; 15:16; 29:16; 30:14; Jer. 31:40; Jh. 18:1. De beek stroomt door het Kidrondal dat ten oosten van de Tempelberg en dat de scheiding vormt tussen de Tempelberg en 90 meter hogere Olijfberg die aan de oostzijde van het Kidrondal ligt De naam Kidron is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |קָדַר| (‹qādar - H6937›) dat ‘donker zijn’, ‘troebel zijn’, ‘zwart zijn’ of ‘in rouw gedompeld zijn’ kan betekenen en dat in 17 verzen in het OT voorkomt o.a. in Job 6:16. |
|
H6946 |
[‘Kades’] - dat is ‘heilig’. Maar ook een ‘sodomiet’, iemand die zijn lichaam aanbiedt als onderdeel van afgoderij. Voluit ‘Kadesh-Barnea’. |
|
H6955 |
[‘Kehat’] - dat is ‘bijeenkomst’ of: ‘vergadering’ (‹H6955› |
|
H6989 |
[‘Ketura’] - de naam betekent ‘wierook’ (‹H6989›). |
|
H7005 |
Kattat |
|
H7014 |
[‘Abel en Kaïn’] - de naam ‘Kaïn’ (‹H7014›) betekent waarschijnlijk ‘bezitting’. In de koran staan de namen als ‘Habil’ en Qabil’, waarbij de naam ‘Qabil’ duidelijk foutief is weergegeven, want in de Arabische Bijbel is die ‘Qayin’. |
|
H7017 |
[‘de Keniet[(en)]’] - het betreft hier kennelijk een Kanaänitisch volk dat al in de tijd van Abraham in Kanaän woonde en o.i. dus niet gelijkgesteld kan worden met de Keniet waarvan sprake is in Num. 1:16, nl. een nakomeling van Midian, één van Abrahams zonen die hij verwekt had bij zijn tweede bijvrouw Ketura (‹Gen. 25:2›), die Rehuël verwekte, die weer Hobab verwekte, die tenslotte ‘Ken’ verwekte (‹precieze naam niet vermeld›) en zijn zonen de Kenieten. Lees de uitgebreide toelichting bij Ex. 2:18. ZIe ook de Hebreeuwse Namenlijst onder H7017. |
|
H7018 |
[‘Kenan’] - deze naam betekent mogelijk ‘bezitting’ of: ‘eigendom’ (‹H7018›). Het verwante Hebreeuwse woord betekent ‘nest’ of: ‘woning’ (‹H7064›). |
|
H7025 |
[‘Kir-Hareseth’] - de naam betekent waarschijnlijk ‘muur van potscherven’ (‹H7025›). Het is mogelijk dezelfde stad die in Jes. 16:7,11 en in Jer. 48:31, 36 Kir-Hares wordt genoemd en in Jes. 15:1 wordt aangeduid als ‘de muur van Moab’. De stad bestaat nog steeds in Jordanië ruim 120 km ten zuiden van Amman onder de naam Kerak of Al-Karak en wordt gekenmerkt door een burcht omringd door een diepe vallei die westwaarts doorloopt en uitmondt in de Dode Zee. De burcht werd door de kruisvaarders gebouwd. |
|
H7074 |
[‘de Keniziet[(en)]’] - zIe de Hebreeuwse Namenlijst onder H7074. |
|
H7134 |
Kareach 14 x - Johanan, de zoon van Kareach |
|
H7141 |
[‘Korach’] - dat is ‘ijs’ en in dichterlijk taal kan het volgens Gesenius ‘hagel’ betekenen. Anderen herleiden het tot een andere Hebreeuwse grammaticale wortel en komen uit op ‘kaalheid’ (‹H7141›). |
|
H7153 |
[‘Kirjath-Arba’] - d.w.z. ‘stad van vier’ en in Gen. 35:27 ‘stad van de vier’ (‹H7153›). Men denkt hierbij wel aan de aanwezigheid van 4 Enakieten (‹Vredenburg›), dan wel aan het bestaan van 4 stadsdistricten. |
|
H7156 |
[‘Kirjathaïm’] - dat is ‘twee steden’ (‹H7156›) . Zie ook Num. 32:37, Joz. 13:19, 1 Kr. 6:76 en Jer. 48:1, 23. De enkelvoudige Ketiv |קריתמה| is afgeleid van het tweevoudige |קִרְיָתָיְמָה|, zoals |דֹתָן| in 2 Kn. 6:13 afgeleid is van de tweevoudige vorm |דֹתַיִן|. |
|
H7177 Karta |
Karta 1x Joz. 21:34 |
|
H7178 Kartan |
Kartan 1 x Jo. 21:32 |
|
H7192* (‹afgemeten›) hoeveelheid |
De betekenis van het Hebreeuwse vrwl. znw. |קְשִׂיטָה| (‹qᵉsīṯāẖ - H7192›) is niet helemaal zeker. Het Hebreeuwse woord komt 3 keer in het OT voor nl. in Gen. 33:19, Joz. 24:32 en in Job 42:11. In het verleden heeft men wel aan ‘schapen’ gedacht, maar die betekenis is volgens Gesenius onbewezen. In het algemeen denkt men aan een afgewogen hoeveelheid zilver of goud, een betekenis die goed aansluit bij de betekenis van het grammaticaal verwante Arabische werkwoord |||قَسَطَ ||| (‹qasata›) dat in de tweede vorm van het werkwoord betekent ‘verdelen’ of ‘in termijnen’ of ‘in delen betalen’، terwijl de vierde afgeleide vorm van het werkwoord betekent ‘rechtvaardig, juist handelen’ of ‘gelijk behandelen’. Uit Gen. 33:19 en Gen. 23:16 leidt men af dat het mogelijk een maat van vier sjekel betrof. Bochart maakt melding van Rabbi Akiba die schrijft over een munt die in latere tijden in Afrika in omloop was en die ‘kesita’ of ‘qesita’ heette. |
|
H7216 Ramot |
Ramot 4x |
|
H7245 Rabbit |
Rabbit |
|
H7247 Ribla |
[‘Ribla’] - de oude stad Ribla (‹de naam betekent ‘vruchtbare’ - H7247›) ligt zo’n 45 km ten noordoosten van Baälbek en ongeveer 20 km ten zuiden van het Meer van Homs op de oostelijke oever van de Orontes in een wijde vruchtbare vlakte. Nebukadnezar had hier zijn hoofdkwartier gevestigd voor de strijd tegen Jeruzalem. Ook Farao Necho had hier zijn kamp opgeslagen nadat hij het leger van Josia in Megiddo verslagen had (‹2 Kn. 23:29-35; 25:6, 20, 21 en Jer. 39:5; 52:10›). De stad lag op de grote karavaanroute van Israël naar Karchemish aan de Eufraat. In Num. 34:11 wordt gezegd dat het ten oosten van Ain lag. Ain betekent ‘bron’. Er is inderdaad een bron aangetroffen op zo’n 15 km bij Ribla vandaan. |
|
H7259 Rebekka |
[‘Rebekka’] - de naam (‹H7259›) heeft van doen met een touw waaraan een strik of lus zit, waarmee je iemand kan vangen (‹vgl. een lasso›). Dit zou dan verband houden met de schoonheid van Rebekka, waarmee ze wellicht Izak en haar zonen manipuleerde. |
|
H7278 Regem-Melech |
[‘Regem-Melech’] - de naam |רֶגֶם מֶלֶךְ| (‹reg̱em meleḵ - H7278›) zou volgens Gesenius ‘vriend van de koning’ betekenen. |
|
H7293* Rahab |
De mnl. eigennaam |רָהַב| (‹Rāẖaḇ - H7293›) betekent ‘trots’ of: ‘onbevreesd’ of: ‘fier’. De naam komt voor in Job 9:13; 26:12; Ps. 87:4; 89:11; Jes. 30:7; 51:9. |
|
H7327 Ruth |
[‘Ruth’] - de naam betekent misschien ‘naaste’ (‹H7327›), samenhangend met de betekenis van het Hebreeuwse vrouwelijke zelfst. nmw. |רְעוּת| (‹H7468›), dat 6 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 6 verzen. Het betekent ‘naaste’ en het is enkele keren onderdeel van de uitdrukking ‘iedere vrouw haar naaste’, met als mannelijk variant ‘iedere man zijn naaste’ (‹zie Ex. 11:2›), maar enkele keren lezen wij in het Nederlands ‘elkaar’ of ‘zich’ b.v. in Jes. 34:15, 16 en Jer. 9:20 en Zach. 11:9. In Esther 1:19 is de toekomstige koningin Esther de naaste van de voorgaande koningin Vashti. De vraag is of dit werkelijk de betekenis van de naam ‘Ruth’ is, die 12 keer in het OT voorkomt, alleen in het boek Ruth, verdeeld over 12 verzen, want de Hebreeuwse spelling van de naam ‘Ruth’ verschilt van die van het Hebreeuwse woord ‘naaste’ en van het Hebreeuwse woord ‘zoekster’ of ‘najaagster’ dat 7 keer in het boek Prediker voorkomt (‹Pred. 1:14; 2:11; 17:26; 4:4, 6; 6:9), hoewel Ruth wel gezien kan worden als de naaste van Naomi en als een zoekster, want zij ging op zoek naar de God van Israël. –Men leidt de naam in taalkundig opzicht ook wel afwerken van het Hebreeuwse werkwoord ‘zien’ en zo komt men dan tot de betekenis van ‘mooi’ nl. ‘mooi om te zien’ of ‘knap’ en de mannelijke vorm van de naam zou dan ook voor ‘mooi’ of ‘schoon van uiterlijk’ staan. Volgens K&D gaat het bij Ruth en Orpa overigens om niet-Hebreeuwse namen waarvan de betekenis op grond van het Hebreeuws niet goed vastgesteld kan worden, maar dat is misschien iets te sterk gezegd want de talen hebben wel een sterke verwantschap. –Er is een taalkundige reden om te denken aan de betekenis ‘bekeerde vrouw’, als wij afgaan op de Arabische wortel |||رَعَو||| of |||رُعَو|||, tegenwoordig geschreven als |||رَعَا||| die staat voor ‘strijden tegen zonde’ of ‘weerstand bieden aan de zonde’. Het daarvan afgeleide zelfst. nmw. |||رَعَوى||| of |||رُعَوى||| betekent ‘bekering (‹zie H. Wehr - Dictionary of Modern Written Arabic›). Ruth, de Moabitische, keert zich af van de aanbidding van Kamos (‹H3645›), de afgod van de Moabieten, genoemd in Num. 21:29, Ri. 11:24, 1 Kn. 11:7, 33, 2 Kn. 23:13 en Jer. 48:7, 13, 46 en zij wendt zich tot de God van Israël. –In het ergste geval betekent de naam ‘kameel- of paardenmest’, |||رُوث|||, een wel erg verachtelijke naam voor een mens, zodat wij het bijna niet durven opschrijven. |
|
H7331 Rezon |
[‘Rezon’] - de mnl. Hebreeuwse eigennaam רְזוֹן|, Rezon, betekent ‘prins’ en komt in het OT alleen in dit vers voor (‹rᵉzōn - H7331›). De naam ‘Rezin’ is een variant van deze naam (‹zie H7526›). |
|
H7343* Rachab |
De Hebreeuwse vrwl. eigennaam |רָחָב| (‹rāḥāḇ - H7343›), dat is Rachab, komt 5 keer in het OT voor, verdeeld over 5 verzen: Joz. 2:1, 3; 6:17, 23, 25. De naam betekent ‘wijd’, ‘wijds’ of ‘ruim’. Deze naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |רָחַב| (‹rāḥaḇ - H7337›), dat 25 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 25 verzen. Dit werkwoord heeft als eerste betekenis ‘wijd zijn’ of ‘wijd worden’. |
|
H7344 Rehobot |
[‘Rehobot’] - dat is ‘ruime plaatsen’ of: ‘open ruimtes’ (‹H7344›). |
|
H7345 Rehab-Jah |
[‘Rehab-Jah’] - de mannelijke Hebreeuwse naam |רְחַבְיָהוּ| (‹Rᵉḥaḇ-Jāẖū - H7345›) komt 5 keer in het OT voor, verdeeld over 3 verzen nl. in 1 Kr. 23:17; 24:21; 26:25. Rehab-Jah of Rahab-Jahoe was afkomstig van Eliëzer, de tweede zoon van Mozes (‹zie 1 Kr. 23:16›). De naam betekent ‘voor wie de HEER ruimte maakt’. |
|
H7414 Rama |
Rama of Ramat 36 verzen |
|
H7432 Remet |
Remet |
|
H7433 Ramot |
Ramot (in Gilead) 22 verzen |
|
H7437 Ramat-Lechi |
Ramat-Lechi Ri. 15:17 1x |
|
H7466 Rehu |
[‘Rehu’] - dat is ‘vriend’ (‹H7466›). |
|
H7467 Rehuël |
[‘Rehuël’] - de naam ‘Rehuël’ (‹|רְעוּאֵל| - rᵉʿūʾēl - H7467›) betekent ‘vriend van God’. Hij was waarschijnlijk dezelfde persoon als Jethro (‹|יִתְרוֹ| - yᵉṯrō - ‘zijn overvloed’ - H3503›). Zie Ex. 3:1. In Num. 10:29 wordt de zoon van Jethro ‘Hobab’ (‹|חֹבָב| - hoḇāḇ - H2246›) genoemd. Maar deze Hobab wordt in Ri. 1:16 en 4:11 in veel vertalingen ‘schoonvader’ van Mozes genoemd, terwijl andere vertalingen hetzelfde Hebreeuwse woord met ‘zwager’ vertalen. De betekenis van de wortel van het Hebreeuwse woord is ‘familierelaties aangaan’ (‹Gesenius›) en in verband daarmee ‘besnijden’ (‹zie de noot bij Ex. 4:25›), waarbij dan ‘zwager’ een afgeleid naamwoord is. Wij hebben dan ook wat betreft ‘Hobab’ voor de vertaling ‘zwager’ gekozen. |
|
H7486 Rameses |
[‘Rameses’] - letterlijk: ‘zoon van de zon’. De volledige naam zou geweest zijn Pi-Rameses ofwel ‘huis van de zoon van de zon’ (‹H7486›). |
|
H7497* Refaïeten |
De ‘Refaïeten’ (‹rāfā - rfā’īm - H7497›) zijn een volk van reuzen, net als de Enakieten, de Zuzieten en de Emieten. Dit waren resten van de reuzen die in Gen. 6:4 genoemd worden. De naam ‘Refaïeten’ werd ook wel als een algemene naam voor al deze reuzenvolken gebruikt (‹H7497›). Zie o.a. Gen. 14:5; Gen. 15:20 en Dt. 2:12, 20, 3:11,13, Joz. 12:4,12; 15:8; 2 Sm. 21:16, 18, 20, 22 en 1 Kr. 20:4, 6. Zie ook het Hebreeuwse mnl. znw. |רְפָאִים| (‹rfā’īm - H7496›) voor ‘schimmen’, dat 8 keer in het OT voorkomt. |
|
H7508 Rafidim |
[‘Rafidim’] - dat betekent ‘rustplaatsen’ (‹H7508›). In oud Nederlands ‘pleisterplaatsen’. |
|
H7526 Rezin |
[‘Rezin’] - de mnl. Hebreeuwse eigennaam |רְצִין|, Rezin, komt in 11 keer in het OT voor verdeeld over 11 verzen en heeft als eerste betekenis: ‘vast’, ‘stevig’ en als tweede betekenis ‘prins’ (‹H7526›). Zie ook de naam Rezon (‹rᵉzōn - H7331›), die slechts één keer in het OT voorkomt nl. in 2 Kn. 25:37. |
|
H7557 Rakkat |
Rakkat |
|
H7575 Ritma |
[‘Ritma’] - H7575 |
|
H7586 Saul |
[‘Saul’] - dat is ‘gewenst’ of: ‘om wie men heeft gevraagd’ (‹H7586›). |
|
H7597 Sealtiël |
Sealtiël |
|
H7610* Sjear-Jasub |
De mnl. eigennaam |שְׁאָר יָשׁוּב| (‹šᵉʾār yāšūḇ - H7610›), ‘Sjear-Jasub’, betekent ‘een rest zal zich bekeren’ of ‘een rest zal terugkeren’. De naam komt alleen voor in Jes. 7:3. De beide onderdelen van de naam zijn resp. afgeleid van de Hebreeuwse werkwoorden |שְׁאָר| (‹šāʾar - H7605›) en |שׁוּב| (‹šūḇ - H7725›). |
|
H7708 Siddim |
[‘Siddim’] - dat is ‘vlakke velden’ (‹H7708›). |
|
H7741 Schave-Kirjataïm |
[‘Schave-Kirjataïm’ ] - dat is ‘de valleivlakte van de twee steden’ (‹H7741›). Dit is de enige keer dat de naam voorkomt in het OT. |
|
H7744* Suah |
De mnl. Hebreeuwse eigennaam |שׁוּחַ| (‹sūaḥ - H7744›) komt 2 keer in het OT voor nl. in Gen. 25:2, 1 Kr. 1:32 De betekenis van de Hebreeuwse naam |שׁוּחַ| is ‘put’ (‹zie H7745›). Het is de naam van een zoon van Abraham en Ketura. De afstammelingen zijn de Suhieten, genoemd in Job 2:11, 18:1 en 25:1 (‹H7747›) |
|
H7747* Suhiet(en) |
De mnl. Hebreeuwse eigennaam |שׁוּחִי| (‹sūḥī - H7747›) komt 5 keer in het OT voor nl. in Job 2:11; 8:1; 18:1; 25:1; 42:9. Het zijn afstammelingen van Suah (‹zie H7744›). |
|
H7766 Sunem |
[‘Sunem’] - dat is ‘twee rustplaatsen’ (‹H7766›), een stad in het gebied van de stam Issaschar (‹zie ook Joz. 19:18, 1 Sm. 28:4›). Een vrouw uit deze plaats is een Sunamitische (‹zie 1 Kn. 1:3, 2:17 en 2 Kn. 4:12›), maar dus ook een Shulamitische als de plaats ook Shulem genoemd werd, zoals Eusebius schrijft, een plaats zo’n 8 km ten zuiden van de berg Tabor. |
|
H7796* Sorek |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |שֹׂרֵק| (‹sorēq - H7796›) komt alleen voor in Ri. 16:4 in de uitdrukking ‘in het dal van de beek Sorek, het dal waarin Delilla woonde, de vrouw waarvan Simson ging houden. De naam betekent ‘edele wijnstok’, maar die term is als mnl. znw. ondergebracht onder Strongnr. H8321 in de Hebreeuwse Woordenlijst en komt slecht 3 keer in het OT voor, nl. in Gen. 49:11, Jes. 5:2 en Jer. 2:21. |
|
H7800, H7801* Shoeshan Shoosaniet(en) |
De Hebreeuwse naam |שׁוּשָׁן| (‹šūšān - H7800›) komt 21 keer in het OT voor, verdeeld over 19 verzen. De eerste keer in Neh. 1:1 staat de naam in het meervoud voor de inwoners van Shoeshan, de Shoeshanieten, onder H7801. Onder H7800 staat de naam voor de burcht Shoeshan in Perzië in 17 verzen in het boek Ester waar we lezen over Mordechai en Ester die in de burcht Shoeshan woonden, en ten slotte 1 keer in Daniël 8:2 waar we lezen dat Daniël zich in de burcht Shoeshan bevond. De naam betekent ‘lelie’ en is als de naam van die bloem 15 keer in het OT te vinden, verdeeld over 15 verzen, onder Strongnummer H7799. Zie de noot bij 1 Kn. 7:19. De bloemennaam en de plaatsnaam ‘Shoeshan’ zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |שׂושׂ| (sūs - H7797›) dat als eerste betekenis heeft ‘verheugd zijn’, ‘blij zijn’, en dat 27 keer in het OT voorkomt, verdeeld over 24 verzen: Dt. 28:63; 30:9; Job 3:22; 39:21; Ps. 19:5; 35:9; 40:16; 68:3; 70:4; 119:14, 162; Pred. 1:21; 4:21; Jes. 32:411; 35:1; 61:10; 62:5; 64:5; 65:18, 19; 66:10, 14; Ez. 21:10; Zef. 3:17. Zie ook H7799 in de Hebreeuwse Woordenlijst. |
|
H7927* Sichem |
De Hebreeuwse eigennaam |שְׁכֶם| (‹H7927›) komt 63 keer in het OT voor, verdeeld over 54 verzen, de eerste keer in Gen. 12:6 en de laatste keer in Hos. 8:9. Sichem betekent ‘schouder’ of: ‘schouderblad‘ of ‘rug’ d.w.z. het bovenste deel van de rug waarop men een last legt (‹H7927›). –De plaats Sichem bestond nog niet toen Abraham in Gen. 12:6 bij de plek van Sichem aankwam. Pas in Gen. 34:18 lezen wij over de stad en de stadspoort van de plaats waar de Hemoriet Sichem woonde, naar wie de stad genoemd is. –De stad ligt in het dal tussen de berg Gerizim en de berg Ebal in (‹zie Dt. 11:29; Joz. 8:33; Gen. 34 en Ri. 9 over Sichem›). –Diverse Bijbelse geschiedenissen hebben zich in Sichem en omgeving afgespeeld: (‹1›) de moord van de Sichemieten door Simeon en Levi vanwege de verkrachting van hun zus Dina door de zoon van Hemor, de vader van Sichem in Gen.34, (‹2›) het afroepen van de zegen en de vloek op resp. de berg Gerizim en Ebal in Dt. 27, (‹3›) de geschiedenis van Abimelech, de zoon van Jerubbaäl in Ri. 9, (‹4›) de voorlezing van de Wet in Joz. 8:30-35, (‹5›) de geschiedenis van Abimelech, de zoon van Jerubbaäl in Ri. 9 en (‹6›) de begrafenis van de beenderen van Jozef na vele jaren in het beloofde land in Joz. 24:32. –In het Nieuwe Testament lezen wij in Jh. 4:5 dat Jezus in Sichar kwam, een Samaritaanse stad vlak bij het veld dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had. Sichar is misschien niet precies Sichem, maar op zijn minst een locatie daar in de buurt. De naam zou mogelijk spottend bedoeld zijn ten opzichte van de Samaritanen omdat de klank doet denken aan woorden die samenhangen met ‘dronken zijn’ en ‘dronkenschap’. –Sichem wordt geïdentificeerd met de stad ‘Nabloes’ op de westelijke Jordaanoever, of met een locatie twee kilometer ten zuidoosten ervan, genaamd: Tell Balata in Balata al-Balad. |
|
H7974* Selah |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |שֶׁלַח| (‹šelaḥ - H7973›), Selah, komt 9 keer in het OT voor, verdeeld over 7 verzen in Genesis en in 1 Kronieken. De naam is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |שָׁלַח| (‹šālaḥ - H7971›), dat als eerste betekenis ‘zenden’ of ‘sturen’ heeft. |
|
H7974* Sjilach |
De Hebreeuwse eigenaam |שִׁלֹּחַ| (‹H7975›), Sjilach’ vinden wij in Neh. 3:15 en in Jes. 8:6. ‘De wateren van Sjiloach’, die voortkwamen uit de bron Gihon, werden door de tunnel van Hizkia geleid (‹aangelegd rond 701 v. Chr. - zie Jes. 8:6›), en naar beneden geleid om uit te monden in wat in Jh. 9:11 het doopbad van Siloam wordt genoemd. |
|
H7851 Sittim |
[‘Sittim’] - de Hebreeuwse naam |שִׁטִּים| (‹šiṯīm - H7851›) betekent ‘acacia’s’. Het komt op 5 plaatsen als plaatsnaam voor in het OT nl. in Num. 25:1, 33:49, Joz. 2:1, 3:1, Joël 4:18 en Micha 6:5. De plaats ligt in de velden van Moab tegenover Jericho. Hier was het volk Israël gelegerd voordat het de Jordaan zou overtrekken. Het Hebreeuwse enkelvoudige zelfst. nmw. |שִׁטָּה| (‹šṯāẖ - H7848›) betekent ‘acacia’ of ‘acaciahout’ of ‘sittimhout’. In het algemeen wordt aangenomen, dat het om acaciahout gaat, dat donkerder en harder is dan eikenhout en daarom moeilijk te bewerken is. De Egyptenaren in de oudheid gebruikten het voor de klampen (‹of ‘krammen’›) waarmee zij hun mummiekisten dichtmaakten en voor de bouw van hun boten. De grillige acaciaboom groeit alle kanten uit en draagt dorens. De boom komt veel voor in de Sinaïwoestijn. Het woord komt 28 keer in het OT voor verdeeld over 28 verzen. |
|
H7884 Sichor-Libnat |
Sichor-Libnat 1 x |
|
H7966 Sallum |
[‘Sallum’] - dat is ‘vergelding’ (‹H7966›) |
|
H7974 Selah |
[‘Selah’] - dat is ‘wapen’ of: ‘nakomeling’ (‹H7974›). |
|
H8019 Selomit |
Selomit 8 x verdeeld over 8 verzen |
|
H8035 Sem |
[‘Sem’] - dat is ‘naam‘ (‹H8035›). |
|
H8038 Sinab |
[‘Sinab’] - deze naam betekent mogelijk ‘tanden van de vader’ (‹H8134›). [‘Semeber’] - dat is ‘hoogvlieger’ of: ‘hoogzwever’ (‹H8038›). |
|
H8048 Samma |
[‘Samma’] - zie H8048. |
|
H8096 Simeï |
[‘Simeï’] - dat is ‘beroemd’ of: ‘bekend’ (‹H8096›). |
|
H8100 Simeat |
Simeat 2 x 2 Kn. 12:21 en 2 Kr. 24:26 |
|
H8111 Samaria |
[‘Samaria’] - deze stadsnaam komt 109 keer in het OT, verdeeld over 101 verzen. De naam betekent ‘wachtpost’ (‹| שֹׁמְרוֹן| - šomrōn - H8111›). Dit is de naam van de oorspronkelijke eigenaar van de stad: ‘Semer’ (‹voor de naam Semer zie de Hebreeuwse Namenlijst onder H8106›). De betekenis van de Hebreeuwse naam Samaria is ‘de wakende’ of ‘wachtende’ in de zin van een wachtpost. Het Hebreeuwse werkwoord waarvan de namen Semer en Samaria zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |שָׁמַר| (‹šāmar - H8104›), dat ‘waken’, ‘de wacht houden’ of ‘bewaren’ (‹b.v. het bewaren van Gods geboden›). |
|
H8116 Simrit |
Simrit 2 Kr. 24:26 1x |
|
H8149* Senir |
De Hebreeuwse eigennaam |שְׁנִיר|, Senir, (‹šᵉnīr - H8149›) komt 4 keer in het OT voor nl. in Dt. 3:9, 1 Kr. 5:23, Hgld. 4:8 en Ez. 27:5. Senir is de Amoritische naam voor de berg Sirjon. Gesenius noemt als mogelijk betekenis ‘stroomversnelling’, naar het Hebreeuwse woord |צִנּוּר|, zo genoemd naar de klank van het water (‹ṣinūr - H6794›). Maar ook is het de aanduiding voor een ‘irrigatiekanaaltje’ of ‘waterstroom’ in meer algemene zin. |
|
H8152 Sinear |
[‘Sinear’] - het gebied waar de mensen na de zondvloed gingen wonen (‹Gen. 11:2›), het latere Babylonië (‹H8152›). — |
|
H8165 Seïr |
[‘Seïr’] - dat is ‘harig’ of: ‘ruig’ (‹H8165›), zowel duidend op Ezaus voorkomen als op de beboste en ruige bergen van Edom. In Gen. 36:6 zien we dat dit het gebied van Ezau werd. Ezau was dus in Edom gaan wonen, tegenover zijn broeder wsl. in de buurt van Ismaël (‹zie Gen. 16;12 en Gen. 28:9›), ten zuidoosten van Kanaän (‹Gen. 23:19, 25:18›). |
|
H8167 Sehirat |
Sehirat 1x een plaats in het bergland van Efraïm Ri. 3:26, 27 |
|
H8219 Laagland |
[‘Laagland’] - dat is ‘de Shefalah’ (‹H8219›), d.w.z. het vlakke gebied langs de Middellandse Zee, de kustvlakte van Kanaän. Overigens betekent de naam Kanaän zelf ook ‘laagland’ (‹H3667›). |
|
H8224 Sifmot |
Sifmot 1 Sm. 30:28 |
|
H8227 Safan |
[‘Safan’] - dat is ‘klipdas’ (‹H8227›). |
|
H8272 Sar_Etser |
[‘Sar-Etser’] - deze naam (‹H8272 - ‘prins van vuur’ - dit is de betekenis volgens Gesenius›) komt ook voor in Jes. 37:38 en Jer. 39:3,13 en is ongetwijfeld van Assyrische oorsprong. Het zou goed kunnen dat de man in Babel geboren was. |
|
H8283 Sara |
[‘Sara’] - de naam betekent vlg. K&D ‘prinses’ en vlg. Vredenburg ‘vorstin’, de stammoeder van toekomstige volken (‹H8283›). |
|
H8286 Serug |
[‘Serug’] - dat is ‘tak’ (‹H8286›). |
|
H8297 Sarai |
[‘Sarai’] - de naam betekent vlg. K&D mogelijk ‘prinselijk’ of: ‘voornaam’, volgens Vredenburg ‘strijdbare’ (‹H8297›). |
|
H8303* Sirjon |
De eigennaam |שִׂרְיֹן|, Sirjon, (‹širyon - H8303›), komt in het OT alleen voor in Dt. 3:4 en in Ps. 29:6. Volgens Dt. 3:4 is het de naam die de Sidoniërs aan de berg Hermon gaven. De schrijfwijze van de naam is bijna gelijk aan die van het Hebreeuwse woord voor ‘pantser’ (‹H8302›), alleen heeft het laatste woord een lange o-klank in plaats van een gewone, kortere o-klank. Daarom denkt men wel dat de berg als een ‘pantser’ wordt beschouwd. Het is echter waarschijnlijker dat de naam Sirjon en het Hebreeuwse vrwl. znw. ‘pantser’ beide zijn afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord |שָׁרָה| (‹H8281›) dat als eerste betekenis heeft ‘losmaken’ of ‘verlossen’ of ‘bevrijden’, maar door Gesenius wordt nog een mogelijke tweede betekenis geopperd via een grammaticaal verwant Arabisch werkwoord, dat ‘glanzen’, ‘schijnen’, ‘blinken’ of ‘schitteren’ zou betekenen, maar in die betekenis terug te vinden is in de ons ter beschikking staande Arabische woordenboeken. Maar het Arabische werkwoord voor ‘kopen’ en ‘doen kopen’, |||شَرَی|||, (‹šaray›), houdt verband met in de zon neerleggen, d.w.z. verkopen langs de straat of op de markt waarbij alles op de grond onder de zon van het Midden-Oosten wordt neergelegd voor de voorbijgangers. En zo wordt de berg Hermon Sirjon ook blootgesteld aan de zon en ligt hij daar voor de ogen van bewoners en reizigers in zijn omgeving. –En wat te denken van het Arabische werkwoord |||سَرَی|||, (‹saray›), dat betekent ‘reizen in de nacht’ of ‘vertrekken in de nacht’. Hoe zou de berg er ‘s nacht uitzien als de maan helder op haar besneeuwde toppen schijnt, zou het gebergte dan niet iets hebben van een karavaan die bij het licht van fakkels en olielampen voortgaat in een donker nachtelijk landschap? En waarom zou er geen verband zijn met het Hebreeuwse woord |שַׂר| ‹sar - H8269›) voor ‘vorst’ (‹waarvan de vrouwelijke variant ‘Sara’ is, de vrouw van Abraham, want Sara was een vorstin - zie H8297›), want in Syrië noemt men de berg ‘Jabal as-Sjiekh’ d.w.z. ‘de berg van de Sjeik’, ‘de berg van de vorst’ of ‘berg van de heer. Of is er misschien een relatie met het Engelse ‘sir’, de bekende respectvolle aanspreekvorm voor ‘meneer’, die etymologisch gezien, net als het Franse ‘seigneur’ (‹oud Frans ‘sieur’ - vgl. ‘monsieur’›), afkomstig is van het Latijnse ‘senior’. Is deze etymologische relatie met het Engelse woord ‘sir’ mogelijk te gezocht, dan nog kunnen wij er niet omheen, dat de berg Hermon in Ri. 3:3 Baäl-Hermon wordt genoemd, d.w.z. ‘de heer Hermon’. –In het buitenbijbelse boek Enoch 6 wordt vermeld dat de gevallen engelen (‹Gen. 6›) in de dagen van Jered neerdaalden op de berg Hermon: “And they were in all two hundred; who descended ⌈in the days⌉ of Jared ⌈the father of Enoch⌉ on the summit of Mount Hermon, and they called it Mount Hermon, because they had sworn and bound themselves by mutual imprecations upon it.” |
|
H8352 Seth |
[‘Seth’] - dat is ‘gezet’ en dan wel ‘gezet in de plaats van’, ofwel ‘een vervanging’ of: ‘compensatie’ (‹H8352›). Het woord houdt verband met een Hebreeuws werkwoord (‹H7896›), dat ‘zetten’ betekent. |
|
H8339 Zerubbael |
[‘Zerubbabel’] - de naam |זְרֻבָּבֶל| (‹zrūbāḇel - H2216›) betekent waarschijnlijk ‘gezaaid in Babel’, d.w.z. ‘geboren in Babel’ |זְרוּעַ בָּבֶל| (‹zrūʾa bāḇel›). De naam is een samenstelling van |זָרַב| (H2215) en |בָּבֶל| (H894). De naam komt 21 keer in het OT voor. Zerubbabel is dezelfde persoon als Sesbazzar (‹H8339›) in Ezra 1:8, 11 en die als betekenis heeft ‘aanbidder van vuur’ en die dus duidelijk zijn Babylonische naam is. |
|
H8398 Tubal |
‘Tubal’ is de vertaling van de Hebreeuwse mnl. eigennaam |תּוּבַל| (‹tūḇal - H8422›), die 8 keer in de Bijbel voorkomt, verdeeld over 8 verzen nl. in Gen 10:2, 1 Kr. 1:5, Jes. 66:19, Ez. 27:13; 32:26; 38:2; 38:3; 39:1. Tubal wordt in Gen. 10:2 en 1 Kr. 1:5 genoemd onder de zonen van Jafet. Men ziet in Tubal meestal de Tibareni die bij de zuidoostelijke hoek van de Zwarte Zee leefden. Een andere kandidaat voor Tubal is het koninkrijk Tabal, dat lag in het gebied dat begrensd wordt door de Halys rivier, het Taurusgebergte, de vlakte van Konya en het Anti-Taurus gebergte, d.w.z. het zuidoosten van Turkije en het noordwesten van Syrië, een gebied dat het thuis was van diverse Syrisch-Hittische staten. Historici menen dat dit koninkrijk al in de 9e eeuw v. Chr. bestond. Over de betekenis van de naam lezen wij niet veel, maar de naam vertoont grote gelijkenis met het Hebreeuwse mnl. znw. |תֵּבֵל| (‹ṯēḇēl - H8398›) dat staat voor de (‹bewoonde›) wereld’. De Aramese variant van het Hebreeuwse ‘ṯēḇēl’ in het NT in Op 3:10 en Op.16:14 is |||תאִבֵיל||| (‹tībēl›). Het Arabische werkwoord |||طَبَلَ||| (‹tabala›) betekent ‘drummen’ of ‘trommelen’. De drum of trommel heeft een gespannen dierenhuid als oppervlak en een tafel, die ook een vlak oppervlak heeft, is in het Arabisch |||طَبْلَة||| (‹ṭabla›). De bewoonde wereld bestaat natuurlijk niet uit bergen, maar uit vlakten, hoogvlakten of laagvlakten, daar is het aantrekkelijk wonen. |
|
H8407 Tiglat-Pileser |
[‘Tiglat-Pilezer’] - de naam Tiglath-Pilezer (‹H8407›) komt 6 keer in het OT voor nl. in 2 Kn. 15:29, 2 Kn. 16:7, 10, 1 Kr. 5:6, 26 en 2 Kr. 28:20. In de laatste drie Bijbelverzen in de 1 en 2 Kr. staat er ‘Tilgath-Pilneser’. |
|
H8423 Tubal-Kaïn |
De mnl. eigennaam |תּוּבַל־קַיִן| (‹tūḇal-qāyin - H8423›) komt 1 keer in het OT nl. in Gen. 4:22. De naam betekent volgens Gesenius mogelijk ‘smid van metaalslakken’, waarbij de genitief ‘van metaalslakken’ vooropstaat gevolgd door ‘smid’ d.w.z. ‘Kaïn’. Zie ook de namen ‘Tubal’ (‹H8422›) en ‘Kaïn’ (‹H7014›). Het Arabische werkwoord |||طَبَلَ||| (‹tabala›) betekent ‘drummen’ of ‘trommelen’. De drum of trommel heeft een gespannen dierenhuid als oppervlak, en een tafel heeft ook een vlak oppervlak, en is in het Arabisch |||طَبْلَة||| (‹ṭablaṯ›), waarvan de klank sterk overeen met het werkwoord ‘tabala’. |
|
H8431 Tideal |
[‘Tideal, koning van Gojim’] - dat is vertaald ‘Vrees, koning van volken’ (‹H8413›). ‘Van volken’ (‹H8413›) is door ons weergegeven als ‘Gojim’, omdat velen menen dat het hier om de aanduiding van een gebied gaat. K&D beschouwen het als een oude benaming voor Galilea, mogelijk met andere grenzen, het gebied ten noorden van de vlakte van Jizreël (‹vgl. Joz. 12:23, Ri. 4:2 en Jes. 8:23›). |
|
H8556 |
Timnat-Serah 3x |
|
H8646 terah |
[‘Terah’] - dat is ‘rustplaats’ (‹H8646›). De naam ook wordt ook wel uitgesproken als ‘Terach’. |
|
H7854 satan |
in het Hebreeuws staat hier inderdaad het woord ‘satan’ (‹H7854 - |שָׂטָן| - sātān›), zonder bepaald lidwoord. Het woord betekent ‘tegenstander’. In het Grieks is dit het woord ‘diabolos’. Het Hebreeuwse woord ‘satan’ komt 27 keer voor in het OT, verdeeld over 23 verzen. In de volgende verzen staat het met het bepaalde lidwoord erbij en duidt het op de satan als de leider van alle gevallen engelen, de duivel, de oude slang: Job 1:6, 7, 8, 9, 12 en Job 2:1, 2, 3, 4, 6, 7 en Zach. 3:1, 2. Grieks G4567 [‘satan’] - het woord ‘satan’, dat ‘tegenstander’ betekent, is niet een Grieks, maar een Semitisch woord. Hebreeuws en Aramees zijn Semitische talen. In het Aramese NT van de Peshitta vinden wij 49 keer het woord ‘satana’ verdeeld over 45 verzen, terwijl het Aramese woord ‘akalqartsa’ (‹=duivel›) 20 keer voorkomt verdeeld over 20 verzen. De Aramese benaming Beëlzebul voor de duivel komt 7 keer voor in de Aramese Peshitta nl. in Mt. 10:25; 12:24, 27; Mk. 3:22; Lk. 11:15, 18, 19. –Het Aramese woord ‘satana’ in de Peshitta wordt in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR 32 keer als ‘satan’ getranscribeerd, 16 keer vertaald als ‘diabolos’ en 1 keer als ‘Belial’ weergegeven nl. in 2 Kor. 6:15. –Het Aramese woord ‘akalqartsa’ voor (de) duivel wordt in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR 19 keer weergegeven als ‘diabolos’ en 1 keer als ‘satan’ nl. in Lk. 13:16. –Het Aramese woord ‘Beëlzebul’ wordt in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR getranscribeerd als: ‘Beëlzebul’ (‹||Βεελζεβούλ|| - G954›), waarvan 1 keer met een alternatieve lezing nl. Beëlzebub in Mt. 10:25. De Latijnse Vulgata leest ook Beëlzebub. Mogelijk is er een relatie met een Filistijnse god van de stad Ekron (‹zie 2 Kn. 1:2›). Beëlzebub zou betekenen ‘heer van de vliegen’. Met die naamgeving zouden de Israëlieten de goden van de volken hebben willen vernederen. – In het OT komt het Hebreeuwse woord ‘satan’ 27 keer voor verdeeld over 23 verzen, waarbij het in 13 gevallen de satan, het hoofd van de gevallen engelen betreft, nl. in Job 1:6, 7, 8, 9, 12 en Job 2:1, 2, 3, 4, 6, 7 en Zach. 3:1, 2. –In het OT komt het Hebreeuwse woord ‘Belial’ (‹H1100›) 26 keer voor. Zie de noot bij Ri. 19:22. |
|
H8422* Tubal |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam |תּוּבַל| (‹tūḇal - H8422›) komt 8 keer in de Bijbel voor, verdeeld over 8 verzen nl. in Gen 10:2, 1 Kr. 1:5, Jes. 66:19, Ez. 27:13; 32:26; 38:2; 38:3; 39:1. Tubal wordt in Gen. 10:2 en 1 Kr. 1:5 genoemd onder de zonen van Jafet. –Rawlinson vond op Assyrische inscripties de naam Tuplai, een volk dat hij gelijkstelt aan Tubal, dat volgens de inscripties in Cappadocië en Cilicië gevestigd was, maar deels ook meer noordelijk bij Mesech. –Herodotus spreekt van Tibareniërs die bij de zuidoostelijke hoek van de Zwarte Zee leefden. De Romeinse geschiedschrijver –Josephus schrijft: “Thobel (Tubal) was founded by the Thobelites, who are now called Iberes” (Antiquities of the Jews, Book 1, Chap VI, 1) en Bill Cooper in zijn boek ‘After the Flood’ schrijft: “Tiglath-Pileser I, king of Assyria in about 1100 BC, refers to the descendants of Tubal as the Tabali. Their land, in Josephus’ day, was called by the Romans Iberia, and covered what is now Georgia whose capital to this day bears the name Tubal as Tbilisi. From here, having crossed the Caucasus mountains, this people migrated due north-east, giving their tribal name to the river Tobol, and hence to the famous city of Tobolsk. (‹zie ook Harold Hunt & Russel Grigg, The sixteen grandsons of Noah›)” –Een andere kandidaat voor Tubal is het koninkrijk Tabal, dat lag in het gebied dat begrensd wordt door de Halys rivier, het Taurusgebergte, de vlakte van Konya en het Anti-Taurus gebergte, d.w.z. het zuidoosten van Turkije en het noordwesten van Syrië, een gebied dat het thuis was van diverse Syrisch-Hittische staten. Historici menen dat dit koninkrijk al in de 9e eeuw v. Chr. bestond en voortbestond tot in de Romeinse tijd (‹www.historyfiles.co.uk›) –De naam ‘Tubal’ vertoont grote gelijkenis met het Hebreeuwse mnl. znw. |תֵּבֵל| (‹ṯēḇēl - H8398›) dat staat voor de (‹bewoonde›) wereld’. De Aramese variant van het Hebreeuwse ‘ṯēḇēl’ in het NT in Op 3:10 en Op.16:14 is |||תאִבֵיל||| (‹tībēl›). Het Arabische werkwoord |||طَبَلَ||| (‹tabala›) betekent ‘drummen’ of ‘trommelen’. De drum of trommel heeft een gespannen dierenhuid als oppervlak en een tafel, die ook een vlak oppervlak heeft, is in het Arabisch |||طَبْلَة||| (‹ṭabla›). De bewoonde wereld bestaat natuurlijk niet uit bergen, maar uit vlakten, hoogvlakten of laagvlakten, daar is het aantrekkelijk wonen. –Dat de naam ‘Tubal’ zou samenhangen met het Hebreeuwse werkwoord |יָבַל| (‹yāḇal - H2986›) lijkt ons onwaarschijnlijk. |
|
H8423* Tubal-Kaïn |
De mnl. eigennaam |תּֽוּבַל־קַ֖יִן| (‹tūḇal-qayin - H8423›), Tubal-Kaïn, komt 1 keer in het OT voor nl. in Gen. 4:22. De naam betekent volgens Gesenius ‘smid van metaalslakken’, waarbij de genitief ‘van metaalslakken’ vooropstaat gevolgd door ‘smid’ d.w.z. ‘Kaïn’. Tubal-Kaïn was een zoon van Lamech (‹Gen. 4:16-24›). Zie verder bij de namen ‘Tubal’ (‹H8422›) en ‘Kaïn’ (‹H7014›). |
|
H8425* Togarma |
De Hebreeuwse mnl. eigennaam ‘Togarma’, komt 4 keer in het OT voor: Gen. 10:3, 1 Kr. 1:6, Ez. 27:14 en Ez. 38:6. Togarma is een noordelijke natie. Men meent dat dit de Armeniërs zijn en ook de Armeniërs zelf identificeren zich met Togarma (‹H8425›). De Armeniërs noemen zich ‘het huis van Torgom’ of ‘Torkomatsi’. |
|
H8472 Tachpenes |
[‘Tachpenes’] - volgens Rosellini en Wilkinson (‹Ges. Thes. p. 1500›) was Tachpenes (‹H8472›) ook de naam van een Egyptische godin. Ook de vrouw van de farao droeg deze naam, die mogelijk betekent ‘vrouw van de farao’ of: ‘meesteres van de farao’. Onder de koningen van Juda werd de laatste titel ‘meesteres’ (‹|גְּבֶרֶת| - gḇereṯ - H1404›) gegeven aan de moeder van de koning, die mogelijk de leiding had over de ‘harem’, een taak die mogelijk bij haar dood overgenomen werd door de dan regerende koningin. –De betekenis van de naam is niet zeker (‹H8471›). In de LXX vinden wij de naam ‘Tafne’, dat is Daphne, dat gelegen was in de noordoostelijke Nijldelta aan het Meer van Menzalah. Het was een sterke grensstad. De naam ‘Tachpenes’ vinden wij in 10 keer in het OT verdeeld over 9 verzen: 1 Kn. 11:19, 20 (‹2 keer›); Jer. 2:16; 43:7, 8, 9; 44:1; 46:14 en in Ez. 30:18. De Joden vluchtten hierheen na de dood van Gedal-Jahoe en hebben hier een tijd gewoond. In 1886 werd de stad bij opgravingen weer teruggevonden door William Flinders Petrie. De plaats stond bij de inheemse bevolking bekend als ‘Het kasteel van de dochter van een Jood'. Petrie vond een versterkt fort met vestingwallen eromheen. Ook werd er veel aardewerk gevonden dat afkomstig was van het Griekse bevolkingsdeel. Hij vond een plaveisel bij de ingang van het paleis van de farao dat in aanmerking zou kunnen komen voor het plaveisel dat in Jer. 43:8-10 wordt genoemd, waarop later Nebukadnezar zijn statietenten zou oprichten. In 664-610 v. Chr. huisvestte koning Psammetichus een garnizoen van buitenlandse handelaren in Daphne, voornamelijk Kariërs en Ioniërs uit Griekenland (‹zie Herodotus ii. 154›). Na de verwoesting van Jeruzalem in 586 v. Chr. kwamen de vluchtelingen met inbegrip van Jeremia naar Tachpenes (‹Jer. 43, 44›). Toen Mancratis van Amasis II (‹570-526 v. Chr.›) het alleenrecht kreeg over de Griekse handel, werden de Grieken uit Daphne verwijderd en keerde de vroegere welvaart niet meer terug. |
|
H8487 Teman |
[‘Teman’] - deze naam komt voor het eerst hier in de Bijbel voor. De naam betekent ‘rechts’ of: ‘aan de rechterkant’. Ook ‘zuidelijk’ of: ‘ten zuiden van’ of: ‘zuidwaarts’ (‹8487›). Het is de naam van de zoon van Elifaz en later de naam van zijn grondgebied binnen Edom. |
|
H8512* Tel-Aviv |
De Hebreeuwse eigennaam |תֵּל אָבִיב| (‹tēl aḇīḇ - H8512›) betekent ‘heuvel van graankolven’. De naam die alleen in dit vers in de Bijbel voorkomt, wordt soms ook geschreven als ‘Tel-Abib’. |
|
H8553 Timnata, Timna |
Timnata, Timna 10 verzen |
|
H8599 Tamar |
Tamar - een plaats aan de zuidzijde van de Dode Zee - zie H2688. K&D dit is een andere plaats dan Hazezon-Tamar in Gen. 14;7 en 2 Kr. 20:2, dat Engedi wordt genoemd in Ez. 47:10 (‹zie ook 1 Kr. 20:2›). De plaats Tamar die hier wordt genoemd zou volgens Eusebius (‹in de Onomast. ed. Lars. pg. 68›) een Romeins garnizoen huisvesten en volgens Robinson (‹Pal. III pp. 178 en 186 e.v.›) zou het de plaats Tamar zijn die op een dagreis afstand lag langs de weg van Hebron naar Aelam (‹Aelath ofwel Eilath d.w.z. EIlat, Dt 2:8; 1 Kn. 9:26›) en die te vinden zou zijn in de ruïnes van Kurnub dat zes uur reizen te voet ten zuiden van Milh ligt, bij de pas van Es-Sufh. De ligging van Kurnub lijkt echter niet te passen in de tekst die wij hier hebben, want het Tamar van onze tekst moet niet gezocht ten westen van het zuidelijkste punt van de Zoutzee, maar, volgens de tekst betreffende de zuidelijke grens in Num. 34:3-5, ten zuiden van de Zoutzee. De wateren van Kades (‹Num. 20:1-13›), in de woestijn Zin, lagen dichtbij Kades-Barnea dat in de buurt van Ain-Qadesh lag en ontdekt werd door Rowland ten zuiden van Ber-Seba en Khalasa bij de voorlopers van de Jebel Helal, d.w.z. bij de noordwestelijke hoek van het bergland van Azazimeh (‹zie Num. 10:12, 12:16, 20:16›). –De naam ‘Meribot’ is een meervoud, terwijl we in Ez. 48:28 en in Num. 27:14 en Dt. 32:51 een enkelvoudsvorm vinden nl. ‘Meriba'. –De hier genoemde Beek is de Beek van Egypte, de Wadi El-Arish, ||Ρινοκορουρα||, (‹Rinokoroura›) die vanaf Qadesh langs de zuidgrens van Kanaän liep en uitmondde in de Middellandse Zee (‹zie Ez. 34:5›). Tamar is ook een vrouwelijke eigennaam: - Tamar |
|
H8607 Tifsach |
Tifsach - 2 x. 1Kn. 5:4 en 2 Kn. 15:16 oversteek, oversteekplaats afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord [‘Tifsach’] - deze plaats lag aan de uiterste oostgrens van het grote rijk van Salomo, aan de westzijde van de Rivier de Eufraat, later Thapsacus genoemd door geschiedsschrijvers als Strabo e.a. Zie ook Gesenius onder H8607 voor de plaats Tifsach die alleen in 1 Kn. 5:4 en in 2 Kn. 15:16 wordt genoemd. |
|
H8612 Tofet |
De betekenis van de naam |הַתֹּפֶת| (‹ẖa-tōfeṯ - H8612›), meestal met bep. lidwoord, is niet zeker. De naam komt 8 keer voor in het OT: 2 Kn. 23:10, Jer. 7:31, 32; 19:6, 11, 12, 13, 14. De betekenis zou zijn ‘een plaats waar men op spuwt’ (‹vgl. Job 17:6 - H8611 - en Jes. 30:33 - H8613›), nl. op de plaats van afschuwelijke afgoderij. Gesenius suggereert dat de naam zou staan voor ‘plaats waar men de doden verbrandt’ of voor ‘begraafplaats’. De rabbijnen zouden de naam ook opvatten als een verwijzing naar de hel, de plaats van vuur. Later zou de plaats het ‘Moorddal’ genoemd worden: Jer. 7:32 en Jer. 19:6. –Het zou ook kunnen dat het op één of andere manier een variant zou zijn van of een woordspeling op het woord ‘gruwel van Ammon’ in 2 Kn. 23:3 nl. |תּוֹעֵבָה| (‹tōʿēḇāẖ - gruwel - H8251›). |
|
H8646 Terach |
Terach |
|
H8656 Tirza |
[‘Tirza’] - dat is ‘aangenaamheid’ of: ‘behaaglijkheid’ (‹H8656›). Het Hebreeuwse werkwoord dat de basis van dit woord vormt, zou van een zeer oude West-Semitische wortel komen, die we ook aantreffen in een brief van Amarna van rond 1370 v. Chr. Het werkwoord wordt in de Bijbel gebruikt om Gods reactie mee te omschrijven ten aanzien van zijn Knecht, zijn Dienaar (‹Jes. 42:1›) of ten aanzien van zijn volk (‹Mal. 1:8›). Het werkwoord wordt ook gebruikt om de aanvaarding van offers mee aan te geven (‹2 Sm. 24:23›) of voor het genieten van rust zoals op sabbat (‹Lev. 26:34 ‘zich tegoed doen aan’›). Het werkwoord heeft een mannelijke afgeleide vorm ‘rason’ met als betekenis ‘gunst’, ‘behagen’ en ‘aanvaarding’ (‹zie Dt. 33:16, Ex. 28:38, Ezra 10:11 en Ps. 40:9›). |
|
H8659* Tarsis |
De eigennaam |תַּרְשִׁישׁ| (‹taršīš - H8659›) komt 28 keer in het OT voor verdeeld over 24 verzen: Gen. 10:4; 1 Kn. 10:22; 22:49; 1 Kr. 1:7, 10; 2 Kr. 9:21; 20:36, 37; Est. 1:14; Ps. 48:8; Ps. 72:10; Jes. 2:16; 23:1, 6, 10, 14; 60:9; 66:19; Jer. 10:9; Ez. 27:12, 25; 38:13; Jona:1:3; 4:2. We komen de naam in Gen. 10:4 en 1 Kr. 1:7 tegen als de naam van een zoon van Javan. Dit is vroegste vermelding van deze naam in de Bijbel. In 1 Kr. 7:10 is het naam van een zoon van Bilhan, een Benjaminiet. In Ester 1:14 lezen wij van een zekere Tarsis, één van de zeven vorsten van de Perzen, waaruit wij de conclusie zouden kunnen trekken dat er mogelijk ook een landstreek in dat oostelijke rijk was of een stad die Tarsis De naam heeft allereerst 12 keer betrekking op de naam van de stad of plaats ‘Tarsis’. In Ex. 8:20; 39:13; Ez. 1:16; 10:9; 28:13; Hgld. 5:14; Dan. 10:6 gaat het om de edelsteen met deze naam. Gesenius meent dat het gaat om de chrysoliet of de topaas. In Est. 1:14 en 1 Kr. 7:10 betreft het de naam van een Perzische vorst. In 1 Kr. 7: wordt de naam ‘Tarsis’ (‹H8659›) geschreven als ‘Tarsisa’. In Jes. 2:16; 23:1, 6, 10, 24; 66:9, 19 lijkt het vooral te gaan om een Tarsis in het Middellandse Zeegebied. Jona, de profeet, stond op om naar Tarsis te vluchten en vertrok vanaf Jafo, wat moeilijk anders kan betekenen dan dat het Tarsis waarheen hij wilde gaan ergens aan de Middellandse Zee lag, dus in westelijke richting vanuit Jeruzalem (‹Jona 1:3; 4:2›). In Jer. 10:9 wordt gezegd dat goud uit Ufaz wordt gehaald, Ufaz, dat vrijwel zeker gelegen was aan de zuidzijde van het Arabische schiereiland, terwijl geplet zilver uit Tarsis wordt gehaald. Maar is dit Tarsis oostwaarts gelegen in de buurt van Ufaz, of toch westwaarts in Spanje waar de geleerden in Tartessus de belichaming van Tarsis zien. In 1 Kn. 22:49 lezen wij: ‘Josafat maakte Tarsisschepen om naar Ofir te gaan voor goud. (Maar) het ging niet door, omdat de schepen bij Ezeon-Geber schipbreuk leden.’ In 2 Kr. 20:35-37 lezen wij dat de schipbreuk een goddelijk oordeel was vanwege het verbond dat Josafat met koning Ahazia had gesloten. In vs. 35-37 lezen wij: “Hierna ging Josafat, de koning van Juda, een verbond aan met Ahazia, de koning van Israël, die slecht handelde in alles wat hij deed. Hij verbond zich met hem om schepen te maken om naar Tarsis te varen, en zij bouwden die schepen in Ezeon-Geber. Maar Eliëzer, de zoon van Dodavahoe, uit Maresa, profeteerde tegen Josafat, en zei: ‘Omdat je een verbond met Ahazia bent aangegaan, heeft de HEERE je daadkracht verbroken.” Daarop leden de schepen schipbreuk, zodat zij niet naar Tarsis konden varen.’ ” Het zou wel eens zijn oorzaak gehad kunnen hebben in de oostenwind, waarvan Ps. 48:8 spreekt: ‘Met een oostenwind breekt U de schepen van Tarsis’, hoewel dat niet echt voor de handliggend is, want de schepen leden al schipbreuk bij Ezeon-Geber, in de buurt van Eilat waar o.i. de zuidenwind gevaarlijker en meer voorkomend lijkt te zijn dan de oostenwind. In Ps. 72:10 lezen wij ‘De koningen van Tarsis en de eilanden zullen hem een gave brengen, de koningen van Sjeba en Seba zullen hem geschenken aanbieden.’ Van welke kant komen de koningen van Tarsis? Uit het oosten of het westen? De combinatie met ‘de eilanden’ pleit meer voor de gedachte dat zij uit het westen komen, terwijl die uit Sjeba en Seba, uit oostelijke richting naar Jeruzalem komen. Kan het ook niet een bepaald type schepen zijn, met een overeenkomstige constructie? De formulering in dit vers doet ons dit denken. In 1 Kn. 9:29 lezen wij dat Ezeon-Geber een geschikte plaats was om schepen te bouwen, en ook al leden ze dan kennelijk bij hun vertrek al schipbreuk, dan lag dat misschien aan een constructiefout, want Salomo bouwde daar ook een vloot (‹1 Kn. 9:26›), die eens in de 3 jaar daarvandaan en er worden geen problemen gemeld (‹1 Kn. 10:22›). Maar de tekst van 2 Kr. 9:21 spreekt van schepen die op Tarsis voeren, en daarom lijkt de gedachte dat het om een bepaald type schepen zou goed, niet houdbaar. De schepen van Tarsis genoemd in Ez. 27:25 moeten wel behoren tot een Tarsis aan de Middellandse Zee is onze eerste gedachte, maar de kooplieden van Tarsis in Ez. 38:13 met hun . In Ester 1:14 vinden we naam Tarsis onder de zeven vorsten van Perzië en Medië, die het gezicht van de koning mochten zien en de eerste plaatsen in het koninkrijk innamen. |
|
Bronnen: |
EBV bijbeltekst |
|
|
|
|
|
Gesenius’ Hebrew and Chaldee Lexicon to the Old Testament Scriptures - Translated by Samuel Prideaux Tregelles., LL. D. - WM, B. Eerdmans Publishing Company - Grand Rapids, Michigan, 1949 |
|
|
|
|
Bewerking: |
redactie EBV - 1 juli 2026 |